Tag Archives: Sakyong Mipham

Boeddhisme gaf psycholoog Han de Wit wél antwoorden

23 jul

Han F. de Wit is een van de bekendste Nederlandse boeddhistische leraren, een geliefd spreker en veelgelezen schrijver over boeddhistische spiritualiteit. Hij is opgeleid door de vermaarde Tibetaanse dharmaleraar Chögyam Trungpa en auteur van onder meer de bestseller ‘De Verborgen Bloei: Over de psychologische achtergronden van spiritualiteit’

Han-de-Wit-tv-kijk-op-2016-bodhitv

Han de Wit (Foto Boeddhistisch Dagblad)

Je wist maar nooit, zo meende de leergierige De Wit (nu 75 jaar) in zijn zoektocht naar diepere lagen van de menselijke geest. Bij de psychologie, die hem in zijn middelbare schooltijd meer dan de daar verplichte leerstof in haar greep had gekregen, hield het op waar De Wit juist meer verwachtte.

Tijdens zijn strandwandelingen, bijvoorbeeld, meende hij een verschil in beleving te zien. De ene keer voelde hij vrijheid, kijkend naar hoe de meeuwen boven het strand en de duinen vlogen. De andere keer voelde hij eenzaamheid en leken de meeuwen zich anders te gedragen, zwevend op de telkens veranderende heersende thermiek. ‘Dat heeft vast met de psyche te maken, die elke keer anders is’,  vermoedde de jonge levenskunstenaar. ‘Waarom lees en leer ik daar niets over in de psychologie?’

Nu, veertig jaar later, weet de boeddhistische leraar (Acharya) en grondlegger van de contemplatieve psychologie Han de Wit, dat psychologie destijds over behaviorisme ging, over menselijk gedrag. ‘Omdat je niet in andermans hoofd kan kijken onderzoekt deze gedragspsychologie wat je bij mensen kan observeren. De onderzoeker en zijn object zijn dan onafhankelijk van elkaar. Dat is nodig voor betrouwbaar onderzoek. Als je je eigen geest wilt onderzoeken is dat niet zo, dus zijn ook de resultaten niet betrouwbaar, niet objectief, zo dacht men. Dat ging dus niet over de individuele beleving. Terwijl ik toch aan het strand elke keer iets anders had beleefd. Ik dacht: je kan je gedachten waarnemen en je kan over je waarnemingen denken. Dat zijn dus duidelijk twee verschillende zaken, die wel onafhankelijk van elkaar zijn. Dan moet onderzoek van je eigen geest toch mogelijk zijn.’

Laten we voorop stellen dat De Wit niet de eerste en enige was die ‘verder’ dacht dan de toen heersende opvattingen over de psychologie. Hij verwijst naar Wilhelm Wundt, in de negentiende eeuw een van de grondleggers van de experimentele psychologie. Een Duitse filosoof, fysioloog en psycholoog. ‘Hij kreeg destijds geen voet aan de grond, vooral omdat hij geen effectieve methode had kunnen vinden om de beweging van je eigen geest waar te nemen. Anderen zeiden daarom: stop er maar mee, onzin. Daar kwam nog bij dat religie, laat staan spiritualiteit in de wetenschap van die tijd, taboe was.’

Maar Han liet zich niet uit het veld slaan en besloot buiten de gebaande paden van de psychologie op onderzoek uit te gaan. Au Bout du Monde, zo heette het winkeltje in Amsterdam, waar je als wetenschapper niet hoorde te komen maar waar psycholoog Han de Wit begin jaren zeventig toch eens ging neuzen – eigenwijs als hij was.

Te midden van boeken over Ufo’s, macrobiotiek, bewustzijnsverruiming en andere ongrijpbare verschijnselen waar vooral hippies belang in stelden, vond de jonge De Wit een paar boekjes over boeddhisme, waaronder Cutting through spiritual materialism (jaren later vertaald als ‘Spiritueel materialisme doorsnijden’) van ene Chögyam Trungpa Rinpoche, een Tibetaans boeddhistische leraar die in 1959 zijn land ontvluchtte, in Engeland kunst, filosofie en vergelijkende godsdienstwetenschappen studeerde, in Schotland een klooster begon en uiteindelijk in Amerika de Shambhala-stroming stichtte, boeddhisme gestoeld op Westerse beleving.

De Wit werd meteen geraakt door het boek van Trungpa. Hij besefte dat boeddhistische meditatie de vorm van onderzoek was waar hij naar op zoek was. Hij schreef een brief naar Trungpa, die intussen in Amerika was beland. Open, zoals hij was, werd hem gedurende deze periode van bezinning en ontdekking tijdens een bezoek aan Nederland van de Gyalwa Karmapa (hoofd van de Tibetaanse Karma Kagyü-stroming) door een van diens monniken een methode (meditatie) aangereikt.

‘Hij tekende een Tibetaanse letter A op een papiertje en raadde me aan dat op een muur te plakken, er tegenover te gaan zitten en daar mijn aandacht op te richten: zodra je merkt dat je in gedachten bent geraakt richt je je aandacht weer op die letter. Het was niet anders dan wat ik later leerde: je aandacht op de adem te richten. Dat ging ik doen. En wat ik langzaamaan ervoer, was dat ik op het moment van wakker worden uit de bevangenheid van mijn gedachten, deze gedachten scherper begon te zien. Dat leverde mij een steeds helderder inzicht op: ik leerde de beweging van mijn gedachtewereld kennen, ik leerde mijn geest kennen. Het maakte voor mij het verschil: in gedachten zijn en in gedachten zien. Het was een bijzondere gewaarwording, en meer dan de studie psychologie mij verschafte.’

handewit-243x300

Foto Shambhala Nederland

Vanaf pakweg 1974 legde De Wit zich toe op meditatie, zelfonderzoek, wat de officiële psychologie hem niet kon leren. Zitten, je bewust worden van de stroom van gedachten en ontdekken waarom en hoe diep je geloof hecht aan de gedachten, waardoor je bent geworden wie je denkt dat je bent.

Trungpa-w.-Vajra-Naropa-70s-web-e1506199624853

Chögyam Trungpa Rinpoche

Eén hoofdstuk in het boek van Trungpa sloeg hij liever over: de goeroe. ‘Dat was niet voor mij. Ik ben geen volger. Dat is voor mensen die een vader zoeken. Toch wilde ik wel meer weten van Trungpa, de man die mij geraakt had. Ik schreef hem een brief. Een paar maanden later kwam het antwoord: hij wilde wel met mij werken als ik naar Amerika kwam.’

Han onderhandelde met zijn werkgever, de Universiteit van Amsterdam, en ging naar de Verenigde Staten van Amerika voor een ontmoeting met Trungpa. In New York. Hij schrok toen hij de man ontmoette. ‘Hij deed me denken aan een pad. Hij was dik, en ook nog half verlamd geraakt door een verkeersongeluk in Schotland, waar hij een feestwinkel, nota bene, was binnengereden. Hij kon nauwelijks praten, hees, met een hoge stem. Kortom, geen man van wie ik dacht wijsheid te ontvangen. Hij vond het raadzaam dat ik naar Karmê Chöling in Vermont zou gaan. Ik ging om daar verder onderzoek te doen, in de vorm van intensieve meditatie en studie.’

Alles wat op dat gebied door dit centrum geboden werd, deed Han. Onderzoek, studie, mediteren, de ene keer een week, de andere keer een maand. Een paar keer in de anderhalf jaar dat hij daar vertoefde kwam Trungpa op bezoek. Dan was er gelegenheid om een individueel onderhoud met hem te vragen. Dat deed Han, zoals iedereen daar. Maar hij kreeg zo’n onderhoud steeds maar niet, anderen wel. Dan deed hij maar een week van mediatie, of een maand, en verdere studie van de boeddhistische leer, alles wat het programma aanbood. ‘Ik deed dat niet om een voorbeeldige leerling te zijn, maar omdat ik daar nu eenmaal toch was en mijn tijd zo goed mogelijk wilde benutten, in afwachting tot hij, zoals beloofd, met mij zou gaan werken.’

Uiteindelijk was zijn onderzoek in Amerika voorbij en moest hij besluiten of hij terug zou gaan naar zijn werkplek aan de universiteit. Omdat hij al die tijd geen onderhoud met Trungpa had gekregen, wist hij niet goed wat te doen. Mede omdat ‘Amsterdam’ weleens wilde weten waar het aan toe was, meldde hij zich bij Trungpa. Bij de laatste gelegenheid dat hij Trungpa in Karmê Chöling kon zien, kwam hij hem tegen op de trap en vroeg hem wat te doen. ‘Hij lachte, stompte me speels in mijn maag en zei: ‘It was a jolly good show, too bad you were so greedy. Now go back to your country and make people sit and teach them the Dharma, the Hinayana, the Mahayana and so on.’ Al die tijd had hij mij, zo voelde dat toen, laten bungelen, maar ik deed natuurlijk in feite precies wat hij wilde dat ik deed. Dat was dus wat hij bedoelde met ‘met mij werken’. En de jaren daarna kon ik altijd met hem spreken als ik daarom verzocht.’

poetry Trungpa

Trungpa leest een gedicht voor, naast hem de dichters Allen Ginsberg en William S. Burroughs

De Wit ging terug naar Nederland, met zes matrassen en zes zitkussens in geel en rood, en opende op advies van Trungpa een meditatiecentrum in zijn huis in Amsterdam-Zuid; iedereen was er welkom. Dankzij een beetje reclame breidde het gezelschap zich uit en de missie die Trungpa wilde uitdragen kwam op die manier in Nederland terecht – een op de westerse cultuur gebaseerde vorm van Tibetaans boeddhisme. Dat leidde tot de Shambhala-centra die we nu in Nederland hebben.

Wat Han zo aansprak in Trungpa, was dat hij zich als een ‘normaal’ mens gedroeg. Hij meende zijn veronderstelde heiligheid af te moeten leggen door letterlijk en figuurlijk zijn monnikspij uit te trekken en zich te kleden zoals zijn leerlingen: hier ben ik, net zoals jullie. ‘De leraar moet het leven leiden van zijn leerlingen. Als hij dat doet kan hij dichtbij hen komen, hun verwarring, geestelijke blindheid en hardvochtigheid goed zien en helpen die te transformeren tot wijsheid, inzicht en compassie.’

Dat was ook wat De Wit fascineerde: ‘Trungpa en zijn boeddhistische onderricht waren recht voor z’n raap, er was niets heilig aan hem. Sterker nog: de levensstijl van seks, drank en rock ’n roll deelde hij met zijn eerste hippiestudenten. Privacy had hij niet en vond hij voor zichzelf ook niet belangrijk. Zijn leerlingen kwamen bij hem thuis tot in zijn slaapkamer, dronken met hem en vrouwen die dat wilden deelden het bed met hem. Het waren de jaren zeventig, er was vrijheid. Hij keek niet neer op de mensen die naar hem luisterden en zijn visie op het leven wilden delen.’

Zijn zoon Sakyong Mipham, die Trungpa opvolgde na zijn dood, is nu omstreden omdat is uitgekomen hoe hij in zijn jongere jaren omging met vrouwen en drank en hoe hij en de mensen om hem heen dat vele jaren verborgen hebben gehouden. ‘Anders dan zijn vader, die in een andere tijd leefde – zonder de me too-discussie – heeft de Sakyong zich juist van de buitenwereld afgeschermd. En anders dan zijn vader, is hij introvert en van nature verlegen. Trungpa was extravert, open en nieuwsgierig naar alles en had geen privéleven: iedereen wist wat hij deed en dat hij van een borrel hield. Hij creëerde een soort hofhouding waarin zijn studenten wat meer konden doen dan zo’n beetje om hem heen hangen. Je kon als je dat wilde, op die manier deel uitmaken van zijn leven thuis door voor hem en zijn vrouw te koken, huishoudelijke dingen te doen of de hond uit te laten. De Sakyong is zijn hofhouding toch anders gaan gebruiken, zoals velen dachten om zijn privéleven met zijn vrouw en kinderen te beschermen. Maar dat er in het verleden, voordat hij trouwde, achter die bescherming iets school, wist ik niet. Dat wist alleen zijn naaste hofhouding. En toen dat, nu jaren later, toch bekend werd, heeft dat de Shambhala-gemeenschap diep geschokt en verward.’

Want hoe verhouden de Sakyong’s menszijn en zijn leraarschap zich tot elkaar? De Wit haalt een regel van Benedictus, algemeen beschouwd als de vader van het christelijke kloosterleven aan: ‘Doe wat de abt zegt, niet wat hij doet.’ Dat wil zeggen: wat ik als abt te vertellen heb, is misschien niet altijd wat ik zelf doe. Hoe zien we dat? Als een chirurg mij opereert, kan het best zijn dat hij zich in zijn privéleven misdraagt, maar hij maakt mij wel weer gezond. Dat de Sakyong een briljant leraar is, staat niet alleen voor mij buiten kijf. Maar dat betekent niet dat ik wangedrag tegen dat feit wegschrap.’

De Wit hoedt zich – als een boeddhist – voor een zwart-wit oordeel. ‘Ik kan niet zeggen dat mij niet misbruik van mijn positie als boeddhistisch leraar had kunnen overkomen. Want makkelijk is het niet om met zo’n positie je verstand er altijd bij te houden. Het is ook een kwestie van hormonen. Iedere man of vrouw is anders. Laat ik het zo zeggen: ik ben er gelukkig misschien te schijterig voor. Of eigenlijk: het leed zou te groot zijn voor mij en voor de mensen die vertrouwen in mij stellen als spiritueel leraar. Los daarvan ben ik in de veertig jaar van mijn leraarschap niet zo vaak als Trungpa of de Sakyong in de gelegenheid geweest.’

Het zit hem meer in de relatie leraar-leerling, meent Han de Wit. ‘Kijk je als leerling tegen de leraar op, bewonder je hem, zie je hem als een volmaakt mens, als heilige en is alleen een volmaakt mens goed genoeg voor jou als (niet-volmaakte) leerling, dan vraag je om moeilijkheden. En als je alleen een leraar wilt die spiritueel gelijk is aan jou, dan valt er niets te leren.’

Die visie op leraarschap is wat hem zo aanspreekt in het Shambhala-boeddhisme zoals Trungpa dat wilde uitdragen. Met liefde, altijd weer die liefde, keert hij terug naar Trungpa, de man die hem de weg heeft gewezen. Pas op, hij zal diens zoon Sakyong niet afwijzen. Maar het was Trungpa, die hem in New York ontving, naar hem luisterde, hem liet bungelen en daarna opdroeg om een meditatiecentrum in Nederland te beginnen.

Han de Wit is in de twaalf jaar dat Trungpa zijn spirituele mentor is geweest ook Trungpa’s kusung (verzorger) geweest. Omdat Trungpa vanwege zijn lichamelijke beperkingen hulp behoefde. Wat hem daarbij steeds opviel was Trungpa’s meditatieve gedrag, dat hij overigens ook bij de Sakyong opmerkte. ‘Kijken om te zien hoe iemand iets doet, kan zoveel uitdrukken. Dat zegt zoveel over een mens. Zelfs in zijn enorme lichamelijke beperktheid zag ik hoe Trungpa een kopje opnam, het naar zijn mond bracht en dronk. Dat heb ik trouwens ook bij de Sakyong gezien. Ze zitten als een rots, stevig en doordrongen van wat ze doen, maar tegelijk zacht en gevoelig. Meditatief, zoiets. Dat is een vorm van Dharma-onderricht die me steeds weer laat zien waar het pad van de Boeddha uiteindelijk om gaat. Dat vind ik prachtig en vervult me met vreugde.’

Han F. de Wit is een van de bekendste Nederlandse boeddhistische leraren, een geliefd spreker en veelgelezen schrijver over boeddhistische spiritualiteit. Hij is opgeleid door de vermaarde Tibetaanse dharmaleraar Chögyam Trungpa en auteur van onder meer de bestseller ‘De Verborgen Bloei: Over de psychologische achtergronden van spiritualiteit’ (Ten Have, 2010, 13e druk) en ‘De Lotus en de Roos: Boeddhisme in dialoog met psychologie, godsdienst en ethiek’ (Ten Have, 2016, 7e, geheel herziene druk), ‘Het open veld van de ervaring. De Boeddha over inzicht, compassie en levensgeluk’ (Ten Have, 2009, 2e druk). ‘Wijsheid in emotie’ (Ten Have 2014, 2e druk). Zijn meest recente boek is ‘Boeddhisme voor denkers, dat hij samen schreef met Jeroen Hopster (Ten Have, 2014). Hij is als Acharya verbonden aan Shambhala International.

Guus van Holland is vriend van Shambhala Leiden

Dit interview is gepubliceerd op de zomereditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Het is goed, niets is echt fout

15 apr
Dralahall2

De meditatieruimte

Dit was bij mijn eerste lezing tijdens de stilte-retraite van een week in een Frans buitenverblijf niet wat ik ervan verwachtte. Omringd door veertien Fransen, een Belgische, een Engelse en een Moldaviër, keek ik vanaf mijn kussen in de meditatieruimte verwonderd naar de Engelse boeddhistische leraar, een ogenschijnlijk wijze man. Weifelend stak hij met een lucifer de kaarsen en een wierookstokje op de schrijn aan, keek vragend om naar de Duitse hoofdleraar in de zaal, zittend op de eerste rij. Hij fronste zijn wenkbrauwen, schudde verontschuldigend met een glimlach zijn hoofd en stak onzeker nog een kaars aan. Is het zo goed?

De leraar wist het niet zeker! Mogelijk was hij vergeten hoe de ceremonie precies in zijn werk ging. En dat na al die jaren van studie, meditatie en vele eerdere ceremoniën. Hij boog met het wierookstokje tussen zijn handen naar de schrijn, ging zitten, nodigde met een hoofdknikje ons uit ook te gaan zitten en bleef bijna een minuut stil alvorens hij met zachte stem aan zijn lezing begon. Hij sprak over het nut van stilte, over wat in ons hoofd opkomt en weer weggaat, over gedachten, over de ademstroom, over gevoel en prikkels, en over identiteit. Het was allemaal goed, niets was echt fout. Wat er gebeurde, wat je voelde en wat je hoorde, was van jou – van niemand anders.

Hij keek ons aan en vroeg om vragen. Een man vroeg hoe hij zijn identiteit kon breken, kennelijk was hij er niet tevreden over. De leraar antwoordde met zachte stem en sloot af met de opmerking: ‘Hoe, dat is aan jou.’ Dat antwoord had de man niet verwacht – ik evenmin.

Met stijgende verwondering volgde ik zijn gedrag. Bij een van de volgende vragen zweeg hij. Hij keek de zaal in, wachtte op een antwoord van een van de aanwezigen en gaf er toen zelf een. Wat hij zei is me ontgaan. Alleen zijn slotzin bleef hangen. ‘Slaat dat ergens op?’, riposteerde hij. Mensen lachten. Want eigenlijk gaf de wijze leraar daarmee te kennen dat hij ook niet zeker was of zijn antwoord hout sneed.

Mijn verwondering sloeg om in bewondering. Ik weet het, dat is geen boeddhistische benadering. Maar ik voelde een vorm van identificatie. Als deze vriendelijke, wijze man onzeker, kwetsbaar en niet-wetend is, dan zou ik dat ook willen zijn. Ik hoef dus niet zeker te zijn van wat ik denk, hoor, zie en voel.

Bijna altijd heb ik in mijn leven gedacht dat ik zeker van mezelf moet zijn, dat ik gelijk heb, dat ik weet hoe het zit, dat ik wijs ben, veel geleerd en gestudeerd heb. Alleen dan ben ik goed, op zijn minst de moeite waard, dan pas heb ik bestaansrecht. Dat is wat ik in mijn jeugd, op school en van mijn ouders heb geleerd: laat zien wat je kunt – en vooral niet wat je niet kunt. Zorg dat je de beste bent, dat je wint, op school, in sport en meer. Minder dan anderen zijn is niet goed. Verliezen is een gebrek. Met een gebrek ben je niet perfect en sterker: dan hoor je er niet bij.

Sid1

Mijn leraar

Op een dag kwam de leraar buiten naast me op een bankje zitten. Hij vroeg hoe het met mij ging. Ik antwoordde dat ik met vragen zat, problemen ook. Hij zei ‘ok, dat kan’, meer niet. Toen ik hem om een oordeel vroeg over de verhalen die ons bereikten over het wangedrag van (onze) Shambhala-leider Sakyong Mipham, hield hij zich op de vlakte en zei: ‘Dat had mij ook kunnen overkomen.’ Ik had willen horen of hij dat goed keurde of afkeurde. Hij liet het in het midden. ‘Ik heb hem ontmoet. Maar wie ben ik om te oordelen?’ Zo sloot hij af.

Zo keerde ik na week van stilte, meditatie, bezinning en vriendelijkheid opgelucht en verrijkt terug naar huis. Nu besefte ik dat onzekerheid, kwetsbaarheid, onwetendheid en de mindere zijn goed noch fout is. Soms ril ik nog en word ik nerveus als ik iets niet zeker weet. Oei, wat zal mij gebeuren? Het is een kwestie van oefenen in zijn wie je bent, wat je voelt, hoort en ziet. Niets is zeker, niemand is zeker, ook ik niet. Identificatie met winnaars mag, identificatie met verliezers mag ook – daar is niks mis mee.

Guus van Holland is vriend van de Shambhala-sangha in Leiden

Deze column is gepubliceerd op de voorjaarseditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

 

Passie pensioneert nooit

21 okt

Interview met mij op de website Passie pensioneert nooit

Wat is mijn grootste passie?

Ik schrijf graag over wat mijn hart me vertelt. Ik golf omdat ik plezier beleef aan speelse uitdagingen. Ik doe aan hardlopen (van tien kilometer tot halve marathons) en racefietsen om mijn lichaam te testen. En ik mediteer veel, vrijwel dagelijks twintig minuten, omdat ik me daar comfortabel bij voel en het mij verrijkt.

Wat is mijn idee van ultiem geluk?
Het ultieme geluk heb ik nooit ervaren. Wel momenten van euforie als ik liefde en vriendelijkheid ervoer óf (in triviale zin) als ik had ‘gescoord’. Maar het blijven momenten waarnaar ik zo min mogelijk probeer te streven: het is zoals het is, soms dient zich geluk aan, vaak niet. Let it be.

Wat is mijn grootste angst?
Niet meer (h)erkend te worden als mens, vergeten en overgeslagen te worden, en dat ik anderen niet meer (her)ken. En als ik niets meer kan delen met anderen.

Waar houd ik het meest van in mijn werk?
Ik ben 68 jaar en sinds vijf jaar gepensioneerd, dus heb ik geen werk meer. Ik schrijf vooral omdat ik het graag doe en omdat ik er waardering voor krijg. Toch overkomt mij soms het gevoel dat ik weer werk, als ik iets doe (schrijf) wat een ander van mij verlangt: ‘Want je kunt het zo goed!’ Een valkuil.

Wat is mijn minst aantrekkelijke eigenschap?
Ongeduld, plotselinge (niet meteen verklaarbare) woede, te veel aandacht vragen en te veel (willen) praten, vertellen en schrijven. Vroeger was dat over anderen oordelen, liefst veroordelen. Moraliseren ook. Dat probeer ik af te leren, sinds ik mij bezighoud met boeddhisme en mediteer: wees vriendelijk voor jezelf als ook voor alle andere levende wezens; moge alle levende wezens gelukkig zijn en vrij zijn van lijden – net als ik.

Wat is mijn grootste valkuil?
Spontaan en gretig te veel ‘werk’ aannemen, anderen plezieren en mijn mogelijkheden overschatten. En dan écht depressief te worden, omdat ik ‘het allemaal’ niet aan kan.

Wanneer zou ik liegen?
Als ik bang ben anderen te kwetsen.

Welk rolmodel heeft de grootste invloed op mij gehad? 
Jim Morrison vroeger, en Neil Young. Later Leonard Cohen, vooral zijn door boeddhisme (hij vertoefde enige tijd in een klooster) geïnspireerde teksten. En zeker mijn boeddhistische leraar Sakyong Mipham en (via zijn boeken en geschriften) zijn overleden vader Chögyam Trungpa, beiden van de (Tibetaans) boeddhistische traditie Shambhala – een sociale zienswijze en beleving met boeddhistische uitgangspunten.

Waar houd ik het minst van in mijn werk?
Doen wat een ander (de baas, opdrachtgever) van me verlangt/eist.

Waar en wanneer was ik het meest gelukkig met mijn werk?
Bij grote internationale sportevenementen, zoals de Tour de France en wanneer ik met grote sportmensen sprak zoals basketballer Michael Jordan, basketbalcoach Phil Jackson, de wielrenners Bernard Hinault, Greg LeMond, Francesco Moser en Jan Raas, skiër Alberto Tomba, kunstrijdster Katarina Witt en de voetballers Sir Stanley Matthews, Gianni Rivera, Eusebio en Alfredo Di Stéfano. Schrijven over wat ik erbij voelde, als dat mocht. Naarmate mijn leeftijd vorderde voelde ik mij gelukkiger worden zodra ik eigenzinnig durfde te schrijven over mijn passie en mijn compassie met anderen. Langzaam maar zeker vond ik de stijl die mij past. Toen kreeg ik ook steeds meer waardering, zonder dat het mijn bedoeling was. Het kwam (en komt) steeds meer uit mijn hart, mijn eigen gevoel.

Wat zegt de uitspraak ‘Passie Pensioneert Nooit’ mij?
Dat je altijd naar je hart (je gevoel dus) moet blijven luisteren, wat anderen ook zeggen en hoe anderen er ook over oordelen. Passie is het mooiste wat er is. Als je  je lichaam voelt tintelen, van je voeten tot je kruin, dan leeft er iets, dan leef ik. Het wordt een probleem zodra je hart zwijgt of wordt geblokkeerd.

Wat zou ik aan mezelf willen veranderen?
Meer genieten van het moment, meer geduld, minder aandacht vragen, minder in een slachtofferrol kruipen, me minder door anderen (hun gedrag, houding en oordeel) laten leiden. Dit ben ik, ik voel wat ik voel, wat jij voelt is jouw gevoel. Leven en laten leven. Zo zou ik het liefst willen leven. Maar vooral wil ik vriendelijk zijn voor mezelf: kwetsbaar, ongeduldig, slachtoffer, boos, verdrietig, depressief – het mag allemaal.

Welk beroep zou ik hebben in een volgend leven?
Monnik (voor zover dat een beroep is) of onderzoeker.

Wat is mijn grootste professionele prestatie?
Zestien keer de Tour de France verslaan als verslaggever met (in vergelijking met nu) zeer beperkte communicatiemogelijkheden en veel logistieke problemen. Ik heb zeker meer prestaties geleverd. Wereldkampioenschappen voetbal, wielrennen, judo, ijshockey, skiën. Een stuk of tien Champions League-finales. Vier Olympische Winterspelen. Twee keer The Masters in Augusta, twee keer de Ryder Cup. Interviews met Michael Jordan in Chicago en andere internationale fenomenen als Franz Beckenbauer, Vinnie Jones, Stanley Matthews, Roberto Baggio, Vladislav Tretjak, Alberto Tomba, Sepp Blatter, Jacques Rogge, Prins De Mérode, Prins Albert; reportages in mijn favoriete land Italië. In de Verenigde Staten over de Amerikaanse sportcultuur. In bijna alle landen van de wereld en vooral reportages in Liverpool met nabestaanden van stadionrampen en hun hulpverleners.

vakantie-lucertola-2013-019

Lucertola in Le Marche

Wat is de plek waar ik de beste ideeën krijg, in mijn stad?
Thuis, op de bank, boeken lezend én als ik mediteer thuis op mijn kussen of in het boeddhistisch centrum. Dan wel in mijn huisje op de Veluwe, of daarbuiten, alleen met mezelf in de natuur. Ik houd niet van de stad. Ik ben een plattelandsjongen. Ik bivakkeer het liefst in de reuk van de natuur, met geluiden van dieren, van koeien tot kippen en vogels met rondom rustige, vriendelijke mensen die je nog groeten. Daar durf ik mijn hart het meest te openen. Ver van de drukte, van opdringerige, gejaagde en gestreste mensen, ver van schreeuwerds en mensen met een grote mond, ver van cynisme, ver van de massa, zoals ik die jarenlang in volle, mijn gemoedsrust bedreigende stadions heb geduld. Jarenlang was ik gefascineerd door het immense geluid in bomvolle stadions, ik raakte er door bedwelmd en schreef verdoofd door het lawaai dat mensen maakten rondom voetbalwedstrijden, totdat ik besefte dat ik diep van binnen gewoon bang was in en rond zo’n kolkend stadion. Ik hoop nooit meer een vol stadion te betreden en mij in grote massa’s te begeven. Mijn stad bestaat niet, alleen mijn dorp en mijn buitenhuisje in de natuur. Daar krijg ik de beste ideeën, daar ben ik op mijn gemak.

Wat is mijn favoriete plek om te eten en te drinken, in mijn stad?
Heb ik niet, liefst drink en eet ik thuis. Een favoriet restaurant heb ik niet, alleen in restaurants in Italië met Italianen en mijn gezin.

Wie is mijn grootste fan/sponsor/partner in crime?
Mijn vrouw Maddy, die mij aanzet iets te doen wat ik nog niet heb aangedurfd (bijvoorbeeld over iets en iemand schrijven) en die mij ook aan de grond houdt als ik eufoor dreig te worden. Daarnaast vind ik het heel waardevol als mijn pleegzoon Robin mij complimenteert: ‘Goed gedaan, pa.’ Dan ervaar ik een groot moment van geluk. Heerlijk om me even in te wentelen.

Met wie zou ik in de toekomst graag willen werken?
Met mijn boeddhistische leraar Sakyong Mipham, als inspiratiebron.

Naar welk project, in de nabije toekomst, kijk ik uit?
Een boek schrijven over mijn zoektocht naar de zin van leven, mijn manier van beleven en overleven én welke talrijke inspiratiebronnen ik daarvoor heb geraadpleegd en nog steeds raadpleeg. Van lsd en andere hallucinerende en opwekkende middelen via sportbeoefening, -beleving, -studie en -beschrijving, alle vormen van psychotherapie en spirituele ervaringen tot boeddhistische cursussen en trainingen. Met de slotzin: ik ben dan toch uiteindelijk onwetend. Omdat niet-weten waarschijnlijk toch de essentie van mijn bestaan is.

Welk rolmodel zou ik graag willen ontmoeten en spreken?
Basketbalcoach en in mijn beleving meest erudiete en dus beste sportcoach aller tijden, Phil Jackson, zen-boeddhist, overlever en geduldige leermeester van sportmensen met een super-ego zoals Michael Jordan, Shaquille O’Neal, Dennis Rodman en Kobe Bryant.

Ga ik pensioneren van dit werk en leven waar ik van houd? 
Who knows where the time goes.

Ben ik een boeddhist of toch gewoon een zoekend mens?

2 dec

‘Ben jij nou een boeddhist!’ Het is een terugkerende opmerking die mij als een verwijt in mijn ziel raakt. Alsof ik me als boeddhistische leerling moet verontschuldigen voor wat ik heb gezegd of gedaan. Zoiets als een ander met een andere mening afwijzen. Of als ik mijn emoties (buitensporige woede) de vrije loop laat. Voordat ik heb geprobeerd iets ter verdediging te formuleren, moet ik al aanhoren dat ‘dat mediteren dus ook niks helpt.’ Dat woordje ‘dus’ doet het ’m. Ik ben boeddhist, dus. Ik mediteer, dus.

niets
Ik mag ‘dus’ niet iets doen of zeggen wat – volgens de tegenpartij – tegen de regels van het boeddhisme is. Ik ben ‘dus’ vreedzaam, geduldig, onbevooroordeeld, evenwichtig en vooral de rust zelve. Ik zit toch niet voor niks voortdurend (vrijwel dagelijks) op mijn kussen, lees boeddhistische boeken, verdiep me in boeddhistische lezingen, volg boeddhistische trainingen en plaats teksten op Facebook die ik op mijn scheurkalender met boeddhistische wijsheden lees? Maar dat maakt van mij nog geen boeddhist, laat staan een heilige.

Ik ben ‘slechts’ een mens, niets menselijks is mij vreemd. Ook ik oordeel over boeddhistische leraren die zich aan boeddhistische leerlingen vergrijpen. Ook ik oordeel over burgeroorlogen waarbij boeddhisten geweld niet schuwen. Ook ik denk wel eens dat boeddhistische monniken beter hun handen uit de mouwen kunnen steken in plaats van urenlang mediteren en contempleren om het leven (of dat erna) te kunnen begrijpen.

Alleen al dat ik vermoed me te moeten verantwoorden voor mijn ‘non-boeddhistische’ gedragingen. Dat ik daarom mijn afweermechanismen in werking stel. Dat vind ik lastig. Liever zou ik glimlachen, zoals de boeddha in mijn tuin of die op mijn schrijn. Of zoals ik de Dalai Lama, Thich Nhat Hanh en Sakyong zie doen, doorgaans ogenschijnlijk in alle rust. Maar ja, ik ben Thich Nhat Hanh noch de Dalai Lama, noch Sakyong, noch de Boeddha. Ik ben slechts een zoekend mens.

Boeddhisme spreekt me aan. Het is me aan komen waaien na zowel een mentale als fysieke zoektocht naar de wenselijkheid van leven. Dat maakt me nog geen boeddhist. Ik zou elk moment, onder welke omstandigheden ook, de rust zelve willen zijn, altruïstisch, geduldig en vreedzaam. Levend naar inzichten van de Boeddha, hoe verschillend ook wat betreft interpretatie. Het is niet meer dan een doel: zijn zoals het is, zijn zoals ik ben.

Geloven in fundamentele goedheid, van iedereen. Dat wil ik. Niemand veroordelen om wie hij is om wat hij doet en zegt. Ik las laatst een even treffend maar vooral bemoedigend essay van Rutger Bregman in De Correspondent: ‘Wie goed doet komt nooit in het Journaal – en dat is een groot probleem’. Bregman citeert daarin de Franse boeddhistische monnik Matthieu Ricard uit zijn boek Altruïsme, de kracht van compassie. Een oude Cherokee-indiaan zegt tegen zijn kleinzoon: ‘Er speelt zich een gevecht in mij af. Het is een gruwelijk gevecht tussen twee wolven. De een is slecht, boos, hebzuchtig, jaloers, arrogant en laf. De ander is goed – hij is gelukkig, rustig, liefdevol, aardig, hoopvol, bescheiden, gul, eerlijk en betrouwbaar. Deze wolven vechten ook in jou en in ieder ander persoon.’ De jongen denkt even na en zegt dan: ‘Welke wolf zal winnen?’ De oude Cherokee antwoordt: ‘Diegene die je voedt.’

Ook ík ben gevoed door een wolf, door ouders die mij naar hun eigen inzicht hebben gevoed. Zo is het iedereen vergaan, toch? Dat zie ik als boeddhistisch inzicht: we zijn wie we zijn geworden. Als ik dat eens geduldig kon uitleggen, is er een kans dat mij niets meer wordt verweten. Dan mag ik mezelf zijn. Een mens die niet meer dan benieuwd is naar boeddhistisch leven.
Guus van Holland was sportjournalist bij de Volkskrant en NRC Handelsblad. Hij is vriend van Shambhala Leiden.

Deze column is gepubliceerd in de wintereditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Wandelen als tijdverspilling

3 nov

IMG_0786
Moe van al het gedoe in en rondom mij zat ik daar als een boeddha op een bankje. Bewegingsloos. Ik keek voor me uit, zonder doel. Mijn blik was nergens op gericht. Zelfs niet op het water dat in het kanaal voorbij stroomde. Ik zat daar en voelde in mijn gezicht iets dat op een zuchtje wind leek. Boven mij ontwaarde ik een vrijwel wolkenloze hemel. En er was geluid. Vogels, eenden, het kabbelende water, het suizende riet. Niet verstorend. Gewoon geluid.

Ik was niet bewust naar die plek toegelopen. Zomaar had ik na een lange wandeling een bankje zien staan. Als een vriend die me uitnodigend een hand toestak. ‘Kom hier. Hier kun je zitten, als je daar behoefte aan hebt.’

Ik ging onbewust op het verzoek in. Keek of het bankje wel schoon was. Ja, dat was het. Ik ging zitten. Ik zag het gras waarop ik mijn voeten had gezet, tilde mijn hoofd op en zag het water. Aan de overkant stonden enkele huizen. Zag ik daar een man, wandelend met een hond? Het zou zo maar kunnen.

Daar zat ik dan. Als in een zeepbel. Met rondom mij een flinterdunne, transparante wand, een lichte scheiding tussen mijn wereld en een andere wereld. Ik hoorde daar niet bij, ik zat in mijn eigen wereld. Vanuit de andere wereld kwam het zuchtje wind en het geluid binnen van de vogels, de eenden, het kabbelende water en het suizende riet. In de andere wereld zag ik een man met zijn hond wandelen, enkele huizen en een vrijwel wolkenloze hemel.

Nu ik het tafereel herbeleef, voelt het alsof ik mediteerde. Alsof ik op mijn kussen zat en mijn wereld vol gedachten en zintuiglijke ervaringen voorbij zag trekken. Maar het was anders. Ik was daar niet ‘bewust’ op het bankje gaan zitten, zoals ik meestal ‘bewust’ op het kussen ga zitten in de hoop dat de beoefening mij iets zal brengen. Ik zit daar dan met een doel, wachtend dat er iets gebeurt. Dat bankje overkwam mij. Ik stond er voor open. Ik toonde belangstelling voor alles wat op mij afkwam. De uitnodiging om te gaan zitten diende zich zomaar aan. Als een geschenk uit de hemel.

Voordat ik aan de wandeling was begonnen, had ik naar het YouTube-filmpje gekeken waarop de (Amerikaanse) Tibetaans-boeddhistische non Pema Chödrön (geboren als Deirdre Blomfield-Brown) vragen van Oprah Winfrey beantwoordde. Het interview was mede naar aanleiding van haar boek When things fall apart (Als je wereld instort), dat ik al eens had gelezen. Een ander lezenswaardig boek van haar is The places that scare you (Waar je bang voor bent). http://www.bodhitv.nl/articles/show-news/2013-10-31/vrouwen-en-boeddhisme-pema-chodron/?p=69&v=laatste-items

Pema is lerares in de Tibetaanse Vajrayana-traditie van Chögyam Trunga, die heeft geprobeerd zijn oosterse kennis aansprekend te maken voor de westerse wereld. Sinds Trungpa’s dood, bijna dertig jaar geleden, wordt die kennis overgedragen door zijn zoon Sakyong Mipham, de man die mij bij Shambhala via zijn boeken, videoteachings, meditatie- en contemplatie-oefeningen, dialogen, trainingen en cursussen aanreikt hoe gewaar te kunnen worden van wie en wat ik ben, wat ik denk, voel en ervaar. Waarom ik zo denk en doe. Wat vriendelijkheid met je doet, en met anderen.

pema
Pema Chödrön (78) sprak tegen Oprah over het toestaan (liefst: vriendelijk verwelkomen) van emoties als angst, boosheid, verdriet, twijfel en eenzaamheid. Over onze geconditioneerde vermijding van ongemak. Over onze verbetenheid om vast te houden, aan zogenaamde zekerheden. Over het voortdurend zoeken naar afleiding, om jezelf (je ongemak, je pijn, je ware gevoel) maar niet tegen te komen. Over het hardnekkige verlangen naar iets anders, wat beter en mooier is. Zoeken naar afleiding. Vluchten voor jezelf. Over de angst voor onzekerheid. Terwijl zekerheid niet bestaat. Want alles is vergankelijk.

Ze sprak over angst voor stilte en leegte. Over bodemloosheid. Wat als de grond onder je voeten wegvalt? Wat als je je nergens (meer) aan vast kan houden, loslaat en je weg laat drijven, alles laat komen zoals het komt? http://www.oprah.com/own-super-soul-sunday/Pema-Chodron-What-to-Do-When-Your-Life-Falls-Apart-Video?playlist_id=53889

Pema Chödrön met Sakyong Mipham

Pema Chödrön met Sakyong Mipham

Ik zat op dat bankje en hield me niet vast. Ik zat gewoon. Verder niets. Ik had mezelf overgegeven, er was geen bodem. Toen voelde ik een zuchtje wind in mijn gezicht, er was geluid en ik zag van alles.

Links van mij zag ik een man wandelen. Hij hield stil, keek om zich heen en wandelde verder. Ineens meende ik hem te herkennen. Ik riep zijn naam, hoewel ik niet wist of het wel de juiste was. Het klopte. Hij keek en herkende mij. Korte tijd later zat hij naast mij op het bankje.

Even was het spannend. Wat zou hij mij vragen? Wat zou ik hem moeten vragen? Hij begon, gelukkig maar. Wat ik hier deed. Ik nam het over. Wat hij hier deed. Waarom? Nou gewoon. Eruit ‘geschopt’ door zijn vrouw. Naar buiten om een frisse neus te halen. Om de wereld eens van een andere kant te bekijken. Geen nieuwsgierigheid. Gewoon, even d’r uit.

Zo waren we beiden iets onverwachts tegengekomen. Elkaar. Een ontmoeting die niet bedoeld was, niet voorspeld, laat staan verwacht. Ze viel me toe. Toeval. Het werd een aangename ontmoeting. Een gesprek over ervaringen, over de tijd vullen, over doen en nalaten, over leegte. Ik betrapte me erop dat ik een en al aandacht was voor wat hij zei, hoe hij keek, hoe hij bewoog, wat hij beleefde. Door niets werd ik afgeleid.

Samen wandelden we terug naar de andere wereld. Ik vroeg hem waar hij woonde. Hij wees zijn huis aan, zijn tuin en zijn auto. Daar aan het water, bij dat bruggetje. Wist ik dat ook eens. En zo wandelden we voort. Er was niets dan de wandeling en de aandacht voor elkaar, wat we tegen elkaar zeiden en samen beleefden.

Zo stel ik mij de ideale meditatie voor. Zitten, ademen en gedachten laten stromen. Zie meditatie als tijdverspilling, schrijft Chögyam Trungpa Rinpoche in ‘Reis zonder doel’.

Tijdverspilling? Daar heb ik geen tijd voor. Ik heb nog zoveel te doen. Wandelen bijvoorbeeld.

Ter overdenking:

De herberg
Dit mens-zijn is een soort herberg
Elke ochtend weer nieuw bezoek.
Een vreugde, een depressie, een benauwdheid,
een flits van inzicht komt
als een onverwachte gast.
Verwelkom ze; ontvang ze allemaal gastvrij
zelfs als er een menigte verdriet binnenstormt
die met geweld je hele huisraad kort en klein slaat.
Behandel dan toch elke gast met eerbied.
Misschien komt hij de boel ontruimen
om plaats te maken voor extase…….
De donkere gedachte, schaamte, het venijn,
ontmoet ze bij de voordeur met een brede grijns
en vraag ze om erbij te komen zitten.
Wees blij met iedereen die langskomt
de hemel heeft ze stuk voor stuk gestuurd
om jou als raadgever te dienen.

(Rumi (Jalal al-Din Rumi [1207-1273] is een filosoof-dichter en soefi-mysticus van Perzische afkomst)

Deze column is geplaatst in de wintereditie van de website http://www.vriendenvanboeddisme.nl

De rennende boeddha: meditatief hardlopen

24 sep

runrun
Je kunt gaan hardlopen, gewoon je hardloopschoenen aantrekken en maar zien waar je uitkomt. Vijf kilometer, tien kilometer, een halve marathon, een hele marathon. Je kunt ook met aandacht gaan hardlopen. Je erop voorbereiden. En je gewaar proberen te worden van waar je mee bezig bent. Je adem voelen. Je ledematen voelen. Niet alleen je voeten en benen. Ook je hoofd, zeg maar: je geest. Mindful Running.

Vriendelijk zijn voor jezelf, voor je lichaam en je geest. Meditatief lopen. Op de manier die meditatiemeester en Shambhala-boeddhistische leraar Sakyong Mipham zich als hardloper (hij liep negen marathons) eigen heeft gemaakt. Toen ik het boek (Running with the mind of meditation; in de Nederlandse vertaling ‘Running Buddha – Je balans vinden met hardlopen’) voor de eerste keer las, begreep ik waarom ik en medelopers vaak geblesseerd raken. Waarom ik mezelf voorbij loop, waarom ik de lat te hoog leg, waarom mijn trainer me niet genoeg kan waarschuwen.

Noem het agressie. Te gretig, te wild, onbedachtzaam. Agressie, schrijft Sakyong, is als vuur – het is er ineens en dan is het weer verdwenen. Vriendelijkheid, wat hij adviseert, is als water – het zal uiteindelijk zijn doel bereiken.

,,Vriendelijkheid geeft ons het gevoel dat we eeuwig kunnen blijven lopen. Bij agressie krijgen we het gevoel dat we alleen maar een sprintje kunnen trekken naar de volgende bocht. Door vriendelijk te zijn draaien we onze hand niet om voor een lange duurloop. Bij agressie zijn we bang dat we zullen falen als de duurloop even niet goed gaat. Als we vriendelijkheid bezitten zijn we niet meer met onszelf aan het worstelen. En op het moment dat we niet met onszelf worstelen, doen we ons best. Meer dan dat kunnen we niet doen. Echter, als we vriendelijk voor onszelf zijn zullen we verbaasd staan over hoeveel we kunnen. We worden geïnspireerd door onze potentie. Agressie daarentegen is vaak het resultaat van persoonlijke ontrevredenheid. We kunnen het niet goed met onszelf vinden en vanwege dat innerlijke conflict halen we uit naar anderen. Deze vorm van agressie komt voort uit een gebrek aan vriendelijkheid voor onszelf (…). Kijk naar wat je kunt en laat je niet deprimeren door wat je niet kunt.’’

RUNNING RINPOCHE
Hier spreekt de meditatiemeester. Helder maar mogelijk ondoorgrondelijk voor wie zich meditatie nog niet heeft eigen gemaakt. Je bent maar een eenvoudige hardloper die gewoon wil hardlopen, soms lekker, vaak lang en ver. Mogelijk op weg naar een persoonlijk record. Hoe breng je dat als hardloper in praktijk? Benjamin Romkes en Marc Wiewel geven regelmatig clinics, onder meer vanuit het Shambhala-meditatiecentrum in Amsterdam. Beiden zijn ervaren hardlopers en bekend met mediteren. Een ontmoeting met het tweetal ademt vriendelijkheid. Niks: de beste manier om hard te lopen. Niks: nu hebben we het gevonden. Hoe revolutionair en op een unieke, heldere manier beschreven zij het boek ook vinden.

Maar ze hebben dankzij Sakyongs filosofie wel nieuwe, bijzondere ervaringen gehad. Benjamin Romkes, meervoudig Nederlands recordhouder en wereldkampioen 3.000 meter boven 45 jaar, vertelt eerst over zijn eigen methode: ,,Ik ga ’s morgens eerst even een kwartiertje zitten (mediteren, gvh) voordat ik ga lopen. Gewoon tot rust komen, landen dus, daarna gaat het lopen vanzelf.’’

Zo begint hij ook de clinic, met een korte meditatie. Zittend met een rechte rug op een stoel, de blik naar de vloer gericht. Eerst de aandacht op het lichaam richten, van je linker grote teen tot je rechter schouder. Daarna op de ademhaling. Meditatie voorafgaand aan het lopen is een droogtraining, meent Romkes, tevens meditatie-instructeur. ,,Je gaat er straks sneller door opmerken of je afgeleid raakt tijdens het lopen. Je loopt er ook meer ontspannen door.’’

RunningMeditation
Vervolgens begint het lopen. Alles met aandacht. Eigenlijk al als je je veters vastmaakt. Deelnemers aan een clinic hoeven geen meditatie-ervaring te hebben, laat staan een boeddhistische achtergrond. Het gaat domweg om de aandacht op je beweging te richten, op je armen en benen, ademhaling en de manier waarop je loopt. Zeg tegen jezelf: ik loop licht, het gaat gemakkelijk. Je gaat merken dat het lichaam die gedachte overneemt en je vanzelf lichter gaat lopen. In balans, een samenwerking tussen lichaam en geest.

Gemakkelijk gezegd: ik loop licht. Voordat je ‘licht loopt’ is er die verschrikkelijke worsteling tegen pijn, stijfheid, beperkte longinhoud. Sakyong Mipham weet uit ervaring hoe het proces verloopt. Van beginner (wandelaar) tot marathonloper. Vandaar ook dat hij in zijn methode een viertal trainingsfasen beschrijft waarin je je geest en lichaam ontwikkelt, de zogenaamde vier waardigheden. Deze worden in het Shambhala-boeddhisme uitgebeeld door de tijger, leeuw, garoeda en de draak. Je kunt alle fasen vertalen naar gedragingen in het dagelijks leven.

In de tijgerfase onderzoek je je motivatie en concentreer je je op je ademhaling, voetafwikkeling en andere concrete details. Die fase kan zomaar twee jaar duren. In de leeuwfase bouw je je aandacht verder uit naar waardering en discipline in je training, maar ook naar de omgeving waarin je hardloopt, de positieve trots over je verruimde en stabiele aandacht en conditie. In de garoedafase werk je aan de juiste manier om je grenzen te verleggen, en word je uitgenodigd je vriendelijke, compassievolle houding uit te breiden naar je omgeving. In de draakfase ten slotte, ontdek je dat presteren niet het ware doel is, maar dat echte voldoening voortkomt uit de vreugde iets te kunnen betekenen voor anderen, voor de wereld.

In elke fase komt je als loper aspecten van jezelf tegen en krijg je te maken met vraagstukken over bijvoorbeeld je inzet, gezondheid, hoop, pijn en intentie.

Alles komt neer op aandacht voor je beweging, voor het gevoel, voor de pijntjes. Tijdens het lopen loop je alles even na. Waar zit bijvoorbeeld de vermoeidheid? Is het je lichaam dat moe wordt of is het je geest? De beide trainers wijzen op het gebruik van een koptelefoon. Marc Wiewel (sportpsycholoog en runningtherapeut): ,,Zoals Sakyong aangeeft kun je door de muziek goed in je ritme blijven. Maar je mist ook veel: het geluid om je heen, de vogels, het suizen van de wind om je oren. Je loopt niet in een open ruimte, je loopt als het ware in een cocon.’’

De filosofie van Sakyong, meent Wiewel, vormt ,,slechts een leidraad om op een bewustere manier met hardlopen bezig te zijn’’. Vriendelijk zijn voor jezelf, jezelf niet uitputten. Zoals Sakyong Mipham vertelt over hoe hij zijn vrouw met hardlopen in aanraking bracht. Hij stimuleerde haar vooral om veel te wandelen, met af en toe twee minuten hardlopen tussendoor. Na een aantal maanden was zijn vrouw in staat om twintig tot dertig minuten hard te lopen.

Zo langzaam kan het gaan, zo vriendelijk voor je lichaam kun je zijn. Je lichaam en zenuwstelsel moeten wennen aan nieuwe bewegingen. Geef ze de kans, weten Benjamin Romkes en Marc Wiewel. Forceren werkt averechts en doet meer pijn dan je lief is. Laat hardlopen een plezier zijn. Dan geeft ook een persoonlijk record de meeste voldoening.

Benjamin Romkes en Marc Wiewel geven twee Mindful Running Clinics tijdens het Brightnow Festival op 26, 27 en 28 september in het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam. Meer informatie: http://brightnowfestival.nl/

Dit artikel van Guus van Holland is gepubliceerd in het oktobernummer van Runner’s World.

Boeddhistisch sport beleven

13 aug

Een sportzomer zoals die zich de afgelopen maanden aan mij ontvouwde, heeft mij veel energie gekost. Het was een voortdurende strijd tussen afkeer en overgave. Met terugkerende vragen als: wat gebeurt er toch met mij, wat en waarom raakt het mij zo, waarom reageer ik zo, wat doet mij soms zo afkeren, waarom ben ik tegen die en voor die ander?

Zijn dat vragen die opkomen bij een mens die graag boeddhist wil zijn omdat het jachtige leven hem vermoeit? Gespannen toezien hoe op leven en dood wordt gejaagd op onbegrensde euforie en onherroepelijk succes. Is dat wat mediteren (als observeren van gewaarwordingen) en contempleren (als op zoek gaan naar gewaarwordingen) oplevert na weer zo’n opwindende reportage?

Ik voelde dat mijn lichaam, en zeker mijn geest, mij een onaangenaam gevoel bezorgde. Spanning die leidde tot rusteloosheid. Soms durfde ik niet te kijken. En als ik dan toch keek, maakte zich aanvankelijk bevriezing van mijn zenuwgestel meester. Eigenlijk bevroor ik mezelf eerst. Ik sprak mezelf toe: blijf rustig, er gebeurt niets ernstigs, laat het maar komen, het gaat toch weer weg. Of dan hoorde ik toch weer een stemmetje: toe maar, leef maar mee, het mag, laat je gaan, het voelt echt fijn erbij te horen.

Zo werd de sportzomer een worsteling. Bij de ene sport meer dan bij de andere, al naar mate commentatoren en media de grenzen van opwinding opzochten of overschreden. Analyses beluisterde en las ik al snel niet meer. Op het televisietoestel zette ik het volume uit. Niet meer dat mijns inziens overbodige, mij te subjectieve commentaar. Ik zag het bij de meeste sporten zelf wel, ik kon zelf wel oordelen. Ik wilde het op mijn manier ondergaan. Met de zintuigen die alleen mij toebehoren.

Ik onderging het allemaal. Bezag de taferelen, de jacht en de strijd in betrekkelijke stilte – vaak was ik alleen. Observatie vanuit een uitkijktoren onder een blauwe hemel, geen wolkje te zien. Met een panoramische blik, of helikopterview, die mij meer (iets anders) kon vertellen over het spel en de jachtpartijen op het beeldscherm dan met toegevoegde mededelingen of commentaren. Wat ik zag en beleefde, was alleen van mij.

Ik liet me verrassen, kon me verwonderen, liet het begaan – al bleef het verlangen naar meer aanwezig, zoals naar een fraai doelpunt of een oogstrelende actie bij voetbal, een demarrage of sprint bij wielrennen, een ongekende slag bij golf en tennis, een oogstrelende als een gazelle lopende atlete. Daarom kijk ik immers naar sport, ben ik er door gefascineerd: iets te zien dat mij nog niet eerder is opgevallen, dat me raakt. Wat ik ook graag had willen kunnen. Ja, begeerte. Ondergaan met een verlangen naar nieuwe inzichten en vergezichten vanuit mijn eigen uitkijktoren – in dit geval mijn bank.

Mindful observeren. Zo benoem ik de wijze waarop ik naar sport heb proberen te kijken. Waarop ik sport heb proberen te ondergaan of beleven. Het geeft een nieuwe dimensie aan mijn observaties. Een nieuw geestverruimend middel. Anders zien en horen, anders beleven.

Het herinnert me aan een ervaring met mijn jeugdvriend Marius die in een tuinhuisje naast het woonhuis van zijn broer leefde. We luisterden vaak samen naar muziek. Vaak onder het genot van een waterpijpje hasj om de muziek een andere (extra, mogelijke diepere) dimensie te geven. We gaven ons over aan de muziek. Ook weer op een andere manier luisteren. Op een avond kwam ik weer bij hem op bezoek. Hij had een plaat opstaan. Ik merkte dat de langspeelplaat te langzaam draaide: langzamer dan 33 toeren. Mogelijk door slijtage aan zijn platenspeler. Ik maakte daarover een opmerking, waarop Marius met een mysterieuze glimlach zei: ‘Ja, het is wat anders. Mooi hè?’

Nadat we een uurtje zwijgend hadden geluisterd naar de ‘nieuwe plaat’, keek Marius me bloedserieus aan. ‘Ik weet wat boeddhisme is’, zei hij. Ik had weleens van boeddhisme gehoord, waarschijnlijk op school bij het vak Godsdienst, maar ik had me er nooit vragen bij gesteld. ‘Dit is boeddhisme’, zei hij. ‘Deze gewaarwording.’ En hij gaf een verklaring. Zo naar muziek luisteren, op een andere manier luisteren. Gewoon door de snelheid te verminderen of te verhogen. Ineens liep de platenspeler langzamer, zomaar. Dat gebeurt, zomaar. Eigenlijk iets ondergaan dat niet gebruikelijk is. Iets op een manier ondergaan die je niet is aangeleerd of opgedrongen omdat het moet.

Wat dat nu met boeddhisme te maken heeft, begreep ik niet. Zijn theorie had toch niets met geloven of met religie te maken. ‘Juist wel’, vond Marius. ‘Je gelooft in wat je ziet, hoort of ruikt, wat je beleeft. Je gelooft niet in wat je hebt van horen zeggen. Je vindt het niet mooi, omdat anderen zeggen dat het mooi is. Je vindt het helemaal alleen zelf mooi. Boeddhisme is het ontwikkelen van je eigen geest.’

Zoiets zei hij. En hij haalde er Allan Ginsberg bij, schrijver/dichter en al in de jaren vijftig vertegenwoordiger van de Beat Generation, een homoseksueel (getrouwd met een man), een man die ‘afweek’ door ‘obsceen’ gedrag. Bevriend met Jack Kerouac – en beïnvloed door William Blake (‘The road of excess leads to the palace of wisdom…You never know what is enough until you know what is more than enough’), zoals ook Jim Morrison van The Doors dat was. Ginsberg was in die tijd (eind jaren zestig) al geïnteresseerd in boeddhisme. Later zou hij boeddhist worden. Ginsberg, niet Marius. Want die overleed op jonge leeftijd, mede omdat hij in het ontwikkelen van zijn eigen geest te ver ging.

Marius had evenals Ginsberg een sterke drang om de grenzen van zijn bewustzijn te verkennen, maar kon het niet lang aan. Opmerkelijk dat Chögyam Trungpa Rinpoche, de vader van mijn (shambhala-)boeddhistische leraar Sakyong Mipham, in de jaren zeventig bevriend bleek te zijn geweest met Ginsberg en andere Amerikaanse dichters. Maar dat terzijde.

Allen Ginsberg (links) met Shögyam Trungpa Rinpoche

Allen Ginsberg (links) met Chögyam Trungpa Rinpoche

Marius was geen sporter. Ik herinner me alleen dat hij in een tarzanbroekje in het zwembad verscheen en later vrienden kreeg die iets met oosterse vechtsporten deden. Hij schijnt wel even in een juniorenelftal gevoetbald te hebben. Voetbal volgde hij zeker, vooral de lokale profclub. Hij vond het leuk dat ik een fanatieke voetballer was die het zelfs tot het eerste elftal van mijn plaatselijke club schopte. Hij kwam een keer kijken en zei toen: ‘Goh, jij kunt goed voetballen. Hoe doe je dat toch?’ Dan lachte hij een beetje cynisch.

Dat ik sportverslaggever werd heeft hem niet verbaasd. Verbazing, nee. Hij vroeg zich alleen dingen af. Geen oordeel. ‘Hoe doe je dat dan? Wat doe je dan? Ga je gewoon kijken en schrijf je dan op wat je gezien hebt? Lijkt me leuk. Schrijven wat je gezien hebt. Niet schrijven wat anderen gezien hebben en ervan vinden. Dat zo’n beroep bestaat, sportverslaggever.’

Maar vooral recensent, antwoordde ik. Zoals er ook muziekverslaggevers zijn, literatuur- en kunstverslaggevers. Zij brengen verslag uit van wat zij beluisterd, gelezen en gezien hebben. Verslaggevers die hun eigen inzicht raadplegen en dat op schrift stellen. Zij schrijven net zoals ik dat bij voorkeur doe een recensie, met een analyse en interpretatie – een subjectieve beoordeling dus.

Ik had graag met Marius de afgelopen sportzomer beleefd. Niet gestoord door de stem van een verslaggever die ons opgewonden deelgenoot maakt van zijn kennis en visie. In stilte (zelf) iets ondergaan op een manier die je niet is aangeleerd of wordt opgedrongen. Kijken naar sport alsof je mediteert, alsof je gewaarwordingen slechts observeert, zonder oordeel. Het biedt iets anders, iets nieuws. En het geeft (mij) rust. Marius zou zeggen: ‘Mooi hé? Boeddhistisch naar sport kijken.’

Guus van Holland is vriend van de Shambhala-sangha in Leiden

Deze kwartaalcolumn verschijnt binnenkort op de website van de Vrienden van het Boeddhisme: http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/

%d bloggers liken dit: