Archief | Voetbal RSS feed for this section

Altijd heb ik in het wit van Real Madrid willen voetballen

1 Jun

Real Madrid. Ik durf de naam van deze club nauwelijks uit te spreken. De kans dat ik overspoeld word met kwetsingen, beledigingen en vuilspuiterij is aanzienlijk. Of ik word gewoon gewoon weggezet als dom; sterker: iemand zonder verstand van voetbal. Je moet van Barcelona houden – of van Ajax. Dat getuigt in het voetbalwereldje van gezond verstand. Nu, ik doe het toch maar. Dan maar geen verstand van voetbal. Ik schreeuw het hier uit: ik sympathiseer met Real Madrid! Ik hoop dat zaterdagavond Real voor de twaalfde keer de Europa Cup voor landskampioenen wint – sinds twee decennia de Champions League genoemd.

Over smaak en liefde kun je lang twisten. Maar mijn gevoel blijft mijn gevoel. Pas op, ik ben geen doorbloede supporter van Real Madrid die zijn leven en welzijn laat afhangen van deze Spaanse voetbalclub. Ik ben een sympathisant, die in de wedstrijden waarin Real uitkomt niet meer dan diep van binnen partij kiest voor de Madrilenen. Niet omdat het mooiste voetbal (Wat is dat eigenlijk? Wie heeft dat als voorwaarde bedacht?) door Real zou worden gespeeld. Dat doen ze namelijk lang niet altijd. Als de Koninklijke voetbalt, voetbalt het elftal (door wie ook gecoacht) binnen haar mogelijkheden om te winnen.

Het voelt nu als een verklaring, sterker als een verontschuldiging, dat ik doorgaans sympathieën koester voor Real Madrid. Alsof ik moet uitleggen waarom ik niet van vis houd en waarom ik een meisje liefheb dat niet de mooiste van de klas is. Waarom? Eenvoudigweg omdat het mijn eigen smaak is, mijn gevoel is waardoor ik me laat leiden. Mijn zintuigen wijzen sinds mijn jongste jeugd (mogelijk zelfs sinds mijn geboorte) mij de weg in het leven. Misschien niet de juiste weg en de mooiste weg. En zeker niet de weg die anderen nemen. Het is wel mijn weg, aangegeven door mijn vader. Zoals wel meer vaders hun zonen de weg wijzen. Voordat je het weet heb je hun weg gekozen.

In juni 1958 hadden wij thuis nog geen televisie. Mijn vader keek bij de buren naar voetbal. Ik keek bij een vriendje op zaterdagmiddag naar de FA Cup Final. Toen de finale van het WK tussen Zweden en Brazilië gespeeld zou worden, haalde mijn vader me over mee naar de buren te gaan. ,,Dan zie je negers voetballen en die kunnen beter voetballen dan blanken. Die verdedigers maken nooit overtredingen. In de aanval staat een jochie van 17, fantastisch, Pelé heet hij. Dan loopt er een lange arrogante neger rond, die kan écht voetballen, Didi. En als rechtsbuiten loopt een manke voetballer die nog beter is dan Stanley Matthews: Garrincha.”

Ik zag het aan en was overweldigd. Altijd bleef ik sindsdien sympathieën koesteren voor Brazilianen. Ik moest er later naar toe, dat beloofde ik mezelf. Ik moest de ziel van Braziliaanse voetballers blootleggen. Dat heb ik als voetbalverslaggever gedaan. Ik was er eind jaren negentig voor het eerst en zag een droom werkelijkheid worden.

Alfredo Di Stéfano

Een jaar na het WK in 1958 was ik lid geworden van de plaatselijke voetbalclub Bennekom. Op een woensdagmiddag kregen wij als jeugdspelers een keer voetbalfilms voorgeschoteld in het Verenigingsgebouw. Een van de films ging over Real Madrid, dat toen al drie keer de Europa Cup had gewonnen. Ik zag op de trillende zwartwitbeelden acties die ik alleen Brazilianen had zien uitvoeren. Ik zag een Real-speler een ongeëvenaard doelpunt maken. Hij stond met zijn rug naar het doel, liet de bal tussen zijn benen doorrollen en veranderde op het laatste moment met zijn hak de richting van de bal: doelpunt. En zo zag ik meer acties en doelpunten die mij in vervoering brachten.

Real Madrid 1958: vlnr Raymond Kopa, Hector Rial, Alfredo Di Stéfano, Ferenc Puskas en Francisco Gento

De man van de toen door mij als geniaal bestempelde actie heette Alfredo Di Stéfano. Rondom hem speelden Francisco Gento, Ferenc Puskas, Raymond Kopa, Hector Rial, José Santamaria en anderen, gehuld in witte broeken, witte shirts en witte kousen. Ze speelden in mijn jongensogen goddelijk. Ik wilde mijn hele leven voetballen in het smetteloos wit. Toen ik zes of zeven jaar later in het eerste elftal van mijn club mocht debuteren, speelden we vaak in het wit (helemaal wit). Onze clubkleuren waren rood-wit gestreept. Ik voelde me koninklijk, helemaal in het wit (zonder reclame), hoog tot op kniehoogte opgetrokken witte kousen over gebruinde benen, zwarte schoenen (de witte strepen had ik met zwart overgepoetst). Ik wilde Real Madrid zijn, eigenlijk wilde iedereen in dat elftal dat. Real Madrid zijn, dat gaf je een onoverwinnelijk gevoel.

Bennekom 1 in het wit van Real Madrid, ik zit links onder

Wit, wit, wit, koninklijk wit. Dat was het voetbal waar ik van droomde. Al moet gezegd dat de Brazilianen, voor zover ik die (op televisie) kon zien voetballen in mijn jeugd, mij ook hadden kunnen bekoren. Mijn vader was mijn zielsverwant. Hij sprong overeind bij een onnavolgbare dribbel van Gento, loeide bij een schot van Puskas en kraaide het uit bij een actie van Di Stéfano.

In het voorjaar van 1962 (ik was 13 jaar) werd in Amsterdam de finale van de Europa Cup tussen Real Madrid en Benfica gespeeld. Ik had in de plaatselijke krant gelezen dat Benfica op de Wageningse Berg logeerde en trainde, zes kilometer van mijn huis. Ik sprong op de fiets, beklom de Wageningse Berg en zag de sterren van Benfica schitteren tijdens de training. Van een bestuurslid kreeg ik een speldje van Benfica. Ik posteerde me achter het doel van Costa Pereira, de machtige keeper van Benfica. Eusebio, Coluna, Aguas, Augusto, Germano en Simoes produceerden kanonskogels. De ballen die naast het doel gingen haalde ik op (na een gevecht met andere bewonderaars) en plaatste die keurig met de binnenkant van de voet terug naar de Benfica-sterren. Na afloop kwam Eusebio met een grote lach op zijn gezicht naar me toe en aaide me over mijn hoofd, als dank voor mijn inspanningen. Het was duidelijk: Benfica zou de volgende dag mijn favoriete ploeg zijn.

Zo keken we naar de finale. Mijn vader was voor Real Madrid (met de toen al 36-jarige Di Stéfano), ik ditmaal voor Benfica. En ja hoor, Benfica won, met 5-3. Ondanks drie doelpunten van Puskas. Maar Eusebio forceerde met twee doelpunten in de tweede helft de beslissing. Ik was blij, mijn held had gewonnen. En daarom ben ik nog altijd een beetje sympathisant van Benfica.

Maar het wit van Real bleef fascineren. Altijd speelden er fantastische voetballers. Soms ook harde en smerige verdedigers, zoals José Antonio Camacho, bijgenaamd ‘het scheermes’. Ach, een scheermes als wapen kan ook fascinatie oproepen. Je moet het maar doen én durven. Ook dat is er sinds het ontstaan van voetbal. Het hoort er bij. Ik kan opgewonden raken van fabuleuze acties van artiesten, maar ook van vernietigende tackles. Dat is voor mij opwinding. Natuurlijk denk ik bij zulke grove acties: oei! Maar hij is wel van de club die ik graag zie winnen. De mantel der liefde verhult veel.

Alfredo Di Stéfano

Zaterdag is de finale Real Madrid-Juventus. In 1998 was ik er als verslaggever getuige van hoe Real in de Amsterdam Arena Juventus versloeg, 1-0, doelpunt Predrag Mijatovic. Daags voor de wedstrijd kon ik samen met een select gezelschap journalisten deelnemen aan een lunch met Di Stéfano met Gento in vijfsterrenrestaurant d’Vijff Vlieghen in Amsterdam. Het lukte mij aan tafel tegenover ‘de blonde pijl’ te gaan zitten, naast een Spaanse tolk. Terwijl Di Stéfano de ene sigaret na de andere opstak en het ene glas witte wijn na het andere dronk, vroeg ik hem wie hij de beste voetballer aller tijden vond. ,,José Manuel Moreno’’, zei Di Stéfano kort en chagrijnig, en nam een slok. Moreno bleek ooit de rechtsbinnen van River Plate Buenos Aires, zijn held bij de club waar Di Stéfano als beginnende voetballer speelde.

Na de lunch liep het gezelschap rond Di Stéfano en Gento over de Amsterdamse grachten naar een fanshop van Real Madrid die door de oude sterren geopend zou worden. Niemand herkende de oude meesters. Di Stéfano keek tijdens de wandeling nauwelijks om zich heen en mompelde op mijn verzoek (ik week niet van zijn zijde) wat over de verloren finale van 1962 in Amsterdam tegen Benfica. Gento zag een leeg blikje cola liggen en begon wat dribbels te demonstreren. Waarop Di Stéfano eindelijk lachte en zei: ,,Paco (de bijnaam van Gento).”

Fernando Redondo

Di Stéfano overleed in 2014. Hij werd 88 jaar. Door hem ben ik sympathisant gebleven van Real Madrid. Ik heb na hem talloze sterren zien schitteren in het Koninklijke wit. Ik was bij wedstrijden in het majestueuze Bernabeustadion toen de Nederlanders Leo Beenhakker en Guus Hiddink er trainer waren. Ik genoot van Butragueno, Michel, Hugo Sanchez, Santillana, Amancio, Juanito, Redondo (!), Roberto Carlos, Ronaldo (de Braziliaan), Didi (de spelmaker van de Braziliaanse wereldkampioen van 1958 en 1962, én uitvinder van de folha seca, de vallende vrije trap). Ik genoot van Netzer, Suker, Prosinecki, Hagi, Kaka, Raúl, Figo, Zidane, Beckham, McManamam, Van Nistelrooy, Robben en vele anderen. Ik zag als verslaggever een aantal Europese finales met Real Madrid en altijd was ik voor Madrid. Zoals nu, hoe sterk Juventus ook is. Ik hoop op prachtige acties van het middenveld Modric, Kroos en Isco, op de kwikzilverige aanvallende verdediger Marcelo, op Benzema, vanzelfsprekend op Cristiano Ronaldo en op het souvereine, soms keiharde verdedigen van Ramos – geen betere verdediger dan Sergio Ramos.

Zinédine Zidane

Maar bovenal hoop ik dat Zinédine Zidane de winnende coach wordt. De Fransman die eens als speler van Juventus en het Franse elftal excelleerde en vervolgens bij Real Madrid deed wat een speler van de Koninklijke wordt geacht te doen: schitteren – en mij in vervoering brengen. Ik hoop dat mijn smaak de goede is. Ik kan er niets tegen doen. Het is mijn smaak en het is mijn gevoel dat mij naar het wit van Real Madrid heeft gedreven. Of het nu de rijkste club ter wereld is, of de club met de meeste schulden, dan wel de club die niet altijd het mooiste voetbal speelt – wat dat ook is. Het is Real Madrid, de club die mijn zintuigen vormde. Mocht het niet lukken, dan zal ik niet lang treuren. May the best team win.

Dit artikel is in de aanloop naar de finale van de Champions League Real Madrid-Juventus (zaterdag 3 juni) geplaatst op de website http://www.dewitteduivel.com. Zie daar ook een portret over Juventus van Bruno Giuntoli, een Nederlandse Italiaan die de Oude Dame liefheeft.

Kopa de meest memorabele Franse voetballer

5 Mrt

Raymond Kopa, voluit Kopaszewksi, is de meest memorabele voetballer die Frankrijk heeft gekend. Nog ver voordat zijn landgenoten Michel Platini en Zinédine Zidane hun uitzonderlijke kunsten vertoonden was Kopa de Franse voetballer die tot de verbeelding sprak. In de jaren vijftig was hij een middenvelder met een even sierlijke als vloeiende dribbel, zoals men die vandaag zelden meer ziet.

Afgelopen vrijdag overleed op 85-jarige leeftijd de Fransman van Poolse afkomst. Le petit Napoleon werd hij genoemd, de voetballer die op het wereldkampioenschap van 1958 furore maakte als het spirituele brein (le chef d’orchestre) in het multiculturele Franse elftal dat als derde eindigde, achter wereldkampioen Brazilië en Zweden. Hij was de man die toernooitopscorer Just Fontaine (Marokkaanse-Spaans) en Roger Piantoni (Italiaans) met geniale passes bediende.

kopa
Kopa, die net als zijn vader werkzaam was in de mijnen rond Noeux-les-Mines (Noord-Frankrijk), werd na het titeltoernooi in Zweden opgenomen in het meest ideale elftal van het WK, dat door het frivole voetbal van de Brazilianen onder leiding van de 17-jarige Pelé en van Garrincha en Didi werd gedomineerd. Velen noemden hem de uitblinker van het toernooi.

Pelé koos Kopa 46 jaar later als een van de honderd beste nog levende spelers. In 1958 werd Kopa ook uitverkozen tot de beste voetballer van Europa (Ballon d’Or), als een speler van Braziliaanse stijl – altijd op zoek naar de dribbel en de individuele actie ten voordele van de aanvallers. Het internationaal toonaangevende voetbalmagazine World Soccer zette hem bij de beste honderd voetballers van de twintigste eeuw. In 1970 was hij de eerste voetballer die de Franse onderscheiding Legion d’Honneur ontving.

Met Stade Reims werd hij dankzij het football champagne van trainer Albert Batteux tweemaal Frans kampioen en bereikte Kopa in 1956 de eerste Europa Cup-finale. Daarin werd met 4-3 verloren van Real Madrid. Het volgende seizoen schitterde hij in de schaduw van Alfredo Di Stéfano en Ferenc Puskas bij Real Madrid, destijds jarenlang het veruit beste elftal van Europa. Kopa was te bescheiden om echt te schitteren aan de zijde van genoemd duo. Real werd mede dankzij hem driemaal Europees kampioen, in 1957, 1958 en 1959, en tweemaal Spaanse kampioen, in 1957 en 1958.

In zijn biografie Mon Football (1972) vertelt Kopa over zijn jeugd: ‘Zelfs na veertig jaar herinner ik me precies die geur. De geur van het café, waar ik als kleine jongen, samen met mijn broer, voor het eerst door mijn moeder werd afgezet om af te dalen in de mijn. Het mijnwerkerscafé is mijn café geworden. Ik blijf me tot vandaag de dag een mijnwerker voelen. Ik ken niet anders en kon niets anders. En omdat de geur van het café – het rook naar lekker vlees – me deed ontwaken, wist ik altijd letterlijk hoe laat het was: vier uur in de ochtend. Elke keer als ik wakker word, waar ook ter wereld, als ik mijn ogen open, zie ik de mijn voor mij. Ik proef de geur van het café. En ik ben een beetje bang. Altijd opnieuw. Het is deze angst die mij heeft veranderd van de mijnjongen Raymond Kopaszewski in de topvoetballer Kopa. Ons huisje lag achter een mijn, een typisch citéwoninkje met een kleine tuin. Daarachter stond het stadionnetje. Het waren wat trieste woonomstandigheden, tegenover ons lagen de briques noires. Maar binnen was het altijd zeer mooi: miniatuurtjes, artistiek, zoals Polen dat kunnen. Mijn cité, mijn stad, mijn huis, het leek allemaal zwart, melancholisch, stoffig. Gelukkig was er de bal! Van mijn zesde af raakte ik erdoor gefascineerd. Zonder de mijn zou ik zonder twijfel ook een goede voetballer zijn geworden. Maar niet diegene die ik nu ben geweest. Het verklaart dat ik, gedurende mijn loopbaan, ben blijven vechten tegen de nederlaag. Ik gaf altijd het maximum dat ik in mij had. Zonder mijn vlucht uit de mijn naar het voetbal, was ik nog steeds Kopaszewski.’

kopa1
Raymond Kopa speelde 45 interlands voor Frankrijk en scoorde daarin 18 maal. Hij wordt herinnerd als ‘de kleine Napoleon’, een mannetje met een breed arsenaal aan passeerbewegingen en intelligente passes. Kopa was de voetballer die evenals de Brazilianen Pelé, Garrincha en Didi het WK van 1958 de liefhebbers deed beven van emotie. Klein maar fijn.

Deze necrologie is gepubliceerd op 4 maart in NRC Handelsblad

Het leed van een Griekse god

22 Feb

Het waren de hoogtijdagen van Vitesse én van Nikos Machlas (1973), de Griekse spits van de Arnhemse club die het ene na het doelpunt maakte. Met zijn hoofd, met zijn linker- en rechtervoet, met intikkers, met boogballen, de ene keer glijdend naar de bal, de andere keer met een hard en strak schot. Alsof doelpunten maken hem geen moeite kostte, alsof hij ervoor geboren was. In Arnhem en omstreken spreken velen nog steeds met ontzag over de trotse Kretenzer die tussen 1996 en 1999 met zijn lange rij van doelpunten Vitesse naar de top van het Nederlandse voetbal loodste.

Zo had de ambitieuze voorzitter Karel Aalbers het zich ook gewenst, toen hij Machlas kreeg aangeboden door de Nederlandse trainer Gène Gerards van OFI Kreta. Juwelierszoon Aalbers had zich voorgenomen de aloude club (uit 1892) die hij als jongetje uit Velp door zijn vader leerde adoreren, eindelijk uit provinciale sferen te trekken en met Ajax, Feyenoord en PSV te concurreren. Daar paste niet alleen een nieuw groot en modern stadion bij, in plaats van het sfeervolle maar verouderde Monnikenhuize aan de Rosendaalseweg, maar ook spelers en trainers met statuur – ook buitenlanders.

Aalbers had er veel over kunnen vertellen, maar sinds zijn (door financiële verwikkelingen gedwongen) vertrek wil hij niet meer praten over voetbal en Vitesse in het algemeen en over zijn ‘pleegzoon’ van destijds in het bijzonder. ,,Het is al zeventien jaar geleden dat ik afscheid nam als bestuurder van Vitesse, ik kan en wil er niets meer over zeggen. Enerzijds door zakelijke belangen, anderzijds omdat het me nogal altijd pijn doet. Ik hoop dat u dat respecteert’’, zo legt hij het verzoek om herinneringen op te halen aan Machlas naast zich neer.

nikos-machlas

Het is een dilemma dat meer aanhangers van Vitesse beheerst. Wie Vitesse aanhangt heeft gemengde gevoelens. ,,Altijd als je denkt dat de club eindelijk succescol zal zijn gaat er wat mis. Dat maakt de club zo sympathiek of in het slechtste geval een cultclub’’, beweert NRC-columnist en Vitesse-supporter sinds 1980 Marcel van Roosmalen. Mopperen en juichen gaan hand in hand, ook nu in het Gelredome, de erfenis van Aalbers waar de club sinds 1998 zijn wedstrijden speelt. Zo moest Nikos Machlas leren begrijpen toen hij, gezegend met de bijnaam De Trots van Kreta, in zijn nog doelpuntloze beginperiode vanaf de tribunes op Monnikenhuize werd bejegend met de snerende kreet ‘Lachgas’.

Jorgos Sagkotzis schraapt zijn keel extra als hij wil vertellen over de eerste maanden van Machlas bij Vitesse. Jorgos, Noord-Griek uit Thessaloniki en eigenaar van het Griekse restaurant Delphi in Arnhem, weet nog hoe hij Machlas moest uitleggen wat de supporters over hem riepen. ,,’Lachgas, Lachgas? Roepen ze dat? Wat is dat?’ Nikos sprak alleen nog Grieks. Ik moest zeggen dat ze hem uitlachten. Nikos was er heel verdrietig om. Want hij was een hele gevoelige jongen. Hij begreep niets van de Nederlandse mentaliteit, van de taal. En hij deed toch zijn best? Karel Aalbers beschermde hem, zeker, als zijn mooiste juweel. Maar alleen met taal kun je iemand helpen. Nikos was hier alleen. Hij had mij en niemand anders. Ik moest hem gerust stellen: ‘het komt goed jongen, Nederlanders zijn anders dan Grieken, jij hebt gescoord in Griekenland, dat ga je hier ook doen.’ Ik kende hem, ik had hem zien spelen bij OFI, en met een team van Europese All Stars tegen AC Milan. Man, man, hij was zo goed. Veertig interlands toen al. Het zou hier ook goed gaan. Dat vertelde ik hem en dan omhelsden we elkaar, als echte Grieken. Hij was vaak in tranen, echt waar. Vaak begrijp ik niet waarom men zo nodig buitenlanders, mensen uit een andere cultuur, hierheen moet halen. En vervolgens worden ze niet goed opgevangen, vooral omdat ze niet worden begrepen.’’

Jorgos vertelt dat hij in de zomer van 1996 werd benaderd door een Vitesse-bestuurder om Machlas op te vangen. ,,Vitesse had een trainingskamp in Zierikzee. OFI Kreta, de club van Nikos, was in Hamburg op stage. Ik moest naar Zierikzee om Nikos op te vangen. De eerste oefenwedstrijd was in Zeeuws-Vlaanderen, tegen Hoek. Nikos kreeg een schop tegen zijn enkel. Dat zag er slecht uit. Ik bracht hem naar Arnhem waar hij nog geen onderkomen had en leverde hem af in het ziekenhuis. Die jongen was in paniek. Hij huilde. Niemand begreep hem. Niemand ving hem op. Het viel mee, maar op de eerste trainingen werd hij natuurlijk getest. Raymond Atteveld, Theo Bos en anderen probeerden hem uit met grove tackles. Niemand greep in. Nikos was bang. En hij was toch de grote ster, moest die dan aangepakt worden? Dat was hij niet gewend in Griekenland, daar was hij de ster. En dan woonde hij ook nog eerst in een hotel en later in Duiven, met zijn vrouw, een dorp waar niemand hem verstond.’’

Gelukkig kon hij terecht bij Jorgos, waar hij vaak in het restaurant kwam. Uiteindelijk werd Delphi een plek waar alle Vitesse-spelers en trainers bij elkaar kwamen. En nog, zegt Jorgos, en hij wijst naar de tafels waar ze allemaal hebben gezeten en vertelt over de telefoontjes die de spelers van toen nog steeds plegen. Jorgos vertelt over de manier waarop hoofdtrainer Leo Beenhakker met Machlas omging. ,,Die zat daar maar hoofdschuddend te kijken wat Nikos allemaal niet goed deed. Hij vond het maar niks. Een miskoop, zei hij hardop tegen de pers. En hij deed ook niks om hem beter te maken. Frans Thijssen was assistent en die zag alles, die wist meteen hoe het moest. Maar Beenhakker, nee.’’

Thijssen, de ongekroonde de kap- en draaikoning van het Nederlandse voetbal die furore maakte bij onder meer NEC, FC Twente, Ipswich Town, Nottingham Forest, Vitesse en het Nederlands elftal (14 keer), zag inderdaad wat Machlas kon en ontbeerde. ,,Zelfvertrouwen. Als je weet dat zo’n speler scorend vermogen heeft, dan moeten de trainer en de medespelers daarop inspelen. Beenhakker was meer het type dat spelers eigen verantwoordelijkheid gaf: als je het wilt maken, dan moet je dat laten zien. Ik herkende veel in Machlas. Ik ging van Nederland naar Engeland. Dat was verschrikkelijk, in een andere cultuur. Ik zocht ook Nederlanders op en ik zou ook een Nederlands restaurant hebben opgezocht. Je wilt gewoon mensen vinden die je begrijpen. Nikos was gewoon een hele aardige, fijne jongen, die er niets van begreep. Ik ging met hem praten, dat is ook de taak van een assistent-trainer. De hoofdtrainer stelt op en denkt na over systemen. Ik zag wat Nikos nodig had, mensen om hem heen die hij vertrouwde. En dan word je ook nog binnengehaald als vedette, de man die het meest verdient en vanwie het meest wordt verwacht. Nou, dat is heel lastig.’’

Het werd dus een lastig begin voor Nikos Machlas, slechts acht doelpunten in het eerste seizoen. Aalbers werd ongeduldig, Beenhakker had andere dingen aan zijn hoofd, de supporters begrepen niet veel van die rare Griek met zijn kapsones. De pers kwam op hem af met kritische vragen die hij niet begreep en al helemaal door de taalbarrière niet kon beantwoorden, de familie (overgekomen uit Griekenland, zoals zijn oom, een bisschop) zag hem schutteren. Beenhakker had hogere ambities en vertrok naar Feyenoord. Zijn opvolger Henk ten Cate zag wél wat in Machlas, paste de speelstijl aan en kreeg de Griek aan het scoren, vooral dankzij de aanwezigheid van de Servische spits Dejan Curovic, de Servische schaduwspits Marko Perovic en de aanvallende linksback Marc van Hintum. Machlas, Curovic en Perovic namen dat seizoen 75 procent van de 85 doelpunten voor hun rekening. Machlas scoorde 34 maal en werd Europees topscorer. Vitesse eindigde dat seizoen als derde.

Jorgos Sagkotzis: ,,Een heilige drie-eenheid. Op Kreta werden vijfduizend Vitesse-shirtjes verkocht met de naam Machlas, rugnummer 9 en het logo van de Gouden Schoen. Aalbers sloot een contract een Griekse winkelketen met 380 filialen over de verkoop van Machlas-attributen. Vitesse en Machlas werden rijk. In het volgende seizoen moest het weer gebeuren. Er werd misschien beter en veel mooier gevoetbald onder de nieuwe trainer Herbert Neumann, maar die zag het niet zitten in Perovic. Machlas scoorde toch weer 18 keer. De weg lag open naar een grote carrière in het buitenland.’’

ÓÏÕÐÅÑËÉÃÊÁ / ÐÁÍÉÙÍÉÏÓ-ÏÖÇ / SUPERLEAGUE / PANIONIOS-OFIMachlas droomde van de Champions League, waar Vitesse niet aan toe was gekomen. Aalbers vroeg 40 miljoen gulden voor de Griek, maar geen club wilde dat bedrag betalen. Machlas had altijd gedroomd van een club met internationale allure: AC Milan met name, het werd tenslotte Ajax de club die hij als jongetje had zien schitteren. ,,Hij wilde een loopbaan als Marco van Basten’’, weet Jorgos, ,,zijn grote voorbeeld’’. Machlas koos voor Ajax, tot grote teleurstelling van Aalbers, vooral omdat Ajax ‘slechts’ 19 miljoen over had voor de Griek.

Yannis Anastasiou, nu trainer van Roda JC, kent Machlas al vanaf 1992. Ze maakten samen deel uit van de Griekse selectie onder 20 jaar en zijn sindsdien bevriend. Toen Machlas naar Vitesse ging werd Anastasiou zijn opvolger als spits bij OFI Kreta. ,,Ik kwam in 1999 bij Anderlecht in Brussel. Nikos speelde bij Vitesse. We zochten elkaar op, in Arnhem of in Brussel. Onze vrouwen werden vriendinnen. Nikos’ vrouw is peettante van onze dochter. Hij was niet gelukkig in Arnhem. Hij ging naar Ajax, ik naar Roda, we bleven contact houden. Maar Nikos had altijd heimwee naar Kreta, zeker in Amsterdam. Hij werd steeds ongelukkiger. Kretenzers kunnen alleen op hun eiland leven, nergens anders. Nikos is bovendien een zeer gevoelige man, hij wil voortdurend warmte om zich heen, hij lacht pas als hij begrepen wordt. Dat werd hij bij Ajax nooit, ik heb ook bij Ajax gevoetbald, het is geen warme club, het is een club die alleen aan successen denkt. Nikos dacht dat hij een ster was, maar bij Ajax dachten ze daar anders over. Daar was concurrentie, op alle fronten.’’

David Endt was destijds elftalbegeleider bij Ajax. Hij zegt al vanaf het begin dat Machlas en Ajax niet op hetzelfde spoor zaten. ,,Danny Blind was trainer. Hij rekende zich rijk met de komst van een scorende spits. Maar hij en Ajax vergaten dat Machlas bij Vitesse kon schitteren dankzij Curovic en in mindere mate Perovic. De spelstijl lag Machlas niet. Aan de andere kant werkte Machlas niet echt mee, hij voelde zich de vedette mede omdat hij de duurste speler was. Hij op Nederlandse les? Hoe kom je erbij? Hij leefde in zijn eigen wereld. Alles moest voor hem geregeld worden. En als de trainer of de andere spelers hem niet begrepen was dat hun schuld. Hij was altijd overtuigd van zijn gelijk. Toen Co Adriaanse trainer werd verbeterde er veel. Machlas had concurrentie van Mido en Zlatan, maar Machlas was heel lang eerste keus, hij kreeg het vertrouwen. Hij scoorde ook wel: 18 keer, 14 keer, 14 keer. Maar hij was moeilijk te coachen, het moest allemaal om hem draaien: de Koning van Kreta.’’

Endt mocht hem graag: ,,Zo’n charmante jongen. Hij had een lach die je kon doen smelten. Hij kon klagen als een klein kind, dan had ik medelijden met hem. Gauw verongelijkt. Ik maakte de indeling van de parkeerplaatsen. Ik had hem op nummer 35 gezet. Hij was woedend. Waarom niet op 12, dicht bij de poort, dan hoefde hij niet zo ver te lopen? De belangrijkste speler op 35, hoe verzin je zoiets? Hij kon de strijd met Zlatan en Mido uiteindelijk niet aan, hij verloor elke slag. Hij had ook geen superconditie. Er miste iets. Hij was niet gemotiveerd. Op de training klaagde hij over de harde aanpak van andere spelers, Nikos wilde een beschermde status.’’

Machlas werd na drieëneenhalf seizoen op aandringen van de nieuwe trainer Ronald Koeman uitgeleend aan Sevilla. Een vernedering, zo voelt Endt het nog steeds. Hij kwam er niet aan spelen toe. ,,Toen zijn rijbewijs werd afgepakt wegens te hard rijden, eiste hij dat zijn werkgever, nog steeds Ajax, dat ongedaan maakte. Zo hoort dat, vond hij, in Griekenland doen ze dat met sterren. Ik zei nog: ‘neem een chauffeur’, maar hij was diep beledigd. Ik had met hem te doen, maar kennelijk is hij toch te veel door de Griekse mentaliteit verpest. Hij was een Griekse god en die diende aanbeden te worden.’

Bij alle mensen die Nikos Machlas kennen komt het terug: hij was een charmante man die heel goed kon voetballen, maar zich niet begrepen voelde. Yannis Anastasiou, zijn vriend, heeft nog weleens contact met Machlas die na Sevilla terugkeerde naar Griekenland, via Iraklis Saloniki, OFI Kreta, het Cypriotische Apoel Nicosia en uiteindelijk voorzitter/eigenaar werd van zijn jeugdclub OFI Kreta. Ook die functie bekleedt hij niet meer. Anastasiou: ,,Hij is bezig met een jeugdacademie, daar stort hij zijn ziel en zaligheid in. Nikos houdt afstand van de wereld van vroeger. Hij is gescheiden, heeft een nieuwe vriendin en boven alles heeft hij zorgen om zijn oudste zoon van 17 jaar, die vorig jaar mei een zware hartoperatie in Duitsland heeft moeten ondergaan. Ik ben met mijn vrouw nog naar Hannover geweest om hem te steunen.’’

Anastasiou wil benadrukken hoe groot het hart van Nikos Machlas is. ,,We zijn een keer naar Parijs geweest voor een wedstrijd Paris St. Germain, konden we de oud-Ajacieden Zlatan en Maxwell nog eens ontmoeten. Na afloop vroeg Nikos aan Zlatan een shirt om aan de dokter die Nikos’ zoon heeft geopereerd te geven. Zo trots en dankbaar heb ik Nikos nooit gezien. Ik stuur hem berichtjes, soms krijg ik antwoord, soms niet. Ik ken hem, hij is een jongen van Kreta, gevoelig, die zich alleen thuis voelt op zijn eiland, in Heraklion.’’

Telefoontjes naar Nikos Machlas worden niet beantwoord. Yannis Anastasiou: ,,Ik breng hem wel de groeten over uit Nederland, dat zal hem goed doen.’’

 Jorgos Sagkotzis: ,,Vandaag of morgen staat hij zomaar voor mijn neus. Dan omhelzen en zoenen we elkaar. Ik zal hem nooit vergeten, niemand hier in Arnhem. Hij heeft ons de mooiste momenten van Vitesse bezorgd. Kent u Grieken? We mopperen en klagen veel, net als Arnhemmers, maar diep van binnen zijn we fijne mensen die het alleen naar hun zin hebben als ze worden begrepen.’’

Dit verhaal is gepubliceerd in de VI Special: Buitenlandse sterren in Nederland. Met verder verhalen, portretten en interviews met en over Romário, Milko Djurovski, Ove Kindvall, Mihai Nesu, Helmuth Rahn, Jesper Olsen en anderen

Piet Keizer had niks met heldendom

11 Feb

Gewoon Piet Keizer (14 juni 1943). Wars van adoratie en welke vorm van idolatrie dan ook. Niks mysterieus, niks geniaal, niks poëtisch, niks fenomenaal. Piet wilde niet herinnerd worden als de legendarische linksbuiten van Ajax met de verbazingwekkende, onvoorspelbare schaarbeweging. Van lyriek en fantasie begreep hij geen snars. Hij deed gewoon de dingen die hij wilde doen. Hij zei gewoon de dingen die hij wilde zeggen. Dat anderen er iets bijzonders in zagen, moesten zij weten.

Natuurlijk had Piet vreugde beleefd aan wat hij heeft gedaan als voetballer. Natuurlijk juichte hij na een doelpunt, schepte hij genoegen in een geslaagde passeerbeweging of een succesvolle vrije trap waarmee hij de bal over het muurtje in het doel had gekruld. Dat vond hij nou zo leuk aan voetballen. Maar die ‘kouwe drukte’ er omheen, vooral van de journalisten of nog erger van een select gezelschap schrijvers dat hem zo nodig wenste te bewieroken in poëtische lofzangen. Als hij in staat was geweest zoiets te verbieden, had hij het gedaan. Sommige dingen die over hem werden gezegd, vervulden hem met walging.

Zo ervoer Rik Planting tijdens een opvallend openhartig gesprek voor het boek Lucky Ajax, de eregalerij (Thomas Rap, 1996). ‘Al heel snel had ik beslist dat die publiciteit voor mij niet hoefde. Het werd omgedraaid: ik vond voetballen heel leuk, maar ik heb nooit of te nimmer gevraagd of iemand kwam kijken (…) Een dichtbundel voor mij is het toppunt van wat ik niet kan en wil begrijpen. Ze denken: Hé, dit is hot, daar moet ik bij zijn, daar moet ik aan meedoen.’

Weg was de adoratie. Weg was de vereenzelviging met ‘Pietje Keizer’ (wiens acties ik als iedere andere jongen tevergeefs probeerde na te doen op het trainingsveld), zodra ik op latere leeftijd als journalist oog in oog met hem stond. En zeker zodra ik in 1996 Plantings boek had gelezen: ‘Publiek reageert op de actie, niet op de bedoeling. Niemand wist wat mijn bedoeling was. De ene keer lukte het, een andere keer niet. Maar mijn bedoeling was altijd oprecht. Uiteindelijk lukte er altijd minder dan ik wilde (…) De verdwazing van het publiek kan toch geen kick geven? (…) Ik begrijp niet dat er zoveel mensen zijn die zich kunnen opwinden, zo betrokken kunnen zijn.’

Het zijn van die passages in mijn leven die mij hebben doen inzien hoe betrekkelijk de kwalificatie ‘held’ in sportbeleving is. ,,Helden zijn mensen die zijn opgestaan uit de dood, die bloed hebben zien vloeien. Sportmensen zijn geen helden, dat zijn gewoon mensen die een kunstje beter uitvoeren dan een ander’’, zei Piet tegen mij aan de vooravond van een duel van Bayern München tegen Ajax, ergens medio jaren negentig. Piet (aanwezig als columnist/analist van een weekblad) zat naast zijn vriendin toevallig tegenover mij in een hotel buiten München aan de Tegernsee. Hij was zeer vriendelijk en complimenteerde me met mijn analyses in NRC Handelsblad over Ajax: ,,Jij gaat gelukkig niet mee met die euforie van je collega’s en dat geschreeuw van die Van Gaal over zijn succesformule. Dat voetbal van Ajax slaat nergens op. Ik zie geen lol, ik zie alleen computerspel. Het is allemaal zo betrekkelijk, dat voetbal. Vandaag noemen ze een speler een held, morgen bestaat hij niet meer. Vertel mij wat. Ik heb er nooit aan meegedaan. Maar, ach laat maar…’’

pietje
Het werd een genoeglijke middag – vanzelfsprekend laten wederzijdse complimenten je niet onberoerd. Piets vriendin (zijn tweede vrouw) straalde en Piet straalde met haar mee. ,,Weet je wat ik zo mooi vind’’, zei Piet, ,,zij vindt jou leuk en jij doet alsof je niet weet wie ik vroeger was. Gewoon, samen zitten praten over voetbal en het leven, daar houd ik van. Voetbal is mijn leven, altijd geweest. Totdat ik merkte dat het einde was gekomen, ergens in oktober 1974. De andere spelers waren klaar met mij. [Trainer] Hans Kraay wilde iets anders, toen zei ik: ‘Krijg de klere maar, ik stop ermee’. De beste beslissing die ik heb genomen. Maar nu wat anders graag…’’

Ergens in die periode – kort na zijn abrupte afscheid – had ik in Vrij Nederland gelezen, in een interview van Frits Barend en Henk van Dorp, dat het journalistenduo was opgevallen dat Piet tijdens een wandeling door zijn tuin aan de Amstel zomaar over een bal was gestapt die iedere andere voetballer van vlees en bloed een subtiel tikje dan wel een harde trap zou hebben gegeven. Piet kwam er in het Beierse hotel op mijn verzoek op terug: ,,Geloof jij dat? Je moet niks geloven wat anderen schrijven. Misschien was het waar, misschien niet. Iedereen zijn eigen waarheid, iedereen zijn eigen perceptie. Je ziet wat je wilt zien. Sterker nog: het was wel waar.’’

Ik voelde me op mijn gemak bij Piet. Hij kon chagrijnig kijken, narrig zijn en irritant zwijgen. Als je hem maar in zijn waarde liet, gewoon Piet Keizer, niet meer en niet minder. Echt een warme man, hij straalde rust uit als je hem maar niet op zijn ‘kwaliteiten’ wees.

Op een middag in de lounge van een Brussels hotel aan de vooravond van een wedstrijd België-Nederland, zat ik tussen Piet en Johan Cruijff, omringd door hun echtgenotes en KNVB-voorzitter Jeu Sprengers. Johan had het hoogste woord, Piet stootte me telkens aan. Danny, Johans vrouw, nodigde Piets partner uit te gaan shoppen, mogelijk het gepraat van haar man beu. Want Johan had alles gezien, alle voetbalzenders gezien, niks was nog een geheim voor hem.

Johan filosofeerde over spelregels en andere voetbalwijsheden. Waarop Piet zei: ,,Ze moeten de cornervlaggen weghalen.’’ Johan zei ‘ja’. Waarop Piet zei: ,,En die doelpalen moeten ook weg.’’ Johan gaf Piet gelijk. Johan ging maar door. Toen sprak Piet de gedenkwaardige woorden: ,,Als ik jou goed begrijp moet je het hele voetbal afschaffen. Mij best, hoor. Maar misschien krijg jíj daar het meeste last van.’’
piet_keizer_in_actie_foto_vi_images
Daar zaten dan de mannen die ik bij Ajax had zien toveren, de ene door zijn frivoliteit, de andere door zijn geniale inzicht. Beiden eigenzinnig. De een leefde in een obsessie. De ander in een nieuwe gedaante, die van afstandelijke analist, een man die zijn leven in tweeën deelde en niet helemaal wist waar hij zich thuis voelde.

In veel beschouwingen wordt Piet Keizer neergezet als een man die zich had voorgenomen Johan Cruijff tot aan zijn dood te dwarsbomen. Zo heb ik het niet ervaren. Piet was gewoon niet volgzaam. Niet ten aanzien van Cruijff en zeker niet ten aanzien van zijn coach Rinus Michels, die zoals hij later verwoordde hem het plezier in voetbal afnam. Door Michels werd voetballer zijn een beroep. ‘Ik vond wat hij deed beknotting, bevoogding’, aldus Keizer tegenover Rik Planting.

Niettemin begreep Keizer naderhand dat Michels de basis had gelegd voor het latere succes van het Nederlandse voetbal, door diens invoering van discipline en zijn nadruk op het belang van het collectief. Maar leuk? Nee, die tijd was voorbij. Die alom bewonderde schaarbewegingen, die vrije trappen met een krul, die passes en kogelharde schoten, dat gaf pas echt plezier. Wat men er ook van vond.

Nuchter? Piet nam op een late avond zijn telefoon op. Ik zei hem wie ik was. ,,Aha, die afstandelijke journalist die altijd op zoek is naar de waarheid. Wat een eer. Je bent zeker dronken. Bel morgen maar terug, dan vertel ik je wat ik denk. Welterusten.’’

Het was de ultieme schaarbeweging. Onvoorspelbaar en realistisch. Droog, gewoon zoals je een tegenstander omzeilt op weg naar het doel. Piet was als de buurman, zoals hij zich altijd had gewenst. Gewoon een mens waar ik niet meer tegenop hoefde te zien – en dat was louter zijn verdienste.

Maar toch: graag nog één keer de schaar van Pietje.

Dit artikel is verschenen in NRC Handelsblad

Aanvoerder van laatste samba

30 Okt

Toen er nog sambavoetbal werd gespeeld, frivool, speels, kunstzinnig en met plezier, toen was Carlos Alberto de Braziliaanse aanvoerder en maker van het mooiste doelpunt in de historie van het wereldkampioenschap voetbal. Vorige week dinsdag overleed hij aan een hartaanval, 72 jaar oud. Hij zal altijd worden herinnerd door zijn doelpunt drie minuten voor het einde van de finale tegen Italië. Het was daar in Mexico-Stad, op 21 juni 1970, de bekroning van ongekend voetbal in het algemeen en een ongekende Braziliaanse aanval in het bijzonder.

Nooit meer zou sambavoetbal van die schoonheid worden gespeeld – misschien nog een beetje tijdens het wereldkampioenschap van 1982, dankzij Socrates, Falcão en Zico. Niet zozeer omdat de 25-jarige rechtsback Carlos Alberto na een aanval via negen verschillende spelers met een even harde als perfecte wreeftrap de Italiaanse doelman Enrico Albertosi kansloos liet en de eindstand op 4-1 voor Brazilië bracht, maar vooral dankzij de artistieke gaven van Clodoaldo, Rivelino, Gerson, Tostão, Jairzinho en Pelé. Zij streelden de zintuigen door hun manier van bewegen en door hun balvaardigheid en samenspel.

Voetbalromantici beleefden in die Europese avonden en nachten hun steeds schaarser wordende momenten van gelukzaligheid. Voor het eerst werd op televisie een WK voetbal in kleur uitgezonden. Het geel-blauw van de ‘goddelijke kanaries’ werkte betoverend, vooral als Pelé, Rivelino, Gerson en Clodoaldo hun talenten toonden. De beelden van het laatste en historische doelpunt staan bij romantici dan ook in het geheugen gegrift.

carlos-alberto

Bij de dood van Carlos Alberto komen herinneringen aan die finale tot leven. De opzet van de aanval, de reuzenslalom van Clodoaldo, de pass van Rivelino, de actie van Jairzinho en dan het achteloze passje op perfecte snelheid van de bij vlagen geniale Pelé op de vanuit zijn rug aanstormende verdediger, én dan die lage kanonskogel van de rechtervoet van Carlos Alberto. Kort daarop kreeg hij als aanvoerder de Coupe Jules Rimet overhandigd om hem spontaan te kussen. Het Aztekenstadion, gevuld met ruim 100.000 toeschouwers, explodeerde bijna door het triomfantelijk gehuil van de Zuid-Amerikaanse supporters.

Over het Braziliaanse elftal van 1970 is alleen maar lovend gesproken en geschreven. Zo schreef een dichter uit die tijd: ‘Zulk mooi voetbal moest verboden worden.’ De Engelse voetbalfreak Nick Hornby schreef in een van zijn boeken dat Brazilië het in zekere zin voorgoed verpest had voor de voetballiefhebber, omdat nooit meer een elftal zo mooi voetbal zou kunnen spelen.

Dat voetbal, ondersteund door coach Mario Zagallo (zelf als speler met Pelé in 1958 al wereldkampioen), zou in mijn beleving nooit meer gespeeld worden. Ook tot verdriet van Carlos Alberto, de sierlijke, atletische, snelle en altijd offensieve verdediger. Hij memoreerde vaak aan het spel in Mexico, aan dat doelpunt omdat het de vervolmaking was van een aanval waarbij bijna de hele ploeg betrokken was. „Niemand sprak meer over die briljante eerste goal van Pelé of de tweede van Gerson en de derde van Jairzinho, het is altijd over mijn goal gegaan. Ik had geluk dat ik het laatste aanspeelpunt was en de afronding mocht verzorgen. Ik zag het aankomen, omdat ik Pelé kende, als medespeler van Santos en als vriend. Hij kende mij, hij wist dat ik kwam. Bovendien hadden we vaak op deze aanvallen getraind.”

Carlos Alberto, geboren in Vila da Penha, Rio de Janeiro, zette na die finale zijn carrière voort bij Santos, Fluminense, Flamengo, New York Cosmos en California Surf, en nog even in het nationale elftal (53 interlands). Vanaf 1983 trainde hij verschillende clubs, overal ter wereld, en hij was tot zondag voetbalanalist voor de Braziliaanse televisiezender SporTV. Hij was kritisch, omdat hij teleurgesteld was in de ontwikkeling van het Braziliaanse voetbal. Hij zag geen spelplezier meer, zag te weinig spontane acties, zag de invloed van Europees voetbal met te veel tactiek en defensief spel. Voorafgaand aan het WK van 2010 in Zuid-Afrika zei hij tegen een verslaggever van The Guardian: ‘Ik wil er niet bij zijn, ik kijk thuis wel. Ik wil niet bij dit Braziliaanse elftal betrokken zijn, daar schaam ik me voor.’

Carlos Alberto had graag gezien dat het voetbal van Brazilië uit 1970 werd overgenomen door zijn eigen teams. Zijn vriend Franz Beckenbauer, met wie hij net als met Pelé bij New York Cosmos speelde, zei hem eens (aldus het interview in The Guardian): ‘Weet je wat ons probleem is? Wij willen als coach dat spelers hetzelfde doen wat wij deden. Je moet het beste uit spelers halen, zij moeten zichzelf ontwikkelen. Dat kun jij met je uitstraling als geen ander. Jij bent hun voorbeeld, niet meer en niet minder. Dat opende mijn ogen.’

Voor Pelé was Carlos Alberto de beste verdediger ter wereld. Zijn doelpunt in de finale van 1970 wordt gezien als een van de meest historische sportmomenten van de vorige eeuw. Johan Cruijff stelde hem op in zijn beste elftal, als rechterverdediger, naast Franz Beckenbauer.

In Brazilië werd ter ere van O Capitão do Tri (de Aanvoerder van de Derde wereldtitel) drie dagen van nationale rouw afgekondigd. Carlos Alberto werd woensdag begraven.

Deze necrologie is gepubliceerd in NRC Handelsblad

De Klassieker, over trauma’s en andere (mooie) emoties

25 Okt

Opgezweept door alle verhalen, interviews en aankondigingen besloot ik me zondagmiddag mee te laten slepen door de sfeer in De Klassieker. Ik had die stemming in mijn beroepsmatige leven al vaak meegemaakt, met goede en slechte ervaringen. Spannend waren de wedstrijden voor mij altijd, of ze nu in De Kuip, De Meer, het Olympisch Stadion of in de Arena werden gespeeld. Ik was er altijd neutraal getuige van, want ik ben van Ajax noch Feyenoord supporter. Mijn kippenvel was anders dan van de supporters in het stadion, maar mijn zintuigen stonden wel degelijk open en trilden zodra mijn zenuwen geprikkeld werden.

foto-editie_vincent_mentzel_kleiner

Foto Vincent Mentzel

De Klassieker wordt het duel tussen Feyenoord en Ajax genoemd. Vooral omdat het een klassiek ‘gevecht’ tussen Rotterdam en Amsterdam is. Met klassieke voorbeschouwingen, klassieke interviews en klassieke stemmingmakerij. De Klassieker heeft wat betreft sfeer en beladenheid veel weg van een derby, een wedstrijd tussen rivalen uit dezelfde stad of dezelfde streek. Wedstrijden die geladen worden door de media, de supporters en de betrokken spelers en trainers.

Ik heb er veel meegemaakt, clubderby’s, in binnen- en buitenland, in kleine dorpen en grote steden. En altijd hing er een magische zindering in de lucht. Bij de Derby della Madonnina (Milan-Internazionale), bij Flu-Fla (Fluminense-Flamengo in Rio de Janeiro), El Clásico (Real Madrid-Barcelona), de Old Firm (Rangers-Celtic in Glasgow, afgelopen weekend nog gespeeld), Kitalar Arasi Derbi (Derby van de Continenten tussen Fenerbahce en Galatasaray in Istanbul) en de Ruhrpott- of Kohlenpottderby tussen Borussia Dortmund en Schalke. Wat had ik graag andere derby’s meegemaakt, zoals Al Ahly-Al Zamalek in Caïro, Boca Juniors-River Plate (El Superclasico) in Buenos Aires en FC Dundee-Dundee United (Ne’erday Dundee). Het spelpeil is nauwelijks van belang: het gaat om de sfeer.

Ik geef toe: de sfeer had niet altijd een gezonde uitwerking op mijn kwetsbare geestelijk gestel. Ik was gefascineerd, bloednerveus; diep van binnen was ik eigenlijk bang, al vanaf het stadion in zicht kwam. Zingende, schreeuwende en agressieve supporters. Duizenden mensen die honger en dorst hadden naar iets dat ze op gewone dagen niet kregen – en dat luidkeels lieten blijken. Vóór een van die Klassiekers werd mij (als verslaggever) buiten het stadion (De Kuip, De Meer, het Olympisch Stadion of de Arena) vaak op brute toon gevraagd door opgewonden (én al beschonken) supporters voor welke club ik was. Dat geen enkele club mijn voorkeur had, durfde ik niet te zeggen. Ik durfde eigenlijk niets te zeggen. Ik peilde eerst met welke supporters ik te maken had en mompelde dan de naam van de club voor wie zij duidelijk door het vuur gingen. Dan werd ik op mijn schouders geslagen en kreeg een slok bier aangeboden. Wat een uit angst geboren, huichelachtig compromis niet oplevert.

Bestuurders en trainers van de betreffende clubs waren meestal even opgewonden en riepen mij voor en vooral na de wedstrijd intimiderend ter verantwoording, omdat ik in hun ogen niet de ‘juiste’ partij koos. Zo heeft de voorzitter van een van die clubs me eens streng aangekeken en – op z’n zachtst gezegd – gemaand toch vooral bij mijzelf na te gaan waar ik mee bezig was. Anders zou het gevolgen kunnen hebben voor mijn status. Inderdaad, enige tijd later was ik niet welkom in een vliegtuig waarin de club met spelers, trainers, bestuurders, sponsors en andere verslaggevers naar een belangrijke buitenlandse uitwedstrijd reisde. De voorzitter van die andere club zond mij een brief met zeer dreigende taal. Hoe ver kun je gaan als verantwoordelijke van een grote voetbalclub?

Van supporters verwachtte ik dit soort gedrag, maar niet van bestuurders van naam en faam, ogenschijnlijk onkreukbare, chique heren. Had ik het dan zo bont gemaakt? Nee, hoor, ik was gewoon neutraal en liet me niet meeslepen door chauvinisme en ander supportersgedrag. Maar voetbal raakt diepe emoties, zo heb ik ervaren, zelfs bij achtenswaardige bestuurders.

Scheld- en dreigbrieven, later haatmails, heb ik in honderdvoud ontvangen na mijn verslagen van De Klassieker. Ik had de ‘juiste’ partij moeten kiezen. Hilarisch was een brief van een Rotterdamse advocaat (dat stond in het briefhoofd) die mij een stoeptegel van de Coolsingel naar mijn hoofd zou komen slingeren, als ik niet gauw zou stoppen met mijn (‘vijandige’) manier van verslaggeving. Het was allerminst een anonieme brief. Ik ben er nog mee naar mijn hoofdredactie gelopen. Antwoord: ‘Voetbal maakt mensen gek, dat weet je toch. Laat gaan!’

Mede daarom en daarop volgende nare ervaringen met gedrag in de voetbalwereld kom ik nooit meer in een voetbalstadion. De sfeer maakt mij bang en roept traumatische ervaringen op. Vandaar dat ik zondag ook niet naar De Kuip ben gegaan (als ik al een kaartje had kunnen bemachtigen). Ik bestelde bij Fox Sports één wedstrijd (bijna 8 euro), vroeg mijn zoon hoe ik dat moest instellen en nestelde me op de bank. Kom maar op, na al die opgewonden stukken in de kranten en op andere media, en al die voorbeschouwingen. Misschien zat er wel een column in. Over de historie van De Klassieker, het belang, de sfeer, de spanning, oogstrelende acties en prachtige doelpunten. Wat ik ben toch echt een liefhebber van voetbal.

Zoals ik schreef over een klassieker of een derby: het spelpeil is nauwelijks van belang. Het gaat om de spanning en de beladenheid, die zonder twijfel voor spelers en trainers (laat staan supporters in het stadion) voelbaar is. Je zult er maar staan, als speler, opgefokt door iedereen in je omgeving. Kun je dan nog een bal goed raken, vooral als je voor het doel staat en hem maar voor het inschieten hebt? Mis je, dan wek je de frustratie en woede van je hele omgeving. Scoor je, dan ben je een held, voor eeuwig een held omdat je in De Klassieker hebt gescoord en ‘dus’ hebt uitgeblonken. Dan staat de volgende dag je naam met foto in alle kranten, dan ben je een talent dat zonder twijfel nog een grote toekomst tegemoet gaat.

Zo verging het Kasper Dolberg, een Deense spits van Ajax die drie weken geleden 19 jaar is geworden. Eén doelpunt, even koelbloedig als magistraal – dat zeker. Maar meer bijzonders heb ik (althans zondag) nauwelijks van hem gezien. Toch stond een dag later in àlle kranten een eerbetoon aan het veronderstelde grote talent van Dolberg. ‘Grote toekomst’, ‘alweer een Deens talent’, ‘én zo verlegen’ en meer. Is dat wat een doelpunt in De Klassieker met je doet? Is dat waar voetbalhunkering over gaat? Opoortunistische heldenverering.

Ik was veel meer onder de indruk van een pass van zijn ploeggenoot Hakim Ziyech, kort nadat deze de doel treffende Dolberg al van een subtiele assist had voorzien. Maar die tweede pass!  Zo scherp, zo strak over het gras en effectvol remmend, zo achteloos met de buitenkant van zijn voet. Zo precies op maat was die pass voor de voeten van (weer) Dolberg, die er dit keer niets uithaalde. Ik schoot overeind vanuit mijn liggende positie en kraaide tegen mijn zoon: ‘Zag je dat? Wat een traptechniek!’ Zo zien we dat toch zelden meer in het Nederlandse voetbal? Ik trilde van emotie. ‘Totale gekte in de wreef’, schreef Hugo Camps zaterdag al in NRC Handelsblad over dit échte grote talent.

Mocht ik nog beroepshalve voetbal hebben gevolgd, dan zou ik alleen mijn belevingen met Ziyechs bewegingen en voetenwerk hebben beschreven. Vaak en heel lang werd de Marokkaan in bedwang gehouden en overtroefd door zijn landgenoot Karim El Ahmadi, maar even los van zijn horzel gaf hij een beslissende pass en daarna een nog mooiere (die niet in een doelpunt resulteerde). Dat is talent, dat is virtuositeit, dat is waar ik het liefst naar kijk als ik voetbal wil zien.

Dat heb ik toch maar meegekregen van de Klassieker in de Kuip. Ver van het gewoel en gejoel, ver van de hunkering en de agressie in het stadion, ver van door emoties overmande spelers, trainers en bestuurders, ver van hun clichématige reacties. Ik lag op de bank, in de hoop te kunnen genieten van een beladen wedstrijd en kreeg zowaar tranen in mijn ogen van die weliswaar sporadische maar oogstrelende acties van Ziyech. En ik hoefde als neutrale toeschouwer voor niemand bang te zijn. Dat verheugde me nog het meest.

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

Dertig kilo vol met Feyenoord

5 Okt

Het is geen boek om zonder handschoenen aan te pakken. Zo gevoelig en kostbaar is ‘Feyenoord de Grootste’, het dikste, het zwaarste en het grootste sportboek van Nederland. Daarom wordt bij aankoop van het meesterwerk een paar witte handschoenen mee geleverd. Je zult maar iets beschadigen, een van de 3.275 foto’s bezmoezelen met je grijpgrage vette vingers.

img_1382
Hij is groot: 50 bij 50 centimeter. Hij is zwaar: 30 kilo. En duur: € 999. Wat moet je ermee, als je het boek nauwelijks in je eentje kunt tillen? En waar moet je hem leggen, wil je er voortdurend in kunnen kijken en lezen? Het zijn vragen die subiet uit je somber gestemde hoofd verdwijnen, zodra de eerste van 860 pagina’s zich ontvouwen. Verhalende beelden en beeldende verhalen. Zoals je ze nooit hebt gezien en gelezen over een voetbalclub, behalve van Manchester United en Celtic die eerder boekwerken van deze omvang uitgaven.

Waarom Feyenoord? Wat is dat voor een club? Wijlen Jen Vlietstra, doelman in 1941 en 1942 en later chef sport van Het Vrije Volk, legt in het boek uit: ‘Geen club in Nederland wordt door zijn supporters zo verafgood, maar als het nodig is ook zo fel bekritiseerd als Feyenoord. Het heeft geen supportersschare, zoals elke andere club, het heeft een Legioen. Het voetbalt niet op een veld, het voetbalt in De Kuip….’

Waar wortelt het in? ‘Het meest simpele antwoord op de vraag luidt: Feyenoord is de trots van een generatie grauwe, van ellende verpauperde Rotterdamse havenarbeiders. Een trots die is overgegaan van vader op zoon en van zoon op kleinzoon. ’s Zondags in Rotterdam-Zuid gaan kijken naar Feyenoord, is niet gaan kijken naar een voetbalwedstrijd. Het is oneindig veel meer. Het is een bedevaart. En wie naar De Kuip gaat, stapt niet zo maar een stadion binnen… In Rotterdam-Zuid staat De Kuip als een onvergankelijke tempel.’

Legendarische namen vullen het boekwerk. Van bestuurders, functionarissen, trainers, artsen, masseurs, spelers en supporters. Verhalen, korte en lange. Foto’s, kleine maar heel veel grote – zelfs een uitvouwbare spread van De Kuip. Van legendarische triomfen (eerste Nederlandse Europa Cup-zege in 1970) tot legendarische wedstrijden. Overleden supporters die een Feyenoord-poppetje op hun grafsteen hebben laten zetten en andere supporters die hun onverbiddelijke geloof in Feyenoord te allen tijde en op geheel eigen wijze uitdragen, waar dan ook. Niet te bevatten emoties gieren door het machtige boek, waarin iedere pagina rillingen over je lijf doen gaan – ook als neutrale voetballiefhebber.

Herinneringen aan toen. Coen Moulijn, de grootste en overleden in 2011, maakte muziek met zijn voeten en duizenden raakten er onophoudelijk door in vervoering. Frans Bouwmeester, Kees Rijvers, Henk Schouten, Willem van Hanegem, Ove Kindvall, Franz Hasil, John de Wolf, Ernst Happel, Wim Jansen, Robin van Persie, Pierre van Hooijdonk, Jozef Kiprich en heel veel anderen maakten misschien geen muziek maar vele duizenden raakten door hun aanwezigheid wel onophoudelijk in vervoering. De tribunes trilden letterlijk. De Kuip, het unieke stadion uit 1937, schudde op zijn grondvesten – en nog steeds.

Verdwazing? Columnist Wilfried de Jong schrijft: ‘Het voelt als een verslaving. Je wilt er vanaf maar aan de andere kant: het voelt zo lekker om je hele leven voor dezelfde club te zijn. Trouw aan Feyenoord, al gaat het nog zo beroerd. Er is geen keus.’

Het initiatief voor het boek kwam van de (oud)sportjournalisten Jaap Visser en Matty Verkamman (net als vele anderen beiden ook auteurs van verschillende verhalen), die bij een bezoek aan Old Trafford een kolossaal naslagwerk van Manchester United zagen liggen – mét handschoenen. De uitgevers van Kick, en met name vormgever Ruud Verkamman, ontwierpen het. Precies 1908 (oprichtingsjaar) boeken liggen in de aanbieding, mét certificaat, een gebruiksaanwijzing (zoals: bij voorkeur met meer dan één persoon tillen), een houten rekje om het zware boek open gevouwen op te  leggen én met witte handschoenen.

Er is geen ontkomen aan: dat XXL-boek moet je gelezen hebben.

http://www.feyenoorddegrootste.nl

Dit artikel is op 28 september in NRC Handelsblad gepubliceerd

%d bloggers liken dit: