Tag Archives: Bennekom

Altijd heb ik in het wit van Real Madrid willen voetballen

1 Jun

Real Madrid. Ik durf de naam van deze club nauwelijks uit te spreken. De kans dat ik overspoeld word met kwetsingen, beledigingen en vuilspuiterij is aanzienlijk. Of ik word gewoon gewoon weggezet als dom; sterker: iemand zonder verstand van voetbal. Je moet van Barcelona houden – of van Ajax. Dat getuigt in het voetbalwereldje van gezond verstand. Nu, ik doe het toch maar. Dan maar geen verstand van voetbal. Ik schreeuw het hier uit: ik sympathiseer met Real Madrid! Ik hoop dat zaterdagavond Real voor de twaalfde keer de Europa Cup voor landskampioenen wint – sinds twee decennia de Champions League genoemd.

Over smaak en liefde kun je lang twisten. Maar mijn gevoel blijft mijn gevoel. Pas op, ik ben geen doorbloede supporter van Real Madrid die zijn leven en welzijn laat afhangen van deze Spaanse voetbalclub. Ik ben een sympathisant, die in de wedstrijden waarin Real uitkomt niet meer dan diep van binnen partij kiest voor de Madrilenen. Niet omdat het mooiste voetbal (Wat is dat eigenlijk? Wie heeft dat als voorwaarde bedacht?) door Real zou worden gespeeld. Dat doen ze namelijk lang niet altijd. Als de Koninklijke voetbalt, voetbalt het elftal (door wie ook gecoacht) binnen haar mogelijkheden om te winnen.

Het voelt nu als een verklaring, sterker als een verontschuldiging, dat ik doorgaans sympathieën koester voor Real Madrid. Alsof ik moet uitleggen waarom ik niet van vis houd en waarom ik een meisje liefheb dat niet de mooiste van de klas is. Waarom? Eenvoudigweg omdat het mijn eigen smaak is, mijn gevoel is waardoor ik me laat leiden. Mijn zintuigen wijzen sinds mijn jongste jeugd (mogelijk zelfs sinds mijn geboorte) mij de weg in het leven. Misschien niet de juiste weg en de mooiste weg. En zeker niet de weg die anderen nemen. Het is wel mijn weg, aangegeven door mijn vader. Zoals wel meer vaders hun zonen de weg wijzen. Voordat je het weet heb je hun weg gekozen.

In juni 1958 hadden wij thuis nog geen televisie. Mijn vader keek bij de buren naar voetbal. Ik keek bij een vriendje op zaterdagmiddag naar de FA Cup Final. Toen de finale van het WK tussen Zweden en Brazilië gespeeld zou worden, haalde mijn vader me over mee naar de buren te gaan. ,,Dan zie je negers voetballen en die kunnen beter voetballen dan blanken. Die verdedigers maken nooit overtredingen. In de aanval staat een jochie van 17, fantastisch, Pelé heet hij. Dan loopt er een lange arrogante neger rond, die kan écht voetballen, Didi. En als rechtsbuiten loopt een manke voetballer die nog beter is dan Stanley Matthews: Garrincha.”

Ik zag het aan en was overweldigd. Altijd bleef ik sindsdien sympathieën koesteren voor Brazilianen. Ik moest er later naar toe, dat beloofde ik mezelf. Ik moest de ziel van Braziliaanse voetballers blootleggen. Dat heb ik als voetbalverslaggever gedaan. Ik was er eind jaren negentig voor het eerst en zag een droom werkelijkheid worden.

Alfredo Di Stéfano

Een jaar na het WK in 1958 was ik lid geworden van de plaatselijke voetbalclub Bennekom. Op een woensdagmiddag kregen wij als jeugdspelers een keer voetbalfilms voorgeschoteld in het Verenigingsgebouw. Een van de films ging over Real Madrid, dat toen al drie keer de Europa Cup had gewonnen. Ik zag op de trillende zwartwitbeelden acties die ik alleen Brazilianen had zien uitvoeren. Ik zag een Real-speler een ongeëvenaard doelpunt maken. Hij stond met zijn rug naar het doel, liet de bal tussen zijn benen doorrollen en veranderde op het laatste moment met zijn hak de richting van de bal: doelpunt. En zo zag ik meer acties en doelpunten die mij in vervoering brachten.

Real Madrid 1958: vlnr Raymond Kopa, Hector Rial, Alfredo Di Stéfano, Ferenc Puskas en Francisco Gento

De man van de toen door mij als geniaal bestempelde actie heette Alfredo Di Stéfano. Rondom hem speelden Francisco Gento, Ferenc Puskas, Raymond Kopa, Hector Rial, José Santamaria en anderen, gehuld in witte broeken, witte shirts en witte kousen. Ze speelden in mijn jongensogen goddelijk. Ik wilde mijn hele leven voetballen in het smetteloos wit. Toen ik zes of zeven jaar later in het eerste elftal van mijn club mocht debuteren, speelden we vaak in het wit (helemaal wit). Onze clubkleuren waren rood-wit gestreept. Ik voelde me koninklijk, helemaal in het wit (zonder reclame), hoog tot op kniehoogte opgetrokken witte kousen over gebruinde benen, zwarte schoenen (de witte strepen had ik met zwart overgepoetst). Ik wilde Real Madrid zijn, eigenlijk wilde iedereen in dat elftal dat. Real Madrid zijn, dat gaf je een onoverwinnelijk gevoel.

Bennekom 1 in het wit van Real Madrid, ik zit links onder

Wit, wit, wit, koninklijk wit. Dat was het voetbal waar ik van droomde. Al moet gezegd dat de Brazilianen, voor zover ik die (op televisie) kon zien voetballen in mijn jeugd, mij ook hadden kunnen bekoren. Mijn vader was mijn zielsverwant. Hij sprong overeind bij een onnavolgbare dribbel van Gento, loeide bij een schot van Puskas en kraaide het uit bij een actie van Di Stéfano.

In het voorjaar van 1962 (ik was 13 jaar) werd in Amsterdam de finale van de Europa Cup tussen Real Madrid en Benfica gespeeld. Ik had in de plaatselijke krant gelezen dat Benfica op de Wageningse Berg logeerde en trainde, zes kilometer van mijn huis. Ik sprong op de fiets, beklom de Wageningse Berg en zag de sterren van Benfica schitteren tijdens de training. Van een bestuurslid kreeg ik een speldje van Benfica. Ik posteerde me achter het doel van Costa Pereira, de machtige keeper van Benfica. Eusebio, Coluna, Aguas, Augusto, Germano en Simoes produceerden kanonskogels. De ballen die naast het doel gingen haalde ik op (na een gevecht met andere bewonderaars) en plaatste die keurig met de binnenkant van de voet terug naar de Benfica-sterren. Na afloop kwam Eusebio met een grote lach op zijn gezicht naar me toe en aaide me over mijn hoofd, als dank voor mijn inspanningen. Het was duidelijk: Benfica zou de volgende dag mijn favoriete ploeg zijn.

Zo keken we naar de finale. Mijn vader was voor Real Madrid (met de toen al 36-jarige Di Stéfano), ik ditmaal voor Benfica. En ja hoor, Benfica won, met 5-3. Ondanks drie doelpunten van Puskas. Maar Eusebio forceerde met twee doelpunten in de tweede helft de beslissing. Ik was blij, mijn held had gewonnen. En daarom ben ik nog altijd een beetje sympathisant van Benfica.

Maar het wit van Real bleef fascineren. Altijd speelden er fantastische voetballers. Soms ook harde en smerige verdedigers, zoals José Antonio Camacho, bijgenaamd ‘het scheermes’. Ach, een scheermes als wapen kan ook fascinatie oproepen. Je moet het maar doen én durven. Ook dat is er sinds het ontstaan van voetbal. Het hoort er bij. Ik kan opgewonden raken van fabuleuze acties van artiesten, maar ook van vernietigende tackles. Dat is voor mij opwinding. Natuurlijk denk ik bij zulke grove acties: oei! Maar hij is wel van de club die ik graag zie winnen. De mantel der liefde verhult veel.

Alfredo Di Stéfano

Zaterdag is de finale Real Madrid-Juventus. In 1998 was ik er als verslaggever getuige van hoe Real in de Amsterdam Arena Juventus versloeg, 1-0, doelpunt Predrag Mijatovic. Daags voor de wedstrijd kon ik samen met een select gezelschap journalisten deelnemen aan een lunch met Di Stéfano met Gento in vijfsterrenrestaurant d’Vijff Vlieghen in Amsterdam. Het lukte mij aan tafel tegenover ‘de blonde pijl’ te gaan zitten, naast een Spaanse tolk. Terwijl Di Stéfano de ene sigaret na de andere opstak en het ene glas witte wijn na het andere dronk, vroeg ik hem wie hij de beste voetballer aller tijden vond. ,,José Manuel Moreno’’, zei Di Stéfano kort en chagrijnig, en nam een slok. Moreno bleek ooit de rechtsbinnen van River Plate Buenos Aires, zijn held bij de club waar Di Stéfano als beginnende voetballer speelde.

Na de lunch liep het gezelschap rond Di Stéfano en Gento over de Amsterdamse grachten naar een fanshop van Real Madrid die door de oude sterren geopend zou worden. Niemand herkende de oude meesters. Di Stéfano keek tijdens de wandeling nauwelijks om zich heen en mompelde op mijn verzoek (ik week niet van zijn zijde) wat over de verloren finale van 1962 in Amsterdam tegen Benfica. Gento zag een leeg blikje cola liggen en begon wat dribbels te demonstreren. Waarop Di Stéfano eindelijk lachte en zei: ,,Paco (de bijnaam van Gento).”

Fernando Redondo

Di Stéfano overleed in 2014. Hij werd 88 jaar. Door hem ben ik sympathisant gebleven van Real Madrid. Ik heb na hem talloze sterren zien schitteren in het Koninklijke wit. Ik was bij wedstrijden in het majestueuze Bernabeustadion toen de Nederlanders Leo Beenhakker en Guus Hiddink er trainer waren. Ik genoot van Butragueno, Michel, Hugo Sanchez, Santillana, Amancio, Juanito, Redondo (!), Roberto Carlos, Ronaldo (de Braziliaan), Didi (de spelmaker van de Braziliaanse wereldkampioen van 1958 en 1962, én uitvinder van de folha seca, de vallende vrije trap). Ik genoot van Netzer, Suker, Prosinecki, Hagi, Kaka, Raúl, Figo, Zidane, Beckham, McManamam, Van Nistelrooy, Robben en vele anderen. Ik zag als verslaggever een aantal Europese finales met Real Madrid en altijd was ik voor Madrid. Zoals nu, hoe sterk Juventus ook is. Ik hoop op prachtige acties van het middenveld Modric, Kroos en Isco, op de kwikzilverige aanvallende verdediger Marcelo, op Benzema, vanzelfsprekend op Cristiano Ronaldo en op het souvereine, soms keiharde verdedigen van Ramos – geen betere verdediger dan Sergio Ramos.

Zinédine Zidane

Maar bovenal hoop ik dat Zinédine Zidane de winnende coach wordt. De Fransman die eens als speler van Juventus en het Franse elftal excelleerde en vervolgens bij Real Madrid deed wat een speler van de Koninklijke wordt geacht te doen: schitteren – en mij in vervoering brengen. Ik hoop dat mijn smaak de goede is. Ik kan er niets tegen doen. Het is mijn smaak en het is mijn gevoel dat mij naar het wit van Real Madrid heeft gedreven. Of het nu de rijkste club ter wereld is, of de club met de meeste schulden, dan wel de club die niet altijd het mooiste voetbal speelt – wat dat ook is. Het is Real Madrid, de club die mijn zintuigen vormde. Mocht het niet lukken, dan zal ik niet lang treuren. May the best team win.

Dit artikel is in de aanloop naar de finale van de Champions League Real Madrid-Juventus (zaterdag 3 juni) geplaatst op de website http://www.dewitteduivel.com. Zie daar ook een portret over Juventus van Bruno Giuntoli, een Nederlandse Italiaan die de Oude Dame liefheeft.

Korfballer Ben Crum golft: ‘Dé techniek bestaat niet’

18 Nov

Wie kende ze niet, de drie broers van DKOD, de christelijke korfbalvereniging uit Heelsum? Ben, Bart en Jan speelden samen in het twaalftal van De Korf Ons Doel, toen er nog met zes dames en zes heren in drie vakken werd gespeeld – vooral buiten op het veld. In de jaren zestig werd DKOD mede dankzij de Crums vijf keer keer landskampioen op het veld en twee keer in de zaal, het was nog voor de christelijke korfbaltak zou opgaan in het Koninklijk Nederlands Korfbalverbond.

Dáár, en Ben Crum wijst naar het sportpark aan de rand van De Heelsumse Golfclub, speelde DKOD. De korfbalgoeroe, een missionaris is hij vaak genoemd, vanwege zijn onstuitbare drang naar vernieuwing van deze bij uitstek sociale sport. Hij was succesvol als clubcoach én bondscoach. Crum, nu 75 jaar, pleitte tegen de verdrukking in voor de afschaffing van het middenvak en kreeg zijn zin. Hij introduceerde de gele kunststofkorf, hielp hij de Korfbal League op te zetten, liet de schotklok invoeren en deed er alles aan korfbal wereldwijd populair te maken in de hoop dat zijn sport ooit olympisch werd – tevergeefs. Los daarvan was hij achttien jaar in dienst van de voetbalbond, als docent coach betaald voetbal.

Foto Anneke Hymmen

Foto Anneke Hymmen


Vorig jaar nog won Crum met PKC voor de tweede maal de zaaltitel. Over korfbal kan hij natuurlijk urenlang praten, als gediplomeerd sportleraar over lichaamsbeweging. Over balans, over keuzes maken, over kijken, over een bal gooien, over een bal slaan. Over golf dus, dat hij sinds einde jaren negentig speelt – als het mogelijk is bijna dagelijks. Voor het eerst op Welderen bij Elst. Nauwelijks les gehad, voegt hij er snel aan toe, terwijl we op het terras over de fraaie baan van De Heelsumse uitkijken. Hij legt uit: ,,Dé techniek bestaat niet. Het gaat om de goede balans. De goede stok, de goede lijn en lichaamsbeheersing. Als je er vroeg mee begint en hebt geleerd goed te bewegen, dus gymnastiekles hebt gehad, ben je al een eind op weg.’’

Crum heeft nu handicap 15. Was hij eerder begonnen, op jonge leeftijd, dan was het ongetwijfeld lager geweest. ,,Het is niet zozeer de aanleg, het is vooral je lichaam zo vroeg mogelijk oefenen. Zoals kinderen dat horen te doen: paalklimmen, boomklimmen, kruipen, vechten, rollebollen, met een bal gooien of zoals wij een steentje slifferen over het water, hier bij ons op de Rijn. Dan oefen je je hersens in motorische vaardigheden. Als je al heel jong leert golfen, dus met een stok tegen een bal slaan, heb je een voorsprong op jongens die op latere leeftijd beginnen.’’

Hij verwijst naar Jan Dorrestein, de Nederlandse golfer die in de jaren zeventig al internationaal meetelde. Dorrestein leerde als jongetje op de Rosendaelsche golfclub, waar zijn vader golfles gaf, met een afgezaagde stok tegen een bal slaan. ,,Hij mocht niet de op de baan komen, maar leerde met zijn broers tussen de bomen golfen. Gewoon zoveel mogelijk ballen slaan met dezelfde stok. Vervolgens was hij jarenlang caddie. En leerde hij door met de speler mee te kijken. Als je zo opgroeit, heb je een voorsprong. Heel vroeg de juiste bewegingen in je hoofd opslaan.’’

En aanleg? Crum relativeert zijn eigen balgevoel, als korfballer en nu nog als oudere man als golfer. ,,Ik wilde niet leren. Mijn broers zijn allemaal professor geworden. Ik wilde spelen, bewegen. We hadden bij ons een pleintje met een korfbalbalpaal. Elke dag honderden ballen in die korf proberen te gooien. Dat wilde ik. Bewegen, samen spelen met en tegen anderen. Bij korfbal mag je niet lopen met de bal. Je moet keuzes maken als je de bal hebt en leren vrij lopen als je de bal niet hebt. Dat vormt je lichaam en je bewegingen. Dat heeft mij gevormd.’’

Sinds hij niet meer korfbalt, golft Crum. ,,Er is voortdurend die uitdaging. Afstand, welke stok, geen slag is hetzelfde, elke keer weer inschatten en focussen. Dat vind ik zo mooi. Ik heb geleerd na elke slag even te analyseren, hoe de balvlucht is, heb je de bal goed geraakt en waarom. De goede slag onthouden en opslaan. En voordat je slaat niet te veel nadenken, dan gaat het fout. Je weet wat je kunt en dan gewoon doen wat je voelt wat je moet doen. Het mooiste is de verbazing dat je een bal zo perfect hebt geraakt. Dat is genieten. Kijk wat je kunt, sta er voor open. Doe het.’’

Crum kijkt ook naar anderen, naar de topspelers, op de televisie vooral. ,,Ik kijk naar hun bewegingen, hoe ze staan, hoe hun houding is, welk gezicht ze er bij trekken. Dat is informatie waar ik als toekijkende speler nog wat van kan leren. Het is helaas te laat voor mijn leeftijd. Maar zo heb ik wel mijn hele leven naar sport en naar bewegende mensen gekeken. Hoe bewegen ze, hoe is hun balans, doen ze het spontaan of denken ze na? Ik vertel daar graag over aan sportmensen en zeker aan coaches.’’

Hij vindt het raar dat Nederlands beste golfer, Joost Luiten, wel in Spijk op het KLM Open goed speelt én wint en dan op andere toernooien slecht speelt. ,,Dat klopt er iets niet met zijn mentale instelling. Lyrisch is iedereen als hij op zijn eigen baan wint. Waarom? Chauvinisme. Omdat hij wordt gedragen door het thuispubliek en de journalisten, allemaal supporters van hem, en omdat hij de baan kent. Dan zit je in een flow, begrijpelijk. Maar Lionel Messi voetbalt overal goed. Waarschijnlijk een kwestie van talent, maar misschien ook onbevangenheid, hij sluit zich niet af als hij waar dan ook speelt. Luiten misschien wel. Zodra hij op een andere baan speelt, verdwijnt iets uit zijn hoofd. Spontaniteit, de motoriek, raar. Ik neem aan dat hij en zijn coaches ermee bezig zijn. Want hij heeft wel een probleem.’’

Foto Anneke Hymmen

Foto Anneke Hymmen


Ben Crum neemt nog een slokje witte wijn als Kees van Wonderen zijn ronde afsluit en het terras betreedt. Ex-voetballer van Feyenoord, van het Nederlands elftal en nu bondscoach Oranje onder 17 jaar. Bennekommer, streekgenoot dus van Crum. Van Wonderen informeert naar de Mastersclass die Crum geeft bij de Bennekomse korfbalcub DVO, vroeger de aartsrivaal van DKOD. Hij vraagt of hij eens mag komen kijken, om te leren. Crum begint meteen over het bewegen zonder bal, en dat je niet met een bal mag lopen en wat je dan doet. ,,Bewegen, Kees, posities kiezen, keuzes maken’’, zegt Crum. Er ontstaat een discussie over ‘open’ staan, ‘aanbieden’. ,,Balans, Kees, evenwicht, je benen goed neerzetten, je lichaam openstellen. En kijken en voelen of je goed en lekker staat. Zo gaat dat bij alle balsporten.’’
——————————————————————————————————–
BEN CRUM (Heelsum, 1941) is een voormalig korfballer, korfbalcoach en korfbalvernieuwer. Hij was jarenlang met twee broers gangmaker van de Heelsumse club DKOD, waarmee hij menig titel veroverde. Vervolgens was hij met onderbrekingen vijftien jaar lang bondscoach. Crum won met verschillende clubs tal van titels op het veld en in de zaal. De Gelderlander probeerde zijn sport mondiaal populair te maken, vooral in Azië werd hij geprezen voor zijn inzet om korfbal te introduceren. Vooral dankzij hem wordt korfbal in meer dan zestig landen beoefend. Crum was als sportleraar en gediplomeerd bewegingsdeskundige ook vijftien jaar docent coach betaald voetbal en leidde veel oud-internationals op. Louis van Gaal, Willem van Hanegem, Ronald Koeman, Guus Hiddink en Danny Blind behoorden tot zijn cursisten, totdat hij in 1999 door de voetbalbond werd ontslagen omdat hij de toenmalige voorzitter van Vitesse, Karel Aalbers (werkgever van de zojuist aangestelde trainer Ronald Koeman), in diskrediet had gebracht.

De Giro belooft meer dan de wielersport kan waarmaken

10 Mei

Is het leven in Italië ook zo mooi, zo zonnig en zo roze gekleurd? Je zou het je kunnen afvragen na wat zich sinds einde vorige week tot begin deze week in Gelderland heeft afgespeeld. Dit is dus de Ronde van Italië, de Giro d’Italia, de wielerronde die drie weken lang gehuld in een roze habijt door het mooiste land van Europa trekt. Dit is dus de karavaan met wielrenners, geëscorteerd door nauw betrokken volgers met vrolijke gezichten en uitbundig zwaaiende armen, die de komende weken door het beloofde wielerland trekt.

Daarom zitten de duizenden mensen die de afgelopen dagen in Gelderland naar de Giro hebben gekeken en naar de renners en hun volgers hebben geschreeuwd en gezwaaid, de komende weken natuurlijk elke dag voor hun televisie om maar niets van het vervolg te missen.

Nee. Ik vermoed dat de belangstelling met de dag drastisch afneemt en dat de Ronde van Italië uiteindelijk slechts door de echte wielerliefhebbers zal worden gevolgd. De Giro door het altijd prachtige en ditmaal wel erg zonnige Gelderse landschap was eigenlijk niet meer dan een toeristische attractie, met een vleugje sport: voorbijflitsende wielrenners. Aangezwengeld door de Italiaanse organisatie die zich al sinds 1909 beijvert om toerisme en sport (en commercie) aan elkaar te koppelen. In de afgelopen dagen volop gesteund door de Nederlandse media, voor wie geen poëtisch woord te veel was.

Foto: Cyclingweekly/Graham Watson

Foto: Cyclingweekly/Graham Watson

In oktober 2004 schreef ik in wielertijdschrift De Muur een lofzang op de Ronde van Italië:

‘Italië is het wielerparadijs, zeggen wielrenners. Waarom? Omdat ze er worden geëerd, verzorgd, gestreeld, vertroeteld en verwend als kroonprinsen. Ze voelen zich er een kampioen. Glimmende fietsen met geoliede mechanismen van vorstelijke makelij; oogstrelend de kleding en het schoeisel, alsof de modeontwerpers van Milaan zich hoogstpersoonlijk de wielersport hebben toegeëigend. Sport is uitstraling, sport is ijdelheid, sport is bedoeld om ego’s te strelen. Sport in Italië is narcisme. Het moet mooi zijn – daar gaat het om: ik ben een kampioen.’

‘Tussen Aosta en Agrigento is het goed toeven voor een sportman. Uitbundigheid mondt uit in creativiteitszin. Italianen willen hun kinderlijkheid niet verliezen. Ze willen zingen, dansen, huilen, eten, drinken, spelen en als het mag de liefde bedrijven tot de dood erop volgt en zich – als God het behaagt – nieuw leven zal aandienen. Luister naar hun volkslied, Il Canto degli Italiani, de muziek van Michele Novaro en de tekst van Goffredo, geschreven rond 1850: Fratelli d’Italia, broeders van Italië. Je wilt meezingen als je het hoort, je klimt naar de toppen van euforie. Je zou Italiaan willen zijn. De relativerenden, de nuchteren, de verstandigen onder ons weten dat er meer is dan La Dolce Vita, het zoete leven. Zij geven zich behoedzaam en godvrezend over aan de calvinistische klanken van het Wilhelmus en houden vast aan het idee dat het in Italië per definitie een godgeklaagde bende is.’

Mijn lyriek, die nog pagina’s lang aanhield, is geïnspireerd door de ervaringen die ik als wielerverslaggever opdeed in de jaren tachtig, de Tirreno-Adriatico, Milaan-Sanremo, de Ronde van Lombardije en viermaal de Giro. Het was vaak aangenaam toeven in Italië, nog los van het zalige eten en de zalige wijnen. Daarom wilde ik de taal machtig worden en ging ik op cursus Italiaans. Ik wilde Italië, de Italianen en de Italiaanse cultuur begrijpen. Ik wilde Italiaan zijn met de Italianen. Ik wilde met Francesco Moser spreken, met Giuseppe Saronni, met mijn ervaren Italiaanse collega’s Rino Negri, Dante Ronchi, die nog hadden verkeerd met Fausto Coppi en Gino Bartali (naast wie ik in het perscentrum van Siena nog mijn Giro-verslag schreef), met Gianfranco Josti en Angelo Zomegnan (later directeur van de Giro). En met Vincenzo Torriani, wijlen de directeur van de Giro.

Bartali en Guus

Naast Gino Bartali in het Palazzo Pubblico van Siena, in de Giro van 1986

De Giro, ja, zoals de karavaan wielrenners door de meest pittoreske stadjes, over historische pleinen en langs onvermoede, indrukwekkende landschappen trok. Op plaatsen finishte waar geen auto toegang had kunnen vinden. Zelfs de erbarmelijke weersomstandigheden, in de sneeuw rond de Passo di Gavia (met Erik Breukink en Johan van der Velde), de zware onweersbuien boven de Apennijnen en de brandende hitte in Sicilië, werden verwelkomd als geschenken die je niet mocht (kon) afslaan. Italiaanse collega’s, gekleed in fraai gestileerde kostuums, werden dottore genoemd. Zo mooi was het paradijs, dagen van genot regen zich aaneen. En altijd stond aan het einde van de dag op het erepodium een man in een roze trui, stralend en zwaaiend, gezoend door de mooiste bloemenmeisjes van de streek.

Foto: LaPresse/Franck Faugere

Foto: LaPresse/Franck Faugere

Zo zag het er de afgelopen dagen ook uit in Gelderland, in Apeldoorn, in Nijmegen, in Arnhem, op de Veluwe, in de Betuwe, in de Achterhoek, in mijn geboortedorp Bennekom – eindelijk maakten mijn vrienden van weleer kennis met wat ik jaren eerder in geuren en kleuren had proberen duidelijk te maken: wielrennen in Italië is een hemels evenement met engelen op een fiets.

Duizenden mensen waren er toegesneld in de hoop een glimp van de roze koers op te vangen. Van strijd waartoe sport toch is bedoeld, kregen ze niets mee. Alleen tijdens de proloog, een korte tijdrit in Apeldoorn, vielen zweetdruppels op de rennerslijven te bespeuren. Nota bene op die van de grote favoriet, de Nederlander Tom Dumoulin, die ook nog won en zich in de eerste roze trui mocht hijsen. Wie was er ook alweer tweede? En tijdens de twee massasprints in Nijmegen en Arnhem, gewonnen door een Duitser. Wie? Ja, Marcel Kittel. Een krachtige Duitser die in de roze leiderstrui Nederland verliet, op weg naar het verre Italië. Naar Catanzaro…. Waar ligt dat ook al weer? Nou, in het diepe zuiden van Italië.

Wielrennen is wachten. Wie de koers van nabij wil volgen, moet wachten. Wachten op dat ene moment, een handvol seconden, en dan zijn de renners alweer voorbij. Soms kun je een weggegooide lege bidon (of vroeger een petje) buit maken. Als het meezit kun je de voorbijrazende renners op de foto zetten. En als het heel erg meezit, kun je na afloop een selfie maken met naast je een of andere renner. Wanneer je van competitie houdt, van wielrennen, blijf je thuis aan de buis. Dan zie je alles!

Of de start van de Giro in Gelderland (en eerder in Amsterdam en Groningen, de Tour in Utrecht en de Ronde van Spanje in Assen) de populariteit van de wielersport zal verhogen, is de vraag. Als groot volksfeest en toeristische attractie zullen genoemde steden vast wel navolging krijgen. Maar of er meer Nederlanders (de jeugd in het bijzonder) op een racefiets zullen klimmen? De Posbank, nabij Dieren, waar de Gelderse Girorenner Maarten Tjallingii zich op ‘zijn berg’ de beste klimmer wilde en mocht tonen, zal vast wel heel even iets meer dan een bedevaartsoord worden van race-recreanten en profwielrenners in spe. Maar een bedevaartsoord is de Posbank al jaren, vanwege het naar Nederlandse maatstaven hoge stijgingspercentage.

De wielersport mag dan wel op zonnige en feestelijke dagen rond de Giro, de Tour en de Vuelta duizenden toeschouwers (een half miljoen) trekken. Financieel profijt heeft de wielersport er nauwelijks van. Van recettes, zoals met voetbal, is geen sprake. Iedereen kan langs de weg gaan staan en kijken. De sport en zeker de renners zijn afhankelijk van sponsoren en tv-rechten. Wat verdient een wielrenner? Wat kost een speciale racefiets? Wat kosten de trainingsstages? U weet toch waarom er zoveel reclameteksten op wielershirts staan? U weet toch waarom onbeduidende wielrenners op onbelangrijke momenten aanvallen? Gewoon, om in beeld te komen. Want op het kantoor van de sponsor telt een administrateur het aantal minuten dat zijn renners zich laten zien. Aandacht is reclame.

En zo is het Giro-peloton weer naar Italië getrokken. Het wielerparadijs waar het zo goed toeven is voor wielrenners en hun volgers. Waar de bevolking meer nood heeft aan volksfeesten met helden op een racefietsen dan hier. Maar ook in Italië is geen geld genoeg om beroepswielrenners goed te betalen. Ondanks de overal bloeiende en groeiende industrie van racefietsen en aanverwante dure materialen en kleding. De potentiële sponsors willen waar voor hun geld; reclame op televisie, zoveel mogelijk reportages over wielrennen. Anders geen financiële bijdrage. Voor niks gaat in Italië alleen de zon op.

De Giro belooft meer zon, vreugde en schoonheid dan de wielersport kan waarmaken. Straks als de echte bergen voor de wielen komen en de echte tijdritten moeten worden gereden, begint de echte wielersport. De afgelopen periode in Gelderland was slechts een feest in de aanloop naar de echte sport. Benieuwd wie er dan nog is geïnteresseerd in de Giro d’Italia.

Deze column is verkort gepubliceerd op http://www.sportenstrategie.nl

Was ik hier maar nooit weggegaan

12 Apr

bennekom ansicht
Dáár heb ik gewoond, daar moet ik dus even langs rijden. En daar ook. En daar. Kijken hoe het huis er nog bijstaat. Of de tuin nog goed onderhouden is.

Zo’n vijf keer per jaar ben ik terug in Bennekom. Elke keer rijd ik voor of na mijn bezoek een rondje door het dorp, langs de huizen waar ik de eerste 24 jaar van mijn leven heb gewoond. De huizen zijn nauwelijks veranderd, de straten en lanen een beetje. Soms sta ik even stil. Dan kijkt bij de buren iemand door het raam en vraagt zich vast af wat die man daar in die auto doet. Het zijn andere buren dan vroeger. Ze kennen me niet.

In Bennekom ben ik geboren en getogen. Ik ben er naar de School met de Bijbel aan de Veenderweg gegaan en naar de Ulo aan de Robert Kochlaan, alvorens ik naar het Wagenings Lyceum ging om er vooral te leren wat God verboden heeft. Ik ben in mijn dorp op de gymnastiekvereniging geweest en op de padvinderij. Ik ging er met mijn ouders en broers naar de Gereformeerde Kerk aan de Brinkstraat, naar de Knapenvereniging en de catechesatie – één keertje maar, toen was ik de Bijbel en de psalmen zat.

En ik heb er vanaf mijn elfde tot mijn 25ste gevoetbald, de laatste acht jaar meestal in het eerste elftal. Ik kende toen ik jong was bijna iedere Bennekommer. Of ze nu uit het dorp kwamen, zoals ik, of van de Laar, waar ik begon te voetballen tussen de jongens van De Ruiter, Welgraven, Van den Heuvel, Lieftink, Van Reemst, Meurs, Vermeer, Van de Weerd, Jansen, Van den Brink, Veldhuizen, Van Beek, Kersseboom, Rozeboom, Roosenboom en Roseboom. Families die al bekend waren bij mijn vader die bijna zijn hele leven in Bennekom heeft gewoond.

Het leven in Bennekom heeft mij gevormd. Ik mis nog vaak de warmte en veiligheid van deze unieke gemeenschap. De manier waarop ze gedag zeggen. Kort, onverschillig bijna: ‘heu Guusje’. De manier waarop mensen schielijk langs je heenlopen. Later hoor je dat ze je wel gezien hebben en vragen ze waarom je niet gedag zei.

Stille herkenning, typisch Bennekoms.

Als ik vroeger als jongen door Bennekom fietste, hoorde ik vanuit een tuin of een raam mijn naam roepen. Als de melkboer en de groenteboer bij ons aan de deur kwamen zeiden ze tegen mijn moeder dat ik slecht had gevoetbald. Hoe dat toch kwam. Dan lachte mijn moeder verlegen om zoveel aandacht voor haar zoon en zei ze verontschuldigend iets over nieuwe voetbalschoenen of over problemen op school. Sociale controle heet dat nu. Ik noem het sociale veiligheid.

Betrokkenheid. Verbinding. Warmte.

Ik ging het huis uit, verliet Bennekom, verliefd op een niet-Bennekomse. Ik werd journalist, ver weg. Ik reisde de hele wereld over. Altijd verlangde ik terug naar mijn dorp, mijn oude buren, mijn oude vrienden, mijn oude voetbalclub, terug naar de bossen aan de oostkant van het dorp waar ik had rondgestruind, alleen en eenzaam dromend onder bomen en struiken had gelegen, padvinder was geweest, had gevreeën, had gevoetbald tussen de bomen en er comboytje had gespeeld.

bennekom hooi kerk
Terugverlangen naar de weilanden en de sloten aan de westkant van het dorp, waar schoolvriendjes op een boerderij woonden en ik de reuk van hooi, ingekuild gras, van koeien-, kippen- en varkensstront leerde kennen, en heel dicht bij beesten kon zijn. Terugverlangen naar opa en opoe Van den Hul, aan de Edeseweg. Mijn opa was varkenskoopman. Achter het huis was de waag, waar varkens werden gewogen en verhandeld door middel van handjeklap. De boeren lieten de varkens stiekem grind eten, zo hoorde ik van mijn opa, werden ze zwaarder van. Mijn opa drukte op zijn beurt met zijn klomp het gewicht naar beneden. Totdat ik er wat van zei en hij me een hengst voor mijn kop gaf. Nooit mocht ik meer in het waaggebouwtje.

Ik leerde van hem kippen slachten: gewoon vangen, op een hakblok leggen, kop er af, met een hiep. Ik leerde varkens voeren. Ik zat daar met mijn broer aan de keukentafel en at mee, zo veel en zo vet mogelijk, veel jus, omdat het gezond was en je nog moest groeien. Maar wel eerst bidden en tot slot danken. Deed ik het niet, hoorde mijn opa ons lachen, dan kreeg ik een pet naar mijn hoofd geslingerd.

Ik verlangde terug naar het café waar ik had rondgehangen. Uren. Zonder geld. Maar er wel bezopen werd, en dan naar huis waggelde. Zonder fiets, want die was ik kwijtgeraakt.

Als ik nu in de Randstad met weemoed over mijn geboortedorp vertel, krijg ik als antwoord: ‘Bennekom? Dat ken ik, daar ben ik weleens op vakantie geweest, daar heb je mooie bossen.’

Ja, ook. Maar mijn geboortedorp had meer. Vooral eenvoud en gemoedelijkheid.

Ik ben lid van De Club van Toen van VV Bennekom, die ieder jaar een reünie voor oud-spelers van het eerste elftal organiseert. Het gaat daar aan de rand van het veld en later aan de toog in de kantine vooral over het voetballeven van toen, over alle kampioenschappen, maar ook over het Bennekomse leven van toen. En wat er nog van over is. Wie ziek is en wie dood. Jarenlang belde mijn vader me op in de Randstad en zei hij: ‘Weet je wie er ook dood is?’ En dan noemde hij een Bennekommer. Een die ik vast en zeker kende. Eigenlijk was iedereen een bekende Bennekommer.

Als ik nu door het dorp rijd, door de straten waar ik gewoond heb, dan heb ik het soms moeilijk. Ik zag dat een van de huizen waar we woonden verkocht was, aan een projectontwikkelaar. Het was me al verteld. Ik zag het bij mijn rondgang staan op een bord in de tuin. Dan droom ik weer van vroeger, en denk: was ik hier maar nooit weggegaan. Dan word ik wakker geschud. Omdat iemand roept: ‘Hé Guusje, wil je me niet meer kennen?’ ‘Natuurlijk ken ik jou’, antwoord ik dan geschrokken. Alsof ik schuld beken.

Ik ken nog bijna iedereen, zeker iedereen van vroeger. Bennekommers vergeten elkaar niet.

Deze column is verschenen in het aprilnummer van Benn. Het blad over Bennekom. Zie ook: http://www.Bennonline.nl

%d bloggers liken dit: