Tag Archives: Frank de Boer

Het eenzame bestaan van een keeper, doelman of Torhüter

23 jun
petar
                                                     Petar Radenkovic

Elke keer wanneer een voetbaldoelman overlijdt of op z’n minst iets ernstigs overkomt, komt het geheugen in actie. Mannen met sierlijke duiken passeren, mannen in het zwart of in stoere truien, mannen met pet, mannen met stevige, grote knuisten, mannen met wollen handschoenen, soms mannen met kniebeschermers. Zo zette de (plotselinge) dood van een van de beste doellieden van Nederland het hersendeel met herinneringen in beweging. Eddy Pieters Graafland overleed op 28 april jongst leden op 86-jarige leeftijd. Het Nederlandse voetbal heeft weinig betere doellieden gekend.

Herinneringen betreffen Just Göbel, Leo Halle, Gejus van der Meulen, Adri van Male, Frans de Munck, Piet Kraak, Jan van Beveren, Tonnie van Leeuwen, Hans van Breukelen, Ed de Goeij, Piet Schrijvers, Harry Schellekens, Pim Doesburg,  Jan Jongbloed, Edwin van der Sar, Jasper Cillessen, mannen die ieder op hun eigen manier schoten op hun doel konden pareren. De een was degelijk, de ander sierlijk of had veel gevoel voor show. Pieters Graafland, sowieso een bijzondere, min of meer aristocratische naam voor een voetbaldoelman, beschikte over veel talenten. Hij was sierlijk, dook als een panter, kon stompen en mooi de bal vangen – met een atletische sprong (ook wel save genoemd).

Wat ik mij vooral herinner is dat hij zich naar voren wierp, zich met beide handen voor zijn hoofd op de voeten van de aanvaller stortte nog voordat deze had kunnen bedenken hoe hij de doelman kon passeren. De bal was zo al een prooi voor Eddy PG (zoals hij gemakshalve werd genoemd), voordat de scoorlustige aanvaller iets had kunnen bedenken. Het zag er uit als een kamikazeactie. Met gevaar voor hoofdletsel of erger dook Eddy PG op de bal en nam hij de voeten van de aanvaller zo ook vaak mee. Los daarvan was deze keeper (zoals vanuit het Engels afkomstige jargon een doelman wordt genoemd), een sportieve (faire) man zowel in het doel als daarbuiten en zeker ook buiten het voetbalveld.

De kamikazeacties, die deze doelman die zowel voor Ajax als Feyenoord én het Nederlands elftal (liefst 47 maal) speelde, waren mij al opgevallen bij een Servische doelman die voor FC Köln in de Bundesliga speelde. Milutin Soskic, een van de legendes van Partizan Belgrado, de club waar hij eerst naam maakte. Mocht hij nog leven, dan is hij nu 82 jaar. Soskic dook op alles zonder vrees. Zo zag ik op de Duitse televisie, Die Sportschau, met de legendarische moderator Ernst Huberty, fan van FC Köln, en las ik in een boek over diens favoriete club, over Soskic: ‘Der kleine mutige Kamikaze-Flieger stürmte sich mit seinen ollen löchrigen Winterhandschuhen voll ins Getümmel. Er boxte auch schon mal bei einer Faustabwehr neben den Ball, dafür aber den Abwehrspieler und Freund k.o., der mit seinem Kopf statt des Balls dran glauben müsste.’

Soskic was als Torwart (of Torhüter dan wel Tormann) een genot om naar te kijken. Dat was wat mij betreft sowieso het geval als ik naar mijn favoriete sportprogramma keek, op ARD, en ’s avonds laat op ZDF, Das Aktuelle Sportstudio, met Dieter Kürten en Harry Valérien.

Mogelijk deed Eddy PG dat ook, zoals veel Nederlandse voetballiefhebbers. Ik heb het hem nooit kunnen vragen, maar duidelijk is dat het (West-)Duitse voetbal in de jaren vijftig en zestig aantrekkelijker was dan het Nederlandse voetbal. Noem eens namen van Duitse voetballers uit die tijd (Bundesliga, Sportschau) en het geheugen gaat als een dol geworden systeem draaien.

Op de Duitse tv-zenders leerde ik voetbalkeepers kennen, nog even los van mijn Nederlandse favoriet Frans de Munck. Daar zag ik de doelman die voor altijd mijn hart heeft gestolen, Petar Radenkovic (ook al een Serviër). Hij was doelman van TSV München 1860, toen Bayern nog in de tweede Bundesliga speelde. Hij was zeker een showkeeper, maar hij hield de meeste schoten sierlijk en soms voor onmogelijk gehouden uit zijn doel. Hij zweefde evenwijdig aan de bovenlat, zo zag het er uit. Vaak ging hij aan de wandel, ver uit zijn doel, pikte een bal op buiten het strafschopgebied, passeerde dan een paar tegenstanders en gaf ten einde raad een prachtige pass op de aanvallers van zijn elftal. Het publiek hield zijn adem in, maar zijn ongebruikelijke doelmansactie mislukte (bijna) nooit.

Petar, nu 85 jaar, trad op in Das Aktuelle Sportstudio: een olifant schoot op zijn doel, maar Radenkovic redde met een showduik. Petar maakte een plaatje: Bin i Radi, bin i König. Hij schreef een boek met dezelfde titel. Beide heb ik aangeschaft. Hij droeg een zwarte pet, droeg zwarte kleren en witte kousen. Ik maakte een plakboek met knipsels van mijn favoriete elftal TSV München 1860 en vooral met foto’s en berichten over Radi. Helaas verloor de club (Die Löwen) de finale van de UEFA Cup in 1965 op Wembley in Londen tegen West Ham United met 2-0. Radi was in tranen, misschien ik ook wel.

Radi pakte alles, vooral met stijl. Of hij maakte een (onvergeeflijke) blunder. Dan liep hij schuldig met zijn hoofd omlaag door zijn doelgebied te wandelen.

Dat soort keepers heeft mij altijd geboeid. Zelfs of vooral ijshockeykeepers. Of ze nu slachtoffers van hun drang naar show werden, of gewoon weleens een fout konden maken (zoals iedere voetballer of zelfs ieder mens). Keepers lijden een eenzaam bestaan, het zijn loners, Einzelgänger. Sommigen zijn onder dat bestaan bezweken. Ze konden de spanning niet aan of werden naderhand in de kleedkamer door medespelers uitgescholden omdat ze een fout hadden gemaakt.

Ik las het boek van Robert Enke, de doelman van onder meer Hannover ’96, het Duitse elftal en Barcelona die aan depressies leed, daar in het stoere, mannelijk leven van voetballers niet voor uit durfde te komen en uiteindelijk aan de spanningen bezweek of werd ‘afgezeken’ door teamgenoten als ploeggenoot Frank de Boer, en zelfmoord pleegde – hij sprong voor een trein. Lees: ‘Een al te kort leven geschreven’ (Ein allzu kurzes Leben) door biograaf Ronald Reng.

Ach, al die keepers die zichzelf als onpasseerbaar willen (moeten) tonen en dat niet kunnen waarmaken. Mijn jongere broer werd keeper. Hij was geweldig (zeker in de zaal), was atletisch, sierlijk en had ook veel show. Maar omdat hij onder andere weleens een foutje maakte, haalde hij het niet om vaste doelman te worden van ons eerste elftal. De trainer koos voor een degelijke doelman, weinig show, gewoon degelijk, zoals veel Britse keepers waren. Je staat er om een bal tegen te houden, meer hoef je niet te doen. Ik zag Bob Wilson van Arsenal, saai als een koe; Gordon Banks van Leicester City en het Engelse elftal dat in 1966 wereldkampioen werd: saai, maar wel bijna onpasseerbaar. Net als Peter Shilton. In Engeland hadden ze ook Peter Bonetti (net overleden), maar die was te mooi en te goed, en hem overkwam ook weleens een foutje.

lev
                                                 Lev Jasjin

Lev Jasjin wordt algemeen beschouwd als de beste doelman aller tijden. Ik heb hem een paar keer op (zwart-wit)televisie mogen aanschouwen, vooral die keer dat hij in 1963 op Wembley in het Wereldelftal tegen het elftal van de 100-jarige Engelse voetbalbond speelde. Geheel in het zwart, zoals vrijwel altijd, haar strak achterover gekamd en daaronder altijd een pet. De Zwarte Octopus. Groot, lang, stijlvol, acrobatisch, gezegend met snelle reflexen en prachtige zweefduiken, en handen als kolenschoppen. Onverschrokken stortte hij zich op tegenstanders, als hij maar de bal te pakken kreeg. Waardoor hij wel soms een hersenschudding opliep, maar toch doorspeelde.

Hij stond bekend als een penaltykiller. Waarschijnlijk had hij zijn reflexen te danken aan de periode dat hij als ijshockeykeeper speelde voor Dinamo Moskou, de club die hij altijd trouw bleef. En verder zag ik beelden van zijn afscheidswedstrijd in 1971 voor 100.000 toeschouwers in het Lenin-stadion (nu Loezjniki) van Moskou, waarvoor grote voetballers als Pelé, Eusebio en Beckenbauer waren uitgenodigd. Jasjin werd zestig jaar oud, hij overleed aan maagkanker. Nadat eerder een been moest worden geamputeerd, wegens gangreen. Jasjin werd gekozen tot ‘beste doelman van de twintigste eeuw’. Hij had geen show nodig. Hij stopte domweg de meeste ballen die op hem werden afgevuurd en genoot daarvan.

Jean-Marie-Pfaff-de-slechtste-vastgoedhandelaar-van-Belgie
                                           Jean-Marie Pfaff

Jean-Marie Pfaff, een Belgische showdoelman met fantastische reddingen, heeft daarentegen nooit zijn behoefte aan aandacht kunnen onderdrukken. Hij stond in het doel van het Belgische elftal achter een geweldige verdediging met Gerets, Meeuws, Millecamps, Renquin en anderen. Toen vertrok hij zowaar naar Bayern München. Een man met humor en een obsessief gevoel voor aandacht trekken. De eerste keer dat ik hem tegenkwam was na de Ronde van Vlaanderen, in de rij voor een friettent. Hij zag me staan en zag mijn perskaart. ‘Ah wel, u bent van de pers, uit Holland zeker. U kent mij niet? Ik ben Jean-Marie Pfaff. Ik zal u een nieuwtje vertellen. Ik word doelman van AZ, ik heb al een refrigerator en een wasmachine van meneer Molenaar thuis ontvangen. Mooi toch? Dat kunt u in uw gazet plaatsen. Akkoord?’

Een paar jaar later vroeg ik een interview aan met Pfaff. Ik moest me melden bij de fysiotherapeut in Beveren. Daar aangekomen hoorde ik vanuit een belendende kamer: ‘Allez Guus, zijt ge daar? Ik kom zo.’ Vervolgens reed hij mij met zijn witte Bentley door het stadje, vertelde me heel veel, zwaaide naar wandelaars in de winkelstraten (‘u ziet dat ze mij kennen’) en zei tegen een Chinese restauranthouder dat zijn Nederlandse vriend daar vanavond kwam eten, op kosten van Jean-Marie. ”t Is goed zo’.

Na afloop drukte hij mij een visitekaartje in de hand, goud gekleurd, met daarop de tekst Jean-Marie en Carmen Pfaff, plus al (?) zijn telefoonnummers.

Weer een paar jaar verder maakte ik dankzij het visitekaartje een afspraak met hem in Holiday Inn nabij Zaventem, waar het Belgische elftal verbleef. Bij de balie zei bondscoach Guy Thys dat Pfaff niet te spreken was. De spelers moesten rusten. Maar daar kwam Jean-Marie al: ‘Mijn vriend Guus uit Holland. ’t Is goed Guy! Waar gaan we zitten? Allez, we gaan een pint drinken. U bent mijn vriend, dat weet u.’

Eddy PG
                                             Eddy Pieters Graafland

Doelmannen hebben meer dan voetballers hun eigen stijl. Ze zijn anders, anders dan voetballers. Sommigen zijn stil en bescheiden en stoppen gewoon de bal die ze gedwongen zijn te stoppen. Anderen zijn extravert, komen uit hun isolement omdat ze zich mogelijk in dat doel alleen voelen en vragen om aandacht. ‘Kijk mij eens, ik ben ook een mens, ik sta niet voor niets in dat doel. Vraag mij ook eens wat en niet alleen om dat foutje.’

Ik weet niet hoe het Eddy PG is vergaan, als Amsterdammer nota bene, achter verdedigers als Rinus Israel, Theo Laseroms en andere extraverte mannen. Gaf hij die mensen keiharde aanwijzingen, liet hij het allemaal op z’n beloop en greep hij ten einde raad in omdat dat van hem werd gevraagd. Doelmannen, goalkeepers, Torwarts, Torhüter, Tormänner, sluitposten, portieri, laatstemannen, doelwachters. Ach, het zijn allemaal medespelers, een van de elf maar meer dan belangrijk. Dat wist Eddy PG, dat weet ik zeker.

Dit artikel is gepubliceerd in Argus, nummer 81, juni 2020

Guardiola: als Cruijff in een chaos helder blijven denken

18 mei

Het hoeft geen betoog dat Johan Cruijff veel mensen zowel in het voetbal als daarbuiten heeft geïnspireerd. Hij overleed op 24 maart. Zijn eigengereide visie heeft velen op z’n minst aan het denken gezet. Wat zou hij bedoelen? Waarom blijkt vaak dat hij het toch bij het rechte eind heeft gehad? Hij was visionair en coach. Een rolmodel, een vader die je nauwelijks kon betrappen op onzin. Onzin bestond niet in zijn denkwijze. ,,Je ziet het pas als het je doorhebt’’, was een van zijn typerende uitspraken.

Cruijff heeft veel voetballers beter leren voetballen, anders vooral. Zo kunnen voetballen, met die technische vaardigheden, met die inzichten (zeg maar vooruitziende blik) wilde iedereen – maar is niemand gelukt. Zo kunnen coachen, wilden al die spelers die met hem hebben gevoetbald en al die spelers die door hem zijn gecoacht. Dat is bij enkelen wél gelukt. Zij hebben goed naar hem geluisterd en zich vooral door hem laten inspireren. Pep Guardiola, nu een van de beste coaches ter wereld, zou nooit zoveel succes hebben gehad met Barcelona en Bayern München als hij niet door Cruijff was betoverd. Zegt hij.

Tekening Siegfried Woldhek

Tekening: Siegfried Woldhek

En met Guardiola vele anderen. Ronald Koeman, Michael Laudrup, Morten Olsen, Peter Boeve, Gerald Vanenburg, Frank de Boer, Aron Winter, Wim Jonk, Dennis Bergkamp, Phillip Cocu, Frank Rijkaard, John van ’t Schip, Marco van Basten, Luis Henrique, Laurent Blanc en nog veel meer. Voetballers die door Cruijff werden gekneed, die van hem leerden vooruit te denken, die in zijn visie geloofden. ,,Alleen door zijn aanwezigheid, zijn charisma, nam je iets van hem aan’’, zei Guardiola. ,,Iets op anderen overbrengen kun je alleen als je laat zien dat je in je visie gelooft. Dat had Cruijff als geen ander. Dat heb ik van hem geleerd: geloven in wat je doet.’’

In de documentaire The Last Match gaan onder anderen Guardiola en Xavi Hernandez (die nog actief is als speler) in op Cruijffs invloed op Barcelona en het spel dat sinds de komst van de Nederlander als voetballer in 1973 is veranderd. Cruijff wordt getypeerd als een ‘helper’. Cruijff wilde de club, het elftal, zijn medespelers en later zijn spelers helpen beter te worden. Cruijff zei zelf: ,,Wat je niet kunt, kun je leren.’’ Guardiola: ,,Hij heeft mij en andere spelers geleerd om het spel te begrijpen. Noem hem genereus. Als je bereid bent wat je geleerd hebt over te dragen op anderen, moet je wel genereus zijn.’’

Cruijff was als coach een leermeester. Hij liet je meekijken, meevoelen, meespelen en hij liet je bewust fouten maken. Zo zeggen veel coaches die onder hem hebben gespeeld. ,,Je moet goed kijken naar wat je kan en wat je niet kan’’, zei hij tegen Guardiola. En in de documentaire zegt Cruijff: ,,Als je fouten maakt, maak je fouten. Daar kun je van leren. Van goede dingen leer je niks.’’ En altijd vooruit kijken. Altijd van je eigen kracht uitgaan.

Frank Rijkaard neemt in het boek Wie is Johan Cruijff, Insiders duiden het orakel, maar Cruijff heeft zelf het laatste woord (Mik Schots en Jan Luitzen) het debuut van Dennis Bergkamp als 17-jarige in de Europa-Cupwedstrijd tegen Malmö FF als voorbeeld: ,,Dennis moest spelen tegen een 92-voudige international. Johan zei in de bespreking: ‘Deze jongen is op en hoort hier eigenlijk niet meer te staan. Hij kan niet meer lopen, dus blijf hem opzoeken. Al lukt het één keer, twee keer, drie keer niet, gewoon blijven gaan, dan speel je hem volledig weg’. Daardoor ging Dennis blij het veld in en speelde hij een weergaloze wedstrijd. Iedereen kende Dennis meteen.’’

Rijkaard verduidelijkt: ,,Johan waarschuwde hem nergens voor. Hij gaf hem alleen de mogelijkheid om uit te gaan van zijn eigen kracht en te durven die te laten zien. Hij versimpelde het: ‘die tegenstander moet je wegspelen, klaar’. Hij zei niet eens: ‘trek het je niet aan dat je tegen een geroutineerde tegenstander komt te spelen’, want als je zegt ‘trek het je niet aan’ dan gaat een jonge speler al met knikkende knieën het veld in.’’

Rijkaard werd langzaam een bewonderaar en adept van Cruijff. Op voorspraak van Cruijff werd Rijkaard trainer van Barcelona en legde hij de basis voor wat Guardiola met de Spaanse club zou bereiken. Als speler van Ajax had hij de coach Cruijff nog de rug toegekeerd, in september 1987, en vertrok hij met slaande deuren: ‘Krijg toch de kolere met je eeuwige gezeik.’ Cruijff had hem eindeloos gevraagd de leidersrol naar zich toe trekken. Cruijff geloofde in Rijkaards kracht, Rijkaard was te bescheiden. Cruijff is altijd blijven geloven in Rijkaards kracht. Ze hebben het later uitgepraat. Niet dat ze het eens werden. Maar Rijkaard vond het bewonderenswaardig van zijn leermeester dat hij bleef geloven in wat hij (in hem) zag.

Tonnie Bruins Slot was de super-assistent van Cruijff. In de Telegraaf verhaalde hij over Marco van Basten, eerst speler, toen coach, zelfs bondscoach, nu assistent-bondscoach. ,,Marco komt bij Ajax langs even nadat hij naar AC Milan was getransfereerd. ‘Gaat lekker Johan, ik voetbal mee, laat me terugzakken, paar leuke steekballen en wat assists’. Cruijff antwoordde: ‘Welk nummer heb je? Nummer 9. Een nummer 9 in Italië moet scoren, niet meevoetballen anders beland je als buitenlander zo op de bank’. De volgende wedstrijden scoorde Van Basten aan de lopende band.’’

Bruins Slot: ,,Cruijff dacht tegendraads en tegelijkertijd liet hij spelers beslissingen nemen. Bewust terwijl zij zich nergens van bewust waren. Stanley Menzo of Hans Galjé onder de lat bij Ajax? Iedere week liet hij twee spelers partijtje kiezen zoals op straat. Achtereenvolgens Spelbos, Rijkaard en Van Basten kozen Menzo. ‘Moet ik dan Galjé opstellen?’’’

Cruijff prikkelde het eergevoel van spelers. Zoals met Van Basten. Af een toe een por geven. Niet weglopen van conflicten, sterker: conflicten creëren. Om de boel op scherp te zetten. ,,In een grote chaos helder blijven denken, dat kon Johan als geen ander’’, aldus Guardiola. ,,En je proberen te verplaatsen in anderen. Nadenken over wat zij denken en doen. Dat leerde ik van hem. Wel je eigen weg kiezen, maar de anderen serieus nemen, als voetballer en als mens. Mensen willen helpen. Dat kon hij goed, mensen leren hoe ze beter worden.’’

Typerend voor de gedrevenheid, de durf en de confrontatie aangaan met de vijand komt in The Last Match aan de orde tijdens een gesprek tussen Cruijff en Xavi. In zijn eerste wedstrijden bij Barcelona (1973) dook Cruijff met de bal aan de voet koelbloedig het strafschopgebied van de tegenstander in. Zijn Spaanse medespelers schrokken zich dood. Dat deed je niet: ‘Blijf uit de buurt van de zestien’. Daar schopten en sloegen de verdedigers je kapot. Zo ruw werd er gespeeld door Spaanse verdedigers. Cruijff: ‘Je gaat er op af.’ Niet bang zijn, afschrikken. Doe wat je goed kunt. Concentreer je op je hoofdtaak en houd je rug recht. Ofwel, speel simpel en geniet ervan.

Zo heeft Johan Cruijff het zijn spelers willen leren. Zo willen zijn spelers het als trainer/coach hun spelers leren. Helder blijven denken, ook na een nederlaag. Bruins Slot: ,,Heel Feyenoord – met Cruijff – was geknakt na de 8-2 bij Ajax, in 1983. Johan kwam de kleedkamer uit en zei met de voor hem kenmerkende vanzelfsprekendheid: ‘Ach, het zijn maar twee puntjes’. Later won Feyenoord de dubbel.’’

Dit artikel is gepubliceerd in NLcoach 2016-02

De fascinatie voor de ondoorgrondelijke wielersport

15 okt

Hoewel ik Lance Armstrong als wielerverslaggever niet of nauwelijks van nabij heb meegemaakt, heeft hij me altijd gefascineerd. Ik was wielerverslaggever vóór het epo-tijdperk. Al zullen in mijn laatste jaren als wielerverslaggever renners (Indurain, veel Spanjaarden en Italianen, Russen, Duitsers en vooral het oprukkende Amerikaanse peloton cowboys, de ploegen van 7-Eleven en Motorola, en natuurlijk ook Nederlanders) vast al bezig zijn geweest. Zo bleek later. Ik heb in al die jaren (vanaf 1976 tot begin jaren negentig volgde ik onder meer 16 keer de Tour) wel wat gezien en gemerkt wat ‘vreemd’ was of naar overtreding van de spelregels riekte (omkoping, combine, doping), maar ik kon nooit doordringen tot de ‘vuile waarheid’. Ik moest verder, verslag doen van alweer de volgende etappe en wedstrijd, van hotel naar hotel reizen, met de karavaan mee, op weg naar de volgende winnaars en verliezers.

Die keren dat ik op onderzoek uitging of mijn sterke vermoedens beschreef in krantenartikelen van De Volkskrant en NRC Handelsblad leidden zelden tot prettige situaties. Het is geen excuus, ik deed wat binnen mijn mogelijkheden lag. Deed ik mijn werk niet goed genoeg? Wie bepaalt dat? Ja, ik werd bang als betrokkenen mij bedreigden. Maar ik deed mijn werk, dag en nacht, obsessief. Peter Post heeft me eens brandbommen in de tuin toegezegd als ik nog iets zou schrijven over zijn verdachte methoden. Nog los van zijn onbeheerste schreeuwpartijen door de telefoon. De Belgische ploegleider Walter Godefroot onderbrak in Parijs-Nice een interview met het Belgische talent Daniel Willems toen ik over ‘soigneren’ begon, hij wist toch hoe ,,Nederlandse journalisten altijd overal iets achter zochten, jullie zijn negatief”. De ploegleiders Fred Debruyne en Jan Raas hebben mij de hotelkamer afgeschopt toen ik een renner aan een infuus (glucose? so what?) zag liggen. Gerrie Knetemann heeft me bij de keel gegrepen. Soigneur Ruud Bakker(een reus van een vent)  heeft me uitgescholden alsof ik een crimineel was, omdat ik de wielersport (Raleigh, later Panasonic) kapot maakte. De voorzitter van Nederlandse wielrenunie ontzegde me de toegang tot de jaarvergadering vanwege een stuk over doping bij Nederlandse ploegen.

Ik schreef een stuk in NRC over Steven Rooks na zijn bergritzege waarin ik mijn sterke vermoeden uitsprak over zijn merkwaardige vormcurves en zijn vreemde geneeskundige consults (Zwitserse kruiden, arnica, osteopathie, antidepressiva….). De hoofdredacteur kwam de volgende dag bij mijn chef om opheldering vragen. Hoe ik dit durfde te schrijven. Hein Verbruggen belde me op Kerstavond, om me uit te schelden omdat ik tégen hem was en niet wilde begrijpen dat doping echt niet voorkwam – omdat het niet hielp (het lijkt de hypocriete voetbalwereld wel, het wordt niet gebruikt omdat het niet helpt….tja). Kort daarvoor had PDM-renner Peter Stevenhaagen me in een interview verteld dat hij met nog een paar ploeggenoten had meegedaan aan een test bij de psycholoog-fysioloog prof. Joop Hueting in Brussel om te onderzoeken in hoeverre bepaalde middelen ‘werkten’. Verbruggen destijds bestuurslid van de Nederlandse wielrenunie was laaiend, ik had dat niet (in De Volkskrant) mogen publiceren.

Jan Gisbers probeerde me in de Tirreno-Adriatico met zijn auto van de weg te rijden. Ik was getuige van de PDM-affaire (intralipid) in de Tour. Ik zag vermagerde, zieke wielrenners door het hotel in Quimper schuifelen (Erik Breukink, Nico Verhoeven, Sean Kelly, Jean-Paul van Poppel, Raul Alcala, Martin Earley, de Duitsers Uwe Ampler en Uwe Raab) die meer dood dan levend waren. Ploegleider Gisbers en dokter Wim Sanders werden door ons scherp ondervraagd in dat hotel. Wij (Dick Wittenberg en ik, beiden van NRC) hebben de hele nacht gewaakt rond en in het hotel en tot in de vroeg ochtend geschreven, zonder te slapen. Voorpaginastukken werden het. De waarheid? Het ging over bedorven gehaktsaus en nog meer van die verzinsels.  De waarheid? Lees ‘Sultans of Swing‘ van Bart Jungmann en Fred Segaar. Jaren later.

De affaires rond Gert-Jan Theunisse staan nog diep in mijn geheugen gegrift. De verhouding testosteron-épitestosteron was bij hem nogal scheef en wisselde voortdurend én dus verdacht. Het zou om een natuurlijke afwijking gaan. Er bleken meer sportmensen met zo’n ‘natuurlijke afwijking’: veel tennissers en zwemmers, volleyballers, handballers, atleten,  en vooral voetballers. Nooit meer iets over ‘die anderen’ gelezen. Ik ging met NRC-wetenschapsredacteur Wim Köhler naar professor Thijssen, een endocrinoloog (hormoondeskundige) in Utrecht. Er kwamen rechtszaken. Uit onderzoek van Thijssen met dopingdeskundige Douwe de Boer werd duidelijk dat Theunisse een ‘onnatuurlijke’ afwijking had. Doping dus, testosteron( Andriol), cortisonen. Lees hier een interview uit 2001 met Thijssen in de Volkskrant over het destijds  als mysterieus aangeduide geval Theunisse: http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2844/Archief/archief/article/detail/583623/2001/06/23/Tussen-argwaan-en-wijsheid.dhtml

Later zou Thijssen als getuige-deskundige worden gevraagd in een dopingrechtszaak tegen Frank de Boer, destijds voetballer bij Barcelona. Pep Guardiola, de latere zo bewierookte trainer van Barcelona werd in die periode als speler bij het Italiaanse Brescia tweemaal ‘betrapt’ op gebruik van nandrolon, een spierversterkend middel.  Ook de in Italië spelende Jaap Stam (Lazio), Edgar Davids (Juventus), de Portugees Fernando Couto (Lazio) en een achttal spelers van Juventus werden ‘betrapt’, enkelen werden voorlopig geschorst maar uiteindelijk vrijgesproken. Guardiola werd eerst vier maanden geschorst, maar ging na hoger beroep ook vrij uit. De onderzoeksmethoden van het Italiaans Olympisch Comité (CONI) zouden onder meer onbetrouwbaar zijn. Frank de Boer werd vrijgesproken van gebruik van nandrolon. Bewust gebruik was niet bewezen. Het was waarschijnlijk het gevolg van (vervuilde) voedingssupplementen.

Ik heb het er nog weleens met (mijn tegenwoordige vriend) Peter Winnen over gehad, over hoe het vroeger in ‘onze tijd’ ging. Toen ik hem eens vroeg wanneer hij was begonnen met roken, lachte hij: ,,Ik heb altijd gerookt, maar als jullie in de hotelkamer kwamen, werd eerst de rook weggewapperd en werden de ramen geopend, de pillen werden in het nachtkastje opgeborgen, de prullenbakken werd geleegd.”  Wij (Peter, zijn vrouw en ik) lachten ons rot. Jan Raas vertelde in een jolige bui dat hij zijn urine eens over de handen van een dopingcontroleur had verspreid. ,,Hier, houd dat flesje vast, jij met je dopingcontrole.” En hij piste over zijn handen. Zo intimideerde hij de naïeve, bedeesde controleur. ,,Bij mij doping? Ik gebruik niks. Wegwezen! Ik ben beroepsrenner, ik bepaal zelf wat ik doe met mijn lijf. Net als kunstschilders, schrijvers, bankdirecteuren en journalisten.”

Overigens, misschien ben ik niet tegen doping (mijn standpunten wijzigden voortdurend, voortschrijdend inzicht noemt men dat)? Doping is sowieso van alle tijden, de Grieken deden het al met magische kruiden en oliën. Niemand die er aanstoot aannam. De bedenker en eerste organisator van de Tour Henri Desgrange was er nooit op tegen. Hij wilde vooral veel heroïek (bloed, zweet en tranen), op welke manier dan ook verworven. Want dat wilden de toeschouwers en lezer van zijn krant L’Equipe en L’Auto. Zijn assistent en opvolger Jacques Goddet begon te twijfelen. Waarom het in de jaren zestig na de dood van Tom Simpson is verboden, laat zich raden. Doping schond het imago van de wielersport, dat vooral vonden de sponsoren. Alweer die commercie: geld. De sponsoren wilden geen doden. En de wielersport is nu eenmaal slechts afhankelijk van de commercie en de media, al sinds het bestaan van de beroepswielersport, meer dan honderd jaar terug . Nu weer, nog steeds, de wielersport had de Amerikaanse sponsoren en media (televisie) nodig. Zo vond Hein Verbruggen eind jaren tachtig, vandaar zijn drang tot mondialisering. Verbruggen komt uit de marketingwereld, vandaar.

Ik was geen oorlogsverslaggever of onderzoeksjournalist. Ik volgde mijn favoriete sport wel kritisch. Ik heb altijd genoten (naïef en dom?) van Eddy Merckx, Bernard Hinault, Laurent Fignon, Greg LeMond, Pedro Delgado, Stephen Roche, Jan Raas, Roger De Vlaeminck, Johan van der Velde, Peter Winnen, Moreno Argentin, Claudio Chiappucci, Gianni Bugno (ik hield en houd van Italianen) , Miguel Indurain, Frank Vandenbroucke en die fantastische Francesco Moser. Dat ze (mogelijk) slikten, spoten en zoals Moser (Checco) als eerste door professor Francesco Conconi (de leermeester van de nu omstreden Michele Ferrari en Luigi Cecchini) ) werd geprepareerd met de voorloper van bloeddoping, dat was meegenomen. Anders had ik mogelijk niet van deze bijzondere atleten kunnen genieten. Ik heb nergens spijt van.

Sport is en blijft sport, en altijd met doping. Dat halen we nooit meer weg. Corruptie zit in de mens, die nu eenmaal altijd meer en hoger wil, en alleen maar nog beter wil worden en daarvoor alle middelen wil aangrijpen – ook verboden middelen. Sportiviteit is er alleen nog op zaterdagmorgen bij de hockeyveteranen, hoewel?

Mensen laten zich nu eenmaal betoveren en verblinden door topatleten, supermensen, mensen als Lance, door mensen die zij in hun eigen ellendige gewoonheid, saaiheid en geestelijke armoe, een goddelijke status toedichten. De voortdurende en toenemende (?) aanbidding van mensen die boven ons uitstijgen wat betreft talent en uitstraling, zegt meer over ons dan over supertalenten. Verering van mensen die meer kunnen dan wij ooit zullen kunnen,  is niet alleen eng, maar kan vooral gevaarlijk zijn. Mensen, zoals topsporters, die meer willen bereiken dan binnen hun mogelijkheden ligt, zijn ook riskant bezig. Ze verliezen zichzelf en kennen zichzelf niet meer. Topsport maakt meer kapot dan je (ons?) lief is.

Dat perfectionisme van Lance bijvoorbeeld was niet alleen overweldigend, maar ook eng.  Ik heb hem nauwelijks meegemaakt, zoals ik al schreef.  Maar toch. Ik mocht hem niet zo als mens, vooral sinds ik hem acht jaar geleden in een hotelkamer op een Amerikaanse tvzender (public television) in een interview van een uur hoorde antwoorden op de vraag ‘waarom ga je niet golfen of kaarten?’  Lance: ,,Ik doe niet mee aan dingen en vooral niet aan sporten waarvan ik niet zeker weet dat ik win’’. Die blik in zijn ogen! Die angstaanjagend killersblik. Echte topsporters zijn killers, maar dit…. Alsof hij de zeer strenge interviewer na afloop ging vermoorden. Kil. Ik werd bang van hem, zo had ik nog nooit iemand uit zijn ogen zien kijken (ja, in een thriller op tv of zoals Anthony Hopkins als Hannibal Lecter in The silence of the lambs). En dan die lichaamstaal IK BEN ONOVERWINNELIJK. IK BEHEERS MIJN WERELD. Mijn vrouw zei nog:  ,,Die man is gek.’’

Een volgende vraag was: ,,Zijn er mensen die met een man als jij, een bloedfanatieke winnaar, nog kunnen samenleven?” De glimlach op Lance’s gezicht werd een satanische grijns: ,,Natuurlijk, ik ben heel gelukkig met mijn familie.’’  Weer dat IK. En zij? Waren zij gelukkig met hem? De volgende vraag: ,,Waarom moet je alles winnen?’’ Lance: ,,Ik haat verliezen. Vooral sinds mijn ziekte wil ik nooit meer een loser zijn. Ik zal nooit meer verliezen. Dat weet ik zeker.’’ Toen maakte mijn angst voor die man plaats voor begrip, medeleven, zelfs een beetje medelijden.

In mijn selectieve herinnering weet ik nog dat de interviewer besloot met ,,Ik hoop dat je nog veel zult winnen, Lance.’’ Waarop Lance zei: ,,Ik zal je niet teleurstellen.’’ Dat ge-ik, ikke, ik, I, I, I, Me, Me (een uur lang) wees volgens mij op een ziekelijke afwijking… Het ging alleen maar over Us and Them. Megalomanie? Die man leefde (leeft) volgens mij in een kooi, een gekooid mens, dat als een getergde leeuw heen en weer raast. Wat een woede moet in dat lijf zitten.

Ik hoop dat hij nu zijn rust vindt, nu (bijna?) alles voorbij is. Hopelijk geeft hij de strijd met zichzelf en tegen de (hem vijandige) wereld op. Leugendetector? Kom op, Lance, doe jezelf een plezier, gun je zelf een rustig leven zonder strijd. Winnen is voor mij toegeven dat je kwetsbaar bent en nooit volmaakt kan en zal zijn. Blind streven naar perfectionisme is voor onvolgroeide, misschien verstoorde geesten.

%d bloggers liken dit: