Tag Archives: Vrienden van boeddhisme

Zoveel behoefte aan liefde kan een mens hebben

2 okt

Soms zou ik wel naar mijn moeder willen kruipen om in haar armen te gaan liggen – als ze me nog kon ontvangen. Troost willen krijgen zonder dat haar te hoeven vragen. ‘Streel mij, zoen mij, zeg mij dat ik de liefste van de wereld ben en dat je mij altijd en overal zult steunen en beschermen. Gewoon als iemand die mij onvoorwaardelijk liefheeft, mij beschermt, mij nooit afvalt, nooit tegenspreekt of bekritiseert.’

Zoveel behoefte aan liefde kan een mens hebben. Dat hij zich nooit alleen voelt in deze ogenschijnlijk vijandiger wordende wereld. Niet bang hoeven te zijn voor anderen die jou kwaad aankijken of jou negeren alsof jij niet bestaat. Anderen die zich van jou afwenden omdat zij zelf niet gezien willen worden, in zichzelf gekeerd, worstelend met hun eigen zorgen. Zorgen om hun eigen conflicten, die van hun kinderen, hun broers en zussen, hun partner, hun angsten, gezondheid en de wereld om hen heen of ver weg in een andere wereld waar het naar verluid gebruikelijk is elkaar het leven zuur te maken.

Jarenlang heb ik gedacht dat mensen die boos keken of hun gezicht afwendden, iets tegen mij hadden. Ik was de boeman, de kwade genius, in mij school het kwaad. Mensen wilden niet in mijn nabijheid verkeren omdat ik boosaardig was en de wereld wilde vernietigen. Zo meende ik. Dan reageerde ik even vijandig en schold diep van binnen die anderen uit: wegwezen, jullie deugen niet, trouwens de hele wereld deugt niet.

Ik heb mijn houding naar anderen en de wereld willen veranderen. Mensen vrolijk benaderen, hen met een glimlach begroeten, naar hen te zwaaien, positief te zijn. Daar was ik zelf wel verheugd over, maar veel anderen bleven er stoïcijns onder of bleven mij negeren dan wel mij boos aankijken. Totdat ik besefte dat mijn vriendelijke toenadering niet tot het gewenste resultaat leidde. Mensen bleven vaak vijandig kijken: wat een rare idioot is dat nu weer om mij lachend te begroeten, alsof het zo leuk is om te leven!

Voortvloeiend uit mijn boeddhistische levenshouding, gevoed door veelvuldige meditaties, besef ik dat ik mij weinig moet aantrekken van wat anderen zeggen of doen. Laat zij in hun sop gaar koken, laat zij boos kijken, laat zij mij negeren. Ik kan hen niet echt helpen, zij moeten zichzelf redden. Ik kan hen alleen bemoedigen door vriendelijk te zijn, hen te accepteren zoals zij zijn en liefde te geven – onvoorwaardelijke liefde.

Ramses Shaffy

‘Laat me’, zong Ramses Shaffy. ‘Laat mij m’n gang maar gaan’. Dat lied lieten we horen op mijn moeders begrafenis. Bijna als een noodkreet, zo klonk het. Shaffy deed (waarschijnlijk) wat hij liefst deed: de liefde bedrijven, zich vol gieten met alcohol, zingen, bidden, lachen, werken, huilen en bewonderen; gewoon wat hij zelf wilde, niet gestoord door wat anderen van hem verlangden. Is dat niet wat wij ook willen? Vriendelijk begroet worden, onvoorwaardelijke liefde krijgen van wie dan ook, aandacht krijgen voor wie werkelijk zijn. Dat we bestaan met al onze sores en eigenaardigheden – zoals we zijn, er uit zien en doen.

Het is moeilijk aardig zijn tegen iedereen; anderen proberen te accepteren, zoals ik mij zelf probeer te accepteren. Mijn boeddhistische leraar adviseerde mij me niet door anderen te laten beïnvloeden; niet door hun benadering, niet door hun oogopslag, de toon van hun stem – of wat dan ook. ‘Wees je zelf, red je zelf, je moeder zal je niet redden, je moet het allemaal zelf doen. Kijk naar jezelf: wees vriendelijk voor jezelf, wees vriendelijk voor anderen en je zult zien dat je tevreden wordt. Liefde’, zo zei hij, ‘komt uit je zelf, niet uit anderen. Jij bent de liefde!’

Alsof ik de Boeddha zelf ben. Maar, wie weet? Een boeddhanatuur moet ik toch wel hebben. Net als iedereen.

Deze column is gepubliceerd in het herfstnummer van de website http://www.Vriendenvanboeddhisme.nl

Guus van Holland is bestuurslid van Shambhala Leiden. Hij was ruim 35 jaar (sport)journalist, eerst sinds 1976 voor De Volkskrant, vervolgens sinds 1988 voor NRC Handelsblad en is vanaf 2011 met pensioen.

Genieten van de intense vreugde van een ander

23 mei

Als ik mijn buurjongetje van vijf jaar hoor huilen en zie stampvoeten, herinnert mij dat aan vroeger, toen ik zelf een kind was. Meermalen ben ik geïrriteerd geraakt door dat rood aanlopende buurjongetje en riep dan: ‘Kan dat kind zijn bek niet houden? Ik word gek van dat geschreeuw.’ ‘Slechte opvoeding’ en meer vooroordelen, maakten zich van mij meester.

Langzaam maar zeker begint het mij te dagen. Zijn gedrag deed mij denken aan mijn vroege jeugd. Of zelfs aan mijn eigen, weliswaar vaak op mijn leeftijd steeds minder opspelende, furieuze opwinding. Stampvoeten kan ik nog steeds goed, huilen gaat mij steeds minder goed af. Als ik mijn zin niet krijg – of ik er nu recht op heb of niet. Herkennen doe ik dat gedrag ook soms bij anderen. Ze stampvoeten niet, maar ze worden boos en gaan schreeuwen.

Waar is mijn moeder die zegt: ‘Krijg je je zin weer niet, jongen?’ Dan wel: ‘Als je door blijft zeuren en boos blijft, stuur ik je naar bed. Want ik denk dat je moe bent. Kom, ik breng je wel naar bed’, of iets dergelijks. Zoals een moeder dat kan zeggen tegen haar kind. Maar dat zegt je vrouw of je man natuurlijk niet tegen jou als volwassene. Sterker: ik vrees dat de ware betekenis van mijn boosheid of ingehouden stampvoeten nauwelijks tot haar doordringt. Je bent gewoon boos en onuitstaanbaar. ‘Ga weg, flikker op of houd je mond.’ Dat is min of meer wat je terugkrijgt, toch?

Liefst had ik dat mijn partner me in de armen nam, zoals mijn moeder dat soms placht te doen. ‘Kom maar hier, lieverd. Het gaat niet zoals je wilt, hè? Vervelend voor je, jongetje. Maar het kan nu eenmaal niet. Het is gevaarlijk. Bovendien kun je niet alles willen, hoeveel ik ook van je houd. Kom, dan krijg je een kus. Huil maar lekker door, jochie.’ Heerlijk, toch?

Ik begrijp dat buurjongetje steeds beter. Misschien komt hij aandacht te kort, misschien heeft hij er last van dat zijn oudere broertje ook of mogelijk méér aandacht krijgt. Of zijn ouders dat zouden begrijpen, weet ik niet. Het is maar mijn interpretatie, mijn invulling, gevoed door mijn herinnering. Misschien heeft hij last van iets anders, iets lichamelijks of geestelijks. Je weet nooit waarom kinderen (of gewoon: mensen) in een bepaalde stemming raken. Wisten we dat maar.

Een uur later (terug van de winkel) zie ik datzelfde buurjongetje na zijn huil- en zeurpartij op de stoep met water en zand knoeien. Blubber dus. Hij ziet er nogal besmeurd uit en wrijft nog eens door het zand en het vele water dat zijn moeder heeft gespoten om de tuinstoelen schoon te maken. In het voorbijgaan neem ik me voor niets negatiefs te zeggen over zijn geknoei. Ik volsta met: ‘Wat een mooi kasteel heb jij gemaakt, en er ligt zelfs een gracht met water omheen!’ Hij straalt, ik zie het aan hem. Zijn broertje zegt nog: ‘Ik ook. Kijk!’ Ik kijk om en lach hem toe. Hij moet (wil) ook een compliment krijgen.

Tevreden loop ik door. Ik hoor het eerste kind tegen zijn moeder schreeuwen: ‘De buurman vindt het mooi wat ik heb gemaakt.’ Moeder antwoordt: ‘Ja, leuk hè? Je mag nog tien minuten spelen, dan gaan we eten. En dan lekker naar bed.’ ‘Is goed, mamma.’

Wat een genot!

Ik heb deze middag twee dingen geleerd. De ‘boeddhistische’ theorie die mij zegt dat je niet kunt weten wat een ander bezielt om zich op een bepaalde manier te gedragen, zag ik in de praktijk gebracht. Aangevuld met mijn positieve benadering ten aanzien van een ander (dat buurjongetje). Ik bestrafte hem niet, ik bezorgde hem geen schuldgevoel, hoewel ik wel zijn (te) ijverig met water alles schoonspuitende moeder had willen veroordelen. Ik probeerde hem te tonen dat ik genoot van zijn intense vreugde om met zand en water te knoeien.

Het buurjongetje heb ik ’s avonds niet horen huilen en zeuren, laat staan stampvoeten. Hopelijk omdat hij nagenoot van mijn positieve oordeel en daarom zonder tegenzin zijn bordje heeft leeggegeten en rustig is gaan slapen. Wat zal hij dan lekker hebben geslapen! Nou ja, dat neem ik maar al te graag aan…

Zeker weten wat er in zijn hoofd en dat van anderen omgaat, zal ik nauwelijks of eigenlijk nooit kunnen begrijpen. Ik interpreteer of projecteer gewoon. Ik word gevoed door mijn herinnering en mijn zelfreflectie: wat zal ik doen als ik een ander in nood zie of hoor, waarmee kan ik helpen? Denken aan mijn eigen nood en mijn eigen verlangens. In alles lijken we op elkaar: dezelfde nood, dezelfde verlangens, soms ook dezelfde pijn. Houd van een ander zoals je houdt van jezelf. Is dat het?

Guus van Holland is bestuurslid van Shambhala Leiden. Hij was ruim 35 jaar (sport)journalist, eerst voor De Volkskrant, vervolgens voor NRC Handelsblad en is sinds 2011 met pensioen.

Deze column is gepubliceerd op de Lente-editie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Doe waar je bang voor bent

19 jan

Angst is een slechte raadgever. Dat weet iedereen zo langzamerhand wel. Sterker: ik ben het steeds meer gaan ervaren. Dan was ik weer eens ondergedoken, had ik mijn handen voor mijn gezicht geslagen, wilde ik mezelf onzichtbaar maken, gebruikte ik drugs en alcohol, deed ik fanatiek aan sport, keek ik veel naar televisie en films, las ik me suf aan boeken en kranten, dompelde ik me onder in muziek dan wel songteksten – zo benevelde ik mezelf of zocht ik afleiding. Entertainment, zo omschreef de Engelse boeddhistische leraar het tijdens mijn stilteretraite in Frankrijk. Zo onttrok ik me aan de (harde) werkelijkheid. Dat wordt ook wel vermijdingsgedrag genoemd.

Of me dat wat wezenlijks heeft opgeleverd? Ja, toch wel, ik was er even niet voor de buitenwereld. Ik hoefde me niet openlijk te schamen, niet te tonen dat ik bang was om af te gaan en minder sterk was dan anderen mogelijk dachten.

Want, mensen, zie toch hoe sterk ik ben!

Maar zo sterk ben ik helemaal niet. Ik ben eigenlijk zo bang als een wezel. Bijna gedurende mijn hele leven heb ik me echter kunnen vermannen. Met de borst vooruit trad ik ogenschijnlijk onbevreesd de wereld met al z’n mogelijke vijanden tegemoet. Vaak brutaal en overmoedig, alsof mij niets kon gebeuren, als een puber wiens prefrontale cortex nog niet voldoende is ontwikkeld.

Dat hielp vaak. Mensen deinsden achteruit, kropen in hun schulp of gaven zelfs zomaar hun ziel aan mij bloot.

In werkelijkheid trilde ik diep van binnen, en probeerde ik met een glimlach en alle vriendelijkheid die ik kon tonen de ander mild te stemmen om zo zijn of haar zachte kant te kunnen raken. Opgelucht was ik als de gedurfde ontmoeting achter de rug was, blij was ik dat ik toch maar het hart van die ander had kunnen laten smelten.

Dat moet heel veel energie hebben gekost. Niet mezelf te durven zijn, niet mijn angst en nervositeit tonen.

Totdat ik na veel meditaties en therapeutische gesprekken ontdekte dat ik in werkelijkheid juist heel bang was geweest en in wezen nog ben. Ik ben bang, niet zomaar bang maar vaak doodsbang.

Om mezelf te zijn. Wie dat ook is. Nou, eigenlijk dat kleine jongetje dat trillend als een rietje een grote mond opzet en zich sterker voordoet dan hij is.

Ik mocht van jongs af aan mezelf niet zijn, me niet laten kennen, niet zwak zijn, niet huilen, gewoon niet mijn ware emoties tonen. Dat jongetje hoorde voor de duivel niet bang te zijn: hij kon alles, hij was een échte man.

Kurt Cobain

Onlangs kwam ik een tekst tegen van Kurt Cobain (rockzanger van Nirvana die in 1994 op 27-jarige leeftijd een einde aan zijn leven maakte). It’s better to be hated for what you are, than to be loved for what you’re not. Hij was een idool, een held, een rolmodel. Maar dat wilde hij niet of kon hij niet waarmaken. Hij was in werkelijkheid een stille, teruggetrokken jongen die kon uitschreeuwen wat hij ergens van vond, in zijn songteksten zijn hart liet spreken, maar in werkelijkheid allerminst een durfal was. Mogelijk werd zijn wezensvreemde gedrag nog (negatief) beïnvloed door zijn heroïneverslaving alsmede zijn ADHD-achtergrond én het feit dat zijn ouders scheidden toen hij pas negen jaar was.

Ik maakte kennis met het boek van Pema Chödrön: ‘Waar je bang voor bent’. Dat werd mijn leidraad, hoe moeilijk haar adviezen ook zijn waar te maken. Letterlijk schreef deze boeddhistische non dat te doen waar je bang voor bent juist de manier is om je angst te overwinnen. Pema laat zien hoe het leven, met al zijn tegenslagen, geleefd kan worden. Maar, dat vraagt wel veel moed en mededogen.

Pema Chödrön

Ik probeer me door haar adviezen te laten leiden. Als ik bang bent, probeer ik niet langer mijn gezicht af te wenden, duik ik niet onder, loop ik niet weg of zet ik een masker op waarop mijn grootst mogelijke vriendelijkheid staat geboetseerd of benevel ik me met alcohol en drugs dan wel andere vormen van entertainment.

Ik ga trillend van de zenuwen de confrontatie aan, kijk in de muil van de bedreigende, brullende leeuw en onderga wat mij overkomt. Dat ben ik écht.

Ik voel me er beter door. Zo toon ik ware moed. En zo te zien merkt de ander dat op. Bovendien blijkt de confrontatie lang niet zo erg als ik onder de deken vreesde. Ik leer zo mezelf te zijn. Het is de ontdekking van mijn ware zelf. Althans, ik ben op weg mijn ware zelf te ontdekken. Bang of niet. Dit ben ík.

De auteur is bestuurslid van Shambhala Leiden

Deze column is gepubliceerd op de wintereditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Mediteren en schrijven zonder doel, dat moet mogelijk zijn

17 jul

Boeddha Speuld

Ga gewoon zitten en schrijf, hoor ik een stemmetje in mijn hoofd. Dan zie ik wel wat er komt, mogelijk iets recht uit mijn hart. Gewoon wat op dit moment in mij leeft. Zoiets als de twijfels of ik wel een bijzonder, lezenswaardig, stukje ga schrijven dan wel volslagen onzin.

Het is als de manier waarop ik zou moeten mediteren. Niet gaan zitten met verwachtingen, hopend iets te ontdekken in mijn hoofd, mijn hart of waar ook in mijn lichaam dat ik niet eerder heb ervaren. Zitten (schrijvend of mediterend) zonder een echt doel. Voetballen zonder een doelpunt te hoeven maken. Er alleen maar zijn en zien wat ervan komt.

Zoals het mij al een decennium vrijwel dagelijks tijdens mijn meditatiezitting vergaat, zo verging het mij bijna een halve eeuw als beroepsschrijver (dan wel schrijvend journalist). Een handeling met een doel, in de hoop aan (bepaalde) verwachtingen te beantwoorden of toch zeker er profijt van te trekken – zodat op z’n minst mijn ego groter wordt.

Deze overeenkomst komt in mij op, terwijl ik ben nu begonnen met schrijven. Gaan zitten alsof je begint met mediteren en schrijf. Zie maar wat er opkomt. Focus op je vingers die (onbewust of bewust) letters op het toetsenbord raken. Laat woorden zich aandienen zoals gedachten tijdens het mediteren. Laat ze komen, zonder er verder over na te denken. Ze zijn gekomen en staan nu zomaar op het beeldscherm, gestuurd door impuls.

Was het maar als schrijver (schrijvende journalist) zo’n feest geweest. Ik heb het idee dat ik heel vaak heb geschreven met een doel. Om te voldoen aan verwachtingen van de hoofdredacteur, de chef, de lezers en anderen. Of iets anders te schrijven: ik doe lekker niet wat anderen willen. Maar ook dat is dus met een doel.

Zo is het mij ongeveer net zo met mediteren vergaan. Ik bedoel dan de overeenkomst met verwachtingen en hoop op respons. Niet dat ik anderen wilde plezieren of provoceren, maar het op een kussen gaan zitten met een doel. Al die jaren was ik bezig aan mijn meditatie te sleutelen. Dan weer las ik dat het zo moest, dan weer zus. Of ik luisterde naar de adviezen van ervaren boeddhisten en meditatie-instructeurs: zit zus, zit zo, zit comfortabel, focus op je adem, laat gedachten komen en gaan, zit zonder doel en zie wat er gebeurt. Of, de mooiste die ik ooit las, van wijlen mijn leraar Chögyam Trungpa Ripoche: verveel je!

Het lukte maar niet.

Dan las of hoorde ik weer van anderen dat ze wél veranderingen bij zichzelf hadden waargenomen. Waakzamer, rustiger, geduldiger, vriendelijker of weet ik wat voor vrediger stemming. Ze zagen meer of iets wat ze nog niet eerder hadden waargenomen. Hadden zij dan (wél) een doel voor ogen gehad? Nee, ze waren gewoon gaan zitten, nauwelijks langer of vaker dan ik. Ze hadden gewoon ervaren wat er (bij toeval?) in hen op was gekomen, wat hun was toebedeeld.

test ricard

Mathieu Ricard ondergaat testen in het Max Planck Instituut in Leipzig

Ik wist het al: hersens zijn flexibel. Hersencellen verbinden zich met elkaar door training; synapsen vinden elkaar door ‘beoefening’, zoals dat in boeddhisme wordt genoemd. Kortom: je kunt veranderen door meditatie. Mathieu Ricard, een boeddhistische monnik en rechterhand van de Dalai Lama, die al meer dan veertig jaar intens mediteert, onderging testen aan het Max Planck Instituut in Leipzig onder leiding van directeur Sociale Neurowetenschappen Tania Singer. En daaruit bleek dat wel degelijk verandering is opgetreden en dat tijdens meditatie of bepaalde gedachten (zoals altruïsme) iets gebeurt in de hersens. En niet alleen bij hem. Meer monniken en mensen die al enige tijd mediteren, overkomt hetzelfde. Lees bijvoorbeeld twee recente boeken: ‘Het no-nonsense meditatieboek – over hoe bewust zijn je mentale en fysieke gezondheid kan versterken’ van neuroloog Steven Laureys (met medewerking van Mathieu Ricard) en ‘Een kleine meditatiegids’ van zenboeddhist Tom Hannes.

Misschien zijn ze gewoon gaan zitten, zonder doel. Misschien niet. Maar, wat moet ik nou? Misschien ben ik toch iets veranderd, maar merk ik er te weinig van – minder dan ik verwachtte (begeerte?). Wel denk ik meer te voelen.

Er is meer dan ik jarenlang heb gevoeld, meer dan de bovenlaag, meer dan ik ooit heb toe willen geven. Dat er meer is dan de buitenkant. Van binnen huist een mens die lang verborgen is gebleven. Kwetsbaarheid, onzekerheid en angst. De vrees om afgewezen te worden, dat mijn stukjes ondermaats of onzinnig gevonden worden. De vrees voor de realiteit. Door meditatie en spontaan geschreven stukjes leer ik de realiteit zien. Dit ben ik echt, helemaal, van onder tot boven, van buiten en van binnen. Een écht mens.

De auteur is vriend van Shambhala Leiden

Deze column is gepubliceerd op de zomereditie van de website van het Vrienden van het Boeddhisme (http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/)

Het is goed, niets is echt fout

15 apr

Dralahall2

De meditatieruimte

Dit was bij mijn eerste lezing tijdens de stilte-retraite van een week in een Frans buitenverblijf niet wat ik ervan verwachtte. Omringd door veertien Fransen, een Belgische, een Engelse en een Moldaviër, keek ik vanaf mijn kussen in de meditatieruimte verwonderd naar de Engelse boeddhistische leraar, een ogenschijnlijk wijze man. Weifelend stak hij met een lucifer de kaarsen en een wierookstokje op de schrijn aan, keek vragend om naar de Duitse hoofdleraar in de zaal, zittend op de eerste rij. Hij fronste zijn wenkbrauwen, schudde verontschuldigend met een glimlach zijn hoofd en stak onzeker nog een kaars aan. Is het zo goed?

De leraar wist het niet zeker! Mogelijk was hij vergeten hoe de ceremonie precies in zijn werk ging. En dat na al die jaren van studie, meditatie en vele eerdere ceremoniën. Hij boog met het wierookstokje tussen zijn handen naar de schrijn, ging zitten, nodigde met een hoofdknikje ons uit ook te gaan zitten en bleef bijna een minuut stil alvorens hij met zachte stem aan zijn lezing begon. Hij sprak over het nut van stilte, over wat in ons hoofd opkomt en weer weggaat, over gedachten, over de ademstroom, over gevoel en prikkels, en over identiteit. Het was allemaal goed, niets was echt fout. Wat er gebeurde, wat je voelde en wat je hoorde, was van jou – van niemand anders.

Hij keek ons aan en vroeg om vragen. Een man vroeg hoe hij zijn identiteit kon breken, kennelijk was hij er niet tevreden over. De leraar antwoordde met zachte stem en sloot af met de opmerking: ‘Hoe, dat is aan jou.’ Dat antwoord had de man niet verwacht – ik evenmin.

Met stijgende verwondering volgde ik zijn gedrag. Bij een van de volgende vragen zweeg hij. Hij keek de zaal in, wachtte op een antwoord van een van de aanwezigen en gaf er toen zelf een. Wat hij zei is me ontgaan. Alleen zijn slotzin bleef hangen. ‘Slaat dat ergens op?’, riposteerde hij. Mensen lachten. Want eigenlijk gaf de wijze leraar daarmee te kennen dat hij ook niet zeker was of zijn antwoord hout sneed.

Mijn verwondering sloeg om in bewondering. Ik weet het, dat is geen boeddhistische benadering. Maar ik voelde een vorm van identificatie. Als deze vriendelijke, wijze man onzeker, kwetsbaar en niet-wetend is, dan zou ik dat ook willen zijn. Ik hoef dus niet zeker te zijn van wat ik denk, hoor, zie en voel.

Bijna altijd heb ik in mijn leven gedacht dat ik zeker van mezelf moet zijn, dat ik gelijk heb, dat ik weet hoe het zit, dat ik wijs ben, veel geleerd en gestudeerd heb. Alleen dan ben ik goed, op zijn minst de moeite waard, dan pas heb ik bestaansrecht. Dat is wat ik in mijn jeugd, op school en van mijn ouders heb geleerd: laat zien wat je kunt – en vooral niet wat je niet kunt. Zorg dat je de beste bent, dat je wint, op school, in sport en meer. Minder dan anderen zijn is niet goed. Verliezen is een gebrek. Met een gebrek ben je niet perfect en sterker: dan hoor je er niet bij.

Sid1

Mijn leraar

Op een dag kwam de leraar buiten naast me op een bankje zitten. Hij vroeg hoe het met mij ging. Ik antwoordde dat ik met vragen zat, problemen ook. Hij zei ‘ok, dat kan’, meer niet. Toen ik hem om een oordeel vroeg over de verhalen die ons bereikten over het wangedrag van (onze) Shambhala-leider Sakyong Mipham, hield hij zich op de vlakte en zei: ‘Dat had mij ook kunnen overkomen.’ Ik had willen horen of hij dat goed keurde of afkeurde. Hij liet het in het midden. ‘Ik heb hem ontmoet. Maar wie ben ik om te oordelen?’ Zo sloot hij af.

Zo keerde ik na week van stilte, meditatie, bezinning en vriendelijkheid opgelucht en verrijkt terug naar huis. Nu besefte ik dat onzekerheid, kwetsbaarheid, onwetendheid en de mindere zijn goed noch fout is. Soms ril ik nog en word ik nerveus als ik iets niet zeker weet. Oei, wat zal mij gebeuren? Het is een kwestie van oefenen in zijn wie je bent, wat je voelt, hoort en ziet. Niets is zeker, niemand is zeker, ook ik niet. Identificatie met winnaars mag, identificatie met verliezers mag ook – daar is niks mis mee.

Guus van Holland is vriend van de Shambhala-sangha in Leiden

Deze column is gepubliceerd op de voorjaarseditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

 

Omarm je ogenschijnlijk niet te beheersen woede

4 dec

angerHet knettert en dondert in je hoofd. Een elektrische stroomversnelling davert door je hele lijf. Je ogen zwellen en puilen uit. Het speeksel spuit uit je mond, je spuugt vuur, je hakkelt. Je zintuigen raken verdoofd en verblind. De motoriek van je armen en benen is onbeheersbaar geworden. Alles schokt en trekt. En schiet in de afweer, op zoek naar wapens. Slaan en schoppen is onbewust een optie geworden. Het gif moet er uit, aan alle kanten, uit alle gaten. Woede!

Pas als de golf van adrenaline is afgenomen, gaat het verstand werken. Wat is er gebeurd? Wat heeft jou zo diep geraakt waardoor je de controle over jezelf verloor? Waarom werd je gek?

Er zijn uiteenlopende psychologische verklaringen voor, onderzocht door vele wetenschappers van naam en faam en door bijna even zoveel anderen geanalyseerd en beschreven. Komt het (domweg) voort uit het temperament? Ook een verklaring. Maar ook: de woede zou zijn oorsprong vinden in ons vroegste leven. Daar was er niet de aandacht, erkenning, waardering en liefde waar we zo’n behoefte aan hadden. Onbewust herkent ons gevoel wat we toen gemist hebben. Diep van binnen worden we geraakt, als waren we nog een kind dat niet krijgt wat het hebben wil.

boze trumpVoelden we maar meteen waar en hoe we geraakt worden. Dat kan een woede-uitbarsting voorkomen. Ik heb geprobeerd me te laten raken en meteen te voelen dat ik geraakt word. Dan voel je de pijn meteen, hoe pijnlijk dat ook is. De ander, degene die jou raakt, zou dan direct kunnen begrijpen wat er met jou aan de hand is. Dat het jouw pijn is en niet per definitie de schuld van degene die de pijn veroorzaakt. Het is moeilijk. Omdat je afweer automatisch aan de slag gaat en de raarste dingen met je gedrag doet. Je kunt het leren herkennen, maar we zijn mensen – de een nog gevoeliger dan de ander.

Ik heb in therapeutische sessies woede de vrije loop mogen laten. Op een kussen slaan, met een mattenklopper op een matras beuken of hard tegen de therapeut schreeuwen tot het bloed in mijn ogen stond, het spuug uit mijn mond spoot en ik uitgeput in huilen uitbarstte. Dat kan helpen, zeker even. Andere psychiaters en psychologen spreken dat tegen, omdat het de woede juist zou aanwakkeren. Wie het weet, mag het zeggen.

De zenboeddhistische leraar Thich Nhat Hành schreef er (in 2003) een inspirerend boek over: Anger (‘Omarm je woede, emoties kalmeren met milde aandacht’). Hij verwijst naar de Boeddha die 2500 jaar geleden ontdekte dat de meeste vormen van lijden en ontevredenheid zijn terug te voeren tot drie oorzaken: verkeerde opvattingen, obsessieve verlangens en woede. Woede is een van de krachtigste, maar ook een van de moeilijkste emoties om mee om te gaan. Eén moment van woede kan zowel voor onszelf als voor anderen noodlottig zijn.

Hij nodigt uit aandachtig met boosheid om te gaan. Hij stelt dat woede uiteindelijk neerkomt op een intense vorm van lijden en dat het onze verantwoordelijkheid is dat te verlichten, niet door verstorende emoties te bestrijden of te onderdrukken, noch door ze onbegrensd te uiten, maar door onze basishouding door middel van aandacht te veranderen. Diep luisteren.

thich

Uit zijn boek ‘Omarm je woede’: ,,Als er iets fysiek met ons mis is – met onze darmen, onze maag of onze lever – dienen we de kwaal te verzorgen. We masseren wat, nemen een kruik en doen al het mogelijke om de aangedane plek goed te verzorgen. Net als onze organen is woede een deel van ons. Dus als we kwaad zijn moeten we terugkeren tot onszelf en goed voor onze woede zorgen. We kunnen niet gewoon zeggen: ‘Ga weg, woede, je moet weggaan, ik wil je niet’. Als je maagpijn hebt, zeg je ook niet: ‘Ga weg, ik wil je niet’. Nee, je zorgt er goed voor totdat de pijn over is. Op dezelfde wijze moeten we woede omarmen en er goed voor zorgen. We herkennen en erkennen de woede als zodanig en glimlachen. De energie die ons daartoe in staat stelt is ware aandacht, aandachtig lopen en aandachtig ademen.’’

Hij noemt het lijden en raadt aan tegen degene op wie je kwaad bent te zeggen: ‘Ik ben kwaad op je. Ik lijd.’ Laat weten wat je voelt, ook als je kwaad bent. Misschien, aldus Thich Nhat Hành (92 jaar oud intussen), ben je nog zó kwaad dat je er niet toe in staat bent, beoefen dan aandachtig ademen en het aandachtig buiten lopen. ,,Mocht dat niet helpen, schrijf het dan op. Schrijf een vredesboodschap. Voeg toe dat je vastbesloten bent dingen te veranderen. Dat zal de ander vertrouwen en respect inboezemen. Ik doe mijn best betekent dat je de belofte terug te keren tot jezelf om je woede te verzorgen nakomt en serieus neemt.’’

Of het lukt, weet ik niet. Of woede voorkomen kan worden evenmin. Slechts heel weinigen zullen kunnen uitgroeien tot een geduldige, aandachtig luisterende en observerende, glimlachende, minzame, vreedzame boeddhistische monnik. Maar het is te proberen. Al is het alleen maar om jezelf en de ander niet te beschadigen.

De auteur is vriend van de Shambhala-sanga Leiden.

Deze column is in iets verkorte versie gepubliceerd op de wintereditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Een vijand werd uiteindelijk toch mijn leermeester

1 sep

Het was alsof ik tegenover een vriend ging zitten. Ik had hem met een warme handdruk begroet als vriend, als geest- en zielsverwant, als een man waarbij ik me veilig zou voelen. Op mijn gemak, niets te duchten, samen in een warm bad ervaringen en gedachten uitwisselen.

Maar het samenzijn liep anders. De man was anders. Hij gedroeg zich anders, praatte anders, at en dronk anders en deed dingen die ik liever niet deed. Hij was direct, in mijn beleving lomp. Hij dacht heel anders dan ik, stelde plannen voor die ik niet in mijn hoofd zou halen. ‘Kom op, Guus’, brulde hij, ‘gewoon doen, gezellig samen, geen gezeik aan je kop. Niet moeilijk doen en je hebt plezier in je leven’. Hij vergat erbij te zeggen dat hij zó in het leven stond en op die manier plezier beleefde.

Hij zei het op een toon die mij niet beviel. Niet mijn toon, niet mijn smaak. Ik had het gevoel dat hij niet wist wat mijn verlangens waren, wie ik was en hoe ik over het leven dacht. Sterker:  ik werd diep geraakt, overweldigd door het idee dat hij wel wist wat ik zou willen of nodig had. Hij begreep mij niet. Helemaal niet, écht niet. Maar ik lachte vriendelijk. Totdat mijn vrouw ingreep en (mij kennende) zei: ‘Ik weet niet of Guus dat wel leuk vindt.’ ‘Nou én’, hoorde ik de man antwoorden.

Ik probeerde het dreigende probleem (het verschil in smaak en inzicht) te verdringen en lachte verlegen. Ik wilde geen strijd, geen discussie. Ik wilde hem niet veroordelen om zijn impulsieve, voor mij wat kortzichtige gedrag. Laten we het gezellig houden. Ik bevroor, zo voelde ik later. Ik liet hem begaan. Van binnen voelde ik me echter opstandig worden. Ik werd steeds bozer, maar uitte dat niet. Bang misschien. Dat hij boos zou worden, omdat hij zich niet gehoord voelde, daarom mij zou afwijzen en zelfs agressief zou worden?

Toen we afscheid hadden genomen, werd ik steeds bozer.

Wat een lomperik! Met zo’n man wilde ik echt niets meer te maken hebben. Met hem wilde ik nooit vrienden worden. Hij was totaal anders, hij begreep mij niet, hij voelde niet zoals ik, hij ervoer het leven niet zoals ik. Misschien dacht hij ook zo over mij. Misschien ook niet. Zo kortzichtig was hij vast wel, getuige het gedrag dat mij met afschuw vervulde.

Uit de buurt van hem – en van zulke mensen – blijven. Dat nam ik mij voor. Maar de pijn die ik door de ontmoeting met hem had gevoeld, ebde weg. De vragen die mij bezighielden omtrent mijn kwetsbaarheid en afkeer kregen een antwoord door mijn door het boeddhisme geleerde inzichten. Deze man was anders, zoals iedereen anders is dan ik. Zo herinnerde ik mij. Ik kan hem proberen te overtuigen van mijn gelijk, bijvoorbeeld dat mijn levenshouding en gedrag de enige juiste zijn, maar ik kan hem ook nemen zoals hij is. Naar hem kijken en luisteren, hem observeren en dan – zonder angst, zonder te bevriezen – concluderen dat hij is zoals hij is, doet zoals hij doet. Misschien dat acceptatie mij (en hem) meer oplevert dan afwijzing.

Op mijn trainingen in mijn sangha heb ik kunnen leren dat boeddhisten geloven dat in iedereen iets zit dat goed en zuiver is. Dat we alleen alle emotionele bagger die verhindert dat die kwaliteiten boven komen drijven, moeten verwijderen. Want in iedereen schuilt de ‘boeddhanatuur’.

Het mooie van bovenstaand voortschrijdend inzicht vind ik dat de man die mijn vijand werd, mij wat heeft geleerd. Een man die ik verafschuwde en afwees zette mij onbewust aan het denken. Een vijand werd mijn leermeester. Hij raakte mij en ik kon voelen waar hij mij raakte. Dat was niet zijn schuld dan wel zijn verdienste. Dat was mijn kwetsbaarheid. Misschien kunnen die man en ik wat mij betreft dan toch als vrienden verder gaan. Samen, zonder veroordeling.

Guus van Holland is vriend van Shambhala Leiden

Deze column is gepubliceerd op de herfsteditie van de website: http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

 

Zwijg, open je, luister naar de stilte en voel: laat je raken

3 jun

forest Gedrieën liepen we ’s nachts het bos in, mijn vriend Marius, zijn hond en ik. Het was stil. Alleen ik babbelde wat. Waarom? Angst? Of gewoon omdat samen wandelen niet gezellig is als je niet met elkaar praat. Hier en daar hoorde ik wat ritselen, dat wel. Maar ik was toch meer met mezelf bezig, met mijn gebabbel.

Onverwacht stond mijn vriend, die al die tijd had gezwegen, stil. Hij trok aan zijn sigaretje en zei: ‘Hoor!’ Hij stak zijn wijsvinger op. Ik hield mijn adem in. Hij ook. De hond stopte met hijgen, deed zijn bek dicht en keek zijn baasje aan. We wachtten een minuut of twee. Ik luisterde. Ik hoorde wind. Een licht suizend geluid. Niets bijzonders.

Maar toch. Het was geluid. Geluid waar ik zelden bij stilsta. Mijn vriend wees mij er op dat er nooit echte stilte is – ook als ik niets denk te horen. Mogelijk omdat ik geen oor heb voor kleine, mogelijk onbetekenende geluiden. Maar ze zijn er wel, als ik er maar voor open staat. En betekenis hebben ze zeker. Dat vergeet ik weleens.

Ik meldde me jaren later aan voor een stiltewandeling in het Amsterdamse Bos. We zouden onder leiding van twee ervaren stiltewandelaars, Lisette Sevens en Thomas van Kleef, samen met nog enkele andere mensen een paar uur zwijgend met elkaar wandelen.

In het begin was het vermakelijk. Mijn vrouw en ik keken elkaar aan en konden nauwelijks een lach onderdrukken. Het zwijgen viel ons met de minuut zwaarder. Het begon hevig te regenen. Boven ons hoofd vlogen vliegtuigen laag af en aan, van en naar het nabije Schiphol. Daar viel wat over te zeggen, maar we bleven zwijgend doorwandelen.

Soms kregen we een korte pauze, waarin we onze ervaringen mochten delen. Hoe het beviel. Waarom niet? Waarom wel? We passeerden een gedenkteken, het Dachaumonument, bleven staan en keken zwijgend naar de opschriften en namen. Ik ontdekte een fout, wilde dat met de anderen delen, maar deed er het zwijgen toe. Hoe moeilijk was dat? Hoe moeilijk was het sowieso te zwijgen op een plek die sterke emoties opwekt?

We wandelden door, zwijgend. De regen viel met bakken uit de hemel. Boven ons hoorden we het lawaai van vliegtuigen. Het leek wel oorlog. Mogelijk omdat we zwegen kwamen het lawaai en de neerplenzende regen harder aan dan gewoonlijk, als we wel met elkaar praten. Ik weet het niet. Zo voelde het wel. Toch hoorden we uiteindelijk het lawaai niet meer. Gewenning? Ik weet het niet. Wat ik me herinner is dat mijn vrouw na afloop van de wandeling begon te huilen. Het bezoekje aan het Dachaumonument had haar geraakt. De ontroering had ze ingeslikt en pas enige tijd later kunnen uiten. Ook dat kan stilte met je doen.

Intussen ben ik gewend geraakt aan stilte. Aan samen de stilte ervaren en het gevoel niet hardop met elkaar te delen. Ik mediteer samen met anderen in stilte. Ik wandel samen met anderen in stilte. En elke keer ervaar ik dat stilte me dichter bij mezelf brengt. Ik hoor niet alleen méér, ik voel wat het met me doet. Hoe en waar het me raakt. Niet dat praten met anderen niet aangenaam is, maar alleen zijn met mezelf, mijn gevoel alleen met mezelf te delen, dus niet te uiten (naar buiten gooien) geeft me meer inzicht in wie ik ben en wat ik voel.

Is dat wat mijn vriend Marius me destijds wilde leren? Hij is overleden. Ik kan het hem niet meer vragen. Laat staan hem te danken voor wat hij mij wilde duidelijk maken: praat nou eens niet, luister gewoon. En voel, laat je raken!

Guus van Holland is vriend van de sangha Shambhala Leiden

Deze enigszins bewerkte column is gepubliceerd in de zomereditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Moet ik mijzelf dan afzonderen of laten inmetselen?

6 mrt


Vanuit mijn nederige bosverblijf zie ik mezen, merels, gaaien, duiven en andere vogels mijn zaadcontainer bestormen. Ze zijn met velen. Durven ze wel met z’n allen!

Meer sympathie gaat uit naar de bonte specht, die alleen en onverstoorbaar zoveel mogelijk graantjes probeert mee te pikken. Alleen is maar alleen, maar hij doet het toch maar, die durfal. Geobsedeerd volg ik zijn obsessie: pikken, eten en doen zonder zich (ogenschijnlijk) iets van anderen aan te trekken.

Zo zou ik het ook willen kunnen. Dingen doen en zeggen, leven zonder me gestoord te voelen door mensen om mij heen. Niet ogen in mijn rug voelen prikken, niet bang zijn voor anderen – vooral hun oordeel. Angst en schuldgevoel maken zich in meer of mindere mate van mij meester wanneer ik iets doe of zeg.

Paranoïde ben ik niet. Maar ik kan vrij bang zijn voor een oordeel. Dat ervaar ik gauw als een afwijzing: ‘Zo doe je dat toch niet, dat is toch raar, zo kun je niet opgevoed zijn, doe normaal!’ Als ik dat niet daadwerkelijk hoor of voel, dan is er wel een stemmetje in mijn hoofd die mijn gedrag beoordeelt, sterker: afkeurt.

In boeken over boeddhisme, zoals ‘De weg van de witte wolken’ van Anagarika Govinda (lees ook zijn: ‘De mystiek van het Tibetaans boeddhisme’), word ik geconfronteerd met heremieten die zich in afzondering aanleren naar zichzelf (en hun lichaam) te luisteren. Na jaren van meditatie en contemplatie in een grot of boven op een berg met summiere levensbehoeften vertoefd te hebben dalen zij af naar de samenleving, waar iedereen elkaar tot gekte drijft in de jacht op succes en geluk, en worden zij verwelkomd als heiligen, verlicht. Zij worden aanbeden, want zij hebben het in zich alleen met zichzelf vrede te vinden – zo wordt aangenomen.

Vanzelfsprekend hebben zij zich veel moeite moeten getroosten om in deze veronderstelde staat van verlichting te geraken. Alleen, op jezelf kunnen leven zonder toegeven aan verleidingen, begeertes kunnen weerstaan, jaloezie en competitie kunnen vermijden; ze doorzien als een strijd met het telkens opspelende ego en dat opgeven.

Ik herken die strijd. Vrijwel alles staat in dienst van mijn ego. Wat ik doe, denk en voel wordt gevoed door mijn omgeving. Bij mij wel. Ik wil onafhankelijk kunnen zijn, autonoom: wat mij beweegt behoort aan mij en aan niemand anders.

Moet ik om dat te bereiken me afzonderen in een grot (of zelfs ingemetseld), jaren alleen op een berg in de Himalaya wonen? Daar uren verblijven in meditatie en contemplatie? Moet ik alleen mezelf voelen en alleen mezelf beleven, met alleen mijn lijf, adem, pijnen en oprispingen als gezelschap; de omgeving, de natuur en de hemel als mijn enige bondgenoten?

Ik zou me eenzaam voelen – en dat wil ik niet. Dan maar een ego dat wordt geleid door invloeden van buiten, van mijn naasten met wie ik het goed wil kunnen vinden. Dan storen ze me maar in mijn comfortzone, dan schudden ze me maar wakker: ‘Kom op Guus, je bent niet alleen op de wereld, doe eens mee met ons’. Ik heb het nodig om wakker te blijven, mijn vijanden als bewakers te zien, zodat ik niet inslaap en denk dat er maar één op de wereld is en dat ‘ik’ dat ben.

Meedoen, niet alleen op jezelf leven en voor jezelf zorgen, zo suist het voortdurend door mijn hoofd. ‘Stop eens met alleen voor jezelf op te komen!’ Het is mijn dilemma – en mogelijk dat van vele andere mensen. Mijn ego is me heilig. Hoewel ik ervaar hoeveel lijden dat veroorzaakt. Anderen moeten mij even lief zijn, vind ik. Hoe doe je dat? Kiezen: jezelf minder maken en de ander meer. Misschien dat heremieten, monniken, lama’s en boeddhistische boeken mij daarbij kunnen helpen.

Ik hoop het, want mijn gulzigheid (begeerte) wordt op de proef gesteld. Ik wil het voortdurende geluk vinden – hoe en waar dan ook. Liever niet in een grot boven op een berg, los van de levensbehoeften die mij vaak een voldaan gevoel geven. Ik wil hier kunnen leven, tussen mijn geliefden, vrienden en mijn vijanden.

Guus van Holland is vriend van Shambhala Leiden

Deze column is gepubliceerd op de voorjaarseditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Engeltjes aan mijn bed

11 dec

De verbazing bleef aanhouden. Elke dag tijdens mijn verblijf van twee maanden in het ziekenhuis en ook daarna als ik thuis werd verzorgd door verpleegkundigen. De aandacht en betrokkenheid, sterker: de liefde. Elke verpleger die aan mijn bed stond, luisterde, bekeek mij aandachtig van top tot teen en wachtte geduldig totdat ik mijn hele klaagzang had voltooid.

‘Kan ik u verder nog ergens mee helpen?’ Zo beëindigden zij steevast ons eenrichtingsgesprek. Nee, eigenlijk niet. Of toch nog wel? Zo dacht ik hardop. Waarop ze spontaan alsnog vervolgden: ‘als er iets is roept u maar, ik kom meteen.’

Ik wist niet wat ik meemaakte. Zoveel aandacht, liefde en zorg. Was ik dat allemaal waard – hoe ernstig mijn ziekte ook was? Ik genoot van elk moment. Ik werd overspoeld door gelukzaligheid als zij mij maar even aanraakten. Ik vermoedde engeltjes aan mijn bed, alle pijn en ellende verdween door elk betrokken woordje dat mij ten deel viel. Ik voelde mij een beetje schuldig. Moest ik nu iets teruggeven? Verwachtten zij iets terug?

Was dit nou altruïsme, de kracht van compassie? Zoals ik dat vier jaar geleden dacht te begrijpen bij het lezen van het boek (800 pagina’s) van de Franse boeddhistische leraar Matthieu Ricard (Altruïsme, de kracht van compassie, Ten Have, 2013). Nee, dit was anders. Intenser, nog onbaatzuchtiger dan ik meende van Ricard te hebben opgestoken. Dat dit bestaat? Ik haalde destijds in een door mij op verzoek geschreven omvangrijk artikel in The Optimist (The Path of the Altruïst) voorbeelden aan van altruïstische mensen, zoals Florence Nightingale, en anderen met een groot hart vol liefde voor de ander. Maar er zijn er dus veel meer, vooral de (soms vrijwillige) zorgverleners, verpleegkundigen en artsen. Geven, helpen en luisteren, zichzelf vergetend.

Dat ene moment dat ik ’s nachts woedend de dekens van mij afwierp omdat de nachtzuster me niet nóg een slaapmiddel wilde geven en ik mij niet tot bedaren liet brengen. Ik vloekte en schold haar uit. Toch legde zij even later liefdevol een opgewarmde deken op mijn buik, waardoor ik zowaar in slaap viel. Natuurlijk werd het voorval in mijn dossier vastgelegd. De volgende dag vertelde ik aan een andere verpleegkundige dat ik mij schuldig voelde en de nachtzuster niet meer onder ogen durfde te komen. Ik was mezelf te buiten gegaan.

Korte tijd later kwam de mogelijk door mij gekwetste nachtzuster kordaat naar mij toe. Zij legde een hand op mijn schouder, streelde mijn hoofd en zei: ‘Ik hoorde dat u zich schuldig voelt over wat er vannacht is gebeurd. Dat is niet nodig. Ik ben er voor u: niet schuldig voelen, hoor. Als u wilt dat ik kom, dan kom ik meteen.’ Ik dacht even dat ze bloosde en dat ze het niet meende. Maar die gedachte was al gauw voorbij. Ik viel in slaap en droomde over liefde, dat iedereen liefde voor anderen in zich draagt. Altruïsme bestaat echt en niet alleen omdat Ricard daar 800 pagina’s over heeft geschreven.

Maddy troost Guus

Met een van de verpleegkundigen deelde ik mijn ideeën over altruïsme en empathie. Zij was geïnteresseerd omdat ze tijdens haar opleiding het vak ‘zorg en ethiek’ volgde. Ik beval haar Ricard aan en diens uitleg. Omdat het haar dagelijks bezighield: verzorgen zonder er iets voor terug te vragen. Ze verzorgde graag, maar het was niet altijd gemakkelijk. Ze had ervoor gekozen, omdat zij er plezier aan beleefde. Zei ze.

Die liefdevolle vriendelijkheid van de verplegers en artsen in het ziekenhuis en van de thuiszorg maakte zoveel indruk op mij dat ik meer vertrouwen in mensen heb gekregen. Dat er meer mensen zijn die anderen onbaatzuchtig helpen dan ik ooit in mijn door scepsis geleide leven had durven denken. Ik heb het sterke vermoeden dat iedereen van huis uit altruïstisch is, maar dat wij hebben geleerd egoïstisch te zijn – allereerst aan onszelf te denken.

Het is fijn om altruïsme te ervaren, gewoon liefde met zoveel mogelijk aanrakingen te voelen. Dat voelt als het beste medicijn. Wanneer ik die verzorgers zo bezig zag met hun altruïsme, voelde ik bovendien dat het echt was. Ze geven liefde en daar krijgen ze ongevraagd plezier voor terug. Liefde vooral, zeker van mij, de man die (zoals iedereen) hunkert naar liefde.

Guus van Holland is vriend van Shambhala Leiden.
Deze column is gepubliceerd op de wintereditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Nergens zin in hebben

18 okt

Wat zal ik gaan doen? Het is de vraag die ’s morgens bij het ontwaken als eerste opkomt. Er zijn geen plannen. Mogelijk alleen verplichtingen, zoals douchen, ontbijten en koffie drinken. En mediteren, 20 minuten, tot de mountain bell van de app op mijn iPhone gaat.

De dag is begonnen. Wat nu? Als ik me maar niet ga vervelen. Het is de eerste vrees die bij me opkomt. Ik mag me niet vervelen, ik moet wat gaan doen. Zo ben ik geconditioneerd al vanaf mijn jongste jaren. Doe wat! Kom van die bank! Ga buiten spelen!

Maar ik wil zo graag lui zijn. Niets doen. Nergens zin in hebben. Niet doen wat anderen van mij verlangen. Ik wil met rust gelaten worden, nadenken of desnoods slapen – ver van de verwarrende wereld.

Ja, me vervelen. Is dat zo erg? Misschien voor anderen die mij liever zien bewegen, bang als ze zijn dat er niets van mij (en de wereld) terecht zal komen.

Jarenlang heb ik geen tijd gehad om me te vervelen. Ik had werk, boeiend werk waarin ik mij geen moment verveelde. Obsessief volgde ik de sportontwikkelingen, geen nieuw inzicht negeerde ik. Toch voelde ik diep van binnen onrust, met vragen als: ben je niet te rusteloos, neem je wel op tijd rust, tijd voor bezinning, zou het niet eens tijd zijn voor meditatie en contemplatie? Is dat nou alles? Zoals de succesvolle oude Vlaamse volkszanger Ivan Heylen mij in een interview in de jaren zeventig toevertrouwde: ‘Hoe ver ben ik nu, wie ben ik nu nog?’

Toen het werk was gedaan, sloeg de leegte toe. Bezetenheid maakte plaats voor leegte. Vrijheid, zo menen velen die niet meer hoeven te werken. Ik wist me geen raad. Ik sloeg mijn vleugels uit, naar alle kanten, maar nergens vonden ze de wind die me naar de paradijselijke vrijheid droeg. Ik zag George Harrison in Living in the Material World (2011) van Martin Scorsese en raakte in vervoering door zijn doorontwikkelde altruïsme dat hij zich door jarenlange meditatie ’s morgens nog voor de zon opkwam in het torentje van zijn Engelse kasteel aanleerde.

Daar zat hij dan in zijn eentje, in zichzelf gekeerd, in- en uitademend, contemplerend, zichzelf ervan doordringend dat niets van hem was. Onthechting vond plaats, zonder dat hij het bewust wilde. Hij zat daar en liet de verveling toe. Hij zag het gebeuren: niets is van mij, alles is van iedereen – hoe ver kun je verwijderd zijn van de samenleving, die begeerte en egocentrisme tot het hoogste goed heeft bestempeld?

Met leegte maakte ik ook kennis in het boek ‘Ongebaande paden – een voetreis dwars door Frankrijk’ (Arbeiderspers, 2016) van Sylvain Tesson. (Lees ook: ‘Zes maanden in de Siberische wouden’). De voettocht van de Franse schrijver voerde, door de zelf opgelegde verplichting dat hij alleen over onverharde wegen mocht lopen, dwars door de ongerepte natuur, over soms nauwelijks begaanbaar terrein en langs barre uithoeken. Een kleine drie maanden later eindigde zijn voetreis aan de noordwestkust van Frankrijk.

Tijdens zijn tocht was hij in de stilte van de bossen en de weiden, op eenzame bergtoppen, wadend door kabbelende beken, slapend in de vrede, hoewel rondom dieren en vogels hem bespiedden. Voorbijgangers, boeren en landlopers keken hem aan, boerenvrouwen boden hem een kop soep aan en soms een duistere slaapplaats als het regende. Verder gebeurde er niets, maar eigenlijk van alles. Hij zag alles wat anderen in die verdwaasde, gestreste wereld niet meer konden zien. In de stilte en de leegte is er meer dan we weten.

Zo zit ik dan weer op mijn meditatiekussen, de wekker op twintig minuten. Soms komt de mountain bell als geroepen, dan weer te vroeg. Net als ik me veilig voel in de leegte en de geluiden om mij heen niet meer als storend ervaar. Er is geen verveling meer. Ik zit, ik wacht niet, ik voel geen plannen of verplichting. Ik voel en hoor mijn ademhaling. Soms een ritseling van blaadjes of diertjes. So what? Hier zit ik en niemand anders, het zijn mijn bewegingen die ik voel. De verveling heeft mij ontdekt en het voelt vredig: er is geen afleiding, niets trekt mij weg van mijn verveling. Er is zelfs geen begeerte. Ik zit en verveel me.

Guus van Holland is vriend van Shambhala Leiden

Deze column is gepubliceerd in de najaarseditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/

 

Vluchten heeft geen zin meer

22 jun

IMG_1653Toen was het stil. Ik hoorde een fluitconcert van vogels, bladeren ritselen, mijn adem en ik hoorde zelfs mijn hart in een rustig, regelmatig ritme kloppen. Weg van het lawaai. Weg van borende en zagende buurmannen. Weg van alarmerende sirenes. Weg van blaffende honden. Weg van redeloos schreeuwende kinderen en hun radeloze ouders.

Ik moest weg, de stilte in, het bos in. Weg van mensen met hun harde stemmen en oorverdovende machines. En zowaar. Van de geluiden die ik ver van de bewoonde wereld aantrof, werd ik niet opstandig. Ze leken me vredig te stemmen. Totdat ik tijdens mijn meditatieve momenten in de natuur merkte dat ik helemaal niet zo rustig was. Er woedde een storm. Er was iets in mij dat me stoorde. Ik was overstuur, in de war gebracht door geest verstorende ervaringen.

Ik liet mijn emoties begaan. Ik liet gedachten komen en voorbijgaan, de vogels de vogels en de bladeren de bladeren. Ik voelde en hoorde iets dat mijn adem kon zijn of mijn hart. Het werd even stil in mij. Er was zoiets als leegte. Een onbestemde beleving.

Ik wilde weg, alweer. Nu weg van de bedreigende leegte en stilte in mij. Weer wilde ik op de vlucht. Maar waar moest ik heen? Ik kon niet anders dan te blijven zitten waar ik zat en me niet te verroeren. Hier zat ik gegijzeld door mezelf en mijn gevoelens. Hier moest ik het meedoen. Dit was ík, dit was niemand anders. Vluchten kon niet meer.

Zo bleef ik een tijdje zitten. Ik voelde mijn benen, voeten, buik, armen, hoofd, ogen, neus, mond, lippen, adem, mijn hart. Tintelingen, prikkels, steekjes, golfjes van onbestemde gevoelens. Ik wilde het gevoel duiden: wat bedoelen ze? Wat gebeurde er allemaal in dit lijf? Wat een sensaties!

De herinnering aan het boek ‘Leer ons stil te zitten’ van Tim Parks (bij voetballiefhebbers bekend van ‘Een seizoen met Hellas Verona’) kwam boven. Ik zocht het op en las: ‘Ochtendgedachten borrelen als luchtbellen omhoog. Ik concentreer me op de adem in mijn neusgaten, op mijn lippen. Alleen door je voortdurend bewust te zijn van je lichaam kun je bruisende gedachten tot rust brengen. Ik maak me niet ongerust als het niet gaat. Het doel is stilte, maar ik verlang er niet naar….. Er is niets mystieks aan. Veel mensen die voor het eerst op Vipassana-retraîte gaan verlangen naar drama, naar een confrontatie met hun demonen, naar onderwerping aan een goeroe. We willen allemaal een nieuw hoofdstuk toevoegen aan het verhaal van ons ik, aan ons eindeloze doorzeuren over hoe we met de wereld omgaan. Daarom gaan zoveel mensen naar India, vermoed ik, om alleen met de ogen dicht op een kussen te zitten. Ze hopen dat de exotische locatie, de gewaden en de vreemde taal intensiteit toevoegen aan het verhaal.’

En: ‘Zodra woorden en gedachten uit het hoofd verbannen zijn, verzwakt ook het ‘ik’. Er is geen verhaal meer dat het ‘ik’ voedt. Wanneer de woorden verdwenen zijn, maakt het niet meer uit waar je bent. Of het morgen of avond is, of je jong of oud bent, man of vrouw, arm of rijk – dat is in de stilte, in het donker, in de kalmte, niet belangrijk. Net als geesten, engelen en goden blijkt ook het ik een idee te zijn dat we bedacht hebben, een verhaal dat we onszelf vertellen. Ik heb taal nodig om te overleven. Woorden scheppen betekenis, betekenis geeft een doel, een doel leidt tot een verhaal. Maar hier is even geen verhaal, geen retoriek, geen bedrog. Hier zijn stilte en aanvaarding; het genot van een ruimte die niet van betekenis doordrenkt hoeft te worden. Door je intens bewust te worden van het lichaam, de adem, het bloed, kun je ‘ik’ laten wegglippen.’

IMG_1655Mijn aandacht was weg. Buiten mijn boshuisje hoorde ik een fluitconcert van vogels, een bromvlieg op zoek naar een plekje waar hij zich rustig voelde. Het zou een oorverdovend lawaai kunnen zijn, waar geen agressieve gitaar van mijn geliefde zielsverwant Neil Young tegenop kon. Het was sensationeel. Ik had mijn rust gevonden, door naar mijn lichaam te luisteren, mijn zintuigen te voelen en simpelweg te aanvaarden.

Dit zou ik thuis kunnen doen: in mezelf keren. Niet vluchten. Leren stil te zitten en te luisteren naar mijn lichaam. Als morgen het lawaai me te veel wordt en ik wil vluchten, ga ik zitten en luister naar mijn lichaam. Probeer ik te voelen. Misschien dringt dan tot me door dat alles buiten mij niet vijandig bedoeld is, niemand iets doet om mij te pesten. Dat alle verstoringen in mezelf huizen. Dat ik alleen de rust in mezelf kan vinden. Door in te zien waarom ik verstoord raak. Dat vluchten geen zin heeft. Dat het monster in mezelf huist. 

Het lawaai zit in mij. 

Net als de rust.

Guus van Holland is vriend van de Shambhala-sangha Leiden

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

 

 

Alles verandert, ik dus ook – elk moment

6 jan

Ineens begon ze te praten, onverwachts. Was dat dan de bedoeling van deze oefening? Ik rekende op een stille ontmoeting met de vrouw die voor me zat, mijn toevallige partner in deze zwijgende dialoog. Dat zou vast en zeker moeilijk worden, vreesde ik: zwijgend diep in de ogen kijken van een vrouw die mij zwijgend diep in de ogen kijkt. Ik voelde de spanning en nam me voor te ontspannen als we elkaar zouden aankijken en observeren.

Ik ademde in en ademde uit. Wat een rust. Plotseling begon ze te praten. Over wat ze dacht en voelde. Ik schrok. Wat nu? Ik praatte automatisch terug en zei dat ik dit niet had verwacht omdat ik me helemaal had ingesteld op zwijgen. Dit was dus verandering, zei ik. Dit was dus waar de oefening over ging. Dat alles verandert, niets hetzelfde blijft, het in elke volgende seconde anders is dan voorheen. Niets blijft, alles verandert, dus ook je zintuigen, je waarneming, je geest, je hersencellen en je houding.

Het deed mij wankelen, mijn houvast was weg. Alsof een zenuwtje geraakt werd toen de vrouw tegenover mij toch iets zei of deed. Een chipje dat in werking werd gesteld, zonder dat ik het wilde, zonder dat ik het verwachtte. Het duurde even voordat ik de verandering had verwerkt. Iets anders, iets nieuws, dat vraagt een andere instelling en vraagt om een reactie. Zo voelde het. Wat wordt er nu (weer) van mij verwacht? Dat kost energie, reageren op verandering.

Ik heb gelezen en gemediteerd over vergankelijkheid, dat ‘alles’ vergankelijk is. Dat boeddhistische monniken door eindeloos mediteren stoïcijns kunnen worden – wetenschappelijk onderzoek heeft dat aangetoond. Dat je kunt leren je in te stellen op verandering.

Ik heb weleens naar een blad aan een boom gekeken en zag dan hoe mooi het was. Toen ik me even omdraaide voor iets anders, om vervolgens snel terug te keren naar het blad aan de boom, was het weg, gevallen of weggewaaid. Weg was al het moois, weg mijn houvast. Ik probeerde de eerste gewaarwording terug te roepen, maar ze was er niet meer. Er kwam plaats voor een andere gewaarwording. Iets nieuws, iets anders, wat minder mooi was, of even mooi, of nog mooier.

Tijdens het afsluitende kringgesprek in deze boeddhistische cursus Insight Dialogue zei ik iets over veranderende inzichten. Dat mensen mij graag vastpinnen op wat ik eerder heb gezegd of beweerd en geschreven, maar dat mijn inzichten voortschrijden en daarom kunnen veranderen: toen dacht ik én zei ik dát, nu ineens dít. En dat mensen mij dan vervolgens verwijten dat ik niet te peilen ben, een opportunist, een draaikont, een man waar je niet op kunt rekenen. Mensen willen graag dat ik ben wie ik was, wat ik dacht en schreef – en dat dat altijd zo zal blijven. ‘Zo kun je nooit zaken doen’, riep een vrouw hard. ‘Dan ben je onbetrouwbaar.’ O?

Ik voelde mijn hart sneller kloppen en de neiging mijn vuisten te ballen. Tintelingen in mijn lichaam, die er daarnet nog niet waren. Koude handen waren nu warm. Ik veranderde van houding. Ontspanning was overgegaan in spanning – ik was veranderd. Van het ene op het andere moment, alleen al doordat iets mij had geprikkeld. Was ik nog mezelf? Wie was ik dan? Wie ben ik nu? Ben ik anders dan voorheen? Is er iets veranderd?

Verward stapte ik na de sessie naar buiten. Het was donker. Toen ik aankwam was het nog licht. De straten zagen er nu anders uit, de bomen ook, maar mijn auto stond op de plek waar ik hem geparkeerd had. Gelukkig maar, dat niet alles verandert. Maar toch, morgen is het waarschijnlijk anders dan vandaag. Ook met mij. Laat ik daar maar op rekenen. Of laat ik het gebeuren? We zien wel.  

Guus van Holland is vriend van de Shambhala-sangha Leiden

Deze column is gepubliceerd op de website van Vrienden van Boeddhisme

Alleen met jezelf zijn, in stilte – hoe doe je dat?

14 jun

‘Wees vriendelijk voor jezelf, voor je beste vriend, voor je vijand en vooral voor alle levende wezens in deze wereld.’ Daar zat ik dan op mijn kussen, op advies van de boeddhistische lerares/non liefdevolle vriendelijkheid overdenkend. Omringd door een twintigtal lotgenoten en gekweld door pijnlijke knieën, een aangespannen rug en een hoofd vol muizenissen. Moest dat nou? Die pijn, dat ongemak om vriendelijkheid in je hart te laten opkomen.

Ik probeerde mee te voelen met mijn lotgenoten. Hadden zij ook pijn, voelden zij zich ook ongemakkelijk? Niets. Het was doodstil, angstwekkend stil. Alle ogen waren gesloten, alle emoties onzichtbaar. Contact, elkaar visueel (laat staan verbaal en fysiek) aanraken, was uit den boze. Er was niemand om mijn vertwijfeling mee te delen.

Bijna vier dagen zwijgen, zittend, lopend, etend, slapend én toiletten schoonmakend. Nooit een groet of een blik van herkenning, nergens externe bevestiging van mijn bestaan. Temidden van lotgenoten alleen contact met mezelf. Met als dieptepunt tijdens een stiltewandeling in de avondschemering de ontmoeting met de lerares, mijn steun en toeverlaat in deze eenzame tijden, die niet de gewenste ontmoeting werd. Zonder op of om te kijken liep de reddende engel voorbij. Het was stil, ontmoedigend stil en eenzaam in het steeds donker wordende bos.

Voorafgaand aan elke meditatie zei mijn reddende engel ons te ontspannen. Niet je best doen, geen inspanning, niets moet. Als je op een stoel wilt zitten, in plaats van in lotushouding, doe je dat. Op een bankje, doe dat. Liggen, doe dat. Wees vriendelijk, spreek je hart toe, luister naar je hart en vraag om vriendelijkheid – voor jezelf en alle anderen.

De afsluitende séance, na bijna vier dagen, luchtte mij op. We mochten elkaar aankijken, ons gezicht tonen, onze ogen, oren en mond. We mochten aan elkaar onze stem laten horen, elkaar onze ogen laten zien. Vrouwen hadden zich opgemaakt, hun haren gekamd, toonden hun favoriete kleding. Smaak werd niet langer verborgen.

Dankbaarheid was het sleutelwoord, hoorde ik in devotie zeggen. Hoezo dankbaar? Obstinaat en oprecht gaf ik ruim baan aan mijn gekwelde ervaringen van de afgelopen dagen, mijn gekwetste ego. Ik had me alleen gevoeld. Niemand die naar me om had gekeken, zelfs mijn reddende engel niet. Hoezo vriendelijkheid? Ik voelde me in de steek gelaten, alleen.

Tekening Jacques de Jong

Tekening Jacques de Jong

Ik had een probleem.

Leven zonder anderen, zonder mensen om je heen. Leven zonder contact, zonder iets te kunnen delen. Dat is geen leven.

Vereenzaming groeit, zo hoor en lees ik én merk ik op. Ouderen trekken zich na hun pensioen, een scheiding of de dood van hun partner terug in hun cocon. Buren weten vaak niet dat ze buren hebben – of het zijn die lawaaiige mensen van hiernaast met hun boren, zagen, grasmaaiers en stinkende barbecues. Jongeren leven in zichzelf gekeerd, samen met hun laptop, iPhone of iPad – de koptelefoon om je af te sluiten van de (lastige) buitenwereld. De televisie is onze beste vriend, wat er ook op wordt vertoond.

Toch is er behoefte aan socialisering, zo wordt beweerd, aan contact en vriendelijker zijn voor elkaar. Dat denderde door mijn hoofd. Ik voelde spanning in mij groeien, in mijn hoofd, in mijn armen en benen, in mijn buik en borst, in en rond mijn hart. Spanning die ik niet kon verdrijven. Wat is dat toch? Nooit gevoeld. Wanhoop. Waar moest ik heen?

Misschien moest ik wel die confrontatie ondergaan? Leren alleen te zijn temidden van anderen. Leren zonder contact zwijgend zitten en zwijgend wandelen, met al die mensen om me heen. Zwijgend (er gewoon) zijn. De lerares probeerde me nog na de eerste wanhopige dag tijdens een korte privésessie gerust te stellen: ‘Je bent er echt wel, ik zie je zitten. Wees vriendelijk voor jezelf, je mag er zijn.’

leer-ons-stil-te-zitten-tim-parks-boek-cover-9789041711687

Nu pas, vijf jaar na lezing van het boek ‘Leer ons stil te zitten’ van de Britse schrijver Tim Parks, drong dan echt de essentie van zijn opgeschreven ervaringen door.

Een citaat: ‘Ochtendgedachten borrelen als luchtbellen omhoog. Ik concentreer me op de adem in mijn neusgaten, op mijn lippen. Alleen door je voortdurend bewust te zijn van je lichaam kun je bruisende gedachten tot rust brengen. Ik maak me niet ongerust als het niet gaat. Het doel is stilte, maar ik verlang er niet naar….. Er is niets mystieks aan. Veel mensen die voor het eerst op Vipassanaretraîte gaan verlangen naar drama, naar een confrontatie met hun demonen, naar onderwerping aan een goeroe. We willen allemaal een nieuw hoofdstuk toevoegen aan het verhaal van ons ik, aan ons eindeloze doorzeuren over hoe we met de wereld omgaan. Daarom gaan zoveel mensen naar India, vermoed ik, om alleen met de ogen dicht op een kussen te zitten. Ze hopen dat de exotische locatie, de gewaden en de vreemde taal intensiteit toevoegen aan het verhaal.’

En: ‘…… zodra woorden en gedachten uit het hoofd verbannen zijn, verzwakt ook het ik. Er is geen verhaal meer dat het ik voedt. Wanneer de woorden verdwenen zijn, maakt het niet meer uit waar je bent. Of het morgen of avond is, of je jong of oud bent, man of vrouw, arm of rijk – dat is in de stilte, in het donker, in de kalmte, niet belangrijk. Net als geesten, engelen en goden blijkt ook het ik een idee te zijn dat we bedacht hebben, een verhaal dat we onszelf vertellen. Ik heb taal nodig om te overleven. Woorden scheppen betekenis, betekenis geeft een doel, een doel leidt tot een verhaal. Maar hier is even geen verhaal, geen retoriek, geen bedrog. Hier zijn stilte en aanvaarding; het genot van een ruimte die niet van betekenis doordrenkt hoeft te worden. Door je intens bewust te worden van het lichaam, de adem, het bloed, kun je ‘ik’ laten wegglippen.’

http://www.theguardian.com/lifeandstyle/2014/aug/30/meditation-mindfulness-tim-parks-more-than-medicine

En dat schrijft en ervoer Tim Parks, die ik nota bene voorheen alleen kende van zijn voetbalbelevenissen in ‘Een seizoen met Hellas Verona.’

Foto: Alex Macnaughton/Rex

Foto: Alex Macnaughton/Rex

Verder met mijn verhaal: alleen kunnen zijn dus. Misschien is dat wat mensen kwelt, bang alleen te zijn, bang in de steek gelaten te worden. Misschien kun je best alleen zijn (los van ziek en gehandicapt zijn), in stilte met jezelf, maar ben je het niet gewend. Sinds je geboorte weet je nauwelijks wat het is alleen te zijn. Een heel leven mensen om je heen werkt verslavend. Bij mij wel, zo is gebleken.

En nu verder, met Inside Dialogue.

Deze column is in verkorte vorm gepubliceerd in de zomereditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Pijn leren lezen

21 mrt

Voortdurend hoor ik schreeuwen en schelden om mij heen. Het is vermoedelijk pijn die uit de diepste lagen van een menselijk lichaam komt. Pijn die niet meer is te verdragen. Pijn die ontploft. Pijn die zijn uitweg vindt met schreeuwen, schelden en anderen pijn doen. Ik voel het om me heen. Ik voel het in mezelf wanneer ik schreeuw en scheld, me niet meer kan beheersen. Woede. Dat ik boos ben omdat ik de pijn in mezelf maar niet kan vernietigen. Die machteloosheid.

Die zielenpijn, dat is voor mij lijden. Omdat ik niet krijg waarnaar ik verlang. Ik ben niet ziek, ik slik geen medicijnen, ik lijd vooral aan ontevredenheid. Ik heb geen vrede met mezelf. Ik wil meer zijn, ik wil beter zijn, beter dan een ander. De beste zijn. Als ik mezelf aan anderen spiegel, word ik geconfronteerd met mezelf, met de door mij gevreesde fouten en gebreken. Dan voel ik me minder. En dat doet pijn.

Ik vermoed dat veel anderen aan dezelfde pijn lijden. Niet bij iedereen is dat bij de eerste aanblik te zien. De een draagt een glimlach als masker, de ander trekt zich terug in zijn cocon, op zijn werkkamer of duikt weg achter zijn computer of onder zijn dekbed. Weer anderen drinken en roken alsof de duivel hen op de hielen zit – los van het feit of mensen ‘echt ziek’ zijn of lichamelijk dan wel geestelijk beperkt.

Ik kijk om me heen en zie verkrampte gezichten, boze en angstige blikken van gepijnigde mensen. Mensen die op het punt staan in schreeuwen en schelden uit te barsten, mensen die bij het minste onrecht tot in het diepst van hun ziel worden geraakt. Ze kunnen de druk niet meer aan, onderdrukt als ze zich voelen. De spanning loopt op. De angst om niet meer mee te kunnen en overgeslagen te worden. Lees Twitter, lees Facebook, luister op straat en kijk televisie. Verongelijktheid heerst. Pijn is overal.

everyone
Diepe indruk maakte op mij het interview met schrijver Arthur Japin in het tv-programma Adieu God? Japin sprak tegenover Tijs van den Brink over zijn trauma’s. Als jongen was hij op straat en op school zowel verbaal als fysiek mishandeld. In zijn gezin was geweld. Hij voelde zich nooit veilig. Japin zei dat hij in zijn jeugd met geweld en kwetsing een zintuig heeft ontwikkeld dat hem in staat stelt te voelen wie pijn heeft. Hij heeft pijn leren lezen. ,,Als er iets totaal misgaat, moet je bij mij zijn. Daar krijg ik energie van.’’

Japin oefende in liefde geven. Als hij in een tram zat en een paar rijen voor hem een man zag die ogenschijnlijk pijn had, schonk hij liefde: ,,Gewoon in mijn gedachten zei ik: ik zie je, ik voel met je mee, ik ben er voor je.’’ Hij had geen idee of de man er wat aan had. ,,Maar ik voelde me er beter bij. Dat is liefde.’’

Pijn gewaar zijn, bij jezelf maar zeker ook bij anderen, biedt perspectief. Hoop. Door de pijn met liefde te beantwoorden. Niet te bestrijden, niet bang zijn. Durven voelen waar de pijn zit, waar hij vandaan komt. En hem dan begroeten. ‘Ha, pijn, ben je daar weer.’ ‘Ha, verongelijktheid.’ ‘Ha, begeerte, moet je weer zo nodig!’ Mijn ontdekking lijkt een beetje op wat Japin gewaar werd. Als je je eigen pijn voelt, voel je eerder de pijn in een ander. Dan is de volgende stap sneller gemaakt: liefde geven.

Wat zou het mooi zijn als mensen, als politici, gezagsdragers, opinieleiders, journalisten zich écht verdiepen in de alom heersende pijn. Als ze gaan beseffen waaraan mensen werkelijk lijden, diep van binnen. Dat iedereen lijdt aan ontevredenheid, te veel spanning of onverwerkte (verdrongen) pijn uit zijn jeugd. Dat velen zich verongelijkt voelen door te weinig aandacht, te weinig liefde en te veel begeerte.

Met mensen verkeren, over straat lopen, in de trein, de tram of de bus zitten en dan proberen te voelen waarom ze boos kijken. Niet terugschreeuwen, niet terugschelden, gewoon je wapens laten vallen. Is dat een goed idee?

Guus van Holland is vriend en bestuurslid van Shambhala Leiden

Deze column is eerder gepubliceerd op http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

%d bloggers liken dit: