Tag Archives: NRC Handelsblad

‘Het is onze tragedie. Het zijn onze helden’

5 feb

In 2008 bezocht ik als verslaggever de herdenking van de ramp die in 1958 plaats had in München: the Munich Air Disaster. Daarbij kwamen acht spelers en vijftien bestuursleden en journalisten om het leven. ‘Heb je gehoord hoe al die mensen The Flowers of Manchester zongen?’

Matt Busby ligt in een ziekenhuis van München aan het zuurstof, enkele dagen na de ramp

Mannen en vrouwen van middelbare leeftijd knielden neer voor Old Trafford, het stadion van voetbalclub Manchester United. Ze legden bloemen, foto’s en vlaggen voor het monument ter nagedachtenis aan de Munich Air Disaster. Hun kinderen en kleinkinderen spreidden sjaals van Manchester United uit over de bloemenzee. Fans van nu schreeuwden het hart uit hun lijf: United will never die. Oude en jonge mensen troostten elkaar. Ze waren met duizenden, ze huilden om het verdriet dat hun club vijftig jaar geleden is aangedaan. United blijven ze, voor eeuwig. Lief en leed gaan altijd samen bij deze voetbalclub.

Keep the flag flying’, zei manager Matt Busby vijftig jaar geleden tegen zijn assistent Jimmy Murphy, terwijl hij in een ziekenhuis van München vocht tegen de dood. Busby zou zijn strijd winnen, net als Manchester United. Tien jaar na de vliegramp van 6 februari 1958 die acht spelers van de club, en nog eens 15 bestuursleden en journalisten het leven benam, won United de Europa Cup.

Nu is United een van de rijkste en beste clubs ter wereld. Met de Schotse manager Alex Ferguson die alles doet wat zijn illustere Schotse voorganger Busby, die in 1994 overleed, ook deed. Hij is keihard en menselijk tegelijk. Want alles wat voetballers op Old Trafford laten zien moet een hommage zijn aan die mensen op de tribune: het volk dat hunkert naar saamhorigheid, identiteit. Wie de duizenden woensdag zag huilen en schreeuwen, begrijpt waarom Ferguson net als Busby en Murphy, net als de overlevenden Bobby Charlton, Harry Gregg, Bill Foulkes, Kenny Morgans en Bill Scanlon, net als de hedendaagse idolen Ryan Giggs, Cristiano Ronaldo en Wayne Rooney, zoveel onderdrukte emoties losmaken. Dit is meer dan voetbal, dit is een geloofsovertuiging.

De clubpastoor van United John Boyers, die de twee uur durende herdenkingsdienst op Old Trafford leidde, zegt verheugd te zijn dat zoveel mensen geloven in het goede dat voetbal teweegbrengt. „Ik ben hier om mensen te steunen, maar ik kan niet op tegen wat de club en haar voetballers bewerkstelligen. Ik ben hier omdat ik van mensen hou, omdat ik mensen wil steunen in hun geloof in een club. Voetbal brengt mensen tot goed en helaas ook tot kwaad. Het is een wereld waar emoties, zoals verdrongen agressie, twijfel en hoop elkaar vinden.”

The scoreboard at Old Trafford, Manchester United remembering the players who lost their lives in the
Munich Air Disaster on February 6th 1958 (Photo by Matthew Ashton/AMA/AMA/Corbis via Getty Images)

In de kroeg aan de Matt Busby Lane, een paar honderd meter van Old Trafford, doen de fans Ian, Peter en Mark onder het genot van heel veel bier verwoede pogingen het United-gevoel te verwoorden. Ze weten alles van United. Ze zetten zich af tegen de vercommercialisering van de club, maar ‘for United we stand‘. Mark is al sinds hij in maart 1958 werd geboren als vanzelfsprekend fan. Zijn moeder was beheerder van de eerste souvenirshop, een houten keet. Zijn grootvader verkocht programmaboekjes. Zijn oom was lid van The Spinners, die The Flowers of Manchester beroemd maakten, een lied over de acht ‘Busby Babes’ die het leven lieten bij de ramp . Zijn hele familie is United. Hij heeft zijn eigen United-weblog. Hij huilde en zong tijdens de ceremonie, te midden van duizenden fans. Hij dronk zich ’s avonds te pletter. Maar hij leeft nog. Omdat hij van United is. ‘Ik leef voor de club en voor voetbal, en dat doet mijn hele familie.’

En dan is er het verhaal van Bobby Charlton, die de ramp overleefde. Hij won met United in 1968 de Europa Cup en werd in 1966 wereldkampioen met Engeland. Hij zat tijdens de dienst naast doelman Harry Gregg en Albert Scanlon. Charlton liet niet na zijn bewondering uit te spreken voor de beste speler van United destijds, Duncan Edwards, die twee weken na de ramp op 21-jarige leeftijd overleed. En hij is niet de enige die beweert dat Edwards in de sporen van Pelé had kunnen treden, als beste voetballer aller tijden. Daags na de ceremonie zegt Sir Bobby: ‘Edwards was verdediger, middenvelder, aanvaller en regisseur tegelijk. Hij was links en rechts, hij was hard en had de beste tackles. Hij scoorde en gaf passes die nog niemand had gezien. Duncan was danser en arbeider tegelijk. Hij zou nu een held zijn geweest, meer dan ik, of George Best, of wie dan ook. Maar hij ging dood. Dat is waar ik over nadenk en verdriet over heb met mijn vrouw. Mensen die op jonge leeftijd doodgaan en nog zoveel hadden kunnen betekenen. De gemiddelde leeftijd van de jongens van toen was 23 jaar. Ik heb met spelers van nu, zoals Rooney, daarover gesproken. Jongen, weet wie je bent en doe wat je moet doen. Wayne luisterde naar mij. Hij was er ook tijdens de ceremonie, samen met Ryan Giggs, Paul Scholes en Gary Neville. Echte United-jongens.’

Harry Gregg

De Noord-Ier Harry Gregg was doelman destijds. Nog altijd wordt hij emotioneel wanneer hij aan de ramp denkt – en dat doet hij elke dag. „Nu zijn er psychologen om je te helpen. Toen moest je zelf je weg vinden.” Hij herinnert zich hoe het vliegtuig in de sneeuwstorm bij de derde poging om op te stijgen neerstortte. Hij hoorde piloot James Thain schreeuwen dat het misging. Gregg hielp bij de pogingen mensen te redden, keerde telkens terug naar het wrak op zoek naar overlevenden.

De doelman redde een zwangere Joegoslavische vrouw en haar dochter, die net als de voetballers op doorreis waren van Belgrado naar Manchester. Afgelopen week was op een BBC-documentaire te zien hoe Gregg de vrouw voor het eerst sinds 6 februari 1958 terugzag, samen met haar zoon die twee maanden later werd geboren. En weer huilde Harry Gregg.

Gezagvoerder James Thain kreeg van de Duitse autoriteiten de schuld. Hij zou tijdens de tussenlanding de vleugels van de tweemotorige Elizabethan niet van ijs hebben willen ontdoen. Daardoor zou om 15.04 uur het vliegtuig zijn neergestort. Stephen Morrin, luchtvaarthistoricus, beweert in zijn boek The Munich Air Disaster, dat twee maanden geleden na speurwerk van twee jaar verscheen, het tegendeel. Morrin nu: ‘Dat was niet zijn verantwoordelijkheid. Thain had geen schuld. Maar hij heeft de schuld gekregen, ook van United. De man heeft zijn hele leven, totdat hij in 1975 overleed, daaronder geleden. Ik heb met zijn zoon en zijn dochter gesproken, met Gregg gesproken. Thain heeft net as Gregg mensen gered. Hij was niet de schuldige, hij was juist een held.’ Gregg verzorgde het voorwoord in het boek dat Morrin schreef.

Morrin verwijt United ook dat de club te weinig waardering heeft gehad voor de assistent van Busby, Jimmy Murphy. ‘Hij heeft de club bij elkaar gehouden. Zonder Murphy was United niet groot geworden. Dat verwijt ik de leiders, en Matt Busby. Pas tien jaar geleden, toen Murphy overleed, kreeg hij enige waardering.’ Zijn boek wordt niet verkocht in de United-shop. Het onderzoek en de lezing van Morrin, die een Unitedfan is, wordt niet gewaardeerd. Toch was hij woensdag bij de herdenkingsdienst, samen met Thains dochter. ‘Omdat ik fan ben en goed contact heb met een van de bestuursleden mocht ik er bij zijn. Maar eigenlijk ben ik persona non grata. Waar een grote club klein in kan zijn.’

Matt Busby met zijn vrouw

Manchester United mag dan veel vrienden hebben, vijanden heeft de club ook. Dat bleek woensdag op Wembley. Voor de wedstrijd Engeland-Zwitserland zou een minuut stilte worden gehouden ter nagedachtenis aan de ramp. Tijdens de stilte draaiden een paar honderd Engelse supporters hun rug naar het veld, anderen begonnen te fluiten en te schreeuwen. De stilte werd ingekort tot twintig seconden. Gevreesd wordt dat morgen voor de derby van Manchester United tegen aartsvijand Manchester City hetzelfde gebeurt. Manager Sven-Göran Eriksson van City heeft de supporters opgeroepen zich keurig te gedragen ter ere van United.

Bobby Charlton en Harry Gregg in 2020, kort daarop overleed de oud-doelman

United-fan Mark Ryddel voelt dat er afgunst heerst. ‘United is te groot voor Engeland. Anderen denken dat United de ramp misbruikt. Dat United de herdenking opblaast in de media. Alsof het een marketingproduct is. De club kan het niet helpen dat er zo’n tragedie is geweest. Acht voetballers kwamen om. Manchester was jarenlang in een shock. Zie die mensen voor het monument, zij léven voor United.’

Zijn zwijgzame vriend Ian spreekt na uren drinken zijn eerste woorden: „Waarom is de stadionklok stil blijven staan op 15.04 uur? Heb je gehoord hoe die mensen vanmiddag The Flowers of Manchester zongen? Het is onze tragedie. Het zijn onze helden. Die neemt niemand ons af.

Dit verslag stond een paar dagen later dan de herdenking op Old Trafford in NRC Handelsblad

Liever vriend met mijn medemens dan vijand

29 dec

 

Op het kruispunt is het als vanouds druk. Daarom geef ik mijn ogen de kost zodra ik een van de zebrapaden nader. Als ik veilig ben overgestoken zie ik aan de andere kant van de weg enig tumult. Een bejaarde vrouw is met haar fiets gevallen. Ik zie een scooter waarvan de berijdster zich over de ongelukkige vrouw ontfermt. Ik zie een vrouw uit haar auto stappen en dat zij haar auto zomaar op het kruispunt laat staan. Van afstand aanschouw ik het tafereel en beraad mij of ik moet helpen. Het gaat goed. Ik loop langzaam door. Met een glimlach.

Gelukkig is er hulp genoeg, bedenk ik mij. De vrouwen helpen de gevallen vrouw op de been en gaan vervolgens ieders huns weegs. Mensen die elkaar helpen, wat mooi!

Ik ben blij verrast en kan met blij gemoed op weg naar huis. Zo blij verrast ben ik dat ik mijn vreugde thuis wil delen. Dat doe ik dan ook. Mijn vrouw vindt hetgeen wat ik vertel ook verheugend. Inderdaad, dat zien wij niet vaak.

Ik zou kunnen wennen aan de boze gezichten van de mijns inziens egoïstische mensen die mij passeren of in de supermarkt met hun winkelwagentje tegen mij oplopen. Maar dat lukt nauwelijks.

Ik loop mij graag te ergeren, trek liefst ook een chagrijnig gezicht en zou mijn winkelwagentje ook als wapen willen gebruiken. Lekker boosaardig een ander in de weg zitten, als revanche op hun ogenschijnlijk vijandige gedrag: ‘Ik ben eerst, dit is mijn territorium, weg met jullie!’

Sinds ik het boekje ‘Boeddhisme in het dagelijks leven, op weg naar innerlijke vrede’ van Chöje Lama Yeshe Losal Rinpoche heb gelezen, probeer ik me geduldiger en vooral vriendelijker te gedragen. En dat lukt, hoeveel moeite het mij ook kost.

Lama Losal Rinpoche Yeshe, onder andere abt van het klooster en Tibetaans Kagyu centrum Samye Ling in Schotland, vertelt dat ik anderen niet moet proberen te veranderen maar dat ik alleen door van mijn kant geduld en vooral vriendelijkheid te tonen en uit te stralen boze mensen zou kunnen veranderen.

Hoewel ik graag anderen wil zeggen dat zij verkeerd bezig zijn, in de hoop dat zij dan mij op mijn wenken bedienen en lief en vriendelijk zijn, begrijp ik dat het juist aan mij (mijn gebrek aan ‘wijsheid’) ligt dat ik mij vaak zo stoor aan andermans gedrag. Mogelijk en hopelijk kan ik door mijn eigen gedrag (vooral geduld en vriendelijkheid) anderen op een idee kan brengen hetzelfde te doen. Bovendien kan ik herhalen (als een mantra) dat anderen niet zo negatief zijn als ze zich voordoen.

Regelmatig mediteren kan daarbij helpen, vertelt de Lama. Al lezende raakte ik overtuigd van zijn adviezen, die zowaar ook waarschuwingen behelzen als ‘mocht het je niet lukken, probeer dan de gevreesde mensen te mijden’.

Dat laatste is moeilijk, juist omdat de wereld steeds drukker wordt en de massa steeds groter – dus ook het ongeduld, de haast en het gebrek aan begrip voor elkaar. Ik ervaar de onvermijdelijke toename van de drukte en de bevolking als lastiger om mee om te gaan. Zeker nu iedereen voelt dat het leven en de levensmiddelen uit zijn handen wordt gerukt. De begeerte lijkt eerder toe dan af te nemen. ‘Ik wil dit, ik wil dat, ik moet gelukkig zijn, dus moet ik zoveel mogelijk geluk kópen – wat het ook is.’

Dat materie ofwel hebbedingetjes zoethoudertje zijn, dringt nauwelijks door tot de samenleving. Minder willen hebben dan wel bezitten is een proces van gewenning. Daarom mediteer ik vaak, in de hoop te ervaren wat schaarste met mensen doet.

Mogelijk werd ik daardoor ook emotioneel toen ik zag dat er mensen waren die een gevallen vrouw overeind hielpen. Waarom niet mensen helpen als zij in de supermarkt om wat voor reden dan ook niet snel genoeg hun levensbehoeften kunnen grijpen? Ik voel waarom mensen gehaast zijn. Zij willen nu eenmaal krijgen waar zij behoefte aan hebben. ‘Laat ze’, denk ik dan, ‘gaat u gang. Ik heb de tijd’. En wanneer ik te laat kom, ben ik te laat. Ruzie maken is dan overbodig. Liever vriend met de medemens dan vijand. Liever lachen dan boos worden.

De auteur is bestuurslid van Shambhala Leiden. Hij was ruim 35 jaar (sport)journalist, eerst voor De Volkskrant, vervolgens voor NRC Handelsblad en is sinds 2011 met pensioen.

Deze column is gepubliceerd op de wintereditie van http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Zoveel behoefte aan liefde kan een mens hebben

2 okt

Soms zou ik wel naar mijn moeder willen kruipen om in haar armen te gaan liggen – als ze me nog kon ontvangen. Troost willen krijgen zonder dat haar te hoeven vragen. ‘Streel mij, zoen mij, zeg mij dat ik de liefste van de wereld ben en dat je mij altijd en overal zult steunen en beschermen. Gewoon als iemand die mij onvoorwaardelijk liefheeft, mij beschermt, mij nooit afvalt, nooit tegenspreekt of bekritiseert.’

Zoveel behoefte aan liefde kan een mens hebben. Dat hij zich nooit alleen voelt in deze ogenschijnlijk vijandiger wordende wereld. Niet bang hoeven te zijn voor anderen die jou kwaad aankijken of jou negeren alsof jij niet bestaat. Anderen die zich van jou afwenden omdat zij zelf niet gezien willen worden, in zichzelf gekeerd, worstelend met hun eigen zorgen. Zorgen om hun eigen conflicten, die van hun kinderen, hun broers en zussen, hun partner, hun angsten, gezondheid en de wereld om hen heen of ver weg in een andere wereld waar het naar verluid gebruikelijk is elkaar het leven zuur te maken.

Jarenlang heb ik gedacht dat mensen die boos keken of hun gezicht afwendden, iets tegen mij hadden. Ik was de boeman, de kwade genius, in mij school het kwaad. Mensen wilden niet in mijn nabijheid verkeren omdat ik boosaardig was en de wereld wilde vernietigen. Zo meende ik. Dan reageerde ik even vijandig en schold diep van binnen die anderen uit: wegwezen, jullie deugen niet, trouwens de hele wereld deugt niet.

Ik heb mijn houding naar anderen en de wereld willen veranderen. Mensen vrolijk benaderen, hen met een glimlach begroeten, naar hen te zwaaien, positief te zijn. Daar was ik zelf wel verheugd over, maar veel anderen bleven er stoïcijns onder of bleven mij negeren dan wel mij boos aankijken. Totdat ik besefte dat mijn vriendelijke toenadering niet tot het gewenste resultaat leidde. Mensen bleven vaak vijandig kijken: wat een rare idioot is dat nu weer om mij lachend te begroeten, alsof het zo leuk is om te leven!

Voortvloeiend uit mijn boeddhistische levenshouding, gevoed door veelvuldige meditaties, besef ik dat ik mij weinig moet aantrekken van wat anderen zeggen of doen. Laat zij in hun sop gaar koken, laat zij boos kijken, laat zij mij negeren. Ik kan hen niet echt helpen, zij moeten zichzelf redden. Ik kan hen alleen bemoedigen door vriendelijk te zijn, hen te accepteren zoals zij zijn en liefde te geven – onvoorwaardelijke liefde.

Ramses Shaffy

‘Laat me’, zong Ramses Shaffy. ‘Laat mij m’n gang maar gaan’. Dat lied lieten we horen op mijn moeders begrafenis. Bijna als een noodkreet, zo klonk het. Shaffy deed (waarschijnlijk) wat hij liefst deed: de liefde bedrijven, zich vol gieten met alcohol, zingen, bidden, lachen, werken, huilen en bewonderen; gewoon wat hij zelf wilde, niet gestoord door wat anderen van hem verlangden. Is dat niet wat wij ook willen? Vriendelijk begroet worden, onvoorwaardelijke liefde krijgen van wie dan ook, aandacht krijgen voor wie werkelijk zijn. Dat we bestaan met al onze sores en eigenaardigheden – zoals we zijn, er uit zien en doen.

Het is moeilijk aardig zijn tegen iedereen; anderen proberen te accepteren, zoals ik mij zelf probeer te accepteren. Mijn boeddhistische leraar adviseerde mij me niet door anderen te laten beïnvloeden; niet door hun benadering, niet door hun oogopslag, de toon van hun stem – of wat dan ook. ‘Wees je zelf, red je zelf, je moeder zal je niet redden, je moet het allemaal zelf doen. Kijk naar jezelf: wees vriendelijk voor jezelf, wees vriendelijk voor anderen en je zult zien dat je tevreden wordt. Liefde’, zo zei hij, ‘komt uit je zelf, niet uit anderen. Jij bent de liefde!’

Alsof ik de Boeddha zelf ben. Maar, wie weet? Een boeddhanatuur moet ik toch wel hebben. Net als iedereen.

Deze column is gepubliceerd in het herfstnummer van de website http://www.Vriendenvanboeddhisme.nl

Guus van Holland is bestuurslid van Shambhala Leiden. Hij was ruim 35 jaar (sport)journalist, eerst sinds 1976 voor De Volkskrant, vervolgens sinds 1988 voor NRC Handelsblad en is vanaf 2011 met pensioen.

Maradona koopt in Saloniki een briljanten ring

26 nov

In september 1988 ging ik voor NRC Handelsblad naar Thessaloniki (Griekenland) voor de UEFA-Cupwedstrijd PAOK – Napoli. Bij PAOK was sinds kort Rinus Israel trainer, bij Napoli speelde Diego Maradona. Ik mocht Israel interviewen samen met Lex Muller van het AD, Leo Verheul van VI en VI-fotograaf (wijlen) Robert Collette. En natuurlijk kon ik dan Maradona zien spelen – misschien wel ontmoeten.

Ik had in Thessaloniki een kamer gereserveerd in het luxe hotel Makedonia Palace, aan het water, de Golf van Thessaloniki. Dat Napoli er met Italiaanse journalisten zou logeren, was me nog niet bekend. De wedstrijd zou op donderdag worden gespeeld.

Nadat ik mij op mijn kamer had geïnstalleerd, besloot ik met de lift naar beneden te gaan om een kijkje te nemen in de lounge waar waarschijnlijk wel een bar was en mogelijk enkele winkeltjes. Toen ik de lift uitstapte werd ik overweldigd door een enorme mensenmassa. Italianen, dat hoorde ik meteen. (Op woensdagavond hadden wij een afspraak met Israel, in het hotel waar PAOK verbleef.)

Ik was nog niet uitgestapt of achter mij ging een andere liftdeur op. De mensenmassa stortte zich onmiddellijk op het mannetje dat uit de lift kwam. ‘Diego, Diego, Diego’, riepen ze in koor. Hé, was dat niet Diego Maradona? Ja, dus.

Maradona glimlachte en wandelde in trainingspak als een kleine vorst door de volle lounge, fluisterde iets in het oor van een of andere medespeler in trainingspak en schuifelde met de borst vooruit naar een winkeltje in een hoek. Het was zo’n souvenirwinkeltje waar je ook héle dure sieraden en horloges kon kopen. Maradona liep naar binnen, sloot de deur achter zich en liet het peloton achtervolgers buiten staan.

Na een paar minuten zagen we (ik was nieuwsgierig aangesloten) Maradona met een winkeljuffrouw binnen bij de etalage staan en naar een paar ringen wijzen. De achtervolgers die het tafereel van buiten door het etalageraam aanschouwden, adviseerden de kleine ring te kopen, totdat hij een schitterende met diamanten versierde ring omhoog hield. Si, si, si, sei grande, riep het peloton in koor.

Maradona liet het kleinood inpakken in een doosje en met een strik versieren. Trots lachend, het doosje met strik omhooghoudend, wandelde hij vervolgens door de lounge. Achter hem zong het peloton dansend, springend en klappend met de handen ‘Ho visto Maradona, o mamamama, lo sai perché mi batte corazon, ho visto Maradona, o mamamama’. Maradona zweeg en lachte slechts. Schielijk schoot hij tenslotte de lift in.

Laat op de avond zag ik hem weer in levende lijve. Tegen een uur of tien was ik opgestegen naar het restaurant op de hoogste verdieping van mijn hotel voor zo’n heerlijke Griekse maaltijd plus (natuurlijk) Griekse wijn. Er was bijna niemand. Ik ging alleen aan een tafeltje zitten. In een hoek zat een gezelschap van een man of tien gezamenlijk te eten en luidkeels te praten. Een van de mannen zag mij alleen zitten en zwaaide naar me met de bedoeling mij aan hun tafel te krijgen.

Ik gehoorzaamde en voegde mij bij het gezelschap. De man maakte een stoel vrij en zette mij recht tegenover Diego Armando Maradona, nota bene! De man stelde ons aan elkaar voor, waarop ik opstond en Maradona een hand gaf. Maradona lachte, reikte mij zijn hand, zei iets en liep weg. De rest van het gezelschap riep hem nog na, maar Maradona was al verdwenen. Zonder te groeten.

Het werd nog gezellig en laat aan tafel, met al die Spaans sprekende mannen aan de Griekse wijn, ouzo en metaxa. De man naast me verontschuldigde zich voor de verdwijning van de VIP en zei iets van dat Maradona nog moest voetballen. Of ik dat wist én begreep?

De volgende avond begaf ik me naar het Toumba-stadion. Daar ontmoette ik ver voor de wedstrijd Lex Muller, Leo Verheul, Robert Collette en Rinus Israel (die geen Grieks sprak maar met steun van een Duits sprekende Griekse hulptrainer, de tactiek doornam). Op het veld was Maradona met zijn medespelers aan zijn show begonnen. In het al volle stadion (met bijna 30.000 toeschouwers een échte Griekse heksenketel) genoot het temperamentvolle volk van de trucjes van de Argentijn en de vele aanwezige Italianen zongen hem toe.

Maradona zwaaide – als een kind genietend van alle opgeëiste aandacht – naar de toeschouwers, terwijl hij de bal achteloos van zijn voet naar zijn dijbeen, zijn enkel, zijn wreef, zijn borst, zijn nek, zijn hoofd en zijn rug liet stuiten, zoals hij dat als 12-jarig jongetje al in de pauze van een wedstrijd van zijn club Argentinos Juniors voor een vol stadion had gedaan.

Onder luid applaus en euforisch gezang verliet Maradona vlak voor het begin van de wedstrijd zwaaiend het veld. De wedstrijd eindigde in 1-1. Na een prachtige pass van Maradona scoorde de Braziliaan Careca 0-1. Napoli plaatste zich door het gelijkspel dankzij de eerdere 2-0 zege in het San Paolo-stadion van Napels voor de volgende ronde. In mei van deze UEFA Cup-editie zou Napoli de bekerfinale van VfB Stuttgart winnen, dankzij doelpunten van Careca en Maradona.

Maradona liet zich na afloop van de wedstrijd niet meer zien. Hij en het achtervolgende peloton waren na de wedstrijd ook niet meer in het Makedonia Plaza te vinden. Ze waren rechtstreeks naar huis gevlogen. Maradona met zijn briljanten ring voor zijn toenmalige vrouw Claudia Villafane of…

Guus van Holland kan eindelijk ontspannen lachen

8 feb

Guus was aanwezig bij de opening van De Derde Helft bij RCL (27 nov. – 2019). Daar zag hij voor het eerst in zijn leven ‘live’ een potje walking football. Het plezier viel hem op, de humor, maar ook de energie die erin werd gestoken. Contacten werden uitgewisseld, lijntjes werden gelegd, en het wachten is nu op het officiële debuut van Guus. Guus debuteerde op woensdag 5 februari als gastspreker bij RCL. Dit deed hij vanuit het project De Derde Helft, waarbij activiteiten voor en door ouderen worden georganiseerd in de ‘kantine’. Gewoon praten over zijn carrière als sportjournalist. Anekdotes vertellen.

En anekdotes, die heeft Guus genoeg. Anekdotes over Louis van Gaal, het Ajax van ’95, de Tour de France, Joop Zoetemelk, het journalistieke vak, en het gereformeerde Bennekom. Guus debuteert vandaag officieel op de website van OldStars.nl, en doet exclusief voor OldStars zijn verhaal! 

Geboorteplaats Bennekom, een gereformeerd dorp
‘Ik ben geboren in Bennekom, een christelijk dorp vlakbij Ede. Ik ben ook christelijk opgevoed, gereformeerd. Het mooie was: mijn vader heeft me het christendom min of meer proberen bij te brengen, dus zat ik zondagochtend als kind in de kerk, maar met diezelfde vader fietste ik na de kerk naar de Wageningse Berg, om samen naar Wageningen te kijken. Voetbal kijken op zondag hoorde in Bennekom eigenlijk niet. Toen ik elf/twaalf was heb ik het christelijk geloof wat achter me gelaten. Ik heb nog wel op een christelijk lyceum gezeten, maar dat heb ik ook niet afgemaakt. Daar ging het er erg streng aan toe. Veel over de Bijbel, en heel streng over allerlei dingen. Ik ben blij dat ik daar niet gebleven ben, kon blijven eigenlijk.’

‘Op een gegeven moment heb je geen zin meer om op zondagochtend naar de kerk te gaan. Dan blijf je liever liggen, slaap je liever uit. Mijn ouders besloten toen, met moeite, laat hem maar liggen.’

Invloed van gereformeerd Bennekom op leven
‘Mijn christelijke achtergrond in mijn jeugd heeft toch wel enige invloed gehad op mij denk ik. Ik heb er wel een beetje last van gekregen, in de vorm van een achtervolgingswaan. Ik weet niet precies of het daardoor komt, maar het zou goed kunnen. Als je dit niet doet dan werd je gestraft: een schuldgevoel aanpraten. Als je iets raars deed dan kwamen de ouderlingen aan de deur. En in Bennekom wist meteen het hele dorp het als je op zondag niet in de kerk verscheen. Heel streng was het. Als je dit niet doet, dan kom je niet in de hemel.’

Van gereformeerd naar boeddhist
‘Ik ben er erg gevoelig voor geworden, denk ik. Nu probeer ik boeddhist te worden. Maar ik moet oppassen dat ik niet achter een goeroe aan ga lopen. Je bent er hier veel vrijer in. Het is niet zo dat je ergens voor gestraft wordt. Bij het boeddhisme kan je zelf vrijheid vinden. In plaats van dit mag niet en dit mag wel. Wat is die term ook alweer? Dogma’s. Dogma’s van zo moet het en zo moet het niet. Die kennen ze niet in het boeddhisme. Het is heel moeilijk om zo te leven, maar het bevalt me veel beter dan dat wat ik als kind heb meegemaakt.’

Vrijheidsgevoel
‘Méér vrijheidsgevoel, dat heb ik altijd wel gehad in mijn leven. Ook in mijn voetbaltijd (vv Bennekom 1, red.) Ik had als jongen een baard en heel lang haar, dan word je al gauw als een soort hippie gezien. Ik was erg opstandig tegenover trainers. Ik was wel altijd heel trouw aanwezig, misschien wel meer dan de andere spelers, maar als trainers zeiden je moet dit doen, je moet dat doen, dan dacht ik, waar is dat voor nodig? Maar dat heb ik altijd wel een beetje gehad hoor. Heb altijd wel mijn eigen koers gekozen. Mijn eigen weg.’

‘Toen de eerste sponsor zich aandiende, kreeg je trainingspakken van de sponsor met de naam van de sponsor erop. Toen zei ik, dat doe ik niet. ‘Ja,maar dan krijg je ervoor betaald.’ Nee, dat doe ik niet. Principieel was dat. Ik heb dat altijd wel een beetje in me gehad, mijn eigen weg willen kiezen. In de journalistiek heb ik dat kunnen uitbouwen , of eigenlijk kunnen volhouden. Ik schrijf wat ik zelf wil of vind. Als dan een boze voorzitter op me af kwam, of een boze sponsor, of de Ajax-voorzitter, en vroeg wat heb je nou weer gedaan? Dan zei ik: ik heb niks met je te maken, ik zie een wedstrijd en ik schrijf op wat ik zie. Die vrijheidsdrang, of onafhankelijkheidsdrang, heb ik altijd wel een beetje gehad. Ik wil niet met handen en voeten gebonden zijn aan wie dan ook.’

Begin van carrière
‘In het begin van mijn carrière was dat soms wel moeilijk, omdat dan een chef boven je staat. In de eerste jaren mocht ik naar de Tour de France toe. Toen zei mijn chef: nou, ik weet niet of je daar nog een keer naar toe moet. Ik had zoiets van, wat zullen we nu krijgen, waarom niet?! Mijn chef was heel zwart/wit. Ik schreef niet zoals hij dat wilde. En toen gingen anderen erover stemmen. En die zeiden: nee, dat moet hij zelf weten. Dat was het moment dat ik het zat was om iets voor een ander te doen. Dat werd me ook wel meegegeven. Je moet het op je eigen manier doen. Na twee maanden vroegen mensen me: wat ben jij aan het doen? Ik was compleet veranderd volgens hen. Maar ik was gewoon op mijn eigen manier gaan schrijven, en dat werd erg gewaardeerd, al weet ik niet of mijn chef het waardeerde. Maar gelukkig heb ik het de rest van mijn carrière vol kunnen houden.’

Boze brief van directie Coca Cola Nederland
‘Ik had die vrijheid nodig om gewoon stukken te kunnen tikken. Bijvoorbeeld toen ik in de Tour de France was. Die wielrenners kregen eerst altijd een flesje Perrier, bronwater met prik. En ineens moesten ze Cola gaan drinken, omdat die firma een nieuwe grote sponsor was geworden. Bepaalde wielrenners zeiden toen: ik moet die troep niet. En flikkerden dat blikje weg. Ik schreef dan op dat die wielrenners dat zeiden en deden. En dan schreef ik een beetje ongenuanceerd op dat ze ook gelijk hadden. Waarop dan een brief op hoge poten van de directie van Coca Cola Nederland naar mijn hoofdredacteur werd geschreven, van: dat kan allemaal niet hè?! Ik stond er zelf achter van wat ik schreef. Waarop mijn hoofdredacteur zei, dat regelen we allemaal wel, joh. Die vrijheid van hem had ik nodig. Al had ik het achteraf gezien wel wat genuanceerder kunnen opschrijven.’

Guus Kuiper

Guus bij het shirt van Hennie Kuiper in diens museum

Niet doen wat moet/hoort
‘Ik zet me af tegen mensen die ‘meedoen met wat er moet.’ Zo van: als ik niet schrijf wat een voetballer, wielrenner, voorzitter van Ajax of Feyenoord wil, dan kom ik er niet in. Maar ik dacht: ach, dan kom ik er maar niet meer in. Ik heb vaak genoeg beleefd dat ik door dat onafhankelijkheidsgevoel in voetbalstadions ben geweigerd. Het is ook heel moeilijk, een tweestrijd. Omdat je toch voor je krant een stuk moet schrijven, maar je tegelijkertijd onafhankelijk wilt blijven. Veel mensen vonden mijn stukken ook niet leuk. Ze hebben liever dat je positief bent over dingen, maar ik probeerde toch kritisch te blijven.’

Verstandhouding met Louis van Gaal
‘Zoals ik al zei, met die kritische houding maak je niet alleen maar vrienden. Ik heb ook weleens problemen met Louis van Gaal gehad. Na een Europa-Cupwedstrijd, Ajax verloor toen met 3-0, tegen Parma geloof ik. De thuiswedstrijd wonnen ze toen wel. Die week erop, kon ik hem interviewen. Ik was de eerste die een interview met hem kreeg. Als je met 3-0 verliest, uit bij Parma, dan is dat als Ajax zijnde natuurlijk… Van Gaal zei: ja maar heb je gezien hoe ze voetbalden? Ik zei, ja, maar, nou en? Dan doe jij dat toch ook. Ze verdedigden meer, gingen dan counteren, en kwamen er zo snel uit. Die Italianen hadden toen een fantastische voetballer, Zola, en nog een Colombiaan, Asprilla, die heel snel was. Ze kwamen eruit en scoorden drie keer.’

‘Ik zei: dan doe je dat ook, dan ga je toch ook verdedigend spelen en dan erover heen. Ik snap best dat je aanvallend wilt voetballen, maar dat is soms ook naïef. En toen zei hij heel eerlijk: ja, maar dat kan ik hier niet verkopen. Wij kunnen niet in de Meer verdedigend gaan spelen. Dat pikt het publiek niet. Met Louis kon je een prima gesprek voeren. Gewoon discussiëren. In persconferenties moest je er niet tegenin gaan, want dan werd hij hels. Maar één op één kon je prima met hem praten.’

‘Van Gaal wilde altijd dat wanneer ik het had opgeschreven, dat hij het eerst kon lezen voor de publicatie. Hij had toen eigenlijk maar een paar veranderingen. Overal waar ‘ik’ stond, moest ‘wij’ worden. Dat hij niet die mening had, maar de hele club.’

Europa-Cup finale van ’95
Toen ze ooit een keer de finale wonnen, Ajax, in ’95. Toen deed mijn favoriete speler bij Milan niet mee, Savicevic. Ik zat op de perstribune, toen kwam Tom Egbers, van de NOS kwam naar me toe, hij zei: Savicevic doet niet mee. Oké, dan ga ik weer naar huis, zei ik, en stond op om weg te lopen…’

‘Ajax won toen, door een puntertje van Kluivert. Maar AC Milan had net zo goed 4-0 kunnen winnen. Van der Sar haalde prachtige ballen eruit. Om onverklaarbare redenen, hij was gewoon een erg goede keeper. Tweede helft puntertje van Kluivert en daar bleef het bij. Na afloop vroeg ik van Gaal tijdens de persconferentie of het nog uitmaakte of Savicevic niet mee deed bij Milan. Toen zei hij, wij praten niet over één speler. Ik heb toen geschreven dat Ajax niet zijn beste spel had, en dat het niet de beste wedstrijd was, trouwens van beiden. Het was gewoon saai.’

‘Ik weet nog wel, op de heenweg mocht ik niet mee in het vliegtuig van Ajax, want ik was niet pro Ajax. Dat was een vlucht met de spelers, sponsors, zo’n 25 journalisten en het bestuur. Van Gaal had toen geregeld dat ik niet in dat vliegtuig zat, omdat ik te negatief was over Ajax. Vond hij. Terwijl ik het hele jaar overal mee naar toe was geweest. Ineens moest ik toen in een ander vliegtuig naar Wenen, met verslaggevers die nog nooit bij Ajax waren geweest, laat staan bij een voetbalwedstrijd.’

‘Uiteindelijk mocht ik bij de terugreis wel mee. Dat beschouwde ik als een soort overwinning. Er kwamen toen op de terugvlucht bestuursleden van Ajax naar me toe. Die hun excuses aan mij gingen aanbieden omdat ik niet mee mocht in het vliegtuig. Het is een voorbeeld, vooral vanuit Van Gaal: als je niet voor ons bent dan ben je tegen ons. Terwijl ik gewoon opschrijf wat ik zie.’

Niet door van Gaal in keurslijf te krijgen
‘Ik heb weleens gehoord dat Piet Schrijvers, die werd trainer bij FC Wageningen – een jaartje of halfjaartje heeft dat geduurd – dat alle auto’s van de spelers met hun neus dezelfde kant op moesten staan. Hebben ze in Wageningen gezegd: wat is dit dan, ga jij maar weg. Dat is het idee, dat alle journalisten, volgens Van Gaal, maar voor Ajax moeten zijn. Ik kan me voorstellen dat Van Gaal dat wil. Dat Ajax dat wil. Maar mij krijg je niet in dat keurslijf. Daar ben ik wel tevreden over, dat ze me niet in het keurslijf krijgen. En dat je toch iemand bent waar ze op letten.’

‘Lange tijd later, toen ik al lang niet meer met voetbal bezig was, kwam ik van Gaal nog eens tegen. Liep ik met Louis de trap af. Hij zei: ha Guus, lang niet gezien. Ik zei ja klopt, ik ben tegenwoordig ook coach. Toen was ik chef geworden. Hij was heel vriendelijk. Toen behoorde ik niet meer tot de mensen die hij moest sturen. Het zijn ook best prettige mensen, ook van Gaal, maar vanuit hun functie moeten ze zorgen dat iedereen op hun hand is. Echte vriendschappen heb ik niet opgebouwd in de voetbalwereld.’

kati en Guus

Guus met Katarina Witt

Joop Zoetemelk
‘Ik heb meer met wielrenners banden opgebouwd dan met voetballers. Dat is toch een ander soort mensen. Die renners hebben me wel echt echt belogen. Omdat ze doping gebruikten, en over winnen en verliezen onderhandelden, en dat niet durfden te zeggen. Als ik Joop Zoetemelk tegenkom, dan zegt hij, hé Mark, omdat hij niet meer weet hoe ik heet. Maar met al die mensen kan ik nu heel goed opschieten. Al heb ik toen altijd heel kritisch over wielrennen geschreven en soms ook echt botste met dezelfde mensen.’

‘Die topsportwereld, concurrent van elkaar zijn, ervoer ik ook in de competitie tussen de kranten. Zeker de Telegraaf en de rest. Als zij iets weten, willen ze dat als enige of als eerste weten. Mij interesseert dat niet. Ik schrijf liever een verhaal met nuance erin. Als iemand doping gebruikt als topsporter, dan ben ik niet geïnteresseerd in dat die topsporter dat doet, maar wel in waarom hij of zij dat doet. Die topsporters die staan altijd onder zo’n enorme druk, dat kunnen mensen zich niet voorstellen. Ik heb daar altijd kritisch naar gekeken.’

Terug naar de jeugd in Bennekom
‘Het kritisch naar sport kijken is denk ik ook ontstaan in dat dorp, in Bennekom. Sport was iets heidens in die tijd. Dat je niet mag voetballen op zondag. Misschien heb ik daardoor altijd het idee gehad kritisch naar sport te kijken. Niet naar bewegen. Kijk, bewegen is bewegen. Maar topsport is anders. Ik weet intussen uit ervaring dat topsport niet zo gezond is. Kijk, je kan een gouden medaille halen, of drie, en dan op een gegeven moment op je 35ste ben je klaar. Of je lichaam is kapot, of je bent klaar. Dat sterke verlangen naar iets wat het hoogst haalbare is. Het kost alleen maar pijn, topsport. Je bent alleen maar aan het trainen, en aan het strijden, en alles er voor laten. En dan lukt het niet. En dan ben je op je 35ste klaar en dan moet je stoppen, waar heb je het dan voor gedaan. Of je bent op je 20ste klaar door een blessure. Wat doe je dan, als je daarvoor alles ervoor hebt moeten laten?’

Guus zijn kritische houding richting topsport is opmerkelijk te noemen, vanaf de buitenkant. Omdat hij er zelf altijd over heeft geschreven. Bepaalde zaken in het leven van Guus hebben hem gevormd en doen relativeren. Zijn gereformeerde achtergrond is al genoemd, maar zijn scheiding, twee burn-outs en zijn ernstig ziekbed hebben hier ook zeker invloed op gehad.

‘Ik heb problemen gehad na een relatie die uitging. Toen werd ik redelijk depressief. Je kan dan een uitweg zoeken in drank en drugs. Ik zocht mijn uitweg vooral in boeddhisme. Dat boeddhisme heb ik daarna lang losgelaten en me bijna obsessief op mijn journalistieke werk gestort tot ik alles weer op de rails had. Vlak voor mijn pensioen kwam het boeddhisme weer op mijn pad. Het begon weer te kriebelen. Toch dat verlangen naar een kerk, wel zonder een god, maar toch een bepaalde zoektocht. Een zoektocht met vrijheid, zoals dat in het boeddhisme kan. In die zoektocht zit ik nog steeds.’

OldStars walking football spreekt me veel meer aan dan topsport
‘Ik had een probleem op het eind van mijn carrière, dat ik mijn hele leven over sport had geschreven. Mijn probleem vond ik toch wel, dat ik zo geobsedeerd was door strijd en competitie. Dat ik dat altijd mooi vond. Hoe mensen elkaar verrot schoppen. Dat voelde niet lekker. Je kan beter vriendelijk met elkaar omgaan. Kijk naar walking football. Wat mensen mij vertellen. We gaan anderhalf uur spelen, en dan lekker een kopje koffie met elkaar drinken. Of je nou gewonnen hebt of verloren, dat maakt dan niet meer uit. Dat is veel leuker toch, en past veel meer bij mij, en bij de boeddhistische leer, de dharma.’

Op Guus zijn manier met pensioen  
‘Zeven of acht jaar geleden merkte ik dat ik uitgeblust begon te raken. Zeker van de competitie om goede stukken te schrijven. Kreeg last van mijn hart, hartkloppingen enz. Ik werd zelfs aan mijn hart geopereerd. Toen ik thuiskwam van m’n vakantie in Egypte, heb ik toen onmiddellijk een berichtje gestuurd van: ik ben klaar, ik kom niet meer. Ik weet nog wel dat de toenmalige, nieuwe hoofdredacteur eens tegen me zei: ja maar Cruijff heeft wat geschreven, jij moet daarover een stuk schrijven. Toen zei ik: nou, ik doe het niet. Ja maar het moet. Ik doe het toch niet. En ik was niet bang. Ik zei: ik doe het niet. Iedereen zei: jij moet het doen. Ik zei: ik doe het niet. Anderen waren wel bang en gingen dan ineens schrijven. Ik bleef onafhankelijk. Ze wilden me toch niet kwijt. Toen ben ik gestopt, met pensioen gegaan.’

Daar komt ineens die jongen uit het eerste van Bennekom terug die weigert in het trainingspak van de sponsor te lopen. Die zijn eigen koers vaart. Die op zoek is naar antwoorden op het leven, naar zichzelf, naar rust. Inzichten probeert te vinden in het boeddhisme op vragen als waarom hij op deze aarde is. Bepaalde zaken een plaats kunnen te geven. Het wegzetten van een verlangen, misschien wel naar een verlangen naar erkenning en waardering. Wat ontbrak in de calvinistische gereformeerde jeugd.

OldStars lijkt niet bij toeval op het pad van Guus van Holland te zijn gekomen. Ontspanning, lachen, ouwehoeren, liefde voor het spelletje, voetbalanekdotes delen van vroeger, en gewoon met een bakje koffie in de kantine praten over alles wat een mens bezighoudt. Dat is wat OldStars kenmerkt. Weet Guus nu ook.

Guus wil zelf nog het OldStars walking football toernooi noemen bij RCL Leiderdorp: 8 mei, waarbij veel teams (24?) kunnen meedoen en er geld wordt opgehaald voor KIKA in de strijd tegen kanker. Meer informatie volgt hierover.

Het OldStars team wenst Guus een mooi debuut en een ontspannende OldStarscarrière. Met dezelfde ontspannen glimlach die hij tijdens dit interview geregeld liet zien! 

Frans: een streng, doch vaderlijk gezelligheidsdier

8 jul

Frans fiets

Tekening: Waldemar Post

Frans van Schoonderwalt was niet zomaar een aardige collega, hij was álleraardigst. En streng. Zonder een bazige, eigenwijze onderwijzer te worden. Tot in het café toe sprak hij mij toe over foutjes in mijn taalgebruik, mijn inschattingen, zijn visie op de materie, ons redactiebeleid, het gedrag van andere collega’s en zijn eigen ervaringen. Frans was als een vader, vanaf 1976 toen ik tot de sportredactie van de Volkskrant mocht behoren.

Frans was er sinds 1969, nadat hij in 1962 bij het Eindhovens Dagblad was begonnen. Een Brabander (die niet ouder werd dan 76 jaar), met een hart voor PSV (zoals zijn vader en Philips-werknemer) én een groot hart voor wielrenners. Het kon niet anders dan dat ik ook over wielrennen ging schrijven (eerst als leerschool de amateurs), hoewel voetbal vanwege mijn achtergrond als voormalig getalenteerd voetballer mijn voorkeur had. Toen Frans in 1978 bekend maakte dat hij over een jaar ging stoppen als wielerverslaggever en niet meer de Tour de France zou doen, vooral omdat hij in 1980 de Olympische Spelen in Moskou wilde verslaan (vanwege zijn kennis van de Russische taal) en omdat de Tour-drukte hem teveel werd, werd ik bijna als vanzelfsprekend zijn opvolger – zo onervaren ik nog was. Maar Frans zou me over de eerste obstakels loodsen. De Tour verslaan was immers, zo leerde hij, de zwaarste reportage die je als sportjournalist kon doen. Nou, dat heb ik geweten.

Met Frans zou ik na mijn vertrek naar NRC Handelsblad in 1988 vrienden blijven. Tot aan zijn overlijden (op 2 juli) toe. Niet omdat wij de wielersport een warm hart toe droegen, gewoon omdat wij elkaar (en veel andere wielerverslaggevers) lagen en ik graag in zijn nabijheid en van zijn hele lieve vrouw José wilde blijven verkeren. Hij stond me bij in mijn moeilijkste momenten (scheidingen, ziektes, onenigheid met collega’s en andere nare gebeurtenissen) en bleef me volgen toen ik voor NRC schreef. Hij bleef betrokken, ook bij mijn privébesognes. Daarom vonden we elkaar altijd weer. We stonden waar dan ook bier te drinken, gewoon zoals we gewend waren vanaf het eerste uur van onze vriendschap.

Frans, Peter ea

Oude Tourkameraden. Vlnr boven: Joop Holthausen, Peter Heerkens, Guus van Holland en Peter Ouwerkerk. Onder: Frans van Schoonderwalt

Vandaar dat ik graag mijn herinneringen aan Frans beschreef op de afscheidspagina die de Volkskrant in oktober 2003 voor hem samenstelde. Frans zou nooit meer uit mijn leven verdwijnen. De vriendschap en collegialiteit die we vanaf 1976 opbouwden, tijdens gezamenlijke reportages (toch nog drie á vier keer samen in de Tour – hij als verslaggever van de feiten, ik als beschouwer) bijna intiem uitbouwden, zouden nooit meer verloren gaan. Alsmede de herinnering aan die bevlogen collega’s van sportredactie: Ben de Graaf, Hans van Wissen, Theo Nolens, Frans Ensink, Henk Wehberg, Poul Annema, Ab Schreijnders, Martien Schurink, Cees Zoon, Ronald ten Brink, Joep Verdonck. Vandaar ook dat ik mijn herinnering, gepubliceerd op de afscheidspagina van Frans, (gedeeltelijk) herhaal:

‘Geboend en geschrobd, glimmend en gloeiend, de haren scherp gekamd zat Frans ’s morgens aan het redactiebureau, alsof hij niets meer wist van de vorige avond. Vol plichtsbesef zat hij dan kaarsrecht achter de schrijfmachine, het ene velletje na het andere vol te tikken, het ene klusje na het andere te klaren. Nog ver voordat de krant zou moeten zakken, had Frans de sportpagina al vol, zeker het voorwerk voor de avondredacteur verricht. Omdat dat nu eenmaal moest.

‘Geen dranklucht meer, slechts lichte sporen van vermoeidheid, nauwelijks een herinnering aan de vorige avond in café Hesp, waar ik door Frans zo vaderlijk was ingewijd in de rituelen van het langdurig en zinvol bier drinken. Niet dat hij ’s morgens niet meer wilde weten wat gebeurd was of wat hij gedaan had – laat staan wat ik gedaan of gezegd had. Frans was gewoon ’s avonds laat een kereltje en ’s morgens vroeg een kerel.

‘Eén pilsje? Zo vroeg hij tegen vijf uur, als het werk geknipt en geschoren was. Natuurlijk, Frans! Het werden er meer dan één. Zodat hij tegen achten de telefooncel (…) instapte om José te melden dat het ‘ietsje’ later werd. Het werd altijd ‘ietsje’ later. Want Frans hield van gezelligheid, van bomen over de krant en vooral over wielrennen – samen met luisterende collega’s als Piet van Seeters en Harry Lockefeer, Henk Huurdeman, Han van Gessel, Joop van Schie, Maria Hendriks, Willem Beusekamp, Jan van Capel, Cor Groeneweg, Nico Goebert, Kees Bastianen, Peter van Bueren, Victor Lebesque, Jos Klaassen, Willem Ellenbroek, Cees Zoon, Ronald ten Brink, Joep Verdonck, Gijs van den Heuvel en al die andere Hesp-klanten van de Volkskrant.

‘Hij was een strenge, maar gezellige leermeester. Een romanticus die van verhalen (vooral over wielrenners) hield. Tot in de nachtlokalen en avondlijke terrassen van Frankrijk toe, waar hij tijdens de Tour de France altijd actief en opbeurend was – óók een vader. Hij was gelukkig wanneer hij thuis op zijn verjaardagsfeest diep in de nacht Neerlands Hoop in Bange Dagen door de huiskamer liet schallen of wanneer hij Paverotti bij herhaling toe de hoge C liet galmen. Frans was een gezelligheidsdier dat kon stralen van geluk als een fruits de mer van drie plateaus hoog voor zijn neus verscheen. En doping? Ach kom, is er dan niets anders om over te praten en bij te drinken? Geen speculaties, asjeblieft, mensen beschadig je niet. Alleen de waarheid, alleen de feiten.

‘Frans kon boos reageren wanneer ‘bevriende’ renners hebben een loer hadden gedraaid. Zoals op de avond toen hij een heroïsch verslag van Michel Pollentier kon versnipperen, omdat de Belg naar later op de avond bleek de dopingcontroleurs had ‘geflikt’ (het beruchte peertje). Zijn tweede stuk getuigde van woede, zo kritisch was hij geworden. Waarop onze collega en oud-Tourverslaggever Theo Nolens aan het bureau mompelde: ‘Frans heeft zich door zijn emoties laten leiden, hij voelt zich bekocht.’

‘Een misverstand, want Frans liet zich (bijna) altijd door zijn emoties leiden, door zijn liefde voor wielrenners – ook voor andere sporters. Hij ging uit van de goedheid van de mens. En dat op een redactie die het in die periode als haar taak beschouwde juist van het slechte in de mens uit te gaan. Hoe hield Frans dat toch vol?

‘Frans hield van literatuur en meesters in de taal – vooral Vlaamse en Russische. Prachtige interviews heeft hij gemaakt. Van die ik met hem samen mocht doen waren de hoogtepunten het paginagrote gesprek in het Vlaams met Lomme Driessens, de legendarische Belgische ploegleider (‘Ge kunt van mij geen koers kopen die ik kan winnen. Maar ik kon wel een koers verkopen die ik niet kon winnen. Dat is de kunst’), dat met Walter, Willie en Eddy Planckaert en dat met bokser Rudi Koopmans (jawel, een bokser in de Volkskrant). De laatste weliswaar in Het Vervolg, met als kop ‘Heb jij weleens een rammel voor je kop gehad’; het gevolg van een kritische vraag van mij; Frans was niet zo kritisch, eerder empathisch. Frans wist mensen voor zich in te nemen. Hij straalde vertrouwen uit en hij kon het opschrijven als geen ander. Hij was een bevlogen en meesterlijk journalist.

‘Toen (in 1988) gingen onze wegen uit elkaar. Alsof ik afstand nam van mijn vader. Zo verwoordde Frans dat ook: ‘Je moet nu alleen verder.’ Frans is nog altijd dichtbij. Bij zowat elk woord dat ik tik, voel ik me bekeken door hem. Dat Frans van Schoonderwalt geen journalist is bij de Volkskrant is onvoorstelbaar. Misschien schrijf ik nog eens een boek over hem: ‘Over mensen die iets betekenen’.’

Tourverslaggevers

Reünie van Tourverslaggevers van de Volkskrant, medio jaren negentig. Vlnr boven: Guus van Holland, Jan Verdonck, Frans van Schoonderwalt en Jan de Vries. Onder vlnr: Jaap Visser, Bert Wagendorp en Bart Jungmann.

Dat eventuele boek van mij, ga ik nu verder, zal nooit zo goed worden als de boeken die Frans heeft geschreven. Een tiental, over wielrennen, doping, reizen, literatuur, opera en meer. Zo goed, zo zorgvuldig als Frans schreef, zal ik nooit kunnen schrijven. Hij was een sieraad als schrijver en vooral als mens. Ik zal hem zeker missen, meer dan welke collega die ik heb gekend. Gewoon: een fijn mens om gekend te hebben. Een strenge doch empathische leraar van het leven.

Proost, Frans!

Deze herinnering is gepubliceerd op 8 juli 2019 in de Volksknar, (digitaal) clubblad van het Genootschap van Ouwe Knarren van de Volkskrant. Verder met bijdragen van Ben de Graaf, Nell Westerlaken, Willem Kuipers en Haro Hielkema.

https://drive.google.com/file/d/1JPcDE1iEdElFj8GK4Sa1Pt_NaA9JjZPz/view?fbclid=IwAR1hgvYZK3Kjok-JgE6I55p5Hw6BF00LPxWVPOVh1fcjJmIhFr69oiGam5o

Mark, mijn liefste collega, vriend en dwarsdenker

28 nov
Marks feestje

Foto Vincent Mentzel

Dinsdag 27 november is in alle vroegte mijn oud-collega en vriend Mark Hoogstad (48) overleden. Aan die verschrikkelijke ziekte, waarvan hij nog geen jaar geleden de onheilstijding kreeg. Mark was niet alleen de meest talentvolle collega, van wie ik (onder bepaalde voorwaarden) ook diens chef mocht zijn, maar hij was vooral de liefste. Wij begrepen elkaar als gelijkgestemden. ‘Wij hebben hetzelfde karakter’, zei Mark vaak. Dus(?) hadden we weleens laaiende ruzie – en als rechtgeaarde emotievolle mannetjes niet alleen met elkaar. Eerst was ik voor hem een oudere, ervaren collega bij de sportredactie van NRC, min of meer zijn mentor, vervolgens zijn chef.

Het was nooit saai. De emoties gierden vaak door de sportredactie. Dan probeerde die reusachtig grote Mark hakkelend, zwetend en amechtig aan zijn sjekkie trekkend mij te overtuigen dat ik toch ‘echt eens die andere collega’s’ tot de orde moest roepen. ‘Grijp in, Guuske’, riep hij dan om vervolgens uit te barsten in een door een hoge stem versterkte gierende lachbui.

Eens heb ik hem uit de sportvergadering gestuurd, omdat ik vond dat hij zich kinderlijk en nogal overdreven miskend gedroeg. ‘Jij behandelt mij als een kind, dat doe je niet. Ik ben geen kínd’, schreeuwde hij korte tijd later via de telefoon tegen mij. Ik hoor zijn hartekreten nog galmen in mijn auto. Op de achtergrond schreeuwde een jong kind. Waarna ik Mark hoorde krijsen, het bleek tegen zijn toen nog heel jonge dochtertje: ‘Hou je kop Floor!’ De volgende dag vloog hij me liefdevol om de hals, gaf me een zoen en zei: ‘Wil je dat nooit meer doen, Guuske! Ik hoop dat je ervan geleerd hebt.’

En zo waren er vaak botsingen op de meest rumoerige en emotionele redactie van NRC Handelsblad, tot grote verontwaardiging (afkeer?) van de rest van de redactie. Maar altijd was er een happy end. Je hoefde alleen maar te kijken naar die arrogante glimlach van Mark (wat kon hij arrogant zijn!) en je wist dat het goed was. Je voelde dan dat hij het naar zijn zin had.

Mark op zijn laatste feestje met oud-collega’s van NRC, een maand geleden, omringd door vlnr Hans Klippus, Guus van Holland en Henk Stouwdam
(Foto Vincent Mentzel)

Ik koesterde zijn talent. Want Maarten Hendrik Hoogstad (zoals hij zich graag voorstelde) was niet alleen een ‘diepgraver’ met een brede blik, maar ook een begenadigd schrijver, soms nogal archaïsch – zeker een purist. Ik adviseerde hem daarom regelmatig zijn horizon te verruimen liever nog te verplaatsen en zich niet uitsluitend of vooral te richten op hockey (‘NRC is een hockeykrant, grote vriend’) en zwemmen, (vaak ook fanatiek rugby en tennis [winst Richard Krajicek op Wimbledon], soms boksen en ijshockey). Hoe nauwgezet hij die sporten ook volgde, hij zou veel meer en belangrijkere onderwerpen kunnen aanpakken, zo vertrouwde ik hem toe – en ik was niet de enige.

Uiteindelijk koos hij voor de redactie binnenland (waar hij onderwijs kreeg toegewezen – niks voor Mark dus), ten slotte als Rotterdam-verslaggever en (mede door de verhuizing van de redactie uit ‘zijn’ Rotterdam naar Amsterdam, waar Mark zich fel tegen verzette, én gevoed door weer zo’n heftig gevoel van miskenning) vervolgens voor het AD/Rotterdams Dagblad in zijn woonplaats Rotterdam. Daar kreeg hij als verslaggever en commentator van de Rotterdamse politiek eindelijk de erkenning waarnaar hij altijd bijna obsessief verlangde. Totdat hij ook daar misnoegd vertrok.

Mark (‘Ik heb een onwaarschijnlijk talent voor rancune’) haalde zijn revanche met zijn opzienbarende boek over de Rotterdamse politiek (‘Rotterdam, stad van twee snelheden’) en verdiende daarmee een maand geleden de Persprijs Rotterdam, die hij eerder tot zijn grote ongenoegen was misgelopen. Wat een erkenning dan toch op de valreep!

Wij zijn elkaar nooit het oog verloren. Zo gaat dat met mannen die elkaar een warm hart toedragen. Maar het leven zonder Mark is niet meer wat het geweest is.

Beperkte sportmensen verdienen meer aandacht

19 mrt


Ik heb geen seconde gezien van de Paralympische Winterspelen in PyeongChang, die – zo bleek mij – het afgelopen weekeinde eindigden. Ik vraag me af wie er wél heeft gekeken. Het zou me verbazen wanneer de kijkcijfers hoog zijn geweest. Of ligt het aan mij? Ben ik alleen geïnteresseerd in bijzondere prestaties van perfecte dan wel kerngezonde mensen? Zoals veel mensen om mij heen.

Ik zie eigenlijk liever natuurtalenten die alles uit hun uitzonderlijk mooie, atletische lichaam en sterk ontwikkelde geest weten te halen. Geconditioneerd als ik ben (door mijn opvoeding, mijn omgeving en de grote media) dat vooral de bewondering voor de geweldige mens belangrijk is. Zo moet je ook zijn, zo goed moet je later ook worden, alleen een 10 telt op school – dus ook met sport. Met mensen met een zesjesmentaliteit valt niets te beginnen: zwakkelingen, losers. Alleen winnaars tellen mee. Nietwaar?

Vooral de volmaakte mens krijgt waardering. Perfectionisme wordt verlangd. ‘Plusklassen op de basisschool, overvolle gymnasia en speciale programma’s voor superslimme studenten’, zo lees ik in Sir Edmund, de wetenschapsbijlage van ‘De Volkskrant’, ‘de verfoeide zesjescultuur in het onderwijs heeft plaatsgemaakt voor een strijd om hoge cijfers. Maakt dat jongeren ziek van perfectionisme?’

Ook in de sport viert het streven naar perfectionisme hoogtij. Citius, altius, fortius (sneller, hoger, sterker) heet immers het olympische credo. Wie niet wint, heeft niet voldaan aan de verwachtingen. Wie niet van nature sterk en snel genoeg is, ziet zich gauw gedwongen naar middelen te grijpen zoals geavanceerde trainingsmethoden, betere technologie, meer geld, riskante medicijnen en zo meer. Doping in welke vorm dan ook is eenvoudigweg (over)compensatie. Zonder winst geen glorie, geen medaille, geen heldendom, minder media-aandacht, minder kijkcijfers.

In het boek van het voormalige grote Nederlandse golftalent, Joost Steenkamer, ‘Bedankt voor het Spelen’, las ik zijn worsteling om de perfecte golfer te worden. Met behulp van sportpsychologen, meridiaan-therapeuten, goeroes, sjamanen, meditatie- en ademhalingstechnieken, (nichiren daichonin)boeddhisme, taoïsme, de natuur, NLP, Familieopstellingen, Kung Fu- en Tai Chi-meesters probeerde hij amechtig zo goed te worden als Tiger Woods eens was – of gewoon een constant harmonieus mens. Dat lukte hem niet. Het is zoals het is. Zo vertelde hij (52), net terug van een retraite met een sjamaan: What you seek is seeking you. Het lichaam kan alleen waarvoor het bedoeld is, de geest doet alleen wat ze kan – en dat is beperkter dan je verlangt. Het komt zoals het komt.

Ik las in ‘Der Spiegel’ het verhaal van de 33-jarige Duitse 104-voudige voetbalinternational Per Mertesacker die nu, vlak voor zijn afscheid, bekent dat hij voor een wedstrijd na al die jaren nog steeds veel last van misselijkheid heeft, door de druk waar profvoetballers mee te maken krijgen. Wanneer hij eenmaal zijn positie op het veld heeft ingenomen, krijgt hij er last van. ‘De misselijkheid komt vier à vijf seconden voor de aftrap. Elke keer opnieuw. Mijn maag keert zich om en ik krijg het gevoel dat ik moet overgeven. Dan moet ik zo hard slikken dat ik tranen in mijn ogen krijg en bijna moet huilen.’ Hij heeft het, net als veel voetballers, nooit willen toegeven. Van zijn vrienden pleegde doelman Robert Enke (hij was ook international) als gevolg van voortdurende depressies in 2009 zelfmoord. Lees: ‘Een al te kort leven’, de biografie van Enke geschreven door Ronald Reng. Tegenover sportpsychologen in dienst van zijn club zweeg Mertesacker (stoer of bang) altijd over zijn tekortkomingen.

Zo heeft ieder mens zijn beperkingen, ook de sportende mens – zelfs de topsporter. En toch verkeren wij in de waan dat de topsprinters, toprenners, topspringers, topzwemmers, topschaatsers, topturners en topvoetballers door God uit het ‘juiste’ hout zijn gesneden. Dat het geen gewone mensen zijn, maar supermensen, droommensen, bevoorrechte mensen. Modellen zoals onophoudelijk in reclames aan ons worden getoond: zo moet u zijn, zo perfect kunt u worden! Zoals Lionel Messi moet onze zoon kunnen voetballen! Zoveel geld als Messi moet onze zoon verdienen! Onze zoon moet perfecter zijn dan Messi, nog beter, nog talentvoller. Hij moet een alleswinnaar zijn!

Bibian Mentel

Eigenlijk zou ik meer geraakt moeten worden door de verhalen over de strijd die deelnemers aan de Paralympische Spelen hebben moeten voeren om aandacht te verwerven – liefst medailles te halen. Dat word ik nu pas, nu de Paralympische Winterspelen voorbij zijn. Zoals door het gevecht van Bibian Mentel, de Nederlandse parasnowboardster die tweemaal de afgelopen weken een gouden medaille won nadat ze negen keer van kanker was hersteld. De verhalen van zitskiër Jeroen Kampschreur, de parasnowboarders Lisa Bunschoten en Chris Vos, en zitskiester Linda van Impelen. En de gevechten die alle anderen met een ernstige beperking (onvolmaaktheid) hebben moeten leveren. Hun veerkracht, hoe ze hebben geleerd positief in het leven te blijven staan, wat hen dat oplevert naast een medaille of überhaupt deelname aan een kampioenschap of Olympische Spelen.


Zomaar (toeval?) werd ik geraakt (what you seek is seeking you?) door een interview in ‘NRC Handelsblad’ met beroepswielrenner Brian Kamstra voorafgaand aan Milaan-Sanremo. Hij lijdt aan diabetes. Sterker: hij rijdt in een Amerikaanse ploeg met alleen maar diabetespatiënten, Team Novo Nordisk. Alle deelnemende renners van de ploeg voltooiden afgelopen zaterdag Milaan-Sanremo, de snelste werd 65ste, de Spanjaard David Lozano, 2 minuut 23 achter de Italiaanse winnaar Vincenzo Nibali. Dat verhaal had ik graag in een van onze kranten gelezen. Ik las het op de website van Novo Nordisk, ver weg van de mainstream-media.

Topsport biedt meer dan perfectie. Vooral veerkracht, optimisme en omgaan met beperkingen werken inspirerend. Niet alleen de supertalenten verdienen aandacht ook de met zichzelf worstelende sportmensen. Juist aan hen kunnen we ons het beste spiegelen. Voor mij is vooral de mens die worstelt en (weer) bovenkomt een held. Ik neem me voor de gehandicapte (dan wel de beperkte of onvolmaakte) sporter intenser te volgen. Leerzaam.

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

Wanneer stopt bewondering voor Peter Sagan?

3 mrt

Bewondering kan zomaar omslaan in verzadiging. Dan is het arsenaal aan superlatieven leeg en zijn zelfs de kenners niet meer tot een verklaring in staat. Wat nog te zeggen? Wat nog te schrijven na weer een groots vertoon van talent? Waar radio- en televisiecommentatoren zich nog konden uiten in clichématige kreten van verwondering en verbazing, zwegen de schrijvers van de dagbladen daags na de eerste Noord-Europese wielerklassiekers de Omloop Het Nieuwsblad en Brussel-Kuurne opvallend over de krachtexplosies van Peter Sagan.

Wat nu weer? Hoe moet dit nu weer verklaard worden? Nee, niet weer een lofzang op Sagans buitengewone escapades, zo hoorden de verslaggevers het strenge stemmetje in hun hoofd. Dan maar een afwijkend verhaal over de wedstrijd of over de andere deelnemers. Het zijn terugkerende dilemma’s in de sportjournalistiek zodra de suprematie van een sporter of sportploeg het punt van verzadiging heeft bereikt. Wanneer mogelijk alle verklaringen zijn gebruikt valt de analyse stil.

Indrukwekkend en verhelderend was het verhaal van Dennis Meinema dat daags vóór de openingsklassieker in NRC Handelsblad verscheen: ‘In het land van Peter Sagan’. Familie, jeugdvrienden, trainers en trainingsmaatjes uit Sagans geboorteplaats Zilina vertelden wat voor een type mens Peter Sagan was. Maar dan nog leek het niet de ultieme verklaring van het uitzonderlijke talent. Er zou meer moeten zijn.

Zijn het zijn onaangepaste gedrag, zijn rare uiterlijk, zijn moeilijk te begrijpen gebruik van de Engelse taal die hem ongrijpbaar maken? Zeker, dat telt mee. Een opvallende rare verwilderde man (geen prototype van een topsportersuiterlijk) uit een land waar wielrennen nauwelijks wordt bedreven, een man die zich niet aangepast wil gedragen en die de clown mag uithangen (mogelijk uit marketingoverwegingen) is gewoon een vreemde snuiter. Alles wat hij doet wordt gedoogd. Sterker, om hem wordt vooral gelachen.

Zoveel winnen en dan nog gek doen, wie zal het hem kwalijk nemen? Wanneer hij straks niet meer wint, zal zijn gedrag worden gebruikt om hem te bekritiseren. Maar wanneer zijn triomftochten aanhouden zal zonder twijfel een analist opstaan die verder gaat zoeken. Zoals het een journalist betaamt, toch?

Wie weet komt er iemand op het idee achter het masker en het clowneske gedrag te gaan zoeken. Er moet toch iets zijn wat tegen de afspraken van sportief gedrag indruist. Als het niet extreme lichaamsbouw of buitensporig gedrag is, dan toch zeker voedings- en medicatiepatronen. Zoals is het toch vaak gegaan met sporters die ver boven de rest uitstaken? En niet alleen bij Russen, andere Oost-Europeanen, Chinezen en ander vreemd volk, zeg maar sporters die niet werden vrijgepleit uit chauvinistische motieven.

Een nog niet ontdekt motortje in de fiets, waar de Zwitserse renner Fabian Cancellara mee werd lastig gevallen, bloedversterkers of -verversers dan wel domweg een hart- of spierversterkende chip in het lichaam. Alles is mogelijk zolang er nog niet afdoende op kan worden gecontroleerd. Verwondering kan zomaar overslaan in scepsis. En voordat je het weet wordt elk nog niet vertoonde gedraging of prestatie uitvergroot en argwanend geanalyseerd.

Jaren geleden gingen plotseling steeds meer renners met stofbrillen rijden, oogbeschermers zoals die door motorcrossers werden gedragen. De ene renner verklaarde dat de wegen steeds stoffiger werden, de ander had (gewoon) last van geïrriteerde ogen. Van de ene op de andere dag hadden steeds meer renners last van geïrriteerde ogen. Inderdaad, bloeddoorlopen ogen. Tja, die stof. Sportbrillenfabrikanten zagen er wel brood in en sloten contracten af met renners – winstgevend voor beide partijen. Totdat een sportarts uit de school klapte en mij verklaarde dat die oogirritaties het gevolg waren van het toenemende gebruik van corticosteroïden onder renners. Er zou een besmettelijk virus heersen…. Wat natuurlijk werd ontkend door renners en verzorgers. De oogirritaties verdwenen even plotseling als ze waren ontstaan, de brillen bleven en werden steeds beter en zijn nu onmisbaar.

Vreemd gedrag vraagt om onderzoek. Zo ging Peter Sagan onmiddellijk na de Omloop Het Nieuwsblad naar het toilet. Vreemd, zo meende een Belgische tv-verslaggever. Sagan pareerde de sceptische opmerking broodnuchter dat ieder mens weleens naar het toilet gin wanneer dat nodig is. Een dag later, na Brussel-Kuurne, propte winnaar Sagan zijn mond vol met gummibeertjes die door een van zijn verzorgers in een zak werden aangereikt. Vreemd, nog nooit gezien, toch?

gummibeertjes
Een Belgische journalist ging gelukkig op zoek onderzoek en ontdekte via een diëtist die onder meer de Belgische nationale voetbalploeg en de wielerploeg van QuickStep (Tom Boonen, Niki Terpstra) begeleidt dat de snoepjes koolhydraten bevatten die leiden tot snel lichaamsherstel. Veel renners krijgen na afloop een eiwitshake aangevuld met gummibeertjes en een cola. In de massagekamers zijn er volgens de diëtist ook steeds snacks voorzien, zoals een smoothie op basis van magere Griekse yoghurt en fruit bijvoorbeeld. Weer eens wat anders dan speciale (mogelijk omstreden) preparaten zoals voedingssupplementen.

Zo kun je weleens wat leren van journalisten die op onderzoek uitgaan. Maar dan nog weten we niet helemaal wat Peter Sagan zo extreem en langdurig een geweldige wielrenner maakt. Misschien is hij gewoon extreem en langdurig goed. Misschien vragen we ons over een paar maanden af waar Sagan is gebleven. Misschien blijft scepsis de wielersport achtervolgen. Misschien zwijgen de wielercommentatoren liever na al die onthullingen en beschuldigingen en zijn ze op zoek naar nieuwe superlatieven om uitblinkende wielrenners op een voetstuk te zetten. Vooral wielrennen blijft een sport vol geheimen.

Deze column is gepubliceerd op http://www.sportenstrategie.nl

Piet Keizer had niks met heldendom

11 feb

Gewoon Piet Keizer (14 juni 1943). Wars van adoratie en welke vorm van idolatrie dan ook. Niks mysterieus, niks geniaal, niks poëtisch, niks fenomenaal. Piet wilde niet herinnerd worden als de legendarische linksbuiten van Ajax met de verbazingwekkende, onvoorspelbare schaarbeweging. Van lyriek en fantasie begreep hij geen snars. Hij deed gewoon de dingen die hij wilde doen. Hij zei gewoon de dingen die hij wilde zeggen. Dat anderen er iets bijzonders in zagen, moesten zij weten.

Natuurlijk had Piet vreugde beleefd aan wat hij heeft gedaan als voetballer. Natuurlijk juichte hij na een doelpunt, schepte hij genoegen in een geslaagde passeerbeweging of een succesvolle vrije trap waarmee hij de bal over het muurtje in het doel had gekruld. Dat vond hij nou zo leuk aan voetballen. Maar die ‘kouwe drukte’ er omheen, vooral van de journalisten of nog erger van een select gezelschap schrijvers dat hem zo nodig wenste te bewieroken in poëtische lofzangen. Als hij in staat was geweest zoiets te verbieden, had hij het gedaan. Sommige dingen die over hem werden gezegd, vervulden hem met walging.

Zo ervoer Rik Planting tijdens een opvallend openhartig gesprek voor het boek Lucky Ajax, de eregalerij (Thomas Rap, 1996). ‘Al heel snel had ik beslist dat die publiciteit voor mij niet hoefde. Het werd omgedraaid: ik vond voetballen heel leuk, maar ik heb nooit of te nimmer gevraagd of iemand kwam kijken (…) Een dichtbundel voor mij is het toppunt van wat ik niet kan en wil begrijpen. Ze denken: Hé, dit is hot, daar moet ik bij zijn, daar moet ik aan meedoen.’

Weg was de adoratie. Weg was de vereenzelviging met ‘Pietje Keizer’ (wiens acties ik als iedere andere jongen tevergeefs probeerde na te doen op straat of op het trainingsveld), zodra ik op latere leeftijd als journalist oog in oog met hem stond. En zeker zodra ik in 1996 Plantings boek had gelezen: ‘Publiek reageert op de actie, niet op de bedoeling. Niemand wist wat mijn bedoeling was. De ene keer lukte het, een andere keer niet. Maar mijn bedoeling was altijd oprecht. Uiteindelijk lukte er altijd minder dan ik wilde (…) De verdwazing van het publiek kan toch geen kick geven? (…) Ik begrijp niet dat er zoveel mensen zijn die zich kunnen opwinden, zo betrokken kunnen zijn.’

Het zijn van die passages in mijn leven die mij hebben doen inzien hoe betrekkelijk de kwalificatie ‘held’ in sportbeleving is. ,,Helden zijn mensen die zijn opgestaan uit de dood, die bloed hebben zien vloeien. Sportmensen zijn geen helden, dat zijn gewoon mensen die een kunstje beter uitvoeren dan een ander’’, zei Piet tegen mij aan de vooravond van een duel van Bayern München tegen Ajax, ergens medio jaren negentig. Piet (aanwezig als columnist/analist van een weekblad) zat naast zijn vriendin toevallig tegenover mij in een hotel buiten München aan de Tegernsee. Hij was zeer vriendelijk en complimenteerde me met mijn analyses in NRC Handelsblad over Ajax: ,,Jij gaat gelukkig niet mee met die euforie van je collega’s en dat geschreeuw van die Van Gaal over zijn succesformule. Dat voetbal van Ajax slaat nergens op. Ik zie geen lol, ik zie alleen computerspel. Het is allemaal zo betrekkelijk, dat voetbal. Vandaag noemen ze een speler een held, morgen bestaat hij niet meer. Vertel mij wat. Ik heb er nooit aan meegedaan. Maar, ach laat maar…’’

pietje

Piet en zijn tweede vrouw

Het werd een genoeglijke middag – vanzelfsprekend laten wederzijdse complimenten je niet onberoerd. Piets vriendin (zijn tweede vrouw) straalde en Piet straalde met haar mee. ,,Weet je wat ik zo mooi vind’’, zei Piet, ,,zij vindt jou leuk en jij doet alsof je niet weet wie ik vroeger was. Gewoon, samen zitten praten over voetbal en het leven, daar houd ik van. Voetbal is mijn leven, altijd geweest. Totdat ik merkte dat het einde was gekomen, ergens in oktober 1974. De andere spelers waren klaar met mij. [Trainer] Hans Kraay wilde iets anders, toen zei ik: ‘Krijg de klere maar, ik stop ermee’. De beste beslissing die ik heb genomen. Maar nu wat anders graag…’’

Ergens in die periode – kort na zijn abrupte afscheid – had ik in Vrij Nederland gelezen, in een interview van Frits Barend en Henk van Dorp, dat het journalistenduo was opgevallen dat Piet tijdens een wandeling door zijn tuin aan de Amstel zomaar over een bal was gestapt die iedere andere voetballer van vlees en bloed een subtiel tikje dan wel een harde trap zou hebben gegeven. Piet kwam er in het Beierse hotel op mijn verzoek op terug: ,,Geloof jij dat? Je moet niks geloven wat anderen schrijven. Misschien was het waar, misschien niet. Iedereen zijn eigen waarheid, iedereen zijn eigen perceptie. Je ziet wat je wilt zien. Sterker nog: het was wel waar.’’

Ik voelde me op mijn gemak bij Piet. Hij kon chagrijnig kijken, narrig zijn en irritant zwijgen. Als je hem maar in zijn waarde liet, gewoon Piet Keizer, niet meer en niet minder. Echt een warme man, hij straalde rust uit als je hem maar niet op zijn ‘kwaliteiten’ wees.

Op een middag in de lounge van een Brussels hotel aan de vooravond van een wedstrijd België-Nederland, zat ik tussen Piet en Johan Cruijff, omringd door hun echtgenotes, NSP-directeur Marina Witte en KNVB-voorzitter Jeu Sprengers. Johan had het hoogste woord, Piet stootte me telkens aan. Danny, Johans vrouw, nodigde Piets partner uit te gaan shoppen, mogelijk het gepraat van haar man beu. Want Johan had alles gezien, alle voetbalzenders gezien, niks was nog een geheim voor hem.

Johan filosofeerde over spelregels en andere voetbalwijsheden. Waarop Piet zei: ,,Ze moeten de cornervlaggen weghalen.’’ Johan zei ‘ja’. Waarop Piet zei: ,,En die doelpalen moeten ook weg.’’ Johan gaf Piet gelijk. Johan ging maar door. Toen sprak Piet de gedenkwaardige woorden: ,,Als ik jou goed begrijp moet je het hele voetbal afschaffen. Mij best, hoor. Maar misschien krijg jíj daar het meeste last van.’’

piet_keizer_in_actie_foto_vi_images

Piet omzeilt ADO-verdedigers

Daar zaten dan de mannen die ik bij Ajax had zien toveren, de ene door zijn frivoliteit, de andere door zijn geniale inzicht. Beiden eigenzinnig. De een leefde in een obsessie. De ander in een nieuwe gedaante, die van afstandelijke analist, een man die zijn leven in tweeën deelde en niet helemaal wist waar hij zich thuis voelde.

In veel beschouwingen wordt Piet Keizer neergezet als een man die zich had voorgenomen Johan Cruijff tot aan zijn dood te dwarsbomen. Zo heb ik het niet ervaren. Piet was gewoon niet volgzaam. Niet ten aanzien van Cruijff en zeker niet ten aanzien van zijn coach Rinus Michels, die zoals hij later verwoordde hem het plezier in voetbal afnam. Door Michels werd voetballer zijn een beroep. ‘Ik vond wat hij deed beknotting, bevoogding’, aldus Keizer tegenover Rik Planting.

Niettemin begreep Keizer naderhand dat Michels de basis had gelegd voor het latere succes van het Nederlandse voetbal, door diens invoering van discipline en zijn nadruk op het belang van het collectief. Maar leuk? Nee, die tijd was voorbij. Die alom bewonderde schaarbewegingen, die vrije trappen met een krul, die passes en kogelharde schoten, dat gaf pas echt plezier. Wat men er ook van vond.

Nuchter? Piet nam op een late avond zijn telefoon op. Ik zei hem wie ik was. ,,Aha, die afstandelijke journalist die altijd op zoek is naar de waarheid. Wat een eer. Je bent zeker dronken. Bel morgen maar terug, dan vertel ik je wat ik denk. Welterusten.’’

Het was de ultieme schaarbeweging. Onvoorspelbaar en realistisch. Droog, gewoon zoals je een tegenstander omzeilt op weg naar het doel. Piet was als de buurman, zoals hij zich altijd had gewenst. Gewoon een mens waar ik niet meer tegenop hoefde te zien – en dat was louter zijn verdienste.

Maar toch: graag nog één keer de schaar van Pietje.

Dit artikel is verschenen op 11 februari 2017 in NRC Handelsblad

Heeft Tiger Woods zijn duivels al ontbonden?

30 nov

Morgen, donderdag 1 december, maakt Tiger Woods zijn rentree in een toernooi na 470 dagen van afwezigheid. Hij maakt zijn opwachting op de Hero World Challenge, een toernooi op de Bahama’s waarvoor de beste achttien golfspelers ter wereld zijn uitgenodigd. Woods zegt er aan toe te zijn. ,,Ik kan alle slagen maken die ik wil. Ik heb alles onder controle. Het was een slimme zet mijn rentree uit te stellen. Ik was er mentaal nog niet klaar voor en beheerste nog niet alle slagen.” Afgelopen maandag, drie dagen voor het begin van het toernooi, probeerde hij de golfliefhebbers én de organisatie gerust te stellen: ,,Ik sloeg ze goed vandaag.”

Heel lang is het geduld van de golfliefhebbers op de proef gesteld. Reikhalzend kijken ze daarom uit naar zijn eerste slagen. Woods kon ondanks al zijn fysieke en psychische onzekerheden niet wegblijven van het toernooi dat mede door de Tiger Woods Foundation wordt georganiseerd.

Foto: Sportsinsights.com

Foto: Sportsinsights.com

De vraag is ook hoe lang hij blessurevrij blijft na jarenlange problemen met zijn knieën (vier operaties) en rug (ook enkele operaties). Er zijn kenners die zeggen dat Woods zijn swing moet aanpassen: ,,Als je je rug blesseert, dan vertelt je lichaam je dat je zo niet kunt bewegen. Tiger moet zijn swing aanpassen. Als hij zo blijft swingen als vroeger, dan raakt hij opnieuw geblesseerd.”

In een artikel op golfdigest.com vertelde Woods dat hij op 40-jarige leeftijd (hij wordt 30 december 41) veel tijd nodig heeft om soepel en fit aan een ronde te beginnen: ,,Ik mis de dagen dat je naar de eerste tee liep en je een bal 270 meter wegsloeg. Je moet nu je spieren activeren. Ik was in de fitness met Justin Rose. Hij is 36 nu en ook hij heeft anderhalf uur nodig voordat hij ballen kan slaan.”

Zo zijn er meer verklaringen die de golfliefhebbers sinds jaar en dag bezighouden. Nog geen anderhalve maand geleden zorgde de Amerikaan andermaal voor grote ongerustheid. Zou hij nog ooit terugkeren? En, zo ja hoe?

‘See Phil. Daily tickets only $30’. Zo probeerde begin oktober de organisatie van het Safeway Open op haar website golfliefhebbers naar het toernooi op Silverado Resort in Napa, Californië, te lokken. Eerder stond er nog ‘See Tiger. Daily Tickets only $30’. Of nu de vijfvoudige major-winnaar Phil Mickelson de publiekstrekker is of de veertienvoudige major-winnaar en legende Tiger Woods maakt nogal een verschil.

Drie dagen nadat Woods zijn terugkeer in een golftoernooi aankondigde, rekende de organisatie van het Safeway Open nog op 30 tot 40 procent meer toeschouwers dan in voorgaande edities zonder Tiger. Alle golfliefhebbers willen Tiger zien. Of hij het nog kan na ruim veertien maanden afwezigheid. Zal hij nog net zo goed worden als vroeger, vóór zijn blessures en voordat hij de controle op zijn leven verloor – volgens ingewijden na de dood van zijn vader in 2006? Kan hij nog echt op jacht naar het major-record van Jack Nicklaus, die er achttien won.

De organisatie van de Safeway Open kreeg schadeclaims, mensen die kaartjes voor Tiger kochten wilden hun geld terug. Leuk hoor, die Mickelson voor 30 dollar, maar ze wilden Tiger zien, hem zien swingen, chippen en pitchen, zoals niemand vóór hem en na hem heeft gedaan. Gokkantoren voelden zich benadeeld. Tiger zou terugkomen en hoe! Berichten van spelers die met hem oefenden en enkele holes met hem liepen, voorspelden sensatie. Jesper Parnevik, met wie Woods al lang bevriend is, zei tegen Golf Channel: ,,Over comebacks kun je nooit zeker zijn, maar iets zegt me dat zijn comeback spectaculair zal worden.”

Een week voor het toernooi wees niets op een uitstel van Woods’ terugkeer. Hij had begin oktober als assistant captain van het Amerikaanse team inspiratie opgedaan tijdens de Ryder Cup, voelde zich thuis tussen de spelers met wie hij zo vaak optrok en verklaarde zich zowel lichamelijk als geestelijk goed genoeg om het toernooi te spelen. Maar ineens was daar drie dagen voor het begin van het toernooi die afmelding en verklaring op zijn website: ‘Alles is goed, maar zijn spel is nog te kwetsbaar’.

Mensen die Woods menen te kennen, zeiden dat ze de afmelding voelden aankomen. Tiger moet geschrokken zijn van de hype in de media rond zijn terugkeer, vooral alle drukte en analyses op Golf Channel. Zoals: ‘Oeps, daar gaan we weer. Waar raak ik in verzeild? Ik wil die drukte en die druk niet meer. Ik blijf lekker thuis, breng mijn kinderen naar school en houd me met mijn restaurant bezig. Alles is beter dan weer te moeten scoren en te worden beoordeeld.’

Het leven kan zo mooi en vredig zijn, als je niet telkens wordt beoordeeld op je scores. Golfen op een groot toernooi doe je niet voor je plezier als je zo groot, geprezen en verguisd bent als Tiger Woods. Elke slag wordt beoordeeld, elke prestatie. Daar kan een mens genoeg van krijgen.

Het is een duivels dilemma. In een indrukwekkend verhaal op de website van ESPN beschreef Wright Thompson in april van dit jaar tot in detail de lijdensweg die Woods door de dood van zijn vader in 2006 heeft doorlopen. Hoe hij stuurloos verder moest zonder zijn anker, de man die hij bewonderde, die hij wilde evenaren, wiens leven een voorbeeld voor hem was, de man van wie hij op zijn derde jaar moest leren golfen. Hij was zijn vader. ‘Woods’, schrijft Thompson, ‘ging op zoek naar iets dat hij nooit zou vinden.’ Vrouwen, die net als bij zijn vader altijd al op zijn pad waren gekomen, waren er bij tientallen, maar niet één gaf hem rust. Tijdens slapeloze nachten gaf hij zich over aan onmenselijke kracht- en gevechtstrainingen (CQD). Niemand was er nog om hem in zijn leven te steunen, te stimuleren en te helpen, zoals zijn vader. Met het boeddhisme, dat hij van zijn Thaise moeder (gescheiden van zijn vader) had geleerd, kon hij ook niet verder. Hij was de weg kwijt.

Begin 2012 baarde al het boek van zijn voormalige coach Hank Haney (The Big Miss: My Years Coaching Tiger Woods) opzien. Woods zou tijdens lezingen en trainingen op militaire bases gezegd hebben dat hij overwoog te stoppen met golf en Navy SEAL te worden, omdat dat altijd zijn droom was geweest. Woods en zijn management haastten zich om deze verhalen in het boek te ontkennen.

Tiger Woods op de schietbaan van Navy Seals in San Diego. Foto: Wikimedia/CC/Keith Allison

Tiger Woods op de schietbaan van Navy Seals in San Diego. Foto: Wikimedia/CC/Keith Allison

In de longread van Wright Thompson, afgelopen april, bevestigen bronnen bij de Navy SEALs dat Woods inderdaad talrijke zware trainingen heeft gevolgd: hoe te schieten en te doden, hoe gebouwen te ontruimen, uit vliegtuigen te springen en onder water te vechten. Een trainingsmaat zegt: ‘Hij hield van de anonimiteit van een uniform dragen en lid te zijn van een team. Hij was heel serieus. Als hij het twee jaar had volgehouden, zou hij gestopt zijn met golfen. Geen twijfel.’

Nog altijd worstelt Woods met zijn status. Aan de ene kant was hij graag de verlegen jongen gebleven die veel las. Over hoe te leven met een vader die in Vietnam had gestreden en in zijn hart altijd militair was gebleven, hoe om te gaan met zijn talent voor golfen? Aan de andere kant is hij graag de beste in golf. Hij werd er miljonair door, met alle privileges.

Wie door zijn vader The Chosen One wordt genoemd, voorbestemd om de beste golfer ter wereld te worden en vooral om de wereld (als zwarte sportman) te veranderen, draagt een zware last. Wat heeft hij te verliezen? Zijn status. Wat te winnen? Zijn ware zelf, een man die graag golft en niet bang is om te verliezen.

Of hij de ware zelf heeft gevonden, zal moeten blijken. Of hij weer zo magistraal kan golfen, zal de tijd leren. Misschien de komende dagen al.

Dit artikel is gepubliceerd op de website van Sport en Strategie en verscheen eerder in een niet geactualiseerde versie op 13 oktober in NRC Handelsblad

De Klassieker, over trauma’s en andere (mooie) emoties

25 okt

Opgezweept door alle verhalen, interviews en aankondigingen besloot ik me zondagmiddag mee te laten slepen door de sfeer in De Klassieker. Ik had die stemming in mijn beroepsmatige leven al vaak meegemaakt, met goede en slechte ervaringen. Spannend waren de wedstrijden voor mij altijd, of ze nu in De Kuip, De Meer, het Olympisch Stadion of in de Arena werden gespeeld. Ik was er altijd neutraal getuige van, want ik ben van Ajax noch Feyenoord supporter. Mijn kippenvel was anders dan van de supporters in het stadion, maar mijn zintuigen stonden wel degelijk open en trilden zodra mijn zenuwen geprikkeld werden.

foto-editie_vincent_mentzel_kleiner Foto Vincent Mentzel

De Klassieker wordt het duel tussen Feyenoord en Ajax genoemd. Vooral omdat het een klassiek ‘gevecht’ tussen Rotterdam en Amsterdam is. Met klassieke voorbeschouwingen, klassieke interviews en klassieke stemmingmakerij. De Klassieker heeft wat betreft sfeer en beladenheid veel weg van een derby, een wedstrijd tussen rivalen uit dezelfde stad of dezelfde streek. Wedstrijden die geladen worden door de media, de supporters en de betrokken spelers en trainers.

Ik heb er veel meegemaakt, clubderby’s, in binnen- en buitenland, in kleine dorpen en grote steden. En altijd hing er een magische zindering in de lucht. Bij de Derby della Madonnina (Milan-Internazionale), bij Flu-Fla (Fluminense-Flamengo in Rio de Janeiro), El Clásico (Real Madrid-Barcelona), de Old Firm (Rangers-Celtic in Glasgow, afgelopen weekend nog gespeeld), Kitalar Arasi Derbi (Derby van de Continenten tussen Fenerbahce en Galatasaray in Istanbul) en de Ruhrpott- of Kohlenpottderby tussen Borussia Dortmund en Schalke. Wat had ik graag andere derby’s meegemaakt, zoals Al Ahly-Al Zamalek in Caïro, Boca Juniors-River Plate (El Superclasico) in Buenos Aires en FC Dundee-Dundee United (Ne’erday Dundee). Het spelpeil is nauwelijks van belang: het gaat om de sfeer.

Ik geef toe: de sfeer had niet altijd een gezonde uitwerking op mijn kwetsbare geestelijk gestel. Ik was gefascineerd, bloednerveus; diep van binnen was ik eigenlijk bang, al vanaf het stadion in zicht kwam. Zingende, schreeuwende en agressieve supporters. Duizenden mensen die honger en dorst hadden naar iets dat ze op gewone dagen niet kregen – en dat luidkeels lieten blijken. Vóór een van die Klassiekers werd mij (als verslaggever) buiten het stadion (De Kuip, De Meer, het Olympisch Stadion of de Arena) vaak op brute toon gevraagd door opgewonden (én al beschonken) supporters voor welke club ik was. Dat geen enkele club mijn voorkeur had, durfde ik niet te zeggen. Ik durfde eigenlijk niets te zeggen. Ik peilde eerst met welke supporters ik te maken had en mompelde dan de naam van de club voor wie zij duidelijk door het vuur gingen. Dan werd ik op mijn schouders geslagen en kreeg een slok bier aangeboden. Wat een uit angst geboren, huichelachtig compromis niet oplevert.

Bestuurders en trainers van de betreffende clubs waren meestal even opgewonden en riepen mij voor en vooral na de wedstrijd intimiderend ter verantwoording, omdat ik in hun ogen niet de ‘juiste’ partij koos. Zo heeft de voorzitter van een van die clubs me eens streng aangekeken en – op z’n zachtst gezegd – gemaand toch vooral bij mijzelf na te gaan waar ik mee bezig was. Anders zou het gevolgen kunnen hebben voor mijn status. Inderdaad, enige tijd later was ik niet welkom in een vliegtuig waarin de club met spelers, trainers, bestuurders, sponsors en andere verslaggevers naar een belangrijke buitenlandse uitwedstrijd reisde. De voorzitter van die andere club zond mij een brief met zeer dreigende taal. Hoe ver kun je gaan als verantwoordelijke van een grote voetbalclub?

Van supporters verwachtte ik dit soort gedrag, maar niet van bestuurders van naam en faam, ogenschijnlijk onkreukbare, chique heren. Had ik het dan zo bont gemaakt? Nee, hoor, ik was gewoon neutraal en liet me niet meeslepen door chauvinisme en ander supportersgedrag. Maar voetbal raakt diepe emoties, zo heb ik ervaren, zelfs bij achtenswaardige bestuurders.

Scheld- en dreigbrieven, later haatmails, heb ik in honderdvoud ontvangen na mijn verslagen van De Klassieker. Ik had de ‘juiste’ partij moeten kiezen. Hilarisch was een brief van een Rotterdamse advocaat (dat stond in het briefhoofd) die mij een stoeptegel van de Coolsingel naar mijn hoofd zou komen slingeren, als ik niet gauw zou stoppen met mijn (‘vijandige’) manier van verslaggeving. Het was allerminst een anonieme brief. Ik ben er nog mee naar mijn hoofdredactie gelopen. Antwoord: ‘Voetbal maakt mensen gek, dat weet je toch. Laat gaan!’

Mede daarom en daarop volgende nare ervaringen met gedrag in de voetbalwereld kom ik nooit meer in een voetbalstadion. De sfeer maakt mij bang en roept traumatische ervaringen op. Vandaar dat ik zondag ook niet naar De Kuip ben gegaan (als ik al een kaartje had kunnen bemachtigen). Ik bestelde bij Fox Sports één wedstrijd (bijna 8 euro), vroeg mijn zoon hoe ik dat moest instellen en nestelde me op de bank. Kom maar op, na al die opgewonden stukken in de kranten en op andere media, en al die voorbeschouwingen. Misschien zat er wel een column in. Over de historie van De Klassieker, het belang, de sfeer, de spanning, oogstrelende acties en prachtige doelpunten. Wat ik ben toch echt een liefhebber van voetbal.

Zoals ik schreef over een klassieker of een derby: het spelpeil is nauwelijks van belang. Het gaat om de spanning en de beladenheid, die zonder twijfel voor spelers en trainers (laat staan supporters in het stadion) voelbaar is. Je zult er maar staan, als speler, opgefokt door iedereen in je omgeving. Kun je dan nog een bal goed raken, vooral als je voor het doel staat en hem maar voor het inschieten hebt? Mis je, dan wek je de frustratie en woede van je hele omgeving. Scoor je, dan ben je een held, voor eeuwig een held omdat je in De Klassieker hebt gescoord en ‘dus’ hebt uitgeblonken. Dan staat de volgende dag je naam met foto in alle kranten, dan ben je een talent dat zonder twijfel nog een grote toekomst tegemoet gaat.

Zo verging het Kasper Dolberg, een Deense spits van Ajax die drie weken geleden 19 jaar is geworden. Eén doelpunt, even koelbloedig als magistraal – dat zeker. Maar meer bijzonders heb ik (althans zondag) nauwelijks van hem gezien. Toch stond een dag later in àlle kranten een eerbetoon aan het veronderstelde grote talent van Dolberg. ‘Grote toekomst’, ‘alweer een Deens talent’, ‘én zo verlegen’ en meer. Is dat wat een doelpunt in De Klassieker met je doet? Is dat waar voetbalhunkering over gaat? Opoortunistische heldenverering.

Ik was veel meer onder de indruk van een pass van zijn ploeggenoot Hakim Ziyech, kort nadat deze de doel treffende Dolberg al van een subtiele assist had voorzien. Maar die tweede pass!  Zo scherp, zo strak over het gras en effectvol remmend, zo achteloos met de buitenkant van zijn voet. Zo precies op maat was die pass voor de voeten van (weer) Dolberg, die er dit keer niets uithaalde. Ik schoot overeind vanuit mijn liggende positie en kraaide tegen mijn zoon: ‘Zag je dat? Wat een traptechniek!’ Zo zien we dat toch zelden meer in het Nederlandse voetbal? Ik trilde van emotie. ‘Totale gekte in de wreef’, schreef Hugo Camps zaterdag al in NRC Handelsblad over dit échte grote talent.

Mocht ik nog beroepshalve voetbal hebben gevolgd, dan zou ik alleen mijn belevingen met Ziyechs bewegingen en voetenwerk hebben beschreven. Vaak en heel lang werd de Marokkaan in bedwang gehouden en overtroefd door zijn landgenoot Karim El Ahmadi, maar even los van zijn horzel gaf hij een beslissende pass en daarna een nog mooiere (die niet in een doelpunt resulteerde). Dat is talent, dat is virtuositeit, dat is waar ik het liefst naar kijk als ik voetbal wil zien.

Dat heb ik toch maar meegekregen van de Klassieker in de Kuip. Ver van het gewoel en gejoel, ver van de hunkering en de agressie in het stadion, ver van door emoties overmande spelers, trainers en bestuurders, ver van hun clichématige reacties. Ik lag op de bank, in de hoop te kunnen genieten van een beladen wedstrijd en kreeg zowaar tranen in mijn ogen van die weliswaar sporadische maar oogstrelende acties van Ziyech. En ik hoefde als neutrale toeschouwer voor niemand bang te zijn. Dat verheugde me nog het meest.

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

Het gedrag van olympiërs zegt mogelijk veel over onszelf

13 aug

Menselijke drama’s zijn er in vele vormen geweest in de eerste week van de Olympische Spelen. Sporters die vielen op momenten dat de spanning steeg, sporters die plotseling niet in de gewenste topvorm verkeerden, sporters wier materiaal het begaf, juryleden die in de hete olympische sfeer arbitraire beslissingen namen en sporters die zich om menselijke redenen niet aan de afspraken konden houden en daarom werden uitgesloten van deelname. Wat willen mensen die naar topamusement kijken nog meer?

Opgewonden, hijgerig, overspannen en verward is gereageerd op de zenuwslopende jacht naar medailles. Niet in de laatste plaats door de media die graag duidelijk maken hoe intens betrokken ze zijn bij de gladiatoren in de olympische arena’s. Wie enige afstand bewaart en emotieloos op de gevechten reageert komt van een andere planeet en wordt bij voorkeur niet serieus genomen. Verondersteld wordt dat deze dissonant niet begrijpt dat het toch echt allemaal om goud draait.

Emoties laaiden hoog op. Voor de een kan het nooit genoeg zijn. Het zijn de thrillseekers die verslaafd zijn aan adrenaline en andere euforieversterkende stoffen dan wel hormonen, mogelijk bang voor de stilte en de ontspanning, bang voor de kennismaking met de rusteloosheid in zichzelf. Een ander wordt gefascineerd door wat op blinkend goud en eeuwige glorie gerichte jonge sporters bezielt en vooral door waar ze onder hoogspanning toe in staat zijn. Hoe krijgen ze dat toch voor elkaar? Wat hebben ze moeten doen om deze prestaties te verrichten? Hoeveel uren per dag, per week en per jaar? Jarenlang hebben ze moeten trainen om in Rio de Janeiro te mogen zijn en dan te tonen wat ze als mens allemaal kunnen.

Mijn vrees dat deze jonge sportmensen gecomputeriseerd en al bijna gerobotiseeerd aan de Olympische Spelen zijn begonnen (zoals ik op 6 augustus in NRC Handelsblad schreef: ‘Zo goed als een machine’), is vooralsnog gelogenstraft. Vanzelfsprekend staat de topsport op het punt te verwetenschappelijken, maar naar wat ik de afgelopen week ervoer is het merendeel van de olympiërs nog van vlees en bloed, nog even fysiek en psychisch kwetsbaar als u en ik. Uitgezonderd de helden die perfect presteerden en de jongens en meisjes die tot ongekende grote hoogten en snelheden reikten. Waar is een mens nog toe in staat? Waar ligt de grens van de fysieke en psychische mogelijkheden?

Die vragen zijn niet van vandaag of gisteren. Het is inherent aan de sport sinds ze werd bedacht om wat voor reden dan ook. Iedereen is gefixeerd op het oprekken van grenzen. De olympische beweging meent daar paal en perk aan te stellen door een ‘ethische’ grens te trekken. Om maar een voorbeeld te noemen: medische middelen die de natuurlijke aanleg van het lichaam geweld aan doen, dus stimuleren, zijn niet toegestaan. Met als argument dat ze schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid (alsof topsport met al zijn obsessies en lichaam verstorende gedragingen gezond is). En dat het de competitie vervalst. Iedereen gelijke kansen, zoiets. U en ik hebben dezelfde vader en moeder, we zijn uit hetzelfde hout (vlees en bloed) gesneden, we komen uit hetzelfde land, we beschikken over hetzelfde geld, hetzelfde materiaal, dezelfde begeleiding, dezelfde wetenschappers, dezelfde sportpsychologen en we zijn opgegroeid in dezelfde cultuur. Ja, toch? Of zijn we allemaal gelijk, zijn we allemaal geboren met gelijke kansen?

Ik zag de rugbyers van Fiji in de finale van het olympisch toernooi de Engelse tegenstanders ‘vermorzelen’. Allemaal donkere mannen, van een eilandengroep met nog geen miljoen inwoners, die de Engelsen op atletisch talent op alle fronten aftroefden. Ik zag de vreugde en de ontlading na hun triomf en dacht: welke wetenschappelijke begeleiding hebben deze ‘natuurlijke’ mannen gehad? Of hadden ze baat bij voodoo, een of andere grote god dan wel een stimulerend kruid. Het zal toch niet de doping zijn die door de olympische beweging wordt verboden of hun afkomst, cultuur en genetische aanleg – mensen van Fiji hebben iets wat wij (of de Engelsen) niet hebben? Een bepaald gen waarover anderen niet kunnen beschikken misschien.

Ongeveer tegelijkertijd zag ik mannen zwemmen. Groot, stoer, vastberaden, gespierd, scherp, afgetraind zoals dat heet. Mijn zoon zei nog: ‘Hoe krijg je zo’n lichaam?’ We zagen gespierde borst-, schouder- en bovenarmpartijen zoals vroeger zwemmer en tarzankloon Johnny Weissmüller ze als vrijwel enige had. Het testosteron spatte er vanaf. Maar tegelijkertijd viel mij op dat alle zwemmers geen borsthaar hadden. Gladgeschoren? Aerodynamisch dus. Zwemgigant Pieter van den Hoogenband dankte veel van zijn snelheid aan zijn borstpartij, omdat deze de vorm van een catamaran had. Mooi meegenomen, toch? Hij was een man met talent met daarnaast een enorm doorzettingsvermogen en een positieve inslag. Maar die gladgeschoren borstpartij? Je zou het zomaar stimulerend (doping) kunnen noemen.

In mijn nieuwsgierigheid naar omgaan met leven, beland ik voortdurend in boeddhistische visies. Een van mijn inspiratiebronnen is Pema Chödrön, een boeddhistische lerares die ik graag raadpleeg bij mijn vragen. In haar boek Waar je bang voor bent, vind ik in mijn zoektocht de passage ‘Proberen onszelf beter te maken helpt niet. Dat gaat uit van strijd en jezelf kleineren.’ Dus, wie meer wil zijn dan hij is, verloochent zichzelf, wie hij werkelijk is.

Nadat ik het had voorgelezen zei mijn zoon: ‘Ja, waarom moet ik zijn zoals die mannen die goud winnen? Word ik veroordeeld omdat ik niet zo ben, niet hun talent heb en niet zo ben opgevoed zoals zij? Wie niet is zoals de winnaars, deugt niet. Die krijgt geen aandacht. Alleen wie goud wint, krijgt aandacht als rolmodel.’ Hij wees me op het nummer Warsaw van Them Crooked Vultures, en zong vervolgens met luide stem over zijn dilemma die in zijn beleving extreem verkeerd en daarom ontwrichtend wordt uitgedragen door de media, de geobsedeerde jacht op goud en zilver: ‘It’s all medals and trophies, trophies and medals. All before the race has been run.

We kwamen onvermijdelijk bij Yuri van Gelder uit. Een man met spieren die buitenproportioneel (onmenselijk?) zijn gegroeid door jarenlange intensieve training. Hij wilde een uitzonderlijk mens zijn. Anders en beter dan anderen – zeker niet minder dan anderen. Kijk mij eens, wie ik ben en wat ik allemaal kan. Ik ben Yuri, ik ben een man. Ik wil aandacht. Als je het niet ziet, dan zal ik het nog één keer laten zien. De hele wereld zag het. Maar het was niet genoeg. Nooit was het genoeg. Nooit zal het genoeg zijn. Hij wil en moet laten zien dat hij bestaat. Desnoods met behulp van geestverruimende middelen die hem op z’n minst boven zichzelf kunnen uittillen. Topsport, medailles en titels kunnen daartoe ook bijdragen. Maar het is nooit genoeg. Nooit meer.

Het gevecht van Yuri zou mensen aan het denken moeten zetten. Waarom Yuri en die andere sportmensen willen triomferen. Is er een gat in zichzelf die zij moeten opvullen? Herkent iemand de strijd die Yuri voert? Ik moet nu veel denken aan Paul Gascoigne, al enige jaren (tevergeefs) in een ontwenningskliniek verblijvend en nooit meer de mens die we van hem willen zien. Ik volg zijn twitter-berichten die hij vrijwel dagelijks rondstuurt. Zoiets als deze: ‘Morning all have a lovely wkend thinking of YOUS all lots of hugs GAZZA I’ll read your tweets and get back to all love&hugs GAZZA 😘👅😜xx’ Het is een onophoudelijke tragedie.

Sport biedt drama, mensen die het wel en ook niet redden. Sport is waar we over na moeten denken. Omdat het veel over ons zelf zegt.

Deze column is gepubliceerd op http://www.sportenstrategie.nl

Johan Cruijff deed ‘gewoon’ wat in hem opkwam

26 mrt

Hoe duid je genialiteit, van een voetballer nog wel? Het is bijna onmogelijk in woorden uit te drukken waartoe een voetballer in staat is die genialiteit wordt toegedicht. Wat is dan die bijzondere begaafdheid die hem boven andere voetballers uittilt? Het is meer dan talent, het is iets waar zintuigen geen vat op krijgen.

Zo verging het mij toen ik Alfrédo Di Stéfano zag, Pelé en de andere Brazilianen zoals Garrincha, Didi, Rivelino, Gerson. En Faas Wilkes. En later Johan Cruijff, Diego Maradona, Zinédine Zidane, Lionel Messi en Cristiano Ronaldo. Voetballers die op een voetbalveld iets doen wat geen trainer je kan leren. Vergelijkbaar met basketballers als Michael Jordan, boksers als Muhammad Ali en golfers als Tiger Woods, voordat diens verstand de boventoon ging voeren. Het is niet te evenaren, laat staan te overtreffen, hoe graag je dat als voetballer ook wilt – altijd op de zoektocht naar nieuwe bewegingen, nieuwe trucs, nieuwe acties, nieuwe, nog niet uitgevoerde voorstellingen.

Tekening Siegfried Woldhek, uit mijn bundel Sportportretten op Maandag (2002) Tekening Siegfried Woldhek, uit mijn bundel Sportportretten op Maandag (2002)

Doe geen moeite om genoemde voetballers met elkaar te vergelijken. Ze zijn allemaal verschillend – en toch buitenaards (om een wanhopige poging tot duiding te doen). Laten we ons beperken tot Johan Cruijff, een blanke Nederlander nota bene, geboren en gevormd in een land waar elastische, louter op gevoel en door intuïtie gestuurde lichamen  – vanuit mogelijk calvinistisch standpunt  – zeldzaam zijn.

Hij deed wat in hem opkwam, op het voetbalveld en daarbuiten. Hij volgde zijn gevoel, probeerde anderen ervan te overtuigen dat ook te doen – en speelde zoals spelen bedoeld is. Plezier, daar gaat het om. Pas op voor je verstand, anders raak je in verwarring. Doe wie je van nature bent en analyseer waarom je dat doet: wat gebeurt er met je als je de Cruijffiaanse dan wel de Messiaanse bewegingen uitvoert – of die van Jordan, Ali en Woods?

Flow is een begrip dat tegenwoordig steeds meer aantrekkingskracht oproept in de sport. Het is een mentale toestand, medio jaren zeventig in het boek Flow, psychologie van de optimale ervaring na empirisch onderzoek al uitgekristalliseerd door Mihaly Csikszentmihalyi, een Amerikaans-Hongaarse psycholoog. Kijk naar beelden van Cruijff en je weet wat hij bedoelt. Een activiteit waarin je volledig opgaat in je bezigheden. Als in een voortdurende stroom (roes) waarin je wordt meegevoerd. Mensen kunnen in de staat van flow boven zichzelf uitstijgen, en sneller leren en nieuwe inzichten verkrijgen.

Cruijff deed niet zo moeilijk over zijn vermeende genialiteit. Hij deed het gewoon (flow?) en liet je als medespeler of later toen hij coach was, voelen wat er gebeurde als je zó bewoog, zó draaide of zó de bal speelde. Velen begrepen hem, velen niet. Het is lastig als genie om gewone stervelingen te overtuigen van hun mogelijkheden. Doe zo en zo en je ziet een opening. ,,Nee, Johan, ik zie het niet. Ik niet, ik ben maar een gewone sterveling.” Zo moet het veel gewone stervelingen zijn vergaan.

In zijn boek Lof van de sport schrijft Hans Ulrich Gumbrecht (Duits-Amerikaanse filosoof, socioloog en hoogleraar aan Stanford University) in een ‘esthetica van de atletische prestatie’ over zijn fascinatie van de sportman die hij zojuist heeft bewonderd: ‘Uren later, als je van het stadion naar je auto loopt, uitgeput zoals je die week nog niet eerder bent geweest, zul je hieraan terugdenken als een moment van onwankelbaar geluk. Opnieuw zal die mooie manoeuvre ertoe leiden dat je borst opzwelt en je hart sneller gaat kloppen, maar nu zonder de nervositeit van daarstraks. In je herinnering zie je dat spelmoment weer ontstaan, en terwijl je het vast wilt houden, trekt er een rilling door je beenspieren, alsof ze gestalte willen geven aan wat jouw held een uur heeft volbracht.’

Mooi en herkenbaar beschreven. Zijn beleving gold niet de performance van Johan Cruijff, maar die van zijn eigen idolen: Michael Jordan, Pelé, Jesse Owens, Akebono, Maradona, Zinédine Zidane, Joe Montana of Egon Loy. Iedereen laat in zijn verafgoding wierookstokjes gloeien naar eigen geur, kleur en voorkeur.

Flipper, zo noemden ze Cruijff. Aldus oud-Ajacied Henk Groot in 1966, vlak nadat ‘Johan’ als tiener werd toegevoegd aan de selectie van het eerste elftal van Ajax. ‘Hij is altijd aan het woord. Je kunt geen onderwerp aansnijden of Cruijff praat mee’, zegt Groot in Wie is Johan Cruijff? Insiders duiden het orakel, maar Cruijff zelf heeft het laatste woord (2007, Mik Schots en Jan Luitzen). ‘Hij heeft ongelooflijk veel praatjes. Onder mekaar kunnen we het best hebben, want hij is een doodgoeie jongen… Maar al dat praten is een onderdeel van zijn beweeglijkheid. Als je naar hem kijkt, is hij in beweging, hij duikt in elk gat, hij zwaait met zijn armen, hij loopt naar links en rechts en geeft iedereen een wijze raad. Hij kaffert mij ook rustig uit, maar daar moet je niet zo zwaar aan tillen. Het gaat allemaal in het heetst van de strijd.’

In het heetst van de strijd zag Cruijff ruimtes, openingen en mogelijkheden. Hij creëerde ze zelf, of wees anderen erop. Hij geloofde in zijn inzichten – door zeer weinigen liet hij zich van het tegendeel overtuigen. In hetzelfde boek zegt Cruijff: ‘Ik denk niet dat je leider wordt, ik denk dat het een automatische schifting is. Het is een samengaan van de verantwoordelijkheid naar je toetrekken en de verantwoordelijkheid die ze je geven. Er ontstond dan zoiets van dat ze zeggen: Doe jij dat maar.’ En verder: ‘Leider worden is een karaktertrek. Misschien meer een soort egoïsme.’

Het karakter van Cruijff is net zo moeilijk te doorgronden als zijn spel dan wel denkpatronen. ‘Relativeren? Nee, dat zit niet in mijn karakter.’ En: ‘Rancune is de beste motivatie’. Hij genereert zelf de druk die hij nodig heeft om te kunnen presteren. Het is vaak omschreven als het conflict-model, gehanteerd door Cruijff, dat mensen tot nieuwe uitdagingen leidt.

Je zou bijna zeggen: Cruijff doet maar wat, hij doet wat in hem opkomt, oorspronkelijk, niet gestoord door andere reflecties. Dat was het niet – en toch wel. Jorge Valdano, voormalig Argentijns international (ten tijde van Maradona), voormalig technisch directeur van Real Madrid, schrijver en dichter schreef: ‘De basis van zijn talent was het bedrog. Hij holde hard omdat hij ging stoppen, hij stopte omdat hij ging rennen, hij deed alsof hij een pass ging geven of een schijnbeweging ging maken, hij begon een schijnbeweging omdat hij een pass ging geven, hij keek naar links om een oplossing op rechts te zoeken.’

Een vriendin van zijn vrouw Danny zei eens: ‘Aan Johans benen kon je van achteren goed zien, aan zijn loopje, dat hij twee kanten op kon gaan.’

Ik liep einde jaren negentig in Manchester achter Johan en zijn vrouw – hun zoon Jordi speelde destijds bij Manchester United. Ze stapten uit een taxi en liepen naar een markt. Niemand reageerde – hoewel er wel werd gefluisterd. Ik zag vóór mij zijn benen. Ik zag zijn armen die naar een bepaalde marktkraam wezen. Ik zag zijn benen lopen, zijn armen bewegen, zijn vrouw reageren en voegde me uiteindelijk bij het echtpaar. Johan was allerminst verrast toen ik hem aanklampte – zo was hij, nooit verrast, altijd levend in het moment. Óf de man die deed of hij nooit verrast was.

Hij beantwoordde mijn begroeting met: ‘Hoi’. Niet meer en niet minder. Gewoon zoals gewone stervelingen dat onder elkaar doen. Danny zei: ‘Hallo’ – en nam wat afstand. Ik liep naast Johan Cruijff, een gewoon mannetje eigenlijk in wie ik echt geen heilige herkende. In tegenstelling tot het gevoel dat ik bij mijn ontmoeting met Michael Jordan in 1992 in Chicago had – vooral na diens stevige handdruk en de directe blik waarmee hij mij in de ogen keek én in mijn hart. Wat een man! Kippenvel, nog steeds als ik eraan terugdenk. Dat heb ik bij mijn ontmoetingen en gesprekjes met Johan nooit gehad.  Johan was Johan, altijd en overal. Niks bijzonders.

Zomaar uit het niets zei Cruijff tijdens de wandeling in Manchester: ,,Zie je die mensen hun spullen verkopen. Ze geloven in wat ze aanbieden.’’ Of dat iets met zijn voetbal te maken had? ,,Misschien, ik doe wat ik doe, de een noemt mij een balletdanser, de ander een hork. Nou ja, het is toch gewoon wie je bent. Fijn dat je hebt genoten van mij. Genieten van een ander. Kijken wat een ander kan. En dat is altijd meer dan je dacht.’’

Dit is een uitgebreide versie van het artikel dat op 25 maart 2016 is verschenen in de bijlage van NRC Handelsblad bij het overlijden van Johan Cruijff

Soigneur Ruud Bakker was vooral een gever

2 feb

Raleigh Ruud Bakker

Foto Cor Vos

Ruud Bakker, die vandaag op 72-jarige leeftijd aan de gevolgen van een auto-ongeluk overleed, was meer dan een soigneur, meer dan een verzorger van wielrenners, meer dan een masseur, meer dan verstrekker van aansterkende en versterkende middelen. Hij was ook een biechtvader. ,,Vooral een echte gever’’, zegt zoon Reem op de dag dat Bakker (drie dagen na het ongeval) door hersenletsel stierf.

In de tijd (jaren zeventig en tachtig) dat professionele medische en psychologische begeleiding van wielrenners nog aan de handen en het inzicht van soigneurs werden toevertrouwd, zocht Bakker naar de beste middelen om mensen te helpen in hun begeerte naar triomf en glorie. Mede dankzij hem, de al even bevlogen mecanicien Jan le Grand en de perfectionistische ploegleider en organisator Peter Post vierde de wielerploeg Raleigh en later – in mindere mate – Panasonic ongekende triomfen in de wielersport. Jan Raas, Gerben Karstens, Johan van der Velde, Joop Zoetemelk, Hennie Kuiper, Henk Lubberding, Peter Winnen, Cees Priem, Teun van Vliet, Theo de Rooy, José De Cauwer, Leo van Vliet, Eddy Planckaert, Eric Vanderaerden, Gerrie Knetemann, Roy Schuiten, Bert Oosterbosch (de laatste drie zijn overleden) en vele anderen kunnen getuigen.

Zoon Reem verwijst – als eerbetoon aan zijn zojuist overleden vader – naar het fatale ongeluk. ,,Na de botsing is mijn vader uit zijn auto gestapt en naar de automobilist die hem aanreed gelopen om te vragen hoe het met hem ging. Het ging hem niet om zijn eigen leven. Drie dagen later was hij zelf dood. Dat is mijn vader: altijd betrokken bij anderen. Zorgen voor anderen. Kijken en luisteren naar anderen. Ieder moment van de dag. Het was niet zijn beroep, het was compassie met wat mensen doormaken, waarom ze lijden. Mijn vader had al besloten zijn lichaam na zijn dood ter beschikking te stellen van de wetenschap. Doordat het sterfproces te langzaam ging, kan dat niet doorgaan.’’

Ruud Bakker

Eind november 2015, Tilburg: Ruud Bakker (rechts) vertelt anekdotes aan Johan van der Velde en Joop Zoetemelk over de Tour de France van 1980, die Joop won, tijdens de presentatie van het boek De Speer van Rijsbergen door John van Ierland -over het turbulente leven van Van der Velde. (Foto Petra Huysmans Fotografie)

Ruud Bakker wilde mensen begrijpen. Toen ik hem kort geleden weer zag, steunend op een wandelstok (het gevolg van zware operaties aan een lekkende aorta), informeerde hij naar mij: ‘Maar hoe is het nou met jou?’ Het was eind november ter gelegenheid van de presentatie van een boek over Johan van der Velde, die hij in de jaren tachtig als soigneur begeleidde. Met Johan ging het mis. Doping, euforievergrotende middelen en verkeerde inschatting van menselijke mogelijkheden deden Van der Velde in de gevangenis belanden. Johan was zichzelf kwijt geraakt. Wie was hij eigenlijk nog?

Bakker zocht Johan op in de gevangenis, hield hem op de been toen hij weer vrij kwam en was tijdens de presentatie van het boek ‘De Speer van Rijsbergen’ (geschreven door John van Ierland)  aanwezig om Johan te belonen voor zijn doorzettingsvermogen. Johan was tot tranen geroerd.

Zoon Reem kent meer voorbeelden van het altruïsme van zijn vader. ,,Hij nam het op voor gevallen sporthelden, tot aan zijn dood. Hij was er 24 uur mee bezig. Het was zijn thrill: is er nog iemand die ik hulp kan bieden? Mensen die niet meer wisten hoe verder te leven, na hun sportcarrière, en mensen die zich miskend voelden. Toen wielrenner Bert Pronk overleed, ving hij diens kinderen op. Toen Didi Thurau, de Duitse vedette bij Raleigh, door allerlei toestanden in problemen raakte, nam mijn vader Thurau in huis. Didi was een halve broer van me. Toen Thurau na zijn loopbaan financieel vastliep in zijn makelaardij, ging mijn vader naar Duitsland om hem te helpen.’’

Ruud Bakker nam het op voor judoka Wim Ruska, tweevoudig goudenmedaillewinnaar op de Olympische Spelen van 1972 en tweevoudig wereldkampioen, in 1967 en 1971. Vorig jaar overleed Ruska. Bakker ging op bezoek bij diens weduwe Liza. Vergeefs deed hij pogingen om Ruska alsnog te eren met de Carrièreprijs, de Fanny Blankers-Koenprijs. ,,Het lukte mijn vader niet om Ruska alsnog te laten eren. Ruska had een strafblad en een criminele achtergrond, dat vond NOC*NSF ongepast.  Mijn vader had gevoel voor miskenning en onrecht.”

En zo waren er meer ontheemde helden. Zoals Yuri van Gelder, die zijn toevlucht zocht in euforievergrotende middelen zoals cocaïne, verslaafd aan aandacht was, niet meer wist wie hij was geworden en hoe zijn leven zin te geven. Bakker luisterde naar hem, zoals Ruud voor iedereen een luisterend oor: ‘Hoe gaat het nu met je?’

Ruud Bakker zocht en zocht. Altijd vond hij nieuwe middelen. Zo introduceerde hij vloeibare suikers, een elektrostimulator en ultrasoongeluid. En eendenvet als bescherming van de benen tegen kou en regen. Ruud Bakker vond vast veel meer en diende meer toe dan hij ooit heeft willen vertellen. In de tijd dat hij zoekende was via allerlei wetenschappelijke studies naar de beste en sterkste middelen (én voeding, samen met dr. Wim Saris van de Universiteit van Maastricht) om zijn ‘mannen’ naar uitzonderlijke hoogten te helpen, vond hij ook haptonomie. Bakker merkte dat wielrenners tijdens hun massage een uitlaatklep nodig hadden. Zodra zij werden aangeraakt, gingen zij praten. Haptonomie leerde hem dat aanraking mensen verleidt tot ontboezeming. Mede daarom begon hij na zijn loopbaan als soigneur een praktijk massage en haptonomie.

Ruud Bakker was een grote man. Je kon niet om hem heen. Hij was zeer luid en zeer duidelijk. Na een zware nacht met alcohol stopte hij mij een stevig medicijn toe. De toevoeging was verhelderend, niet bestraffend: ‘Je weet hopelijk waarom ik je deze pil geef.’ Om dan een paar uur later onverwacht te vragen: ‘Hoe gaat het met je?’.

Ruud Bakker, Hagenaar van geboorte, was dertig jaar lang soigneur. Peter Post ontdekte hem en vroeg Bakker met hem een ploeg op te bouwen, dat werd in 1974 Raleigh. Hij was nog even een half jaar (op aandringen van Thurau) in dienst van IJsboerke  in België, maar keerde vol heimwee terug bij Raleigh en bleef Post trouw bij Panasonic. Jan Raas, die in Bakker zijn enige vertrouwensman zag, vroeg hem mee te gaan naar een nieuwe ploeg, Kwantum Hallen. Bakker weigerde, hij bleef bij Post. Aan hem had hij veel te danken. Bakker had nadat Raas zich in zijn Zeeuwse dorp had afgezonderd van de wielersport als een der weinigen nog intens contact met de Zeeuw.

Ruud Bakker was alom aanwezig, groot en luidruchtig als hij was. Een hartelijke man die niet alleen het lijden in de samenleving doorzag maar vooral het lijden in de harde sportwereld. Na zijn zware hartoperaties verhuisde Ruud Bakker van zijn appartement aan de strandboulevard van Scheveningen naar Woerden, om samen met zijn vrouw Til dichter bij zijn zoon Reem en zijn familie te kunnen zijn. Reem heeft in Woerden een chiropractiepraktijk. Zijn andere zoon Thierry is osteopaat.

Ruud Bakker was vooral betrokken bij gevallen helden, zoals Reem verwoordt op de sterfdag van zijn vader. ,,Mijn vader voelde wat mensen bewoog. Hij gaf ze vertrouwen. Je bent wie je bent, zeg het maar. Hij heeft geleerd wat spieren zeggen. En hij heeft geleerd wat mensen drijft, zonder veroordeling. En dat is heel knap in deze tijd.’’

Deze necrologie is op 3 februari 2015 in kortere vorm gepubliceerd in NRC.Next en NRC Handelsblad

Ruud zwaait

Een bijschrift invoeren

 

Is gelijk willen hebben een gevecht om (iets) te winnen?

21 aug

Een stilte-retraîte ondergaan is uitdagend voor wie zijn ervaringen en gevoel graag deelt. Omringd door mensen zwijgend zittend en lopend mediteren, zwijgend thee drinken, zwijgend eten, zwijgend observeren. Moeilijk, hoor. Gelukkig mocht er in mijn retraîte tijdens de lunch mondjesmaat worden gesproken. Liefst over je ervaringen ter plekke, maar dan wel terughoudend. Liever niet uitweiden, niet associëren met wat elders, eerder of buiten de sangha is gebeurd.

,,Stil zijn is moeilijk”, hoorde ik plotseling. Ik voelde een hand op mijn schouder. Als een terechtwijzing? Vast. Ik had de regels doorbroken en was – als vanouds – aan de wandel gegaan met verhalen. Ik slikte haastig de woorden in die in mijn mond brandden en zweeg vol schuldgevoel. De vrouw tegenover mij knipoogde. Ze wees mij niet terecht, ze was vriendelijk. Ze daagde mij uit vriendelijk voor mezelf te zijn en mij vooral niet schuldig te voelen.

De volgende meditatiesessie (na de lunch) ging ik vooraan zitten. Als om mijn schuld in te lossen. Recht tegenover de umdze (meditatieleider en tijdaangever), de man die een hand op mijn schouder had gelegd. Bewust of onbewust vooraan, ik weet het niet. Of misschien toch wel: zie mij eens hier vooraan zitten! Na de afsluitende gong, kwam de umdze meteen naar me toe en legde een hand op mijn arm. Hij zei op vriendelijke toon dat hij mij niet had willen beschuldigen. Ik hoorde een verontschuldiging…

,,Ja, je had gelijk”, was mijn haastige antwoord. Ik dacht niet eens na, ik zei het zomaar, spontaan. Hopelijk zou hij mij door mijn schuldbekentenis alsnog vergeven. ,,Het is geen kwestie van gelijk hebben’’, repliceerde de umdze, een man met wie ik al jaren op basis van wederzijdse vriendelijkheid van gedachten wissel. ,,Ik vond het alleen nodig om mijn eerdere opmerking te verklaren”, ging hij verder. ,,Misschien is dat wel mijn schuldgevoel. Ik wil jou niet kwetsen. En ik was ook gewoon een beetje geïrriteerd door iets anders wat in mijn gedachten speelde.”

Nog steeds spookt het door mijn hoofd: ,,Het is geen kwestie van gelijk hebben.” Die opmerking. Is het dat wat mij vaak zo moe heeft gemaakt? De voortdurende strijd om gelijk te hebben, te winnen dus, beter (wijzer) te zijn dan de ander. Ik zie, hoor en lees het om me heen: de eeuwige strijd van gelijk hebben, de ander overtuigen, jouw mening opdringen.

Ik zie, hoor en lees dat mensen smullen van verhitte discussies op radio en televisie, op internetfora en sociale media. Ik voel het als een strijd om het gelijk. Kijk mij eens, hoe goed ik ben. Strijd! Competitie! Ik vermoed zelfs dat die zucht naar strijd en ongelijkheid toeneemt. Mensen willen strijd. Us and them. Afwijzing als afweer. Zonder strijd geen spanning.

Maar ik smul juist wanneer tijdens meningsverschillen de een goed, aandachtig naar de ander luistert en eerst en vooral probeert te begrijpen wat hij bedoelt. De ander laat uitpraten. Vooral het inzicht van de ander aanvaardt en niet de ander zonder meer (nadenken) afwijst en in de categorie van onwetenden (dommen) wegzet.

Luisteren is zó moeilijk. Het is een gevecht: aanvaarden wat een ander ziet, hoort en voelt, zonder het of hem te veroordelen. Zonder mezelf te profileren. Rest mijn vraag waarom gelijk hebben zo belangrijk wordt gevonden. Waarom ik dat altijd zo belangrijk heb gevonden. Hebben we zonder bevestiging van wat wij vinden geen bestaansrecht? Voelen we ons minderwaardig of zelfs afgewezen wanneer een ander onze mening niet deelt? Voelen we ons verheven, trots, baas over de ander wanneer we gelijk krijgen? Slaan we ons op de borst wanneer we van een ander hebben gewonnen? Zonder winst geen ik, zonder winst geen ego. Ben je dan zonder winst niks? Is verliezen dan zo erg? Wat verlies je eigenlijk?

Het zijn vragen die me, sinds de umdze me onderbrak, bezighouden. Bijna geen meditatie of contemplatie passeert dezer dagen zonder deze overdenking over gelijk (willen) hebben. Over strijd en winnen. Over aanvaarding en een ander aanvaarden. Dat een ander een ander is en zijn eigen mening, gevoel en smaak heeft. Zo heeft de stilte-retraîte zin gehad. Maar het is wel een strijd, sowieso mijn strijd.

Guus van Holland was sportjournalist bij de Volkskrant en NRC Handelsblad. Hij is vriend van Shambhala Leiden.

Deze column is gepubliceerd op de najaarseditie van http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/

Het geloof van Zach Johnson in geduld, vertrouwen en God

22 jul

Wie het Brits Open wint op St.Andrews, de geboorteplaats van golf, voelt wat hij niet eerder heeft gevoeld. Op de home of golf gaat een zindering door je lijf en staat het verstand stil wanneer je de Claret Jug, de winnaarstrofee, ten overstaan van een door golf bezeten mensenmassa krijgt overhandigd. Zo moet het Zach Johnson, een 39-jarige Amerikaan, zijn vergaan toen langzaam maar zeker tot hem doordrong dat hij de winnaar van het befaamde toernooi was geworden.

Zach Johnson laat zich nog vol ongeloof omarmen door zijn caddie Damon Green

Zach Johnson laat zich nog vol ongeloof omarmen door zijn caddie Damon Green

Johnson kent het winnaarsgevoel heus wel. In 2007 won hij de Masters, min of meer het Amerikaanse equivalent van The Open, het Brits Open, dat jaarlijks op wisselende locaties wordt gespeeld. Maar deze ervaring leek hem meer te doen, getuige zijn houding toen de Zuid-Afrikaan Louis Oosthuizen in een play-off met verder de Australiër Marc Leishman, de gelijkmakende, beslissende putt miste. Johnson zag het gebeuren, keek vol ongeloof voor zich uit en toen naar zijn caddie Damon Green, ging niet in op diens high-five en liet zich pas door hem omarmen toen hij zag dat het écht waar was: Ik heb gewonnen. Later zou Johnson zich verontschuldigen (nota bene) voor zijn apathie: ‘I was in shock.’

Het was alsof Johnson stotterde, emoties wegslikte, toen hij voor microfoon en camera moest verklaren wat hem was overkomen. Het zijn terugkerende emotionele momenten van winnaars en verliezers die topsport meeslepend kunnen maken. Zeker voor wie zich met hen wil vereenzelvigen en daardoor en daarvoor zijn zintuigen opent. De ontlading na vijf lange dagen van spanning, concentratie, extreem wisselende weersomstandigheden en geduld is nauwelijks te verklaren. Johnson probeerde het in zijn winnaarstoespraak. Hakkelend, slikkend, overmand door emoties: my God wat is mij overkomen?

Wanneer een god – zijn God – ter sprake komt kan Zach meer vertellen. Toen hij in 2007 The Masters in Augusta won ging alle aandacht uit naar het geloof in zijn god. Het geloof dat hij met zijn vrouw Kim deelde in de First Baptist Church, waar zij elkaar leerden kennen. Zijn predikant meende dat elke slag en elke putt in Augusta door God gestuurd was. Johnson is niet zo uitgesproken. Hij meent dat elke geslaagde slag en elke geslaagde putt ook en vooral het resultaat is van dagenlang hard oefenen, van geduld en vertrouwen. Dat straalde Johnson gedurende de afgelopen dagen aan de Schotse Noordzeekust uit: geduld en vertrouwen.

zachh
Zach Johnson behoort al jaren tot de top van de golfwereld. Hij is een bekende. Ze zien hem slaan, pitchen, chippen en putten met die uitgebalanceerde techniek. Zie hem eens slaan: prachtig, zo in balans. Maar zoals het met golfers gaat, de ene slag is de andere niet, wat vandaag lukt, lukt morgen niet. Hij bleef de afgelopen vijf dagen redelijk in balans, maar gisteren zat alles hem mee. Het ging zoals het moest gaan. Als je maar rustig blijft.

Op de Old Course van St. Andrews, de heilige grond van golf, sta je niet alleen onder invloed van de magie die de golfbaan uitstraalt, er zijn ook de elementen van draaiende windstoten, striemende en miezerige regens, fel en vervagend zonlicht, heen en weer schuivende wolken en verrassende lichtinvallen. Zaterdag bleek de storm te zwaar om door te spelen: de bal bleef niet liggen, de putts waaiden over de green. Vandaar dat de organisatie besloot halverwege de ochtend niet verder te spelen. Uiteindelijk werd de wedstrijd zaterdag afgelast, waardoor de slotronde naar maandag werd uitgesteld. Bewaar dan maar eens je geduld. Ben je in je ritme, moet je wachten en maar wachten.

Het is enerzijds de charme van golf, anderzijds de pijn die golfers moeten ondergaan in de sport die alles vraagt van mentale weerbaarheid. Misschien is daarom golf een echte Britse sport, altijd onderhevig aan de elementen waartegen een gevecht onvermijdelijk is.

Zach Johnson heeft zich niet omver laten blazen door de wisselende omstandigheden. Anderen, zoals zijn landgenoot Dustin Johnson, die tot de laatste ronde fier de toon aan gaven, hadden niet voldoende kracht en geduld. Zelfs de na zijn triomfen dit voorjaar in de Masters en de US Open als schier onoverwinnelijk geachte pas 21-jarige Jordan Spieth, zag op de voorlaatste hole (17) zijn hoop op weer een overwinning vervliegen. Blakend van zelfvertrouwen, vol van (jeugdige) moed en durf was er toch even een misrekening of gewoon pech.

Geluk zit bij golf in een klein hoekje. Talent is niet altijd doorslaggevend. Vraag het Tiger Woods, die voortdurend worstelt en straalt zodra hij nog eenmaal een prachtige klap, chip of putt heeft gemaakt. Als Tiger een unieke slag maakt dan gaat er toch echt een golf van opluchting door iedereen heen. Hij haalde vrijdag trouwens niet de cut (evenals de Nederlander Joost Luiten). Troosteloos, dat gold ook voor het golfpubliek.

Talent, aangevuld met rust, geduld en vertrouwen deden Zach Johnson The Open winnen, in de play-off met Louis Oosthuizen (winnaar in 2010) en Marc Leishman. Er waren meer die het kennerspubliek rond The Old Course hadden kunnen bewieroken, los van favoriete Britten en Ieren. Waarom geen prachtige atleten als de Australiërs Jason Day en Adam Scott, de Amerikanen Jordan Spieth en Dustin Johnson, de Spanjaard Sergio Garcia of de oude bekende Ier Padraig Harington? Ze hebben het talent en de spieren van Tiger Woods, maar golf vereist meer dan fysieke vaardigheid.

zach shakes hands
Zach Johnson te zien winnen geeft aan dat er meer nodig is. Het uitzinnige, deskundige én neutrale publiek op St.Andrews heeft dat gewaardeerd. Zo doe je dat dus, The Open winnen.

Dit verslag is op 21 juli gepubliceerd in NRC Handelsblad

Toen ik voor Willem Ruska boog zei hij: ‘Slijmerd’

18 feb

Wim Ruska wordt olympisch kampioen zwaargewicht in 1972 (Foto Spaarnestad/HH)

Wim Ruska wordt olympisch kampioen zwaargewicht in 1972 (Foto Spaarnestad/HH)

Afgelopen zaterdag 14 februari 2015 overleed op 74-jarige leeftijd Wim (Willem) Ruska. Een legendarische judoka die tweemaal een gouden olympische medaille won (in 1972), tweemaal wereldkampioen was en zevenmaal Europees kampioen. Een geweldige sportman, een atleet die meer kon dan judoën en worstelen. Hij was een man met uitstraling, om wie je niet heen kon.

De afgelopen dagen is veel geschreven en getoond om zijn grootheid als sportman te duiden. En voortdurend werd de miskenning die hij had gevoeld, vooral buiten de judowereld, en de rivaliteit met die andere judoreus uit zijn tijd, Anton Geesink, aangehaald. Dat was niet nieuw. Sinds Ruska de man overtrof die als eerste op olympisch niveau de Japanners in hun tempel in Tokio had verslagen, was er immer die terugkerende vergelijking.

Ruska en Geesink (Foto Spaarnestad/HH)

Ruska en Geesink (Foto Spaarnestad/HH)

Het was alsof menigeen er de afgelopen jaren genoegen in schiep uit de losse pols Geesink te verwijten dat hij Ruska’s prestaties kleineerde. Geesink die steeds een gevecht met Ruska uit de weg zou gaan uit angst zijn heilige status te verliezen, Geesink (hij overleed in 2010) zou aan grootheidswaan lijden, Ruska was de loser (het slachtoffer), omdat hij nooit de erkenning kreeg die hem op grond van zijn prestaties toekwam – laat staan een koninklijke onderscheiding. Dat was de teneur wanneer in alle kranten en andere media gemakzuchtig over  de rivaliteit Ruska-Geesink werd (en nog steeds hardnekkig en onwetend wórdt) gesproken en geschreven.

Ik heb Geesink altijd gemogen, vooral hem proberen te begrijpen. En datzelfde geldt voor Ruska. Voor beiden had ik begrip. Beiden hebben mijn sympathie gehad. Vriendschap is een groot woord, maar ze waren me allebei dierbaar. Omdat ik ze heb gekend (Geesink meer dan Ruska), en ze heb proberen te doorgronden. Als mens. Waar ze vandaan kwamen. Waarom ze zo zijn geworden. Waarom ze zo verbeten op jacht waren. Vanuit het ‘niets’ een kampioen worden. Dat dwingt respect af.

Geesink wilde een winnaar zijn. En daar week hij geen moment van af. If you want to be a champion, you have to look like a champion, was zijn eeuwige motto. Hij bleef het maar herhalen. Ruska wilde dat niet zeggen. Hij was het, dat moest je zien. En als je het niet zag, ook goed.

Ruska wilde geen loser zijn. Hij was geen loser. Hij was geen slachtoffer. No way. Hij was een winnaar. Maar hij was wel achterdochtig. Hij zocht en vond vijanden. Zo heb ik hem althans ervaren. Vanaf 1976 volgde ik ruim 25 jaar nauwlettend het judo, eerst 12 jaar voor de Volkskrant, daarna voor NRC Handelsblad. Ik reisde mee naar alle Europese en wereldtiteltoernooien en zag hoe de hazen in de Nederlandse judowereld liepen. Alle partijen (vooral bestuurders en coaches) wisten mij te vinden om iets negatiefs over andere partijen te vertellen. Ik ben soms bedreigd en vaak geïntimideerd. Verbaal (ook telefonisch), maar ook fysiek.

Maar ach, het was een kleine wereld, en ik had er genoeg mensen die mij serieus namen en in bescherming namen. Je wende aan die grote, sterke, stoere kerels, vechtjassen die met hun borst vooruit probeerden te laten zien dat ze superieur aan mij waren. Maar in hun hart waren het allemaal kerels met een goede inborst. Vooral als je de jongens alleen sprak en ik wilde horen waarom ze toch zo graag judoden en de beste wilde zijn.

nippon003
Mijn eerste kennismaking met de grote, indrukwekkende Willem Ruska dateert van mei 1982, tijdens het EK in Rostock, DDR. Een toernooi dat bol stond van DDR-propaganda. Nog los van de armoe die mijn collega’s en ik daarbuiten, in de stad en in winkels en cafés, aantroffen. En de (alleenstaande, gescheiden) vrouwen die ons gretig op de huid zaten. De oud-kampioen was gevraagd door bondscoach Peter Snijders de zwaargewichten als de te zachtaardige Willy Wilhem, te trainen, zeg maar: harder te maken. Op de slotavond zaten Snijders, Ruska, een aantal judoka’s, bestuurders en drie of vier verslaggevers (meer waren er niet op dit EK) bij elkaar in een kaal en sober restaurant. We dronken zeer goedkoop Ostbier en evalueerden losjes het toernooi.

Plotseling waren er nog maar twee mensen aan tafel. De anderen waren op de uitnodiging van de DDR-bestuurders ingegaan bij hen aan tafel te komen zitten. Ruska zat tegenover mij. We waren alleen, tot elkaar veroordeeld. Ruska keek me aan en zei: ,,Ik mag jou niet. Peter Snijders zegt dat jij een goede kerel bent en een hele goede journalist. Hij zegt dat jij een vriend van hem bent. Ik geloof Peter altijd, want hij is mijn vriend. Maar toch mag ik jou niet. Jij bent zo’n stil, stiekem, miezerig journalistje, dat er op uit is ons en die jongens een oor aan te naaien. Zeker op zoek naar rotzooi?”

Ik schrok me wezenloos, verslikte me in mijn snelle slok bier en dacht aan vluchten. Ruska bleef me uitdagend en vernietigend aankijken. Toen zei ik: ,,Ik mag jou ook niet. Jij hebt een grote bek. Jij mag hier trainer zijn, omdat Peter Snijders je zielig vindt. Anders zat je hier niet. Mij aanpakken, terwijl je mij niet eens kent.”

Waar het vandaan kwam, weet ik niet. Diep van binnen was de duivel in mij wakker geworden. Angst doet rare dingen met mensen. Ik sloeg zomaar van me af. Ik herinner me de confrontatie als de dag van gisteren. Want zelden heb ik me zo in het nauw gedreven gevoeld.

Maar wat nu?

Ruska (sommigen zeiden Roeska) grijnsde, alsof hij me in zijn greep had: ,,Nou moet je niet meteen kwaad worden, jongetje. Je kent me niet eens. Vertel maar wat je van me vindt. Dat mag, daar kan ik wel tegen. Ik heb al genoeg meegemaakt. Ik kan wel tegen een stootje.”

Ik kreeg geen kans te nuanceren, wat ik graag eenmaal terug bij mijn verstand had willen doen. Ruska nam het over en begon te vertellen. Hoe hij alle journalisten haatte, dat ze verhaaltjes over hem hadden verteld die niet klopten, over hoe anderen daarmee op de loop waren gegaan. Hij wilde nooit meer iets met journalisten te maken hebben. Hij had mij nog niet kunnen betrappen. Maar ik moest oppassen – dát hoefde hij er niet bij te zeggen.

Ons gesprek werd onderbroken door de voorzitter van de Nederlandse judobond. Ik haalde opgelucht adem. Of we niet aan die grote tafel met onze gastheren van de DDR gezellig mee kwamen drinken én zingen. Dat hoorde zo. Ruska keek op en zei: ,,Zie je dan niet dat ik in een serieus gesprek ben met mijn vriend? Wegwezen.”

Hij vertelde verder, verhalen over judotrainingen in Japan (bij een verwurging keeltje dicht blijven knijpen, ook nadat die ‘Jappen’ hadden afgetikt; zo dwing je respect af: durven ze nooit meer wat). Over beroepsworstelen (hij moest toch geld verdienen) in zijn nadagen in Zuid-Amerika, hoe hij managers en organisatoren een poot uitdraaide of overeenkomsten over afgesproken nederlagen niet nakwam (gewoon al in de eerste minuut tegen de afspraken in die gozer een knal voor zijn kop te geven zodat hij nooit meer opstond – geld weg, ‘me reet’). Overleven. Ja, hoe hij had geleerd te overleven, als matroos, judoka, uitsmijter, mens en als een miskende kampioen. ,,Ik heb er schijt aan. Ik heb mijn medailles, die pakt niemand mij af. Ik heb veel vrienden, hier Peter en Jan Snijders, en Pierre Zenden, en nog veel mensen van vroeger. Verder weet ik het wel: alles draait om dat gaatje, alles draait om macht.”

ruska rolstoel
Willem was niet te stuiten. Ik moest nou maar eens horen hoe het zat. Er ging een wereld voor me open. Maar ik wil geen verhaaltjes over hem vertellen. Dat past niet, dat was een gesprek tussen ons. Zo heeft Willem het gewild.

Uiteindelijk gingen we toch maar aan de grote tafel zitten, waar de bestuurders van de DDR, andere judomensen en nog wat onduidelijke, zwijgzame figuren zonder kostuum met logo (Stasi? Vast en zeker) zich verzameld hadden. We kregen allemaal een heel groot glas bier. Een van de Oost-Duitse officials sloeg Ruska op zijn schouders en begon hem de hemel in te prijzen. Zoiets als ‘der beste Weltmeister aller Zeiten’ en wilde proosten op Ruska. Terwijl de glazen omhoog gingen, niet die van Ruska, nam iedereen een slok. Ruska ook. Hij nam een grote slok en spuugde het bier uit over de grote tafel. ,,Schweinhünde, klootzakken, Kommunisten…” Hij keek mij aan en zei met een grote grijns: ,,Kom op maatje, dit volk mot ik niet. Wegwezen.”

Een paar maanden later zat Wim Ruska op de tribune van een of ander judotoernooi in Nederland. Ik zag hem zitten en zwaaide een beetje. Ruska kwam naar beneden gestommeld met dat grote lichaam en gaf me een hand. ,,Vriend, alles goed met je?” Die gulle grijns van toen is me altijd bijgebleven. Elke keer als ik hem daarna zag, zwaaide en lachte hij een beetje. Toen ik later nog eens voor hem boog, zei Wim Ruska: ,,Slijmerd.”

Een verkorte weergave staat op de website http://www.sportenstrategie.nl/

Over smaak valt te twisten over grootmeesterschap niet

15 feb

Louis van Gaal, Sportcoach van 2014

louis
Aloysius Paulus Maria van Gaal (bekend als Louis) moet hebben geweten dat hij afgelopen december tot Sportcoach van het jaar 2014 zou worden gekozen. Hij moet ergens in zijn brein vol alarmbellen en andere zintuiglijke indicatoren hebben gevoeld dat de vakjury niet om hem heen kon. Over smaak valt nog te twisten, over grootmeesterschap niet.

Het zal toch niet zo zijn dat een forum van als vakbekwaam gekwalificeerde mensen hem na het meeslepende wereldkampioenschap voetbal in Brazilië de hoogste Nederlandse sportonderscheiding passeren?

Je voelt het Louis van Gaal denken, ’s nachts even draaiend in zijn bed na weer een beladen wedstrijd, om dan met een hervonden – op zelfvertrouwen gebaseerde – rustige hartslag in slaap te vallen. Ik ben toch de beste? Ja, ik ben de beste. Van allemaal. Zo zou hij ingeslapen kunnen zijn.

Want aan iedereen die met voetbal is begaan, heeft hij immers getoond dat hij en zijn team van specialisten een groep jonge, min of meer internationaal beperkte voetballers naar het hoogste niveau kunnen brengen. Zelfs de wereldtitel behoorde tot de mogelijkheden. Want ook de Duitsers (de uiteindelijke wereldkampioenen, met hun al jarenlang ver doorgevoerde tactische en technische voorbereiding onder leiding van bondscoach Joachim Löw) had Van Gaal en de zijnen kunnen verslaan.

Wanneer het hoge doel wordt bereikt, is borstklopperij begrijpelijk en menselijk. Trots mag, trots is geen vies woord, trots is geen slechte eigenschap, trots is een bevestiging van het zelfvertrouwen. Wie met zijn hand op zijn hart timmert, is verguld van zichzelf. Wie dat niet doet (niet durft), is bang. Bang om zichzelf te zijn. Het ego mag best eens een schouderklopje krijgen na een succesvol verlopen uitdaging.

Aan de top ben je gauw eenzaam. Zo beseft Van Gaal. Enerzijds word je aanbeden, anderzijds dreig je als ‘topper’ al gauw naar beneden gehaald te worden, om welke reden ook. Het getuigt daarom van een immense kracht door te gaan op het gekozen pad. Niet eigenzinnig maar vastbesloten.

Op dat pad zoek je voortdurend naar verbetering, naar iets nieuws. Naar mensen die kunnen helpen, inspireren, vooral luisteren naar degenen die je op het andere been zetten. Je vijanden zijn ook je leermeesters. Anderen het vertrouwen geven, mensen die meer weten, hun eigen expertise hebben. Naar andere facetten van het leven en van coachen kijken (ook buiten de sport en buiten voetbal), en ze meenemen ter aanvulling op jouw perceptie. Louis van Gaal heeft zich er in de loop van zijn loopbaan als coach een meester in getoond.

Van Gaal heeft geleerd dat je niet alleen hoeft te staan. Alleen is maar alleen, en maakt je kwetsbaar. Delen geeft je het gevoel sterker te zijn. Anderen zijn er om je te helpen. Die visie deelt hij ook met voetballers met wie hij samenwerkt.

phil meditatie
Zo deed Phil Jackson, vaak de beste sportcoach van de laatste twintig jaar genoemd. Niet alleen omdat hij elfmaal kampioen werd van de NBA (zesmaal met de Chicago Bulls, vijfmaal met de LA Lakers). Jackson putte uit zijn zenboeddhistische leringen (van Shunryu Suzuki) en het boek ‘Zen and the Art of Motorcycle Maintenance’ (van Robert Pirsig) en overtuigde basketballers met een groot ego als Michael Jordan, Kobe Bryant en Shaquille O’Neal ervan hoe zij naast hun eigen talenten konden profiteren van de kwaliteiten van hun teamgenoten. Samen spelen als de lamme met de blinde. Elkaar nodig hebben, steunen, aanvullen, waarderen. Een team is beter dan één superster, we horen het Van Gaal vaak zeggen.

Van Gaal laat niet alles over zijn werkwijze los. Dat is jammer voor ons nieuwsgierige buitenstaanders. Maar begrijpelijk in zijn wereld van competitie en naijver. De concurrentie zit ook niet stil. Veel van wat hij aan kennis heeft verworven, kan worden aangewend door concurrerende coaches, mensen die hetzelfde (de top) willen bereiken. Maar niet alle coaches is het gegeven zo gedisciplineerd en nieuwsgierig te werken. Juist Van Gaals talent is doorslaggevend voor herhaald succes. Fingerspitzengefühl. Zijn charisma is onomstreden. Om Louis van Gaal kun je niet heen.

Round of 16 - Netherlands vs Mexico
Van Gaal laat niets aan het toeval over. Wat anders kan van een coach worden verwacht? Maar Van Gaal gaat vaak verder. Hij wil alles in zijn greep hebben. Het gras moet op maat zijn én vochtig genoeg om de balcirculatie vloeibaar te laten verlopen. Daarom moet ook de bal de gewenste hardheid hebben. Ballenjongens moeten alert en snel zijn. Hij vraagt de betrokken media eensgezind achter de ploeg te staan. Spelers dienen dankzij uitputtende trainingsherhalingen geconditioneerd gedrag te tonen. De looplijnen en bewegingen, uitgekristalliseerd door computeranalisten, moeten strikt gevolgd worden. Overbodige, onverwachte emoties dienen vermeden te worden.

Mede daarom wordt het management van Louis van Gaal ten voorbeeld gesteld aan de zakenwereld. De consultants Jeroen Visscher en Jurgen Frumau schreven er een boek over: ‘Hoe smeed je wereldkampioenen’. De oud-economiejournalist van NRC Handelsblad en oud-hoofdredacteur van opinietijdschrift The Optimist, Max Christern, bracht onlangs het boek ‘De Keeperswissel; de 7 Managementlessen van Louis van Gaal’ uit. Daarin zet hij uiteen wat managers in het bedrijfsleven kunnen leren van de methode-Van Gaal. En dat is veel.

Maar de zakenwereld is niet de sportwereld. Emoties horen bij sport. Zonder emoties is er geen sport, zonder sport geen emoties: geen hoop, verdriet en euforie. Mensenwerk dus. Dat is juist de charme van sport. Passie is een niet te versmaden factor.

Vooral emoties kunnen een obstakel vormen voor een coach die perfectionisme nastreeft. Daarom worden al gauw een psycholoog of op zijn minst sportpsychologische inzichten ingeschakeld. Daarmee kunnen achtergronden en mogelijke angsten en trauma’s van een speler worden geanalyseerd en mogelijk omgebogen tot een krachtiger houding. Van Gaal ziet het als een prioriteit veel (als leraar en vooral vaderlijk) met spelers te praten, over hun drijfveer, afkomst, verleden, familie en leefsituatie. Hij wil ze begrijpen, hun mentale kracht doorgronden en daar met elkaar naar handelen.

Hij wil de mens centraal stellen. Zoals hij zegt: ‘Heel de mens doorzien’. Wat kan de speler, wat kan hij niet, onder welke omstandigheden voelt hij zich goed, wanneer niet.

Bij Bayern München dienden spelers ’s morgens voor de training een checklist in te vullen met thema’s als slaapgedrag, eet- en drinkgewoonten, actuele gedachten en zielenroerselen, familiesituaties en zo verder. Dat werd gecombineerd met fysieke testen, waaraan (ook) de psychische gesteldheid kan worden afgelezen. De resultaten werden besproken met het team van specialisten. Zo kunnen hoofdcoach en begeleidende specialisten bepalen hoe spelers in hun vel steken en trainingen indien nodig aanpassen. Zo weet de speler dat hij aandacht krijgt en dat rekening wordt gehouden met wat hij wil en niet wil, kan of niet kan. Ieder zijn kracht en zijn kwetsbaarheden.

Het is alsof Van Gaal liefst robots (geprogrammeerd in de controlekamers) het veld in wil sturen. Gesteund door de technologie die tegelijk de emotie uit de sport verdrijft. Geprogrammeerd naar zijn wensen, voldoening gevend aan het altijd sluimerende verlangen de beste coach ter wereld te zijn. Een chip in het hoofd van de spelers, waar alle acties en (mogelijk) reacties staan opgeslagen. Het is een toekomstbeeld, met de ogenschijnlijk steeds groter wordende ambities in de sport.

Van Gaal wekt de indruk nog steeds graag met ménsen samen te werken. Spelen dus. Als geboren liefhebber van spel in het algemeen en voetbal in het bijzonder. Samen spelen om het hoogste te bereiken.

Phil Jackson liet zijn spelers naar de Wizard of Oz kijken, sprookjes lezen, in een ingewijde ruimte mediteren en altruïsme overdenken. Waarom zou Van Gaal dat niet doen? Vooralsnog richt hij zich op zijn eigen, voortdurende vernieuwende wijze. Hij staat open voor wat zich aandient in de psychologische, sociologische en medische wetenschap en voor visies van anderen die hun waarde hebben onderstreept.

Wat in de media over hem, zijn gedrag en zienswijze wordt beweerd, laat hem vermoedelijk niet koud. Hij beseft na ruim twintig jaar (eigenzinnig) coaching in Nederland, Spanje, Duitsland en Engeland dat hij op de huid wordt gezeten. Soms draagt hij een harnas. Maar dat voelt niet goed. Hij wil toch een mens zijn, met een open hart en een open geest. Laat ze maar komen, laat ze maar vragen, insinueren en tweedracht zaaien.

Die keeperswissel, ja. Tim Krul in plaats van Jasper Cillessen bij de strafschoppen. Tijdens het de kwartfinale van het WK, nota bene. Zomaar ineens? Vast niet. Het had anders kunnen lopen. Maar op dat moment zag Van Gaal met zijn team wat er nodig was. Hij had een nieuw wapen gevonden. Wie weet, was dit de weg naar glorie. En ja, het was de weg. Durf opent deuren.

Wie is in staat zichzelf een algemeen aanvaarde houding geven voor het front van microfoons en camera’s? De een verdwijnt in zichzelf, de ander groeit en gloeit van zelfverheerlijking. Zoals Louis van Gaal.

Zoals hij daar stond met de prijs als beste Sportcoach van 2014, met een mengeling van trots en verlegenheid. Dat was bewonderenswaardig en vertederend tegelijk. Iedereen had gezien wat Oranje presteerde in Brazilië, velen leefden mee. Maar niemand had voorspeld wat de coach met zijn team had voorbereid in de achterkamertjes van Oranje. Zo snoerde hij criticasters de mond en onderstreepte hij vooral zijn meesterschap.

Louis van Gaal is een bijzondere coach. Dat streelt hem. En dat mag.

Dit portret van mijn hand is gepubliceerd in het februarinummer van Nlcoach

Verwondering maakt vrijer

26 jun

Noem het mijn schrijn, het nachtkastje waar ik op uitkijk als ik op mijn kussen zit. Ik adem de geur in van wierook, adem weer uit en zie voor het eerst mezelf. Daar voor me. Ben ik dat? Ja, dus. Een wereld gaat voor me open.

Ik ontwaar boeken met titels als Op Karakter, De Verstopte Mens, Geduld, Altijd Verder, The Shambhala Principle, De cultus van het lijden, Bekentenissen van een gemaskerde, De taal van de gevoelens,, Je moet je leven veranderen en Waarover praten wij als wij over liefde praten. Een Oscar-beeldje met op de voet een inscriptie: ‘de beste vader van de hele wereld’. Een beeldje van een comboy, een relatiegeschenk voor journalisten ter gelegenheid van het wereldkampioenschap wielrennen 1986 in Colorado Springs. Daarnaast door tekenaar Siegfried Woldhek geschonken portretten. Een waarop ik als een psycholoog de bokser Muhammad Ali analyseer en een van Ali alleen, een man die me indringend aankijkt.

guus-van-holland-&-mohammed-ali
Daarnaast een afscheidspagina voor mij als sportverslaggever van NRC Handelsblad, bijeengeschreven door collega’s. ‘Diasporamens, tastend naar ‘t onbestemde’, staat boven een portret dat de Belgische collega Raf Willems voor me schreef. ‘Overal en nergens thuis’, voegde hij er aan toe.

Herkenning streelt mijn ego. Moet ik dat negeren? Omdat ik het ego los zou moeten laten, om me vrijer te voelen. Zoals me dat elke keer weer als oefening wordt aangereikt in boeddhistische geschriften.

Hoewel ik al enige tijd zowat elke dag tegenover mijn schrijn mijn stroom van gedachten voorbij laat gaan en vriendelijk tegemoet probeer te treden, is nog niet eerder bovenstaand beeld bij mij binnengedrongen. Waarom niet eerder? Komt dat door wat mij tijdens Shambhala-trainingen en -cursussen werd voorgehouden? Ontspan je, zit als een rots waar rondom water aan- en afstroomt, laat het gaan – en je wordt onverwachte ervaringen gewaar en krijgt onvermoede ontmoetingen. Ik las Het pad is het doel van Chögyam Trungpa en dacht: ‘dat zou mooi zijn’. En het was mooi: verbaasd en verstomd was ik. Laat los en het komt op me af.

De sportbeleving die mij obsedeerde en mij nog veel vreugde, opwinding en vertwijfeling verschaft maar ook weer tot contemplatie (overdenking) aanzet, omdat het me als verslaafd voorkomt (die dilemma’s dus), staat op een paar meter afstand voor mijn wierook snuivende neus, geflankeerd door boeken die mij eerder duidelijk hadden kunnen maken waarom ik ben wie ik ben.

joop alberda boeddha
Joop Alberda, invloedrijk en bekroond sportcoach en sportleider, zei het zo, toen ik hem vertelde dat ik op het boeddhistische pad terecht was gekomen: ,,Zo meanderen we voort. Zoeken doen we allemaal. Het is je gegund.” Het werd me gegund – dus niet afgeraden.

Het werd mede daarom een mooi gesprek met Alberda, met wie ik voor NLcoach interviews deed over de weg die mensen op allerlei gebied hebben afgelegd voordat ze ‘helden’ werden. Met Jaap van Zweden, Hans van Manen, Jan Marijnissen, Mart Smeets, Dirk Scheringa, Youp van ’t Hek, Herman Wijffels en anderen. Alberda weet hoe mensen succesvol kunnen worden. Maar hij beseft ook dat mensen met minder talenten in problemen raken zodra zij verwachtingen niet (meer) waarmaken. Hoe en waarom mensen zichzelf tegen kunnen komen.

Ik vertelde Alberda over mijn verworven inzicht dat verliezers in de media steeds sneller als mislukkelingen worden neergezet. Zoals ik vroeger als journalist regelmatig deed: wie een fout maakte, veroordeelde ik in mijn verslagen voor de krant harteloos.

Blunders! Hoe vaak heb ik die kwalificatie niet gebruikt om van mijn afkeer van sporters die in de fout gingen te getuigen? Sporters dienden in mijn beleving als recenserende verslaggever perfect te zijn, aan mijn verwachtingen te voldoen. Wie niet perfect was of de uitvoering niet ‘naar behoren’ volbracht, deugde niet.

Door meditatie en contemplatie leer ik anders kijken en luisteren naar wat zich om mij heen afspeelt. Zonder oordeel mensen bezien, zoals sportmensen die al hun talenten aanwenden om te tonen wat ze kunnen, hoe goed ze zijn: kijk ze eens bezig zijn. Verwondering, vooral zonder oordeel kijken, is mooier dan kritisch kijken. Mooier dan wachten totdat een fout wordt gemaakt om dan de foutenmaker te diskwalificeren als mislukt of dom.

Bij boosheid dreigt afsluiting, zo merk ik. Openheid en verwondering geven vrijheid en ontspanning. Zoals ik op mijn kussen vrijheid ervaar, daardoor de attributen op het nachtkastje ontwaar en zomaar een beeld van mezelf zie.

Straks als ik naar een sportwedstrijd kijk ga ik mogelijk weer spontaan, primair reagerend, geschokt door onvermoede oerdriften, te keer tegen mensen wier spel of gedrag mij niet bevalt. Om me dan ook de volgende dag nog eens te ergeren aan de verslaggevers die het anders hebben beleefd dan ik, en vaak de verliezers afvallen – zoals ik voorheen vaak deed.

Geen emotie blijft mij vreemd. Sterker: ik raak er steeds meer bekend mee en kan ze daardoor steeds beter duiden. Maar hoe bevrijdend zou het zijn als ik ieder zijn fouten gun, ieder zijn smaak en mening schenk. Laat ze toch (Let it be). Verwonder je, aanvaard ieder mens, iedere smaak of mening. Het maakt niet alleen vrijer, het verheldert en biedt nieuwe inzichten. Zo heb ik ervaren.

Fundamentele Goedheid zit in ieder mens, zo proberen mijn Shambhala-leraren mij te overtuigen. En ik wil het graag zien en beleven. Hoe moeilijk dat ook is. Iedereen doet wat hij niet laten kan, gedreven door angst en ambitie. Angst om te verliezen, ambitie om beter (succesvoller, rijker) te zijn dan een ander. Ik zie het vooral in de sport. Maar dat is de sport, gelegitimeerd eigenlijk. Zodra ik naar andere geledingen in de samenleving kijk, zie ik dezelfde diskwalificaties. Wie niet ‘spoort’, niet voldoet aan de verwachtingen en aan het beeld van de perfecte mens beantwoordt, wordt in de hoek gedreven van mislukkelingen.

Voordat ik op mijn kussen mediterend rust vond, hoorde ik nog niet de vogels, de wind en andere natuurgeluiden. Ik hoorde een boor, motoren, krijsende kinderen. Ik werd boos van het lawaai dat mensen aanrichtten. Toen daalde vaak de vrede neer. In mij. Ik landde. Het werd stil. Iedereen mocht doen wat hij wilde. Ik voelde een glimlach. Wat een verademing. Wat een rust in mijn hoofd.

Straks zit ik weer voor mijn schrijn. Dan zie ik mogelijk weer mezelf. Maar misschien wat anders. Dat elk moment anders is, dat het ook bij andere mensen zo is. Dat iedereen zijn eigen momenten beleeft. Zichzelf probeert te zijn, houvast zoekt en dat niet in de hand heeft.

Vandaag scoren lionel Messi en Robin van Persie, morgen scoren Cristiano Ronaldo en Arjen Robben. Vandaag worden zij vereenzelvigd met God, morgen met de vuilnisman, erger: de duivel. Niets meer waard, verstoten. Mensen, met een groot talent, maar mens. Ik bewonderde Tiger Woods om zijn golfvaardigheden. Journalisten en supporters konden niet genoeg van zijn prestaties krijgen. Vrouwen drongen zich op, gokpaleizen trokken zijn aandacht. Hij was rijk, had een mooie vrouw, leuke kinderen en bereikte de ene na de andere mijlpaal. Hij was God, in ieder geval zijn naaste.

tiger-woods-mother-at-press-conference-021910-lg
Woods raakte verslaafd aan aandacht, seks, aan altijd de beste zijn. Zijn vader, een oud-Vietnamstrijder die van hem van jongs af aan alleen het allerbeste eiste, overleed. Tiger raakte van slag door de dood van zijn meester. Hij sloeg de bal niet meer zoals hij gewend was. Het leven zonder zijn vader die alleen records verlangde, werd ondraaglijk.

Hij sprong uit een vliegtuig en wachtte zo lang mogelijk met het openen van de parachute, putte in opperste verdwazing zijn geest en lichaam uit en overbelastte daarbij zijn spieren, ledematen en gewrichten, met blessures tot gevolg. Hij werd gek zonder zijn goeroe, zijn strenge vader. Hij was de identiteit kwijt die zijn vader en vervolgens zijn bewonderaars hem hadden toegekend. Zijn Thaise moeder herinnerde hem aan zijn boeddhistische opvoeding en hield hem voor zachtmoedig voor zichzelf te zijn. Dan maar niet de beste. Nog steeds is Tiger zoekende, naar zijn leven, zijn identiteit (wie is hij echt?), met en zonder records.

Ik verlang terug naar de prestaties van Tiger Woods. Naar zijn fraaie swings, naar zijn indrukwekkende, zelfverzekerde houding, naar wat ik niet kon en hij wel. Maar als Tiger niet terugkeert aan de top, zal ik met een open geest naar hem kijken en mezelf toefluisteren: ,,Kijk, hij is een mens net als jij, een mens van vlees en bloed.”

Deze column staat in verkorte vorm op de zomeruitgave van de website van De Vrienden van het Boeddhisme: http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/ Guus van Holland is vriend van de Shambhala-sangha in Leiden.

%d bloggers liken dit: