Archief | Uncategorized RSS feed for this section

Boeddhisme gaf psycholoog Han de Wit wél antwoorden

23 jul

Han F. de Wit is een van de bekendste Nederlandse boeddhistische leraren, een geliefd spreker en veelgelezen schrijver over boeddhistische spiritualiteit. Hij is opgeleid door de vermaarde Tibetaanse dharmaleraar Chögyam Trungpa en auteur van onder meer de bestseller ‘De Verborgen Bloei: Over de psychologische achtergronden van spiritualiteit’

Han-de-Wit-tv-kijk-op-2016-bodhitv

Han de Wit (Foto Boeddhistisch Dagblad)

Je wist maar nooit, zo meende de leergierige De Wit (nu 75 jaar) in zijn zoektocht naar diepere lagen van de menselijke geest. Bij de psychologie, die hem in zijn middelbare schooltijd meer dan de daar verplichte leerstof in haar greep had gekregen, hield het op waar De Wit juist meer verwachtte. Tijdens zijn strandwandelingen, bijvoorbeeld, meende hij een verschil in beleving te zien. De ene keer voelde hij vrijheid, kijkend naar hoe de meeuwen boven het strand en de duinen vlogen. De andere keer voelde hij eenzaamheid en leken de meeuwen zich anders te gedragen, zwevend op de telkens veranderende heersende thermiek. ,,Dat heeft vast met de psyche te maken, die elke keer anders is”, vermoedde de jonge levenskunstenaar. ,,Waarom lees en leer ik daar niets over in de psychologie?”Nu, veertig jaar later, weet de boeddhistische leraar (Acharya) en grondlegger van de contemplatieve psychologie Han de Wit, dat psychologie destijds over behaviorisme ging, over menselijk gedrag. ,,Omdat je niet in andermans hoofd kan kijken onderzoekt deze gedragspsychologie wat je bij mensen kan observeren. De onderzoeker en zijn object zijn dan onafhankelijk van elkaar. Dat is nodig voor betrouwbaar onderzoek. Als je je eigen geest wilt onderzoeken is dat niet zo, dus zijn ook de resultaten niet betrouwbaar, niet objectief, zo dacht men. Dat ging dus niet over de individuele beleving. Terwijl ik toch aan het strand elke keer iets anders had beleefd. Ik dacht: je kan je gedachten waarnemen en je kan over je waarnemingen denken. Dat zijn dus duidelijk twee verschillende zaken, die wel onafhankelijk van elkaar zijn. Dan moet onderzoek van je eigen geest toch mogelijk zijn.”

Laten we voorop stellen dat De Wit niet de eerste en enige was die ‘verder’ dacht dan de toen heersende opvattingen over de psychologie. Hij verwijst naar Wilhelm Wundt, in de negentiende eeuw een van de grondleggers van de experimentele psychologie. Een Duitse filosoof, fysioloog en psycholoog. ,,Hij kreeg destijds geen voet aan de grond, vooral omdat hij geen effectieve methode had kunnen vinden om de beweging van je eigen geest waar te nemen. Anderen zeiden daarom: stop er maar mee, onzin. Daar kwam nog bij dat religie, laat staan spiritualiteit in de wetenschap van die tijd, taboe was.”

Maar Han liet zich niet uit het veld slaan en besloot buiten de gebaande paden van de psychologie op onderzoek uit te gaan. Au Bout du Monde, zo heette het winkeltje in Amsterdam, waar je als wetenschapper niet hoorde te komen maar waar psycholoog Han de Wit begin jaren zeventig toch eens ging neuzen – eigenwijs als hij was.
Te midden van boeken over Ufo’s, macrobiotiek, bewustzijnsverruiming en andere ongrijpbare verschijnselen waar vooral hippies belang in stelden, vond de jonge De Wit een paar boekjes over boeddhisme, waaronder Cutting through spiritual materialism (jaren later vertaald als ‘Spiritueel materialisme doorsnijden’) van ene Chögyam Trungpa Rinpoche, een Tibetaans boeddhistische leraar die in 1959 zijn land ontvluchtte, in Engeland kunst, filosofie en vergelijkende godsdienstwetenschappen studeerde, in Schotland een klooster begon en uiteindelijk in Amerika de Shambhala-stroming stichtte, boeddhisme gestoeld op Westerse beleving.

De Wit werd meteen geraakt door het boek van Trungpa. Hij besefte dat boeddhistische meditatie de vorm van onderzoek was waar hij naar op zoek was. Hij schreef een brief naar Trungpa, die intussen in Amerika was beland. Open, zoals hij was, werd hem gedurende deze periode van bezinning en ontdekking tijdens een bezoek aan Nederland van de Gyalwa Karmapa (hoofd van de Tibetaanse Karma Kagyü-stroming) door een van diens monniken een methode (meditatie) aangereikt. ,,Hij tekende een Tibetaanse letter A op een papiertje en raadde me aan dat op een muur te plakken, er tegenover te gaan zitten en daar mijn aandacht op te richten: zodra je merkt dat je in gedachten bent geraakt richt je je aandacht weer op die letter. Het was niet anders dan wat ik later leerde: je aandacht op de adem te richten. Dat ging ik doen. En wat ik langzaamaan ervoer, was dat ik op het moment van wakker worden uit de bevangenheid van mijn gedachten, deze gedachten scherper begon te zien. Dat leverde mij een steeds helderder inzicht op: ik leerde de beweging van mijn gedachtewereld kennen, ik leerde mijn geest kennen. Het maakte voor mij het verschil: in gedachten zijn en in gedachten zien. Het was een bijzondere gewaarwording, en meer dan de studie psychologie mij verschafte.”

handewit-243x300

Foto Shambhala Nederland

Vanaf pakweg 1974 legde De Wit zich toe op meditatie, zelfonderzoek, wat de officiële psychologie hem niet kon leren. Zitten, je bewust worden van de stroom van gedachten en ontdekken waarom en hoe diep je geloof hecht aan de gedachten, waardoor je bent geworden wie je denkt dat je bent.

Trungpa-w.-Vajra-Naropa-70s-web-e1506199624853

Chögyam Trungpa Rinpoche

Eén hoofdstuk in het boek van Trungpa sloeg hij liever over: de goeroe. ,,Dat was niet voor mij. Ik ben geen volger. Dat is voor mensen die een vader zoeken. Toch wilde ik wel meer weten van Trungpa, de man die mij geraakt had. Ik schreef hem een brief. Een paar maanden later kwam het antwoord: hij wilde wel met mij werken als ik naar Amerika kwam.”

Han onderhandelde met zijn werkgever, de Universiteit van Amsterdam, en ging naar de Verenigde Staten van Amerika voor een ontmoeting met Trungpa. In New York. Hij schrok toen hij de man ontmoette. ,,Hij deed me denken aan een pad. Hij was dik, en ook nog half verlamd geraakt door een verkeersongeluk in Schotland, waar hij een feestwinkel, nota bene, was binnengereden. Hij kon nauwelijks praten, hees, met een hoge stem. Kortom, geen man van wie ik dacht wijsheid te ontvangen. Hij vond het raadzaam dat ik naar Karmê Chöling in Vermont zou gaan. Ik ging om daar verder onderzoek te doen, in de vorm van intensieve meditatie en studie.”

Alles wat op dat gebied door dit centrum geboden werd, deed Han. Onderzoek, studie, mediteren, de ene keer een week, de andere keer een maand. Een paar keer in de anderhalf jaar dat hij daar vertoefde kwam Trungpa op bezoek. Dan was er gelegenheid om een individueel onderhoud met hem te vragen. Dat deed Han, zoals iedereen daar. Maar hij kreeg zo’n onderhoud steeds maar niet, anderen wel. Dan deed hij maar een week van mediatie, of een maand, en verdere studie van de boeddhistische leer, alles wat het programma aanbood. ,,Ik deed dat niet om een voorbeeldige leerling te zijn, maar omdat ik daar nu eenmaal toch was en mijn tijd zo goed mogelijk wilde benutten, in afwachting tot hij, zoals beloofd, met mij zou gaan werken.”

Uiteindelijk was zijn onderzoek in Amerika voorbij en moest hij besluiten of hij terug zou gaan naar zijn werkplek aan de universiteit. Omdat hij al die tijd geen onderhoud met Trungpa had gekregen, wist hij niet goed wat te doen. Mede omdat ‘Amsterdam’ weleens wilde weten waar het aan toe was, meldde hij zich bij Trungpa. Bij de laatste gelegenheid dat hij Trungpa in Karmê Chöling kon zien, kwam hij hem tegen op de trap en vroeg hem wat te doen. ,,Hij lachte, stompte me speels in mijn maag en zei: ‘It was a jolly good show, too bad you were so greedy. Now go back to your country and make people sit and teach them the Dharma, the Hinayana, the Mahayana and so on.’ Al die tijd had hij mij, zo voelde dat toen, laten bungelen, maar ik deed natuurlijk in feite precies wat hij wilde dat ik deed. Dat was dus wat hij bedoelde met ‘met mij werken’. En de jaren daarna kon ik altijd met hem spreken als ik daarom verzocht.”

poetry Trungpa

Trungpa leest een gedicht voor, naast hem de dichters Allen Ginsberg en William S. Burroughs

De Wit ging terug naar Nederland, met zes matrassen en zes zitkussens in geel en rood, en opende op advies van Trungpa een mediatiecentrum in zijn huis in Amsterdam-Zuid; iedereen was er welkom. Dankzij een beetje reclame breidde het gezelschap zich uit en de missie die Trungpa wilde uitdragen kwam op die manier in Nederland terecht – een op de westerse cultuur gebaseerde vorm van Tibetaans boeddhisme. Dat leidde tot de Shambhala-centra die we nu in Nederland hebben.

Wat Han zo aansprak in Trungpa, was dat hij zich als een ‘normaal’ mens gedroeg. Hij meende zijn veronderstelde heiligheid af te moeten leggen door letterlijk en figuurlijk zijn monnikspij uit te trekken en zich te kleden zoals zijn leerlingen: hier ben ik, net zoals jullie. ,,De leraar moet het leven leiden van zijn leerlingen. Als hij dat doet kan hij dichtbij hen komen, hun verwarring, geestelijke blindheid en hardvochtigheid goed zien en helpen die te transformeren tot wijsheid, inzicht en compassie.”

Dat was ook wat De Wit fascineerde: ,,Trungpa en zijn boeddhistische onderricht waren recht voor z’n raap, er was niets heilig aan hem. Sterker nog: de levensstijl van seks, drank en rock ’n roll deelde hij met zijn eerste hippiestudenten. Privacy had hij niet en vond hij voor zichzelf ook niet belangrijk. Zijn leerlingen kwamen bij hem thuis tot in zijn slaapkamer, dronken met hem en vrouwen die dat wilden deelden het bed met hem. Het waren de jaren zeventig, er was vrijheid. Hij keek niet neer op de mensen die naar hem luisterden en zijn visie op het leven wilden delen.”

Zijn zoon Sakyong Mipham, die Trungpa opvolgde na zijn dood, is nu omstreden omdat is uitgekomen hoe hij in zijn jongere jaren omging met vrouwen en drank en hoe hij en de mensen om hem heen dat vele jaren verborgen hebben gehouden. ,,Anders dan zijn vader, die in een andere tijd leefde – zonder de me too-discussie – heeft de Sakyong zich juist van de buitenwereld afgeschermd. En anders dan zijn vader, is hij introvert en van nature verlegen. Trungpa was extravert, open en nieuwsgierig naar alles en had geen privéleven: iedereen wist wat hij deed en dat hij van een borrel hield. Hij creëerde een soort hofhouding waarin zijn studenten wat meer konden doen dan zo’n beetje om hem heen hangen. Je kon als je dat wilde, op die manier deel uitmaken van zijn leven thuis door voor hem en zijn vrouw te koken, huishoudelijke dingen te doen of de hond uit te laten. De Sakyong is zijn hofhouding toch anders gaan gebruiken, zoals velen dachten om zijn privéleven met zijn vrouw en kinderen te beschermen. Maar dat er in het verleden, voordat hij trouwde, achter die bescherming iets school, wist ik niet. Dat wist alleen zijn naaste hofhouding. En toen dat, nu jaren later, toch bekend werd, heeft dat de Shambhala-gemeenschap diep geschokt en verward.”

Want hoe verhouden de Sakyong’s menszijn en zijn leraarschap zich tot elkaar? De Wit haalt een regel van Benedictus, algemeen beschouwd als de vader van het christelijke kloosterleven aan: ,,‘Doe wat de abt zegt, niet wat hij doet.’ Dat wil zeggen: wat ik als abt te vertellen heb, is misschien niet altijd wat ik zelf doe. Hoe zien we dat? Als een chirurg mij opereert, kan het best zijn dat hij zich in zijn privéleven misdraagt, maar hij maakt mij wel weer gezond. Dat de Sakyong een briljant leraar is, staat niet alleen voor mij buiten kijf. Maar dat betekent niet dat ik wangedrag tegen dat feit wegschrap.”

De Wit hoedt zich – als een boeddhist – voor een zwart-wit oordeel. ,,Ik kan niet zeggen dat mij niet misbruik van mijn positie als boeddhistisch leraar had kunnen overkomen. Want makkelijk is het niet om met zo’n positie je verstand er altijd bij te houden. Het is ook een kwestie van hormonen. Iedere man of vrouw is anders. Laat ik het zo zeggen: ik ben er gelukkig misschien te schijterig voor. Of eigenlijk: het leed zou te groot zijn voor mij en voor de mensen die vertrouwen in mij stellen als spiritueel leraar. Los daarvan ben ik in de veertig jaar van mijn leraarschap niet zo vaak als Trungpa of de Sakyong in de gelegenheid geweest.”

Het zit hem meer in de relatie leraar-leerling, meent Han de Wit. ,,Kijk je als leerling tegen de leraar op, bewonder je hem, zie je hem als een volmaakt mens, als heilige en is alleen een volmaakt mens goed genoeg voor jou als (niet-volmaakte) leerling, dan vraag je om moeilijkheden. En als je alleen een leraar wilt die spiritueel gelijk is aan jou, dan valt er niets te leren.”

Die visie op leraarschap is wat hem zo aanspreekt in het Shambhala-boeddhisme zoals Trungpa dat wilde uitdragen. Met liefde, altijd weer die liefde, keert hij terug naar Trungpa, de man die hem de weg heeft gewezen. Pas op, hij zal diens zoon Sakyong niet afwijzen. Maar het was Trungpa, die hem in New York ontving, naar hem luisterde, hem liet bungelen en daarna opdroeg om een meditatiecentrum in Nederland te beginnen.

Han de Wit is in de twaalf jaar dat Trungpa zijn spirituele mentor is geweest ook Trungpa’s kusung (verzorger) geweest. Omdat Trungpa vanwege zijn lichamelijke beperkingen hulp behoefde. Wat hem daarbij steeds opviel was Trungpa’s meditatieve gedrag, dat hij overigens ook bij de Sakyong opmerkte. ,,Kijken om te zien hoe iemand iets doet, kan zoveel uitdrukken. Dat zegt zoveel over een mens. Zelfs in zijn enorme lichamelijke beperktheid zag ik hoe Trungpa een kopje opnam, het naar zijn mond bracht en dronk. Dat heb ik trouwens ook bij de Sakyong gezien. Ze zitten als een rots, stevig en doordrongen van wat ze doen, maar tegelijk zacht en gevoelig. Meditatief, zoiets. Dat is een vorm van Dharma-onderricht die me steeds weer laat zien waar het pad van de Boeddha uiteindelijk om gaat. Dat vind ik prachtig en vervult me met vreugde.”

Han F. de Wit is een van de bekendste Nederlandse boeddhistische leraren, een geliefd spreker en veelgelezen schrijver over boeddhistische spiritualiteit. Hij is opgeleid door de vermaarde Tibetaanse dharmaleraar Chögyam Trungpa en auteur van onder meer de bestseller ‘De Verborgen Bloei: Over de psychologische achtergronden van spiritualiteit’ (Ten Have, 2010, 13e druk) en ‘De Lotus en de Roos: Boeddhisme in dialoog met psychologie, godsdienst en ethiek’ (Ten Have, 2016, 7e, geheel herziene druk), ‘Het open veld van de ervaring. De Boeddha over inzicht, compassie en levensgeluk’ (Ten Have, 2009, 2e druk). ‘Wijsheid in emotie’ (Ten Have 2014, 2e druk). Zijn meest recente boek is ‘Boeddhisme voor denkers, dat hij samen schreef met Jeroen Hopster (Ten Have, 2014) Hij is als Acharya verbonden aan Shambhala International.

Dit interview is gepubliceerd op de zomereditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Mediteren en schrijven zonder doel, dat moet mogelijk zijn

17 jul

Boeddha Speuld

Ga gewoon zitten en schrijf, hoor ik een stemmetje in mijn hoofd. Dan zie ik wel wat er komt, mogelijk iets recht uit mijn hart. Gewoon wat op dit moment in mij leeft. Zoiets als de twijfels of ik wel een bijzonder, lezenswaardig, stukje ga schrijven dan wel volslagen onzin.

Het is als de manier waarop ik zou moeten mediteren. Niet gaan zitten met verwachtingen, hopend iets te ontdekken in mijn hoofd, mijn hart of waar ook in mijn lichaam dat ik niet eerder heb ervaren. Zitten (schrijvend of mediterend) zonder een echt doel. Voetballen zonder een doelpunt te hoeven maken. Er alleen maar zijn en zien wat ervan komt.

Zoals het mij al een decennium vrijwel dagelijks tijdens mijn meditatiezitting vergaat, zo verging het mij bijna een halve eeuw als beroepsschrijver (dan wel schrijvend journalist). Een handeling met een doel, in de hoop aan (bepaalde) verwachtingen te beantwoorden of toch zeker er profijt van te trekken – zodat op z’n minst mijn ego groter wordt.

Deze overeenkomst komt bij mij boven terwijl ik ben nu begonnen met schrijven. Gaan zitten alsof je begint met mediteren en schrijf. Zie maar wat er opkomt. Focus op je vingers die (onbewust of bewust) letters op het toetsenbord raken. Laat woorden zich aandienen zoals gedachten tijdens het mediteren. Laat ze komen, zonder er verder over na te denken. Ze zijn gekomen en staan nu zomaar op het beeldscherm, gestuurd door impuls.

Was het maar als schrijver (schrijvende journalist) zo’n feest geweest. Ik heb het idee dat ik heel vaak heb geschreven met een doel. Om te voldoen aan verwachtingen van de hoofdredacteur, de chef, de lezers en anderen. Of iets anders te schrijven: ik doe lekker niet wat anderen willen. Maar ook dat is dus met een doel.

Zo is het mij ongeveer net zo met mediteren vergaan. Ik bedoel dan de overeenkomst met verwachtingen en hoop op respons. Niet dat ik anderen wilde plezieren of provoceren, maar het op een kussen gaan zitten met een doel. Al die jaren was ik bezig aan mijn meditatie te sleutelen. Dan weer las ik dat het zo moest, dan weer zus. Of ik luisterde naar de adviezen van ervaren boeddhisten en meditatie-instructeurs: zit zus, zit zo, zit comfortabel, focus op je adem, laat gedachten komen en gaan, zit zonder doel en zie wat er gebeurt. Of, de mooiste die ik ooit las, van wijlen mijn leraar Chögyam Trungpa Ripoche: verveel je!

Het lukte maar niet.

Dan las of hoorde ik weer van anderen dat ze wél veranderingen bij zichzelf hadden waargenomen. Waakzamer, rustiger, geduldiger, vriendelijker of weet ik wat voor vrediger stemming. Ze zagen meer of iets wat ze nog niet eerder hadden waargenomen. Hadden zij dan (wél) een doel voor ogen gehad? Nee, ze waren gewoon gaan zitten, nauwelijks langer of vaker dan ik. Ze hadden gewoon ervaren wat er (bij toeval?) in hen op was gekomen, wat hun was toebedeeld.

test ricard

Mathieu Ricard ondergaat testen in het Max Planck Instituut in Leipzig

Ik wist het al: hersens zijn flexibel. Hersencellen verbinden zich met elkaar door training; synapsen vinden elkaar door ‘beoefening’, zoals dat in boeddhisme wordt genoemd. Kortom: je kunt veranderen door meditatie. Mathieu Ricard, een boeddhistische monnik en rechterhand van de Dalai Lama, die al meer dan veertig jaar intens mediteert, onderging testen aan het Max Planck Instituut in Leipzig onder leiding van directeur Sociale Neurowetenschappen Tania Singer. En daaruit bleek dat wel degelijk verandering is opgetreden en tijdens meditatie of bepaalde gedachten (zoals altruïsme) iets gebeurt in de hersens. En niet alleen bij hem. Meer monniken en mensen die al enige tijd mediteren, overkomt hetzelfde. Lees bijvoorbeeld twee recente boeken: ‘Het no-nonsense meditatieboek – over hoe bewust zijn je mentale en fysieke gezondheid kan versterken’ van neuroloog Steven Laureys (met medewerking van Mathieu Ricard) en ‘Een kleine meditatiegids’ van zenboeddhist Tom Hannes.

Misschien zijn ze gewoon gaan zitten, zonder doel. Misschien niet. Maar, wat moet ik nou? Misschien ben ik toch iets veranderd, maar merk ik er te weinig van – minder dan ik verwachtte (begeerte?). Wel denk ik meer te voelen.

Er is meer dan ik jarenlang heb gevoeld, meer dan de bovenlaag, meer dan ik ooit heb toe willen geven. Dat er meer is dan de buitenkant. Van binnen huist een mens die lang verborgen is gebleven. Kwetsbaarheid, onzekerheid en angst. De vrees om afgewezen te worden, dat mijn stukjes ondermaats of onzinnig gevonden worden. De vrees voor de realiteit. Door meditatie en spontaan geschreven stukjes leer ik de realiteit zien. Dit ben ik echt, helemaal, van onder tot boven, van buiten en van binnen. Een écht mens.

De auteur is vriend van Shambhala Leiden

Deze column is gepubliceerd op de zomereditie van de website van het Vrienden van het Boeddhisme (http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/)

Joop Hueting ontkende veel effecten van doping

19 nov

hueting_je

Zou er nog iemand nog weten dat de vorige week op 91-jarige leeftijd overleden prof. dr. Joop Hueting (hij werd bekend als klokkenluider van de gewelddadige Nederlandse invloed in Indië) veelvuldig onderzoek deed naar het effect van doping, zoals amfetaminen, coffeïne, ACTH, anabole steroïden et cetera?

Hij deed dat in de jaren zeventig en tachtig onder meer met de vorig jaar overleden Hein Verbruggen, die als wielersportleider krampachtig op zoek was naar een manier om het gebruik van dope tegen te gaan, én met een aantal zeer bekende Nederlandse wielrenners (vooral van de PDM-ploeg onder leiding van Jan Gisbers die graag de grenzen op zocht, zo vertelde hij mij weleens).

Dat moest, begreep ik van Verbruggen toen hij mij daarover nogal vermanend onderhield naar aanleiding van een citaat van PDM-renner Peter Stevenhaagen in een door mij gepubliceerd interview in De Volkskrant, geheim blijven voordat er ‘indianenverhalen’ verschenen. ‘Guus, begrijp je dat dan niet!?’ Dat begreep ik onmiddellijk. Dat maakte Verbruggen verdacht, meende ik in eerste aanleg ook. Zó woedend kon toch geen mens tegen mij (of over mijn artikel) zijn?

Mijn primaire afweer kwam boven. Bijna tegelijkertijd openbaarde zich de nuance in mijn mening over doping – en wilde ik Verbruggen leren begrijpen. Wat is er hier aan de hand. Waarom? Waarom die woede? Wat nog te doen om doping te voorkomen of te bestraffen? Voorlichting? Ontkenning? Verbruggen zocht en vond de vreemdste uitwegen, die nogal tot wat agressie en aanvallen jegens zijn gedrag leidden. Hij moest wat, tot aan zijn dood (voorjaar 2017) toe.

‘Guus, wat vind jij? Mensen doen alles om zich te verbeteren en zichzelf te bevestigen. Wat moet ik dan, als wereldsportleider? Als de man die weet hoe mensen zich moeten gedragen. Wat doen ze? Wat willen ze? Ik doe mee, ik buig mee, ik wil begrijpen en toch moet ik spelregels, zelfs straffen, verzinnen om de sport gezond te laten verlopen en populair te houden. Sterker: om iedereen te vriend te houden. Alle partijen, iedereen heeft zijn behoeftes. Net zoals jij en ik’.

Zo liet hij zich ontvallen een paar maanden voor zijn dood. Het was een indringende, moeizame sessie, tussen een man die de dood zag naderen en een man die (zo had Verbruggen in de loop van onze vriendschap begrepen) altijd zoekende was, van taoïsme tot boeddhisme, van doping tot niet-doping. ‘Ik probeer iedereen zijn mening en belangen te respecteren. Wat kun je meer?’

En toen dronk Hein een half jaar voor zijn dood zijn glas Cola Light leeg. Op de Veluwe, vlak voor mij, aan de andere kant van de tafel. Het was mooi en verhelderend. Joop Hueting kwam nog ter sprake. Tja, zei Hein, ook een man die zijn weg probeerde te vinden tussen het gelijk en het ongelijk.

Onder de kop ‘Doping bestaat niet’ had Hueting jaren eerder al in een interview met De Volkskrant voor nogal wat commotie in de sportwereld gezorgd. Hij (hoogleraar experimentele psychologie in Brussel) onderzocht onder meer de effecten van amfetamine en ACTH (een soort neurotransmitter, althans met een soortgelijke werking) en zag daarvan geen effect bij beroepswielrenners. Hueting werd daarin min of meer gesteund door Harm Kuipers.

Ik heb nooit meer iets (op een serieuze verwijzing na van de goed ingevoerde en zich verdiepende Vlaamse sportjournalist Hans Vandeweghe in zijn boek ‘Wie gelooft de renners nog?’) van dit onderzoek vernomen, laat staan dat er in de talrijke necrologieën van Hueting aan werd gerefereerd. Ik noem het niet noemen van Hueting door alle media als belangrijke dopingonderzoeker een omissie. Want Hueting beweerde nogal wat in het kader van de opwinding over doping. Binnenkort dan maar in een boek. Het boek komt er aan, zo vernam ik van mensen die de materie deskundig en wél van nabij volgen.

Voelen dat er meer is dan het monotone dagelijks leven

7 jun

Floodlights

Uit april 2016, over Instinct

Wanneer ik ’s avonds een dorp passeer word ik altijd getroffen door lichtbundels, die ergens boven de huizen schijnen. Aangetrokken als door een magneet voel ik het: daar is een sportpark. Ik kan de lichtbundels in de verte niet negeren. Zo vergaat het mij ook wanneer ik in een vliegtuig zit en me klaar moet maken voor de landing. Zwevend door de lucht zoek ik onbewust naar een stadion. Ik zie lichtmasten, ik zie ronde gebouwen met een gat erin: ja, dat is een stadion! Van welke club zou hij zijn? En dan speur ik mijn herinneringen af. Ja, inderdaad dat moet dát stadion zijn.

Hoewel ik mij steeds meer afwend van voetbal in het bijzonder en sport in het algemeen, krijg ik die aantrekkingskracht na 40 jaar sportjournalistiek niet uit mijn systeem. Noem het mijn instinct, mijn zesde zintuig, voelen dat er iets is, dat het mij iets oplevert wat ik vroeger zo innig heb beleefd. Vroeger was het vooral nieuws, nu nog steeds dat er wordt gesport.

Een stadion oefent aantrekkingskracht uit. Het is een plaats waar mensen met elkaar willen zijn om samen te geloven in het aanstaande geluk. ‘Wat hebben de mensen nog naast dat voetbal?’, vroeg predikant en (Ajax)voetballiefhebber Klaas Vos zich laatst in de Volkskrant af. ‘Niks. Dat is eng. Net als mensen die de hele week alleen de kerk hebben. Dat wordt ook van niemand gevraagd. Neem eens een break in de tijd, door even op te houden. Neem ruimte voor de leegte.’

Leegte schept ruimte, biedt openingen. Maar mogelijk is het de ruimte die mensen angst inboezemt. Liever houden ze zich vast aan amusement, aan sport en dan vooral aan voetbal. De Groningse mediasocioloog Peter Hofstede zei: ‘Aan de voetbalgekte kun je zien hoe huiveringwekkend het vacuüm is waarin de mensheid verzeild is geraakt. De verbondenheid met collectiviteiten die vroeger hun eigen normen en waarden hadden en een stempel zetten op de manier van leven is zeer gering geworden. Niettemin moet er een formule zijn waardoor je kunt belijden dat je toch ergens bij hoort, want anders ben je nergens.’

Samen toekijken, genieten, schelden, lijden. Als het niet in een stadion is, dan in een café met een ultragroot beeldscherm of thuis met de knop ‘stadionvolume’ voluit. Bij voorkeur samen, ondergedompeld in de anonimiteit van het collectief. Daarin kun je sneller en heviger je emoties uiten dan in het normale leven. Je als individu uiten maakt je kwetsbaar. Voordat je het weet heb je een knal voor je kop.

Gumbrecht

Hans Ulrich Gumbrecht

Misschien is het wel instinct dat ons naar een stadion drijft. De Duits-Amerikaanse filosoof/socioloog Hans Ulrich Gumbrecht schrijft in Lof van de Sport: ‘Waar het in de sport om gaat, is dat je erbij bent op het moment dat het gebeurt, het feitelijke moment dat in jouw directe aanwezigheid bepaalde lichamelijke vormen ontstaan.’ Als er zoveel aandacht naar sport uitgaat moet ik er wel bij zijn om mee te tellen.

Mijn dilemma als sportliefhebber ontstond toen mij als sportjournalist werd verweten dat ik ‘dom’ en ‘onnozel’ was omdat ik schreef over sport. Aan de ene kant was er mijn liefde voor sport, aan de andere kant was er die aandrift bij de ‘wijze’ mensen te horen. De mensen die vanuit hun intellect meenden dat je je niet met aardse activiteiten als sport dient bezig te houden. Je moest studeren, professor worden in de ‘hogere’ wetenschappen.

Waar wilde ik bij horen? Ik weet het nog steeds niet. Mijn dilemma heeft me ertoe gebracht dat ik mij voor de achtergronden van sport ben gaan interesseren. Waartoe dient sport? Zo raakte ik in een stadion vol duizelingwekkende emoties vaak het spoor bijster. Ik kon niet meer als individu genieten van wat ik zag en voelde. Ik voelde me overmand door de eenzijdige smaak en de blinde verafgoding – nog los van het geweld en geluid dat over mij heen kwam. Ik werd steeds angstiger, bang voor de oerdriften die rondom mij loskwamen. Meermalen heb ik in tranen een stadion verlaten.

Ik ben bang geworden voor mijn instinct. Ik wil zo graag genieten van het leven, van de dingen die aan emoties raken, maar ik doe het liever in mijn eentje. In stilte. Dan heb ik van niemand last. Niemand die mijn genot in twijfel trekt. Niemand die het mij kwalijk neemt als ik huil om een overwinning, een nederlaag, een actie die mij diep raakt.

Langzaam begin ik te begrijpen waarom mensen door sport worden geraakt. Vooral waarom ze fanatiek worden in hun honger naar de ultieme gelukbeleving. Het is hun instinct. Hun zesde zintuig. Ze voelen dat er meer is dan hun monotone dagelijks leven. Zonder sport dreigt leegte, geen houvast. Zie maar eens te leven in leegte. Een leven in volmaakte vrijheid. Dat is moeilijker dan je denkt, zeker als er een dag zonder sport is.

Geplaatst op http://www.800woorden.nl/instinct op 1 april 2016.

Zwijg, open je, luister naar de stilte en voel: laat je raken

3 jun

forest Gedrieën liepen we ’s nachts het bos in, mijn vriend Marius, zijn hond en ik. Het was stil. Alleen ik babbelde wat. Waarom? Angst? Of gewoon omdat samen wandelen niet gezellig is als je niet met elkaar praat. Hier en daar hoorde ik wat ritselen, dat wel. Maar ik was toch meer met mezelf bezig, met mijn gebabbel.

Onverwacht stond mijn vriend, die al die tijd had gezwegen, stil. Hij trok aan zijn sigaretje en zei: ‘Hoor!’ Hij stak zijn wijsvinger op. Ik hield mijn adem in. Hij ook. De hond stopte met hijgen, deed zijn bek dicht en keek zijn baasje aan. We wachtten een minuut of twee. Ik luisterde. Ik hoorde wind. Een licht suizend geluid. Niets bijzonders.

Maar toch. Het was geluid. Geluid waar ik zelden bij stilsta. Mijn vriend wees mij er op dat er nooit echte stilte is – ook als ik niets denk te horen. Mogelijk omdat ik geen oor heb voor kleine, mogelijk onbetekenende geluiden. Maar ze zijn er wel, als ik er maar voor open staat. En betekenis hebben ze zeker. Dat vergeet ik weleens.

Ik meldde me jaren later aan voor een stiltewandeling in het Amsterdamse Bos. We zouden onder leiding van twee ervaren stiltewandelaars, Lisette Sevens en Thomas van Kleef, samen met nog enkele andere mensen een paar uur zwijgend met elkaar wandelen.

In het begin was het vermakelijk. Mijn vrouw en ik keken elkaar aan en konden nauwelijks een lach onderdrukken. Het zwijgen viel ons met de minuut zwaarder. Het begon hevig te regenen. Boven ons hoofd vlogen vliegtuigen laag af en aan, van en naar het nabije Schiphol. Daar viel wat over te zeggen, maar we bleven zwijgend doorwandelen.

Soms kregen we een korte pauze, waarin we onze ervaringen mochten delen. Hoe het beviel. Waarom niet? Waarom wel? We passeerden een gedenkteken, het Dachaumonument, bleven staan en keken zwijgend naar de opschriften en namen. Ik ontdekte een fout, wilde dat met de anderen delen, maar deed er het zwijgen toe. Hoe moeilijk was dat? Hoe moeilijk was het sowieso te zwijgen op een plek die sterke emoties opwekt?

We wandelden door, zwijgend. De regen viel met bakken uit de hemel. Boven ons hoorden we het lawaai van vliegtuigen. Het leek wel oorlog. Mogelijk omdat we zwegen kwamen het lawaai en de neerplenzende regen harder aan dan gewoonlijk, als we wel met elkaar praten. Ik weet het niet. Zo voelde het wel. Toch hoorden we uiteindelijk het lawaai niet meer. Gewenning? Ik weet het niet. Wat ik me herinner is dat mijn vrouw na afloop van de wandeling begon te huilen. Het bezoekje aan het Dachaumonument had haar geraakt. De ontroering had ze ingeslikt en pas enige tijd later kunnen uiten. Ook dat kan stilte met je doen.

Intussen ben ik gewend geraakt aan stilte. Aan samen de stilte ervaren en het gevoel niet hardop met elkaar te delen. Ik mediteer samen met anderen in stilte. Ik wandel samen met anderen in stilte. En elke keer ervaar ik dat stilte me dichter bij mezelf brengt. Ik hoor niet alleen méér, ik voel wat het met me doet. Hoe en waar het me raakt. Niet dat praten met anderen niet aangenaam is, maar alleen zijn met mezelf, mijn gevoel alleen met mezelf te delen, dus niet te uiten (naar buiten gooien) geeft me meer inzicht in wie ik ben en wat ik voel.

Is dat wat mijn vriend Marius me destijds wilde leren? Hij is overleden. Ik kan het hem niet meer vragen. Laat staan hem te danken voor wat hij mij wilde duidelijk maken: praat nou eens niet, luister gewoon. En voel, laat je raken!

Guus van Holland is vriend van de sangha Shambhala Leiden

Deze enigszins bewerkte column is gepubliceerd in de zomereditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Passie pensioneert nooit

21 okt

Interview met mij op de website Passie pensioneert nooit

Wat is mijn grootste passie?

Ik schrijf graag over wat mijn hart me vertelt. Ik golf omdat ik plezier beleef aan speelse uitdagingen. Ik doe aan hardlopen (van tien kilometer tot halve marathons) en racefietsen om mijn lichaam te testen. En ik mediteer veel, vrijwel dagelijks twintig minuten, omdat ik me daar comfortabel bij voel en het mij verrijkt.

Wat is mijn idee van ultiem geluk?
Het ultieme geluk heb ik nooit ervaren. Wel momenten van euforie als ik liefde en vriendelijkheid ervoer óf (in triviale zin) als ik had ‘gescoord’. Maar het blijven momenten waarnaar ik zo min mogelijk probeer te streven: het is zoals het is, soms dient zich geluk aan, vaak niet. Let it be.

Wat is mijn grootste angst?
Niet meer (h)erkend te worden als mens, vergeten en overgeslagen te worden, en dat ik anderen niet meer (her)ken. En als ik niets meer kan delen met anderen.

Waar houd ik het meest van in mijn werk?
Ik ben 68 jaar en sinds vijf jaar gepensioneerd, dus heb ik geen werk meer. Ik schrijf vooral omdat ik het graag doe en omdat ik er waardering voor krijg. Toch overkomt mij soms het gevoel dat ik weer werk, als ik iets doe (schrijf) wat een ander van mij verlangt: ‘Want je kunt het zo goed!’ Een valkuil.

Wat is mijn minst aantrekkelijke eigenschap?
Ongeduld, plotselinge (niet meteen verklaarbare) woede, te veel aandacht vragen en te veel (willen) praten, vertellen en schrijven. Vroeger was dat over anderen oordelen, liefst veroordelen. Moraliseren ook. Dat probeer ik af te leren, sinds ik mij bezighoud met boeddhisme en mediteer: wees vriendelijk voor jezelf als ook voor alle andere levende wezens; moge alle levende wezens gelukkig zijn en vrij zijn van lijden – net als ik.

Wat is mijn grootste valkuil?
Spontaan en gretig te veel ‘werk’ aannemen, anderen plezieren en mijn mogelijkheden overschatten. En dan écht depressief te worden, omdat ik ‘het allemaal’ niet aan kan.

Wanneer zou ik liegen?
Als ik bang ben anderen te kwetsen.

Welk rolmodel heeft de grootste invloed op mij gehad? 
Jim Morrison vroeger, en Neil Young. Later Leonard Cohen, vooral zijn door boeddhisme (hij vertoefde enige tijd in een klooster) geïnspireerde teksten. En zeker mijn boeddhistische leraar Sakyong Mipham en (via zijn boeken en geschriften) zijn overleden vader Chögyam Trungpa, beiden van de (Tibetaans) boeddhistische traditie Shambhala – een sociale zienswijze en beleving met boeddhistische uitgangspunten.

Waar houd ik het minst van in mijn werk?
Doen wat een ander (de baas, opdrachtgever) van me verlangt/eist.

Waar en wanneer was ik het meest gelukkig met mijn werk?
Bij grote internationale sportevenementen, zoals de Tour de France en wanneer ik met grote sportmensen sprak zoals basketballer Michael Jordan, basketbalcoach Phil Jackson, de wielrenners Bernard Hinault, Greg LeMond, Francesco Moser en Jan Raas, skiër Alberto Tomba, kunstrijdster Katarina Witt en de voetballers Sir Stanley Matthews, Gianni Rivera, Eusebio en Alfredo Di Stéfano. Schrijven over wat ik erbij voelde, als dat mocht. Naarmate mijn leeftijd vorderde voelde ik mij gelukkiger worden zodra ik eigenzinnig durfde te schrijven over mijn passie en mijn compassie met anderen. Langzaam maar zeker vond ik de stijl die mij past. Toen kreeg ik ook steeds meer waardering, zonder dat het mijn bedoeling was. Het kwam (en komt) steeds meer uit mijn hart, mijn eigen gevoel.

Wat zegt de uitspraak ‘Passie Pensioneert Nooit’ mij?
Dat je altijd naar je hart (je gevoel dus) moet blijven luisteren, wat anderen ook zeggen en hoe anderen er ook over oordelen. Passie is het mooiste wat er is. Als je  je lichaam voelt tintelen, van je voeten tot je kruin, dan leeft er iets, dan leef ik. Het wordt een probleem zodra je hart zwijgt of wordt geblokkeerd.

Wat zou ik aan mezelf willen veranderen?
Meer genieten van het moment, meer geduld, minder aandacht vragen, minder in een slachtofferrol kruipen, me minder door anderen (hun gedrag, houding en oordeel) laten leiden. Dit ben ik, ik voel wat ik voel, wat jij voelt is jouw gevoel. Leven en laten leven. Zo zou ik het liefst willen leven. Maar vooral wil ik vriendelijk zijn voor mezelf: kwetsbaar, ongeduldig, slachtoffer, boos, verdrietig, depressief – het mag allemaal.

Welk beroep zou ik hebben in een volgend leven?
Monnik (voor zover dat een beroep is) of onderzoeker.

Wat is mijn grootste professionele prestatie?
Zestien keer de Tour de France verslaan als verslaggever met (in vergelijking met nu) zeer beperkte communicatiemogelijkheden en veel logistieke problemen. Ik heb zeker meer prestaties geleverd. Wereldkampioenschappen voetbal, wielrennen, judo, ijshockey, skiën. Een stuk of tien Champions League-finales. Vier Olympische Winterspelen. Twee keer The Masters in Augusta, twee keer de Ryder Cup. Interviews met Michael Jordan in Chicago en andere internationale fenomenen als Franz Beckenbauer, Vinnie Jones, Stanley Matthews, Roberto Baggio, Vladislav Tretjak, Alberto Tomba, Sepp Blatter, Jacques Rogge, Prins De Mérode, Prins Albert; reportages in mijn favoriete land Italië. In de Verenigde Staten over de Amerikaanse sportcultuur. In bijna alle landen van de wereld en vooral reportages in Liverpool met nabestaanden van stadionrampen en hun hulpverleners.

vakantie-lucertola-2013-019

Lucertola in Le Marche

Wat is de plek waar ik de beste ideeën krijg, in mijn stad?
Thuis, op de bank, boeken lezend én als ik mediteer thuis op mijn kussen of in het boeddhistisch centrum. Dan wel in mijn huisje op de Veluwe, of daarbuiten, alleen met mezelf in de natuur. Ik houd niet van de stad. Ik ben een plattelandsjongen. Ik bivakkeer het liefst in de reuk van de natuur, met geluiden van dieren, van koeien tot kippen en vogels met rondom rustige, vriendelijke mensen die je nog groeten. Daar durf ik mijn hart het meest te openen. Ver van de drukte, van opdringerige, gejaagde en gestreste mensen, ver van schreeuwerds en mensen met een grote mond, ver van cynisme, ver van de massa, zoals ik die jarenlang in volle, mijn gemoedsrust bedreigende stadions heb geduld. Jarenlang was ik gefascineerd door het immense geluid in bomvolle stadions, ik raakte er door bedwelmd en schreef verdoofd door het lawaai dat mensen maakten rondom voetbalwedstrijden, totdat ik besefte dat ik diep van binnen gewoon bang was in en rond zo’n kolkend stadion. Ik hoop nooit meer een vol stadion te betreden en mij in grote massa’s te begeven. Mijn stad bestaat niet, alleen mijn dorp en mijn buitenhuisje in de natuur. Daar krijg ik de beste ideeën, daar ben ik op mijn gemak.

Wat is mijn favoriete plek om te eten en te drinken, in mijn stad?
Heb ik niet, liefst drink en eet ik thuis. Een favoriet restaurant heb ik niet, alleen in restaurants in Italië met Italianen en mijn gezin.

Wie is mijn grootste fan/sponsor/partner in crime?
Mijn vrouw Maddy, die mij aanzet iets te doen wat ik nog niet heb aangedurfd (bijvoorbeeld over iets en iemand schrijven) en die mij ook aan de grond houdt als ik eufoor dreig te worden. Daarnaast vind ik het heel waardevol als mijn pleegzoon Robin mij complimenteert: ‘Goed gedaan, pa.’ Dan ervaar ik een groot moment van geluk. Heerlijk om me even in te wentelen.

Met wie zou ik in de toekomst graag willen werken?
Met mijn boeddhistische leraar Sakyong Mipham, als inspiratiebron.

Naar welk project, in de nabije toekomst, kijk ik uit?
Een boek schrijven over mijn zoektocht naar de zin van leven, mijn manier van beleven en overleven én welke talrijke inspiratiebronnen ik daarvoor heb geraadpleegd en nog steeds raadpleeg. Van lsd en andere hallucinerende en opwekkende middelen via sportbeoefening, -beleving, -studie en -beschrijving, alle vormen van psychotherapie en spirituele ervaringen tot boeddhistische cursussen en trainingen. Met de slotzin: ik ben dan toch uiteindelijk onwetend. Omdat niet-weten waarschijnlijk toch de essentie van mijn bestaan is.

Welk rolmodel zou ik graag willen ontmoeten en spreken?
Basketbalcoach en in mijn beleving meest erudiete en dus beste sportcoach aller tijden, Phil Jackson, zen-boeddhist, overlever en geduldige leermeester van sportmensen met een super-ego zoals Michael Jordan, Shaquille O’Neal, Dennis Rodman en Kobe Bryant.

Ga ik pensioneren van dit werk en leven waar ik van houd? 
Who knows where the time goes.

Door Flow: Visualiseer het droomdoelpunt

5 aug

Hoe zou je het begrip flow het beste kunnen omschrijven? Die gemoedstoestand waarin een mens volledig opgaat in zijn of haar bezigheden, zoals dat ruim veertig jaar geleden is verklaard door de Amerikaans/Hongaarse psycholoog Mihaly Czikszentmihalyi. Die stroom waarin je (onbewust) wordt meegevoerd. Luister naar Marc Lammers, voormalig hockeycoach van onder meer het Nederlandse vrouwenteam, het Spaanse vrouwenteam en recent het Belgisch mannenteam. Hoor zijn woordenstroom wanneer hij probeert uit te leggen wat flow is en vooral hoe je dat oproept. Volledig gefocust op wat hij wil zeggen, opgaand in de visie waarin hij gevoed door tal van ervaringen is gaan geloven.


Bevlogen, zo zou je zijn gemoedstoestand ook kunnen noemen. Bijna euforisch in het nu zijn. Opgetild worden door de overtuiging dat het goed is wat hij doet en zegt. Een half jaar geleden bracht Lammers samen met organisatiespecialist Ton Hendrickx het boekje ‘Flow, van goed naar goud’ uit. Een leidraad voor teams, zoals de hockeyteams die Lammers gedurende twintig jaar met succes heeft gecoacht. Hoe teams in een flow kunnen komen, hoe samen (hand in hand, zij aan zij) op weg te gaan naar het gezamenlijke doel. Hoe samen werken, samen spelen en samen trainen.

Iedereen kent het gevoel, alsof alles vanzelf gaat. Ineens blijken alle handelingen als door een voorgeprogrammeerde computer gestuurd te worden. Alsof een mannetje in je hoofd aan de touwtjes trekt. Nee, dan ben je zelf. Zoals je dat zelf door veel oefenen, dromen en praten hebt leren doen. Met als begeleider de coach, de man (of vrouw) die de nog onbekende vaardigheden heeft opgeroepen. ,,Hij heeft het gereedschap aangereikt. Hij heeft de vragen gesteld. Hij heeft iedereen de kans gegeven om te dromen van het doel. Het droomdoel. Hoe denk je dat je bereiken? Hoe denken jullie dat te bereiken? Spreek je uit. Durf te dromen’’, legt Lammers uit. ,,De coach geeft vertrouwen.’’

In het boek wordt de Griekse filosoof Epictetus aangehaald: ‘Iedereen wist dat het niet kon. Totdat er iemand kwam die dat niet wist’. Zorg dat ambitie voorstelbaar is. Lammers noemt het ‘positief visualiseren’. Zo bevrijdde hij eens het eerste mannenteam van Den Bosch van het degradatiespook. Hij liet de spelers een ‘collectieve ambitie’ ontwikkelen. Wat is er nodig om voor je team een collectieve ambitie te bepalen, zonder naar het scorebord te kijken? 1. Geef antwoord op de vraag: waarom. 2. Maak de ambitie voorstelbaar. 3. Zorg voor de ultieme uitdaging. 4. Ga dingen doen, in plaats van uitdenken. 5. Creëer automatismen. 6. Visualiseer het succes en de route daarheen. En: ‘Kan niet’ en ‘hebben we al eens geprobeerd’ en andere dooddoeners worden niet geaccepteerd.

Iedereen praat mee, iedereen heeft een idee. Niemand is meer of beter dan de ander, iedereen is zichzelf. ,,De eigenaar van het idee loopt het hardst’’, weet Lammers. ,,30 Procent onthoudt wat er gezegd wordt, 70 procent onthoudt wat hijzelf heeft gezegd. Dat geeft de coach aan, hij geeft vertrouwen. Hij vraagt de speler wat hij wil, hoe hij het wil en hoe hij dat denkt te realiseren. Laat de spelers trainen waar zij goed in zijn. Vraag hoe hij denkt beter te functioneren. Gooi dat in de groep en laat ze daar met elkaar over praten. Visualiseer, laat het filmpje zien hoe het eerder is gegaan. Hoe het goed is gegaan. Niet hoe het niet goed is gegaan. De camera liegt nooit. Dit is wat jullie kunnen. Als het fout is gegaan, stel dan de vraag: hoe doen we het beter?’’

Om in een flow te komen, eensgezind te zijn, maak je afspraken. Drinken we bier na een wedstrijd of niet? Wanneer dan wel? Wanneer niet – of nooit? Lammers maakte dat met de Belgische nationale ploeg mee. ,,De cultuur was daar ‘een biertje na afloop’, maar past dat wel bij topsport? Ik stelde de vraag en vroeg wat de spelers van een andere cultuur vonden. Het werd unaniem geen bier. Dan is dat de afspraak. Iedereen in de pers maakte zich druk over de hoed en de sjaal die Memphis Depay bij Manchester United droeg of de dure auto waarmee hij naar het trainingsveld kwam. Als Louis van Gaal zulk gedrag vooraf met de spelers heeft besproken, is er niets aan de hand. Tenzij er afspraken over te excentrieke kleding en gedrag buiten de club zijn gemaakt, dan is de speler in overtreding en kan dat in de groep besproken worden. Neem de rol van Romario bij PSV. Buitenstaanders meenden dat Romario te weinig deed in de wedstrijd of op de training. Mogelijk mocht hij doen wat hij wilde, áls hij maar scoorde. Dat was de gezamenlijke afspraak. Het klinkt simpel: hoe willen jullie het, wat willen jullie? Iedereen heeft een stem.’’

Belangrijk is dat spelers accepteren dat iedereen anders is. Iedereen zijn eigenschap, ieder zijn kwaliteit. Dan is het de kunst elkaar aan te vullen. De minpunten moeten door anderen gecompenseerd worden. Lammers verwijst naar Lionel Messi, de uitblinker bij Barcelona. ,,Stel dat Barcelona elf Messi’s zou kunnen opstellen, dan zou dat niet leiden tot een beter team. Want Messi heeft, als gevolg van zijn spel, ijverige middenvelders en verdedigers nodig, die ervoor zorgen dat zijn team in balbezit komt. Ballen afpakken is niet de kern-kwaliteit van Messi.’’

Van nature wil iedereen eigen baas zijn, weet Lammers. ,,Je zou bijna zeggen: daarom zijn er zoveel ZZP’ers. Dan ben je je eigen baas. Zo is het in een team ook vaak in het begin. Mensen willen best veranderen, maar niet veranderd worden. Ze willen zeggenschap over hun rol. Vraag dus als coach wat ze willen, hoe ze zichzelf zien, hoe ze aangespeeld willen worden. Dat kun je visualiseren, het beeld oproepen. Zo? Of zo? Dan ontstaat vanzelf verandering. Je ziet het pas als je het doorhebt.’’

Lammers verwijst graag naar het bedrijfsleven. ,,Je krijgt vast weleens emails van een bedrijf, waarmee je net zaken hebt gedaan. Dat noemen ze klanttevredenheidsonderzoek. Aangetoond is dat medewerkerstevredenheidonderzoek meer oplevert. Hoe bevalt het werk? Wat vind je van je collega’s? Wat vind je van je baas? In de Japanse bedrijfscultuur heeft iedereen een stem, niet de baas. Dat is dwars tegen de hiërarchie in. Daar is een omslag gemaakt, omdat voorheen volgens Japanse traditie iedereen zich onderwierp aan de baas, aan de leider. Dat gaf veel burnouts.’’

Hij noemt als voorbeeld Toyota, hoe het concern een van de wereldmarktleiders werd in de auto-industrie. Dagelijks feed forward. A daily stand up, een dagelijks overleg van een paar minuten waar de komende dag de puntjes op de i moeten worden gezet. ,,In feed forward zit een opbouwende werking, verbetering en waardering zijn het gevolg. Waar feed back het vertrouwen en de veiligheid binnen een team kan schaden, zorgt feed forward juist voor een toename.’’ In het boek schrijft hij: ‘Bij Den Bosch speelden we ’s zondags onze competitiewedstrijd en de daarop volgende dinsdag zaten we bij elkaar voor de feed forward. We hadden verloren van Bloemendaal, wat moesten we doen om te gaan winnen van Hurley? Dus niet: we hadden verloren van Bloemendaal en wat was er allemaal fout gegaan?’’

Te midden van alle voorwaarden om in een flow-staat te komen spelen vertrouwen en veiligheid een belangrijke rol. Lammers: ,,Sociale veiligheid en veiligheid om te handelen zijn in de zoektocht naar teamflow vooral beïnvloedbaar door leidinggevenden. Ik weet dat de coach, de directeur, de manager daar een hele actieve rol in kan vervullen. Want naast risico is ook (negatieve) kritiek een groot gevaar voor veiligheid. En juist die kritiek moeten teamleiders bewaken.’’

Boven alles staat lol, plezier. ,,Lol’’, vindt Lammers, ,,is een direct gevolg van veiligheid in handelen. Bij het Belgische nationale team creëerden we onze veiligheid bij ons publiek door plezier met ze te maken. Handtekeningensessies met de jongste fans. En bij het EK in België gingen we voorafgaand aan onze wedstrijden steevast via het stadion naar de kleedkamer. Voor de tribunes langs, achter de reclameborden. Het publiek genoot ervan en de basis van de loyale steun tijdens de komende wedstrijd was gelegd. Eerst durfden de spelers dat niet. De spelers vonden het uiteindelijk ook heel lollig. Ze konden nog even zwaaien naar familie en bekenden, voordat de focus definitief naar de wedstrijd moest worden gebracht.’’

De laatste anekdote roept het beeld van een aangename sfeer op. Spelers die zich veilig voelen en gesteund. Samen met de toeschouwers die zich een deel voelen van het team dat gaat spelen. Zo werkt het ook met het meezingen bij volksliederen. Samen met de toeschouwers. Het is alsof je als speler in een warm bad zit. Niets kan je nog gebeuren. Het is de flow die kan leiden tot het gewenste resultaat. Voordat je het weet is de wedstrijd afgelopen. Zo snel is het voorbij. Het zijn de uitvloeisels en geneugten van flow, zo meeslepend, uitvoerig én gedetailleerd beschreven in ‘Flow, van goed naar goud’.

Dit artikel is gepubliceerd in de olympische editie van NLcoach

%d bloggers liken dit: