Archief | Wielrennen RSS feed for this section

De hoofdprijs die eigenlijk niet voor mij bedoeld was

19 mrt
Claude Brasseur

Prognostieken heb ik geleerd te waarderen in de Tour de France van 1979, mijn eerste volledige Tour na een driedaagse in 1978 als leerschool. Er werd van mij als volger/journalist verwacht dat ik elke morgen een geel briefje invulde met daarop mijn voorspelling van de eerste vijf renners van de dagetappe. Dat briefje kon ik bemachtigen door ‘Piet Pernod’, een man met een pet en een sierlijke snor, aan te klampen dan wel een van zijn assistenten. Hoe Piet Pernod echt heette ben ik nooit te weten gekomen, gewoon een rijzige man die van de Tour-directie namens sponsor Pernod Ricard en Longines de pronostique mocht verzorgen.

De eerste keer dat ik meedeed, was het meteen raak. Ik had de uitslag (de eerste vijf) als enige bijna goed voorspeld (Gerrie Knetemann won de proloog in Fleurance, vóór de Noor Knut Knudsen) en mij viel aldus de eerste prijs ten deel. Een beroemde Franse (film)acteur, Claude Brasseur, overhandigde mij een fles Pernod en nog iets onbestemds. Dat was een paar dagen later in het casino van Pau. Zeker een reden voor mij om elke ochtend vóór het begin van de etappe een geel briefje bij Piet Pernod te halen en dat in te vullen.

Omdat ik zowat elke dag de uitslag bijna goed voorspelde bleef ik hoog ik het algemeen klassement staan, naast coryfeeën op dat gebied en oude getrouwe deelnemers én winnaars als Pierre Chany (eminent auteur voor organisatiekrant l’Equipe), Roger Bastide (van mede-organisator Le Parisien), Serge Lang (prominente verslaggever voor allerhande Zwitserse kranten), Walter Grimm (ook een Zwitser), Robert Janssens (Belgische verslaggever voor Het Laatste Nieuws), Jean Nelissen (Nederlandse verslaggever), Rino Negri en Dante Ronchi (Italianen), vooral bestuursleden van de internationale associatie van wielerjournalisten (AIJC) en andere oud-gedienden. Maar ook jonge, vooral Franse, verslaggevers. Kortom, als debutant wist ik gelijke tred te houden met gerenommeerde kenners en winnaars van de Pronostique Pernod/Longines. En dat klassement stond elke dag in een van de Franse organisatie-kranten. Hoe trots kon je je voelen!

Waar andere voorspellers al snel ten einde raad hun toevlucht zochten in dagprijzen, voelde ik langzaam aan dat ik winnaar van het klassement kon worden. Ik won tussendoor ook nog weleens een dagprijs, een vaantje of nota bene een fles Pernod dan wel een stevige handdruk van Piet Pernod.

Ik bleef boven in het klassement staan en dreigde in Parijs op het podium te komen, én met foto in een van de organiserende kranten, l’Equipe en Le Parisien.

Serge Lang

In Dijon, na een tijdrit op de voorlaatste dag, werd ik echt nerveus. Nederlandse collega’s verhoogden de druk op mij en meenden dat ik zowaar kansrijk was tegen de anciens die jaar in jaar uit de hoofdprijzen mochten verdelen. Ik holde op die late zaterdagmiddag, na de tijdrit, vanuit mijn persruimte (een pit op het autocircuit) en ging op zoek naar Piet Pernod. Onderweg liep ik de boomlange, forse gestalte van Serge Lang tegen het lijf en schreeuwde hem toe, wijzend naar het gele briefje in zijn hand: ‘Hé wat is dat, nu pas inleveren, de tijdrit is al afgelopen, te laat? Zo doe jij dat dus. Vuilspeler (in mijn beste Frans)’.

Lang reageerde verbouwereerd. Hij stond tweede achter mij (ik was de klassementsleider) en liet me spontaan zijn gele briefje zien. Het was zowaar het briefje met de voorspelling voor de laatste rit, met finish op de Champs Elysées. In een oogwenk zag ik zijn uitslag. Hij voorspelde dat zijn landgenoot en sprinter Gilbert Glaus zou winnen. Ik noteerde dezelfde uitslag als Lang. Dan kon hij tenminste niet beter scoren, dus van mij winnen. Ik leverde mijn briefje in, wetende dat ik dezelfde uitslag als Lang voorspelde. Geen vuiltje aan de lucht, toch?

Bernard Hinault won de etappe, omdat hij medevluchter Joop Zoetemelk in een sprint á deux versloeg – het circus was compleet. Op grote afstand won Didi Thurau de sprint van het peloton. Glaus en de andere door Lang en mij voorspelde sprinters waren nergens te bekennen. Kortom, ik werd dus ‘gewoon’ winnaar van het klassement Pernod/Longines.

Onder aanvoering van mijn beste supporters Jean Nelissen (sigaar in zijn mond) en een andere Nederlandse collega liepen wij naar Piet Pernod om mijn hoofdprijs af te halen. Piet schudde zijn hoofd en zei dat er eerst nog zorgvuldig moest worden gerekend en dat hij rekening moest houden met eventuele protesten, van wie dan ook.

Een paar uur na de finish kwam Piet de perszaal (een tent op de Champs Elysées) binnen. De enige journalisten die er nog zaten waren Nederlanders en een enkele buitenlander die wel wat anders te doen had dan naar Piet Pernod te luisteren

Maar goed. Piet maakte bekend dat ik (monsieur Guus van Holland) in het algemeen klassement als eerste was geëindigd. En monsieur Serge Lang als tweede. Onder luid applaus van het vijftal nog aanwezige Nederlandse journalisten overhandigde Piet mij de hoofdprijzen: een fles Pernod, een ‘gouden’ horloge van Longines en vier Louis d’Ors. Ik hield de prijzen omhoog en dat werd met een bijzondere ‘bravóó’ van onder meer Jean Nelissen en Mart Smeets begroet. “Wij Nederlanders’ hadden gewonnen van de Franse anciens.

Ik droeg het (dure) horloge met trots. Na enige maanden stond hij stil. Nieuwe batterijtjes kregen geen plaats omdat het horloge niet meer was open te krijgen. Ik heb hem nog wel, evenals de gouden munten die volgens een verzamelaar in totaal nog geen honderd euro waard zijn. De fles is ooit leeggedronken. We hebben toen een toost uitgebracht op Piet Pernod en de Tour de France die ik nog vijftien keer zou volgen zonder dat begeerlijke gele briefje.

Frank Vandenbroucke: Een wielerfenomeen zonder thuis

7 aug

Enkele uren nadat bekend was geworden dat Frank Vandenbroucke was overleden, schreef ik op 13 oktober 2009 dit artikel in NRC Handelsblad. Binnenkort wordt een film in de Nederlandse bioscopen vertoond, gemaakt door Koen Mortier, Engel (Un Ange), waarvan het verhaal veel gelijkenis vertoont met de ondergang van VDB. De film is gebaseerd op het boek ‘Monoloog van iemand die het gewoon werd tegen zichzelf te praten’ van Dimitri Verhulst.

Vandenbroucke

Alle Belgen konden van hem houden, als van een god. Frank Vandenbroucke heeft ervan genoten, zijn leven lang. Maar hij heeft er ook onder geleden. Hij was niet zomaar een sportman, niet zomaar een wielrenner, niet zomaar een mens. Wat was hij dan wel? Eén ding wist hij zeker: „Ik ben God niet.”

Gisteravond bereikte de onheilstijding België: Frank Vandenbroucke was na een samenzijn met een prostituee dood aangetroffen in een hotelkamer in Senegal. Hij zou zijn overleden aan de gevolgen van een longembolie. Zijn moeder nam de telefoon op, zag dat het haar zoon was, maar kreeg een andere renner in Senegal aan de lijn. „Het is waar”, verklaarde ze later, „we zijn onze Frank voorgoed kwijt.”

Het noodlot dat de 34-jarige Belg bijna zijn hele leven heeft achtervolgd, had nu echt en genadeloos toegeslagen. Een sporttalent dat het met wielrennen doorbloede België voortdurend in verwarring bracht, was dood. Hij werd zoals zoveel talentvolle wielrenners vereenzelvigd met Eddy Merckx, de almachtige die in de jaren zestig en zeventig alle wielerkoersen ter wereld won.

Vandenbroucke, geboren in het Waalse Moeskroen, had niet het talent van Merckx. Niemand zal ooit het talent van Merckx evenaren. Dat is het noodlot van alle talentvolle Belgische renners.

Maar zoals Vandenbroucke in het jaar 1999 reed, dat deed denken aan Merckx. Sterker: hij reed mooier, hij was eleganter, hij was één met zijn fiets. Hij glom van onoverwinnelijkheid. Bij de start van Luik-Bastenaken-Luik liet hij trots zijn fiets zien, het nieuwste model, met gouden spaken. Hij had zijn haren gebleekt en zijn gezicht ingesmeerd met ‘bruin-zonder-zon’.

Zo laat een sportman die gaat winnen zich zien. Niemand zou hem die dag verslaan. Hij trok op La Redoute ten aanval, op de plaats die hij had voorspeld, schudde zijn concurrent Bartoli van zich af en won.

Frank

Er waren van die dagen dat Vandenbroucke over uitzonderlijke gaven kon beschikken. In de etappe van de Ronde van Spanje naar Avila, de vestingstad boven op een berg, gleed hij op een enorm verzet weg van het peloton en won, zoals alleen Vandenbroucke kon winnen. De avond ervoor was hij nog even naar zijn nieuwe vriendin gegaan om de liefde te bedrijven. Dat kon.

In dat ‘wonderjaar’ had hij wereldkampioen moeten worden. Maar hij werd het niet, hij brak zijn pols. Hij had ook slechte dagen – veel zelfs.

Hij nam doping – veel zelfs – maar werd nooit betrapt. Hij gebruikte cocaïne, amfetamines, alcohol, vreemdsoortige kruiden – vaak zelfs – om zich te ontdoen van de pijn van het dagelijks leven en liet zich adviseren door een dubieuze paardendokter. Hij nam antidepressiva om zijn extreme gevoelens af te vlakken. Hij ondernam twee zelfmoordpogingen, werd tweemaal opgenomen in een psychiatrische kliniek. Hij bedreigde z’n tweede vrouw met de dood. Plotseling kon hij van een engel in een duivel veranderen.

Ik-ben-God-niet

In zijn lijf school oerkracht, in zijn hoofd huisde de duivel. Een jaar geleden, kort na het verschijnen van zijn autobiografie ‘Ik ben God niet’, toonde hij zich zeer openhartig in een interview in het Centrum van de Ronde van Vlaanderen in Oudenaarde met oud-wielerjournalist en directeur van het Centrum, Rik van Walleghem. Hij straalde weer, hij glimlachte lief en vredig, hij zou terugkeren op de fiets en weer zoals vroeger winnen. In de zaal geloofden de toehoorders hem op zijn woord. De engel Vandenbroucke was weer bezig harten te veroveren, ook mijn hart.

Waar ging het dan mis? Vandenbroucke praatte zacht. Toen hij vier jaar was ging het mis, zei hij. Hij werd door een auto aangereden: dijbeenbreuk, drie maanden ziekenhuis. Nooit meer zou hij van die pijn worden verlost. Maar hij won wel, want hij wilde altijd winnen. „Ik had als junior alles gewonnen. De mensen zetten een kroontje op mijn hoofd en knielden voor mij. En ik zat daar op mijn wolk. Alle deuren gingen voor mij open. Ik kan het de mensen van de pers en de fans niet kwalijk nemen. Ik was niet opgevoed om dat te hanteren. Wie wel? Ik ben een emotioneel mens. Ik voel alles intens. En ik was óók geweldig.”

Hij had eens in Italië op het vliegveld gestaan en niet geweten waar hij heen moest. Hij was weliswaar een geweldige wielrenner, maar hij had geen thuis. Hij probeerde er een einde aan te maken. Waarom? „Waarom? Dat doe je gewoon en dan ben je dood of niet. Ik ben vaak depressief geweest, net als mijn vader. Dagen kan ik niks, en dan kan ik weer alles, dan wil ik alles, dan versla ik ook iedereen.’’

Verward als hij was kon hij zich in de laatste jaren in geen enkele ploeg handhaven. Dan was er een mysterieuze blessure of ziekte, dan was hij onvindbaar – zelfs voor zijn tweede vrouw Sarah.

De wielerbestuurders waren hem liever kwijt. Voor een renner met een schadelijk imago is geen plaats.

‘VDB’ trainde weer als bezeten, reed op de modernste fiets en liet zich in amateurkoersen natuurlijk van zijn mooiste kant zien. Volgend seizoen zou hij weer zijn uitzonderlijke klasse tonen. Hij zou zeker weer stralen.

Dat werd hem door alle Belgen gegund.

 

 

Hier liggen de wortels van boerenzoon Hennie Kuiper

1 okt


Het stinkt, zouden stedelingen mogelijk zeggen. Ja, het ruikt hier naar koeien, veevoer, stront, boeren, naar alles wat je in de stad niet ruikt. Ik vind het heerlijk. Niet alleen omdat het aan mijn jeugd bij vriendjes op de boerderij doet denken, maar ook omdat het voor mij pure en gezonde lucht is.

Het is de lucht van Hennie Kuiper, de boerenzoon die hier in Noord-Deurningen opgroeide, en van hieruit op zijn fiets stapte en zich daarop uitleefde totdat hij tussen 1973 en 1988 een wereldberoemde wielrenner werd die zowat alle klassiekers won, olympisch- en wereldkampioen werd en tweemaal tweede in het eindklassement van de Tour de France.

Het is hier, op Erve Kuiper, waar de blosjes op de wangen van Hennie tot volle glorie kwamen, hij een haatliefde-verhouding met modder, storm, wind, regen, zonnebrand en andere ontberingen kreeg en zijn vaak bewonderde strijdlust ontwikkelde.


Hier in het museum word ik teruggeworpen naar mijn belevenissen als wielerverslaggever met deze te allen tijde toegankelijke sportman. Mogelijk voelde ik mij aangetrokken tot mensen uit deze regio, mensen en sportlieden, zoals wielrenners die strijd tot het uiterste bedreven en daar geen verklaring voor hadden: het is zoals het is, ik ben zoals ik ben, normaal, niks bijzonders.

Terwijl ik de lucht van koeien, stront, veevoer of ingekuild gras inadem, herbeleef ik in een stoel tegenover een beeldscherm de overwinningen en krachtige inspanningen van Hennie Kuiper. Ik was bijna vergeten dat hij zo verschrikkelijk hard kon fietsen, alles deed om te winnen en dan ook won. Ik zag de grote renners van weleer spartelen en zweten met Kuiper aan hun wiel. En dan die vreugde-uitbarstingen als hij als eerste (meestal na een indrukwekkende solo) over de eindstreep kwam.

In de onvolprezen biografie ‘Hennie Kuiper Kampioen Wilskracht’ (van de hand van Joop Holthausen, Jacob Bergsma en Björn Kuiper) is veel te lezen en te bekijken. Maar hier, op Hennie Kuiper Native, komt het allemaal weer echt tot leven. Niet alleen de foto’s, de knipsels en knipselboeken en andere relikwieën, maar ook zijn trainingsrondjes zijn hier te zien. Ik werd er stil van, trilde weer van emotie en beleefde – even – met zijn oude vriend en dorps- en streekgenoot oud-wielrenner Herman Snoeijink de tijd waarin Hennie Kuiper de wereld veroverde.

Ik maakte geen aantekeningen, waaruit ik later thuis zou kunnen putten om mijn verhaal over het bezoek aan Erve Kuiper te kunnen schrijven. Ik beleefde het moment. Toch: was Hennie er maar bij geweest. Een beetje hakkelend, een beetje blozend, een beetje glunderend, een beetje verontschuldigend maar toch wel een beetje trots vertellend over toen en waarom zó en waarom niet zó. Ik dacht dat ik hem niet nodig had, toen mij de aanwezigheid van Kuiper werd aangeboden. Nee, laat maar, ik weet het wel. Maar toch, er had een extra dimensie aan toe gevoegd kunnen worden. Deze kampioen van de wilskracht in hoogst eigen persoon naast alle foto’s, knipsels, borden, boeken en prijzen.


Buiten speelden kinderen, zoals Hennie er waarschijnlijk ook had gespeeld voordat hij er met de fiets op uittrok. De boerenlucht prikkelde mijn neus. Het zou wat voor de stedelingen zijn hier eens naartoe te gaan en te leren hoe het er op een boerderij aan toe gaat, waarom en hoe boeren werken, waarom het er zo ‘stinkt’, hoe Hennie Kuiper is opgegroeid en waarom hij zo goed is geworden en eenvoudig is gebleven. Zoals het een boerenzoon betaamt.

Dit stukje is (samen met observaties van Herman Snoeijink en Theo de Rooij) gepubliceerd in het herfstnummer van Zilver Magazine, het blad voor de Twentse 65-plusser.
Zie ook http://www.ervekuiper.nl

Oud-wielrenner Leo Peelen: Kijk dan papa, wat ik nog kan!

21 apr

Bijna dertig jaar geleden, in september 1988, veroverde hij op de Olympische Spelen als baanwielrenner op het onderdeel puntenkoers een zilveren medaille. Een glorieuze loopbaan lag voor de 20-jarige sportman in het verschiet. Het liep anders. Vijf jaar later stopte hij ermee. Succes en roem konden hem gestolen worden. Het was niet zijn keuze geweest: zo hard mogelijk te fietsen om sneller te zijn dan anderen.

Een paar weken geleden, op vrijdag 24 maart 2017, overleed Leo Peelen. Hij was pas 48 jaar. Na een fietsclinic op de wielerbaan van Apeldoorn, waar hij jongeren op de fiets leerde racen, werd hij onwel. Hevig zwetend strompelde hij de baan af, nam in het sportcafe een drankje en zocht vervolgens naar het toilet.

Pas uren later misten ze hem. Zijn auto stond op het verder verlaten parkeerterrein. Op het afgesloten toilet vonden ze hem: dood. Vier jaar had de in gewicht toegenomen sportman van weleer niet op een wielerbaan gefietst, zo lachte hij nog kort voor zijn dood. Hij besloot weer eens lekker voluit te gaan, één rondje maar, 250 meter.

Mogelijk werd de overmoedige explosie van de kampioen van weleer hem fataal.

Een vriendelijke reus. Ontspannen, altijd anderen bemoedigend toesprekend. Een lieve man die al op jonge leeftijd meende dat hij wist hij wilde, hard fietsen. Maar nauwelijks was hij zijn adolescentie ontgroeid of hij wilde niet meer harder dan anderen fietsen. Al snel besefte hij dat het succes waar anderen hem om bewonderden, niet zijn succes was.

Een jaar na de olympische glorie, een tweede plaats die aanvoelde als een triomf, werd hij derde op de wereldkampioenschappen in Lyon. Maar ergens in zijn hoofd had Leo al een stemmetje gehoord dat hij er niet voluit voor was gegaan. ,,Alsof ik onbewust een excuus inbouwde voor als ik niet zou winnen.’’

In psychologische termen kan dit fenomeen self-handicapping worden genoemd. Uit een gevoel van faalangst excuses inbouwen om achteraf te kunnen verklaren waarom je hebt verloren. Of dat het geval was bij Peelen, wist hij toen nog niet. Een vorm van afweer was het zeker. ,,Mijn lijf en geest protesteerden. Onbewust deed ik een test: kijken hoe mensen reageren als ik niet win. Ik had iets bereikt, zilver in Seoul, en dat had me niet gegeven waar ik van droomde. Ik ben gestopt. Ik voelde dat topsport – een medaille, een plaats bij de wereldtop – mij niet zou geven waar ik als jongetje naar had verlangd.’’

Verlangen. Het begrip is gevallen. Dat was ook voor mij de reden geweest voor een gesprek met Leo Peelen, ruim twee jaar geleden. In een kort interview op de radio had hij iets van zijn proces verteld. Mijn vrouw en muze Maddy hoorde het aan en meende iets te herkennen in wat mij al jaren dwarszat, resulterend in een paar burn-outs, uiteindelijk zelfs in een vervroegd pensioen.

Wie wilde zo graag dat ik succesvol was? Ikzelf? Wie dan wel? Was het mijn vader? Ben ik wel mijn eigen weg gegaan?

Het gesprek schiep verwarring. Ik kon het niet opbrengen Leo’s verhaal op te schrijven. Te confronterend. Dit zou dus ook mijn verhaal kunnen zijn.

Leo Peelen (links) op het erepodium

Leo vertelde me dat hij na zijn sportsuccessen op een dwaalspoor was beland. Tastend naar het onbestemde. Zeg maar: het zwarte gat. Waarom had hij zo hard moeten fietsen, harder dan anderen? Wat wilde hij daarmee bereiken? Ineens voelde hij dat de waardering voor hem als méns niet gold. Geen succesvol wielrenner, dan ook geen goed mens. Geen succes, geen aandacht, dan ook geen bestaansrecht. Twee (!) huwelijken, met twee kinderen, hielden het niet uit. Wat was er met hem gebeurd? Na een zoektocht van jaren legde een jonge vrouw (Froukje), met wie hij zijn leed en verwarring durfde te delen, een boek op tafel: ‘De herontdekking van het ware zelf’ van Ingeborg Bosch, een psychotherapeute die een methode (Past Reality Integration) had ontwikkeld die je terugvoert naar je jeugd, naar de manier waarop je ouders je hebben geconditioneerd.

Het was voor Leo een openbaring, die hij nu iedereen (vooral verwarde topsporters die tijdens en na hun loopbaan de oorzaak van hun opgedrongen drijfveer durven ontdekken) toewenste. Hij voelde in therapiesessies de pijn van vroeger. Zijn vader, een fanatiek wielrenner, ging altijd fietsen met zijn broer.

Hij kreeg wél aandacht, Leo niet.

Toen bedacht Leo: als ik nou ga fietsen, geeft mijn vader mij (ook) aandacht. En als ik heel hard fiets, krijg ik de meeste aandacht. ,,Ik deed het gewoon om gezien te worden door mijn vader. Mijn vader moest me zien. Alles heb ik gedaan om gezien te worden door de mensen die mij dierbaar zijn. Doen we dat niet allemaal? Gezien worden door mensen die symbool staan voor je ouders? En wat als je ouders er niet meer zijn. Of als mensen je niet meer zien staan. Dan voel je je in de steek gelaten. Dan moet je het zelf doen, zonder de symbolische ouders. Eenzaam en alleen voel je je dan. Sterker: je zoekt naar ouders die er niet zijn. Je denkt volwassen te zijn. Maar je moet het zelf doen. En dat kun je niet. Dan val je om. Wat nu?’’

leo

Leo Peelen recent

Het volgende gesprek, een jaar later kort na de Olympische Spelen van 2016, verliep voor mij beter. Met zijn vriendin Froukje zaten we urenlang op een Arnhems terras. Na een jaar PRI-therapie was mij veel duidelijk geworden, zeker ook over mijn eigen proces. Ik had mij intussen ook laten voeden door reacties van de winnaars en verliezers – vooral op de Olympische Spelen. Bijna vanzelfsprekend kwam het proces van turner Yuri van Gelder aan de orde – en niet in de laatste plaats zijn verbanning uit de olympische ploeg. Wat dreef hem al vanaf zijn jongste jeugd om groot en sterk te worden? Een olympische medaille te veroveren als grootste trofee. Wie waren zijn ouders? Wat wilde hij (tegenover hen) bewijzen? Uit wat voor milieu komt hij? Wil hij aantonen dat hij meer is dan de ‘minderwaardige’ en vooral kleine jongen?

We kwamen er niet uit omdat we Yuri en zijn achtergrond te weinig kenden én hem niet bij voorbaat wilden veroordelen. ,,Hopelijk krijgt die jongen de juiste begeleiding om ervan te doordrongen te worden waarom hij zo is geworden en waarom hij buitensporig gedrag is gaan vertonen. Verslavingsgedrag, verslaafd aan aandacht en euforie? Ik heb wel een vermoeden en zou hem daarom mogelijk kunnen helpen met mijn PRI-therapie-ervaring. Maar dat is vooralsnog niet aan mij’’, zei Peelen in augustus vorig jaar.

Leo Peelen werd ook geraakt door een uitlating van zwemster Ranomi Kromowidjojo: ‘Ik hoop dat mijn ouders nog één keer trots op mij kunnen zijn.’ Voor wie heeft ze al die jaren gezommen? Voor zichzelf of voor haar ouders die haar altijd gesteund hebben, sterker misschien: aangemoedigd? En dan verliest ze, althans ze wint niet. ,,Stelt ze dan haar ouders teleur of zichzelf? Hoe gaan haar ouders daar mee om? Dat is mijn vraag. Vanzelfsprekend zullen ze haar niets verwijten. Maar misschien voelt ze haar nederlaag wel als een schuld. Ik heb het voor mijn ouders gedaan. Heb ik het wel voor mezelf gedaan? Dat zijn grote vragen.’’

Dat gevoel van verplichting om je ouders te plezieren, kan verregaande gevolgen hebben. In het Amerikaanse tijdschrift Sports Illustrated werd al in 2003 in een artikel (Prisoners of depression) gewag gemaakt van winnaars die na hun triomf in een diepe depressie raakten, tot aan zelfmoord toe. Winnaars die op het erepodium geen emotie vertoonden, bevroren, niet beseffend waarom ze daar stonden. Mogelijk omdat hun ouders (soms onbewust) die prestatie hadden geëist. Dat bleek, zo vertelt het artikel, uit psychiatrische onderzoeken met betrokken sporters. De jacht op goud kent meer slachtoffers dan bekend wordt, mede uit overwegingen van privacy en medische beroepsgeheim – ook in Nederland.

Andre Agassi

Leo Peelen en ik stuurden elkaar berichtjes wanneer weer een topsporter herkenbaar gedrag vertoonde. We kwamen op oud-tenniskampioen Andre Agassi die in 2009 in zijn autobiografie Open schreef dat hij tennis haatte al vanaf hij op zijn derde jaar door zijn vader de tennisbaan werd opgestuurd. Al vóór zijn geboorte stond voor zijn vader vast dat Andre de beste van de wereld zou worden. Na 22 jaar en 22 miljoen slagen met zijn racket kreeg zijn vader gelijk. Agassi had Wimbledon gewonnen. Maar hijzelf wist zich geen raad met zijn gevoelens. Hij had nooit de kans gekregen zijn eigen levensvervulling te kiezen. Hoewel miljoenen fans hem adoreerden, haatte hij tennis. ‘Ik heb altijd gespeeld om mijn vader te plezieren.’ Andre had vaak willen stoppen, maar durfde dat niet tegen zijn vader te zeggen. ‘Iedereen was thuis blij als ik won, want dan was mijn vader te genieten. Tennis werd mijn vijand.’

Toch kampte Agassi met gevoelens van loyaliteit. ‘De inzet was hoog, omdat mijn vader liet blijken dat ik zijn laatste en beste hoop op succes was. Het leverde plichtsbesef op (…) Het is onredelijk van een kind te verwachten dat hij kan omgaan met zulke complexe emoties.’ Andre had geluk (mede dankzij Steffi Graf, de Duitse tenniskampioene, op wie hij verliefd werd ook omdat zij aanvoelde wat hij doormaakte) dat hij rond zijn 27ste een eigen identiteit ontwikkelde na een diepe identiteitscrisis waarin hij zijn toevlucht vond in harddrugs (onder andere cocaïne).

Golffenomeen Tiger Woods werd door zijn vader Earl The chosen one genoemd. De kleine Eldrick (koosnaam Tiger) moest en zou een kampioen worden, vooral de eerste zwárte golfkampioen. Tiger kreeg op zijn derde een golfclub in zijn handen en sloeg er al gauw – tot grote bewondering van vooral zijn vader – mee als een kampioen. Earl (een oud-vietnamstrijder), de man die zijn zoon van jongs af aan had gemaand te doen wat zijn vader hem adviseerde, overleed in 2006. Tiger was al een beetje in verwarring door zijn roem, scheidde van zijn vrouw, maar stortte na de dood van zijn vader echt ineen. Nog altijd weet hij de weg niet. Hij (nu 41) valt van de ene mentale crisis en lichamelijke blessure in de andere, mogelijk ook omdat hij in zijn poging terug te keren aan de top boven zijn ‘natuurlijke’ krachten gaat.

Bjarne Riis op weg naar de eindzege in de Tour de France van 1996

De Deense winnaar van de Tour de France van 1996, Bjarne Riis, bekende eerst dat hij gedurende zijn wielerloopbaan veel doping had gebruikt, zeker tijdens zijn triomf in 1996, en vervolgens dat hij na zijn bekentenissen (en onthullingen van de renners die hij als ploegleider onder zich had) in een zware depressie was beland. Toen hij in 2007 was afgekickt van zijn hang naar overdrive, overleed zijn vader en kort daarna zijn moeder.  Hij vertelde op de Deense tv-zender DR1: ‘Ik heb een enorme bagage vanaf mijn jeugd meegevoerd. Ik had altijd het gevoel dat ik iets moest bewijzen. Ik moest winnen, ten koste van alles. Daarin ben ik te ver gegaan. Ik ben door een zwaar proces gegaan toen ik weer clean was. Ik voel me nu normaal, volwassen. Zelfstandig. Maar ik voel de drang nog steeds, om paranoia van te worden.’

In de (niet-geautoriseerde) autobiografie Max van de alom bewierookte Nederlandse autocoureur Max Verstappen, stelt de auteur André Hoogeboom: ‘Als het succes van Max Verstappen op enigerlei wijze te herleiden is, dan wel op de invloed van pa Jos.’ Oud-coureur Jan Lammers: ‘Als Jos een groentewinkel had gehad, was Max nu groenteboer geworden.’ Max was 15 toen hij in Italië in kansrijke positie door een ‘kamikazeactie’ een kart in elkaar reed. Met tranen in zijn ogen wachtte hij de reactie van zijn vader af. Die zei dat hij niet met hem wilde praten. ‘Je hebt de race verpest en ik ben er doodziek van.’ Zeven dagen wisselde hij geen woord met zijn puberzoon. Dat mag wreed klinken, veel vaders zouden zich er diep voor schamen, maar precies daar is de basis gelegd voor Maxmania, de kilometerslange Verstappenfiles en in alle media luid bejubelde successen.

Vanuit zijn ervaringen als topsporter met een achtergrond en de herkenning bij bovenstaande voorbeelden, gaf Leo Peelen lezingen en trainingen aan ouders van jonge wielrenners. De Koninklijke Nederlandse Wielren Unie en zijn club RETO uit Arnhem gaven hem daarvoor de gelegenheid, mede omdat hij al acht jaar bekend was met de therapie PRI en daarvoor een opleiding als therapeut volgde. ,,Het gaat bij alles om bewustwording. Als een moeder zegt: ‘Ik heb mijn dochter gezegd dat ze altijd vooraan moet rijden om valpartijen te vermijden’ vraag ik: waarom? Als ze dan valt is het dus de schuld van de moeder. Dus laat haar vallen en zichzelf helpen. Als er dan een vader in de zaal zegt: ‘Dat gelul hoef ik niet te horen’. Dan zeg ik: ‘Ontkenning van behoeften. Je wilt wat van je zoon, vraag jezelf af. Dan zeg ik waarom je dat van je zoon wilt. Projectie, trots, iets wat jezelf niet hebt bereikt. Waarom leg je je kind iets op? Dat kan heel subtiel zijn. Je ziet hem verliezen en laat hem in zijn verdriet. Je ziet hem winnen en dan ga je uit je dak. Dat maakt afhankelijk.’’

Leo Peelen keek graag naar zijn dochter en zoon, die basketbalt. ,,Dan zit ik te kijken en mijn zoon scoort. Mijn buurvrouw op de tribune zegt dan: ‘moet je niet juichen?’ Nee, want ik juich ook als hij niet scoort. Dat klinkt obsessief, maar ik probeer te voelen dat een zoon die scoort niet zaligmakend is, voor hem en voor mij. Ik ben altijd trots op mijn zoon, niet alleen als hij scoort. Dat weet hij intussen.’’

Tijdens zijn lezingen vertelde Peelen zijn verhaal, over de hoop dat hij met zijn prestaties iets (een beloning, iets maatschappelijks, voortdurende waardering) zou krijgen. Over de wil om zichzelf te blijven bewijzen. Nooit zou het genoeg zijn. Nooit zou krijgen wat hij in zijn jeugd heeft gemist, de waardering van zijn vader. Dat wordt in PRI ‘oude pijn’ genoemd, de oude realiteit. Gevoegd bij de angst dat je ‘het’ nooit zult krijgen. Maar als volwassen mens kun je het niet meer voor je vader doen, je doet het voor jezelf. Je kunt het zelf. ,,Weet je dat ik pas 15 jaar na Seoul de zilveren medaille op mijn cv heb durven plaatsen.’’

Hij begreep ouders wel: je hebt alles over voor je kinderen. ,,Maar onbewust kun je ze sturen naar iets wat niet bij hen past.’’ En ook: ,,Een topsporter gelooft niet in therapie, liever niet, want dat zou duiden op ziek zijn. En een topsporter is niet ziek, een topsporter is kerngezond. Dat is het beeld wat in stand wordt gehouden, zeker ook door de sportbestuurders en de overheid. Kijk onze topsporters eens het toonbeeld van volmaaktheid en gezondheid zijn. Daarom moet in de preventieve sfeer iets gebeuren. Lezingen, cursussen en ouderavonden bij de clubs en bonden. En ook op scholen zijn speciale PRI-bijeenkomsten. Wat verwacht u als ouder van uw kinderen? Gunt u ze vrijheid zichzelf te ontwikkelen? Gelukkig zijn er veel kampioenen en medaillewinnaars die plezier beleven aan hun sport en mogelijk daarom zo goed zijn geworden. Maar toch, als straks het plezier ophoudt en de successen uitblijven, wat dan? Wie vangt de gevallen helden dan op?’’

Leo Peelen was een ervaringsdeskundige, een leermeester voor talenten en hun ouders. Voor mij. Nu hij er niet meer is, rijst de vraag wie zijn boodschap overneemt en verder uitdraagt. Dat topsporters, hoe zeer ook aanbeden en bewierookt door hun omgeving en de overweldigende media, beseffen dat ze hun eigen identiteit durven vinden. Zoek naar je ware zelf en laat je niet verblinden door blinkend eremetaal en applaus, dat stilvalt zodra je geen succesvol sportmens meer bent.

Zie ook: Website PRI

Dit artikel is in april 2017 gepubliceerd in Argus, een tweewekelijkse krant geschreven door gepensioneerde journalisten. Lees ook: http://www.argusvrienden.nl/

Het laboratorium van de Tour

29 jun

 

americas-top-cyclist-entering-the-tour-de-france-has-been-using-a-portable-brain-stimulator-to-try-to-gain-an-edge-and-he-says-it-actually-works

De Amerikaan Andrew Talansky traint met zijn Halo Neuroscience koptelefoon

De euforie is gedempt, het feestgedruis verstomd. De Ronde van Italië is al een maand voorbij. Tom Dumoulin is weer even onder de stervelingen, mogelijk – en voor velen hopelijk – op weg naar een nieuwe piekervaring. We kunnen ons als wielerliefhebbers opmaken voor een volgende spannende episode in de wielersport van 2017, de Tour de France. Welk drama wordt ons dit keer voorgeschoteld? Zonder Dumoulin, zonder Nederlandse favorieten.

We kennen ze wel, de favorieten: de Engelsman Chris Froome, de Australiër Richie Porte, de Colombianen Nairo Quintana, Esteban Chaves en Rigoberto Uran, de Italiaan Fabio Áru, de Spanjaard Alberto Contador, de Fransen Romain Bardet en Thibaut Pinot en meer. Maar kennen we hun fysieke en mentale conditie? Van hun talent zijn we doordrongen, maar wat kunnen ze meer dan een ander in de drie belangrijkste wielerweken van het jaar, in de Tour de France? Hoe je het ook wendt of keert het hoogtepunt van het wielerseizoen.

Wat voor krachten hebben ze de afgelopen maanden opgedaan, op verre hoogtestages, in windtunnels en laboratoria? Hebben ze nieuwe trainingsmethoden aangewend, hun voedselpatroon aangepast, hun gewicht bijgesteld, hun spieren versterkt, hun longinhoud vergroot, hun bloed verrijkt, hun fietsen in een nieuwe vorm gegoten, hun kleding beter gestroomlijnd (streepje of bobbeltje meer hier en daar), hun voedingssuppletie veranderd, andere gelletjes gekregen, een nieuw nog niet verboden (of te vinden) pepmiddel in hun lijf.

,,Het is oneerlijk verdeeld in de maatschappij”, verzuchtte Gerrie Knetemann, de wereldkampioen van 1978, eens in een interview terwijl hij naar het nachtkastje keek waar naast filosofisch getint leesvoer ook sprookjesboeken lagen. Hij had die dag de longen uit zijn lijf geperst, zag na de massage nog dikke aderen over zijn benen lopen en herinnerde zich een lotgenoot die vele minuten eerder over de eindstreep was gekomen en er nog fris en vrolijk uitzag. ,,Wat moet ik nou beginnen tegen die anderen die veel sneller een berg oprijden? Ik heb daar de benen niet voor, niet de longen en misschien wel niet het hart. Ieder zijn eigen talent. Ik de mijne. Nou, het is harken, hoor, als je minder talent hebt. Links en rechts een slimmigheidje, een beetje bluffen en je redt het weleens. Maar het is niet eerlijk. Het zou leuker zijn als iedereen gelijk was, gelijke kansen had. Maar ja, zo heeft God het niet gewild en de directeur van de Tour de France zeker niet.”

Topsport is een ongelijke strijd, de ene strijder is beter toegerust, ouder, jonger, wijzer, sterker, genetisch bevoorrecht of beschikt over een grotere ‘motor’ – laat staan een snellere fiets. En toch wordt het aanwenden van medische suppletie verboden genoemd en niet het gebruik van andere middelen zoals beter materiaal (ovale tandwielen), technologie (wattage- en hartslagmeters, gps, transponders), elektronica en mentaal versterkende methoden (een slimmere ploegleider, sportpsychologie, antidepressiva, pijnstillers, opwekkende kruiden/olie, acupunctuur).

Als Max Verstappen in een betere auto (een ander merk) stapt, reageert niemand kritisch. Het volk zal bij winst juichen en hem huldigen als een van de beste Nederlandse sportmannen (atleten) aller tijden.

Als Tom Dumoulin in het heetst van de strijd moet poepen, wordt dat niet alleen onprofessioneel maar zowaar menselijk genoemd. Wanneer een renner tijdens of na de koers moet braken, wordt dat als een gebrek aan goede voeding beschouwd. Wanneer de een de ander kan bijhouden, wordt dat de menselijke maat genoemd. Wie sterker is dan een ander wordt al gauw argwanend gevolgd – zeker als het onverwacht is. Wat heeft die nu weer in zijn lijf gespoten? Zeker als het een buitenlander is. Dat is toch niet ‘normaal’.

Van immer alerte wielerjournalisten wordt verwacht dat ze met een kritische blik vooral de buitenlandse concurrentie volgen. Wat van buiten komt roept argwaan op. Gebruik van verboden middelen en methoden dient aangetoond te worden, is doorgaans de algemene opinie. Wat niet mag, dat mag niet. Het volkstribunaal zal oordelen wat menselijk is en wat niet. De journalist zal er (misschien wel tegen zijn zin) naar moeten luisteren – of weigert en volgt zijn eigen weg.

Nieuwsgierig kijk ik uit naar de komende Tour de France. Laat daar geen misverstand over bestaan. Ik volgde zelf als journalist zestien keer de Tour en heb zowel verwachte als onverwachte ontwikkelingen (rampzalige valpartijen, plotselinge soms onverklaarbare ziektes, dopingdrama’s en even onvoorspelbare als ondoorgrondelijke combines) meegemaakt. Vandaar dat de kans op mijn verbazing klein is. Hoezeer ik ook naar opwinding verlang. Ongelijke strijd wekt mijn nieuwsgierigheid. Je weet nooit wat mensen doen (de mens is even kwetsbaar als veranderlijk, van de ene seconde op de andere), zeker als de klimatologische omstandigheden onvoorzien zijn en de wegen naar de finish bezaaid zijn met onvoorziene steenslag en andere obstakels die niet door de wetenschap berekend kunnen worden.

Hoe zal bijvoorbeeld de Amerikaan Andrew Talansky zich houden in de afmattende wedstrijd van drie weken? De renner van de ploeg Cannondale-Drapac werd al eens tiende en elfde in de Tour de France, vijfde in de Ronde van Spanje en won in 2014 de Dauphiné Libéré. Hij geldt als kandidaat voor een plaats bij de eerste tien. Zeker nu hij zich gesteund weet door een nieuw (niet verboden) middel: een draagbare hersenstimulator. Talansky maakt in navolging van spelers uit het American Football, het Amerikaanse honkbal, Amerikaanse mariniers en enkele Amerikaanse olympiërs, sinds december vorig jaar gebruik van Halo Neuroscience, neurowetenschappelijke technologie. Hij traint via een Halo Sport app op zijn smartphone met een koptelefoon, luistert intussen naar muziek en voelt door lichte sensaties in zijn hoofd dat zijn hersens (elektrische) prikkels naar zijn spieren sturen. Na de sessie gloeit zijn hoofd nog even door. Vaak gebruikt hij ‘het middel’ ongeveer twintig minuten (gemiddeld 3 à 4 keer per week) en traint hij met de nagloeiende effecten een uur door. Volgens Talansky maakt hij inderdaad vorderingen en voelt hij zich sterker geworden. De 28-jarige Amerikaan hoopt dat met name tijdens de komende tijdritten in de Tour aan te tonen.

europlasticity, zo wordt de methode genoemd. De hersenen (de mindset) zijn elastisch en kunnen veranderd worden door oefening. Zo weet ik bijvoorbeeld dankzij mijn eigen ervaringen met allerhande vormen van psychotherapie en ‘alternatieve’ geneeswijzen. Of lees een eerdere bijdrage op mijn weblog:  ‘Muhammad Ali en de kracht van de grote mond’ https://guusvanholland.com/2016/06/10/muhammad-ali-en-de-kracht-van-de-grote-mond/ (de kracht van intentie, noemt wetenschapsjournaliste Lynn McTaggart de in Canada en de Verenigde Staten beproefde methode EMG – electromiografie).

Ook Talansky’s Franse ploeggenoot Pierre Rolland maakt er gebruik van. Of het allemaal tot het gewenste resultaat leidt, is nog maar de vraag. Duidelijk is dat de wetenschap nog veel in petto heeft om topsporters te ondersteunen. Veel van wat al wordt aangewend, is nog geheim – niet alleen van medische stimulantia. Wielrenners (en hun wetenschappelijke begeleiders) zullen niet nalaten zo snel mogelijk te zoeken naar nieuwe wegen om beter te kunnen presteren. Als het niet door middel van een pilletje of een gelletje is, een injectie of een infuus, een hoogtestage of een bloedzak, een electrode hier en een electrode daar, dan wel door nieuw materiaal en nieuwe technologie.

De vraag is wat voor mens straks de Tour de France wint. De wielrenner met aan perfectie grenzende menselijke eigenschappen, de meeste aanleg (een natuurtalent?) of de wielrenner met de meest geavanceerde materialen en technologische hulpmiddelen. De tijden dat wielrenners op pure menselijke kracht (soms versterkt door een hallucinerende pil of toverdrank) onmenselijke verzetten trapten, hun lekke bandjes zelf plakten, defecten aan hun ijzeren fiets zelf repareerden, zelf hun voeding samenstelden, zonder helm reden, een wollen trui droege en als menselijk wrak de eindstreep bereikten, zijn al een eeuwigheid voorbij. Op weg naar oneindige roem, glorie en gele trui is Tourrenners niets te gek. Dromen van een Tourzege stopt nooit.

Dit artikel is gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

De zoektocht van Hein Verbruggen

16 jun

Afgelopen najaar wilde Hein Verbruggen met mij praten. Hij kwam speciaal daarvoor naar de Veluwe waar ik veel in ons vakantiehuisje verblijf. We hebben uren gepraat.

Ik dronk witte wijn, hij Cola Light. We praatten over ons leven, onze jeugd, onze opvoeding, de kerk, ouders, onze relatie, het huwelijk, onze zoons (hij heeft er twee), hoe op te voeden, over macht en het opportunisme van journalisten, hun vooroordelen en aannames, over beeldvorming, over de zin van leven. Over ná het leven.

Hij wilde van mij weten waarom ik zo veel zag in boeddhisme. Daar had hij al veel over gelezen – ook via mijn stukken die ik hem stuurde. Hij sprak over Chinese filosofieën, veel over China, over confucianisme, taoïsme, over filosofische boeken, over Freud, Nietzsche, Martin Luther King, Mandela, Mao, Kissinger, Obama, Chomsky, Machiavelli, Darwin, Plato, Socrates en God, over politiek en de dynamiek tussen mensen. Over De Waarheid….

Over zijn ziekte (ALL-acute lymfatische leukemie) en over kleine kansen. Over mijn psychische problemen en hoe daarmee om te gaan. Over het belang van sport en entertainment, als afleiding van de dagelijkse sleur.

Heel even over hardlopen, wat ik ook veel heb gedaan – Hein liep in 1991 de marathon van New York.

Niet over wielrennen. Nog geen minuut.

We kenden elkaar al veertig jaar. Soms keken wij elkaar die dag zwijgend aan en dan begon hij te lachen, even maar, en zei: ‘Weet je wat het met jou is Guus!?’ (Dat blijft onder ons).

We zouden elkaar snel weer treffen, zo beloofden we. Hij stuurde me kort daarop per e-mail teksten over boeddhisme, soefisme en filosofie. Wat ik ervan vond. Ik kreeg begin januari ook een nieuwjaarswenskaart per email toegestuurd.

Hij moest nog een paar extra chemokuren verwerken, alvorens hij in de zomer een stamceltransplantatie zou ondergaan. Zo liet hij tussentijds weten. Vóór de ‘transplant’ zouden we elkaar in mei/juni weer treffen, waar ook in Nederland. Dat wilde hij per se.

Intussen ging hij hard achteruit. Ruim twee weken geleden (28 mei) stuurde hij mij een kort mailtje: ‘chemokuren zijn niet voldoende om ziekte te onderdrukken voor een (zware) transplantatie, ik ga nu meedoen aan testen (clinic-trials)  in Amsterdam en er dan het beste van hopen, WE houden contact, Hein.’

In de nacht van afgelopen dinsdag op woensdag is hij overleden, zo mailde een collega mij. Hij werd 75 jaar.

Hein Verbruggen was een markant mens met wie ik heel veel heb meegemaakt, gebekvecht en uitgewisseld.

Wanneer stopt bewondering voor Peter Sagan?

3 mrt

Bewondering kan zomaar omslaan in verzadiging. Dan is het arsenaal aan superlatieven leeg en zijn zelfs de kenners niet meer tot een verklaring in staat. Wat nog te zeggen? Wat nog te schrijven na weer een groots vertoon van talent? Waar radio- en televisiecommentatoren zich nog konden uiten in clichématige kreten van verwondering en verbazing, zwegen de schrijvers van de dagbladen daags na de eerste Noord-Europese wielerklassiekers de Omloop Het Nieuwsblad en Brussel-Kuurne opvallend over de krachtexplosies van Peter Sagan.

Wat nu weer? Hoe moet dit nu weer verklaard worden? Nee, niet weer een lofzang op Sagans buitengewone escapades, zo hoorden de verslaggevers het strenge stemmetje in hun hoofd. Dan maar een afwijkend verhaal over de wedstrijd of over de andere deelnemers. Het zijn terugkerende dilemma’s in de sportjournalistiek zodra de suprematie van een sporter of sportploeg het punt van verzadiging heeft bereikt. Wanneer mogelijk alle verklaringen zijn gebruikt valt de analyse stil.

Indrukwekkend en verhelderend was het verhaal van Dennis Meinema dat daags vóór de openingsklassieker in NRC Handelsblad verscheen: ‘In het land van Peter Sagan’. Familie, jeugdvrienden, trainers en trainingsmaatjes uit Sagans geboorteplaats Zilina vertelden wat voor een type mens Peter Sagan was. Maar dan nog leek het niet de ultieme verklaring van het uitzonderlijke talent. Er zou meer moeten zijn.

Zijn het zijn onaangepaste gedrag, zijn rare uiterlijk, zijn moeilijk te begrijpen gebruik van de Engelse taal die hem ongrijpbaar maken? Zeker, dat telt mee. Een opvallende rare verwilderde man (geen prototype van een topsportersuiterlijk) uit een land waar wielrennen nauwelijks wordt bedreven, een man die zich niet aangepast wil gedragen en die de clown mag uithangen (mogelijk uit marketingoverwegingen) is gewoon een vreemde snuiter. Alles wat hij doet wordt gedoogd. Sterker, om hem wordt vooral gelachen.

Zoveel winnen en dan nog gek doen, wie zal het hem kwalijk nemen? Wanneer hij straks niet meer wint, zal zijn gedrag worden gebruikt om hem te bekritiseren. Maar wanneer zijn triomftochten aanhouden zal zonder twijfel een analist opstaan die verder gaat zoeken. Zoals het een journalist betaamt, toch?

Wie weet komt er iemand op het idee achter het masker en het clowneske gedrag te gaan zoeken. Er moet toch iets zijn wat tegen de afspraken van sportief gedrag indruist. Als het niet extreme lichaamsbouw of buitensporig gedrag is, dan toch zeker voedings- en medicatiepatronen. Zoals is het toch vaak gegaan met sporters die ver boven de rest uitstaken? En niet alleen bij Russen, andere Oost-Europeanen, Chinezen en ander vreemd volk, zeg maar sporters die niet werden vrijgepleit uit chauvinistische motieven.

Een nog niet ontdekt motortje in de fiets, waar de Zwitserse renner Fabian Cancellara mee werd lastig gevallen, bloedversterkers of -verversers dan wel domweg een hart- of spierversterkende chip in het lichaam. Alles is mogelijk zolang er nog niet afdoende op kan worden gecontroleerd. Verwondering kan zomaar overslaan in scepsis. En voordat je het weet wordt elk nog niet vertoonde gedraging of prestatie uitvergroot en argwanend geanalyseerd.

Jaren geleden gingen plotseling steeds meer renners met stofbrillen rijden, oogbeschermers zoals die door motorcrossers werden gedragen. De ene renner verklaarde dat de wegen steeds stoffiger werden, de ander had (gewoon) last van geïrriteerde ogen. Van de ene op de andere dag hadden steeds meer renners last van geïrriteerde ogen. Inderdaad, bloeddoorlopen ogen. Tja, die stof. Sportbrillenfabrikanten zagen er wel brood in en sloten contracten af met renners – winstgevend voor beide partijen. Totdat een sportarts uit de school klapte en mij verklaarde dat die oogirritaties het gevolg waren van het toenemende gebruik van corticosteroïden onder renners. Er zou een besmettelijk virus heersen…. Wat natuurlijk werd ontkend door renners en verzorgers. De oogirritaties verdwenen even plotseling als ze waren ontstaan, de brillen bleven en werden steeds beter en zijn nu onmisbaar.

Vreemd gedrag vraagt om onderzoek. Zo ging Peter Sagan onmiddellijk na de Omloop Het Nieuwsblad naar het toilet. Vreemd, zo meende een Belgische tv-verslaggever. Sagan pareerde de sceptische opmerking broodnuchter dat ieder mens weleens naar het toilet gin wanneer dat nodig is. Een dag later, na Brussel-Kuurne, propte winnaar Sagan zijn mond vol met gummibeertjes die door een van zijn verzorgers in een zak werden aangereikt. Vreemd, nog nooit gezien, toch?

gummibeertjes
Een Belgische journalist ging gelukkig op zoek onderzoek en ontdekte via een diëtist die onder meer de Belgische nationale voetbalploeg en de wielerploeg van QuickStep (Tom Boonen, Niki Terpstra) begeleidt dat de snoepjes koolhydraten bevatten die leiden tot snel lichaamsherstel. Veel renners krijgen na afloop een eiwitshake aangevuld met gummibeertjes en een cola. In de massagekamers zijn er volgens de diëtist ook steeds snacks voorzien, zoals een smoothie op basis van magere Griekse yoghurt en fruit bijvoorbeeld. Weer eens wat anders dan speciale (mogelijk omstreden) preparaten zoals voedingssupplementen.

Zo kun je weleens wat leren van journalisten die op onderzoek uitgaan. Maar dan nog weten we niet helemaal wat Peter Sagan zo extreem en langdurig een geweldige wielrenner maakt. Misschien is hij gewoon extreem en langdurig goed. Misschien vragen we ons over een paar maanden af waar Sagan is gebleven. Misschien blijft scepsis de wielersport achtervolgen. Misschien zwijgen de wielercommentatoren liever na al die onthullingen en beschuldigingen en zijn ze op zoek naar nieuwe superlatieven om uitblinkende wielrenners op een voetstuk te zetten. Vooral wielrennen blijft een sport vol geheimen.

Deze column is gepubliceerd op http://www.sportenstrategie.nl

De Giro d’Italia is toch vooral sterven in schoonheid

1 jun

Daags na het roze gekleurde weekeinde in Gelderland, drie weken geleden, schreef ik dat ‘de belangstelling in Nederland voor de Giro d’Italia met de dag drastisch zal afnemen en uiteindelijk slechts door pure wielerliefhebbers zal worden gevolgd’. Het is dus anders gelopen. Niet zozeer omdat het koersverloop tot de verbeelding bleef spreken, maar vooral omdat Nederlandse renners aan het front bleven strijden, tot het einde in Turijn toe.

Foto: musement.com Foto: musement.com

Fascinatie van start tot finish – en zeker niet alleen bij wielerliefhebbers. De Italiaanse organisatoren kunnen vergenoegd in hun handen wrijven. De emoties laaiden hoog op, zoals dat bij de beleving van topsport verwacht wordt. Media, zoals de Nederlandse televisieomroep NOS (NPO) om welke reden ook het wielercircus niet dagelijks op de voet volgden, werden door een groot deel van het volk een gebrek aan betrokkenheid verweten. Andere media maakten gretig ruimte vrij voor reportages, interviews en achtergronden en zetten ander nieuws op minder prominente plaatsen. Zo was het ooit (ruim een eeuw geleden) bedoeld door de handelsgeesten van krantenbedrijven. In het geval van de Ronde van Italië door La Gazzetta dello Sport als antwoord op een autorace die eerder door Corriere della Sera was gelanceerd.

Het is aanhaken op de vraag waarom sport zoveel aantrekkingskracht uitoefent. Vandaag is het voetbal, morgen wielrennen, overmorgen autoracen en tennis, straks turnen, hockey of volleybal, dan weer zwemmen of hardlopen. Zeker wanneer betrokkenheid intieme vormen gaat aannemen, alsof de jongen van de buren of het meisje uit het dorp meedoet. Of wanneer vereenzelviging (met helden) zich aandient. Helden worden in een handomdraai gemaakt – en naar believen even snel afgedankt.

In Lof van de sport schrijft de Duitse socioloog/filosoof Hans Ulrich Gumbrecht: ‘En toch weten we niet (en misschien hoeven we dat helemaal niet te weten) waarom sport kijken zo onweerstaanbaar is en tot onze verbeelding spreekt. Het is letterlijk een fascinatie, dat wil zeggen, iets wat onze blik gevangen houdt, iets wat ons eindeloos blijft boeien zonder dat we weten waarom. Het is deze fascinatie die een transfigurerende werking heeft, want we voelen ons onweerstaanbaar aangetrokken tot verschijnselen waarvoor we normaal gesproken geen waardering kunnen opbrengen, zoals wanstaltig corpulente lijven of wollen mutsen met kleppen.’

Het zijn rationele overpeinzingen die mij in de loop van de afgelopen veertig jaar als sportjournalist bezig hebben gehouden – en nog. Zoals Dino Buzzati in De Ronde van Italië, het boek met kronieken uit de Giro van 1949 in de Corriere della Sera, dat ik in 1986 tijdens mijn eerste Giro als verslaggever als inspirerend geschenk van mijn nieuwe geliefde in mijn koffer vond. Collega Jean Nelissen, die toch alles al over de wielersport  wist en gelezen had, griste het nieuwsgierig van mijn schrijftafel. Om even later luidkeels met de hem typerende dictie voor te lezen (Buzzati schrijft over Gino Bartali): ‘Plotseling, dat weet je, zal de geheimzinnige genius je in de steek laten. Midden in een wedstrijd, onverwacht, zul je je merkwaardig alleen voelen: als een koning in de strijd die zich omkeert om bevelen te geven en bemerkt dat zijn leger er niet meer is, dat het als bij toverslag verdwenen is in het niets. Dat verschrikkelijke moment zal aanbreken. Maar wanneer? Dat weet je niet. Het zou vandaag kunnen zijn.’

Het is jammer dat in de huidige, veelal hitsige commentaren – gebaseerd op te veel betrokkenheid – deze literaire zinsnede niet is teruggehaald of eenvoudigweg niet is herkend (laat staan ooit gelezen) na de val van Steven Kruijswijk in voorlaatste bergetappe van de afgelopen Giro. Historisch besef kan in verhitte momenten een waardevolle bijdrage leveren, zeker in de wielersport die onmiskenbaar in mystieke sferen wordt bedreven. Overvloedige betrokkenheid, zoals de afgelopen weken, kan een verblindende uitwerking hebben en voedt vooral de onderbuik van de naar roem en glorie hunkerende lezers, kijkers en andere volgers. Populisme mag dan bij veel media van commercieel belang zijn, de realiteit is meer waard.

Begin jaren negentig was ik op de perstribune van het toenmalige Chicago Stadium getuige van de indrukwekkende voorstellingen van de Chicago Bulls met de magistrale coach Phil Jackson (uniek door zijn op zen-boeddhisme gebaseerde filosofie) en hun uitblinker Michael Jordan (mijns inziens met Muhammad Ali de beste sportman aller tijden). Toen ik bij een van de weergaloze acties van Jordan een keer opveerde en een juichkreet niet wilde onderdrukken, werd door mijn buurman een hand op mijn schouders gelegd. Hij wees op een bordje bij de ingang van de perstribune met de tekst: ‘No cheering in the pressbox‘. Ik schrok. Zou ik niet beter kunnen afdalen naar de tribune met het ‘gewone’ publiek? De man stelde mij gerust. Hij stelde zich voor: Sam Smith, Chicago Tribune en al jaren Bulls-watcher. Hij was de man wiens boek ik die week gulzig had gelezen: The Jordan Rules. Een meesterlijk, genuanceerd en daarom meeslepend boek over het gedrag van Jordan op de speelvloer en vooral in het trainingscentrum.

No cheering in the pressbox. Het is een regel uit andere tijden, besef ik. Over de Giro lezend, ernaar kijkend en luisterend, werd mij vooral duidelijk dat de verslaggevers, commentatoren en columnisten zich vereenzelvigden met hun favorieten. Was dat geregisseerd, dan wel door de bazen met hun handelsgeest opgedrongen? In het vuur van de strijd laat elke verslaggever zich weleens gaan – hij is immers sportliefhebber. Dat besefte ik terdege. Daarom besloot ik meermalen buitenlandse media te raadplegen om ook de andere (realistische) kant van de medaille te zien.

Drama genoeg in de afgelopen Giro, zoals van een wielerwedstrijd wordt verwacht. Met alle ingrediënten die daarbij horen. De dramatische omwenteling van Nibali’s fysieke en psychische gesteldheid, diens killersinstinct (vandaar diens bijnaam ‘De Haai van de Straat van Messina’, jaren geleden al bedacht door voorzitter Eddy Lanzo van Nibali’s wielerclub in Messina) en de strategie van zijn ploeg. De dramatische omwenteling bij Steven Kruijswijk: de val op het moment dat de strijd ontbrandde. Topsport wordt op details beslist is een aloude wijsheid. Dat bleek eens te meer. En dan was er de dramatische aftocht van de eerste roze truidrager Tom Dumoulin, van wie in de media nooit meer iets is vernomen: de koning is dood, leve de koning.

En tenslotte de dramatische valpartijen, de spannende beklimmingen en ijzingwekkende afdalingen. En als apotheose de innemende lach van de Colombiaan Esteban Chaves, die op de voorlaatste dag zijn leiderspositie moest afstaan en ‘slechts’ derde werd. Zijn commentaar na afloop was mogelijk het mooiste moment van de Giro: over zijn vreugde, zijn toekomst, zijn liefde voor de wielersport en zijn waardering en bewondering voor de winnaar.

Esteban Chaves Esteban Chaves

Chaves gulle lach deed veel ellende
vergeten. Zoals de sport hoort te zijn. Afleiding van alles wat ons dwars zit en pijnigt.

De Giro is toch vooral sterven in schoonheid.

Deze column in gepubliceerd op de website http://www.Sportenstrategie.nl

De Giro belooft meer dan de wielersport kan waarmaken

10 mei

Is het leven in Italië ook zo mooi, zo zonnig en zo roze gekleurd? Je zou het je kunnen afvragen na wat zich sinds einde vorige week tot begin deze week in Gelderland heeft afgespeeld. Dit is dus de Ronde van Italië, de Giro d’Italia, de wielerronde die drie weken lang gehuld in een roze habijt door het mooiste land van Europa trekt. Dit is dus de karavaan met wielrenners, geëscorteerd door nauw betrokken volgers met vrolijke gezichten en uitbundig zwaaiende armen, die de komende weken door het beloofde wielerland trekt.

Daarom zitten de duizenden mensen die de afgelopen dagen in Gelderland naar de Giro hebben gekeken en naar de renners en hun volgers hebben geschreeuwd en gezwaaid, de komende weken natuurlijk elke dag voor hun televisie om maar niets van het vervolg te missen.

Nee. Ik vermoed dat de belangstelling met de dag drastisch afneemt en dat de Ronde van Italië uiteindelijk slechts door de echte wielerliefhebbers zal worden gevolgd. De Giro door het altijd prachtige en ditmaal wel erg zonnige Gelderse landschap was eigenlijk niet meer dan een toeristische attractie, met een vleugje sport: voorbijflitsende wielrenners. Aangezwengeld door de Italiaanse organisatie die zich al sinds 1909 beijvert om toerisme en sport (en commercie) aan elkaar te koppelen. In de afgelopen dagen volop gesteund door de Nederlandse media, voor wie geen poëtisch woord te veel was.

Foto: Cyclingweekly/Graham Watson

Foto: Cyclingweekly/Graham Watson

In oktober 2004 schreef ik in wielertijdschrift De Muur een lofzang op de Ronde van Italië:

‘Italië is het wielerparadijs, zeggen wielrenners. Waarom? Omdat ze er worden geëerd, verzorgd, gestreeld, vertroeteld en verwend als kroonprinsen. Ze voelen zich er een kampioen. Glimmende fietsen met geoliede mechanismen van vorstelijke makelij; oogstrelend de kleding en het schoeisel, alsof de modeontwerpers van Milaan zich hoogstpersoonlijk de wielersport hebben toegeëigend. Sport is uitstraling, sport is ijdelheid, sport is bedoeld om ego’s te strelen. Sport in Italië is narcisme. Het moet mooi zijn – daar gaat het om: ik ben een kampioen.’

‘Tussen Aosta en Agrigento is het goed toeven voor een sportman. Uitbundigheid mondt uit in creativiteitszin. Italianen willen hun kinderlijkheid niet verliezen. Ze willen zingen, dansen, huilen, eten, drinken, spelen en als het mag de liefde bedrijven tot de dood erop volgt en zich – als God het behaagt – nieuw leven zal aandienen. Luister naar hun volkslied, Il Canto degli Italiani, de muziek van Michele Novaro en de tekst van Goffredo, geschreven rond 1850: Fratelli d’Italia, broeders van Italië. Je wilt meezingen als je het hoort, je klimt naar de toppen van euforie. Je zou Italiaan willen zijn. De relativerenden, de nuchteren, de verstandigen onder ons weten dat er meer is dan La Dolce Vita, het zoete leven. Zij geven zich behoedzaam en godvrezend over aan de calvinistische klanken van het Wilhelmus en houden vast aan het idee dat het in Italië per definitie een godgeklaagde bende is.’

Mijn lyriek, die nog pagina’s lang aanhield, is geïnspireerd door de ervaringen die ik als wielerverslaggever opdeed in de jaren tachtig, de Tirreno-Adriatico, Milaan-Sanremo, de Ronde van Lombardije en viermaal de Giro. Het was vaak aangenaam toeven in Italië, nog los van het zalige eten en de zalige wijnen. Daarom wilde ik de taal machtig worden en ging ik op cursus Italiaans. Ik wilde Italië, de Italianen en de Italiaanse cultuur begrijpen. Ik wilde Italiaan zijn met de Italianen. Ik wilde met Francesco Moser spreken, met Giuseppe Saronni, met mijn ervaren Italiaanse collega’s Rino Negri, Dante Ronchi, die nog hadden verkeerd met Fausto Coppi en Gino Bartali (naast wie ik in het perscentrum van Siena nog mijn Giro-verslag schreef), met Gianfranco Josti en Angelo Zomegnan (later directeur van de Giro). En met Vincenzo Torriani, wijlen de directeur van de Giro.

Bartali en Guus

Naast Gino Bartali in het Palazzo Pubblico van Siena, in de Giro van 1986

De Giro, ja, zoals de karavaan wielrenners door de meest pittoreske stadjes, over historische pleinen en langs onvermoede, indrukwekkende landschappen trok. Op plaatsen finishte waar geen auto toegang had kunnen vinden. Zelfs de erbarmelijke weersomstandigheden, in de sneeuw rond de Passo di Gavia (met Erik Breukink en Johan van der Velde), de zware onweersbuien boven de Apennijnen en de brandende hitte in Sicilië, werden verwelkomd als geschenken die je niet mocht (kon) afslaan. Italiaanse collega’s, gekleed in fraai gestileerde kostuums, werden dottore genoemd. Zo mooi was het paradijs, dagen van genot regen zich aaneen. En altijd stond aan het einde van de dag op het erepodium een man in een roze trui, stralend en zwaaiend, gezoend door de mooiste bloemenmeisjes van de streek.

Foto: LaPresse/Franck Faugere

Foto: LaPresse/Franck Faugere

Zo zag het er de afgelopen dagen ook uit in Gelderland, in Apeldoorn, in Nijmegen, in Arnhem, op de Veluwe, in de Betuwe, in de Achterhoek, in mijn geboortedorp Bennekom – eindelijk maakten mijn vrienden van weleer kennis met wat ik jaren eerder in geuren en kleuren had proberen duidelijk te maken: wielrennen in Italië is een hemels evenement met engelen op een fiets.

Duizenden mensen waren er toegesneld in de hoop een glimp van de roze koers op te vangen. Van strijd waartoe sport toch is bedoeld, kregen ze niets mee. Alleen tijdens de proloog, een korte tijdrit in Apeldoorn, vielen zweetdruppels op de rennerslijven te bespeuren. Nota bene op die van de grote favoriet, de Nederlander Tom Dumoulin, die ook nog won en zich in de eerste roze trui mocht hijsen. Wie was er ook alweer tweede? En tijdens de twee massasprints in Nijmegen en Arnhem, gewonnen door een Duitser. Wie? Ja, Marcel Kittel. Een krachtige Duitser die in de roze leiderstrui Nederland verliet, op weg naar het verre Italië. Naar Catanzaro…. Waar ligt dat ook al weer? Nou, in het diepe zuiden van Italië.

Wielrennen is wachten. Wie de koers van nabij wil volgen, moet wachten. Wachten op dat ene moment, een handvol seconden, en dan zijn de renners alweer voorbij. Soms kun je een weggegooide lege bidon (of vroeger een petje) buit maken. Als het meezit kun je de voorbijrazende renners op de foto zetten. En als het heel erg meezit, kun je na afloop een selfie maken met naast je een of andere renner. Wanneer je van competitie houdt, van wielrennen, blijf je thuis aan de buis. Dan zie je alles!

Of de start van de Giro in Gelderland (en eerder in Amsterdam en Groningen, de Tour in Utrecht en de Ronde van Spanje in Assen) de populariteit van de wielersport zal verhogen, is de vraag. Als groot volksfeest en toeristische attractie zullen genoemde steden vast wel navolging krijgen. Maar of er meer Nederlanders (de jeugd in het bijzonder) op een racefiets zullen klimmen? De Posbank, nabij Dieren, waar de Gelderse Girorenner Maarten Tjallingii zich op ‘zijn berg’ de beste klimmer wilde en mocht tonen, zal vast wel heel even iets meer dan een bedevaartsoord worden van race-recreanten en profwielrenners in spe. Maar een bedevaartsoord is de Posbank al jaren, vanwege het naar Nederlandse maatstaven hoge stijgingspercentage.

De wielersport mag dan wel op zonnige en feestelijke dagen rond de Giro, de Tour en de Vuelta duizenden toeschouwers (een half miljoen) trekken. Financieel profijt heeft de wielersport er nauwelijks van. Van recettes, zoals met voetbal, is geen sprake. Iedereen kan langs de weg gaan staan en kijken. De sport en zeker de renners zijn afhankelijk van sponsoren en tv-rechten. Wat verdient een wielrenner? Wat kost een speciale racefiets? Wat kosten de trainingsstages? U weet toch waarom er zoveel reclameteksten op wielershirts staan? U weet toch waarom onbeduidende wielrenners op onbelangrijke momenten aanvallen? Gewoon, om in beeld te komen. Want op het kantoor van de sponsor telt een administrateur het aantal minuten dat zijn renners zich laten zien. Aandacht is reclame.

En zo is het Giro-peloton weer naar Italië getrokken. Het wielerparadijs waar het zo goed toeven is voor wielrenners en hun volgers. Waar de bevolking meer nood heeft aan volksfeesten met helden op een racefietsen dan hier. Maar ook in Italië is geen geld genoeg om beroepswielrenners goed te betalen. Ondanks de overal bloeiende en groeiende industrie van racefietsen en aanverwante dure materialen en kleding. De potentiële sponsors willen waar voor hun geld; reclame op televisie, zoveel mogelijk reportages over wielrennen. Anders geen financiële bijdrage. Voor niks gaat in Italië alleen de zon op.

De Giro belooft meer zon, vreugde en schoonheid dan de wielersport kan waarmaken. Straks als de echte bergen voor de wielen komen en de echte tijdritten moeten worden gereden, begint de echte wielersport. De afgelopen periode in Gelderland was slechts een feest in de aanloop naar de echte sport. Benieuwd wie er dan nog is geïnteresseerd in de Giro d’Italia.

Deze column is verkort gepubliceerd op http://www.sportenstrategie.nl

De pr-machine van Peter Sagan draait op volle toeren

8 apr

Het zijn de dagen van de dromen en de verwachtingen. Van de hoop op nog meer van hetzelfde euforische gevoel. Gaat Peter Sagan ons zondag in Parijs-Roubaix weer hetzelfde schenken als in Gent-Wevelgem en vooral als in de Ronde van Vlaanderen? Kan Fabian Cancellara zich nog een keer met hem meten? Is Tom Boonen nog goed genoeg? Is er een Nederlander – Niki Terpstra, Lars Boom of een ontluikend talent – die ons optilt uit de dagelijkse sleur?

Het is voorjaar. Wielerliefhebbers mogen weer dromen. Wielerverslaggevers mogen weer ruim hun kennis, inzicht en historisch besef etaleren. Columnisten mogen weer van hun literaire vrijheden genieten. En ze doen dat met volle overgave. Niets is hen te gek. De een vergelijkt zijn eigen verrichtingen op de fiets met die van de hedendaagse uitblinkers, de ander probeert zijn scepsis (een sluimerend virus) ten aanzien van van de prestaties door te laten sijpelen, sommigen wijzen zelfs op de ontdooiende notoire afkeer van hun vriendin van de wielersport – eerst vond ze wielrennen maar dom, nu is ze dan toch doordrongen van de existentiële waarde van een triomferende wielrenner.

Die vragen vol hoop en nervositeit. Gaat het zondag in Parijs-Roubaix regenen? Ligt de Hel van het Noorden nat? Liggen tussen de kasseien verraderlijke want door de modder onzichtbare valkuilen? Is Peter Sagan weer zo goed? Kan Fabian Cancellara (35 intussen) het nog één keer? En al die vragen in een week waarin een geprezen presentator van een televisieprogramma ‘totaal onverwacht’ suïcide pleegde en veel mensen zich radeloos en redeloos opwonden over een of ander volksreferendum dat weinigen begrepen dan wel uit onwetendheid of afkeer boycotten. Een mens heeft wat te verduren. De verwarring groeit.

Foto: Dolores Johnson/The National

Peter Sagan na zijn behaalde wereldtitel in 2015 (Foto: Dolores Johnson/The National)

Dan maar de sport, het wielrennen, de voorjaarsklassiekers. Met in de hoofdrol Peter Sagan, 26 jaar pas. Een godsgeschenk voor de wielersport, zo wordt beweerd. Want niet alleen zijn prestaties op de fiets doen ons in euforie ontsteken, ook zijn voorstellingen daarbuiten verdringen voor even de alom heersende narigheid. Een filmster, een rockster, een entertainer, een rolmodel. Een jonge sportman die eens niet met oogkleppen op triomfen jaagt, maar vooral plezier beleeft aan wat hij doet. Als een kind dat speelt, met zijn fiets of met zijn zojuist gekochte modelraceauto met afstandsbediening  – al na twee dagen reed het enthousiaste kind het speelgoed in puin.

Hij speelt met meisjes op het erepodium. Hij speelt met renners die hem amechtig uitdagen. Hij speelt met journalisten die hem een opzienbarende uitspraak willen ontlokken. Hij speelt rollen die bewonderaars van hem verwachten. Hij speelt met de pedalen van zijn fiets. En hij speelt met zijn stuur. Hij speelt met zijn haar, met zijn ogen en zijn mond. Zolang Peter Sagan maar kan spelen is hij gelukkig – en de wereld met hem.

Ik heb in de voorjaarsklassiekers mogen genieten van de strijd tussen Francesco Moser, Roger De Vlaeminck, Marc Demeyer, Jan Raas en Hennie Kuiper, van de strijd tussen Sean Kelly, Adrie van der Poel, Eric Vanderaerden en Eddy Planckaert. Tussen de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix (midweeks was er nog Gent-Wevelgem) ging ik op zoek naar hun drijfveren. Op de ‘speelvogels’ De Vlaeminck en Planckaert na waren het tot de tanden toe bewapende matadoren op de fiets. En dan nog waren De Vlaeminck en Planckaert lang niet zo speels als Sagan.

In mijn knipselalbum vind ik een interview in de Volkskrant van 7 april 1979 met Francesco Moser, met de kop ‘Moser geeft geen cadeautjes’. Het gesprek had plaats in het Holiday Inn van Gent, aan het bed waarop Moser zich zojuist na een trainingsrit had neergelegd. Onder de lakens, naast hem een kan met water in ijsblokjes. Kan zo’n ontvangst nu nog? Nee.

Op weg naar de kamer van Moser (met wie ik een dag eerder na afloop van Gent-Wevelgem, die hij won, een afspraak had gemaakt) hield ploegleider Waldemaro Bartolozzi mij staande. Na een korte pr-sessie (‘Moser houdt niet van interviews. Het moet niet te serieus worden. Misschien kan ik je wat vertellen. Francesco moet zich voorbereiden op Parijs-Roubaix. Hij moet winnen.’) passeerde Moser – bezweet teruggekeerd van een trainingsrit. Hij sloeg me vriendschappelijk op de rug en zei dat ik over een kwartier naar zijn kamer kon komen. Alleen. Zonder Bartolozzi, zonder pr-man, zonder bemoeial. Kan dat nu nog? Nee.

Francesco Moser in Parijs-Roubaix (Photo by Photosport Int Par

Francesco Moser in Parijs-Roubaix 1980 (Photosport Int Par)

Moser was geen speelvogel als De Vlaeminck en Planckaert, hij speelde niet als Sagan. ‘Checco’ gold als een vuurvreter. Daarom was ik een groot bewonderaar van hem, altijd gebleven. Hij won drie keer Parijs-Roubaix (1978, 1979, 1980). In het interview schrijf ik: ‘Een Italiaanse sportkrant wordt driftig in een hoek van de kamer gesmeten. Moser schreeuwt: Ze snappen er niks van.’ Hij was na zijn nederlaag in de Ronde van Vlaanderen zwaar bekritiseerd in de Italiaanse pers en dat vroeg om revanche. ‘Anderen profiteren van mijn zweet’, riep Moser. Verbeten dus, hij had geen enkele neiging tot spelen. Voor Moser stond wielrennen gelijk aan jagen, jagen op vernietiging. Drie dagen na het interview won de Italiaan voor de tweede maal Parijs-Roubaix.

Zie hier zijn overwinning in 1979:

Die associatie met de jacht op vernietiging roept Sagan niet op. Hij is een natuurverschijnsel. Wielrenners als Peter Sagan zijn niet op te leiden. In zijn geboorteland Slowakije (met nog geen twintig profrenners) worden zeker wielrenners opgeleid. En er zijn vast wel clubs en sponsoren die nog meer Sagans willen. Nog meer renners die net als Sagan door de cross, het mountainbiken of welke vorm van scholing dan ook tot wereldkampioenen moeten uitgroeien. Dat zal niet lukken. Evenmin zal het Nederlandse, Belgische, Italiaanse, Duitse, Britse of Franse wielerbonden lukken met hun door wetenschap gestuurde opleidingen een Peter Sagan te maken. Een wereldkampioen nog wel, maar geen Peter Sagan met zijn uitstraling. Natuurtalenten worden niet gemaakt maar geboren.

Even terug naar de pr-sessie met ploegleider Bartolozzi, eind jaren zeventig, ter vergelijking met de pr-machine rondom Sagan nu. Want reken maar dat de speelse uitspattingen van de Slowaak met veel gevoel voor promotie aan de wereld worden getoond – mogelijk zelfs volgens de heersende marketingformules voorbereid. Het is geen toeval dat op de website van Peter Sagan bijna al zijn vrolijke en uitdagende escapades worden getoond. Het Italiaanse marketingbureau DMTC (Digital Formula, Marketing Activation, Thinking Adv, Commercial Strategy) onder leiding van Marco Del Checcolo is de drijvende kracht, samen met Sagans vrouw Katarina. Achter elke foto, elk filmpje op YouTube, elke grap, elke grol en elke voorstelling zit een marketing-idee (verkoop van het merk Sagan, geld dus). En Peter Sagan speelt het spel graag mee.

Vooralsnog voelt Peter Sagan zich er wel bij. Zelfverzekerd. Ogenschijnlijk onbevangen. In hogere sferen verkerend. In een flow. Als een kind dat eindelijk naar buiten mag om in de voorjaarszon te spelen. Elke zonnestraal vangt hij op als een goddelijke zegen. Hij traint zich de longen uit zijn lijf, laat zijn spieren tot op de millimeter nauwkeurig meten en aanpassen, en wisselt spanning en ontspanning af (door te spelen en bijvoorbeeld met vrienden en ploeggenoten lekker veel bier te drinken).

Hopelijk laat hij zich niet gek maken door de verblindende aanbidding van de bewonderaars, de succesverhalen van de verslaggevers, de lyrische vondsten van de columnisten en de handige marketeers. Hij moet zichzelf blijven. Dat natuurtalent, die excentrieke jongen uit Slowakije die in zijn amechtige solo op weg naar de finish van de Ronde van Vlaanderen een lookalike van Eddy Merckx in een Molteni-shirt nog even aanmoedigt: ‘Allez Eddy.’

Merckx had zoiets niet gedaan, laat staan gekund. Zo introvert als hij was. Moser ook niet. Blik op oneindig. Te verbeten op jacht naar vernietiging. Vanzelfsprekend willen wielerliefhebbers zondag in de Hel van het Noorden van Sagan meer van hetzelfde. Zoiets als een ongewenste duik in de modder, dan opstaan, de vuile handen afvegen, een toeschouwer een hand geven en doorgaan op weg naar de overwinning. Dat zou mooi zijn.

De vraag is hoe je dat als analist, verslaggever of columnist dan weer moet duiden. Advies: leg de pen neer of klap de laptop dicht. Een gepast stilzwijgen volstaat. Geniet van dit wonder, zolang het nog kan in deze verwarde samenleving. Niet alles vraagt om uitleg.

Dit artikel is op 7 april gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl.

Soigneur Ruud Bakker was vooral een gever

2 feb

Raleigh Ruud Bakker

Foto Cor Vos

Ruud Bakker, die vandaag op 72-jarige leeftijd aan de gevolgen van een auto-ongeluk overleed, was meer dan een soigneur, meer dan een verzorger van wielrenners, meer dan een masseur, meer dan verstrekker van aansterkende en versterkende middelen. Hij was ook een biechtvader. ,,Vooral een echte gever’’, zegt zoon Reem op de dag dat Bakker (drie dagen na het ongeval) door hersenletsel stierf.

In de tijd (jaren zeventig en tachtig) dat professionele medische en psychologische begeleiding van wielrenners nog aan de handen en het inzicht van soigneurs werden toevertrouwd, zocht Bakker naar de beste middelen om mensen te helpen in hun begeerte naar triomf en glorie. Mede dankzij hem, de al even bevlogen mecanicien Jan le Grand en de perfectionistische ploegleider en organisator Peter Post vierde de wielerploeg Raleigh en later – in mindere mate – Panasonic ongekende triomfen in de wielersport. Jan Raas, Gerben Karstens, Johan van der Velde, Joop Zoetemelk, Hennie Kuiper, Henk Lubberding, Peter Winnen, Cees Priem, Teun van Vliet, Theo de Rooy, José De Cauwer, Leo van Vliet, Eddy Planckaert, Eric Vanderaerden, Gerrie Knetemann, Roy Schuiten, Bert Oosterbosch (de laatste drie zijn overleden) en vele anderen kunnen getuigen.

Zoon Reem verwijst – als eerbetoon aan zijn zojuist overleden vader – naar het fatale ongeluk. ,,Na de botsing is mijn vader uit zijn auto gestapt en naar de automobilist die hem aanreed gelopen om te vragen hoe het met hem ging. Het ging hem niet om zijn eigen leven. Drie dagen later was hij zelf dood. Dat is mijn vader: altijd betrokken bij anderen. Zorgen voor anderen. Kijken en luisteren naar anderen. Ieder moment van de dag. Het was niet zijn beroep, het was compassie met wat mensen doormaken, waarom ze lijden. Mijn vader had al besloten zijn lichaam na zijn dood ter beschikking te stellen van de wetenschap. Doordat het sterfproces te langzaam ging, kan dat niet doorgaan.’’

Ruud Bakker

Eind november 2015, Tilburg: Ruud Bakker (rechts) vertelt anekdotes aan Johan van der Velde en Joop Zoetemelk over de Tour de France van 1980, die Joop won, tijdens de presentatie van het boek De Speer van Rijsbergen door John van Ierland -over het turbulente leven van Van der Velde. (Foto Petra Huysmans Fotografie)

Ruud Bakker wilde mensen begrijpen. Toen ik hem kort geleden weer zag, steunend op een wandelstok (het gevolg van zware operaties aan een lekkende aorta), informeerde hij naar mij: ‘Maar hoe is het nou met jou?’ Het was eind november ter gelegenheid van de presentatie van een boek over Johan van der Velde, die hij in de jaren tachtig als soigneur begeleidde. Met Johan ging het mis. Doping, euforievergrotende middelen en verkeerde inschatting van menselijke mogelijkheden deden Van der Velde in de gevangenis belanden. Johan was zichzelf kwijt geraakt. Wie was hij eigenlijk nog?

Bakker zocht Johan op in de gevangenis, hield hem op de been toen hij weer vrij kwam en was tijdens de presentatie van het boek ‘De Speer van Rijsbergen’ (geschreven door John van Ierland)  aanwezig om Johan te belonen voor zijn doorzettingsvermogen. Johan was tot tranen geroerd.

Zoon Reem kent meer voorbeelden van het altruïsme van zijn vader. ,,Hij nam het op voor gevallen sporthelden, tot aan zijn dood. Hij was er 24 uur mee bezig. Het was zijn thrill: is er nog iemand die ik hulp kan bieden? Mensen die niet meer wisten hoe verder te leven, na hun sportcarrière, en mensen die zich miskend voelden. Toen wielrenner Bert Pronk overleed, ving hij diens kinderen op. Toen Didi Thurau, de Duitse vedette bij Raleigh, door allerlei toestanden in problemen raakte, nam mijn vader Thurau in huis. Didi was een halve broer van me. Toen Thurau na zijn loopbaan financieel vastliep in zijn makelaardij, ging mijn vader naar Duitsland om hem te helpen.’’

Ruud Bakker nam het op voor judoka Wim Ruska, tweevoudig goudenmedaillewinnaar op de Olympische Spelen van 1972 en tweevoudig wereldkampioen, in 1967 en 1971. Vorig jaar overleed Ruska. Bakker ging op bezoek bij diens weduwe Liza. Vergeefs deed hij pogingen om Ruska alsnog te eren met de Carrièreprijs, de Fanny Blankers-Koenprijs. ,,Het lukte mijn vader niet om Ruska alsnog te laten eren. Ruska had een strafblad en een criminele achtergrond, dat vond NOC*NSF ongepast.  Mijn vader had gevoel voor miskenning en onrecht.”

En zo waren er meer ontheemde helden. Zoals Yuri van Gelder, die zijn toevlucht zocht in euforievergrotende middelen zoals cocaïne, verslaafd aan aandacht was, niet meer wist wie hij was geworden en hoe zijn leven zin te geven. Bakker luisterde naar hem, zoals Ruud voor iedereen een luisterend oor: ‘Hoe gaat het nu met je?’

Ruud Bakker zocht en zocht. Altijd vond hij nieuwe middelen. Zo introduceerde hij vloeibare suikers, een elektrostimulator en ultrasoongeluid. En eendenvet als bescherming van de benen tegen kou en regen. Ruud Bakker vond vast veel meer en diende meer toe dan hij ooit heeft willen vertellen. In de tijd dat hij zoekende was via allerlei wetenschappelijke studies naar de beste en sterkste middelen (én voeding, samen met dr. Wim Saris van de Universiteit van Maastricht) om zijn ‘mannen’ naar uitzonderlijke hoogten te helpen, vond hij ook haptonomie. Bakker merkte dat wielrenners tijdens hun massage een uitlaatklep nodig hadden. Zodra zij werden aangeraakt, gingen zij praten. Haptonomie leerde hem dat aanraking mensen verleidt tot ontboezeming. Mede daarom begon hij na zijn loopbaan als soigneur een praktijk massage en haptonomie.

Ruud Bakker was een grote man. Je kon niet om hem heen. Hij was zeer luid en zeer duidelijk. Na een zware nacht met alcohol stopte hij mij een stevig medicijn toe. De toevoeging was verhelderend, niet bestraffend: ‘Je weet hopelijk waarom ik je deze pil geef.’ Om dan een paar uur later onverwacht te vragen: ‘Hoe gaat het met je?’.

Ruud Bakker, Hagenaar van geboorte, was dertig jaar lang soigneur. Peter Post ontdekte hem en vroeg Bakker met hem een ploeg op te bouwen, dat werd in 1974 Raleigh. Hij was nog even een half jaar (op aandringen van Thurau) in dienst van IJsboerke  in België, maar keerde vol heimwee terug bij Raleigh en bleef Post trouw bij Panasonic. Jan Raas, die in Bakker zijn enige vertrouwensman zag, vroeg hem mee te gaan naar een nieuwe ploeg, Kwantum Hallen. Bakker weigerde, hij bleef bij Post. Aan hem had hij veel te danken. Bakker had nadat Raas zich in zijn Zeeuwse dorp had afgezonderd van de wielersport als een der weinigen nog intens contact met de Zeeuw.

Ruud Bakker was alom aanwezig, groot en luidruchtig als hij was. Een hartelijke man die niet alleen het lijden in de samenleving doorzag maar vooral het lijden in de harde sportwereld. Na zijn zware hartoperaties verhuisde Ruud Bakker van zijn appartement aan de strandboulevard van Scheveningen naar Woerden, om samen met zijn vrouw Til dichter bij zijn zoon Reem en zijn familie te kunnen zijn. Reem heeft in Woerden een chiropractiepraktijk. Zijn andere zoon Thierry is osteopaat.

Ruud Bakker was vooral betrokken bij gevallen helden, zoals Reem verwoordt op de sterfdag van zijn vader. ,,Mijn vader voelde wat mensen bewoog. Hij gaf ze vertrouwen. Je bent wie je bent, zeg het maar. Hij heeft geleerd wat spieren zeggen. En hij heeft geleerd wat mensen drijft, zonder veroordeling. En dat is heel knap in deze tijd.’’

Deze necrologie is op 3 februari 2015 in kortere vorm gepubliceerd in NRC.Next en NRC Handelsblad

Ruud zwaait

Een bijschrift invoeren

 

Peter Sagan en de opluchting in de wielerwereld

30 sep

Wereldkampioen Peter Sagan omringd door zijn twee enige Slowaakse ploeggenoten en zijn vriendin Katarina

Wereldkampioen Peter Sagan omringd door zijn twee enige Slowaakse ploeggenoten (zijn broer Juraj en Michael Kolar) en zijn vriendin Katarina Smolkova

Getuige de verslagen en analyses van het afgelopen wereldkampioenschap op de weg in het Amerikaanse Richmond hebben de wielerjournalisten hun arbeidsvreugde teruggevonden. Hun stemming heeft dezelfde blije kleur als die van de mensen die door de jaren heen de wielersport door dik en dun hebben gevolgd. Zie de reacties op de sociale media. Wielrennen gaat weer over wielrennen. De koers is weer de koers.

Ik heb het begrip doping nog niet gelezen. Evenmin het begrip omkoping, dat nooit valt uit te sluiten in een commerciële topsport waar meer belangen het  wedstrijdverloop en de uitslag kunnen beïnvloeden. De wereldkampioen bij de profs, de Slowaak Peter Sagan, krijgt overal lof toegezwaaid. Alleen al door zijn indrukwekkende ‘panache’, die op de laatste klim begon, in elke volgende bocht door zijn stuurmanskunst meer allure kreeg en resulteerde in een niet eens uitbundige finish. En dan zijn verrassende politieke statement, dat de vluchtelingencrisis en het drama in Syrië serieus genomen moeten worden. Hij sprak zijn hoop uit dat de wereld ten goede verandert, dat mensen elkaar niet vijandig moeten bejegenen. Het leven is daarvoor te waardevol. Zoiets wilde hij benadrukken.

Het is weer eens wat anders dan zegevierende sporters en scorende voetballers geprogrammeerd en met tegenzin hun clichématige succesverhaal horen stamelen en pruttelen. Sagans verklaring klonk spontaan, als een sporter die weet dat sport kan bijdragen tot verbroedering. Een goedlachse jonge man (25), die beseft dat hij op een podium staat en daar de wereld kan vertellen wie hij is en hoe hij denkt. De ene keer met een kwinkslag, de andere keer met een serieuze blik. Hoe slecht hij zich ook in het Engels kan uitdrukken, hij zegt wat hij zeggen wil.

Her en der is geschreven dat een wereldkampioen als Peter Sagan een zegen voor de wielersport is. Een renner die het publiek niet alleen hoogwaardige sport biedt, maar ook vermaak. Juist na alle chaos en rumoer, veroorzaakt door dopingonthullingen en -bekentenissen, werd nog niet zo lang geleden de banvloek over de wielersport uitgesproken. Sponsors trokken hun handen af van de wielersport om niet vereenzelvigd te worden met aanstootgevende uitstraling. In veel mediakringen (onder leiding van angstige hoofdredacteuren) werd zelfs aangedrongen de wielersport met nog meer scepsis te benaderen, of dan toch zeker zuiniger met positieve beoordelingen om te gaan. In navolging van de Duitse televisiezender ARD viel hier en daar nota bene het woord Boycot.

De wielersport was verrot. Dat ook andere sporten (zoals vooral voetbal) bloot staan aan ‘verrotting’, veroorzaakt door commercie, spelverruwing, grenzenloze begeerte en andere ‘hogere’ belangen, heeft zelden geleid tot soortgelijke scepsis. De voetbalstadions lopen nog steeds vol, de media-aandacht wordt eerder groter dan kleiner. Terwijl toch van een structurele ontmanteling van sportiviteit, eerlijke uitgangspunten en gelijkwaardige strijd kan worden gesproken.

Of de wielersport gezond is en op sportieve gronden wordt bedreven, is niet duidelijk. De kans dat binnenkort weer een al jaren durend etterend kwaadaardig gezwel wordt ontdekt, is niet uit te sluiten. Waar aan het einde van de wedstrijd triomf en eeuwige glorie (en materiële rijkdom) wachten, ligt immers het kwaad op de loer. Ook Peter Sagan is een mens die aan verleidingen bloot staat, hoe zeer zijn oproep tot meer menselijkheid en vrede ook gemeend is.

Getuige de reacties en commentaren in zowel traditionele als sociale media heeft de wielersport zich ontdaan van het kwaad. In Duitsland en Nederland doet de aanwas van winnaars, talent en aansprekende renners het enthousiasme nog meer toenemen. De Nederlandse supporters hebben weer favorieten om te bewonderen en te koesteren. Na de massale verering van het nieuwe fenomeen Tom Dumoulin in de Ronde van Spanje, volgde de verwachting (ook in de media) dat een Nederlandse renner voor het eerst na 30 jaar (Joop Zoetemelk in 1985) wereldkampioen kon worden.

Als antwoord lieten de Nederlandse renners zich gedurende de zes uur lange race in Richmond onophoudelijk van hun meest aanvallende kant zien. Kijk, hier zijn we dan, de favorieten! Overmoed en naïviteit, gevoed door hoop. Zowel in de Nederlandse ploeg als in de huiskamers en op de perstribune en commentaarposities. Alsof aanvallen in een wielerkoers de beste verdediging is. Vraag het Sagan, die zich tot twee kilometer voor de eindstreep anoniem ophield tussen zijn twee (!) volslagen onbekende Slowaakse ploegmaten en met één ultieme aanval de Nederlanders bedankte voor hun slopende, onbezonnen sleepwerk.

Maar Nederland sprak een woordje mee. Daar ging het om, bij de wielervolgers. Op het beeldscherm was de toonaangevende kleur oranje. De Nederlandse bondscoach Johan Lammerts was dus trots. En de Nederlandse wielerliefhebbers en journalisten met hem. De hoop, waarop sport is gegrondvest, giert weer door de wielersport in het algemeen en door de Nederlandse wielersport in het bijzonder. Het was de toon die niet alleen de Nederlandse media zetten, maar ook de buitenlandse. Waarschijnlijk was het eerder de opluchting dat wielrennen niet langer verrot is, maar weer leeft.

We hoeven het even niet meer over doping en andere vormen van vals spel te hebben. Zonder vooroordeel naar sport kijken, zonder scepsis, zonder argwaan, zonder een bittere nasmaak, zonder insinuaties, zonder kritische en suggestieve tonen in de media en zonder zuinige complimenten. Is dat wat we willen? Is dat wat sponsors willen? Is dat waar sport voor bedoeld is? Gezonde sport in een verziekte samenleving, dat zou mooi zijn.

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

Erik Breukink: Als je golft sta je er helemaal alleen voor

10 sep

Foto Janus van den Eijnden

Foto Janus van den Eijnden

Erik Breukink heeft eigenlijk altijd al de rust uitgestraald die hij nu op het terras toont. Eerst als de begenadigde wielrenner, vervolgens als de beheerste ploegleider. Zijn geruststellende glimlach als iedereen in paniek raakt omdat de wereld in brand staat, is gebleven. Rust en controle over de situatie. Hij zou zomaar een goede golfer kunnen zijn.

‘Ja, ik denk dat het spelletje wel bij mij past’, bekent hij. Als hij geen wielrenner was geworden, vooral omdat zijn vader als directeur van Gazelle van wielrennen hield, zou hij best weleens een goede golfer geworden kunnen zijn. Hij zegt het niet met stelligheid, zo is Erik Breukink niet. Maar, vooruit. Hij heeft er tot nu toe nog niet over nagedacht, maar nu het hem gevraagd wordt, acht hij het niet uitgesloten. Typisch Erik.

Zijn vader Wim was een fanatieke sportman: tennis, wielrennen en vanaf zijn zestigste – toen hij meer tijd kreeg – golfen. Erik is ook altijd ‘een spelletjesman’ geweest. Thuis werden met het gezin aan tafel altijd spelletjes gedaan. ‘Ik was bloedfanatiek, in alles, ik kon niet tegen mijn verlies. Mijn vader leek rustig, maar ook hij wilde altijd winnen. Hij liet me ook zien hoe je moest golfen. We woonden aan de IJssel, bij Rheden. Mijn vader sloeg dan de bal zo ver mogelijk de weilanden in en de hond moest hem dan ophalen. Dat moest ik ook leren, zei hij. Maar zover was ik nog niet.’

Erik was meer met voetbal bezig, als een opkomende verdediger die eerst alles overziet om dan met een sprint langs de zijlijn ten aanval te trekken. Maar uiteindelijk ging zijn voorkeur uit naar wielrennen. Hij bleek een talent, een stilist die vooral in tijdrijden uitblonk. Golfen, dat hij pas ging doen toen hij in 1998 stopte met wielrennen, vergelijkt hij met tijdrijden. ‘Je staat er echt alleen voor, het gaat om focus en concentratie, niet forceren, rustig blijven, luister naar je lichaam, let op je bewegingen en weet waar je mee bezig bent.’

Vergis je niet in zijn temperament. Zoals hij al aangaf in zijn herinnering aan de spelletjes in huize Breukink. Bloedfanatiek. ‘Ik stopte in 1997 met wielrennen en werd toen gevraagd eens mee te gaan golfen. Bij mij in de buurt op Wouwse Plantage. Ik nam meteen lessen, wilde meteen mijn GVB halen. Binnen een paar jaar had ik handicap 21. Ik had tijd zat, wat moest ik anders? Een paar keer in de week ging ik met mijn tas naar de driving range. Vijf jaar was ik fanatiek bezig, ik had niets anders dan bij de NOS samen met Mart Smeets commentaar geven. Toen werd ik ploegleider bij Rabo, acht jaar lang. Ik had en nam geen tijd meer om te golfen. Achteraf jammer.’

Hooguit eens per jaar staat hij nog op de golfbaan, op uitnodiging of gewoon omdat zijn collega-ploegleiders bij Roompot, Michael Zijlaard en Jean-Paul van Poppel zin hebben. Dan merkt hij: ‘Je verleert het niet. Je weet na een paar slagen hoe het zit. De basisdingen, de grip, de houding, het hoofd, de focus, de ademhaling.’

Die andere ploegleider, Michael Boogerd, houdt zich verre van golf. ‘Dat is niks voor hem, zegt hij. Inderdaad, Michael wil altijd maar gaan, altijd aanvallen, zo was hij als renner, zo is hij als mens: rusteloos, te veel willen. Van Poppel is een man van de power, ja, een sprinter. Wachten en knallen. Mooi, dat je aan het karakter ziet of het spel bij hen past. Je kunt fanatiek zijn, zoals ik, maar je moet je ook kunnen beheersen. En dat kan ik geloof ik wel goed.’

Je moet ook vertrouwen hebben in wat je kunt, heeft Breukink als wielrenner ervaren. ,,Mijn ploegleiders, Ben van Erp, Peter Post, Jan Gisbers en Manolo Saiz wezen mij daar altijd op: je weet wat je kunt, vertrouw daarop. Zo is ook met golf. Weten met welke stok je een bepaalde afstand kunt slaan, niet forceren, gewoon de stok nemen die bij je past. Gewoon een zeventje. Ik kan wel zo’n joekel pakken, maar dat doe ik liever niet. Het spel is al zo moeilijk. Die obstakels, dat water, dat hoge gras, die bomen, die bunkers die je als monsters aankijken. In het begin dacht ik nog, dat doe ik wel even. Maar dat viel zwaar tegen. Wat ik al zei: het is net tijdrijden, niet over je grenzen gaan.’

Is golfen niet een sport voor wielrenners om tussen de talrijke koersen door tot rust en bezinning te komen? Even afleiding. De vraag stemt hem tot overpeinzing. ‘Ja, dat zou echt mooi zijn. Maar’, voegt hij er snel aan toe, ‘je moet wel les hebben gehad, een beetje kunnen golfen, anders heeft het geen zin. Je kunt niet maar zo tegen je ploeg zeggen: volgende week gaan we samen een dag golfen. En dan nog: wielrenners houden niet van slenteren, je fietst, je traint of je rust, liggen dus.’

De rust op het terras aan de rand van het natuurgebied overheerst. Erik Breukink richt zijn blik op een groot grasveld en speelt met zijn gedachten. ‘Ja, ik geloof dat dat spelletje wel bij mij past. Niet de stress van de koers, niet links en rechts aanvallen om je heen. Alleen zijn met jezelf. Ik denk nu terug aan al die tijdritten. Je staat op het startpodium. Je hebt nog zoveel seconden, je kijkt naar je voeten op de pedalen, naar de stand van je versnelling, naar je benen, je schouders, je hoofd en je armen. Je loopt alles na. Je richt je blik naar voren, focus, je ademt in en uit, en dan ga je, alleen. Je kijkt op en je gaat, zoals je met golf de bal ziet gaan. Je vertrouwt en je hoopt. Mooi.’
——————————————————————————————————————————————————————–
Erik Breukink (1964) was een van Nederlands succesvolste wielrenners. Hij werd in 1985 beroepsrenner, eindigde in de Ronde van Italië (Giro) van 1988 als tweede (hij won toen ook de etappe over de besneeuwde pas van de Gavia). In de Ronde van Frankrijk (Tour de France) van 1990 werd hij derde en in de Ronde van Spanje (Vuelta) van 1993 zevende. In al die rondes won hij een of meer etappes, zoals in 1989 de proloog (openingstijdrit) van de Tour. In 1993 werd hij Nederlands kampioen. Ook won hij belangrijke koersen als de Ronde van het Baskenland, de Ronde van Nederland en het Internationaal Wegcriterium (2x). Na zijn actieve rennerscarrière was hij vijf jaar commentator voor de NOS, en vanaf 2004 ploegleider en vervolgens directeur van de Rabowielerploeg. Nu is hij ploegleider van Roompot Oranjepeloton.

Dit interview is gepubliceerd in GolfersMagazine 7 in de serie ‘Mijn nieuwe sport’. Eerder verschenen in deze serie Femke Dekker (ex-roeister), Robert Eenhoorn (ex-honkballer), Kristie Boogert (ex-tennisster), Kenneth Perez (ex-voetballer), Gijs van Lennep (ex-autocoureur) en Barry Hughes (ex-voetbalcoach)

Steven de Jongh moet Alberto Contador goede gevoel geven

9 jul

Ploegleider zijn van wielrenners, is dat niet vanuit de ploegleidersauto schreeuwen, aanvuren, kalmeren, opdragen en bijstaan wanneer de renner zich geen raad weet met de situatie in de wedstrijd? Is dat niet de commandant achter het stuur van de vol met reclame geplakte auto, die namens de financiële investeerders dwingende opdrachten verstrekt aan de werknemers op de fiets? Schreeuwlelijken, boemannen, mannen die het wiel opnieuw hebben uitgevonden? Clowneske types wellicht voor buitenstaanders die wielrennen in het bijzonder en topsport in het algemeen vanuit een cynisch oogpunt wensen te beschouwen?

Maar, drijf niet de spot met deze mannen die hun hart laten spreken. Wielrennen is hun leven. Wielrennen vúlt hun leven. Vaak eerst als wielrenner en vervolgens – door hun rennerservaring – als ploegleider. Ik heb er veel van nabij gevolgd, ploegleiders, mannen die hadden geleerd hoe de koers in elkaar steekt, hoe de verhoudingen tussen ploegen en renners liggen, wie kwetsbaar is en wie sterk, wie te manipuleren is, wie alleen aan zichzelf denkt, wie dienstbaar is. Tjonge, wat was ik gefascineerd door Lomme Driessens, Peter Post, Cyrille Guimard, Davide Boifava, Giancarlo Ferretti, Maurice Demuer, Manolo Saiz, Jose Miguel Echavarri, Patrick Lefevere, Jan Raas, Bjarne Riis, Johan Bruyneel en andere, soms innoverende ploegleiders, mannen die naast hun ervaring als wielrenner de almaar voortschrijdende technische, psychologische en medische wetenschap omarmden.

Steven de Jongh geeft Alberto Contador advies

Steven de Jongh geeft Alberto Contador advies

Het is een opmaat voor een schildering van Steven de Jongh (41), een Nederlandse oud-wielrenner die sinds dit voorjaar verantwoordelijk ploegleider is van een van ’s werelds beste wielrenners én favoriet voor de eindzege in de Tour de France, de Spanjaard Alberto Contador. De Jongh, niet eens zo bijzonder succesvol als wielrenner, werd door de vermogende Russische eigenaar en doorslaggevende geldschieter van de ploeg Tinkoff-Saxo, Oleg Tinkov, aangesteld om de Spaanse ronderenner Contador en de Slowaakse sprinter/klassieker- en eendagspecialist Peter Sagan te coachen.

In de opportunistische wereld van de commerciële topsport liggen aanstelling en ontslag dicht bij elkaar. Bjarne Riis, toch een man met reputatie, intelligentie, inzicht en ervaring met wat zich in het wielerpeloton afspeelt, werd uit de weg geruimd door Tinkov, een puissant rijke ondernemer. Riis’ plaatsvervanger werd Steven de Jongh. Een ex-wielrenner, een collegiale en sociaal betrokken sportman die op handen werd gedragen door zijn voormalige, succesvolle, Belgische ploegleider Patrick Lefevere (‘ik wou dat ik acht Steven de Jonghs had in mijn ploeg’) en bij de Britse ploeg van Sky had geleerd hoe wielrenners zich op wetenschappelijke basis (dus ook op gebied van voeding, levensinstelling, sociale betrokkenheid en psychologische kennis en training) kunnen verbeteren. Dat hard fietsen niet alleen een kwestie is van hard doorfietsen. Fysieke training, de succesformule van vroeger, is al lang niet toereikend meer.

Tinkov, eigenaar van Tinkoff Credit Systems, moet zeker hebben willen weten hoe hij de door hem zwaar betaalde renners tot het uiterste kan drijven. De 47-jarige Rus was in zijn jonge jaren wielerkampioen van Siberië en stond te boek als een bikkelharde sportman. Totdat de militaire dienstplicht hem dwong met wielrennen te stoppen. Als eigenaar van de wielerploeg wordt hij nu vaak een slavendrijver genoemd, een man die louter ter meerdere eer en glorie van zijn onderneming Tinkoff en zichzelf mensen laat strijden. Egomanie is niet ver meer. Tinkov (let op: zijn naam wordt in de commerciële Engelse vertaling Tinkoff) zocht en meende de beste mensen te hebben gevonden om zijn imperium te vergroten. Zo vond hij Steven de Jongh, niet nadat hij – vanzelfsprekend – de antecedenten van de Nederlander had nagetrokken. Hij vernam uit alle hoeken en gaten dat Steven de Jongh de beste was om de ploeg te coachen.

Steven de Jongh kent dus het wielrennen. Hij reed voor TVM, QuickStep en Rabobank. Hij weet waarom je wint en waarom je niet wint. Waarom stimulerende middelen worden genomen, waarom je ertoe wordt gedwongen, waarom je niet meer weet waarom en voor wie je moet presteren, waarom iedereen doet wat je eigenlijk niet zou moeten doen. Wat het nut is, waarvoor je het doet, de snelste willen zijn, anderen helpen om de snelste te zijn. Mensen leren kennen.

Stevendejonghwint

Hij won niet de grote klassiekers, daar schoot hij in tekort. Dat is ook een leerproces. Leren waar je grenzen liggen. Wel als een beest te boek staan, een wielrenner die zich onder de slechtste weersomstandigheden staande houdt – zeg maar zich in zijn element voelt – maar niet Parijs-Roubaix of de Ronde van Vlaanderen wint. Dan maar vrede hebben met overwinningen in de E3-Prijs en Kuurne-Brussel-Kuurne. En de mooiste overwinningen laten aan vrienden die meer in hun mars hebben. Vrienden helpen is ook en vooral een grote kwaliteit in de topsport, waar egocentrisme hoogtij viert.

Topsport is niet zomaar een harde leerschool. Wielrennen gaat over fysieke en mentale grenzen. De een vraagt te veel van zichzelf en vindt zichzelf terug in de goot of in of een of andere afkicklocatie, herstellend van overmatig gebruik van zijn talenten, laat staan van middelen die hij meende te moeten aanwenden om beter te worden dan zijn natuurlijke ik. De ander blijkt sterker dan hij vermoedde en put daar vertrouwen uit: dit kan ik dus ook, er is meer dan ik heb gevoeld en mij is verteld. Mensen die een oorlog hebben overleefd, bleken over meer krachten te beschikken dan zij vermoedden.

Steven de Jongh heeft geen échte oorlogen overleefd. Hij heeft niet meer overleefd dan mensen die getroffen zijn door lichamelijk en psychisch leed en tekortkomingen van medemensen. Hij verloor op vroege leeftijd zijn vader, een man wiens genen hem als wielrenner hebben bevrucht. Hij zat een nacht in een Franse gevangenis, samen met ploeggenoten van TVM, nota bene omdat de Franse justitie hem en zijn collega’s verdachten van het gebruik van verboden stimulerende middelen. Zo gek gaat de samenleving om met beroepssporters. En Steven de Jongh scheidde van zijn vrouw. Om wat voor reden ook. Dat kan gebeuren.

Steven de Jongh wordt in de Tour van 1998 gearresteerd door de Franse politie

Steven de Jongh wordt in de Tour van 1998 gearresteerd door de Franse politie

Maar hoe overleef je beschuldigingen over gebruik van doping? Eerst het zwijgen, zodat je niet wordt gestigmatiseerd als crimineel. Dan blijven zwijgen. Dan ontkennen. Dan met je gezin en je familie durven delen dat je inderdaad middelen hebt genomen om een betere wielrenner te worden, aan hen te laten zien hoe goed je was, hen te tonen dat je echt een goed mens was en niet voor niets zo hard trainde. ‘Papa en mama, kijk eens: ik ben de beste, zonder handen aan het stuur!’ Zo was het dus niet helemaal.

Hoe afschuwelijk is het niet om uiteindelijke te bekennen dat je puur natuur niet zo geweldig bent. Sky, de Britse ploeg die hem eerder als ploegleider aanstelde, vroeg hem op de man af eerlijk over zijn verleden te zijn. Hij moest een handtekening zetten onder een verklaring waarin stond dat hij nooit met doping in aanraking was geweest. Hij kon het niet en bekende schuld. Ook hij had zijn toevlucht genomen tot versterkende middelen. Was hij dom geweest? Was hij een crimineel? Het spookte in zijn hoofd, duivels en engelen vochten als gezworen vijanden. Nachtenlang. Hij keek om zich heen en zag andere mensen, andere wielrenners. Wie waren zij? Wie was hij nog? Steven de Jong, een Noord-Hollander die de trappers was kwijtgeraakt, zoals velen in deze samenleving waar prestaties meer en beter worden beloond dan nederigheid.

En toen kwam Bjarne Riis, een Deense oud-wielrenner en oud-Tourwinnaar die uiteindelijk ook had bekend dat hij (heel veel) doping had genomen. De Jongh was een man met ervaring. Hij had bij Sky de wetenschap, de integriteit en de transparantie ontdekt. Zelfs Alberto Contador vond hem. Een wielrenner die won zoals hij dat wilde, maar toch niet vond wat hem voldoende bevredigde. En als hij won, dan was er de argwaan die steeds meer is gaan heersen rondom de wielersport. Contador zocht naar een bondgenoot, een vertrouwenspersoon die door middel van levenservaring en aangetoonde sociale betrokkenheid hem nóg beter kon maken.

Contador is een overlever. Sinds hij in zijn jonge jaren op de rand van de dood heeft geleefd, als gevolg van een gesprongen ader in zijn hoofd met een   (positief uitgevallen) schedellichting tot gevolg, is winnen een obsessie. Overwinnen. Alles winnen wat binnen zijn mogelijkheden ligt – ook wat niet binnen zijn mogelijkheden ligt. Steven de Jongh kan hem helpen, door ervaring, aan de hand van wetenschappelijke analyses en door communicatie. Open zijn, transparantie, ervaringen delen, emoties doorgronden, vragen en nog eens vragen. Wat voel je? Wie ben je nog? Wat wil je? Kun je dat? Waarom wel of waarom niet?

Steven de Jongh gaat te rade. Hij praatte met Ajax-coach Frank de Boer over zijn ervaringen, over voeding en dieet, over bewegen en rustmomenten, en met andere coaches in welke sport dan ook, over elk facet dat er in topsport toe doet. Hij opent zijn hart voor de wielersport. Hij zegt niet zoals ploegleiders uit een ver verleden wat moet, ter meerdere eer en glorie van de sponsor. Hij vraagt en is benieuwd. Rondom staan geschoolde specialisten uit Rusland, België, Denemarken, Italië en de Verenigde Staten hem bij.

Steven de Jongh geflankeerd door zijn medewerkers

Steven de Jongh geflankeerd door zijn medewerkers

Steven de Jongh is niet zomaar een ploegleider. Hij is manager, supervisor, de man met de grootste ogen, de grootste oren en de gevoeligste zintuigen. Als hij de verwachtingen nu maar kan waarmaken, vooral Alberto Contador na de triomf in de Giro ook naar een triomf in de Tour loodsen. In de commerciële topsport tellen niet alleen menselijke eigenschappen. Maar dat weet De Jongh intussen als geen ander.

Dit portret is gepubliceerd in NLcoach, juli 2015

Feest van blijheid, hoop en ongebreideld chauvinisme

2 jul

De Tour de France past geen bescheidenheid. Kijk dus niet op van de kermissfeer rondom de start van dit sportevenement in Utrecht. Ze is van alle tijden en zal in de komende jaren vast en zeker groeien. Zodra de Tour een stad aandoet gaan op alle huizen, gebouwen en pleinen de vlaggen uit. De Tour is meer dan sport, meer dan wielersport. De Tour is een feest, een zomerfeest waarin niet alleen wielrenners willen stralen.

De Tour van 2014 in Engeland

De Tour van 2014 in Engeland

Over gigantisme als een woekerend abces, waar de Tour-directie twee decennia geleden nog angstvallig voor waarschuwde, wordt nauwelijks meer gesproken. Integendeel. Mogelijk straks als de Tour voorbij is. Wie zich nu in Utrecht begeeft of straks langs de wegen naar Zeeland, België en Frankrijk wil staan, wordt overweldigd door blij, uitzinnig volk. Het is alsof de Tourkoorts, onlangs zo indringend door Peter Ouwerkerk (sinds 1971 Tour-verslaggever/chroniqueur) beschreven in ‘Bidon, een leven lang de Tour’, zich alleen maar uitbreidt. Zeker nu in Nederland, waar niemand kan ontkomen aan dit verslavende virus.

Ik herken de verslaving. Twee decennia lang was ik wielerverslaggever en kon ik niet buiten de Tour de France. Geen voorjaar (tijd van verlangen en honger) en zomer (tijd van overgave) zonder de opwindende reis door Frankrijk, langs boeiende landschappen, over prachtige bergen, langs vervaarlijke ravijnen, in verschroeiende hitten, in dagenlange regenbuien, in armoedige én chique hotels, in verstikkende perszalen en langs kuddes verdwaasde toeschouwers die nauwelijks wisten waarom ze langs de weg stonden. De onafgebroken discussies met collega’s na afloop in het restaurant en nog later op het avondterras of aan de bar.

Ik droomde elke nacht van wielrenners. Zelfs weken na afloop van de Tour, zat het wielrennen nog in mijn hoofd en mijn hart. Daar hielp geen heerlijk Grieks strand of natuurwandeling in de Alpen als afkickproces tegen. De Tour zat in mijn systeem en ging er maar moeizaam uit. Om mijn liefdesrelatie gezond te houden (wat niet lukte) en mijn sociale netwerk te onderhouden, was dat wel nodig.

De afkickverschijnselen na jaren verslaggeving in de Tour de France voelden zwaar, de adrenaline begon op stille, ongewenste momenten weer te spuiten. Mijn hart sloeg op hol, omdat het vroeg naar de Tour, het onbezonnen, opwindende, avontuurlijke leven. Mijn hart was een Tourhart. Mijn hart klopt nu aangenaam, vrij rustig. Mijn dagelijkse meditatie en contemplatie helpen me daarbij. Er is meer in het leven. De verwondering overheerst nu.

Het is dus nu weer tijd voor het feest van blijheid en hoop. Tijd voor uitgelatenheid, bespiegelingen en identificatie met oude en jonge helden. Op sociale media bestoken supporters, volgers en anderen elkaar van ’s morgens vroeg  tot ’s avonds laat verslaafd en verdwaasd met ronkende meningen, vaak uit de onderbuik maar ook uit het hart.

Het is dus weer voor ongebreideld chauvinisme. Vooral in thuisland Frankrijk. Fransen hunkeren naar Franse helden, Italiaanse naar Italiaanse, Belgische naar Belgische, Spaanse naar Spaanse en Nederlandse naar Nederlandse. Pas op, het is elk land raak, zodra de lokale helden op kop rijden. Op de voorpagina’s van kranten, magazines en talrijke boeken (de handelsgeest tiert welig) worden de lokale helden voorgesteld als favorieten. Terwijl de Tour de France toch een wedstrijd is met favorieten uit vele landen. Wie waren ook weer Fausto Coppi, Eddy Merckx, Jacques Anquetil, Miguel Indurain, Bernard Hinault, Lance Armstrong en Joop Zoetemelk? Wie?

Eens was een start- of etappeplaats van de Tour de France buiten Frankrijk door de organisatoren bedoeld als verspreiding van de Franse cultuur. Die ambitie is overvleugeld door commercie en consumentisme (geld en begeerte). Alleen de namen zeggen iets over het oorspronkelijke Franse karakter van de ronde. De start in Utrecht heet Le Grand Départ. De doorkomst in Zeeland en aankomst op Neeltje Jans wordt Tour de Zélande genoemd. En zo zijn er meer Franse etiketten. Maar vooral ook regels die door de lokale organisatie streng dienen te worden nageleefd. Gelukkig gaan niet alle tradities op de schop.

De Tour is geglobaliseerd en gemondialiseerd. De favorieten zijn niet langer Fransen. Een Brit vooral, een Italiaan, een Spanjaard en een Colombiaan – een Australiër, een Pool? – zullen hoogst waarschijnlijk strijden om de eindzege. Geen kopman uit Frankrijk, nota bene, of uit België en Nederland. Zij zullen zich tevreden moeten stellen met een topklassering of zich moeten richten op een overwinning in een etappe of tijdrit. Tevreden? Het Nederlandse volk (de televisie voorop) zal exploderen wanneer een landgenoot op kop rijdt en vooral wanneer hij wint – waar of hoe dan ook. Je voelt het aan de atmosfeer, opgejaagd door de ontketende media, die geen maat kennen. Relativering is uit den boze.

Voel je druk? Het is de meest gestelde vraag aan Tom Dumoulin, een 24-jarige Nederlandse renner die allerwegen is bestempeld als dé kanshebber voor de openingstijdrit in Utrecht. Hoe zou zijn antwoord luiden? Wat als zijn lichaam onder de immense druk bezwijkt en ‘onze Tom’ ziek is – of die dag niet goed genoeg, dan wel domweg valt? Een tv-verslaggever vroeg aan een Nederlandse favoriet voor een hoge klassementsklassering, Bauke Mollema, wie hij graag de tijdrit zag winnen. Mollema antwoordde: ‘Fabian Cancellara’. Zijn Zwitserse ploeggenoot. ‘Echt waar? Niet Dumoulin?’ Nee, zijn ploeggenoot in het Amerikaanse team Trek, Cancellara dus, moest winnen. Dat wielrenners niet per definitie nationalistisch denken bevreemdt niet. Zij zijn domweg professional. Zij worden door een internationale firma betaald en rijden samen met renners uit alle landen.

Zo gaat het in elk land. In de periode dat ik de Tour versloeg, stoorden wij Nederlandse journalisten ons aan het grensoverschrijdende chauvinisme van de Franse media. Hoe elke dag de Franse kranten werden geopend met uitzinnige kretologie over Franse renners. Hoe Fransen alleen nog Fransen willen kennen. Natuurlijk waren wij betrokken bij de Nederlanders Joop Zoetemelk, Hennie Kuiper, Peter Winnen, Johan van der Velde, Steven Rooks en Erik Breukink. Maar zoals de Fransen? Nee. Toen Zoetemelk in 1980 de Tour won kwamen duizenden Nederlanders naar Parijs om hem als winnaar toe te juichen. Het was rustig vergeleken bij wat zich jaren daarna in hysterische zin op Alpe d’Huez (de Nederlandse berg) ging afspelen en nu rondom Utrecht en Zeeland gaat gebeuren. En wacht op de dag dat Alpe d’Huez beklommen gaat worden. De gekte zal grenzenloos zijn.

Ploegenpresentatie Tour in Utrecht.  Foto Jeroen Wielaert

Ploegenpresentatie Tour in Utrecht.
Foto Jeroen Wielaert

Ze komen in de hoop iets van de kanshebbers Christopher Froome, Alberto Contador, Vincenzo Nibali en Nairo Quintana te zien, liever om de Nederlanders Tom Dumoulin, Bauke Mollema, Steven Kruijswijk, Laurens Ten Dam, Twan Poels, Wilco Kelderman, Lars Boom en Robert Gesink aan te moedigen, liefst aan te raken. Want dat is wielrennen nog steeds: je kunt de renners van nabij zien (met alle gevaren van dien), hun massageolie ruiken, hun hightech-fiets bewonderen en – zo las ik al – om de hotels waar de renners verblijven te aanschouwen. Verdwazing? Gekte? Het gebeurt nu eenmaal. Het is in geen andere sport het geval.

Hoewel alweer de eerste berichten over nieuwe verboden middelen opduiken (de Duitse dopingexpert Perikles Simon liet al weten dat het nieuwste middel alle oude middelen overtreft), blijft de wielersport aantrekkingskracht uitoefenen. Of juist daardoor. Niet dat het grote publiek gelooft in schone sport. Het gaat om bewondering en verwondering. Om de sensatie. Het evenement als spektakel, als sportief amusement. In Nederlandse kranten wordt zelfs nog (alweer) uitgelegd hoe het spel gespeeld wordt. Even bijpraten! En dat na honderd jaar Tour de France. Zoals ‘De Tour de France voor dummies’ in het Algemeen Dagblad. Gerrie Knetemann, een filosofische renner die zich interesseerde voor geschiedenis, voorspelde het me begin de jaren tachtig in een interview in De Volkskrant: ‘Pas op: We gaan qua opwinding de Romeinse tijden nog eens overtreffen.’

Dat Nederlanders kunnen meestrijden om een etappeoverwinning en een hoge eindklassering versterkt vanzelfsprekend de aantrekkingskracht. Dat is wel anders geweest, zeker na de dopingonthullingen rondom de Amerikaan Lance Armstrong en zowaar en massaal in de Nederlandse Rabo-ploeg, nota bene. Veel mensen zullen de Tourkaravaan in Frankrijk gewoon blijven volgen. Mollema, Ten Dam, Dumoulin en Gesink gaan de druk voelen. Hoe onaangenaam die druk ook is, het is een droom die uitkomt: aangemoedigd en toegejuicht worden door een massa landgenoten. Dat is toch waar ze als jongetje van droomden? Dat is toch wat iedere sportman wil? Afzien en bewonderd worden. Dan maar druk, dan maar overtollige aandacht. Een wielrenner zonder Tour is geen wielrenner.

Wie zich afwendt van dit spektakel, mist veel. Je kunt enerzijds met chagrijn en tegenzin kijken, ‘omdat het er toch niet sportief aan toe gaat’. Je kunt je ook verwonderen over wat mensen drijft om de Tour te rijden, waarom zoveel mensen er door opgewonden raken. Nieuwsgierigheid, als een quasi-wetenschappelijk onderzoek. Mogelijk is dat alles een luchtspiegeling die afleidt van het als deprimerend ervaren leven. Het verdooft de pijn en somberheid waaraan we maar niet lijken te ontkomen. Door toe te geven aan verleidende prikkels (winkelen [neuroshopping], materiële rijkdom, mooie snelle auto’s, televisie, smartphones, sportevenementen, amusement, drank en drugs) stijgen we even op uit het bestaan waarin we het vermoeden hebben voortdurend tekort te schieten. Het leven is niet wat we wensen. De vraag is: wat wensen we eigenlijk? Daarom worden we graag high, al is het maar even. Zo is het bij mij althans, nog steeds.

Als straks Contador, Froome, Nibali en Quintana op de flanken van de bergen elkaar aftroeven in kracht en uithoudingsvermogen die ze opdeden in ellenlange trainingsritten en hoogtestages, veer ik op. Alweer. Ik wel. Wie niet? Die mannen dienen wat mij betreft zeker niet louter sceptisch gevolgd te worden, omdat ze het spel mogelijk niet eerlijk spelen. Ze verdienen ook bewondering. Ik begrijp die selectieve afkeer niet. Waarom wel bewondering voor voetballers, tennissers, hardlopers en schaatsers en niet voor wielrenners? Doping? Doping is toch inherent aan (commerciële) topsport. Wie aan sport doet wil winnen, wie aan topsport doet gaat over grenzen, overtreedt spelregels. Zo is het nu eenmaal.

Ik kijk uit naar de strijd, de strijd om de eindzege, de strijd om de etappeoverwinningen. De strijd om welke titel en trui dan ook. Wat mensen doen om de beste in hun sport te zijn. Dat is fascinerend. Dat andere mensen zich ermee willen vereenzelvigen is even fascinerend. Een paar weken feest. De vlaggen gaan uit. Gek doen. Dat mag best weleens.

Deze column is gepubliceerd op de website van http://www.Sportenstrategie.nl

Jeroen Wielaert, de creatieve geest achter de Tour-start

3 mei

Nee, de God van Utrecht is hij nog niet genoemd. Het had de afgelopen maanden in de aanloop naar Le Grand Départ in Utrecht zo maar gekund. In de almaar toenemende euforie was er immers steeds de alles omvattende vraag naar duiding van deze Utrechtse gangmaker. Wie is toch die onstuitbare man die de directie van de Tour de France ervan wist te overtuigen dat ’s werelds grootste wielersportevenement in Utrecht van start moest gaan? Un fou romantique, een romantische gek? Nee, dat is te gemakkelijk. Daar doe je Jeroen Wielaert tekort mee. 

Jeroen kijkt me aan, als ik tegenover hem in een Utrechts café over God begin. Nou ja, als dat zou kunnen. Willen we dat allemaal niet? God zijn. En enige trots is hem vanzelfsprekend niet vreemd. We kennen elkaar al ruim dertig jaar. Kwamen we elkaar niet voor het eerst tegen in de Ronde van Zwitserland, 1987? Hij als debutant, ik al zo’n tien jaar ervaren met de wielersportverslaggeving. Of was het eerder? We deden immers ook jarenlang aan judoverslaggeving. Hoe dan ook: we voelden elkaar meteen aan.

jeroen
Waarom? We komen uit dezelfde streek. ‘Boertjes’ die toch maar het avontuurlijke leven in de Tour de France hebben mogen leren kennen. Afkomstig uit een streek bovendien waar het godsbesef overal voelbaar is, waar spiritualiteit in de lucht lijkt te hangen: er moet toch iets meer zijn in dat platte leven.

Zo suist ook dezelfde soort muziek door onze hoofden. Blues en rockmuziek, van Cuby + Blizzards (Somebody will know someday) tot U2 (Bullet the blue sky), laat zich moeiteloos verweven met de wielersport – voor wie het aanvoelt. Jeroens boeken over de wielrenners en de bluesvertolkers van weleer spreken voor zich. En dan nog zijn andere boeken en radioreportages over velerlei kunstenaars, zoals dichters en andere spirituele geesten. Hij is benieuwd naar het leven.

Over het fenomeen wielersport hebben zich vele filosofen en psychologen gebogen, meer dan over welke sport ook. Over lijden en afzien. Jeroen is er zelf een. Hij blijft zoeken. Zal hij ooit het antwoord vinden? Niet moraliseren, zoals tegenwoordig gebruikelijk is, nee, gewoon kijken, voelen en ervaren. Wat het me je doet, wat het leven met wielrenners doet. Als straks (de vierde en vijfde juli) de Tour de France de bevolking van Utrecht en omstreken aanraakt, moet iedereen proberen te voelen wat Jeroen Wielaert al sinds zijn eerste contact met de Tour in 1967 (hij was elf jaar) heeft geboeid. 

Dit is nou wielrennen! Dit is de Tour. Dit is wat hij meekreeg van de toenmalige NOS-commentator Fred Racké, van renners als Gerben Karstens, Jos van der Vleuten, Guido van Reybrouck en Charly Grosskost, en kort daarna van Jan Janssen en Eddy Merckx. Allemaal opgeslagen in de plakboeken van zijn puberteit.

Al die vragen en vraaggesprekken over hoe het allemaal zo gekomen is, Het Grote Vertrek, heeft hij al beantwoord. Zonder tegenzin, geen moment. Enthousiasme en de vurige, onstuitbare wil om mensen te vertellen en te laten zien waar zijn hart naar uitgaat. Bij het binnengaan van het Utrechtse café wordt hij staande gehouden, in het café wordt hij herkend. Hij oogt vermoeid van waarmee hij dagelijks bezig is, strijkt door zijn haar, kijkt ongeduldig om zich heen. Schichtig soms. Maar hij gaat door waar hij begonnen is. Zo is hij nu eenmaal. Bezielen, zijn ziel overbrengen op anderen, op mensen die nog niet begeesterd dan wel betoverd zijn door de wielersport, de Tour de France in het bijzonder.

O, dit is een interview voor een blad dat vooral wordt gelezen door coaches en in coaching geïnteresseerde mensen? Weer eens wat anders. Snel zoekt hij naar een invalshoek die hij nog niet heeft kunnen of mogen uiten in al die media die hij bereidwillig en enthousiast te woord heeft gestaan. Neem nu het moment, zo begint hij, in die kroeg dat hij samen met zijn maatje Jan Fokkens op bierviltjes uittekende hoe een Tour-start er in Utrecht uit zou kunnen zien. In 2002, dat was niet ver van het etablissement waarin we nu van de wijn drinken – sous le Dom. ,,Een droom werd een obsessie. Gewoon, dit kan gewoon. Hoe kunnen wij mensen inspireren en zo ver krijgen deze droom te verwezenlijken? Toen brak het moment van coachen aan. Hoe breng je een idee over op anderen.’’

De stad, de toenmalige burgemeester Annie Brouwer en de toenmalige wethouder Hans Spekman werden geraakt door het plan. Zo vreemd was dat niet. Jeroen liet zich gelden in Parijs, drong gemakkelijk door tot het brein van de Tourdirecteuren. Eerst van Jean-Marie Leblanc, een Nordiste, een beetje Hollander, een beetje Vlaams, en voormalig ploeggenoot (bij Pelforth) van Nederlands eerste Tourwinnaar Jan Janssen. En vervolgens van Leblancs opvolger Christian Prudhomme. Wie de assertiviteit kent waarmee Jeroen zich onbeschaamd aan renners achter de finish opdrong en vragen stelde, begrijpt dat Leblanc en Prudhomme deze innemende, geestdriftige en wielerminnende Tourvolger gauw in de armen sloten.

Er is weleens minachtend gelachen om die amechtige, zwetende man die met microfoon en nagra honderden meters renners achterna holde ten einde een kreet van euforie of frustratie te ontfutselen. Wat konden ze nog uitbrengen? Waar hadden ze nog zin in na zoveel kilometers zware koers? Maar ja, hoor. Daar stond hij weer, zwetend en hijgend, tegenover afgepeigerde renners, die hem vervolgens weleens met een ‘lullig’ antwoord afscheepten. Dat vereist niet alleen onbeschaamdheid maar vooral doorzettingsvermogen én incasseringsvermogen. Om dan ook wel trots tot in zijn tenen met een ‘primeur’ terug te keren bij de andere verslaggevers. Uiteindelijk dwong hij daarmee ook respect af, bij de renners en bij de ploegleiders. En niet in het minst bij collega-journalisten.

Zoals Leblanc en Prudhomme dat ook moeten hebben gevoeld. ,,’Ayez patience, Jerome,’ zei Leblanc tegen me.’’ Jeroen was met wijlen Fedor den Hertog, de oud-wielrenner, in Vaison-la-Romaine toevallig bij een optreden van de Tour-jazzband van Leblanc beland. Overal zocht en vond Jeroen een gelegenheid om te stoken. Maar geduld? Wat is dat? Utrecht in 2010, of zelfs later? Dan pas? Nou, vooruit.

Ik zag hem rommelen en stoken bij de start van een Touretappe. Terwijl burgemeester Ivo Opstelten van Rotterdam (nota bene voormalig burgemeester van Utrecht) zich in een strak kostuum wereldvreemd in de Tour de France liet fêteren door Tourcoryfeeën als Bernard Hinault (‘aardige man, die man, o, is dat Bernard Hinault?’) – zoals honderden burgemeesters vóór hem – schuimde Jeroen Wielaert langs en door het peloton, waarvan iedereen hem kende. Die onvermijdelijke man in spijkerpak met een microfoon in zijn knuisten en een zonnebril op zijn hoofd, die iedereen die hij in de ogen keek aansprak.

Opstelten zou winnen van Utrecht, zeg maar van Wielaert. Dat was een slag in het gezicht, niet in het minst in dat van de Utrechtse notabelen.

Hij had zich kunnen neerleggen bij het oordeel van Prudhommes beslissing van november 2008. Maar toen kwam de vechtlustige coach in Jeroen Wielaert boven. Waar Utrecht verslagen reageerde, gooide Jeroen er als kenner en beschrijver van de Franse cultuur en historie (lees zijn boeken zoals ‘Het Frankrijk van de Tour’) een kreet van Charles de Gaulle tegen aan: ,,Nous avons perdu la bataille, mais pas la guerre.’’ Kortom: we hebben niet verloren, we hebben gewoon nog niet gewonnen. Of: we zijn nu van Rotterdam verlost, die hebben hem al, nu wij, een tegenstander minder.

Jeroen ging er hard in: ,,Mijn taak was bezielen. Er is niets meer te verliezen. Zij, de Utrechters, wisten het even niet. Ik moest doorgaan. Hoe hebben wij het kunnen verliezen van die rot Fransen? Daar schiet je niks mee op. Hoe kunnen we onze hartstocht blijvend houden? Veerkracht, maar dat dan vooral tonen tegenover de Tourdirectie. Prudhomme dus. Stoken, bestoken en laten zien wat we willen, en hoe we het willen. En begrijpen dat de Tour ons nodig heeft. Zij hebben Utrecht nodig, ze willen wereldwijd gaan, ze willen enthousiaste kandidaten.’’

jeroen wielaert 2014
Hij moest twijfel weghalen bij de betrokkenen, bij de lokale pers die graag de criticaster uithangt. Hij moest zoeken naar nieuwe wegen, oude kennis en ervaring. ,,De mentaliteit van volharding en overbrenging van kennis.’’ De tegenslagen mochten niet doorslaggevend zijn. De wielersport die in een kwaad daglicht kwam te staan door verregaande dopingonthullingen en -bekentenissen, ook van Nederlandse renners. Nota bene de hoofdsponsor van het geplande Tour-spektakel en tegelijkertijd sponsor van Nederlands belangrijkste wielerploeg, Rabobank, haakte mede daarom af. Het imago van de bank stond op het spel. ,,Rabo was dus niet de gedroomde spits. We moesten verder zoeken, naar sponsoren en andere geldschieters en geïnteresseerden.’’

Het moet een hels karwei zijn geweest. Door te dringen tot het brein van gemeentebestuurders, politici, partners, sponsors, media en managers – en niet in de laatste plaats tot de geest van de Tourdirectie, Christian Prudhomme in het bijzonder. Naar ideale plekken, straten en pleinen zoeken waar wielrenners moesten rijden. Liefst bij de Dom. Graag onder de Dom, natuurlijk. Zoals nu gebeurt. Zonder de Dom geen Utrecht.

Diezelfde Prudhomme zweepte Jeroen Wielaert op: Continuez, continuez. En elke keer weer toog hij naar Frankrijk, naar de Tour, naar de Tourvolgers, naar de Tourrenners van weleer. Boeken en geschriften volgden elkaar op. Interviews op radiozenders met mensen uit de Tour gingen door. Alleen de NOS, de omroep die jarenlang volop van zijn kennis profiteerde, wilde niet meer dan hij verder ging in de Tour. Wielrennen was doping, wielrennen had niets te maken met historie, romantiek, cultuur, sociologie en filosofie (zoals Jeroens illustere televisie-voorganger Jean Nelissen dat verwoordde). In Hilversum koesterden ze Jeroens verworven inzichten niet langer, hoewel zijn directe collega’s van Radio Tour de France hem er graag bij houden. De NOS is platvloers geworden. Scoren, juichen om doelpunten, overwinningen en medailles vooral van Nederlanders. Meer mag er niet zijn om over te praten. En dat doet Jeroen en zijn geestverwanten pijn.

Elke keer als ik op de radio hoor wat Nederlandse sporters presteren, verlang ik naar chroniqueurs als Jeroen Wielaert. De gesproken columns vanaf een Frans terras. Bar-Tabac-le-Sport. Waar is naast het verslag het historisch besef, het menselijke en filosofisch aspect? Het is toch niet alleen goud wat er blinkt. Er is toch meer dan de wereld van winnen en verliezen, er zijn toch de verhalen vertolkt en weergegeven door verslaggevers met kennis van zaken en historisch besef. Mensen zoals Jeroen Wielaert die er voor gezorgd hebben dat de Tour de France in juli van dit jaar zijn Grand Départ beleeft.

Jeroen Wielaert wijst Tour-directeur Christian Prudhomme de weg in Utrecht Jeroen Wielaert wijst Tour-directeur Christian Prudhomme de weg in Utrecht

Er spoelde een golf van vreugde door Nederland en de Nederlandse wielersport toen in november 2013 bleek dat Tourdirecteur Prudhomme had gebeld omdat hij had toegezegd dat Utrecht de Tourstart in 2015 mocht organiseren. Het was nu definitief. Een eerder gerucht was met moeite door de nerveuze burgemeester Aleid Wolfsen binnenskamers gehouden. De bezoeken aan Utrecht, de locaties, de mensen, de fietsen, de jeugd en de dromen van Jeroen waren doorslaggevend was geweest. Al die mensen die door Wielaert waren ‘aangestuurd’, liever geïnspireerd, vlogen elkaar in de armen.

Jeroen Wielaert ziet van afstand hoe het bedrijfsleven, de bevolking, de politici en de sportliefhebbers zijn idee gretig omarmen. Utrecht zal worden overstroomd door wielrenners en hun begeleiding en aanhang, door cultuurevenementen, met kinderen en kunstenaars, met fiets- en ander typisch Nederlands gedoe. Utrecht wordt een stad van wielrenners, fietsers en andere nieuwsgierigen. Eén miljoen bezoekers? Het zou zo maar kunnen. Hij slaat op zijn brede borst. ,,Er lopen nu veel mensen in Utrecht die zeggen dat ze het allemaal hebben verzonnen. Succes heeft vele vaders. Velen hebben het voorelkaar gekregen, maar er is maar één die het heeft bedacht. En dat ben ik, in de kroeg met Jan Fokkens.’’

Jeroen Wielaert is niet bescheiden. Dat siert hem. Wie hem begin deze eeuw voor gek (un fou romantique) heeft verklaard, dient zich te haasten zich bij hem te verontschuldigen. Jeroen zelf wenst niettemin te vermelden dat hij dit initiatief vooral aan Dick Heuvelman te danken heeft. De Groningse wielerjournalist haalde in 2002 de Giro d’Italia naar Groningen en in 2009 de Vuelta naar Assen. Om de Giro binnen te halen bracht hij zelfs een bezoek aan de paus. Verder kan een enthousiaste geest nauwelijks gaan.

Jeroen Wielaert toont net als Heuvelman aan dat sportverslaggeving verder kan gaan dan kritiek en afstandelijk oordelen. Het zit hem toch meer dan gedacht in de fascinatie voor de sport, in het historisch besef en het in het stand houden van de sport waar we met zijn allen van blijken te houden. Pim Mulier, Joris van den Bergh en anderen. Maar ook Dick Heuvelman en Jeroen Wielaert. Dat rijtje van creatieve geesten.

Dit interview is gepubliceerd in NLcoach nummer 2 – 2015

De Raas – van de lach, de vloek en de vergetelheid

9 mrt

Door Guus van Holland (uit De Muur 48)

‘Alles wordt aangetast door het waas van het vergeten: hoe weinig blijft er over van degenen die we hebben liefgehad.’

Deze zin, van de Tsjechische (mijn favoriete) schrijver Milan Kundera uit ‘Het boek van de lach en de vergetelheid’, schiet me te binnen, nu ik terug moet grijpen naar ruim dertig jaar geleden.

Zin en titel passen bij Jan Raas. Een indrukwekkende wielrenner in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. Een man met een speciale lach die zichzelf in de vergetelheid heeft gewrongen en die daar, getuige zijn afwerende houding tegenover de wereld buiten zijn dorp, liever niet meer uitkomt.

Laat mij nou maar.

Om dan zijn kont te draaien en zich op te sluiten in zijn eigen sop.

Raas heeft daarvoor zijn redenen; die moeten we aanvaarden. Een mens, zelfs een beroemd mens, heeft recht op intimiteit. Ook een legende. Velen hebben zich gepijnigd met de vraag wat zich in dat hoofd en in die ziel nu afspeelt. Toe, Jan, vertel nou eens. Maar de cocon laat zich niet openen. Waarom zouden we dat ook willen?

Laat hem nou maar.

Die man, nu 62 jaar, die bewondering afdwong door vijfmaal (een record) de Amstel Gold Race te winnen, die de Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix, Milaan-Sanremo en tien etappes in de Tour de France won, en nog veel meer. Die wereldkampioen werd en driemaal Nederlands kampioen. Die sportman aan wie alle oudere wielerliefhebbers met weemoed terugdenken. Die ten voorbeeld wordt gesteld aan de renners van nu.

Zoveel kracht, zoveel macht, zoveel strijdlust, zoveel eigenzinnigheid. Zo dient een kampioen te zijn, wordt beweerd na weer een voor Nederland teleurstellend verlopen Amstel Gold Race. Hadden wij chauvinisten er nog maar zo een. Zo’n geweldenaar. Zo een die ‘godverdomme’ zegt. Niet zachtjes, niet mompelend. Nee, uit de grond van zijn hart. Als een hartenkreet. Niet eenmaal, maar net zo vaak tot iedereen begrijpt dat er maar een is. En dat is hij.

,,En godverdomme, jij ook, godverdomme.”

Wat een baas!

Eigenlijk heeft Raas zich altijd in een waas van geheimzinnigheid bewogen. Er speelde van binnen meer dan hij toonde, hoe hard schreeuwend ook, hoe bulderend ook. Hoe ogenschijnlijk extravert. Die mysterieuze lach. Die samengeknepen ogen, verborgen achter dat brilletje. Dan weer die schaterende lach, die niet altijd gul leek, meer cynisch. Dan weer die aanvallen van woede die letterlijk als een donderslag bij heldere hemel kwamen. Had je hem net in je armen gesloten, als vriend, had je een paar biertjes met hem gedronken, als drinkebroers, sloeg hij zomaar uit het niets van zich af. En met veel venijn.

Dan herinnerde hij zich vast iets uit Het Boek dat hij nauwgezet, obsessief bijhield. Dat fictieve boek dat diep in zijn geheugen stond gegrift. Dat boek waar hij voortdurend mee dreigde, in en buiten het peloton. Dat boek waaruit hij zijn mentale veerkracht putte. Waarmee hij zijn tegenstanders om de oren sloeg.

Neem die onvoorstelbare spierkracht die hij naast zijn mentale kracht ten toon spreidde. Die poten, die kont, die kop. De manier waarop hij versnelde, als een jachtluipaard – maar dan bonkiger. Waarop hij tekeer ging tegen ploegmaten, medevluchters en zelfs toeschouwers. En vooral de manier waarop hij won. Die explosie van vreugde, één hand van het stuur, gebald en ermee zwaaiend ten teken dat hij al zijn vijanden had vernietigd, met huid en haar vermorzeld. Allemaal, godver. Misschien was, wanneer hij op de fiets zat, iedereen wel zijn vijand.

Zonder vijanden geen winst. Zonder vijanden geen leven? Nee toch?

,,Raas zoekt vijanden”, meent oud-wielrenner Maarten Ducrot, sociaal-psycholoog, organisatie-adviseur en televisie-commentator. Ducrot fietste als collega van Raas en reed onder hem toen Raas ploegleider was geworden. ,,Vijandigheid creëren om kracht uit jezelf te halen. Vijanden zoeken om adrenaline aan te kunnen maken. Lance Armstrong deed dat ook. Een conflict als drijvende kracht. Maar adrenaline is gif. Die adrenalinekraan kan niet altijd openstaan. Doseren dus. Anders brand je op, dat heet een burn out. Die voortdurende zoektocht naar vijanden en conflicten, strijd. Dat werkt als een boemerang. Ik vrees dat Raas daar langzaam onder is gaan lijden. Te lang op adrenaline geleefd, te lang vijanden nodig gehad om uit te blinken.”

Misschien heeft Jan Raas nu zijn rust gevonden, meent Ducrot. Opgebrand, wetend dat hij zich vooral niet meer druk moet maken. Dat boek moet toch een keer dicht. ,,Dat beseft Jan ook wel, maar hij weet misschien niet hoe. Dus houdt-ie zijn kop.”

Henk Lubberding was jarenlang zijn trouwste vazal. Ze reden nog samen bij de amateurploeg van Jan van Erp en deelden toen al vaak de kamer. Hij leidde Raas in 1979 naar de wereldtitel in Valkenburg. ,,Die dag zal ik nooit vergeten. Hoe Jan me na afloop kneep en kneep. Hij kneep me haast dood, zo blij was hij. Hij bleef maar vloeken. Hij was zo ongelooflijk gelukkig en bleef me maar omhelzen en knijpen. Ik werd er bang van. Wat moet dat diep hebben gezeten, die wil om wereldkampioen te worden. Eng gewoon. Wát een agressie.”

jan-raas-7
Een jaar eerder was bij Raas de vurige wil ontstaan om in Valkenburg wereldkampioen te worden. Gerrie Knetemann had zojuist op de Nürburgring de regenboogtrui voor de neus van Francesco Moser weggekaapt. ,,Jan en ik reden samen terug naar het hotel. Hij was alleen maar aan het vloeken”, weet Lubberding nog. ,,Godverdegodver, volgend jaar word ik wereldkampioen. En zo ging dat maar door. En jaar lang brandde dat vuur in zijn hoofd. Wereldkampioen worden in Valkenburg. Wat de Kneet kon, moest hij ook kunnen. Hij explodeerde in Valkenburg. Iedereen kreeg er na afloop van langs. Mart Smeets en de NOS, die hadden laten zien hoe wij Jan duwtjes hadden gegeven. Godver, riep hij tot diep in de nacht. We moesten hem kalmeren. Maar dat ging niet. Hij was volkomen over zijn toeren. Hij was de beste, godverdomme. Die explosie bleef maar nadreunen.”

Over explosiviteit. Die razernij. Die keer in Meerssen, nadat Raas alweer de Amstel Gold Race had gewonnen, begin jaren tachtig. In een woonkamer van een normaal huis, nabij de eindstreep, verzamelden de wielerjournalisten zich voor de persconferentie met de winnaar rond de eettafel (met een mooi, ouderwets geweven tafelkleed). Wat zich daar afspeelde behoort tot de herinneringen die alle aanwezigen nog graag koesteren en zouden willen herbeleven.

Raas had gewonnen. En hoe!

Het was weer zo’n machtige demarrage of eindsprint geweest. En Raas had die gevierd met een uitbundigheid die generaals wel tonen wanneer ze triomfantelijk terugkeren uit de oorlog. Stuurs kwam hij binnen. Toen lachte hij, opluchting alom. Maar hij lachte niet, hij grijnsde met een sardonische trek op zijn gezicht. Nadat de gebruikelijke vragen waren gesteld, ontwaakte in hem plotseling het beest – of toch de duivel?

De verslaggever die hem een paar weken eerder nog had bekritiseerd, kreeg de volle lading. Van de verslaggever ernaast herinnerde Raas zich plotseling ook een kritisch artikel. Het ging vast over voorgaande klassiekers die hij ondanks zijn favorietenrol niet had kunnen winnen. Raas wist zijn vijanden te vinden.

Degene die tijdens de scheldkanonnade in de knusse Limburgse woonkamer gniffelde, mogelijk verlegen met de situatie, kreeg er ook van langs. En jij ook, en jij ook. Of hij de artikelen ooit had gelezen, weten we niet. Maar gezien zijn punctuele arbeidsopvatting – Raas wist alles, van alle concurrenten, van hun gezondheid en hun familieleven – kon hem de teneur van de wielerverslagen niet zijn ontgaan. Het stond allemaal in zijn boek.

Hein Groothuis was in die periode wielerverslaggever van De Stem. De krant werd verspreid in Noord-Brabant en Zeeland, waar Raas woonde. Hij kreeg in die huiskamer als eerste de toorn van de winnaar van de Amstel Gold Race over zich heen. Want wat Groothuis een paar weken had geschreven vond Raas bepaald niet lovend. ,,Met Raas viel voor mij niet meer te praten. Uiteindelijk heeft Jean Nelissen, destijds niet alleen NOS-verslaggever maar ook chef sport van De Limburger waarin mijn stukken ook werden gepubliceerd, een gesprek geregeld in een wegrestaurant in Gilze-Rijen. Toen was Jan wat redelijker, op het gezellige af. Maar hij bleef de pik op mij hebben.”

Peter de Jonge, wielerverslaggever van de Provinciale Zeeuwse Courant, was de volgende die een woedeuitbarsting over zich heen kreeg. De Jonge was wel wat gewend. ,,Het begon al in zijn juniorentijd. Ik was er ooit getuige van dat de jury tijdens een criterium in Goes een fout maakte. De bel voor de laatste ronde werd geluid, maar het rondebord gaf nog twee ronden aan. Raas sprintte de volgende doorkomst naar de zege, dacht hij, en ontdekte toen dat de jury nog een ronde liet rijden. Na de echte finish kreeg hij van zijn broer Giel zijn ‘goeie’ bril die hij wisselde voor zijn sportbril. Maar in plaats van ’m op te zetten gooide hij hem vloekend en tierend op de straat te pletter en ging hij ook nog eens scheldend de jurywagen op. Hij vloekte ze stijf.”

Vrienden, wielrenners en wielerjournalisten die eerder samen met hem van hun jaarlijkse vistocht op de Zeeuwse wateren hadden genoten en er heel veel met hem hadden gedronken, en er de andere, poëtische maar ook scabreuze kant van Raas hadden leren kennen, kregen er van langs als zijn pet scheef stond. Vrienden voor het leven? Nou, dat kon zomaar anders zijn.

rrrraaaasss
Die goedmoedige, allervriendelijkste, charmante man werd onberekenbaar als de adrenaline ging spuiten. Wie hem dwars zat, zag de duivel in hem ontwaken. Maar die duivel kon zich snel weer terugtrekken. Dan sloeg hij je vol excuses op de schouders. Gemeend, echt waar. Dan klonk het luidkeels: ,,Biertje? Kom op, zuipen!”

Lees het verhaal verder in De Muur 48.

Verder in de editie van maart 2015 (nu in de winkel) verhalen, portretten, interviews en overpeinzingen van Rik van Walleghem (De Gold Race als oer-Vlaamse koers), Wiep Idzenga (Every picture tells a story 14, over Frans Maassen), Michel Wuyts (De berg van Gilbert), Herman Chevrolet (Een Poolse mijnwerker in Limburg, over Jean Stablinksi) en Rob van den Dobbelsteen (Monsieur AGR, over de eerste organisator van de Amstel Gold Race, Herman Krott)

Verder Morton Okbo (Lance, de bedreiging voor alles; twee Denen lopen een paar dagen mee met Lance Armstrong en leren zo zijn vrienden, zijn dagelijkse leven én zijn golfspel kennen), Mart Smeets (The tears of a clown, over Gerrie Knetemann), Lidewey van Noord (750 gulden, dat moest Arie delen met de ploeg; over Arie den Hartog), Willie Verhegghe (De magie van de koersnostalgie) en Nando Boers (Beroep: wielrenner deel 14 Lars Boom)

Elke dag bruine bonen en levertraan

9 okt

Dit interview verscheen op 2 januari 1999 in NRC Handelsblad: vier sporthelden bij elkaar in Hotel des Indes in Den Haag. Nu zijn ze alle vier overleden.

Wie is de sportman van de eeuw? Jeen van den Berg (70), Fanny Blankers-Koen (80), Jan Derksen (80) en Cor van der Hart (70), vier sporters die het grootste deel van de 20ste eeuw hebben meegemaakt, kiezen hun favoriet. Een gesprek over het einde van de amateursport, doping, liefde voor de sport en poseren in Playboy.

Jeen van den Berg

Jeen van den Berg

Door Guus van Holland en Arjen Ribbens

Samen zijn ze driehonderd jaar oud en goed voor een museum vol bekers en medailles. Voetballer Cor van der Hart en schaatser Jeen van den Berg hebben de leeftijd der sterken bereikt, atlete Fanny Blankers-Koen en wielrenner Jan Derksen de leeftijd der zeer sterken. De jeugdige gerant van Hotel Des Indes in Den Haag heeft geen idee wie de vier bejaarde, maar nog springlevende gasten zijn. De jongeman weet niet dat in de jaren vijftig geen voetballer zo hard en zuiver kon schieten als stopperspil Cor van der Hart. Dat Jeen van den Berg de snelste man op schaatsen was in de Elfstedentocht van 1954. Dat Jan Derksen vele jaren onklopbaar was op de wielerbaan. Alleen de naam van Fanny Blankers-Koen zegt de gerant nog iets. ,,Won zij niet vier keer goud?”

Bijna een halve eeuw na hun sportieve gloriedagen treffen zij elkaar in de lobby van het Haagse etablissement. De bijeenkomst blijkt een ontmoeting van oude vrienden te zijn. Met zoenen en omhelzingen verwelkomen de sporters elkaar. Voor ze aan de lunch beginnen passeren een knieoperatie en ander lichamelijk ongemak de revue. Totdat Fanny Blankers-Koen het welletjes vindt: ,,Jongens, niet over kwalen praten.”

Aan tafel mogen ze verder praten. Eerst over hoe het allemaal begon. ,,Och, heden, dat wordt oude koek”, lacht Fanny. Ze vertelt dat ze in Hoofddorp woonde, nooit het tuinhekje open deed maar er altijd over heen sprong. Hoe ze op haar handen kon staan. Daarom mocht ze naar de gymnastiekvereniging. Ze was nog geen zes. Als het heel mooi weer was, deed ze buiten met haar vader oefeningen. Een beetje verspringen, hardlopen. Als het regende gingen ze binnen turnen. ,,Zonder op te scheppen, ik kon alles goed.’

Ze was een jaar of vijftien toen ze op Koninginnedag een hardloopwedstrijd won. En op haar zeventiende deed ze voor het eerst mee met districtskampioenschappen. ,,Het wordt een eentonig verhaal, want die wedstrijd ging ook heel goed”, zegt ze verontschuldigend. ,,Zwemmen kon ik ook goed. Maar ik had toen een badmeester bij de zwemvereniging die zei dat ik moest kiezen welke sport ik zou gaan doen. Ik heb toen voor atletiek gekozen en ben in Amsterdam lid geworden van ADA.”

Vijf kwartier op de fiets vanuit Hoofddorp naar Amsterdam en vijf kwartier terug. Niet altijd leuk. Op de atletiekbaan bleek dat ze ,,longen als blaasbalgen” had, door al dat zwemmen natuurlijk. ,,Mijn eerste spikes waren krijgertjes, maat 46. Ik heb ze aangetrokken, maar wel met enorme plukken watten voorin. Toen ik won, werd er gezegd: ‘Het is oneerlijk, je spikes waren al door de finish en jij zelf nog niet’. Toen mijn vader zag dat ik op die veel te grote schoenen kon winnen, kreeg ik nieuwe spikes. Ik ben daarna 800 meters gaan lopen en brak zelfs het nationaal record. In het begin was het me nergens anders om te doen. Ik wilde altijd winnen.”

Cor van der Hart

Cor van der Hart

Cor van der Hart begon op straat te voetballen. Waar anders? Op zijn tiende werd hij net als zijn vader en diens broers lid van Fokke, in Amsterdam, daar waar het nu Overamstel heet. Dat heeft één jaar geduurd. Want een scout van Ajax, Theo Schetters, nodigde Cor uit voor een proefwedstrijd. Op een woensdagmiddag moest hij samen met 300 andere jongetjes een wedstrijdje spelen. Uiteindelijk werden er twee uitgehaald: Rinus Michels en Cor van der Hart. ,,Als zeventigjarige is dat toch wel typisch, als je daarop terugkijkt”, zegt Cor met gepaste trots. ,,Wij zijn toch min of meer geslaagd.” Als 17-jarige kwam hij ook in het eerste van Ajax. In 1947 werd hij meteen kampioen van Nederland. Tot zijn 22ste bleef hij, toen is hij naar Frankrijk gegaan. Mooie herinneringen. ,,Nou ja, tegen Heerenveen met 5-1 voorstaan en met 6-5 verliezen.”

Jeen van den Berg beleeft weer plezier aan de zege van zijn club Heerenveen op Ajax. Maar hoe zat dat met schaatsen? ,,Ach, ik kon helemaal niet schaatsen. Ik was een doordouwer. Ik had ook de spullen niet. Ik kwam uit een arbeidersgezin.’ Op zijn tiende kreeg hij nieuwe schaatsen. Veel te groot. Op school werd hij ermee gepest: ‘Jeen, kunnen we met je meeliften?’ Zoveel ruimte had hij achter over. De hakleren waren veel te lang. ,,Ik had eigenlijk de eerste klapschaatsen, want mijn voeten schoten steeds uit mijn schaatsen. Maar ik had wel een voordeel. Ik woonde midden in het watergebied. Ik had Ausdauer. Ik woonde ver van school vandaan en schaatste naar school. Zodra er maar even ijs lag, stond ik op schaatsen.” Zijn eerste Elfstedentocht reed Jeen in 1947.

Jan Derksen fietste als jongetje elke dag zo’n vijf kilometer naar school en terug. Hij woonde in De Lutte bij Oldenzaal. Die tochten leidden tot wedstrijdjes. En Jan won altijd. Zijn vader beloofde hem een racefiets als hij voor zijn examen slaagde. ,,Een fiets met dikke stalen wielen, meer kon mijn vader zich niet permitteren.”

Het gezin verhuisde naar Heiloo. Daar reed Jan als vijftienjarige zijn eerste wedstrijdjes op een grasbaan. In Alkmaar ging hij naar de wielerbaan om te kijken naar grote namen. ,,Omdat ik op de grasbaan veel won, kreeg ik mijn eerste baanfiets. Tachtig gulden, in 1940. Samen met Jan Pronk, die later nog wereldkampioen is geworden achter de grote motoren, won ik al als 15-jarige in Alkmaar een koppelwedstrijd waar grote namen aan meededen.”

En wielrennen op de weg? ,,Op de weg ging ik alleen trainen. Eén keer, in 1941, heb ik meegedaan aan het Nederlands kampioenschap op de weg. Arie van Vliet, ook een sprinter had zich ingeschreven. Hij daagde me uit. Voor een sprinter was 175 kilometer een heel eind. Ik werd vierde en als Schulte niet een combine in elkaar had gestoken, had ik gewonnen.”

Jan Derksen

Jan Derksen

Derksen wijdt uit over Olympische Spelen in 1940 die niet doorgingen. ,,Daar had ik als wereldkampioen bij de amateurs twee gouden medailles kunnen winnen. Dat is een domper in mijn carrière geweest.’ In 1938 had hij alles al gewonnen: Nederlandse titel, wereldtitel en nog veel meer. Toen de Spelen niet doorgingen, besloot hij prof te worden. ,,Wij hadden veel wedstrijden. Ik had in de oorlog een vergunning waarmee ik tot eind 1942 overal kon rijden. Zelfs in de hongerwinter.”

Zou u nu op dezelfde manier de top hebben kunnen bereiken?

Derksen: ,,In onze tijd trainden wij niet met gewichten. Geen krachttraining, was niet goed voor de souplesse. Wat Guus Schilling, onze trainer, zei was wet. Daarom waren Arie van Vliet en ik geen echte sprinters, ook al wonnen wij wereldtitels. Kijk naar die sprinters van nu, naar die dikke benen. Arie en ik konden ook lange afstanden rijden. Dat kan een echte sprinter niet. Ik trainde elke dag op de baan. Die strijd tussen Arie en mij was enorm. Daardoor hebben we het zolang volgehouden. In 1957 reden we nog de finale van het wereldkampioenschap. Samen waren we tachtig jaar.”

Blankers-Koen: ,,Ik trainde lang niet elke dag. In de zomer twee keer per week en in de winter één uurtje gymnastiek per week. In de winter werd de atletiekbaan ondergespoten, zodat er geschaatst kon worden. We hadden een hele lange wintertijd. In de zomer trainden we ook niet zoveel. Toen ik eens op een bijeenkomst van oud-kampioenen vertelde wat ik voor mijn medailles had gedaan, konden de mensen me niet geloven. Daar zaten allemaal atleten die heel serieus trainden. Die konden niet geloven dat ik tijdens het Europees kampioenschap in Oslo ook nog mijn dochter voedde, dat vonden ze prachtverhalen. Mijn dochtertje ging in een reiswieg mee naar wedstrijden. In de kleedkamer verschoonde ik ook de luiers. Ik maar sjouwen met dat kind. Dat had ik me nooit kunnen permitteren als ik tien keer in de week had moeten trainen. Als atletes nu een kind krijgen gaan ze er een seizoen uit.”

Van der Hart: ,,Ik kan me goed herinneren dat ik dagelijks bezig was met een bal. Er zat geen garagedeur meer onder het huis, omdat we er tegenaan stonden te lellen. Toen kon je nog op straat voetballen. Uren waren we bezig. Ik denk dat het voor jongetjes van tien tegenwoordig veel moeilijker is om zich helemaal op het voetbal te concentreren.”

En het geld?

Van der Hart: ,,Ik heb nooit een baas gehad. Ik heb me altijd afgezet tegen werken en met sport mijn geld verdiend. Ik ben naar de ambachtsschool geschopt om mijn diploma te halen. Maar ik was finaal tegen werken voor een baas. Ik heb altijd gedacht, hoe kom ik daar onderuit? En toen ben ik gaan voetballen. Ik spijbelde van school om te trainen. Als jongen stond ik vrijdagmiddag met kerels uit het eerste elftal van Ajax op het veld.”

Van den Berg: ,,Maar hoe verdiende je dan de kost, Cor?”

Van der Hart: ,,Ajax was altijd afdelingskampioen. Dat betekende dat we zes thuiswedstrijden om het kampioenschap van Nederland moesten spelen. Die waren altijd uitverkocht. En dan kreeg je de koopman Van der Hart. Een passepartout voor die zes wedstrijden kostte vijftien gulden. Dan zei ik tegen de penningmeester dat ik vijfentwintig van die passepartouts moest hebben. Die kreeg ik niet. Dan ging ik schermen: ‘Je wilt toch dat ik speel zondag?’ En dan kreeg ik een aantal kaarten dat ik aan vrienden van Ajax kon verkopen voor een tientje of vijfentwintig gulden. Had ik weer voor weken brood op de plank. Ik was eigenlijk al prof voordat ik echt prof was.”

Derksen: ,,Na de Ulo heb ik nooit iets anders gedaan dan fietsen. Daarmee verdiende ik veel meer dan mijn leeftijdsgenoten. Ik heb nog een boekje waarin ik als beginnend wielrenner noteerde wat ik met fietsen verdiende. Flessen ranja, leverworsten, lamsbouten, ik weet niet wat allemaal. En ook geld. In Alkmaar op de wielerbaan waren voor de oorlog drukbezochte wedstrijden. Daar werd negen cent entree geheven, want over tien cent moest belasting betaald worden. De eerste prijs bij de koppelwedstrijd was 2 gulden 75, die moest ik delen met mijn maat Pronk. Ik ging steeds meer verdienen. Ook als amateur. Wanneer ik in 1938 naar Kopenhagen ging voor een wedstrijd hield ik daar twee-, driehonderd gulden aan over.”

Van der Hart: ,,Goh Fanny, vertel eens wat jij verdiende.’

Blankers-Koen: ,,Ja, die is leuk. In Finland had ik eens zilveren kandelaars gewonnen. Die moest ik bij thuiskomst op Schiphol afgeven, want die kandelaars waren meer dan honderd gulden waard. Wat ze tegenwoordig krijgen is ongelooflijk. Die bedragen zijn zo hoog, ik kan ze niet eens uitspreken. Maar die sporters van tegenwoordig benijd ik helemaal niet. Er is zoveel haat en nijd. Wij hadden echte sport.”

Van den Berg: ,,Als schaatser mocht je geen geld verdienen. Met Jeen Wester had ik eens reisgeld aangenomen voor een wedstrijd. We werden gediskwalificeerd. Op een bijeenkomst in Amsterdam van de Club van Honderdvierenveertig, een groep sportvrienden waarvan Jan en Fanny ook lid zijn, moest ik al vroeg weg om de laatste trein naar Friesland te halen. Toen zei ingenieur Otten, de schoonzoon van de oude Frits Philips: ‘Doe maar rustig aan, ik laat je wel even thuisbrengen.’ Als eenvoudige jongen zat ik met grote ogen te kijken en dacht ‘Kan dat wel allemaal?’. En toen zei Otten: ‘Nou Jeen, vertel eens, wat ben jij daar nu beter van geworden van die Elfstedentocht?’ Dat heb ik hem verteld. Ik kreeg een fles Bols jenever en een infrarode lamp, tegen spierpijn. ‘Jeen’, zei meneer Otten toen, ‘ik beloof jou dat als die lamp stukgaat je van mij een nieuwe krijgt’.”

Van den Berg zat vijf jaar in de Nederlandse schaatskernploeg. ,,Als ik naar het buitenland ging, stond mijn loon als onderwijzer stil. Van de schaatsbond kreeg ik één gulden zakgeld per dag. Toen ik de Elfstedentocht won werd er nog veertien dagen over nagepraat. Nu stoppen bij de kaasmakerij van Evert van Benthem nog bussen met vrouwen. Dacht je dat er vroeger een bus met vrouwen in Ny Beets door de Nawynstraat is gereden om te kijken waar Jeen van den Berg woonde?”

Was er doping?

Blankers-Koen: ,,Er waren atleten die doping gebruikten, maar ik wist niet eens wat het was. In Londen, bij de Spelen van 1948, moest ik menstrueren en had ik pijn in mijn buik. Ik kreeg een half aspirientje van de dokter. In Helsinki vier jaar later precies hetzelfde. Tegenwoordig krijg je pillen en wordt je cyclus verschoven.”

Derksen: ,,Geld is in de sport zo belangrijk geworden, dat doping nooit meer verdwijnt. Sporters zullen blijven zoeken naar middelen om hun prestaties te verhogen. Het gaat om miljoenen. Koste wat het kost moet gewonnen worden. Het begint al met de voeding.”

Blankers-Koen: ,,Ik moest iedere avond bruine bonen eten en een slok levertraan slikken.”

Van der Hart: ,,Wij aten paardenbiefstuk.”

Van den Berg: ,,Schaatsen was tot voor kort een cleane sport. Maar we gaan dezelfde kant op als bij het wielrennen. Sponsors van schaatsploegen hebben begeleiders in dienst. Van hen worden resultaten geëist, anders worden ze gewipt. Die begeleiders dwingen de schaatsers tot doping. Dat gebeurt nu, dat heb ik deze winter voor het eerst gehoord. Als er één gebruikt, moeten de anderen ook.”

Derksen: ,,In 1939 bij de finale van het wereldkampioenschap kwam Guus Schilling naar me toe met een glas sherrybrandy. Dat heb ik opgedronken. Maar zonder dat glas had ik ook wel gewonnen. Arie van Vliet gebruikte suikerklontjes met cola. Ik was een mannetje van zwarte koffie. Bij Zesdaagsen sliep ik zes dagen en zes nachten niet.”

Van der Hart: ,,Ik moest in 1956 tegen België spelen. Een week voor die wedstrijd kreeg ik een schop tegen mijn knie. Tegen bondscoach Max Merkel heb ik toen gezegd: ‘ik kan niet spelen’. Hij wilde me er toch bij hebben. Op zaterdagmiddag kon ik nog steeds niet lopen. Zei de dokter tegen me: ‘wij gaan met z’n tweeën morgen een uur eerder naar het stadion’. In de kleedkamer vroeg hij of ik een kopje koffie wilde. Twee uur voor de wedstrijd. Ik kleedde me om, ging het veld op en probeerde heel voorzichtig een balletje te trappen met die zere knie. Krijg nou de pest, ik voelde niks. Ik ging steeds harder trappen, boem, boem! Niks aan de hand, niks gevoeld. We wonnen die wedstrijd met 1-0 en de kranten schreven België-Van der Hart 0-1. Zo goed had ik gevoetbald.”

Van der Hart: ,,Ik houd enorm van wielrennen. Van de Tour de France smul ik. Wat een inspanningen leveren die kerels. Maar ik kan me niet voorstellen dat ze dat allemaal op een biefstukkie doen.”

Derksen: ,,De jongens die de Tour rijden zijn lichamelijk voorbereid. Met alle middelen, legaal, net niet verboden. Maar waarom mag zanger Herman Brood stijf staan van de drugs en een wielrenner niet? Volgens mij is EPO ook niet zo gevaarlijk als het onder doktersbegeleiding wordt gebruikt. Het is een middel dat veel zieken ook voorgeschreven krijgen.”

Andere tijden, andere gewoonten. Daarover zijn de vier het eens. ,,Maar we hebben in een verkeerde tijd geleefd. We hadden allemaal miljonair kunnen zijn’, beseft Van der Hart.

Sporten kinderen nu met het idee dat ze er rijk van kunnen worden?

Van den Berg: ,,Kinderen niet. Misschien wel de ouders die hun kinderen iedere dag bij de tennisschool afleveren. Het geld in de sport is een beroerde bijzaak. Ik zit bij schaatswedstrijden in Thialf in de wedstrijdjury. Rintje Ritsma krijgt tonnen. De mensen die het mogelijk maken dat hij zijn wedstrijden rijdt, krijgen niks. Maar die schaatsjongens hebben een grote waffel.”

Van der Hart: ,,In het voetbal is het ook scheef. De eerste de beste buitenlander in de eerste divisie verdient 4,5 ton. Nederlanders breken nauwelijks door. De jeugdopleidingen functioneren niet. Kijk naar Ajax.”

Sporters zijn sekssymbolen die naakt poseren voor blootbladen.

Van der Hart: ,,Katarina Witt in Playboy uit de kleren? Ik kan er heel goed tegen hoor.”

Blankers-Koen: ,,Ik zie atletes sporten in een bikini. Belachelijk. Hoogspringsters moeten steeds die kleine broekies uit hun naad halen. Als ze een behoorlijk pakkie aantrekken, zouden ze veel hoger springen.”

Van den Berg: ,,Fanny, kan je je nog die drukte herinneren over het broekje van Sjoukje Dijkstra? Dat kon je een beetje zien, onder haar rokje.”

Derksen: ,,De commercie bederft veel van de echte sport. Door al dat geld gaan ze de sport vergeten. Het gaat ten koste van de prestaties.”

Van den Berg: ,,Met reclame verdienen sporters meer dan met sport.”

Fanny Blankers-Koen

Fanny Blankers-Koen

Blankers-Koen: ,,Veel sporters van nu zijn over het paard getild. Als ze ergens voor gevraagd worden, hoor je dat ze niet genoeg krijgen. Iedere maand doe ik mee in de loterij. Wat ik zou doen als ik een miljoen won? Het aan mijn kinderen geven, en jullie kunnen ook wat krijgen. Ikzelf hoef niks, wat moet je met geld als je tachtig bent.”

Van den Berg: ,,Mijn adres krijg je niet Fanny, ik hoef ook niks.”

Kreeg u commerciële aanbiedingen?

Blankers-Koen: ,,Van Playboy, bedoel je? Daar ben ik toch geen type voor?’

Van den Berg: ,,Dat lag vroeger anders. Fanny werd overal gefotografeerd en die foto’s werden zonder toestemming voor van alles gebruikt. Als je nu Rintje Ritsma wilt hebben, moet je dokken.”

Blankers-Koen: ,,Twee jaar geleden heb ik reclame gemaakt voor pilletjes. Pilletjes die maakten dat je niet ouder werd. (Van der Hart: ,,Die hebben wel geholpen, Fanny”). Daar heb ik een paar centjes voor gehad, da’s waar. Voor de foto’s moest ik een dag naar Groningen, eindeloos achter een vrachtwagen lopen waar de fotograaf op zat. Op het laatst liet ik me achterover vallen, zo moe was ik.”

Derksen: ,,De tijden zijn echt veranderd. In onze tijd had een aanbeveling van een sportman geen enkele waarde. Neem Abe Lenstra, een supervoetballer, die heeft in zijn leven nooit een cent verdiend.”

Van den Berg: ,,Abe was de beste betaalde amateur van Nederland.”

Van der Hart: ,,Mijn hart bloedde toen ik op mijn 22ste bij Ajax wegging. Maar ik kreeg in Frankrijk in Lille 25.000 gulden handgeld geboden, plus een enorm salaris. Let wel, in 1950! Dat was vreselijk veel geld. Maar omdat ik geen begeleiding had, ging het na twee jaar mis. Mijn contract liep af, maar er kwamen geen contractbesprekingen. Twee jaar werd vier jaar. En toen werd ik kwaad en klopte ik weer aan voor geld. Was er niet, zeiden ze. Toen ben ik teruggegaan. In Nederland was net het betaald voetbal begonnen.”

Was er vroeger meer belangstelling voor sport en nu meer voor sporters?

Blankers-Koen: ,,Dat is de tijd.”

Derksen: ,,Wat is tennis niet geworden dankzij Björn Borg. Dat was de man die het grote geld ging verdienen. En dankzij hem zijn er zoveel kleine jongetjes gaan tennissen. Zo’n grote naam heeft zoveel waarde. Dat steekt zoveel mensen aan. Het publiek heeft behoefte aan grote namen.”

Idolen dus. Wie was de beste sportman of -vrouw van de eeuw?

Blankers-Koen: ,,Jesse Owens was mijn idool. In 1936 werd ik als hoogspringer opgesteld in de nationale ploeg die in Berlijn deelnam aan de Olympische Spelen. Daar zag ik Owens vier medailles winnen.”

Van der Hart: ,,Ik heb vijfmaal met Fortuna ’54 gespeeld tegen Di Stéfano. Die heeft zo’n indruk op mij gemaakt. Je had Puskas, Hidegkuti, fantastisch. Maar Di Stéfano was onnavolgbaar.”

Derksen: ,,Rik van Steenbergen. Een geweldenaar op de baan en op de weg is hij ook een paar keer wereldkampioen geworden. Door zijn lichaamsgewicht kon hij alleen in de bergen moeilijk vooruit. Van Steenbergen was groot. Groter dan Coppi, om wie zo’n mythe is gesponnen.”

Van den Berg, met een grote glimlach: ,,Ik hoef niet lang te denken. Mijn sportvrouw van de eeuw is zo hartstikke gewoon gebleven. Dat ik ‘Fanny’ tegen haar mag zeggen, en dat zij mij ‘Jeen’ noemt, dat is zo mooi.”

Blankers-Koen: ,,Nou zeg, vroeger noemde ik je altijd Jeentje. Maar je bent zo gegroeid dat ik je nu Jeen noem.”

Van den Berg: ,,Het is niet de prestatie alleen, die het hem doet. De mens die er achter zit, is veel belangrijker. Daarom zeg ik: Fanny. Neem Ellen van Langen. Die wil elke week in de krant. Daar word ik kotsmisselijk van. Ik ontmoette haar een keer op een receptie: ze zag me niet staan.”

Van der Hart: ,,Dat komt omdat ze je niet kent, Jeen.”

Zabel, Riis, Ullrich en Jef de meesterspuiter

28 jul

Lees dit, destijds geschreven op mijn NRC-blog, met de kennis van nu

woensdag 30 mei 2007 door Guus van Holland
Zes dagen na zijn bekentenis epo te hebben gebruikt, stond Erik Zabel woensdag 30 mei in Garmisch-Partenkirchen aan het vertrek van de Ronde van Beieren. Honderden mensen juichten hem toe en vroegen de Duitse wielrenner om een handtekening. Zes Duitse televisiezenders waren aanwezig om Zabel en co aan de eerste etappe te zien beginnen. Als helden werden ze begroet, de dopingzondaar en zijn lotgenoten die (nog) niet bekend hebben.

Ik had graag ook Bert Dietz, Rolf Aldag, Christian Henn en Udo Bölts, de Duitsers, gezien; en Bjarne Riis en Brian Holm, de Denen, en al die renners van de Telekom die onlangs bekend hebben dat ze medio jaren negentig bloeddoping epo hebben gebruikt. Ze zouden vast en zeker zijn toegejuicht. Helden zijn het, wielrenners, of ze nu wel of niet gedopeerd zijn geweest. Grote helden zijn het, omdat ze het nog eens hebben toe willen geven. Want dat vraagt moed, zo menen de supporters. Of: kan ons die doping schelen?

Ik had Jan Ullrich willen zien. Zou hij ook zijn toegejuicht? Misschien, misschien ook niet. Jan is dit seizoen met wielrennen gestopt, maar heeft (nog) niet toegegeven dat hij – zoals zijn voormalige Belgische verzorger Jef d’Hont beweert – ook epo heeft ingespoten. Waar blijft de bekentenis, of op z’n minst een verklaring van Jan Ullrich? Ullrich doet er vooralsnog het zwijgen toe.

Terwijl sportief en politiek Duitsland zich na de onthullingen van de afgelopen dagen afvraagt hoe de sport in Duitsland zich moet ontdoen van het besmette verleden en heden van doping, zei een paar dagen geleden Ullrich aan de deur van zijn huis tegen een plaatselijke radioverslaggever dat het hem ‘heel goed’ gaat. „Wanneer u iets wilt, dan belt u maar”, zei de man van wie iedereen in Duitsland intussen denkt dat hij de sport en zijn land bezoedeld heeft.

Ullrich zwijgt, mede omdat het openbaar ministerie van Bonn hem heeft aangeklaagd wegens bedrog van zijn oude werkgever Telekom. Zijn manager Wolfgang Strohband kan niet anders dan repliceren met: „Wij hebben niets te zeggen.” Intussen hebben zij wel hun advocaat ontslagen, omdat hij het tussentijds opnam voor wielrenners die te zware inspanningen moesten leveren.

En intussen heeft gisteren het Internationaal Olympisch Comité een commissie ingesteld die de Telekomkwestie gaat onderzoeken. Jan Ullrich won in 2000 in Sydney de olympische wegwedstrijd. Zijn ploeggenoten van destijds, Vinokoerov en Klöden, werden tweede en derde. Opmerkelijk, drie Telekomrenners op het erepodoium? Deden zij dat zonder doping? Zo stelt zich de commissie onder leiding van de Zwitser Denis Oswald de vraag, waarin verder de oud-atleten Sergej Boebka en Gunilla Lindberg, leden van IOC-bestuur.

Peter Becker, tussen 1987 en 2002 trainer van Ullrich, steekt zijn hand niet meer in het vuur voor zijn vroegere pupil. „Ik heb hem eens gevraagd: waarom gaat het zo goed met jou? Hij zei dat het goed zat en geen risico’s nam. Maar ik twijfel.” D’Hont neemt het voor Ullrich op. „Als alle renners puur waren geweest, had Ullrich tien keer de Tour gewonnen.”

Jef d’Hont, ach Jef. Ik heb hem meegemaakt toen ik einde jaren zeventig mijn eerste jaren als Tourverslaggever deed. Soigneur, klein, dik, amicaal totdat je per ongeluk een hotelkamer binnenliep en een van zijn renners aan de baxter (infuus) zag liggen. Dan werd je er bliksemsnel uitgetrapt met ‘godver’ en ‘godver’. Jef deed ook eens mee in een voetbalwedstrijd op de rustdag van de Tour, tussen Franse journalisten, ploegleiders en soigneurs, en de buitenlandse. Jef stond in onze (buitenlandse) verdediging, ik in de aanval. Jef was onvermoeibaar en niet te passeren, zo dik en vurig als hij was. Hij had pilletjes bij zich, zo liet hij in de kleedkamer zien.

Toen ik het in het veld aan de stok kreeg met de Franse ploegleider van Bernard Hinault, Cyrille Guimard, die mij zwaar onderuit schopte na een schaarbeweging van mij, kwam Jef als een trouwe teamgenoot aangestormd met het schuim op zijn lippen. Hij greep Guimard bij zijn keel en riep iets onduidelijks waar de kleine, rooie Guimard heel erg van schrok. Ik verstond het Frans niet van Jef en begreep ook de repliek van Guimard niet. Ik dacht nog: wielerjargon.

Jef heeft nu op zijn oude dag verteld en laten opschrijven wat hij vroeger met zijn renners allemaal gedaan heeft. Want hij heeft wat renners onder zijn hoede gehad: Freddy Maertens en Michel Pollentier bijvoorbeeld. De ‘peer’ van Pollentier in 1978 op Alpe d’Huez, waarmee de dopingcontrole misleid werd? Jef weet er alles van. Jef weet overal van. Nu heeft hij het allemaal verteld. Waarom? Om de wielersport te verschonen?

Toch is het wachten op Jan Ullrich. Ik herinner me nog het interview op de Duitse televisie, met Reinhold Beckman, eind februari dit jaar. Lees mijn eerdere bijdrage op dit weblog ‘De ogen van Jan Ullrich’. Zoals Jan daar zat, de onschuld zelve, naast zijn vrouw Sara die hem onvoorwaardelijk steunde. Een charmeoffensief van jewelste. Jan Ullrich en doping? Nee, Jan was een lieve, vriendelijke jongen die een rot tijd heeft gehad in de DDR, met veel titels ter compensatie van de vele onaangename dingen die hij zich moest getroosten. Wie Jan in zijn ogen keek, voelde dat hij integer was.

Een paar maanden later, 22 mei, zat Bert Dietz tegenover dezelfde Beckmann. Dietz, ook ex-DDR, biechtte op dat er in zijn ploeg Telekom (ten tijde van Ullrich en Riis) systematisch epo was gebruikt. De volgende dag gaf ploeggenoot Rolf Aldag, ook ex-DDR, een persconferentie waarin ook hij schuld bekende. Naast hem zat Erik Zabel, ook ex-DDR. Ook hij had even epo gebruikt. Een paar dagen later volgden nog meer Telekom-renners met hun bekentenis. Maar nog steeds niet Jan Ullrich.

Aan de vooravond de Ronde van Beieren las ik op een Duitse wielersite een interview met Raphael Schweda, manager van de Duitse ploeg Wiesenhof die aan het eind van het jaar stopt omdat de relatie met een dopingsport niet langer commercieel verantwoord is. Schweda (ook ex-DDR) is in 2003 gestopt als profwielrenner. Hij was toen 27 jaar. Hij had dat jaar gereden voor de ploeg Bianchi, onder andere in de Ronde van Spanje. Hij had Spaanse renners horen praten over bloeddoping en preparaties. De naam Fuentes viel. Het was hem al opgevallen dat ze niet eens zo hard trainden, maar wel harder gingen fietsen. Schweda had intussen gemerkt dat hij geen progressie als wielrenner kon boeken zonder doping. Dus stopte hij er maar mee.

En zo gaat dat in Duitsland dezer dagen maar door. Alle sporten (atletiek, wielrennen, skiën) worden al genoemd, sportartsen die verbonden zijn aan de universiteitskliniek van Freiburg zijn ontslagen of geschorst. Oud-bondsbestuurders komen met verhalen over oneerlijke praktijken en zo verder.

Maar de sporters blijven populair. Gisteren won ene André Schulze, een renner van Wiesenhof, de ploeg die aan het einde van het jaar stopt wegens doping in de wielersport. Hij werd bij de finish in Gundelfingen toegejuicht als een Tourwinnaar. Erik Zabel werd vierde, maar kreeg meer applaus. Wielrennen is in Duitsland nog steeds populair, ondanks Zabel, Ullrich en D’Hont. Zou het in Nederland anders zijn als Michael Boogerd en Thomas Dekker verklaren dat ook zij epo, bloeddoping, groeihormonen of weet ik wat voor doping hebben gebruikt? Hebben zij hetzelfde gebruikt? Waarom niet? Waarom wel?

Dit verhaal is geplaatst op woensdag 30 mei 2007 om 21:04 uur.

Opgeven? Nooit, godver, nooit

25 jul

Een artikel van mij van 6 december 1997 in NRC Handelsblad
Dopingsleur van de wielersport

Waarom mogen concertpianisten wel slikken en drinken wat ze willen en beroepswielrenners niet? Vorige week werd de PDM-ploegarts Wim Sanders beschuldigd van dopingpraktijken. Over drog en diarree. ‘Zonder drama heeft wielrennen weinig overlevingskansen.’

Vroeger, toen gebruikten de renners nog spuiten, van die hele grote. En die staken ze er zo van achteren in, als ze op de fiets zaten, midden in de koers. Toen namen ze ook pillen, handenvol tegelijk, van die zwarte pillen. Dan zag je aan hun ogen dat ze tot over hun oren vol zaten. Hun haren stonden rechtovereind. En als die renners over de streep kwamen, reden ze gewoon door. ’s Nachts konden ze niet slapen, dan tierden ze door. Dan dronken ze een fles wijn leeg en sliepen ze vol van de drank en de ‘drog’ in. En als ze dan de volgende ochtend pijn in hun hoofd of hadden, slikten ze net zo makkelijk weer een paar van die dingen. Stoere verhalen, sterke verhalen, verhalen over een andere wereld, ver van de beschaving.

Wie zijn oor te luisteren heeft gelegd bij die verhalen van oude wielrenners, zal hebben genoten. Maar hij zal zich ook hebben verbaasd. Dat ze nog leefden? Met een mengeling van respect en afgrijzen hoorde je de anekdotes over ‘de koers’. Over de honderden kilometers die ze door de brandende zon, door de venijnige koude, door regen, sneeuw, hagel en mist hadden moeten fietsen. Over de verschrikkelijke beklimmingen van de cols in de Alpen, Pyreneeën en Dolomieten. Dat het hun zwart voor de ogen was geworden, maar dat ze toch waren doorgereden. Altijd waren ze doorgereden.

Ik kende een wielrenner die nooit een held is geworden. Ik zag Jaak Verbrugge voor het eerst voor de start van een Alpen-etappe in de Tour de France, eind jaren zeventig. Zijn ogen stonden flauw, zijn gezicht was bleek. Hij was al dagen aan de diarree. Maar hij moest en zou de Tour uitrijden. Op de top van de eerste col besloten we op hem te wachten. Maar hij kwam maar niet. Beneden ons, een paar haarspeldbochten lager, zagen we hem in de berm zitten, broek naar beneden, omringd door mensen. Hij klom weer op de fiets en zette zijn lijdensweg voort. Toen hij bij ons aankwam, stapte hij af, liet zich tegen onze auto vallen en begon te vloeken, te slaan en te huilen. Hij stonk als een mestkar. Van zijn fiets dropen dikke bruine druppels. Opgeven? “Nooit, godver, nooit.”Hij wilde de eindstreep halen, die achter twee andere cols, de Galibier en Alpe d’Huez lag. Hij wilde Parijs halen.

Ten einde raad stapte hij besmeurd met zijn eigen vuil in de inmiddels gearriveerde ambulance. Hij huilde. Ze hadden hem misschien nog een paar druppeltjes opium kunnen geven, een paar maar om de ergste buikloop te stoppen. Ze hadden hem een pilletje kunnen geven. Ze hadden hem een nachtje aan het infuus met een of ander middel kunnen leggen. Een hormoonkuurtje had wonderen gedaan.

Zeg nooit dat wielrennen een sport is voor zachte mannen. Ik heb wielrenners in de Ronde van Italië (Amerikanen, Italianen, Fransen, Belgen, Nederlanders) meer dood dan levend over de eindstreep zien rollen. Ze hadden meer dan acht uur door een sneeuwstorm gefietst (onder meer op de Passo di Gavia). Sommigen op last van hun ploegleider in korte mouwen, om de sponsor te behagen, nadat ze de dagen ervoor ook al urenlang door sneeuw en regen hadden gereden. Verdwaasd en bevroren lieten ze zich opvangen in dekens, minutenlang werden ze door verzorgers door elkaar geschud om weer op temperatuur te komen. Ze kregen warme drankjes, thee met cognac of een ander brouwsel van de soigneurs en dronken die als getrainde aapjes op – wisten zij veel wat ze naar binnen sloegen.

Sommigen deden rillend en stotterend hun verhaal voor een microfoon en een camera. Een microfoon? Een camera? Anderen werden naar een podium gesleept waar ze bloemen in hun armen geduwd kregen. Als zombies staken ze plichtmatig hun handen en de bloemen omhoog, verdwaasd en verdoofd door de extreme koude. Ze hadden zichzelf naar de rand van de dood geduwd en leefden zowaar nog. Zelfs dat beseften ze niet meer.

’s Avonds gingen we naar de hotels van de renners. Uit op onderzoek. De gangen stonken naar massage-olie en andere luchtjes. Hotels waren noodhospitalen geworden, waar een enkele kamer zelfs gelijkenis vertoonde met een intensive-care-ruimte. Wie brutaalweg een kamer binnenliep trof steevast een wielrenner aan die zich uitgeput en ontbloot op een bed had gestort, ogen die niet meer spraken, levenloos. Soms opende je de deur van een kamer en trof je een renner op een massagetafel, soms zelfs een renner aan een infuus. Met een klap werd dan de deur weer dicht gesmeten.

Aha, doping! Spanjaarden aan het infuus, Italianen, Fransen, Belgen aan het infuus, maar ook Joop Zoetemelk en zelfs Erik Breukink. Wie lag er niet aan het infuus. Ze lagen toch allemaal aan het infuus? Ik hoorde verhalen over toediening van voedingssupplementen en vitamines. Kom nou, iedereen in het peloton wist toch dat een infuus te maken heeft met doping. Of niet soms?

Wie de volgende morgen hetzelfde hotel binnenkwam, liep kokhalzend door de gangen. De stank was niet te harden. Het hotelpersoneel riep dat het nooit meer wielrenners in huis wilde hebben. Wc’s, badkuipen en wastafels waren bevuild, handdoeken en lakens waren gebruikt als dweil. Er waren journalisten die in prullenbakken ampullen vonden met vreemde namen. Ze namen de resten mee en lieten ze onderzoeken in een laboratorium. Amfetaminen. Doping dus! Zie je nu wel.

Verzorgers, de zogenoemde soigneurs die zowel kunnen masseren als injecties toedienen, waren doorgaans schimmige mannen. Vriendelijke mannen, dat wel. Want een journalist die was getroffen door een stevige verkoudheid of een kater kon van een soigneur een pilletje krijgen waarmee hij vrolijk fluitend de dag doorkwam.

Altijd hing rondom deze zorgzame mannen, de vertrouwenspersonen van de renners, de voorlopers van de sportpsychologen, een waas van geheimzinnigheid. Nooit (vertrouwenspersonen, nietwaar) waren ze duidelijk in hun antwoorden wanneer iets gevraagd werd over middelen, ziekten of lichamelijke dan wel geestelijke stoornissen van hun renners. Die magiërs uit Spanje. Die Mexicaan die altijd bij Greg LeMond was, die Franse dierenarts die furore maakte in de paardensport door de dieren met vreemde kruidenelixers in te spuiten, daar was weggevlucht en nu rondom Bernard Hinault was gesignaleerd.

De soigneurs kregen naar verloop van tijd hulp van medicijnmannen, acupuncturisten, haptonomen, chiropraktors, kruidendokters en de meisjes van 7Eleven, de Amerikaanse soigneuses (met de lieftallige Shelley Verses waarop iedere man in de wielerkaravaan geilde; ze werd het liefje van de Australische wielrenner Phil Anderson) die de renners van de Amerikaanse ploeg vertroetelden.
Spontane meiden in deze mannenwereld.

Toen kwam het peloton echte artsen, de mannen die het ‘beter’ wisten druppelden een voor een de wielerwereld binnen. Elke arts die zich in het peloton wielrenners waagde was op slag verdacht. Ze meldden zich met hun grote ego in de verziekte wereld als wereldverbeteraars. De meesten vertrokken weer snel. Want een medicus die zich in de Tour wil houden aan beroepsethiek, komt in conflict met de renners, de ploegleiding, de sponsors èn met zijn geweten.

Sportarts en arts van de Nederlandse roeiploeg Gé van Enst zei eens tegen me in een interview: “Wie als arts naar de Tour gaat, verliest zijn zin voor realiteit. Die laat zich meeslepen in de tragiek van halfdode renners en kan zich niet meer verantwoorden. Hij wordt door niemand beschermd. Niet door zijn collega’s, door niemand. Hij staat er alleen voor. Een arts die naar de Tour gaat is gek. Mij moeten ze nooit vragen.” Een infuus op een hotelkamer, zei hij, dat mag volgens de medische ethiek niet eens. ,,Maar, ja, ze doen het, de artsen, omdat ze wel moeten. ze hebben een contract met de ploeg en sponsor, en moeten te allen tijde de renners gezond zien te houden. Nee, daar zal ik me als arts niet aan wagen.”

Maarten Ducrot, profwielrenner en Tour-etappewinnaar in de jaren tachtig, vertelde me jaren later hoe groot de spuit was die in zijn bil werd gejaagd teneinde hem een week voor het slot van de Tour de France uit zijn lijden te verlossen. Maar de renner die al de totale uitputting nabij was, werd er nog zieker van. IJlend lag hij ’s nachts in zijn bed. Wat hij gekregen had? Nou, dat moest wel erg gemeen spul zijn. Een injectie weigeren was er niet bij. De ploegleider is de baas en het ploegbelang staat voorop.

Er zijn dopingreglementen. Wie zijn toevlucht neemt tot stimulerende middelen kan worden betrapt bij een dopingcontrole en vervolgens gestraft. Ik heb renners gesproken die waren betrapt, zoals Zoetemelk. We stonden met alle Nederlandse wielerjournalisten aan zijn hotelbed, 200 kilometer van ons eigen hotel ergens in de Pyreneeën. Zoetemelk wist van niets. Hij begreep er niets van, zei hij. Wie begreep het dan wel? Zijn ploegarts, zijn ploegleider? Het was de schuld van de dopingcontroleurs, riepen de renners in koor. Die controles deugen niet, zeiden ze. Ik had het maar te geloven. Joop was een aardige man, hij was geen slikker, hij was eerlijk, hij was onze Joop, nietwaar?

Sinds de Italiaanse professor Francesco Conconi zich in de jaren tachtig met wetenschappelijk onderzoek in duursporten is gaan bezighouden, maakt de wielersport een enorme ontwikkeling door. Conconi ontwierp nieuwe trainingsmethoden, die onder meer leidden tot ongekende prestaties van Francesco Moser. Een renner naar mijn hart, mijn favoriet, die op latere leeftijd nog het werelduurrecord brak, Milaan-Sanremo en de Ronde van Italië won. Vooral door de nieuwe bevindingen kende de Italiaanse wielersport een enorme opleving. Medewerkers van Conconi verspreidden zich, met als gevolg een hausse aan Italiaanse triomfen.

Zoals altijd worden overwinningen in de wielersport toegedicht aan nieuwe dopingmethoden. Bloeddoping en aanverwante methoden (zoals toediening van het middel EPO dat de zuurstofopname in het bloed vergroot) konden wel eens de oorzaak zijn geweest van de Italiaanse successenreeks.

Wie wint, heeft iets nieuws ontdekt. Iedereen in het peloton denkt het, niemand zegt het hardop. Ja, ’s avonds aan de bar als de sterke verhalen over ‘drog’ de ronde doen. Wie als journalist schreef dat in het peloton doping en omkoping schering en inslag waren, kon op een woede-uitval of erger van de betrokkenen rekenen.
Als wielerverslaggever dien je het eigen nest niet te bevuilen. We dienden de renners te steunen en positief over hun daden te schrijven. We leefden in dezelfde wereld en maakten met z’n allen deel uit van de Tourkaravaan. Zoals we als Nederlandse volgers in 1991 ons vertrouwen schonken aan Erik Breukink, een prachtige pedaleur die zich onderscheidde door zijn bescheidenheid en intelligentie. Hij zou wel eens de Tour de France kunnen gaan winnen, hoopten wij. Zijn ploegleider Jan Gisbers zei het, de volgers en het volk van Nederland geloofden het.

Gisbers was een man met vakkennis. Hij was als amateurploegleider succesvol geweest met een wereldtitel van de tijdritploeg, Jan van Houwelingen, Guus Bierings, Bart van Est en Bert Oosterbosch, ‘rooie Bertje’ die ik op de pedalen heb zien stampen als amateur en als prof, een lieve jongen met de kracht van een monster in zijn benen. Hij zou later sterven. Er wordt gezegd door de methoden van Gisbers of later Peter Post. Het is nooit bewezen.

Gisbers wist wat wel en niet mocht. Hij gaf tegen mij ook toe dat hij experimenteerde met middelen. Hij meende dat er maar één manier in de wielersport is om te winnen: grenzen overschrijden. In het voorjaar van 1988 voerde hij onder medische begeleiding met renners van zijn ploeg PDM experimenten uit met testosteron, een hormoon dat uitgeputte renners weer op de been kon helpen. Hij ging ver, maar niet verder dan anderen, beweerde Gisbers altijd. Ik geloof dat hij de waarheid sprak.

Gisbers was ploegleider van Pedro Delgado, eens Tourwinnaar, van Gert-Jan Theunisse, die ook meedeed aan de testosteron-experimenten en later een paar keer werd betrapt op teveel testosteron, van Steven Rooks, Sean Kelly, Jean-Paul van Poppel en Erik Breukink.

Zomaar van de ene op de andere dag in de Tour van 1991 werd de hele ploeg van Gisbers ernstig ziek. We besloten de hele nacht de wacht te houden in het rennershotel, zoals het journalisten betaamt. Door de gangen zagen we wandelende lijken schuifelen. Het waren renners die ziek waren geworden van het middel intralipid. Het werd in ziekenhuizen gebruikt, maar was nog onbekend in de wielersport. Het middel was bedorven geraakt. Alle wielrenners hadden dezelfde injectie gekregen, sommige hadden zelfs in de hotelkamer aan het infuus van ploeg-, huis- en sportarts Sanders gelegen.

De Oostduitse renner van PDM Falk Boden mompelde tegen mijn Duitse tv-collega Klaus Angermann (gevlucht uit de DDR) dat hij bang was om dood te gaan. Het was duidelijk, hij ging dood. Ervaren Tour-verslaggevers zoals ik wisten niet wat ze zagen. EPO, dat volgens geruchten al eerder door Italianen was aangewend, werd genoemd, een middel dat bij veelvuldig en ondeskundig gebruik levensgevaarlijk is. Intralipid, zo werd door onafhankelijke medici verteld, zou als transportmiddel (via het infuus) voor EPO of een ander bijzonder nog in het peloton onbekend middel gebruikt kunnen worden.

Bekend is dat sommige renners vrij onschuldige geneesmiddelen krijgen toegediend die het gebruik van verboden middelen maskeren. Gisbers vertelde een verhaal over bedorven gehaktsaus. Ik geloofde het niet. Maar wat moet je wel geloven in deze wereld van list en bedrog?

Wielersport en doping zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ik heb het gemerkt, ik heb het gelezen in alle geschiedenisboeken van de wielersport. Alcohol en cocaïne, zo las ik, waren in de negentiende eeuw zeer populaire stimulantia in alle sporten, vooral duursporten. Toen de wielersport begin van de twintigste eeuw populair werd, namen wielrenners alles tot zich wat ze wilden. Brouwsels met grote hoeveelheden cafeïne vonden gretig aftrek. Maar ook ether, nitroglycerine, strychnine en cocaïne werden gebruikt. Wegrenners kregen van alcohol een enorme kick en konden zo uren doorgaan, drinkend en fietsend.

Henri Desgrange, de man die de Tour de France bedacht, vond dat het nemen van stimulantia erbij hoorde. Tenzij de renners het zelf betaalden. Het idee om een dopingreglement in te voeren was dan ook niet afkomstig uit de wielerwereld.

De behoefte aan dopingcontroles ontstond in de sport in de jaren vijftig. In de eerste plaats door het wantrouwen van de Westerse autoriteiten over de prestaties van atleten uit de landen van het Oostblok, die sport in toenemende mate als prestigemiddel hanteerden. Daarnaast waren er de acties van sportartsen die hun monopolie op de uitoefening van de geneeskunde wilden beschermen tegen de niet-medisch geschoolde soigneurs die zich op terreinen bewogen die zij voor zichzelf gereserveerd hadden.

Pierre Dumas was zo’n arts (of was hij zoals werd beweerd niet meer dan een fysiotherapeut met iets meer kennis van zaken?). Behalve zijn part time aanstelling als Tourarts had hij geen enkele band met de wielersport. In zijn eerste jaar als ‘Tourdokter’ in 1955 werd hij geconfronteerd met een aantal gevallen van gedrogeerde renners. Hij kon maar net de Franse renner Jean Malléjac van de dood redden. Dumas belegde tot afkeer van de Tour-directie een persconferentie waarop hij verklaarde dat hij bereid was een aanklacht wegens poging tot moord in te dienen.

Pas in 1966 werd in Frankrijk een wet van kracht die controles op stimulerende middelen bij sportwedstrijden mogelijk maakte. De Tourrenners protesteerden onder aanvoering van Tourwinnaar Jacques Anquetil. De eerste die tijdens de stakingsactie weer op de fietst stapte, was Tom Simpson. Een jaar later reed de Engelsman zichzelf in de brandende hitte op de Mont Ventoux de dood in, zijn door bacterierijk bronwater (langs de kant van de weg uit bergbeekjes op fonteinen gedronken) geteisterd lichaam vol met drugs en cognac.

Het zijn de verhalen die precies passen bij de verhalen die oud-wielrenners mij ’s avonds aan de bar van net hotel vertelden.

Dopingcontroles werden strenger. Eind jaren zeventig ging men ook controleren op hormoonpreparaten. Maar minder geslikt en gespoten werd er bepaald niet. Dopingcontroles werden met trucjes omzeild. Soigneurs en ook artsen bleven de markt afstropen op zoek naar nieuwe, nog onbekende middelen. In de urine van Didi Thurau, een aimabele en zeer talentvolle Duitse renner werden sporen van nicotine gevonden, hoewel hij nooit rookte. Een Duitse journalist van Der Spiegel had ontdekt dat Thurau voordat hij naar de dopingcontrole ging zijn blaas leegde en er dan via een katheter urine van een ander in liet brengen. Ik heb het later meer gehoord. Een van de vele trucjes. Zelfs de grote Eddy Merckx zou het hebben gedaan. Ik wil het niet geloven.

Maar waarom zouden profrenners niet alles in het werk stellen om aan de macht van de dopingcontrole te ontkomen? Wielrennen is hun werk. Ze hebben er recht op zich te verzorgen zoals ze dat willen, beweren ze. Waarom concertpianisten, artiesten en acteurs wel en wielrenners op tournee niet? Ze hebben wel een beetje gelijk. Maar noem beroepswielrennen dan nooit meer sport.

%d bloggers liken dit: