Tag Archives: NRC Handelsblad

Wanneer stopt bewondering voor Peter Sagan?

3 Mrt

Bewondering kan zomaar omslaan in verzadiging. Dan is het arsenaal aan superlatieven leeg en zijn zelfs de kenners niet meer tot een verklaring in staat. Wat nog te zeggen? Wat nog te schrijven na weer een groots vertoon van talent? Waar radio- en televisiecommentatoren zich nog konden uiten in clichématige kreten van verwondering en verbazing, zwegen de schrijvers van de dagbladen daags na de eerste Noord-Europese wielerklassiekers de Omloop Het Nieuwsblad en Brussel-Kuurne opvallend over de krachtexplosies van Peter Sagan.

Wat nu weer? Hoe moet dit nu weer verklaard worden? Nee, niet weer een lofzang op Sagans buitengewone escapades, zo hoorden de verslaggevers het strenge stemmetje in hun hoofd. Dan maar een afwijkend verhaal over de wedstrijd of over de andere deelnemers. Het zijn terugkerende dilemma’s in de sportjournalistiek zodra de suprematie van een sporter of sportploeg het punt van verzadiging heeft bereikt. Wanneer mogelijk alle verklaringen zijn gebruikt valt de analyse stil.

Indrukwekkend en verhelderend was het verhaal van Dennis Meinema dat daags vóór de openingsklassieker in NRC Handelsblad verscheen: ‘In het land van Peter Sagan’. Familie, jeugdvrienden, trainers en trainingsmaatjes uit Sagans geboorteplaats Zilina vertelden wat voor een type mens Peter Sagan was. Maar dan nog leek het niet de ultieme verklaring van het uitzonderlijke talent. Er zou meer moeten zijn.

Zijn het zijn onaangepaste gedrag, zijn rare uiterlijk, zijn moeilijk te begrijpen gebruik van de Engelse taal die hem ongrijpbaar maken? Zeker, dat telt mee. Een opvallende rare verwilderde man (geen prototype van een topsportersuiterlijk) uit een land waar wielrennen nauwelijks wordt bedreven, een man die zich niet aangepast wil gedragen en die de clown mag uithangen (mogelijk uit marketingoverwegingen) is gewoon een vreemde snuiter. Alles wat hij doet wordt gedoogd. Sterker, om hem wordt vooral gelachen.

Zoveel winnen en dan nog gek doen, wie zal het hem kwalijk nemen? Wanneer hij straks niet meer wint, zal zijn gedrag worden gebruikt om hem te bekritiseren. Maar wanneer zijn triomftochten aanhouden zal zonder twijfel een analist opstaan die verder gaat zoeken. Zoals het een journalist betaamt, toch?

Wie weet komt er iemand op het idee achter het masker en het clowneske gedrag te gaan zoeken. Er moet toch iets zijn wat tegen de afspraken van sportief gedrag indruist. Als het niet extreme lichaamsbouw of buitensporig gedrag is, dan toch zeker voedings- en medicatiepatronen. Zoals is het toch vaak gegaan met sporters die ver boven de rest uitstaken? En niet alleen bij Russen, andere Oost-Europeanen, Chinezen en ander vreemd volk, zeg maar sporters die niet werden vrijgepleit uit chauvinistische motieven.

Een nog niet ontdekt motortje in de fiets, waar de Zwitserse renner Fabian Cancellara mee werd lastig gevallen, bloedversterkers of -verversers dan wel domweg een hart- of spierversterkende chip in het lichaam. Alles is mogelijk zolang er nog niet afdoende op kan worden gecontroleerd. Verwondering kan zomaar overslaan in scepsis. En voordat je het weet wordt elk nog niet vertoonde gedraging of prestatie uitvergroot en argwanend geanalyseerd.

Jaren geleden gingen plotseling steeds meer renners met stofbrillen rijden, oogbeschermers zoals die door motorcrossers werden gedragen. De ene renner verklaarde dat de wegen steeds stoffiger werden, de ander had (gewoon) last van geïrriteerde ogen. Van de ene op de andere dag hadden steeds meer renners last van geïrriteerde ogen. Inderdaad, bloeddoorlopen ogen. Tja, die stof. Sportbrillenfabrikanten zagen er wel brood in en sloten contracten af met renners – winstgevend voor beide partijen. Totdat een sportarts uit de school klapte en mij verklaarde dat die oogirritaties het gevolg waren van het toenemende gebruik van corticosteroïden onder renners. Er zou een besmettelijk virus heersen…. Wat natuurlijk werd ontkend door renners en verzorgers. De oogirritaties verdwenen even plotseling als ze waren ontstaan, de brillen bleven en werden steeds beter en zijn nu onmisbaar.

Vreemd gedrag vraagt om onderzoek. Zo ging Peter Sagan onmiddellijk na de Omloop Het Nieuwsblad naar het toilet. Vreemd, zo meende een Belgische tv-verslaggever. Sagan pareerde de sceptische opmerking broodnuchter dat ieder mens weleens naar het toilet gin wanneer dat nodig is. Een dag later, na Brussel-Kuurne, propte winnaar Sagan zijn mond vol met gummibeertjes die door een van zijn verzorgers in een zak werden aangereikt. Vreemd, nog nooit gezien, toch?

gummibeertjes
Een Belgische journalist ging gelukkig op zoek onderzoek en ontdekte via een diëtist die onder meer de Belgische nationale voetbalploeg en de wielerploeg van QuickStep (Tom Boonen, Niki Terpstra) begeleidt dat de snoepjes koolhydraten bevatten die leiden tot snel lichaamsherstel. Veel renners krijgen na afloop een eiwitshake aangevuld met gummibeertjes en een cola. In de massagekamers zijn er volgens de diëtist ook steeds snacks voorzien, zoals een smoothie op basis van magere Griekse yoghurt en fruit bijvoorbeeld. Weer eens wat anders dan speciale (mogelijk omstreden) preparaten zoals voedingssupplementen.

Zo kun je weleens wat leren van journalisten die op onderzoek uitgaan. Maar dan nog weten we niet helemaal wat Peter Sagan zo extreem en langdurig een geweldige wielrenner maakt. Misschien is hij gewoon extreem en langdurig goed. Misschien vragen we ons over een paar maanden af waar Sagan is gebleven. Misschien blijft scepsis de wielersport achtervolgen. Misschien zwijgen de wielercommentatoren liever na al die onthullingen en beschuldigingen en zijn ze op zoek naar nieuwe superlatieven om uitblinkende wielrenners op een voetstuk te zetten. Vooral wielrennen blijft een sport vol geheimen.

Deze column is gepubliceerd op http://www.sportenstrategie.nl

Piet Keizer had niks met heldendom

11 Feb

Gewoon Piet Keizer (14 juni 1943). Wars van adoratie en welke vorm van idolatrie dan ook. Niks mysterieus, niks geniaal, niks poëtisch, niks fenomenaal. Piet wilde niet herinnerd worden als de legendarische linksbuiten van Ajax met de verbazingwekkende, onvoorspelbare schaarbeweging. Van lyriek en fantasie begreep hij geen snars. Hij deed gewoon de dingen die hij wilde doen. Hij zei gewoon de dingen die hij wilde zeggen. Dat anderen er iets bijzonders in zagen, moesten zij weten.

Natuurlijk had Piet vreugde beleefd aan wat hij heeft gedaan als voetballer. Natuurlijk juichte hij na een doelpunt, schepte hij genoegen in een geslaagde passeerbeweging of een succesvolle vrije trap waarmee hij de bal over het muurtje in het doel had gekruld. Dat vond hij nou zo leuk aan voetballen. Maar die ‘kouwe drukte’ er omheen, vooral van de journalisten of nog erger van een select gezelschap schrijvers dat hem zo nodig wenste te bewieroken in poëtische lofzangen. Als hij in staat was geweest zoiets te verbieden, had hij het gedaan. Sommige dingen die over hem werden gezegd, vervulden hem met walging.

Zo ervoer Rik Planting tijdens een opvallend openhartig gesprek voor het boek Lucky Ajax, de eregalerij (Thomas Rap, 1996). ‘Al heel snel had ik beslist dat die publiciteit voor mij niet hoefde. Het werd omgedraaid: ik vond voetballen heel leuk, maar ik heb nooit of te nimmer gevraagd of iemand kwam kijken (…) Een dichtbundel voor mij is het toppunt van wat ik niet kan en wil begrijpen. Ze denken: Hé, dit is hot, daar moet ik bij zijn, daar moet ik aan meedoen.’

Weg was de adoratie. Weg was de vereenzelviging met ‘Pietje Keizer’ (wiens acties ik als iedere andere jongen tevergeefs probeerde na te doen op het trainingsveld), zodra ik op latere leeftijd als journalist oog in oog met hem stond. En zeker zodra ik in 1996 Plantings boek had gelezen: ‘Publiek reageert op de actie, niet op de bedoeling. Niemand wist wat mijn bedoeling was. De ene keer lukte het, een andere keer niet. Maar mijn bedoeling was altijd oprecht. Uiteindelijk lukte er altijd minder dan ik wilde (…) De verdwazing van het publiek kan toch geen kick geven? (…) Ik begrijp niet dat er zoveel mensen zijn die zich kunnen opwinden, zo betrokken kunnen zijn.’

Het zijn van die passages in mijn leven die mij hebben doen inzien hoe betrekkelijk de kwalificatie ‘held’ in sportbeleving is. ,,Helden zijn mensen die zijn opgestaan uit de dood, die bloed hebben zien vloeien. Sportmensen zijn geen helden, dat zijn gewoon mensen die een kunstje beter uitvoeren dan een ander’’, zei Piet tegen mij aan de vooravond van een duel van Bayern München tegen Ajax, ergens medio jaren negentig. Piet (aanwezig als columnist/analist van een weekblad) zat naast zijn vriendin toevallig tegenover mij in een hotel buiten München aan de Tegernsee. Hij was zeer vriendelijk en complimenteerde me met mijn analyses in NRC Handelsblad over Ajax: ,,Jij gaat gelukkig niet mee met die euforie van je collega’s en dat geschreeuw van die Van Gaal over zijn succesformule. Dat voetbal van Ajax slaat nergens op. Ik zie geen lol, ik zie alleen computerspel. Het is allemaal zo betrekkelijk, dat voetbal. Vandaag noemen ze een speler een held, morgen bestaat hij niet meer. Vertel mij wat. Ik heb er nooit aan meegedaan. Maar, ach laat maar…’’

pietje
Het werd een genoeglijke middag – vanzelfsprekend laten wederzijdse complimenten je niet onberoerd. Piets vriendin (zijn tweede vrouw) straalde en Piet straalde met haar mee. ,,Weet je wat ik zo mooi vind’’, zei Piet, ,,zij vindt jou leuk en jij doet alsof je niet weet wie ik vroeger was. Gewoon, samen zitten praten over voetbal en het leven, daar houd ik van. Voetbal is mijn leven, altijd geweest. Totdat ik merkte dat het einde was gekomen, ergens in oktober 1974. De andere spelers waren klaar met mij. [Trainer] Hans Kraay wilde iets anders, toen zei ik: ‘Krijg de klere maar, ik stop ermee’. De beste beslissing die ik heb genomen. Maar nu wat anders graag…’’

Ergens in die periode – kort na zijn abrupte afscheid – had ik in Vrij Nederland gelezen, in een interview van Frits Barend en Henk van Dorp, dat het journalistenduo was opgevallen dat Piet tijdens een wandeling door zijn tuin aan de Amstel zomaar over een bal was gestapt die iedere andere voetballer van vlees en bloed een subtiel tikje dan wel een harde trap zou hebben gegeven. Piet kwam er in het Beierse hotel op mijn verzoek op terug: ,,Geloof jij dat? Je moet niks geloven wat anderen schrijven. Misschien was het waar, misschien niet. Iedereen zijn eigen waarheid, iedereen zijn eigen perceptie. Je ziet wat je wilt zien. Sterker nog: het was wel waar.’’

Ik voelde me op mijn gemak bij Piet. Hij kon chagrijnig kijken, narrig zijn en irritant zwijgen. Als je hem maar in zijn waarde liet, gewoon Piet Keizer, niet meer en niet minder. Echt een warme man, hij straalde rust uit als je hem maar niet op zijn ‘kwaliteiten’ wees.

Op een middag in de lounge van een Brussels hotel aan de vooravond van een wedstrijd België-Nederland, zat ik tussen Piet en Johan Cruijff, omringd door hun echtgenotes en KNVB-voorzitter Jeu Sprengers. Johan had het hoogste woord, Piet stootte me telkens aan. Danny, Johans vrouw, nodigde Piets partner uit te gaan shoppen, mogelijk het gepraat van haar man beu. Want Johan had alles gezien, alle voetbalzenders gezien, niks was nog een geheim voor hem.

Johan filosofeerde over spelregels en andere voetbalwijsheden. Waarop Piet zei: ,,Ze moeten de cornervlaggen weghalen.’’ Johan zei ‘ja’. Waarop Piet zei: ,,En die doelpalen moeten ook weg.’’ Johan gaf Piet gelijk. Johan ging maar door. Toen sprak Piet de gedenkwaardige woorden: ,,Als ik jou goed begrijp moet je het hele voetbal afschaffen. Mij best, hoor. Maar misschien krijg jíj daar het meeste last van.’’
piet_keizer_in_actie_foto_vi_images
Daar zaten dan de mannen die ik bij Ajax had zien toveren, de ene door zijn frivoliteit, de andere door zijn geniale inzicht. Beiden eigenzinnig. De een leefde in een obsessie. De ander in een nieuwe gedaante, die van afstandelijke analist, een man die zijn leven in tweeën deelde en niet helemaal wist waar hij zich thuis voelde.

In veel beschouwingen wordt Piet Keizer neergezet als een man die zich had voorgenomen Johan Cruijff tot aan zijn dood te dwarsbomen. Zo heb ik het niet ervaren. Piet was gewoon niet volgzaam. Niet ten aanzien van Cruijff en zeker niet ten aanzien van zijn coach Rinus Michels, die zoals hij later verwoordde hem het plezier in voetbal afnam. Door Michels werd voetballer zijn een beroep. ‘Ik vond wat hij deed beknotting, bevoogding’, aldus Keizer tegenover Rik Planting.

Niettemin begreep Keizer naderhand dat Michels de basis had gelegd voor het latere succes van het Nederlandse voetbal, door diens invoering van discipline en zijn nadruk op het belang van het collectief. Maar leuk? Nee, die tijd was voorbij. Die alom bewonderde schaarbewegingen, die vrije trappen met een krul, die passes en kogelharde schoten, dat gaf pas echt plezier. Wat men er ook van vond.

Nuchter? Piet nam op een late avond zijn telefoon op. Ik zei hem wie ik was. ,,Aha, die afstandelijke journalist die altijd op zoek is naar de waarheid. Wat een eer. Je bent zeker dronken. Bel morgen maar terug, dan vertel ik je wat ik denk. Welterusten.’’

Het was de ultieme schaarbeweging. Onvoorspelbaar en realistisch. Droog, gewoon zoals je een tegenstander omzeilt op weg naar het doel. Piet was als de buurman, zoals hij zich altijd had gewenst. Gewoon een mens waar ik niet meer tegenop hoefde te zien – en dat was louter zijn verdienste.

Maar toch: graag nog één keer de schaar van Pietje.

Dit artikel is verschenen in NRC Handelsblad

Heeft Tiger Woods zijn duivels al ontbonden?

30 Nov

Morgen, donderdag 1 december, maakt Tiger Woods zijn rentree in een toernooi na 470 dagen van afwezigheid. Hij maakt zijn opwachting op de Hero World Challenge, een toernooi op de Bahama’s waarvoor de beste achttien golfspelers ter wereld zijn uitgenodigd. Woods zegt er aan toe te zijn. ,,Ik kan alle slagen maken die ik wil. Ik heb alles onder controle. Het was een slimme zet mijn rentree uit te stellen. Ik was er mentaal nog niet klaar voor en beheerste nog niet alle slagen.” Afgelopen maandag, drie dagen voor het begin van het toernooi, probeerde hij de golfliefhebbers én de organisatie gerust te stellen: ,,Ik sloeg ze goed vandaag.”

Heel lang is het geduld van de golfliefhebbers op de proef gesteld. Reikhalzend kijken ze daarom uit naar zijn eerste slagen. Woods kon ondanks al zijn fysieke en psychische onzekerheden niet wegblijven van het toernooi dat mede door de Tiger Woods Foundation wordt georganiseerd.

Foto: Sportsinsights.com

Foto: Sportsinsights.com

De vraag is ook hoe lang hij blessurevrij blijft na jarenlange problemen met zijn knieën (vier operaties) en rug (ook enkele operaties). Er zijn kenners die zeggen dat Woods zijn swing moet aanpassen: ,,Als je je rug blesseert, dan vertelt je lichaam je dat je zo niet kunt bewegen. Tiger moet zijn swing aanpassen. Als hij zo blijft swingen als vroeger, dan raakt hij opnieuw geblesseerd.”

In een artikel op golfdigest.com vertelde Woods dat hij op 40-jarige leeftijd (hij wordt 30 december 41) veel tijd nodig heeft om soepel en fit aan een ronde te beginnen: ,,Ik mis de dagen dat je naar de eerste tee liep en je een bal 270 meter wegsloeg. Je moet nu je spieren activeren. Ik was in de fitness met Justin Rose. Hij is 36 nu en ook hij heeft anderhalf uur nodig voordat hij ballen kan slaan.”

Zo zijn er meer verklaringen die de golfliefhebbers sinds jaar en dag bezighouden. Nog geen anderhalve maand geleden zorgde de Amerikaan andermaal voor grote ongerustheid. Zou hij nog ooit terugkeren? En, zo ja hoe?

‘See Phil. Daily tickets only $30’. Zo probeerde begin oktober de organisatie van het Safeway Open op haar website golfliefhebbers naar het toernooi op Silverado Resort in Napa, Californië, te lokken. Eerder stond er nog ‘See Tiger. Daily Tickets only $30’. Of nu de vijfvoudige major-winnaar Phil Mickelson de publiekstrekker is of de veertienvoudige major-winnaar en legende Tiger Woods maakt nogal een verschil.

Drie dagen nadat Woods zijn terugkeer in een golftoernooi aankondigde, rekende de organisatie van het Safeway Open nog op 30 tot 40 procent meer toeschouwers dan in voorgaande edities zonder Tiger. Alle golfliefhebbers willen Tiger zien. Of hij het nog kan na ruim veertien maanden afwezigheid. Zal hij nog net zo goed worden als vroeger, vóór zijn blessures en voordat hij de controle op zijn leven verloor – volgens ingewijden na de dood van zijn vader in 2006? Kan hij nog echt op jacht naar het major-record van Jack Nicklaus, die er achttien won.

De organisatie van de Safeway Open kreeg schadeclaims, mensen die kaartjes voor Tiger kochten wilden hun geld terug. Leuk hoor, die Mickelson voor 30 dollar, maar ze wilden Tiger zien, hem zien swingen, chippen en pitchen, zoals niemand vóór hem en na hem heeft gedaan. Gokkantoren voelden zich benadeeld. Tiger zou terugkomen en hoe! Berichten van spelers die met hem oefenden en enkele holes met hem liepen, voorspelden sensatie. Jesper Parnevik, met wie Woods al lang bevriend is, zei tegen Golf Channel: ,,Over comebacks kun je nooit zeker zijn, maar iets zegt me dat zijn comeback spectaculair zal worden.”

Een week voor het toernooi wees niets op een uitstel van Woods’ terugkeer. Hij had begin oktober als assistant captain van het Amerikaanse team inspiratie opgedaan tijdens de Ryder Cup, voelde zich thuis tussen de spelers met wie hij zo vaak optrok en verklaarde zich zowel lichamelijk als geestelijk goed genoeg om het toernooi te spelen. Maar ineens was daar drie dagen voor het begin van het toernooi die afmelding en verklaring op zijn website: ‘Alles is goed, maar zijn spel is nog te kwetsbaar’.

Mensen die Woods menen te kennen, zeiden dat ze de afmelding voelden aankomen. Tiger moet geschrokken zijn van de hype in de media rond zijn terugkeer, vooral alle drukte en analyses op Golf Channel. Zoals: ‘Oeps, daar gaan we weer. Waar raak ik in verzeild? Ik wil die drukte en die druk niet meer. Ik blijf lekker thuis, breng mijn kinderen naar school en houd me met mijn restaurant bezig. Alles is beter dan weer te moeten scoren en te worden beoordeeld.’

Het leven kan zo mooi en vredig zijn, als je niet telkens wordt beoordeeld op je scores. Golfen op een groot toernooi doe je niet voor je plezier als je zo groot, geprezen en verguisd bent als Tiger Woods. Elke slag wordt beoordeeld, elke prestatie. Daar kan een mens genoeg van krijgen.

Het is een duivels dilemma. In een indrukwekkend verhaal op de website van ESPN beschreef Wright Thompson in april van dit jaar tot in detail de lijdensweg die Woods door de dood van zijn vader in 2006 heeft doorlopen. Hoe hij stuurloos verder moest zonder zijn anker, de man die hij bewonderde, die hij wilde evenaren, wiens leven een voorbeeld voor hem was, de man van wie hij op zijn derde jaar moest leren golfen. Hij was zijn vader. ‘Woods’, schrijft Thompson, ‘ging op zoek naar iets dat hij nooit zou vinden.’ Vrouwen, die net als bij zijn vader altijd al op zijn pad waren gekomen, waren er bij tientallen, maar niet één gaf hem rust. Tijdens slapeloze nachten gaf hij zich over aan onmenselijke kracht- en gevechtstrainingen (CQD). Niemand was er nog om hem in zijn leven te steunen, te stimuleren en te helpen, zoals zijn vader. Met het boeddhisme, dat hij van zijn Thaise moeder (gescheiden van zijn vader) had geleerd, kon hij ook niet verder. Hij was de weg kwijt.

Begin 2012 baarde al het boek van zijn voormalige coach Hank Haney (The Big Miss: My Years Coaching Tiger Woods) opzien. Woods zou tijdens lezingen en trainingen op militaire bases gezegd hebben dat hij overwoog te stoppen met golf en Navy SEAL te worden, omdat dat altijd zijn droom was geweest. Woods en zijn management haastten zich om deze verhalen in het boek te ontkennen.

Tiger Woods op de schietbaan van Navy Seals in San Diego. Foto: Wikimedia/CC/Keith Allison

Tiger Woods op de schietbaan van Navy Seals in San Diego. Foto: Wikimedia/CC/Keith Allison

In de longread van Wright Thompson, afgelopen april, bevestigen bronnen bij de Navy SEALs dat Woods inderdaad talrijke zware trainingen heeft gevolgd: hoe te schieten en te doden, hoe gebouwen te ontruimen, uit vliegtuigen te springen en onder water te vechten. Een trainingsmaat zegt: ‘Hij hield van de anonimiteit van een uniform dragen en lid te zijn van een team. Hij was heel serieus. Als hij het twee jaar had volgehouden, zou hij gestopt zijn met golfen. Geen twijfel.’

Nog altijd worstelt Woods met zijn status. Aan de ene kant was hij graag de verlegen jongen gebleven die veel las. Over hoe te leven met een vader die in Vietnam had gestreden en in zijn hart altijd militair was gebleven, hoe om te gaan met zijn talent voor golfen? Aan de andere kant is hij graag de beste in golf. Hij werd er miljonair door, met alle privileges.

Wie door zijn vader The Chosen One wordt genoemd, voorbestemd om de beste golfer ter wereld te worden en vooral om de wereld (als zwarte sportman) te veranderen, draagt een zware last. Wat heeft hij te verliezen? Zijn status. Wat te winnen? Zijn ware zelf, een man die graag golft en niet bang is om te verliezen.

Of hij de ware zelf heeft gevonden, zal moeten blijken. Of hij weer zo magistraal kan golfen, zal de tijd leren. Misschien de komende dagen al.

Dit artikel is gepubliceerd op de website van Sport en Strategie en verscheen eerder in een niet geactualiseerde versie op 13 oktober in NRC Handelsblad

De Klassieker, over trauma’s en andere (mooie) emoties

25 Okt

Opgezweept door alle verhalen, interviews en aankondigingen besloot ik me zondagmiddag mee te laten slepen door de sfeer in De Klassieker. Ik had die stemming in mijn beroepsmatige leven al vaak meegemaakt, met goede en slechte ervaringen. Spannend waren de wedstrijden voor mij altijd, of ze nu in De Kuip, De Meer, het Olympisch Stadion of in de Arena werden gespeeld. Ik was er altijd neutraal getuige van, want ik ben van Ajax noch Feyenoord supporter. Mijn kippenvel was anders dan van de supporters in het stadion, maar mijn zintuigen stonden wel degelijk open en trilden zodra mijn zenuwen geprikkeld werden.

foto-editie_vincent_mentzel_kleiner

Foto Vincent Mentzel

De Klassieker wordt het duel tussen Feyenoord en Ajax genoemd. Vooral omdat het een klassiek ‘gevecht’ tussen Rotterdam en Amsterdam is. Met klassieke voorbeschouwingen, klassieke interviews en klassieke stemmingmakerij. De Klassieker heeft wat betreft sfeer en beladenheid veel weg van een derby, een wedstrijd tussen rivalen uit dezelfde stad of dezelfde streek. Wedstrijden die geladen worden door de media, de supporters en de betrokken spelers en trainers.

Ik heb er veel meegemaakt, clubderby’s, in binnen- en buitenland, in kleine dorpen en grote steden. En altijd hing er een magische zindering in de lucht. Bij de Derby della Madonnina (Milan-Internazionale), bij Flu-Fla (Fluminense-Flamengo in Rio de Janeiro), El Clásico (Real Madrid-Barcelona), de Old Firm (Rangers-Celtic in Glasgow, afgelopen weekend nog gespeeld), Kitalar Arasi Derbi (Derby van de Continenten tussen Fenerbahce en Galatasaray in Istanbul) en de Ruhrpott- of Kohlenpottderby tussen Borussia Dortmund en Schalke. Wat had ik graag andere derby’s meegemaakt, zoals Al Ahly-Al Zamalek in Caïro, Boca Juniors-River Plate (El Superclasico) in Buenos Aires en FC Dundee-Dundee United (Ne’erday Dundee). Het spelpeil is nauwelijks van belang: het gaat om de sfeer.

Ik geef toe: de sfeer had niet altijd een gezonde uitwerking op mijn kwetsbare geestelijk gestel. Ik was gefascineerd, bloednerveus; diep van binnen was ik eigenlijk bang, al vanaf het stadion in zicht kwam. Zingende, schreeuwende en agressieve supporters. Duizenden mensen die honger en dorst hadden naar iets dat ze op gewone dagen niet kregen – en dat luidkeels lieten blijken. Vóór een van die Klassiekers werd mij (als verslaggever) buiten het stadion (De Kuip, De Meer, het Olympisch Stadion of de Arena) vaak op brute toon gevraagd door opgewonden (én al beschonken) supporters voor welke club ik was. Dat geen enkele club mijn voorkeur had, durfde ik niet te zeggen. Ik durfde eigenlijk niets te zeggen. Ik peilde eerst met welke supporters ik te maken had en mompelde dan de naam van de club voor wie zij duidelijk door het vuur gingen. Dan werd ik op mijn schouders geslagen en kreeg een slok bier aangeboden. Wat een uit angst geboren, huichelachtig compromis niet oplevert.

Bestuurders en trainers van de betreffende clubs waren meestal even opgewonden en riepen mij voor en vooral na de wedstrijd intimiderend ter verantwoording, omdat ik in hun ogen niet de ‘juiste’ partij koos. Zo heeft de voorzitter van een van die clubs me eens streng aangekeken en – op z’n zachtst gezegd – gemaand toch vooral bij mijzelf na te gaan waar ik mee bezig was. Anders zou het gevolgen kunnen hebben voor mijn status. Inderdaad, enige tijd later was ik niet welkom in een vliegtuig waarin de club met spelers, trainers, bestuurders, sponsors en andere verslaggevers naar een belangrijke buitenlandse uitwedstrijd reisde. De voorzitter van die andere club zond mij een brief met zeer dreigende taal. Hoe ver kun je gaan als verantwoordelijke van een grote voetbalclub?

Van supporters verwachtte ik dit soort gedrag, maar niet van bestuurders van naam en faam, ogenschijnlijk onkreukbare, chique heren. Had ik het dan zo bont gemaakt? Nee, hoor, ik was gewoon neutraal en liet me niet meeslepen door chauvinisme en ander supportersgedrag. Maar voetbal raakt diepe emoties, zo heb ik ervaren, zelfs bij achtenswaardige bestuurders.

Scheld- en dreigbrieven, later haatmails, heb ik in honderdvoud ontvangen na mijn verslagen van De Klassieker. Ik had de ‘juiste’ partij moeten kiezen. Hilarisch was een brief van een Rotterdamse advocaat (dat stond in het briefhoofd) die mij een stoeptegel van de Coolsingel naar mijn hoofd zou komen slingeren, als ik niet gauw zou stoppen met mijn (‘vijandige’) manier van verslaggeving. Het was allerminst een anonieme brief. Ik ben er nog mee naar mijn hoofdredactie gelopen. Antwoord: ‘Voetbal maakt mensen gek, dat weet je toch. Laat gaan!’

Mede daarom en daarop volgende nare ervaringen met gedrag in de voetbalwereld kom ik nooit meer in een voetbalstadion. De sfeer maakt mij bang en roept traumatische ervaringen op. Vandaar dat ik zondag ook niet naar De Kuip ben gegaan (als ik al een kaartje had kunnen bemachtigen). Ik bestelde bij Fox Sports één wedstrijd (bijna 8 euro), vroeg mijn zoon hoe ik dat moest instellen en nestelde me op de bank. Kom maar op, na al die opgewonden stukken in de kranten en op andere media, en al die voorbeschouwingen. Misschien zat er wel een column in. Over de historie van De Klassieker, het belang, de sfeer, de spanning, oogstrelende acties en prachtige doelpunten. Wat ik ben toch echt een liefhebber van voetbal.

Zoals ik schreef over een klassieker of een derby: het spelpeil is nauwelijks van belang. Het gaat om de spanning en de beladenheid, die zonder twijfel voor spelers en trainers (laat staan supporters in het stadion) voelbaar is. Je zult er maar staan, als speler, opgefokt door iedereen in je omgeving. Kun je dan nog een bal goed raken, vooral als je voor het doel staat en hem maar voor het inschieten hebt? Mis je, dan wek je de frustratie en woede van je hele omgeving. Scoor je, dan ben je een held, voor eeuwig een held omdat je in De Klassieker hebt gescoord en ‘dus’ hebt uitgeblonken. Dan staat de volgende dag je naam met foto in alle kranten, dan ben je een talent dat zonder twijfel nog een grote toekomst tegemoet gaat.

Zo verging het Kasper Dolberg, een Deense spits van Ajax die drie weken geleden 19 jaar is geworden. Eén doelpunt, even koelbloedig als magistraal – dat zeker. Maar meer bijzonders heb ik (althans zondag) nauwelijks van hem gezien. Toch stond een dag later in àlle kranten een eerbetoon aan het veronderstelde grote talent van Dolberg. ‘Grote toekomst’, ‘alweer een Deens talent’, ‘én zo verlegen’ en meer. Is dat wat een doelpunt in De Klassieker met je doet? Is dat waar voetbalhunkering over gaat? Opoortunistische heldenverering.

Ik was veel meer onder de indruk van een pass van zijn ploeggenoot Hakim Ziyech, kort nadat deze de doel treffende Dolberg al van een subtiele assist had voorzien. Maar die tweede pass!  Zo scherp, zo strak over het gras en effectvol remmend, zo achteloos met de buitenkant van zijn voet. Zo precies op maat was die pass voor de voeten van (weer) Dolberg, die er dit keer niets uithaalde. Ik schoot overeind vanuit mijn liggende positie en kraaide tegen mijn zoon: ‘Zag je dat? Wat een traptechniek!’ Zo zien we dat toch zelden meer in het Nederlandse voetbal? Ik trilde van emotie. ‘Totale gekte in de wreef’, schreef Hugo Camps zaterdag al in NRC Handelsblad over dit échte grote talent.

Mocht ik nog beroepshalve voetbal hebben gevolgd, dan zou ik alleen mijn belevingen met Ziyechs bewegingen en voetenwerk hebben beschreven. Vaak en heel lang werd de Marokkaan in bedwang gehouden en overtroefd door zijn landgenoot Karim El Ahmadi, maar even los van zijn horzel gaf hij een beslissende pass en daarna een nog mooiere (die niet in een doelpunt resulteerde). Dat is talent, dat is virtuositeit, dat is waar ik het liefst naar kijk als ik voetbal wil zien.

Dat heb ik toch maar meegekregen van de Klassieker in de Kuip. Ver van het gewoel en gejoel, ver van de hunkering en de agressie in het stadion, ver van door emoties overmande spelers, trainers en bestuurders, ver van hun clichématige reacties. Ik lag op de bank, in de hoop te kunnen genieten van een beladen wedstrijd en kreeg zowaar tranen in mijn ogen van die weliswaar sporadische maar oogstrelende acties van Ziyech. En ik hoefde als neutrale toeschouwer voor niemand bang te zijn. Dat verheugde me nog het meest.

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

Het gedrag van olympiërs zegt mogelijk veel over onszelf

13 Aug

Menselijke drama’s zijn er in vele vormen geweest in de eerste week van de Olympische Spelen. Sporters die vielen op momenten dat de spanning steeg, sporters die plotseling niet in de gewenste topvorm verkeerden, sporters wier materiaal het begaf, juryleden die in de hete olympische sfeer arbitraire beslissingen namen en sporters die zich om menselijke redenen niet aan de afspraken konden houden en daarom werden uitgesloten van deelname. Wat willen mensen die naar topamusement kijken nog meer?

Opgewonden, hijgerig, overspannen en verward is gereageerd op de zenuwslopende jacht naar medailles. Niet in de laatste plaats door de media die graag duidelijk maken hoe intens betrokken ze zijn bij de gladiatoren in de olympische arena’s. Wie enige afstand bewaart en emotieloos op de gevechten reageert komt van een andere planeet en wordt bij voorkeur niet serieus genomen. Verondersteld wordt dat deze dissonant niet begrijpt dat het toch echt allemaal om goud draait.

Emoties laaiden hoog op. Voor de een kan het nooit genoeg zijn. Het zijn de thrillseekers die verslaafd zijn aan adrenaline en andere euforieversterkende stoffen dan wel hormonen, mogelijk bang voor de stilte en de ontspanning, bang voor de kennismaking met de rusteloosheid in zichzelf. Een ander wordt gefascineerd door wat op blinkend goud en eeuwige glorie gerichte jonge sporters bezielt en vooral door waar ze onder hoogspanning toe in staat zijn. Hoe krijgen ze dat toch voor elkaar? Wat hebben ze moeten doen om deze prestaties te verrichten? Hoeveel uren per dag, per week en per jaar? Jarenlang hebben ze moeten trainen om in Rio de Janeiro te mogen zijn en dan te tonen wat ze als mens allemaal kunnen.

Mijn vrees dat deze jonge sportmensen gecomputeriseerd en al bijna gerobotiseeerd aan de Olympische Spelen zijn begonnen (zoals ik op 6 augustus in NRC Handelsblad schreef: ‘Zo goed als een machine’), is vooralsnog gelogenstraft. Vanzelfsprekend staat de topsport op het punt te verwetenschappelijken, maar naar wat ik de afgelopen week ervoer is het merendeel van de olympiërs nog van vlees en bloed, nog even fysiek en psychisch kwetsbaar als u en ik. Uitgezonderd de helden die perfect presteerden en de jongens en meisjes die tot ongekende grote hoogten en snelheden reikten. Waar is een mens nog toe in staat? Waar ligt de grens van de fysieke en psychische mogelijkheden?

Die vragen zijn niet van vandaag of gisteren. Het is inherent aan de sport sinds ze werd bedacht om wat voor reden dan ook. Iedereen is gefixeerd op het oprekken van grenzen. De olympische beweging meent daar paal en perk aan te stellen door een ‘ethische’ grens te trekken. Om maar een voorbeeld te noemen: medische middelen die de natuurlijke aanleg van het lichaam geweld aan doen, dus stimuleren, zijn niet toegestaan. Met als argument dat ze schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid (alsof topsport met al zijn obsessies en lichaam verstorende gedragingen gezond is). En dat het de competitie vervalst. Iedereen gelijke kansen, zoiets. U en ik hebben dezelfde vader en moeder, we zijn uit hetzelfde hout (vlees en bloed) gesneden, we komen uit hetzelfde land, we beschikken over hetzelfde geld, hetzelfde materiaal, dezelfde begeleiding, dezelfde wetenschappers, dezelfde sportpsychologen en we zijn opgegroeid in dezelfde cultuur. Ja, toch? Of zijn we allemaal gelijk, zijn we allemaal geboren met gelijke kansen?

Ik zag de rugbyers van Fiji in de finale van het olympisch toernooi de Engelse tegenstanders ‘vermorzelen’. Allemaal donkere mannen, van een eilandengroep met nog geen miljoen inwoners, die de Engelsen op atletisch talent op alle fronten aftroefden. Ik zag de vreugde en de ontlading na hun triomf en dacht: welke wetenschappelijke begeleiding hebben deze ‘natuurlijke’ mannen gehad? Of hadden ze baat bij voodoo, een of andere grote god dan wel een stimulerend kruid. Het zal toch niet de doping zijn die door de olympische beweging wordt verboden of hun afkomst, cultuur en genetische aanleg – mensen van Fiji hebben iets wat wij (of de Engelsen) niet hebben? Een bepaald gen waarover anderen niet kunnen beschikken misschien.

Ongeveer tegelijkertijd zag ik mannen zwemmen. Groot, stoer, vastberaden, gespierd, scherp, afgetraind zoals dat heet. Mijn zoon zei nog: ‘Hoe krijg je zo’n lichaam?’ We zagen gespierde borst-, schouder- en bovenarmpartijen zoals vroeger zwemmer en tarzankloon Johnny Weissmüller ze als vrijwel enige had. Het testosteron spatte er vanaf. Maar tegelijkertijd viel mij op dat alle zwemmers geen borsthaar hadden. Gladgeschoren? Aerodynamisch dus. Zwemgigant Pieter van den Hoogenband dankte veel van zijn snelheid aan zijn borstpartij, omdat deze de vorm van een catamaran had. Mooi meegenomen, toch? Hij was een man met talent met daarnaast een enorm doorzettingsvermogen en een positieve inslag. Maar die gladgeschoren borstpartij? Je zou het zomaar stimulerend (doping) kunnen noemen.

In mijn nieuwsgierigheid naar omgaan met leven, beland ik voortdurend in boeddhistische visies. Een van mijn inspiratiebronnen is Pema Chödrön, een boeddhistische lerares die ik graag raadpleeg bij mijn vragen. In haar boek Waar je bang voor bent, vind ik in mijn zoektocht de passage ‘Proberen onszelf beter te maken helpt niet. Dat gaat uit van strijd en jezelf kleineren.’ Dus, wie meer wil zijn dan hij is, verloochent zichzelf, wie hij werkelijk is.

Nadat ik het had voorgelezen zei mijn zoon: ‘Ja, waarom moet ik zijn zoals die mannen die goud winnen? Word ik veroordeeld omdat ik niet zo ben, niet hun talent heb en niet zo ben opgevoed zoals zij? Wie niet is zoals de winnaars, deugt niet. Die krijgt geen aandacht. Alleen wie goud wint, krijgt aandacht als rolmodel.’ Hij wees me op het nummer Warsaw van Them Crooked Vultures, en zong vervolgens met luide stem over zijn dilemma die in zijn beleving extreem verkeerd en daarom ontwrichtend wordt uitgedragen door de media, de geobsedeerde jacht op goud en zilver: ‘It’s all medals and trophies, trophies and medals. All before the race has been run.

We kwamen onvermijdelijk bij Yuri van Gelder uit. Een man met spieren die buitenproportioneel (onmenselijk?) zijn gegroeid door jarenlange intensieve training. Hij wilde een uitzonderlijk mens zijn. Anders en beter dan anderen – zeker niet minder dan anderen. Kijk mij eens, wie ik ben en wat ik allemaal kan. Ik ben Yuri, ik ben een man. Ik wil aandacht. Als je het niet ziet, dan zal ik het nog één keer laten zien. De hele wereld zag het. Maar het was niet genoeg. Nooit was het genoeg. Nooit zal het genoeg zijn. Hij wil en moet laten zien dat hij bestaat. Desnoods met behulp van geestverruimende middelen die hem op z’n minst boven zichzelf kunnen uittillen. Topsport, medailles en titels kunnen daartoe ook bijdragen. Maar het is nooit genoeg. Nooit meer.

Het gevecht van Yuri zou mensen aan het denken moeten zetten. Waarom Yuri en die andere sportmensen willen triomferen. Is er een gat in zichzelf die zij moeten opvullen? Herkent iemand de strijd die Yuri voert? Ik moet nu veel denken aan Paul Gascoigne, al enige jaren (tevergeefs) in een ontwenningskliniek verblijvend en nooit meer de mens die we van hem willen zien. Ik volg zijn twitter-berichten die hij vrijwel dagelijks rondstuurt. Zoiets als deze: ‘Morning all have a lovely wkend thinking of YOUS all lots of hugs GAZZA I’ll read your tweets and get back to all love&hugs GAZZA 😘👅😜xx’ Het is een onophoudelijke tragedie.

Sport biedt drama, mensen die het wel en ook niet redden. Sport is waar we over na moeten denken. Omdat het veel over ons zelf zegt.

Deze column is gepubliceerd op http://www.sportenstrategie.nl

Johan Cruijff deed ‘gewoon’ wat in hem opkwam

26 Mrt

Hoe duid je genialiteit, van een voetballer nog wel? Het is bijna onmogelijk in woorden uit te drukken waartoe een voetballer in staat is die genialiteit wordt toegedicht. Wat is dan die bijzondere begaafdheid die hem boven andere voetballers uittilt? Het is meer dan talent, het is iets waar zintuigen geen vat op krijgen.

Zo verging het mij toen ik Alfrédo Di Stéfano zag, Pelé en de andere Brazilianen zoals Garrincha, Didi, Rivelino, Gerson. En Faas Wilkes. En later Johan Cruijff, Diego Maradona, Zinédine Zidane, Lionel Messi en Cristiano Ronaldo. Voetballers die op een voetbalveld iets doen wat geen trainer je kan leren. Vergelijkbaar met basketballers als Michael Jordan, boksers als Muhammad Ali en golfers als Tiger Woods, voordat diens verstand de boventoon ging voeren. Het is niet te evenaren, laat staan te overtreffen, hoe graag je dat als voetballer ook wilt – altijd op de zoektocht naar nieuwe bewegingen, nieuwe trucs, nieuwe acties, nieuwe, nog niet uitgevoerde voorstellingen.

Tekening Siegfried Woldhek, uit mijn bundel Sportportretten op Maandag (2002)

Tekening Siegfried Woldhek, uit mijn bundel Sportportretten op Maandag (2002)

Doe geen moeite om genoemde voetballers met elkaar te vergelijken. Ze zijn allemaal verschillend – en toch buitenaards (om een wanhopige poging tot duiding te doen). Laten we ons beperken tot Johan Cruijff, een blanke Nederlander nota bene, geboren en gevormd in een land waar elastische, louter op gevoel en door intuïtie gestuurde lichamen  – vanuit mogelijk calvinistisch standpunt  – zeldzaam zijn. 

Hij deed wat in hem opkwam, op het voetbalveld en daarbuiten. Hij volgde zijn gevoel, probeerde anderen ervan te overtuigen dat ook te doen – en speelde zoals spelen bedoeld is. Plezier, daar gaat het om. Pas op voor je verstand, anders raak je in verwarring. Doe wie je van nature bent en analyseer waarom je dat doet: wat gebeurt er met je als je de Cruijffiaanse dan wel de Messiaanse bewegingen uitvoert – of die van Jordan, Ali en Woods?

Flow is een begrip dat tegenwoordig steeds meer aantrekkingskracht oproept in de sport. Het is een mentale toestand, medio jaren zeventig in het boek Flow, psychologie van de optimale ervaring na empirisch onderzoek al uitgekristalliseerd door Mihaly Csikszentmihalyi, een Amerikaans-Hongaarse psycholoog. Kijk naar beelden van Cruijff en je weet wat hij bedoelt. Een activiteit waarin je volledig opgaat in je bezigheden. Als in een voortdurende stroom (roes) waarin je wordt meegevoerd. Mensen kunnen in de staat van flow boven zichzelf uitstijgen, en sneller leren en nieuwe inzichten verkrijgen.

Cruijff deed niet zo moeilijk over zijn vermeende genialiteit. Hij deed het gewoon (flow?) en liet je als medespeler of later toen hij coach was, voelen wat er gebeurde als je zó bewoog, zó draaide of zó de bal speelde. Velen begrepen hem, velen niet. Het is lastig als genie om gewone stervelingen te overtuigen van hun mogelijkheden. Doe zo en zo en je ziet een opening. ,,Nee, Johan, ik zie het niet. Ik niet, ik ben maar een gewone sterveling.” Zo moet het veel gewone stervelingen zijn vergaan.

In zijn boek Lof van de sport schrijft Hans Ulrich Gumbrecht (Duits-Amerikaanse filosoof, socioloog en hoogleraar aan Stanford University) in een ‘esthetica van de atletische prestatie over zijn fascinatie’ van de sportman die hij zojuist heeft bewonderd: ‘Uren later, als je van het stadion naar je auto loopt, uitgeput zoals je die week nog niet eerder bent geweest, zul je hieraan terugdenken als een moment van onwankelbaar geluk. Opnieuw zal die mooie manoeuvre ertoe leiden dat je borst opzwelt en je hart sneller gaat kloppen, maar nu zonder de nervositeit van daarstraks. In je herinnering zie je dat spelmoment weer ontstaan, en terwijl je het vast wilt houden, trekt er een rilling door je beenspieren, alsof ze gestalte willen geven aan wat jouw held een uur heeft volbracht.’

Mooi en herkenbaar beschreven. Zijn beleving gold niet de performance van Johan Cruijff, maar die van zijn eigen idolen: Michael Jordan, Pelé, Jesse Owens, Akebono, Maradona, Zinédine Zidane, Joe Montana of Egon Loy. Iedereen laat in zijn verafgoding wierookstokjes gloeien naar eigen geur, kleur en voorkeur.

Flipper, zo noemden ze Cruijff. Aldus oud-Ajacied Henk Groot in 1966, vlak nadat ‘Johan’ als tiener werd toegevoegd aan de selectie van het eerste elftal van Ajax. ‘Hij is altijd aan het woord. Je kunt geen onderwerp aansnijden of Cruijff praat mee’, zegt Groot in Wie is Johan Cruijff? Insiders duiden het orakel, maar Cruijff zelf het laatste woord (2007, Mik Schots en Jan Luitzen). ‘Hij heeft ongelooflijk veel praatjes. Onder mekaar kunnen we het best hebben, want hij is een doodgoeie jongen… Maar al dat praten is een onderdeel van zijn beweeglijkheid. Als je naar hem kijkt, is hij in beweging, hij duikt in elk gat, hij zwaait met zijn armen, hij loopt naar links en rechts en geeft iedereen een wijze raad. Hij kaffert mij ook rustig uit, maar daar moet je niet zo zwaar aan tillen. Het gaat allemaal in het heetst van de strijd.’

In het heetst van de strijd zag Cruijff ruimtes, openingen en mogelijkheden. Hij creëerde ze zelf, of wees anderen erop. Hij geloofde in zijn inzichten – door zeer weinigen liet hij zich van het tegendeel overtuigen. In hetzelfde boek zegt Cruijff: ‘Ik denk niet dat je leider wordt, ik denk dat het een automatische schifting is. Het is een samengaan van de verantwoordelijkheid naar je toetrekken en de verantwoordelijkheid die ze je geven. Er ontstond dan zoiets van dat ze zeggen: Doe jij dat maar.’ En verder: ‘Leider worden is een karaktertrek. Misschien meer een soort egoïsme.’

Het karakter van Cruijff is net zo moeilijk te doorgronden als zijn spel dan wel denkpatronen. ‘Relativeren? Nee, dat zit niet in mijn karakter.’ En: ‘Rancune is de beste motivatie’. Hij genereert zelf de druk die hij nodig heeft om te kunnen presteren. Het is vaak omschreven als het conflict-model, gehanteerd door Cruijff, dat mensen tot nieuwe uitdagingen leidt.

Je zou bijna zeggen: Cruijff doet maar wat, hij doet wat in hem opkomt, oorspronkelijk, niet gestoord door andere reflecties. Dat was het niet – en toch wel. Jorge Valdano, voormalig Argentijns international (ten tijde van Maradona), voormalig technisch directeur van Real Madrid, schrijver en dichter schreef: ‘De basis van zijn talent was het bedrog. Hij holde hard omdat hij ging stoppen, hij stopte omdat hij ging rennen, hij deed alsof hij een pass ging geven of een schijnbeweging ging maken, hij begon een schijnbeweging omdat hij een pass ging geven, hij keek naar links om een oplossing op rechts te zoeken.’

Een vriendin van zijn vrouw Danny zei eens: ‘Aan Johans benen kon je van achteren goed zien, aan zijn loopje, dat hij twee kanten op kon gaan.’

Ik liep einde jaren negentig in Manchester achter Johan en zijn vrouw – hun zoon Jordi speelde destijds bij Manchester United. Ze stapten uit een taxi en liepen naar een markt. Niemand reageerde – hoewel er wel werd gefluisterd. Ik zag vóór mij zijn benen. Ik zag zijn armen die naar een bepaalde marktkraam wezen. Ik zag zijn benen lopen, zijn armen bewegen, zijn vrouw reageren en voegde me uiteindelijk bij het echtpaar. Johan was allerminst verrast toen ik hem aanklampte – zo was hij, nooit verrast, altijd levend in het moment. Óf de man die deed of hij nooit verrast was.

Hij beantwoordde mijn begroeting met: ‘Hoi’. Niet meer en niet minder. Gewoon zoals stervelingen dat onder elkaar doen. Danny zei: ‘Hallo’ – en nam wat afstand. Ik liep naast Johan Cruijff, een gewoon mannetje eigenlijk in wie ik echt geen heilige herkende. In tegenstelling tot het gevoel dat ik bij mijn ontmoeting met Michael Jordan in 1992 in Chicago had – vooral na diens stevige handdruk en de directe blik waarmee hij mij in de ogen keek én in mijn hart. Wat een man! Kippenvel, nog steeds als ik eraan terugdenk. Dat heb ik bij mijn ontmoetingen en gesprekjes met Johan nooit gehad.  Johan was Johan, altijd en overal. Niks bijzonders.

Zomaar uit het niets zei Cruijff tijdens de wandeling in Manchester: ,,Zie je die mensen hun spullen verkopen. Ze geloven in wat ze aanbieden.’’ Of dat iets met zijn voetbal te maken had? ,,Misschien, ik doe wat ik doe, de een noemt mij een balletdanser, de ander een hork. Nou ja, het is toch gewoon wie je bent. Fijn dat je hebt genoten van mij. Genieten van een ander. Kijken wat een ander kan. En dat is altijd meer dan je dacht.’’

Dit is een uitgebreide versie van het artikel dat op 25 maart 2016 is verschenen in de bijlage van NRC Handelsblad bij het overlijden van Johan Cruijff

Soigneur Ruud Bakker was vooral een gever

2 Feb

Raleigh Ruud Bakker

Foto Cor Vos

Ruud Bakker, die vandaag op 72-jarige leeftijd aan de gevolgen van een auto-ongeluk overleed, was meer dan een soigneur, meer dan een verzorger van wielrenners, meer dan een masseur, meer dan verstrekker van aansterkende en versterkende middelen. Hij was ook een biechtvader. ,,Vooral een echte gever’’, zegt zoon Reem op de dag dat Bakker (drie dagen na het ongeval) door hersenletsel stierf.

In de tijd (jaren zeventig en tachtig) dat professionele medische en psychologische begeleiding van wielrenners nog aan de handen en het inzicht van soigneurs werden toevertrouwd, zocht Bakker naar de beste middelen om mensen te helpen in hun begeerte naar triomf en glorie. Mede dankzij hem, de al even bevlogen mecanicien Jan le Grand en de perfectionistische ploegleider en organisator Peter Post vierde de wielerploeg Raleigh en later – in mindere mate – Panasonic ongekende triomfen in de wielersport. Jan Raas, Gerben Karstens, Johan van der Velde, Joop Zoetemelk, Hennie Kuiper, Henk Lubberding, Peter Winnen, Cees Priem, Teun van Vliet, Theo de Rooy, José De Cauwer, Leo van Vliet, Eddy Planckaert, Eric Vanderaerden, Gerrie Knetemann, Roy Schuiten, Bert Oosterbosch (de laatste drie zijn overleden) en vele anderen kunnen getuigen.

Zoon Reem verwijst – als eerbetoon aan zijn zojuist overleden vader – naar het fatale ongeluk. ,,Na de botsing is mijn vader uit zijn auto gestapt en naar de automobilist die hem aanreed gelopen om te vragen hoe het met hem ging. Het ging hem niet om zijn eigen leven. Drie dagen later was hij zelf dood. Dat is mijn vader: altijd betrokken bij anderen. Zorgen voor anderen. Kijken en luisteren naar anderen. Ieder moment van de dag. Het was niet zijn beroep, het was compassie met wat mensen doormaken, waarom ze lijden. Mijn vader had al besloten zijn lichaam na zijn dood ter beschikking te stellen van de wetenschap. Doordat het sterfproces te langzaam ging, kan dat niet doorgaan.’’

Ruud Bakker

Eind november 2015, Tilburg: Ruud Bakker (rechts) vertelt anekdotes aan Johan van der Velde en Joop Zoetemelk over de Tour de France van 1980, die Joop won, tijdens de presentatie van het boek De Speer van Rijsbergen door John van Ierland -over het turbulente leven van Van der Velde. (Foto Petra Huysmans Fotografie)

Ruud Bakker wilde mensen begrijpen. Toen ik hem kort geleden weer zag, steunend op een wandelstok (het gevolg van zware operaties aan een lekkende aorta), informeerde hij naar mij. ‘Maar, hoe is het nou met jou?’ Het was eind november ter gelegenheid van de presentatie van een boek over Johan van der Velde, die hij in de jaren tachtig als soigneur begeleidde. Met Johan ging het mis. Doping, euforievergrotende middelen en verkeerde inschatting van menselijke mogelijkheden deden Van der Velde in de gevangenis belanden. Johan was zichzelf kwijt geraakt. Wie was hij eigenlijk nog?

Bakker zocht Johan op in de gevangenis, hield hem op de been toen hij weer vrij kwam en was tijdens de presentatie van het boek ‘De Speer van Rijsbergen’ (geschreven door John van Ierland)  aanwezig om Johan te belonen voor zijn doorzettingsvermogen. Johan was tot tranen geroerd.

Zoon Reem kent meer voorbeelden van het altruïsme van zijn vader. ,,Hij nam het op voor gevallen sporthelden, tot aan zijn dood. Hij was er 24 uur mee bezig. Het was zijn thrill: is er nog iemand die ik hulp kan bieden? Mensen die niet meer wisten hoe verder te leven, na hun sportcarrière, en mensen die zich miskend voelden. Toen wielrenner Bert Pronk overleed, ving hij diens kinderen op. Toen Didi Thurau, de Duitse vedette bij Raleigh, door allerlei toestanden in problemen raakte, nam mijn vader Thurau in huis. Didi was een halve broer van me. Toen Thurau na zijn loopbaan financieel vastliep in zijn makelaardij, ging mijn vader naar Duitsland om hem te helpen.’’

Ruud Bakker nam het op voor judoka Wim Ruska, tweevoudig goudenmedaillewinnaar op de Olympische Spelen van 1972 en tweevoudig wereldkampioen, in 1967 en 1971. Vorig jaar overleed Ruska. Bakker ging op bezoek bij diens weduwe Liza. Vergeefs deed hij pogingen om Ruska alsnog te eren met de Carrièreprijs, de Fanny Blankers-Koenprijs. ,,Het lukte mijn vader niet om Ruska alsnog te laten eren. Ruska had een strafblad en een criminele achtergrond, dat vond NOC*NSF ongepast.  Mijn vader had gevoel voor miskenning en onrecht.”

En zo waren er meer ontheemde helden. Zoals Yuri van Gelder, die zijn toevlucht zocht in euforievergrotende middelen zoals cocaïne, verslaafd aan aandacht was, niet meer wist wie hij was geworden en hoe zijn leven zin te geven. Bakker luisterde naar hem, zoals Ruud voor iedereen een luisterend oor: ‘Hoe gaat het nu met je?’

Ruud Bakker zocht en zocht. Altijd vond hij nieuwe middelen. Zo introduceerde hij vloeibare suikers, een elektrostimulator en ultrasoongeluid. En eendenvet als bescherming van de benen tegen kou en regen. Ruud Bakker vond vast veel meer en diende meer toe dan hij ooit heeft willen vertellen. In de tijd dat hij zoekende was via allerlei wetenschappelijke studies naar de beste en sterkste middelen (én voeding, samen met dr. Wim Saris van de Universiteit van Maastricht) om zijn ‘mannen’ naar uitzonderlijke hoogten te helpen, vond hij ook haptonomie. Bakker merkte dat wielrenners tijdens hun massage een uitlaatklep nodig hadden. Zodra zij werden aangeraakt, gingen zij praten. Haptonomie leerde hem dat aanraking mensen verleidt tot ontboezeming. Mede daarom begon hij na zijn loopbaan als soigneur een praktijk massage en haptonomie.

Ruud Bakker was een grote man. Je kon niet om hem heen. Hij was zeer luid en zeer duidelijk. Na een zware nacht met alcohol stopte hij mij een stevig medicijn toe. De toevoeging was verhelderend, niet bestraffend: ‘Je weet hopelijk waarom ik je deze pil geef.’ Om dan een paar uur later onverwacht te vragen: ‘Hoe gaat het met je?’.

Ruud Bakker, Hagenaar van geboorte, was dertig jaar lang soigneur. Peter Post ontdekte hem en vroeg Bakker met hem een ploeg op te bouwen, dat werd in 1974 Raleigh. Hij was nog even een half jaar (op aandringen van Thurau) in dienst van IJsboerke  in België, maar keerde vol heimwee terug bij Raleigh en bleef Post trouw bij Panasonic. Jan Raas, die in Bakker zijn enige vertrouwensman zag, vroeg hem mee te gaan naar een nieuwe ploeg, Kwantum Hallen. Bakker weigerde, hij bleef bij Post. Aan hem had hij veel te danken. Bakker had nadat Raas zich in zijn Zeeuwse dorp had afgezonderd van de wielersport als een der weinigen nog intens contact met de Zeeuw.

Ruud Bakker was alom aanwezig, groot en luidruchtig als hij was. Een hartelijke man die niet alleen het lijden in de samenleving doorzag maar vooral het lijden in de harde sportwereld. Na zijn zware hartoperaties verhuisde Ruud Bakker van zijn appartement aan de strandboulevard van Scheveningen naar Woerden, om samen met zijn vrouw Til dichter bij zijn zoon Reem en zijn familie te kunnen zijn. Reem heeft in Woerden een chiropractiepraktijk. Zijn andere zoon Thierry is osteopaat.

Ruud Bakker was vooral betrokken bij gevallen helden, zoals Reem verwoordt op de sterfdag van zijn vader. ,,Mijn vader voelde wat mensen bewoog. Hij gaf ze vertrouwen. Je bent wie je bent, zeg het maar. Hij heeft geleerd wat spieren zeggen. En hij heeft geleerd wat mensen drijft, zonder veroordeling. En dat is heel knap in deze tijd.’’

Deze necrologie is op 3 februari 2015 in kortere vorm gepubliceerd in NRC.Next en NRC Handelsblad

Ruud zwaait

Een bijschrift invoeren

%d bloggers liken dit: