Tag Archives: Johan Cruijff

Niemand kan mannetje Akwasi tegenhouden

10 Feb

Foto-Facebook-Akwasi-FrimpongBijna acht jaar geleden sprak ik asielzoeker Akwasi Frimpong voor de derde en voorlopig laatste keer voor NRC Handelsblad. Hij moest en zou als Nederlander naar de Olympische Spelen, als sprinter. Dat lukte niet. Maar hij kreeg uiteindelijk na een zwaar gevecht met de autoriteiten een verblijfsvergunning. Nu start hij  op de Winterspelen voor zijn geboorteland Ghana op het onderdeel skeleton. Een jonge man om van te houden.

Studeren, hardlopen en bidden. In je eentje vechten tegen botte ambtenaren. Akwasi Frimpong deed het jarenlang en won. Volgens de theorie van het konijn.

Door Guus van Holland. 24 september 2010. Daar staat hij weer, bij de ingang van het Utrechtse theater. Akwasi Frimpong, het fors gebouwde mannetje met de eeuwige grijns. Hartelijk en dankbaar als altijd. Trots op wat hij na jarenlang vechten tegen de Nederlandse autoriteiten heeft bereikt. En nog altijd blakend van strijdlust.

Moe van het vechten? Natuurlijk niet. Akwasi, 24 jaar, geboren in Ghana, getogen in Amsterdam Zuidoost, studerend in de Verenigde Staten, atleet en sinds twee jaar Nederlander, zit het vechten in het bloed. Als hij niet met vechten bezig is, dan droomt hij. In 2012 wil hij naar de Olympische Spelen, als sprinter. Niemand houdt hem tegen, nooit heeft iemand hem tegen kunnen houden.

Soms wordt Akwasi ’s nachts wakker. Dan zijn de demonen weer bezig zijn dromen te verstoren. Dan komt de woede boven. Hoe autoriteiten als destijds minister Rita Verdonck hem telkens weer botweg geen verblijfsvergunning gaven. Pas als hij terugdenkt aan de mensen die hem hebben geholpen, aan vrienden, artsen, juristen, journalisten en aan atletiektrainer en jongerenbegeleider Sammy Monsels, burgemeester Job Cohen, NOC*NSF-voorzitter Erica Terpstra en Johan Cruijff, pas dan kan hij verder dromen.

Daar gaat ‘De Theorie van het Konijn’ over, een documentaire van Rinske Bosch en Nicole Batteké, die gisteren op het Nederlands Film Festival zijn première beleefde. Als de voorstelling voorbij is, staan bij op z’n minst de helft van het publiek de tranen in de ogen. De slotscène, waarin Akwasi naar de Verenigde Staten vertrekt en afscheid neemt van zijn vriendin, zijn schoonfamilie en zijn ‘tweede vader’ Sammy Monsels is hartverscheurend. Akwasi gaat studeren en trainen aan de Utah Valley University. Hij bekwaamt zich in Business management en communication, waarvoor hij de basis legde aan het Johan Cruijff College.

Akwasi huilt niet, zoals de anderen in de zaal. Hij huilt alleen ’s nachts, als hij zijn strijd tegen de autoriteiten die hem niet wilde begrijpen herbeleeft. Nu staat hij zonder een spoor van emotie een verklaring voor te lezen, waarin immense dankbaarheid de boventoon voert. Hij vertelt over nieuwe uitdagingen, over motivatielezingen die hij mag houden in de Verenigde Staten en Engeland. Over zijn jeugd. Drie jaar was hij pas toen hij in Ghana werd achtergelaten bij zijn oma. Vijf jaar later haalde zijn moeder hem naar Nederland.

Het eindeloze gevecht begon. Hij werd ontdekt als hardlooptalent door de Surinaamse oud-sprintkampioen Monsels bij schoolwedstrijdjes in de Bijlmer én werd nationaal jeugdkampioen. Hij werd model-leerling van het Johan Cruijff College en kreeg in 2007 de International Johan Cruyff Award, als beste student. Maar die wapenfeiten waren jarenlang niet voldoende om hem het Nederlanderschap te verstrekken.

Meeslepend zijn de beelden waarop de geëmotioneerde Johan Cruijff hem de oorkonde overhandigt én een shirt van het Nederlands elftal met nummer 14 en de naam Akwasi op de rugzijde. Zo wordt de kijker meegenomen in de ongelijke strijd van een jonge Ghanees, hard studerend, hard lopend en hardnekkig biddend om asiel te krijgen. Hoe Monsels hem opving, zoals de 57-jarige Surinamer heel veel kansarme kinderen in de Bijlmer in de armen sloot.

Zeven jaar lang volgden Rinske Bosch en Nicole Batteké het mannetje dat iedereen te vriend wilde hebben. Maar wanneer moesten de opnamen stoppen, wanneer was de film klaar? Het gevecht zou toch nooit worden gewonnen. Maar Akwasi won, in 2007 kreeg hij een verblijfsvergunning. Bij de officiële uitreiking in Amsterdam zong hij het Wilhelmus, samen met zijn vriendin Kimberly.

akwasi-frimpong2Vechten verleert hij nooit meer. Dat heeft hij van zijn oma geleerd, als jongetje. En van Monsels, die hem over de theorie van het konijn vertelde. „Zie jezelf als een konijn in een kooi tussen allemaal leeuwen, wil je overleven dan zal je altijd optimaal geconcentreerd moeten zijn.”

Akwasi roept elke dag deze levensles op. Toch blijft zijn hoofd vol zitten met trauma’s, zoals Monsels in de film vertelt: „Als je hoofd niet vrij is, kun je niet optimaal presteren als hardloper. Er is een blokkade. Die moet weg. Maar hoe?” Monsels praat vaak met zijn ‘pleegkind’ over de verwerking van de pijn in zijn jonge jaren. „Maar dertien jaar vechten tegen botte ambtenaren verwerk je als jongetje niet gauw.”

Akwasi praat na de voorstelling over tegenkrachten die hem juist sterker hebben gemaakt. Hij wil een rolmodel zijn, een voorbeeld voor andere jongeren. Dat geluk maakbaar is. „Ik voel me fantastisch. Ik wist niet dat dat gevoel ook bestond. Morgen sta ik in Londen en vertel ik mensen hoe je kunt vechten tegen mensen die je niet willen begrijpen. Mijn gevecht is echt nog niet voorbij. Ik voel me er zelfs fijn bij. Ik behoor al tot de beste sprinters van Nederland, nu nog de Olympische Spelen. Dan is mijn droom verwezenlijkt en kan ik iedereen laten meedelen in mijn vreugde.”

Eerdere verhalen en interviews met Akwasi Frimpong van mij in NRC Handelsblad:

https://www.nrc.nl/nieuws/2005/02/05/respect-discipline-en-doorzettingsvermogen-3403382-a229259?utm_source=SIM&utm_medium=email&utm_campaign=nboverig&utm_content=&utm_term=20180210

https://www.nrc.nl/nieuws/2007/12/22/studeren-bidden-sporten-voor-asiel-11457243-a371840

Uiteindelijk komt het allemaal best goed, Willem

25 Jan

Beste Willem,

Er ging een golf van herkenning door mij heen toen ik op Facebook las dat jij je oude maatje André Gieling had gesproken over jouw probleem met je prostaat. Jij en André deden er nogal luchtig over. Want ja, het komt bij veel mannen boven de vijftig, zestig en zeventig voor. Ik las over de 35 dagelijkse bestralingen die je te wachten stonden, de mogelijke noodzaak van een hormoonkuur en dat het allemaal wel goed zou komen. Ik las het verhaal en dacht: hij dus ook – net als ik.

Kort daarop besloot je het verhaal over je ziekte zelf openbaar te maken. Eerst in het Algemeen Dagblad, waar jouw veel gelezen column altijd in staat. Zodat niemand meer iets hoefde te vragen. Toch?

Tjonge, Willem van Hanegem dus ook. Waarom ook niet? Jij bent een man van gevorderde leeftijd (73) en behoort tot de risicogroep. Die ziekte heeft niets met je levenswandel te maken, zoals veel topsport bedrijven of dat je een paar sigaretjes te veel hebt opgestoken. Of dat je te veel hebt geneukt. Of dat je vroeger met afgezakte kousen voetbalde. Er zijn veel mensen die denken dat je kanker krijgt omdat je ‘verkeerd’ (niet gezond) geleefd hebt. Dat kan best zijn, maar mij is door waarschijnlijk dezelfde urologen of oncologen die jij in het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis in Amsterdam hebt gesproken, te verstaan gegeven dat het doorgaans met pech te maken heeft.

Ik (69) interviewde vorig jaar een Nederlandse oncoloog, Manon Huizing, die in Antwerpen succesvol werk verricht (en vooral goed is in psychische nazorg), en ook zij zei al: ‘Pech!’ Driekwart jaar later bleek ze zelf borstkanker te hebben. Ze liet meteen beide borsten verwijderen. Lees haar indrukwekkende boek ‘Passie voor de patiënt, werken met kanker’ (Willems Uitgevers). Bij mij werd rond die tijd een kwaadaardige kankercel in mijn prostaat gevonden.

Aanleg, genen, ouderdom, stress, milieuvervuiling – het zal wel. Doe het er maar mee, Willem, net als ik en al die andere oudere mannen die ik het afgelopen half jaar zag lopen en liggen in het ziekenhuis.

Gewoon even je PSA laten meten als je boven de 50 bent en je weet waar je aan toe bent. Veel mannen laten het niet doen. Waarom? Angst, niet willen weten? (Of omdat de huisarts het nog niet nodig vindt). Tja, en dan kun je te laat zijn. Ik heb het wel laten doen en jij dus ook. Bij een verhoging extra controleren of een scan cq echo laten maken. En dan zoeken naar de juiste vorm van genezing. Ik stond voor de keus: zeven weken elke dag een korte bestraling eventueel met een hormoonkuur van een half jaar of maar meteen de hele prostaat weghalen. Ik wilde geen hormoonkuur, ik ben geen wielrenner of Lionel Messi. Dan maar een hoge stem….. Ik koos voor het laatste, geen dagelijkse bestraling, geen hormoonkuur. Dan zou ik binnen een dag of drie thuis zijn en rustig van de ingreep kunnen herstellen.

Ik schrok in eerste instantie. Jij geloof ik niet. Schijnbaar ben je wat nuchterder, gewoon omdat je zo bent (?) en vooral als voetballer wel meer grote oorlogen hebt uitgevochten. Zo kende ik je ook als voetballer: hard als het moest, niet bang voor een paar schoppen of klappen. En schoppen en klappen heb je veel gehad, heb ik vaak gezien. En je kon ook uitdelen, want dat hoorde erbij. Je was geen heilige, hoe goed (soms geniaal) je ook kon voetballen. De Kromme was een bikkel. Die kon wel tegen een stootje, die was supergezond, kanker zou hij nooit krijgen. Of misschien longkanker zoals Johan Cruijff, ook een heilige met menselijke eigenschappen. Zoals zoveel helden van toen.

Ik geloof zeker dat jij van die kanker geneest. Ik ben er ook van genezen, al heb ik een andere weg gekozen, die van de totale verwijdering van mijn prostaat. Dat vonden de specialisten raadzaam omdat het kankercelletje op een gevaarlijke plaats zat en er uitzaaiing dreigde. De operatie verliep naar wens, maar wat daarna gebeurde was verschrikkelijk. Bloed- en urinelekkages, helse pijn in mijn nieren, rug, buik en onderlichaam. Dat hadden de urologen nog nooit meegemaakt. Ik bleef twee maanden in het ziekenhuis en mocht uiteindelijk met zes slangen in mijn buik plus een katheter naar huis. Vaak dacht ik: had ik maar voor de bestralingen gekozen. Maar nu is het toch bijna over en hoogstwaarschijnlijk voorbij. Het laatste bloedonderzoek was positief – geruststellend dus. Nou ja….

De media zullen jouw proces wel volgen. Voordat je het weet staat er straks een fotograaf voor de ingang van het Antoni van Leeuwenhoek om jou te vereeuwigen met een stralende glimlach of met een gezicht waarop geen emotie valt af te lezen. Zo, even een elleboogje geïncasseerd: wie doet mij wat?! Wat er dan ontbreekt is dat sigaretje dat je vroeger zo gauw opstak. Ik herinner me nog een uitspraak van jou over het vak sportpsychologie tijdens je opleiding tot trainer betaald voetbal: ‘Het enige wat ik ervan opgestoken heb is een sigaret….’

Laat je niet gek maken, Willem. Luister naar je lichaam en trek aan de bel wanneer het genezingsproces niet snel genoeg en naar wens verloopt. Of klaag bij je vrouw. Zij helpen je wel, iedereen in dat ziekenhuis. Dat heb ik tenminste ervaren. Als mijn vrouw zei ‘wacht nou even met hulp vragen’, dan stond ik al naast mijn bed te schreeuwen – angsthaas als ik ben. Dat moet jij ook doen, Willem, gewoon zeggen dat het je niet bevalt en zeker dat je je zorgen maakt. Die mensen helpen je graag. En zeker niet alleen omdat je Willem van Hanegem heet. Kom op zeg. Die mensen die mij geholpen hebben – en ik heb ze uitgescholden als ik ’s nachts geen slaappil meer kreeg – verdienen bewondering. Ze zijn goed in hulp omdat ze graag mensen helpen. En niet omdat ze er zoveel geld aan verdienen.

Straks, als de bestralingen achter de rug zijn en je mogelijk nog een hormoonkuurtje krijgt (ik zou het maar doen als ik jou was), zeg jij eerlijk (zoals ik je denk te kennen) dat het weleens spannend was. En dat je emotioneel werd als mensen met je meeleefden. Gewoon: de voortdurende vraag of het allemaal goed komt. Ja, dat zeiden ze ook tegen mij als ik weer eens lag te lijden: ‘Uiteindelijk komt het allemaal goed.’ En dan keek ik sceptisch in de mooie ogen van die mooie jonge vrouw (dat was toch mooi meegenomen) die mij had geopereerd.

Het is net golfen. Dat hebben we ook gemeen, als zal jij vast en zeker een lagere handicap hebben – elke dag op de golfbaan? Als je vanaf de tee een prachtige, verre bal slaat ben je er nog niet. Op de green moet het gebeuren, dan moet die putt erin en gaat het altijd mis. Slag voor slag, Willem, bestraling na bestraling. Langzaam maar zeker, met geduld. En lopen ze voor de voeten, dan geef je ze toch een elleboogje, of ze nu Johan Neeskens heten of een van die nare Schotten van Celtic is in de Europa Cup-finale van 1970. Een hole-in-one is geluk, zoals prostaatkanker gewoon pech is.

Ik ben er gelukkig van af, althans dat zeggen de bloedonderzoeken. Mijn prostaat is er niet meer – ergens in een laboratorium waarschijnlijk. Erecties zullen niet meer voorkomen, of zelden – als God het nog wil. Willem, het komt uiteindelijk allemaal goed. Zoveel bestralingen (35 gedurende zeven weken) zijn er niet voor niets. Maak je niet druk, blijf die Utrechter van Velox, laat je niet omver kegelen en maak af en toe een diepe buiging voor de mensen die je willen helpen. Dat heeft mij geholpen. En dat helpt jou ook, dat weet ik zeker. Houd me op de hoogte – of niet. Sterkte!

Guus

PS Met dank aan het inspirerende advies van Raf Willems

https://www.thuisarts.nl/prostaatonderzoek/ik-wil-weten-of-onderzoek-naar-prostaatkanker-zinvol

https://keuzehulpen.thuisarts.nl/testen-op-prostaatkanker/wel-niet-testen-bij-100-man-is

https://keuzehulpen.thuisarts.nl/testen-op-prostaatkanker

Piet Keizer had niks met heldendom

11 Feb

Gewoon Piet Keizer (14 juni 1943). Wars van adoratie en welke vorm van idolatrie dan ook. Niks mysterieus, niks geniaal, niks poëtisch, niks fenomenaal. Piet wilde niet herinnerd worden als de legendarische linksbuiten van Ajax met de verbazingwekkende, onvoorspelbare schaarbeweging. Van lyriek en fantasie begreep hij geen snars. Hij deed gewoon de dingen die hij wilde doen. Hij zei gewoon de dingen die hij wilde zeggen. Dat anderen er iets bijzonders in zagen, moesten zij weten.

Natuurlijk had Piet vreugde beleefd aan wat hij heeft gedaan als voetballer. Natuurlijk juichte hij na een doelpunt, schepte hij genoegen in een geslaagde passeerbeweging of een succesvolle vrije trap waarmee hij de bal over het muurtje in het doel had gekruld. Dat vond hij nou zo leuk aan voetballen. Maar die ‘kouwe drukte’ er omheen, vooral van de journalisten of nog erger van een select gezelschap schrijvers dat hem zo nodig wenste te bewieroken in poëtische lofzangen. Als hij in staat was geweest zoiets te verbieden, had hij het gedaan. Sommige dingen die over hem werden gezegd, vervulden hem met walging.

Zo ervoer Rik Planting tijdens een opvallend openhartig gesprek voor het boek Lucky Ajax, de eregalerij (Thomas Rap, 1996). ‘Al heel snel had ik beslist dat die publiciteit voor mij niet hoefde. Het werd omgedraaid: ik vond voetballen heel leuk, maar ik heb nooit of te nimmer gevraagd of iemand kwam kijken (…) Een dichtbundel voor mij is het toppunt van wat ik niet kan en wil begrijpen. Ze denken: Hé, dit is hot, daar moet ik bij zijn, daar moet ik aan meedoen.’

Weg was de adoratie. Weg was de vereenzelviging met ‘Pietje Keizer’ (wiens acties ik als iedere andere jongen tevergeefs probeerde na te doen op het trainingsveld), zodra ik op latere leeftijd als journalist oog in oog met hem stond. En zeker zodra ik in 1996 Plantings boek had gelezen: ‘Publiek reageert op de actie, niet op de bedoeling. Niemand wist wat mijn bedoeling was. De ene keer lukte het, een andere keer niet. Maar mijn bedoeling was altijd oprecht. Uiteindelijk lukte er altijd minder dan ik wilde (…) De verdwazing van het publiek kan toch geen kick geven? (…) Ik begrijp niet dat er zoveel mensen zijn die zich kunnen opwinden, zo betrokken kunnen zijn.’

Het zijn van die passages in mijn leven die mij hebben doen inzien hoe betrekkelijk de kwalificatie ‘held’ in sportbeleving is. ,,Helden zijn mensen die zijn opgestaan uit de dood, die bloed hebben zien vloeien. Sportmensen zijn geen helden, dat zijn gewoon mensen die een kunstje beter uitvoeren dan een ander’’, zei Piet tegen mij aan de vooravond van een duel van Bayern München tegen Ajax, ergens medio jaren negentig. Piet (aanwezig als columnist/analist van een weekblad) zat naast zijn vriendin toevallig tegenover mij in een hotel buiten München aan de Tegernsee. Hij was zeer vriendelijk en complimenteerde me met mijn analyses in NRC Handelsblad over Ajax: ,,Jij gaat gelukkig niet mee met die euforie van je collega’s en dat geschreeuw van die Van Gaal over zijn succesformule. Dat voetbal van Ajax slaat nergens op. Ik zie geen lol, ik zie alleen computerspel. Het is allemaal zo betrekkelijk, dat voetbal. Vandaag noemen ze een speler een held, morgen bestaat hij niet meer. Vertel mij wat. Ik heb er nooit aan meegedaan. Maar, ach laat maar…’’

pietje
Het werd een genoeglijke middag – vanzelfsprekend laten wederzijdse complimenten je niet onberoerd. Piets vriendin (zijn tweede vrouw) straalde en Piet straalde met haar mee. ,,Weet je wat ik zo mooi vind’’, zei Piet, ,,zij vindt jou leuk en jij doet alsof je niet weet wie ik vroeger was. Gewoon, samen zitten praten over voetbal en het leven, daar houd ik van. Voetbal is mijn leven, altijd geweest. Totdat ik merkte dat het einde was gekomen, ergens in oktober 1974. De andere spelers waren klaar met mij. [Trainer] Hans Kraay wilde iets anders, toen zei ik: ‘Krijg de klere maar, ik stop ermee’. De beste beslissing die ik heb genomen. Maar nu wat anders graag…’’

Ergens in die periode – kort na zijn abrupte afscheid – had ik in Vrij Nederland gelezen, in een interview van Frits Barend en Henk van Dorp, dat het journalistenduo was opgevallen dat Piet tijdens een wandeling door zijn tuin aan de Amstel zomaar over een bal was gestapt die iedere andere voetballer van vlees en bloed een subtiel tikje dan wel een harde trap zou hebben gegeven. Piet kwam er in het Beierse hotel op mijn verzoek op terug: ,,Geloof jij dat? Je moet niks geloven wat anderen schrijven. Misschien was het waar, misschien niet. Iedereen zijn eigen waarheid, iedereen zijn eigen perceptie. Je ziet wat je wilt zien. Sterker nog: het was wel waar.’’

Ik voelde me op mijn gemak bij Piet. Hij kon chagrijnig kijken, narrig zijn en irritant zwijgen. Als je hem maar in zijn waarde liet, gewoon Piet Keizer, niet meer en niet minder. Echt een warme man, hij straalde rust uit als je hem maar niet op zijn ‘kwaliteiten’ wees.

Op een middag in de lounge van een Brussels hotel aan de vooravond van een wedstrijd België-Nederland, zat ik tussen Piet en Johan Cruijff, omringd door hun echtgenotes en KNVB-voorzitter Jeu Sprengers. Johan had het hoogste woord, Piet stootte me telkens aan. Danny, Johans vrouw, nodigde Piets partner uit te gaan shoppen, mogelijk het gepraat van haar man beu. Want Johan had alles gezien, alle voetbalzenders gezien, niks was nog een geheim voor hem.

Johan filosofeerde over spelregels en andere voetbalwijsheden. Waarop Piet zei: ,,Ze moeten de cornervlaggen weghalen.’’ Johan zei ‘ja’. Waarop Piet zei: ,,En die doelpalen moeten ook weg.’’ Johan gaf Piet gelijk. Johan ging maar door. Toen sprak Piet de gedenkwaardige woorden: ,,Als ik jou goed begrijp moet je het hele voetbal afschaffen. Mij best, hoor. Maar misschien krijg jíj daar het meeste last van.’’
piet_keizer_in_actie_foto_vi_images
Daar zaten dan de mannen die ik bij Ajax had zien toveren, de ene door zijn frivoliteit, de andere door zijn geniale inzicht. Beiden eigenzinnig. De een leefde in een obsessie. De ander in een nieuwe gedaante, die van afstandelijke analist, een man die zijn leven in tweeën deelde en niet helemaal wist waar hij zich thuis voelde.

In veel beschouwingen wordt Piet Keizer neergezet als een man die zich had voorgenomen Johan Cruijff tot aan zijn dood te dwarsbomen. Zo heb ik het niet ervaren. Piet was gewoon niet volgzaam. Niet ten aanzien van Cruijff en zeker niet ten aanzien van zijn coach Rinus Michels, die zoals hij later verwoordde hem het plezier in voetbal afnam. Door Michels werd voetballer zijn een beroep. ‘Ik vond wat hij deed beknotting, bevoogding’, aldus Keizer tegenover Rik Planting.

Niettemin begreep Keizer naderhand dat Michels de basis had gelegd voor het latere succes van het Nederlandse voetbal, door diens invoering van discipline en zijn nadruk op het belang van het collectief. Maar leuk? Nee, die tijd was voorbij. Die alom bewonderde schaarbewegingen, die vrije trappen met een krul, die passes en kogelharde schoten, dat gaf pas echt plezier. Wat men er ook van vond.

Nuchter? Piet nam op een late avond zijn telefoon op. Ik zei hem wie ik was. ,,Aha, die afstandelijke journalist die altijd op zoek is naar de waarheid. Wat een eer. Je bent zeker dronken. Bel morgen maar terug, dan vertel ik je wat ik denk. Welterusten.’’

Het was de ultieme schaarbeweging. Onvoorspelbaar en realistisch. Droog, gewoon zoals je een tegenstander omzeilt op weg naar het doel. Piet was als de buurman, zoals hij zich altijd had gewenst. Gewoon een mens waar ik niet meer tegenop hoefde te zien – en dat was louter zijn verdienste.

Maar toch: graag nog één keer de schaar van Pietje.

Dit artikel is verschenen in NRC Handelsblad

Joop Alberda over de blinde vlekken in de sportwereld

22 Dec

,,Als we echt zouden leren van andere mensen, dan waren we veel verder geweest.”

Teleurstelling komt op bij Joop Alberda wanneer hij het resultaat ter sprake brengt van De Reis van de Held, een serie interviews in ‘zijn’ blad NLcoach met tal van topmensen, van vooral buiten de sportwereld, zoals choreograaf Hans van Manen, orkestleider Jaap van Zweden, econoom Herman Wijffels, politicus Jan Marijnissen, cabaretier en columnist Youp van ’t Hek, zakenman Dirk Scheringa, vakbondsbestuurder Agnes Jongerius, oud-voetballer en columnist Jan Mulder, journalist en tv-presentator Mart Smeets en architect Francine Houben. Hoe zij en waar zij hun talent ontdekten, het ontplooiden, met succes en tegenslagen omgingen en wat zij wilden achterlaten.

Het was Alberda’s nieuwsgierige geest die hem er zes, zeven jaar geleden toebracht samen met mij te onderzoeken wat coaches en sporters kunnen opsteken van mensen die met vallen en opstaan de top hebben bereikt. Alberda, wiens staat van dienst begon als coach van de Nederlandse volleybalploeg die in 1996 de gouden medaille won op de Olympische Spelen van Atlanta, wilde verder kijken. Over grenzen kijken, naar andere mensen, mensen die de cocon hebben (durven) verlaten, die buiten het bestaande denkkader traden.

Is Alberda een man die bijvoorbeeld de Nederlandse golfwereld kan helpen? Een man, wiens ervaring na het volleybalsucces langs NOC*NSF (jarenlang technisch directeur als voorganger van Maurits Hendriks), het adviseurschap van Guus Hiddink als bondscoach van voetballend Rusland en soortgelijke rollen bij wielrennen, roeien, atletiek en zwemmen leidde. Slechts één Nederlander (Joost Luiten) op bijna 400.000 golfers die op internationaal niveau mee kan komen. Dat is de waarheid. Is de 42-jarige Maarten Lafeber, die onlangs werd benoemd tot bondscoach (hoewel nog actief als speler), de juiste man om jonge Nederlandse golfers naar een hoger niveau te tillen? De tijd zal het leren.

Foto Corné van der Stelt

‘Topsporters worden zodra ze triomferen neergezet als ideale schoonzonen, vooral door de media’ (Foto Corné van der Stelt)

Verwacht van Alberda geen (open) sollicitatie of borstklopperij. Laat staan dat hij de golffederatie of Lafeber verwijten maakt. Hij gaat bij voorkeur in op de ontwikkeling van sportbeleving in het algemeen. Over de maatschappelijke context waarin sport zich beweegt, de culturele patronen die veranderen, de interesse en houding van de sporter én van de toeschouwer,  de consument. Alberda refereert aan de chaotische levensloop van wielrenner Thomas Dekker, die onlangs meende een boekje open te moeten doen over zijn opkomst en ondergang, en ogenschijnlijk gemakzuchtig anderen (de sport) in zijn val meetrok. ,,Ik was erbij in 2005 toen hij door de KNWU werd gekozen tot talent van het jaar. Dekker stond met de handen in zijn zakken toen hij de prijs kreeg uitgereikt. Ik heb hem een tip gegeven: ‘als jij groot wil worden en verder wil komen, zul jij je handen uit je zakken moeten halen, jongen.”’

Het is niet een kwestie van zijn gelijk halen omdat Thomas Dekker het aanwezige talent niet heeft kunnen waarmaken, meent Alberda, het is verandering van beleving. ,,Ook bij de consument. Het boekje van Dekker gaat als zoete broodjes over de toonbank. Waarom is het geschreven? Zucht naar sensatie? Geld? Aandacht? Wij dromen bij voorkeur over helden als waren wij het zelf. Daarbij zitten we in een spagaat: aan de ene kant is het de ideale schoonzoon die leeft voor de sport anderzijds zijn we jaloers op de escapades. Bij voorkeur kijken we ernaar als een reality soap. Want als het te dichtbij komt… De sport heeft zoveel meer te bieden aan inzichten. Waarom hebben wielrenner Joop Zoetemelk en schaatser Rintje Ritsma het zo lang volgehouden? Door een gezonde levenswijze. Schaatser KC Boutiette is 46 jaar en viel onlangs plotseling weer in de prijzen. Dat moet tot nadenken stemmen. Dat vraagt om uitleg in de media. Hoe kan een carrière langer duren? Waarom lukt het Dekker niet en anderen wel? Wat is er veranderd in de sport, in de aandacht van de media? Wat willen de sporters? Wat willen de toeschouwers?”

Snelheid, vluchtigheid, door-zappen. Het zijn de eigenschappen die zich in de loop der tijden hebben ontwikkeld. ,,Wanneer de zucht naar onmiddellijke opwinding niet wordt bevredigd, zappen we snel door, in de hoop dat het elders wel naar ons zin is. Snelle vragen, snelle antwoorden op korte vragen.’’

De vergelijking met het olympisch schaatsprogramma tijdens de Winterspelen van 1988 in Calgary dringt zich op. Uitzendingen van wedstrijden van de tien kilometer werden op de Amerikaanse en Canadese televisie onderbroken door reclame en filmpjes over schaatsers thuis, voor de open haard, wandelend in de bossen. De wedstrijden duurden te lang, Amerikanen hadden er het geduld niet voor. De sport was niet interessant genoeg. Zoals zij zeggen: looking grass grow.”

Het is toch de ‘westenwind’ die onze ontwikkeling van de sportbeleving beïnvloedt, de wind die de Amerikaanse cultuur naar hier brengt. Het is niet anders. ,,Of het nu een goede of slechte ontwikkeling is”, meent Alberda, ,,we zullen er mee moeten leren leven.” Niet kijken naar zijn, maar naar worden.

Hij kijkt desgevraagd naar de mogelijke ontwikkeling van golf. Toch een sport met een geschiedenis waarin traditionele handelingen en spelregels voorzichtig worden gehandhaafd. ,,Waarom eigenlijk? Wat zou de biathlon-variant van golf zijn? Speedgolf? Na een foute slag een rondje om de vijver lopen? Waarom moet er een caddie mee die advies geeft en de clubs draagt? Bij tennis mag een coach niet eens aan de rand van de baan zitten. Waarom kun je als speler niet zelf beslissen met welke club je slaat? Of gewoon met twee of drie clubs de baan in en dan maar zien hoe je de bal in de hole krijgt. Traditie is mooi en charmant, maar je kunt ook uitdagingen zoeken. De consument gaat bepalen hoe golf er uit gaat zien, niet de golffederatie, niet de spelers, niet de bondscoach. Voorlopig is er genoeg media aandacht met veel camera’s, maar blijft dat zo?”

Wat te denken van een split screen? Op je mobiel zelf de regie voeren over wat je wilt zien zoals bij de Formule 1. Zelf de regisseur zijn van je eigen uitzending op een tijdstip dat jou past. Zonder iets van een partij te missen in een hoekje van het scherm iets anders (een andere partij, een andere sport) laten zien. Alberda heeft er weleens met de NOS over gepraat, twee of drie beelden tegelijk. ,,Houd je vast aan de oude formule, dan is dat een geweldige minachting van de consument. Tijdens rustmomenten beelden tonen wat de speler ervoor heeft gedaan, hoe lang Joost Luiten per dag op de baan staat, dat hij elke slag duizend keer herhaalt. Dat voegt iets toe. Zijn hartslag op rustige en op spannende momenten laten zien. Ja, wat er door hem heengaat, waarom hij een fout maakt. Dat geeft meer inzicht dan de verklaring van de commentator of de analist. Laat zien, mensen willen het zien en mee beleven. Eerst zien dan geloven.”

Nog even terugkomend op het verhaal van Thomas Dekker. ,,Omdat we niet weten wat topsporters doormaken houden we een droombeeld in stand. Topsporters worden zodra ze triomferen neergezet als ideale schoonzonen, vooral door de media. Mensen willen dromen, ze willen zich spiegelen aan de triomferende sporters. Heldenverhalen willen ze. Verhalen over mensen die geen seks hebben, die zich keurig gedragen, nooit uit de band springen. Maar elke dag worden we teleurgesteld, omdat de topsporters toch anders zijn dan we willen. Dat verklaart de opwinding rond mislukkingen, de verbazing. Dat het droombeeld weg is. Daar kunnen we wat aan doen. Laat zien dat Luiten een mens is, een sportman die fouten kan maken.”

Over de verwachtingen ten aanzien van Maarten Lafeber: ,,Je moet je als coach niet verbazen als je niet bereikt wat je wilt bereiken. En als je wel wat bereikt: blijf altijd nieuwsgierig naar beter en blijf kritisch. De beleving gaat steeds sneller. Wie herinnert zich nog de winnaar van vorig jaar, van gisteren? Laat staan het geheugen voor de tweede plaats. Er is al weer een andere winnaar. Mocht Lafeber het voor elkaar krijgen dat een Nederlandse golfer de Masters wint, is hij dan nog steeds die voortreffelijke coach als de jaren daarop geen Nederlanders de Masters meer winnen? Mensen vergeten snel, vooral omdat ze niet weten wat de coach en de spelers ervoor hebben gedaan. Ik ben nog steeds die coach die met de volleyballers de gouden medaille won in 1996. Fijn, om dat te horen. Maar ik heb in de twintig jaar daarna ook ervaren dat ik niet per definitie de beste coach ben die topsporters zich wensen. Mensen veranderen, de sport verandert, de beleving verandert. Voordat je het weet, wordt de coach afgebrand. De snel veranderende wereld stelt een geweldige eis aan het aanpassingsvermogen van de coach!”

Beeldvorming kan veel schade aanrichten, waar de journalistiek voor en belangrijk deel schuld aan is. In de Nederlandse voetbalwereld wordt gerefereerd aan de successen van de Hollandse School, aan het totaalvoetbal – hoe lang is dat geleden? Aan de systemen waarmee Nederlandse ploegen in het verleden speelden. Dat het ook anders kan, gewoon omdat de ontwikkeling van het voetbal daarom vraagt, stuit op grote weerstand. Dat komt ook omdat veel trainers oud-voetballers zijn. Ze houden vast aan wat ze zelf als voetballer beleefden en voelden. Buiten de cocon treden vinden ze te riskant of kunnen ze gewoon niet. Het decor van de sport, de cultuur, is veelal een belemmering voor veranderingen die in andere sporten allang gemeengoed zijn. Een beetje over de grenzen kijken en implementeren is geen innovatie maar meer integratie.”

'Wanneer de zucht naar onmiddellijke opwinding niet wordt bevredigd, zappen we snel door, in de hoop dat het elders wel naar ons zin is. Snelle vragen, snelle antwoorden op korte vragen'

‘Wanneer de zucht naar onmiddellijke opwinding niet wordt bevredigd, zappen we snel door, in de hoop dat het elders wel naar ons zin is’

De Fries verwijst graag naar coaches, vooral in de voetbalgemeenschap, die van mensen houden. Foppe de Haan, Rinus Michels, Louis van Gaal, Arsène Wenger, Alex Ferguson, Jogi Löw, José Mourinho, Jürgen Klopp en anderen speelden niet eens op het hoogste niveau. ,,Mogelijk dat ze daardoor begrepen dat je inzichten waarover jezelf niet de beschikking hebt, ergens anders moet zoeken. Pioniers als gymnastiekleraren kijken naar mensen, naar wat ze kunnen, wie ze zijn. Zij proberen te snappen waarom jij als talent niet succesvol kunt zijn. Zij begrijpen dat de leercurves niet lineair zijn en dat er gevoelige periodes bestaan voor bepaalde motorische en mentale vaardigheden. Dat noem ik hoog opgeleide coaches. Het merendeel van de coaches die nu in het voetbal werkzaam is, heeft ook erg van zichzelf leren houden. En het wordt nog erger als ze een klankbord krijgen in de media. Johan Cruijff was een ander fenomeen, hors categorie. Hij zag het spel, hij zag de mensen achter de voetballers, hij zag waar ze toe in staat zijn. En hij hield van mensen, dat mag toch wel duidelijk zijn geweest. Daar hoeft geen boek over geschreven te worden, zoals Jaap de Groot deed. Dat is over-verheerlijking. Door de journalistiek is Cruijff kleiner gebleven dan hij had kunnen zijn. Gewoon, omdat men niet wilde zien wat hij zag. Zijn overlijden heeft mondiaal nog meer impact gehad dan in Nederland. Zelf was ik daar ook door verrast.”

Alberda neemt Maarten Lafeber graag in bescherming. ,,Hij is met Robert-Jan Derksen en Luiten wel de enige die op het hoogste niveau heeft gespeeld. Als hij wat zegt, kijken jonge golfers op, want hij is een man met ervaring. Hij is en grote jongen geweest. Een autoriteit. Dat hij een travelling coach is, een coach die nog speelt en wil spelen, hoeft geen beletsel te zijn. En, waarom een vooroordeel over een coach die nog niet eens is begonnen? Typisch Nederlands vind ik dat. Geef hem de kans, hij zal weten waaraan hij is begonnen. Ook het concept coaching is aan verandering onderhevig. Is het permanent wakend oog, de coach, een goede route? Het allerbelangrijkste is het organiseren van je eigen kritiek.”

De ervaring van Alberda bij verschillende sportdisciplines zou golf ten goede kunnen komen. Maar verheerlijk die ervaring niet. ,,Ik heb meer tegenslagen gekend dat bekend is. Ik ken dus vooral de valkuilen en wat er voor nodig is om sporters te ondersteunen. Tegenslagen lijken een noodzakelijke hindernis op weg naar succes. Atlanta 1996 was een geweldige belevenis, onze medaille-oogst van Sydney is nog niet overtroffen. Daar ben ik trots op. Dat is de realiteit. Als ik straks dood ga, laten ze nog een keer een filmpje zien van Atlanta. Dat is wat blijft hangen.”

Bondscoach van de golfers? Nee, natuurlijk niet. ,,Moet ik tegen een golfer zeggen hoe hij moet slaan, of tegen een voetballer zeggen hoe hij een bal moet trappen? Ik ben geen autoriteit in de kleedkamer. Ik kan feed back geven. Lafeber kan uit zijn ervaringen en inzichten putten. Ik kan Lafeber of welke coach dan ook een programma geven. Ik kan hem vragen stellen: waarom doe je dit, waarom dat, heb je hier weleens aan gedacht? Over voeding, psychologie, trainingsfaciliteiten, over mensen en mijn filosofie over menselijk gedrag. Ga er niet van uit dat ik de wijsheid in pacht heb. Maarten Lafeber is een verstandige man en heeft de keuze bewust gemaakt.”

Zijn verhaal gaat over blinde vlekken, over de wereld waar ‘we’ nog nooit zijn geweest. Over veranderend gedrag, over veranderende cultuur, over de zin en onzin van traditie, over de beeldvorming veroorzaakt door de journalistiek. Hoe daarmee om te gaan? ,,Als ik een presentatie houd, begin ik met de drie hoofdpunten: goud inspireert, goud fascineert en goud camoufleert. Golf is niet anders dan andere sporten. Het decor en de geschiedenis zijn onderscheidend. Het gaat om wat er nodig is. En daar helpt nieuwsgierigheid bij. Kijk om je heen, wat is er voorhanden, uit welke richting waait de wind, hoe kijken mensen tegen sport aan, wat willen ze zien. Ik weet dat golf meedogenloos is, elke fout wordt afgestraft. Het is eerlijk en hard. Daar past directe feedback bij en vertrouwen geven. Het leven is een proces, door leren kun je ver komen.”

Kortom: ,,Als we echt zouden leren van andere mensen, dan waren we veel verder geweest.”
—————————————————————————————————————–
Joop Alberda (64) is een sportbestuurder die naam maakte als volleybalcoach. Tijdens zijn studie aan de Academie voor Lichamelijke Opvoeding (ALO) beoefende hij als actieve sporter achtereenvolgens voetbal, turnen en volleybal. In deze laatste sport haalde hij bij de Groningse vereniging Lycurgus eredivisieniveau. Hij merkte dat hij gevoel had voor het trainings- en coaching-aspect van sport in het algemeen en volleybal in het bijzonder. Hij liet zich hierbij inspireren door de Amerikaan Doug Beal, die hij in 1985 ontmoette. Beal won met zijn volleybalteam het jaar daarvoor olympisch goud in Los Angeles. Zijn strategische aanpak sprak Joop zeer aan: Alles tot op de bodem uitstippelen, niets aan het toeval overlaten.
In 1993 werd Alberda benoemd tot coach van het Nederlands mannenvolleybalteam dat al enige jaren op weg was naar de absolute top. Samen wonnen ze in 1996 de gouden medaille bij de Olympische Spelen van Atlanta. Het Nederlandse publiek koos later dit tot sportmoment van de twintigste eeuw. Alberda zelf werd in 1994 en 1996 uitgeroepen tot beste volleybalcoach ter wereld.
In 1997 trad hij in dienst als technisch directeur bij NOC*NSF. Onder zijn leiding slaagde de Nederlandse delegatie bij de Olympische Spelen in Sydney in 2000 erin om een recordaantal van 25 medailles te winnen. In april 2004 kondigde hij aan dat hij aan het eind van dat jaar zou stoppen bij het NOC*NSF. De beslissing was mede gebaseerd op teleurstelling om het ontbreken van voldoende steun voor zijn ambitieuze plannen om een Olympic Team op te richten.
In oktober 2014 werd Joop Alberda opgenomen in de ‘Volleyball Hall of Fame’. Alberda was achtereenvolgens adviseur van Guus Hiddink toen deze bondscoach van Rusland was, en manager bij de professionele wielerploeg Cervélo, de roeibond, de atletiekunie en de zwembond.
Dit interview is gepubliceerd in GolfersMagazine nr.10 2016</em

Aanvoerder van laatste samba

30 Okt

Toen er nog sambavoetbal werd gespeeld, frivool, speels, kunstzinnig en met plezier, toen was Carlos Alberto de Braziliaanse aanvoerder en maker van het mooiste doelpunt in de historie van het wereldkampioenschap voetbal. Vorige week dinsdag overleed hij aan een hartaanval, 72 jaar oud. Hij zal altijd worden herinnerd door zijn doelpunt drie minuten voor het einde van de finale tegen Italië. Het was daar in Mexico-Stad, op 21 juni 1970, de bekroning van ongekend voetbal in het algemeen en een ongekende Braziliaanse aanval in het bijzonder.

Nooit meer zou sambavoetbal van die schoonheid worden gespeeld – misschien nog een beetje tijdens het wereldkampioenschap van 1982, dankzij Socrates, Falcão en Zico. Niet zozeer omdat de 25-jarige rechtsback Carlos Alberto na een aanval via negen verschillende spelers met een even harde als perfecte wreeftrap de Italiaanse doelman Enrico Albertosi kansloos liet en de eindstand op 4-1 voor Brazilië bracht, maar vooral dankzij de artistieke gaven van Clodoaldo, Rivelino, Gerson, Tostão, Jairzinho en Pelé. Zij streelden de zintuigen door hun manier van bewegen en door hun balvaardigheid en samenspel.

Voetbalromantici beleefden in die Europese avonden en nachten hun steeds schaarser wordende momenten van gelukzaligheid. Voor het eerst werd op televisie een WK voetbal in kleur uitgezonden. Het geel-blauw van de ‘goddelijke kanaries’ werkte betoverend, vooral als Pelé, Rivelino, Gerson en Clodoaldo hun talenten toonden. De beelden van het laatste en historische doelpunt staan bij romantici dan ook in het geheugen gegrift.

carlos-alberto

Bij de dood van Carlos Alberto komen herinneringen aan die finale tot leven. De opzet van de aanval, de reuzenslalom van Clodoaldo, de pass van Rivelino, de actie van Jairzinho en dan het achteloze passje op perfecte snelheid van de bij vlagen geniale Pelé op de vanuit zijn rug aanstormende verdediger, én dan die lage kanonskogel van de rechtervoet van Carlos Alberto. Kort daarop kreeg hij als aanvoerder de Coupe Jules Rimet overhandigd om hem spontaan te kussen. Het Aztekenstadion, gevuld met ruim 100.000 toeschouwers, explodeerde bijna door het triomfantelijk gehuil van de Zuid-Amerikaanse supporters.

Over het Braziliaanse elftal van 1970 is alleen maar lovend gesproken en geschreven. Zo schreef een dichter uit die tijd: ‘Zulk mooi voetbal moest verboden worden.’ De Engelse voetbalfreak Nick Hornby schreef in een van zijn boeken dat Brazilië het in zekere zin voorgoed verpest had voor de voetballiefhebber, omdat nooit meer een elftal zo mooi voetbal zou kunnen spelen.

Dat voetbal, ondersteund door coach Mario Zagallo (zelf als speler met Pelé in 1958 al wereldkampioen), zou in mijn beleving nooit meer gespeeld worden. Ook tot verdriet van Carlos Alberto, de sierlijke, atletische, snelle en altijd offensieve verdediger. Hij memoreerde vaak aan het spel in Mexico, aan dat doelpunt omdat het de vervolmaking was van een aanval waarbij bijna de hele ploeg betrokken was. „Niemand sprak meer over die briljante eerste goal van Pelé of de tweede van Gerson en de derde van Jairzinho, het is altijd over mijn goal gegaan. Ik had geluk dat ik het laatste aanspeelpunt was en de afronding mocht verzorgen. Ik zag het aankomen, omdat ik Pelé kende, als medespeler van Santos en als vriend. Hij kende mij, hij wist dat ik kwam. Bovendien hadden we vaak op deze aanvallen getraind.”

Carlos Alberto, geboren in Vila da Penha, Rio de Janeiro, zette na die finale zijn carrière voort bij Santos, Fluminense, Flamengo, New York Cosmos en California Surf, en nog even in het nationale elftal (53 interlands). Vanaf 1983 trainde hij verschillende clubs, overal ter wereld, en hij was tot zondag voetbalanalist voor de Braziliaanse televisiezender SporTV. Hij was kritisch, omdat hij teleurgesteld was in de ontwikkeling van het Braziliaanse voetbal. Hij zag geen spelplezier meer, zag te weinig spontane acties, zag de invloed van Europees voetbal met te veel tactiek en defensief spel. Voorafgaand aan het WK van 2010 in Zuid-Afrika zei hij tegen een verslaggever van The Guardian: ‘Ik wil er niet bij zijn, ik kijk thuis wel. Ik wil niet bij dit Braziliaanse elftal betrokken zijn, daar schaam ik me voor.’

Carlos Alberto had graag gezien dat het voetbal van Brazilië uit 1970 werd overgenomen door zijn eigen teams. Zijn vriend Franz Beckenbauer, met wie hij net als met Pelé bij New York Cosmos speelde, zei hem eens (aldus het interview in The Guardian): ‘Weet je wat ons probleem is? Wij willen als coach dat spelers hetzelfde doen wat wij deden. Je moet het beste uit spelers halen, zij moeten zichzelf ontwikkelen. Dat kun jij met je uitstraling als geen ander. Jij bent hun voorbeeld, niet meer en niet minder. Dat opende mijn ogen.’

Voor Pelé was Carlos Alberto de beste verdediger ter wereld. Zijn doelpunt in de finale van 1970 wordt gezien als een van de meest historische sportmomenten van de vorige eeuw. Johan Cruijff stelde hem op in zijn beste elftal, als rechterverdediger, naast Franz Beckenbauer.

In Brazilië werd ter ere van O Capitão do Tri (de Aanvoerder van de Derde wereldtitel) drie dagen van nationale rouw afgekondigd. Carlos Alberto werd woensdag begraven.

Deze necrologie is gepubliceerd in NRC Handelsblad

Klaas Nuninga golft: ‘Leg je neer bij wat je niet kunt’

13 Sep

Klaas Nuninga, is dat niet die voetballer die eind jaren zestig de opkomst van Ajax en Johan Cruijff van nabij meemaakte? Die ‘midvoor’ tussen Johan Cruijff, Piet Keizer, Sjaak Swart en Henk Groot, die met Groningse nuchterheid en grote regelmaat de bal in het doel schoot? Sinds twintig jaar golft hij, nu 75 jaar, en getuige zijn handicap (8, was 5) nog altijd met voldoening.

Foto: Anneke Hymmen

Foto: Anneke Hymmen

Met balletjes spelen heeft Nuninga altijd graag gedaan. Vooral omdat hij meende er een goed gevoel bij te hebben. Tafeltennis, voetbal, zaalvoetbal (tot zijn 53ste), tennis en de laatste twintig jaar golf. Aanleg, talent, karakter, waarschijnlijk is het ook genetisch bepaald. ,,Wat je hebt meegekregen van je ouders en voorouders is zeer bepalend. Daarnaast wordt het daarboven, in je hoofd, beslist. Je kunt trainen en oefenen wat je wilt, als je niet over aanleg kan beschikken, heb je een natuurlijke achterstand. Alles daarboven moet bovendien helder zijn, zeker in golf’’, zegt Nuninga als deskundige met topsportervaring.

Golf, meent hij, vraagt veel van je mentale instelling. ,,Omgaan met veel fouten maken. Wie maakt de meeste fouten? Relativering is belangrijk. Een foutieve slag? O, niet erg, vergeten, nu de volgende slag. Elke slag is als een penalty in het voetbal. Je eerste en tegelijk je laatste slag. Je karakter is daarbij van grote, misschien wel beslissende invloed.’’

Wie Nuninga observeert, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat hij een beheerste, geduldige sportman is, een golfer die zijn hoofd heeft leeg kunnen maken voordat hij een slag maakt. Alsof hij boeddhistische wijsheden aanprijst. ,,Doe waar je goed in bent. Als je alleen maar gefocust bent op nog meer, nog beter, nog verder, veronachtzaam je waar je goed in bent. Forceren heeft weinig zin, is bovendien riskant. Daarnaast is het mooie aan sport dat je van slechte situaties kunt leren, dat je negatieve momenten kunt rechtzetten.’’

Hij wil niet overkomen als prediker. ,,Wat ik zeg over mezelf, is niet bedoeld als leidraad voor anderen. Het is mijn ervaring, mijn inzicht. Ik ben geen grootheid. Ik ben als liefhebber van sport mijn eigen weg gegaan. Stap voor stap, vertrouwend op mijn gevoel. Ik voetbalde bij WVV in Winschoten, werd prof bij GVAV, werd verkocht aan Ajax, speelde in het Nederlands elftal, zonder ooit in vertegenwoordigende jeugdelftallen te spelen. Ik voetbalde naast getalenteerde voetballers en had het geluk dat ik voldeed, omdat ik deed waar ik me goed bij voelde. Door mijn persoonlijkheid was ik geschikt om topsport te bedrijven. Ik ben leergierig. Ik observeer en ik vraag veel. Dat is me goed van pas gekomen. Ik had zeker een ijzeren wil, omdat het in de genen zit. Mijn karakter heeft me ver gebracht, zeker in de sport.’’

Nuninga relativeert zijn golfvaardigheid. ,,Ik ben esthetisch niet de beste golfer. Ik doe het op mijn manier. Waarom wil je beter en mooier zijn dan je bent? Ik kan recht slaan. En ik heb balgevoel. Dat is wat ik kan. Dat is wat anderen kunnen leren: doe waar je goed in bent. En relativeer. Leg je neer bij wat je niet kunt. Fouten maken doen we allemaal. Probeer ze te vermijden, maar laat je niet gek maken. Fouten maken is menselijk. Golf is een spelletje van fouten maken. De laatste jaren spiegelen amateurgolfers zich aan professionele golfers die spierkracht ontwikkelen. Ze willen ook spieren, ze willen ook ver slaan. Ze willen hun gebrek aan techniek compenseren. Compenseren door harder te werken, heeft weinig zin. Kracht is een valkuil. Ga uit van je vaardigheid en je karakter: dit kan ik, dit kan ik niet. Kun je het niet? Helaas, dat ben jij. Accepteer jezelf en oefen jezelf in verbetering, zonder obsessief te worden. Het moet wel ontspannend blijven.’’

Foto: Anneke Hymmen

Foto: Anneke Hymmen

Drie keer in de week meldt Nuninga zich op de golfbaan Almeerderhout om te spelen met oude maatjes van zijn leeftijd en ouder. Hij speelt nog altijd in een team. Daarin komt zijn karakter tot zijn recht, meent de Groninger. ,,Niet altijd voor je eigen prestatie gaan. Als je dat kunt, help je de anderen. Dat voel je zodra je de ander complimenteert of op z’n minst steunt. Veel golfspelers zijn individualisten. Op ego spelen, altijd voor zichzelf. Waarom trots zijn op je eigen prestatie als je team verliest? Je moet je ondergeschikt maken aan het team. Ik hoor nog steeds die stem van Rinus Michels in mijn hoofd schallen. Dat heeft letterlijk diepe indruk op mij gemaakt: ‘Denk-aan-het-collectief!’. Klaas Nuninga imiteert de stem en intonatie van de legendarisch trainer van Ajax, van wie hij veel zegt te hebben geleerd.

Eens, eind jaren vijftig, was ik als puber in stadion Galgenwaard in Utrecht getuige van de wedstrijd DOS-GVAV. Bij de thuisclub speelde mijn idool Tonny van der Linden, bij de Groningers Klaas Nuninga. Een week later moest een van de twee aanvallers in het Nederlands elftal spelen. Beiden werden uitverkoren. In de competitiewedstrijd scoorde zowel Van der Linden als Nuninga, met fraaie doelpunten uit even zo fraaie vrije trappen. Het werd 2-2. Nuninga: ,,Tonny was een prachtige voetballer, zo beheerst, zo technisch. Die doelpunten van hem en van mij doen denken aan de swing van een golfer. Technisch perfect, met gevoel, zeker die trappen van Van der Linden, een heerlijke voetballer.’’

Het onderwerp ego voelt ongemakkelijk in het gesprek met Klaas Nuninga. Mensen die voor zichzelf gaan wil hij wel begrijpen, maar zodra het belang van het team zich aandient vraagt hij toch meer medeleven en acceptatie van elkaars kwaliteiten. Zo heeft hij het als voetballer (met rijzende sterren bij Ajax) meegemaakt en als bestuurslid (bij hetzelfde Ajax tot 2005). ,,Ik ben altijd voor het belang van het team, van de club en voor samenwerking geweest. Nu ik wat ouder ben, besef ik dat steeds meer. Je kunt niet zonder elkaar. Je gaat samen voor de overwinning. Leef je in de ander in en help hem waar hij in de problemen zit. Dat merk ik aan golfen in een team. Samen golfen, samen doen, samen verliezen, samen winnen. Samen zijn.’’

Zachtaardig, mild en vriendelijk. Zo voelt het gesprek aan met een sportman in hart en nieren, een man die op latere leeftijd golf leerde kennen (dankzij zijn meelevende vrouw) en in de visie op zijn karakter bevestigd werd. ,,Ik leef door anderen. Mensen leren elkaar beter kennen door golf. Zo heb ik dat ervaren. En dat koester ik.’’
——————————————————————————————————
Klaas Nuninga (Winschoten, 1940) is een voormalige Nederlandse voetballer. Hij speelde onder meer voor GVAV en Ajax. Nuninga begon als jeugdspeler bij WVV uit Winschoten, de amateurclub waar ook Jan Mulder en Arie Haan hun carrière begonnen. Via Be Quick kwam hij in 1961 bij GVAV, dat in die tijd met spelers als Tonny van Leeuwen en Martin Koeman over een sterk elftal beschikte. In zijn periode bij GVAV debuteerde Nuninga in het Nederlands elftal, hij zou in totaal 19 interlands spelen. Het talent van Nuninga werd snel onderkend. In 1964 vertrok hij daarom naar Ajax. Hij maakte de aanloop naar de grote bloeiperiode van Ajax mee. Hij speelde in het elftal met Bennie Muller, Wim Suurbier, Barry Hulshoff, Gert Bals, Velibor Vasovic, Theo van Duivenbode, Henk Groot, Sjaak Swart, Johan Cruijff en Piet Keizer. In 1969 speelde hij als invaller in de finale van de Europa Cup 1. Na die verloren finale werd hij door Rinus Michels aan de kant geschoven. Na zijn loopbaan als voetballer begon Nuninga een carrière in het bedrijfsleven. Hij werd bestuurslid van Ajax en na de beursgang commissaris van Ajax. In 2005 trad hij terug.

Dit interview is gepubliceerd in GolfersMagazine 2016-7. Eerder in deze serie Mijn nieuwe sport zijn verschenen: roeister Femke Dekker, tennisster Kristie Boogert, hockeyster José Poelmans, waterpoloër Marc van Belkum, voetbalcoach Barry Hughes, atlete Olga Commandeur, voetballer Kenneth Perez, autocoureur Gijs van Lennep, honkballer Robert Eenhoorn, wielrenner Erik Breukink, scheidsrechter Mario van der Ende, schaatsster Carien Kleibeuker

De Tour, Sky en Froome: fascinerend in alle facetten

26 Jul

Met een bloedstollende massasprint werd afgelopen zondag de Tour de France afgesloten. Zoals het mij als sport- en wielervolger het liefst is. Ik was langzaam onbewust(?) wakker geworden na mijn nogal vermoeiende middagloopje in de warmte, in de hoop dat het laatste half uur mij zou brengen waarnaar ik verlangde. De slotkilometers op de Champs Elysées brachten het wedstrijdverloop dat mij al jaren bekend is. Uitlooppogingen van renners die een massale aankomst wilden voorkomen, lekke banden van favoriete sprinters en amechtige pogingen van uitgemergelde renners om tot de eindstreep erbij te blijven. Niets nieuws, maar toch weer spannend. Mijn vrouw, die tot dan toe weinig had meegekregen van de Tour, leefde volop mee.

(AP Photo/Christophe Ena)

(AP Photo/Christophe Ena)

Zo ongeveer, in die stemming, heb ik de Tour de afgelopen weken gevolgd. Bijna niets nieuws, toch bijna altijd spannend. Gewoon, zoals ik sinds 1978 beroepsmatig mijn eerste Tour volgde en de laatste jaren als ervarings- en verslavingsdeskundige. Niet verwend, allerminst volgevreten, gewoon benieuwd naar wat zich dit keer zou aandienen. Misschien meldde zich wel een nieuwe held, een nieuwe klimmer en nieuwe sprinter, zowaar een nieuwe eindwinnaar, zag ik nieuwe strategieën, nieuwe technologieën, ongekende taferelen en nog niet vertoonde drama’s. Misschien kwam er niets nieuws. Misschien bleef de Tour gewoon de Tour, met alle mogelijke ontwikkelingen die een aanslag kunnen doen op mijn natuurlijke hartritme.

Met een mengeling van verbazing, aanvaarding en nieuwsgierigheid las en hoorde ik de kritische commentaren, in de kranten, op de radio en de televisie en onvermijdelijk op de sociale media. Men wilde nog meer. Meer strijd, meer aanvallen, meer beklimmingen, meer afdalingen, meer tijdritten, meer demarrages, meer Nederlandse triomfen, meer sensatie, meer chaos en rumoer. Er werden vergelijkingen gemaakt met de Ronde van Italië en de Ronde van Spanje. Wat is er veel gepraat. Het was niks of het moest anders. In elke spelonk werd wel een ‘analyticus’ gevonden die oeverloos kan analyseren. Urenlang analyseren, of mensen er nu verstand van hebben of niet. Zonder publieke analyse kan geen sport meer worden bedreven.

In deze krankzinnige doorgedraaide maatschappij wordt al snel iets als saai gekwalificeerd. Twee tellen geen sensatie en we zappen weg. Zo las ik een reactie van een ook al verbouwereerde collega. Zeuren over niet genoeg, vervlakking en verandering duidt naar mijn idee op innerlijke onvrede. Of dan toch maar weer doping toestaan, zoveel mogelijk liefst – vallen er tenminste doden.

Mensen willen altijd meer, dat is mij intussen bekend. De begeerte is grenzeloos geworden. Als ze geen mooier huis willen, een mooiere auto, een groter televisiescherm of een snellere (duurdere) fiets, dan is het wel een sportheld die onoverwinnelijk is. Liefst een uit eigen land, als de ultieme vorm van sportbegeerte. Is die sportheld een buitenlander dan is het oordeel gauw minachtend. Hij zal wel doping nemen, hij zal wel meer geld hebben, hij zal wel meer hebben dan ‘wij’ hebben. Of hij is te saai om een held te zijn.

joop-zoetmelk
Ik heb Joop Zoetemelk, Bernard Hinault, Laurent Fignon, Greg LeMond, Stephen Roche, Pedro Delgado en Miguel Indurain van nabij de Tour zien winnen. Saai was wat betreft uitstraling misschien vooral de Nederlander Zoetemelk, die in 1980 door de furieuze Raleighploeg (Jan Raas, Gerrie Knetemann, Henk Lubberding, Cees Priem, Johan van der Velde en vooral ploegleider Post) moest worden opgezweept om toch op z’n minst één keer (en dan vooral voor de ploeg en de sponsor) de Tour te winnen.

In zijn spoor als ‘saaie’ wielrenner komt de buitenlander (want Spanjaard) Miguel Indurain in aanmerking, maar die won de Tour wel vijf keer. Saai is naar mijn smaak geen enkele Tour en geen enkele winnaar. Het is niet meer dan de angst voor voorspelbaarheid, dat robotten de wedstrijd gaan domineren. Dat de spanning niet groot genoeg is om ons uit de dagelijkse (saaie) sleur te bevrijden. De organisatoren voelen die mengeling van angst en behoefte aan, en handelen er vanzelfsprekend uit commerciële motieven naar. Het parcours wordt elk jaar zodanig veranderd in de hoop dat het koersverloop minder voorspelbaar wordt. Liefst nóg slopender voor de favorieten. Niet weer dezelfde winnaar, niet wéér Chris Froome. Hij wordt al zo saai gevonden, niet mediageniek vooral.

Wat de organisatoren ook voor de afgelopen Tour hadden bedacht, Froome won toch weer. En hoe! Op momenten dat niemand hem verwachtte (in een afdaling, in een waaier met de allerminst saaie Peter Sagan) sloeg de Brit toe, zijn concurrenten in vertwijfeling achterlatend. Dat was een ongekend staaltje topsport. Froome had meer dan voorheen de beschikking over een ploeg die hem tot in de hoogste graad van perfectie van dienst was. Is dat saai?

In het verleden genoot zelfs de grote Merckx de steun van plichtsgetrouwe knechten in zijn ploeg, Molteni. Lance Armstrong dwong bij US Postal en Discovery Channel zijn ploeggenoten tot het uiterste – chantage en ontslag waren zijn machtsmiddelen. Zoetemelk werd gered door Raas, Knetemann, Lubberding en vooral Van der Velde (ongeveer zoals Wout Poels nu bij Froome deed). In dat jaar, 1980, was ik getuige van elf overwinningen (exclusief eindoverwinning) van Raleigh, de ploeg van Zoetemelk. Ik hoorde en las nergens het begrip saai. Hoewel de grote favoriet, de Fransman Bernard Hinault, toch na drie etappezeges na afloop van de twaalfde etappe in de gele trui de strijd staakte. Niemand viel Zoetemelk daarna nog aan. Als stonede kraaien volgden de concurrenten zijn spoor, zo schreef ik destijds in de Volkskrant tot woede van veel abonnees. Met tienduizenden tegelijk waren Hollanders naar Parijs gereisd om de ‘saaie’ Zoetemelk (in gezelschap van premier Dries van Agt) toe te juichen en er de polonaise te lopen.

Saai? Het is niet meer dan ver doorgevoerde ploegdiscipline. Wie niet meewerkt, verdient niets of wordt ontslagen. Zo was het ook bij Raleigh. De perfectie die Armstrong zichzelf en zijn ploeg oplegde mag dan naar de achtergrond zijn gedrongen door de ophef over gebruik van onreglementaire medicatie, ze lijkt veel op de werkwijze van Sky. De Britse ploeg beschikt over bijna alle middelen die een wielerploeg ten dienst kunnen staan. Wetenschappelijke kennis (technologie, training, materiaal, sportpsychologie en vooral voeding), afkomstig uit alle sporten, vooral mogelijk gemaakt door het kolossale budget (35 miljoen euro) – dat dan weer wel. Het enige oneerlijke aan de methode van Team Sky is mogelijk het surplus aan financiële middelen.

Te grote dominantie wordt als saai ervaren. Het is maar wat je onder saai verstaat. Zoetemelk zei nooit iets opzienbarends, los van zijn legendarische credo ‘Parijs is nog ver’. Miguel Indurain zat bewegingloos op zijn fiets, zijn gezicht toonde geen emotie, zijn benen maalden zoals ze maalden.Toen hij uiteindelijk na vijf Tour-overwinningen instortte, was iedereen verrast. Indurain was indrukwekkend, omdat hij ogenschijnlijk zonder emotie en zonder spierkracht won. Dat is fascinerend. Zo zie ik ook de overwinning van Team Sky met Froome, fascinerend in alle facetten. Hoe komt dat toch? En waarom missen we dat bij andere ploegen én wielrenners? Geen geld genoeg? Geen goed beleid? Geen ploegdiscipline? Dat zijn vragen die me bezig houden.

Het zijn dezelfde vragen die andere fenomenen in de sport opwerpen. Waarom was mijn idool voor het leven Michael Jordan zo indrukwekkend goed, en waarom wonnen Muhammad Ali, Pelé, Fausto Coppi, Eddy Merckx, Bernard Hinault, Johan Cruijff, Diego Maradona, Carl Lewis en Tiger Woods, en winnen Lionel Messi, Dafne Schippers en Epke Zonderland? Mogelijk een combinatie van talent (fysiek, maar ook en vooral mentaal), gedrevenheid, trainingsmethoden, perfectie en begeleiding. Of is het gewoon de natuurlijke aanleg (de genetische erfenis?) die doorslaggevend is?

Uitgemergeld en uitgeput rolden de overgebleven renners zondag over de laatste finishstreep. Nog magerder dan bij de start. Nog magerder dan vroeger toen voedingsmethoden en fysieke voorbereiding nog onderontwikkeld waren. Eindelijk was de langdurige stress voorbij. Wat doet drie weken stress met Tour-renners? De spanning om niet te verliezen en niet te vallen. De angst dat het getrainde lichaam op het belangrijkste moment niet voldoet. De angst dat het (bewust) graatmagere lijf de vederlichte fiets niet in evenwicht kan houden. En de angst om niet veroordeeld te worden door de menigte en de media.

De Belgische tv-commentator José De Cauwer zei dat hem was opgevallen dat renners elkaar na de finish in Parijs feliciteerden. Bijzonder, aldus de man die zelf vier keer de Tour uitreed (een keer gaf hij de strijd op). Die observatie zegt (mij) veel over wat de renners de afgelopen drie weken hebben doorgemaakt. En dan nog verlangen de wielerliefhebbers meer. What you see is what you get.

Dit artikel is in verkorte vorm gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

%d bloggers liken dit: