Tag Archives: Frans de Munck

Het eenzame bestaan van een keeper, doelman of Torhüter

23 jun
petar
                                                     Petar Radenkovic

Elke keer wanneer een voetbaldoelman overlijdt of op z’n minst iets ernstigs overkomt, komt het geheugen in actie. Mannen met sierlijke duiken passeren, mannen in het zwart of in stoere truien, mannen met pet, mannen met stevige, grote knuisten, mannen met wollen handschoenen, soms mannen met kniebeschermers. Zo zette de (plotselinge) dood van een van de beste doellieden van Nederland het hersendeel met herinneringen in beweging. Eddy Pieters Graafland overleed op 28 april jongst leden op 86-jarige leeftijd. Het Nederlandse voetbal heeft weinig betere doellieden gekend.

Herinneringen betreffen Just Göbel, Leo Halle, Gejus van der Meulen, Adri van Male, Frans de Munck, Piet Kraak, Jan van Beveren, Tonnie van Leeuwen, Hans van Breukelen, Ed de Goeij, Piet Schrijvers, Harry Schellekens, Pim Doesburg,  Jan Jongbloed, Edwin van der Sar, Jasper Cillessen, mannen die ieder op hun eigen manier schoten op hun doel konden pareren. De een was degelijk, de ander sierlijk of had veel gevoel voor show. Pieters Graafland, sowieso een bijzondere, min of meer aristocratische naam voor een voetbaldoelman, beschikte over veel talenten. Hij was sierlijk, dook als een panter, kon stompen en mooi de bal vangen – met een atletische sprong (ook wel save genoemd).

Wat ik mij vooral herinner is dat hij zich naar voren wierp, zich met beide handen voor zijn hoofd op de voeten van de aanvaller stortte nog voordat deze had kunnen bedenken hoe hij de doelman kon passeren. De bal was zo al een prooi voor Eddy PG (zoals hij gemakshalve werd genoemd), voordat de scoorlustige aanvaller iets had kunnen bedenken. Het zag er uit als een kamikazeactie. Met gevaar voor hoofdletsel of erger dook Eddy PG op de bal en nam hij de voeten van de aanvaller zo ook vaak mee. Los daarvan was deze keeper (zoals vanuit het Engels afkomstige jargon een doelman wordt genoemd), een sportieve (faire) man zowel in het doel als daarbuiten en zeker ook buiten het voetbalveld.

De kamikazeacties, die deze doelman die zowel voor Ajax als Feyenoord én het Nederlands elftal (liefst 47 maal) speelde, waren mij al opgevallen bij een Servische doelman die voor FC Köln in de Bundesliga speelde. Milutin Soskic, een van de legendes van Partizan Belgrado, de club waar hij eerst naam maakte. Mocht hij nog leven, dan is hij nu 82 jaar. Soskic dook op alles zonder vrees. Zo zag ik op de Duitse televisie, Die Sportschau, met de legendarische moderator Ernst Huberty, fan van FC Köln, en las ik in een boek over diens favoriete club, over Soskic: ‘Der kleine mutige Kamikaze-Flieger stürmte sich mit seinen ollen löchrigen Winterhandschuhen voll ins Getümmel. Er boxte auch schon mal bei einer Faustabwehr neben den Ball, dafür aber den Abwehrspieler und Freund k.o., der mit seinem Kopf statt des Balls dran glauben müsste.’

Soskic was als Torwart (of Torhüter dan wel Tormann) een genot om naar te kijken. Dat was wat mij betreft sowieso het geval als ik naar mijn favoriete sportprogramma keek, op ARD, en ’s avonds laat op ZDF, Das Aktuelle Sportstudio, met Dieter Kürten en Harry Valérien.

Mogelijk deed Eddy PG dat ook, zoals veel Nederlandse voetballiefhebbers. Ik heb het hem nooit kunnen vragen, maar duidelijk is dat het (West-)Duitse voetbal in de jaren vijftig en zestig aantrekkelijker was dan het Nederlandse voetbal. Noem eens namen van Duitse voetballers uit die tijd (Bundesliga, Sportschau) en het geheugen gaat als een dol geworden systeem draaien.

Op de Duitse tv-zenders leerde ik voetbalkeepers kennen, nog even los van mijn Nederlandse favoriet Frans de Munck. Daar zag ik de doelman die voor altijd mijn hart heeft gestolen, Petar Radenkovic (ook al een Serviër). Hij was doelman van TSV München 1860, toen Bayern nog in de tweede Bundesliga speelde. Hij was zeker een showkeeper, maar hij hield de meeste schoten sierlijk en soms voor onmogelijk gehouden uit zijn doel. Hij zweefde evenwijdig aan de bovenlat, zo zag het er uit. Vaak ging hij aan de wandel, ver uit zijn doel, pikte een bal op buiten het strafschopgebied, passeerde dan een paar tegenstanders en gaf ten einde raad een prachtige pass op de aanvallers van zijn elftal. Het publiek hield zijn adem in, maar zijn ongebruikelijke doelmansactie mislukte (bijna) nooit.

Petar, nu 85 jaar, trad op in Das Aktuelle Sportstudio: een olifant schoot op zijn doel, maar Radenkovic redde met een showduik. Petar maakte een plaatje: Bin i Radi, bin i König. Hij schreef een boek met dezelfde titel. Beide heb ik aangeschaft. Hij droeg een zwarte pet, droeg zwarte kleren en witte kousen. Ik maakte een plakboek met knipsels van mijn favoriete elftal TSV München 1860 en vooral met foto’s en berichten over Radi. Helaas verloor de club (Die Löwen) de finale van de UEFA Cup in 1965 op Wembley in Londen tegen West Ham United met 2-0. Radi was in tranen, misschien ik ook wel.

Radi pakte alles, vooral met stijl. Of hij maakte een (onvergeeflijke) blunder. Dan liep hij schuldig met zijn hoofd omlaag door zijn doelgebied te wandelen.

Dat soort keepers heeft mij altijd geboeid. Zelfs of vooral ijshockeykeepers. Of ze nu slachtoffers van hun drang naar show werden, of gewoon weleens een fout konden maken (zoals iedere voetballer of zelfs ieder mens). Keepers lijden een eenzaam bestaan, het zijn loners, Einzelgänger. Sommigen zijn onder dat bestaan bezweken. Ze konden de spanning niet aan of werden naderhand in de kleedkamer door medespelers uitgescholden omdat ze een fout hadden gemaakt.

Ik las het boek van Robert Enke, de doelman van onder meer Hannover ’96, het Duitse elftal en Barcelona die aan depressies leed, daar in het stoere, mannelijk leven van voetballers niet voor uit durfde te komen en uiteindelijk aan de spanningen bezweek of werd ‘afgezeken’ door teamgenoten als ploeggenoot Frank de Boer, en zelfmoord pleegde – hij sprong voor een trein. Lees: ‘Een al te kort leven geschreven’ (Ein allzu kurzes Leben) door biograaf Ronald Reng.

Ach, al die keepers die zichzelf als onpasseerbaar willen (moeten) tonen en dat niet kunnen waarmaken. Mijn jongere broer werd keeper. Hij was geweldig (zeker in de zaal), was atletisch, sierlijk en had ook veel show. Maar omdat hij onder andere weleens een foutje maakte, haalde hij het niet om vaste doelman te worden van ons eerste elftal. De trainer koos voor een degelijke doelman, weinig show, gewoon degelijk, zoals veel Britse keepers waren. Je staat er om een bal tegen te houden, meer hoef je niet te doen. Ik zag Bob Wilson van Arsenal, saai als een koe; Gordon Banks van Leicester City en het Engelse elftal dat in 1966 wereldkampioen werd: saai, maar wel bijna onpasseerbaar. Net als Peter Shilton. In Engeland hadden ze ook Peter Bonetti (net overleden), maar die was te mooi en te goed, en hem overkwam ook weleens een foutje.

lev
                                                 Lev Jasjin

Lev Jasjin wordt algemeen beschouwd als de beste doelman aller tijden. Ik heb hem een paar keer op (zwart-wit)televisie mogen aanschouwen, vooral die keer dat hij in 1963 op Wembley in het Wereldelftal tegen het elftal van de 100-jarige Engelse voetbalbond speelde. Geheel in het zwart, zoals vrijwel altijd, haar strak achterover gekamd en daaronder altijd een pet. De Zwarte Octopus. Groot, lang, stijlvol, acrobatisch, gezegend met snelle reflexen en prachtige zweefduiken, en handen als kolenschoppen. Onverschrokken stortte hij zich op tegenstanders, als hij maar de bal te pakken kreeg. Waardoor hij wel soms een hersenschudding opliep, maar toch doorspeelde.

Hij stond bekend als een penaltykiller. Waarschijnlijk had hij zijn reflexen te danken aan de periode dat hij als ijshockeykeeper speelde voor Dinamo Moskou, de club die hij altijd trouw bleef. En verder zag ik beelden van zijn afscheidswedstrijd in 1971 voor 100.000 toeschouwers in het Lenin-stadion (nu Loezjniki) van Moskou, waarvoor grote voetballers als Pelé, Eusebio en Beckenbauer waren uitgenodigd. Jasjin werd zestig jaar oud, hij overleed aan maagkanker. Nadat eerder een been moest worden geamputeerd, wegens gangreen. Jasjin werd gekozen tot ‘beste doelman van de twintigste eeuw’. Hij had geen show nodig. Hij stopte domweg de meeste ballen die op hem werden afgevuurd en genoot daarvan.

Jean-Marie-Pfaff-de-slechtste-vastgoedhandelaar-van-Belgie
                                           Jean-Marie Pfaff

Jean-Marie Pfaff, een Belgische showdoelman met fantastische reddingen, heeft daarentegen nooit zijn behoefte aan aandacht kunnen onderdrukken. Hij stond in het doel van het Belgische elftal achter een geweldige verdediging met Gerets, Meeuws, Millecamps, Renquin en anderen. Toen vertrok hij zowaar naar Bayern München. Een man met humor en een obsessief gevoel voor aandacht trekken. De eerste keer dat ik hem tegenkwam was na de Ronde van Vlaanderen, in de rij voor een friettent. Hij zag me staan en zag mijn perskaart. ‘Ah wel, u bent van de pers, uit Holland zeker. U kent mij niet? Ik ben Jean-Marie Pfaff. Ik zal u een nieuwtje vertellen. Ik word doelman van AZ, ik heb al een refrigerator en een wasmachine van meneer Molenaar thuis ontvangen. Mooi toch? Dat kunt u in uw gazet plaatsen. Akkoord?’

Een paar jaar later vroeg ik een interview aan met Pfaff. Ik moest me melden bij de fysiotherapeut in Beveren. Daar aangekomen hoorde ik vanuit een belendende kamer: ‘Allez Guus, zijt ge daar? Ik kom zo.’ Vervolgens reed hij mij met zijn witte Bentley door het stadje, vertelde me heel veel, zwaaide naar wandelaars in de winkelstraten (‘u ziet dat ze mij kennen’) en zei tegen een Chinese restauranthouder dat zijn Nederlandse vriend daar vanavond kwam eten, op kosten van Jean-Marie. ”t Is goed zo’.

Na afloop drukte hij mij een visitekaartje in de hand, goud gekleurd, met daarop de tekst Jean-Marie en Carmen Pfaff, plus al (?) zijn telefoonnummers.

Weer een paar jaar verder maakte ik dankzij het visitekaartje een afspraak met hem in Holiday Inn nabij Zaventem, waar het Belgische elftal verbleef. Bij de balie zei bondscoach Guy Thys dat Pfaff niet te spreken was. De spelers moesten rusten. Maar daar kwam Jean-Marie al: ‘Mijn vriend Guus uit Holland. ’t Is goed Guy! Waar gaan we zitten? Allez, we gaan een pint drinken. U bent mijn vriend, dat weet u.’

Eddy PG
                                             Eddy Pieters Graafland

Doelmannen hebben meer dan voetballers hun eigen stijl. Ze zijn anders, anders dan voetballers. Sommigen zijn stil en bescheiden en stoppen gewoon de bal die ze gedwongen zijn te stoppen. Anderen zijn extravert, komen uit hun isolement omdat ze zich mogelijk in dat doel alleen voelen en vragen om aandacht. ‘Kijk mij eens, ik ben ook een mens, ik sta niet voor niets in dat doel. Vraag mij ook eens wat en niet alleen om dat foutje.’

Ik weet niet hoe het Eddy PG is vergaan, als Amsterdammer nota bene, achter verdedigers als Rinus Israel, Theo Laseroms en andere extraverte mannen. Gaf hij die mensen keiharde aanwijzingen, liet hij het allemaal op z’n beloop en greep hij ten einde raad in omdat dat van hem werd gevraagd. Doelmannen, goalkeepers, Torwarts, Torhüter, Tormänner, sluitposten, portieri, laatstemannen, doelwachters. Ach, het zijn allemaal medespelers, een van de elf maar meer dan belangrijk. Dat wist Eddy PG, dat weet ik zeker.

Dit artikel is gepubliceerd in Argus, nummer 81, juni 2020

Charley van de Weerd, eens en altijd de beste van FC Wageningen

13 sep

Op 13 september 2013 werd op de Wageningse Berg een reünie gehouden: ‘BallenopdeBerg’, ter nagedachtenis aan de glorietijden van FC Wageningen. De beste voetballer die Wageningen heeft gekend, was Charley van de Weerd. Hij was mijn jeugdheld. Hij overleed in februari 2008. In 1992 ging FC Wageningen failliet. De club van Charley, van zijn neef Ton van de Weerd, van Wim Bleijenberg, Epi Drost, Fritz Korbach, Gerdo Hazelhekke en andere groenwitte helden werd uit het betaald voetbal gestoten. In 1992 ging ik voor NRC Handelsblad met Charley terug naar de Wageningse Berg. Een onvergetelijke ervaring.

Door onze redacteur Guus van Holland

In de historie van ruim tachtig jaar voetbal in Wageningen speelde Charley van de Weerd de hoofdrol. Hij bepaalde tussen 1939 en 1962 het gezicht van de club, die het merendeel van het bestaan overigens in de eerste divisie doorbracht. FC Wageningen is failliet en kreeg geen licentie meer. De eens onneembare veste, het meest idyllische stadion van Nederland, de Wageningse Berg, is verlaten.

WAGENINGEN, 13 aug. 1992. Als we de Generaal Foulkesweg oprijden, de weg vanuit de stad de Wageningse Berg op, doemen de eerste herinneringen op. Voor elke thuiswedstrijd, voor elke training fietste hij de berg op. Zo begint Charley van de Weerd spontaan te vertellen. Daar kreeg je sterke spieren van. Dan had hij de warming up er al op zitten als hij op het veld kwam. Drie tot vier keer in de week legde hij die weg af, bijna 22 jaar.
Charley
Hij herinnert het zich nog goed. Hoe de Wageningers met duizenden over de weg naar het hoog gelegen stadionnetje liepen of fietsten. Beginnend, onderaan, bij hotel De Wereld. En na afloop wandelden de vrouwen met hun kinderwagens vader tegemoet. Die sfeer. ‘Charley’ (Anthonius Johannes) van de Weerd (70), een begrip in Wageningen, een idool voor elke voetballer uit de omgeving, krijgt het er even warm van.

Achterop op de fiets bij mijn vader ging ik vanuit Bennekom naar mijn eerste wedstrijd in het betaald voetbal. Jaren vijftig. ADO, met z’n internationals, kon kampioen worden op de Berg. Wageningen (toen nog geen FC) won, zoals Wageningen thuis vaak won van kampioenskandidaten. De bloemen konden worden weggegooid. Charley van de Weerd scoorde. Zoals altijd. Natuurlijk een linksbinnen, want alleen linksbinnens konden voetballen. Hij passeerde twee, drie spelers op de vierkante meter. En hij kon schieten. Met rechts en met links. En altijd nummer 10, in rode cijfers op het groen wit gestreepte shirt.

Wageningen won in het seizoen 1952/’53 op de Berg met 4-1 van Ajax. Ze praten er nog over. Maar in Amsterdam wonnen ze ook, met 2-1. “Scoorde ik ze allebei”, zegt Charley met Wageningse tongval, die ik als jongen van de streek goed ken. Hoeveel hij er in die legendarische wedstrijd maakte, is hij vergeten. “Een stuk of drie, denk ik. Want ik scoorde altijd. En veul.” Er waren wel 12.000 man tegen Ajax, mensen langs de kant op platte wagens en kisten. Het stond zwart van de mensen.

Hij kent ze nog, de Ajacieden. Dräger, Van Dijk, Boskamp, Van der Wel, Van Mourik, Leeser, Visser op het doel, Stoffelen, Van der Hoeven en Rinus Michels. Vond hij niks aan, als voetballer, die Michels. “Maar ja, hij liep in een gesmeerd elftal. Als je daarin speelde, hoefde ze je maar in te tikken. Hij was goed met de kop. Verder niks. Als hij bij Wageningen had gespeeld, had je nooit van hem gehoord.”

De wind ruist door de bomen rondom het rustieke stadionnetje. Het hek is dicht, voorgoed gesloten. Het huis naast het veld biedt geen uitkomst. Niemand thuis, geen sleutel. Hier woonde zijn opoe, merkt hij op. Ging hij als jochie van acht ’s zondags naar toe. Dan voetbalde hij er op het veldje naast het grote veld. Later het trainingsveld, waar Epi Drost als “jochie van 15 jaar op zijn gewone schoenen mee mocht doen en de spelers van Wageningen dol draaide”. Zo vertelt Charley met een gulle lach.

Van de Weerd heeft een tasje met knipsels meegenomen en vertelt. Over de beslissingswedstrijd die Wageningen in 1951 in de Rotterdamse Kuip tegen DWS moest spelen om het Nederlandse kampioenschap. Ze verloren met 1-0, door een “heel lullig rot goaltje”. Ze waren veel beter. Het publiek was op hun hand. Hij had de keeper nog bewusteloos geschoten met een van zijn befaamde kanonskogels. Een landskampioenschap van Wageningen, dat ontbreekt er eigenlijk aan. Hij heeft alleen de KNVB-beker gewonnen, twee keer.

Welk voetbalveld ligt er mooier dan de Wageningse Berg? Hoog tussen de bomen. Beneden stroomt de Rijn. Hij wijst op de watertoren, als een baken van verzet bij de entree van de Berg.

De herinnering aan 16 januari 1944 dringt zich bij hem op, twee dagen voor zijn 22ste verjaardag. “We speelden tegen Go Ahead. Ineens stonden er allemaal Duitsers om het veld. Ik zag het wel. Al die mensen die naar de uitgang liepen, onder het voetballen. Ze werden allemaal gecontroleerd op een Ausweis. En ik was de enige onderduiker op het veld. In de rust kwam mijn moeder de kleedkamer binnen. Die zegt tegen Van Tuil, de voorzitter, of ik niet met een blessure kon uitvallen, met de ziekenwagen weg kon. Nee, daar had hij wel iets anders voor.”

Na de wedstrijd werd hij verstopt onder een toonbank waar ze limonade en bier verkochten. Planken ervoor. En wachten. “Ik hoorde ze komen, bons, bons met die laarzen. Uiteindelijk vonden ze me toch. Ik werd het veld opgesleept, tussen de andere mensen gezet en overgebracht naar de Gestapo in Arnhem.”

In nog hetere tijden van de oorlog sliep hij op de Berg. Dan bivakkeerde hij onder een dekentje op de tribune. Of dook hij onder op een zoldertje boven de kleedkamer. Zodra er in de stad het gerucht ging dat een razzia dreigde, verdween hij naar de Berg. Zijn Berg, waar hij zich veilig voelde tussen de lucht van leer en touwen netten.

Na de evacuatie van Wageningen werd het stadion totaal ontredderd teruggevonden. Alles was verdwenen en in het veld werden loopgraven en schuttersputten aangetroffen. Maar het voetballeven ging door. En beter dan ooit. In 1948 won Wageningen de KNVB-beker voor de tweede keer. De glansperiode van Charley van de Weerd was aangebroken.

Van de Weerd werd uitgenodigd voor de selectie van het Nederlands elftal. Twee jaar lang ging hij elke dinsdag naar Amsterdam naar de centrale training. Onder leiding van Jaap van der Leck. Hij trainde met Lenstra, Terlouw, Biesbrouck, Schaap, maar hij speelde nooit in het Nederlands elftal. Toen hij de kans kreeg, werd Kuneman van HBS opgesteld. “Die kon er niks van, maar ja hij was van HBS uit Den Haag, hij lulde zich er wel in. En ik kwam uit de provincie. Zo gaat dat.”

Hij hield er in elk geval een speldje aan over. Een leeuwtje met een roodwitblauw vlaggetje eronder en de letters NED. ELFTAL TR., TR van training. Hij speelde vijf keer in het voorlopig Nederlands elftal, twee keer in het B-elftal, vier keer in de Zwaluwen. Hij werd regelmatig gekozen tot beste speler van Oost-Nederland. Soms komt hij ze nog tegen, de grote jongens van vroeger. Aardige jongens, zoals Guus Dräger van Ajax. En Abe Lenstra, een hele luie. Maar aardig. Later kwam Abe nog bij hem in de sportzaak om zijn schoenenmerk van Quick te verkopen.

En Cor van der Hart. “Dat was een vreemde. Die zag me niet staan. Ik heb hem eens bij Fortuna’54 driemaal gepasseerd én gescoord. Vond-ie niet leuk.” Maar verder was ’t wel een goede voetballer. En Frans de Munck, de legendarische doelman, was ook een hele goeie: “Wel een ijdeltuit. Later verfde hij zijn haar.”

West Ham United benaderde hem voor een profcontract. Van de Weerd wilde niet uit Wageningen weg. Hij kreeg bezoek van een man uit Italië. “Hij sprak Hollands, maar hij had een speldje van Inter op. Dat had ik wel gezien. Hij zei dat ze me al twee seizoenen observeerden. Ze zochten zo’n soort voetballer. Een die het spel maakt en veel scoorde. Maar ik durfde niet. Helemaal met de trein naar Milaan. Jong, daar kon ik toch niet aan beginnen. En in Italië, daar gooiden ze je op het veld met flessen dood.”

Het beroepsvoetbal deed zijn intrede in Nederland. Van de Weerd ging voor De Graafschap spelen. Voor een tientje of vijf per wedstrijd. “En dat was wat in die tijd. Ik werkte in een garage voor 38,50 (guldens) per week. Kun je nagaan. Ik kon een nieuwe haard kopen.”

Na twee jaar ging hij terug naar Wageningen. Omdat hij er een sportzaak kon overnemen, een winkel die nog altijd bestaat, aan het Salverdaplein. Bij De Graafschap geloofden ze niet dat hij dáárom terugging. “Ik heb de hoofdinspecteur van politie in Wageningen nog gevraagd dat in Doetinchem uit te leggen.” Hij kon er echt niet blijven voetballen. Stel je voor, in die tijd. Niemand uit Wageningen zou bij hem voetbalspullen kopen, omdat hij in Doetinchem speelde. Hij zou een verrader zijn, “een vuile overloper”.

Hij speelde zijn eerste wedstrijd in het eerste toen hij 17 jaar was. Als linksbuiten scoorde hij bij zijn debuut tegen Tubantia driemaal. Want hij scoorde altijd. Ruim 22 jaar later nam hij afscheid, op zijn veertigste. Hij had eerder willen stoppen. “Maar ze zeiden nog niet zonder mij te kunnen.”

Waarom de kampioenen uit het westen met knikkende knieën naar de Berg kwamen? Ze stroopten hun mouwen op: Henk Looijs, Wim Vermeer, Wim Zeller, Job Jansen, Reijer Jansen, Joop Gieltjes, Hennie van der Heijden, André Leander, Frans Beijer, Selis Drost (de vader van Epi), Wim ‘de Kont’ Bleijenberg, die later naar Ajax ging. Van de Weerd niet, hij was geen werker. Hij hield van mooi voetbal. Maar hij scoorde wél. Altijd. Hoeveel weet hij niet. “Honderden. Tegenwoordig heb je van die slimmeriken die het bijhouden.” Een ‘slimmerik’ van toen telde 281 doelpunten in officiële wedstrijden in het eerste van Wageningen en 19 in vertegenwoordigende elftallen.

De Wageningse Berg, de zelfingenomen heren van de KNVB en die lui uit het westen met hun grote mond over patserige stadions in Amsterdam en omstreken, talen niet naar traditie. Eigenbelang. Charley van de Weerd zegt er niet wakker van te liggen. Maar wanneer ik hem vraag afscheid te nemen van de Berg, draait hij zich om en wijst naar het veld. Dat liep vroeger af. Dat wisten ze als ze moesten tossen. Dat veld was zanderig. De wedstrijd werd daarom nooit afgelast. Dat was vaak een voordeel. Dat maakte de Berg onoverwinnelijk.

Hij ging nog vaak kijken als FC Wageningen speelde. Hij had een hoofdtribunekaart. Hij wijst naar het businesshome. “Al goud wat er blinkt, het plafond is van koper.” Hij ziet de reclameborden rondom het veld. Sponsors genoeg. “Maar een seizoenkaart voor oud-spelers als Henk Looijs, Wim Vermeer of voor mij kon er nooit af. Ik geloof dat het bestuur Charley van de Weerd niet eens kende.”

Hij droomt verder. Wat komt er voor in de plaats? Huizen? Of gaan ze er popfestivals houden? Het veld is groen, het gras ligt er goed bij, het is net gemaaid. Maar de Wageningse Berg zal leeg blijven. Er zal nooit meer een Charley van de Weerd zijn.

%d bloggers liken dit: