Archief | boeddhisme RSS feed for this section

Nergens zin in hebben

18 Okt

Wat zal ik gaan doen? Het is de vraag die ’s morgens bij het ontwaken als eerste opkomt. Er zijn geen plannen. Mogelijk alleen verplichtingen, zoals douchen, ontbijten en koffie drinken. En mediteren, 20 minuten, tot de mountain bell van de app op mijn iPhone gaat.

De dag is begonnen. Wat nu? Als ik me maar niet ga vervelen. Het is de eerste vrees die bij me opkomt. Ik mag me niet vervelen, ik moet wat gaan doen. Zo ben ik geconditioneerd al vanaf mijn jongste jaren. Doe wat! Kom van die bank! Ga buiten spelen!

Maar ik wil zo graag lui zijn. Niets doen. Nergens zin in hebben. Niet doen wat anderen van mij verlangen. Ik wil met rust gelaten worden, nadenken of desnoods slapen – ver van de verwarrende wereld.

Ja, me vervelen. Is dat zo erg? Misschien voor anderen die mij liever zien bewegen, bang als ze zijn dat er niets van mij (en de wereld) terecht zal komen.

Jarenlang heb ik geen tijd gehad om me te vervelen. Ik had werk, boeiend werk waarin ik mij geen moment verveelde. Obsessief volgde ik de sportontwikkelingen, geen nieuw inzicht negeerde ik. Toch voelde ik diep van binnen onrust, met vragen als: ben je niet te rusteloos, neem je wel op tijd rust, tijd voor bezinning, zou het niet eens tijd zijn voor meditatie en contemplatie? Is dat nou alles? Zoals de succesvolle oude Vlaamse volkszanger Ivan Heylen me in een interview in de jaren zeventig toevertrouwde: ‘Hoe ver ben ik nu, wie ben ik nu nog?’

Toen het werk was gedaan, sloeg de leegte toe. Bezetenheid maakte plaats voor leegte. Vrijheid, zo menen velen die niet meer hoeven te werken. Ik wist me geen raad. Ik sloeg mijn vleugels uit, naar alle kanten, maar nergens vonden ze de wind die me naar de paradijselijke vrijheid droeg. Ik zag George Harrison in Living in the Material World (2011) van Martin Scorsese en raakte in vervoering door zijn doorontwikkelde altruïsme dat hij zich door jarenlange meditatie ’s morgens nog voor de zon opkwam in het torentje van zijn Engelse kasteel aanleerde.

Daar zat hij dan in zijn eentje, in zichzelf gekeerd, in- en uitademend, contemplerend, zichzelf ervan doordringend dat niets van hem was. Onthechting vond plaats, zonder dat hij het bewust wilde. Hij zat daar en liet de verveling toe. Hij zag het gebeuren: niets is van mij, alles is van iedereen – hoe ver kun je verwijderd zijn van de samenleving, die begeerte en egocentrisme tot het hoogste goed heeft bestempeld?

Met leegte maakte ik ook kennis in het boek ‘Ongebaande paden – een voetreis dwars door Frankrijk’ (Arbeiderspers, 2016) van Sylvain Tesson. (Lees ook: ‘Zes maanden in de Siberische wouden’). De voettocht van de Franse schrijver voerde, door de zelf opgelegde verplichting dat hij alleen over onverharde wegen mocht lopen, dwars door de ongerepte natuur, over soms nauwelijks begaanbaar terrein en langs barre uithoeken. Een kleine drie maanden later eindigde zijn voetreis aan de noordwestkust van Frankrijk.

Tijdens zijn tocht was hij in de stilte van de bossen en de weiden, op eenzame bergtoppen, wadend door kabbelende beken, slapend in de vrede, hoewel rondom dieren en vogels hem bespiedden. Voorbijgangers, boeren en landlopers keken hem aan, boerenvrouwen boden hem een kop soep aan en soms een duistere slaapplaats als het regende. Verder gebeurde er niets, maar eigenlijk van alles. Hij zag alles wat anderen in die verdwaasde, gestreste wereld niet meer konden zien. In de stilte en de leegte is er meer dan we weten.

Zo zit ik dan weer op mijn meditatiekussen, de wekker op twintig minuten. Soms komt de mountain bell als geroepen, dan weer te vroeg. Net als ik me veilig voel in de leegte en de geluiden om mij heen niet meer als storend ervaar. Er is geen verveling meer. Ik zit, ik wacht niet, ik voel geen plannen of verplichting. Ik voel en hoor mijn ademhaling. Soms een ritseling van blaadjes of diertjes. So what? Hier zit ik en niemand anders, het zijn mijn bewegingen die ik voel. De verveling heeft mij ontdekt en het voelt vredig: er is geen afleiding, niets trekt mij weg van mijn verveling. Er is zelfs geen begeerte. Ik zit en verveel me.

Guus van Holland is vriend van Shambhala Leiden

Deze column is gepubliceerd in de najaarseditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/

 

Vluchten heeft geen zin meer

22 Jun

IMG_1653Toen was het stil. Ik hoorde een fluitconcert van vogels, bladeren ritselen, mijn adem en ik hoorde zelfs mijn hart in een rustig, regelmatig ritme kloppen. Weg van het lawaai. Weg van borende en zagende buurmannen. Weg van alarmerende sirenes. Weg van blaffende honden. Weg van redeloos schreeuwende kinderen en hun radeloze ouders.

Ik moest weg, de stilte in, het bos in. Weg van mensen met hun harde stemmen en oorverdovende machines. En zowaar. Van de geluiden die ik ver van de bewoonde wereld aantrof, werd ik niet opstandig. Ze leken me vredig te stemmen. Totdat ik tijdens mijn meditatieve momenten in de natuur merkte dat ik helemaal niet zo rustig was. Er woedde een storm. Er was iets in mij dat me stoorde. Ik was overstuur, in de war gebracht door geest verstorende ervaringen.

Ik liet mijn emoties begaan. Ik liet gedachten komen en voorbijgaan, de vogels de vogels en de bladeren de bladeren. Ik voelde en hoorde iets dat mijn adem kon zijn of mijn hart. Het werd even stil in mij. Er was zoiets als leegte. Een onbestemde beleving.

Ik wilde weg, alweer. Nu weg van de bedreigende leegte en stilte in mij. Weer wilde ik op de vlucht. Maar waar moest ik heen? Ik kon niet anders dan te blijven zitten waar ik zat en me niet te verroeren. Hier zat ik gegijzeld door mezelf en mijn gevoelens. Hier moest ik het meedoen. Dit was ík, dit was niemand anders. Vluchten kon niet meer.

Zo bleef ik een tijdje zitten. Ik voelde mijn benen, voeten, buik, armen, hoofd, ogen, neus, mond, lippen, adem, mijn hart. Tintelingen, prikkels, steekjes, golfjes van onbestemde gevoelens. Ik wilde het gevoel duiden: wat bedoelen ze? Wat gebeurde er allemaal in dit lijf? Wat een sensaties!

De herinnering aan het boek ‘Leer ons stil te zitten’ van Tim Parks (bij voetballiefhebbers bekend van ‘Een seizoen met Hellas Verona’) kwam boven. Ik zocht het op en las: ‘Ochtendgedachten borrelen als luchtbellen omhoog. Ik concentreer me op de adem in mijn neusgaten, op mijn lippen. Alleen door je voortdurend bewust te zijn van je lichaam kun je bruisende gedachten tot rust brengen. Ik maak me niet ongerust als het niet gaat. Het doel is stilte, maar ik verlang er niet naar….. Er is niets mystieks aan. Veel mensen die voor het eerst op Vipassana-retraîte gaan verlangen naar drama, naar een confrontatie met hun demonen, naar onderwerping aan een goeroe. We willen allemaal een nieuw hoofdstuk toevoegen aan het verhaal van ons ik, aan ons eindeloze doorzeuren over hoe we met de wereld omgaan. Daarom gaan zoveel mensen naar India, vermoed ik, om alleen met de ogen dicht op een kussen te zitten. Ze hopen dat de exotische locatie, de gewaden en de vreemde taal intensiteit toevoegen aan het verhaal.’

En: ‘Zodra woorden en gedachten uit het hoofd verbannen zijn, verzwakt ook het ‘ik’. Er is geen verhaal meer dat het ‘ik’ voedt. Wanneer de woorden verdwenen zijn, maakt het niet meer uit waar je bent. Of het morgen of avond is, of je jong of oud bent, man of vrouw, arm of rijk – dat is in de stilte, in het donker, in de kalmte, niet belangrijk. Net als geesten, engelen en goden blijkt ook het ik een idee te zijn dat we bedacht hebben, een verhaal dat we onszelf vertellen. Ik heb taal nodig om te overleven. Woorden scheppen betekenis, betekenis geeft een doel, een doel leidt tot een verhaal. Maar hier is even geen verhaal, geen retoriek, geen bedrog. Hier zijn stilte en aanvaarding; het genot van een ruimte die niet van betekenis doordrenkt hoeft te worden. Door je intens bewust te worden van het lichaam, de adem, het bloed, kun je ‘ik’ laten wegglippen.’

IMG_1655Mijn aandacht was weg. Buiten mijn boshuisje hoorde ik een fluitconcert van vogels, een bromvlieg op zoek naar een plekje waar hij zich rustig voelde. Het zou een oorverdovend lawaai kunnen zijn, waar geen agressieve gitaar van mijn geliefde zielsverwant Neil Young tegenop kon. Het was sensationeel. Ik had mijn rust gevonden, door naar mijn lichaam te luisteren, mijn zintuigen te voelen en simpelweg te aanvaarden.

Dit zou ik thuis kunnen doen: in mezelf keren. Niet vluchten. Leren stil te zitten en te luisteren naar mijn lichaam. Als morgen het lawaai me te veel wordt en ik wil vluchten, ga ik zitten en luister naar mijn lichaam. Probeer ik te voelen. Misschien dringt dan tot me door dat alles buiten mij niet vijandig bedoeld is, niemand iets doet om mij te pesten. Dat alle verstoringen in mezelf huizen. Dat ik alleen de rust in mezelf kan vinden. Door in te zien waarom ik verstoord raak. Dat vluchten geen zin heeft. Dat het monster in mezelf huist. 

Het lawaai zit in mij. 

Net als de rust.

Guus van Holland is vriend van de Shambhala-sangha Leiden

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

 

 

Dat gevoel van geluk mag niet voorbijgaan

14 Mrt

Teleurstelling overheerst. Het wil maar niet lukken voortdurend bevredigd te worden. Krijg ik het schouderklopje dat mij zin in leven geeft, wil ik er nog een, en nog een. Als een rupsje-nooit-genoeg kijk ik om me heen op zoek naar het volgende schouderklopje, betast ik mijn schouders of er nog gevoel in zit alvorens ik mijn rug recht en mezelf toespreek: ‘Kom op, je kunt het, je kunt het ook zonder schouderklopje.’

Dat ene moment van waardering dient zich te herhalen. Onophoudelijk. Dat gevoel van geluk mag niet voorbijgaan. Eeuwig wil ik gelukkig zijn, op zijn minst tevreden met wat ik heb en wie ik ben. Liefst nog gelukkiger. Nog higher and higher, zoals ik heb ervaren als ik stoned was. Daar in de hemel wil ik zijn: eight miles high. Maar zoals de tekst van The Byrds van de song uit 1966 verder gaat: when you touch down, you’ll find that it’s stranger than known.

Ik wil na de ophemeling niet terug naar de grond. Niet terug naar het gevoel waarin ik me niet gelukkig voel of op zijn minst geen vrede met mezelf heb. Als je in hogere sferen bent geweest wil je niet meer terug naar alledaagsheid. Het was zo mooi, zo vredig – alleen al dat ene moment waar ik nog jaren van wil dromen.

Het is begeerte die mij doet lijden, zo probeer ik als leerling-boeddhist te begrijpen. Elke keer als de warmte van dat schouderklopje is weggeëbd dan wel het behaaglijke gevoel van vrede met mezelf, mijn geliefden en anders gestemden is verdwenen, bekruipt mij het verlangen. Hoewel ik intussen weet dat alles veranderlijk is, kan ik dat ongemak maar moeilijk afwenden. ‘Daar is het weer, ga weg, laat me met rust, ik wil je niet voelen, jij verdoemde kwelgeest.’

Langzaam, maar niet helemaal zeker, ga ik beseffen dat verlangen er best mag zijn en dat onbehagen (sterker: teleurstelling) er ook mag zijn. Wat ik nu beleef, zal ik het volgende moment niet beleven – of in een andere gedaante. Ik verlang. Ik verlang naar meer. Ik verlang terug. Ik verlang dat iedereen mij vriendelijk en heel goed vindt. Ik verlang dat iedereen vriendelijk en heel goed is – net zoals ik. Ik verlang dat mijn geliefden gelukkig en vooral gezond blijven, zoals ik verlang dat iedereen gelukkig en vooral gezond is en blijft.

Binnen handbereik ligt de ‘bodhicitta-contemplatie’. Om er dan in te lezen: ‘Moge ik geluk genieten en de bron van geluk. Moge jij geluk genieten en de bron van geluk. Moge alle wezens geluk genieten en de bron van geluk.’ En: ‘Vreugde kan extatisch worden en ons blind maken voor het lijden, je wilt eigenlijk niet meer erkennen dat het bestaat. Je sluit je af….’ In tijden van onbehagen stemt die tekst me vredig en kan ik er in alle rust op mediteren.

‘Resultaten zijn als vruchten aan de boom die je verzorgt, ze vallen je vanzelf toe’, wordt in de als geruststellend bedoelde ondersteuning beweerd. En: ‘Begrijpen dat alles wat we meemaken, vreugde en lijden, deel is van het grote vertoon van ons leven en dat we daarmee om kunnen gaan.’

Geruststellend? Allerminst. Was ik maar een stoïcijn. Inderdaad, daar verlang ik vaak naar.

Guus van Holland is vriend van de Shambhala-sangha Leiden.

Deze column is gepubliceerd in de voorjaarsuitgave van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Alles verandert, ik dus ook – elk moment

6 Jan

Ineens begon ze te praten, onverwachts. Was dat dan de bedoeling van deze oefening? Ik rekende op een stille ontmoeting met de vrouw die voor me zat, mijn toevallige partner in deze zwijgende dialoog. Dat zou vast en zeker moeilijk worden, vreesde ik: zwijgend diep in de ogen kijken van een vrouw die mij zwijgend diep in de ogen kijkt. Ik voelde de spanning en nam me voor te ontspannen als we elkaar zouden aankijken en observeren.

Ik ademde in en ademde uit. Wat een rust. Plotseling begon ze te praten. Over wat ze dacht en voelde. Ik schrok. Wat nu? Ik praatte automatisch terug en zei dat ik dit niet had verwacht omdat ik me helemaal had ingesteld op zwijgen. Dit was dus verandering, zei ik. Dit was dus waar de oefening over ging. Dat alles verandert, niets hetzelfde blijft, het in elke volgende seconde anders is dan voorheen. Niets blijft, alles verandert, dus ook je zintuigen, je waarneming, je geest, je hersencellen en je houding.

Het deed mij wankelen, mijn houvast was weg. Alsof een zenuwtje geraakt werd toen de vrouw tegenover mij toch iets zei of deed. Een chipje dat in werking werd gesteld, zonder dat ik het wilde, zonder dat ik het verwachtte. Het duurde even voordat ik de verandering had verwerkt. Iets anders, iets nieuws, dat vraagt een andere instelling en vraagt om een reactie. Zo voelde het. Wat wordt er nu (weer) van mij verwacht? Dat kost energie, reageren op verandering.

Ik heb gelezen en gemediteerd over vergankelijkheid, dat ‘alles’ vergankelijk is. Dat boeddhistische monniken door eindeloos mediteren stoïcijns kunnen worden – wetenschappelijk onderzoek heeft dat aangetoond. Dat je kunt leren je in te stellen op verandering.

Ik heb weleens naar een blad aan een boom gekeken en zag dan hoe mooi het was. Toen ik me even omdraaide voor iets anders, om vervolgens snel terug te keren naar het blad aan de boom, was het weg, gevallen of weggewaaid. Weg was al het moois, weg mijn houvast. Ik probeerde de eerste gewaarwording terug te roepen, maar ze was er niet meer. Er kwam plaats voor een andere gewaarwording. Iets nieuws, iets anders, wat minder mooi was, of even mooi, of nog mooier.

Tijdens het afsluitende kringgesprek in deze boeddhistische cursus Insight Dialogue zei ik iets over veranderende inzichten. Dat mensen mij graag vastpinnen op wat ik eerder heb gezegd of beweerd en geschreven, maar dat mijn inzichten voortschrijden en daarom kunnen veranderen: toen dacht ik én zei ik dát, nu ineens dít. En dat mensen mij dan vervolgens verwijten dat ik niet te peilen ben, een opportunist, een draaikont, een man waar je niet op kunt rekenen. Mensen willen graag dat ik ben wie ik was, wat ik dacht en schreef – en dat dat altijd zo zal blijven. ‘Zo kun je nooit zaken doen’, riep een vrouw hard. ‘Dan ben je onbetrouwbaar.’ O?

Ik voelde mijn hart sneller kloppen en de neiging mijn vuisten te ballen. Tintelingen in mijn lichaam, die er daarnet nog niet waren. Koude handen waren nu warm. Ik veranderde van houding. Ontspanning was overgegaan in spanning – ik was veranderd. Van het ene op het andere moment, alleen al doordat iets mij had geprikkeld. Was ik nog mezelf? Wie was ik dan? Wie ben ik nu? Ben ik anders dan voorheen? Is er iets veranderd?

Verward stapte ik na de sessie naar buiten. Het was donker. Toen ik aankwam was het nog licht. De straten zagen er nu anders uit, de bomen ook, maar mijn auto stond op de plek waar ik hem geparkeerd had. Gelukkig maar, dat niet alles verandert. Maar toch, morgen is het waarschijnlijk anders dan vandaag. Ook met mij. Laat ik daar maar op rekenen. Of laat ik het gebeuren? We zien wel.  

Guus van Holland is vriend van de Shambhala-sangha Leiden

Deze column is gepubliceerd op de website van Vrienden van Boeddhisme

Het begint pas bij verveling

12 Sep

Ik was er maar weer eens voor gaan zitten. Mijn hoofd was weer vol en ik wilde zo graag dat hij leeg werd. Weg met die muizenissen, weg met die problemen, weg met die plannen, weg met iedereen die me in de weg zit. Ik wilde leegte, volslagen leegte. Niks meer.

Daar zat ik dan, op mijn kussen. Ik hield me aan de instructies: laat de gedachten komen en laat ze weer gaan, voel de adem uit je neus komen en over je bovenlip stromen. Ik wilde loslaten, alles loslaten. In mijn hoofd echode een mantra: laat gaan. Maar ik liet niets los. Ik hield me vast aan de instructies. Als ik het niet zó doe komt het niet goed, dacht ik. Het moet goed komen, het moet leeg worden.

Ik wilde al weer weg van het kussen. Ik vocht, ik haalde me dingen in mijn hoofd die me ver van de vurig verlangde leegte houden. Weg, jij die mijn hoofd binnendringt. Weg, opschieten.

Ach nee, ik doe het verkeerd. Ik laat het niet begaan, ik laat niet los. Wat nu? Ik wilde leeg worden. Ik had een doel: leeg worden. Ik had me niet voor niets tot boeddhisme gewend, ook om er te leren mediteren. Om zacht en vriendelijk in mijn hoofd te worden, om het daar stil te laten zijn.

Tekening Jacques de Jong

Tekening Jacques de Jong


Zo gaat het elke keer als ik op mijn kussen zit. Misschien moet ik mijn meditatie-instructeur vragen hoe het moet. Ik moet het weten, ik wil een houvast. Zonder houvast geen succes. Zonder houvast geen leven.

Dan lees ik, op zoek naar houvast ‘De mythe van vrijheid en het Pad van Meditatie’ van Shambhala-leermeester Chögyam Trungpa. De oplossing moet toch ergens te vinden zijn? Zonder oplossing bereik ik mijn doel niet.

Ik vind het hoofdstuk ‘Verveling’. Trungpa schrijft daar dat ‘het’ pas echt begint als we verveling bij mediteren gaan voelen, échte verveling. Over het misverstand verplaatst hij zich (onbedoeld?) in mij, de man met verwachtingen: ‘Ik had gedacht dat boeddhisme en meditatie iets zouden opleveren, dat ik verschillende niveaus van verwerking zou bereiken. Maar niets van dat alles. Ik verveel me dood.’

Verveling is essentieel, schrijft hij, omdat verveling tegen houvast, tegen referentiepunten ingaat. ‘Referentiepunten zijn onderhoudend, komen altijd met iets nieuws, iets levendigs, iets fantastisch en allerlei oplossingen op de proppen. Als we het idee van referentiepunten wegnemen, is er verveling.’

Gewoon zitten en mediteren dus. Zo ben ik maar weer begonnen. En daar zat ik, stiekem met een hoofd vol verwachtingen. Ik liet gedachten komen en gaan. Ik voelde dat lucht uit mijn neusgaten kwam en mijn bovenlip streelde. Ik voelde tintelingen in mijn lijf. Ik liet het begaan. Ik geef toe, het was worstelen, dat loslaten.

Na een poosje schrok ik. Ik zat tollend op mijn kussen. Mijn ogen hadden zich gesloten. Ik dreigde voorover te vallen en kon mezelf nog net vasthouden – toch nog een houvast dus. Het moet even leeg zijn geweest in mijn hoofd, anders was ik niet bijna gevallen.

Leeg zijn, zou ik het nog eens durven laten gebeuren?

Guus van Holland is vriend van Shambhala Leiden

Deze column is gepubliceerd in de herfstuitgave van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Alleen met jezelf zijn, in stilte – hoe doe je dat?

14 Jun

‘Wees vriendelijk voor jezelf, voor je beste vriend, voor je vijand en vooral voor alle levende wezens in deze wereld.’ Daar zat ik dan op mijn kussen, op advies van de boeddhistische lerares/non liefdevolle vriendelijkheid overdenkend. Omringd door een twintigtal lotgenoten en gekweld door pijnlijke knieën, een aangespannen rug en een hoofd vol muizenissen. Moest dat nou? Die pijn, dat ongemak om vriendelijkheid in je hart te laten opkomen.

Ik probeerde mee te voelen met mijn lotgenoten. Hadden zij ook pijn, voelden zij zich ook ongemakkelijk? Niets. Het was doodstil, angstwekkend stil. Alle ogen waren gesloten, alle emoties onzichtbaar. Contact, elkaar visueel (laat staan verbaal en fysiek) aanraken, was uit den boze. Er was niemand om mijn vertwijfeling mee te delen.

Bijna vier dagen zwijgen, zittend, lopend, etend, slapend én toiletten schoonmakend. Nooit een groet of een blik van herkenning, nergens externe bevestiging van mijn bestaan. Temidden van lotgenoten alleen contact met mezelf. Met als dieptepunt tijdens een stiltewandeling in de avondschemering de ontmoeting met de lerares, mijn steun en toeverlaat in deze eenzame tijden, die niet de gewenste ontmoeting werd. Zonder op of om te kijken liep de reddende engel voorbij. Het was stil, ontmoedigend stil en eenzaam in het steeds donker wordende bos.

Voorafgaand aan elke meditatie zei mijn reddende engel ons te ontspannen. Niet je best doen, geen inspanning, niets moet. Als je op een stoel wilt zitten, in plaats van in lotushouding, doe je dat. Op een bankje, doe dat. Liggen, doe dat. Wees vriendelijk, spreek je hart toe, luister naar je hart en vraag om vriendelijkheid – voor jezelf en alle anderen.

De afsluitende séance, na bijna vier dagen, luchtte mij op. We mochten elkaar aankijken, ons gezicht tonen, onze ogen, oren en mond. We mochten aan elkaar onze stem laten horen, elkaar onze ogen laten zien. Vrouwen hadden zich opgemaakt, hun haren gekamd, toonden hun favoriete kleding. Smaak werd niet langer verborgen.

Dankbaarheid was het sleutelwoord, hoorde ik in devotie zeggen. Hoezo dankbaar? Obstinaat en oprecht gaf ik ruim baan aan mijn gekwelde ervaringen van de afgelopen dagen, mijn gekwetste ego. Ik had me alleen gevoeld. Niemand die naar me om had gekeken, zelfs mijn reddende engel niet. Hoezo vriendelijkheid? Ik voelde me in de steek gelaten, alleen.

Tekening Jacques de Jong

Tekening Jacques de Jong

Ik had een probleem.

Leven zonder anderen, zonder mensen om je heen. Leven zonder contact, zonder iets te kunnen delen. Dat is geen leven.

Vereenzaming groeit, zo hoor en lees ik én merk ik op. Ouderen trekken zich na hun pensioen, een scheiding of de dood van hun partner terug in hun cocon. Buren weten vaak niet dat ze buren hebben – of het zijn die lawaaiige mensen van hiernaast met hun boren, zagen, grasmaaiers en stinkende barbecues. Jongeren leven in zichzelf gekeerd, samen met hun laptop, iPhone of iPad – de koptelefoon om je af te sluiten van de (lastige) buitenwereld. De televisie is onze beste vriend, wat er ook op wordt vertoond.

Toch is er behoefte aan socialisering, zo wordt beweerd, aan contact en vriendelijker zijn voor elkaar. Dat denderde door mijn hoofd. Ik voelde spanning in mij groeien, in mijn hoofd, in mijn armen en benen, in mijn buik en borst, in en rond mijn hart. Spanning die ik niet kon verdrijven. Wat is dat toch? Nooit gevoeld. Wanhoop. Waar moest ik heen?

Misschien moest ik wel die confrontatie ondergaan? Leren alleen te zijn temidden van anderen. Leren zonder contact zwijgend zitten en zwijgend wandelen, met al die mensen om me heen. Zwijgend (er gewoon) zijn. De lerares probeerde me nog na de eerste wanhopige dag tijdens een korte privésessie gerust te stellen: ‘Je bent er echt wel, ik zie je zitten. Wees vriendelijk voor jezelf, je mag er zijn.’

leer-ons-stil-te-zitten-tim-parks-boek-cover-9789041711687

Nu pas, vijf jaar na lezing van het boek ‘Leer ons stil te zitten’ van de Britse schrijver Tim Parks, drong dan echt de essentie van zijn opgeschreven ervaringen door.

Een citaat: ‘Ochtendgedachten borrelen als luchtbellen omhoog. Ik concentreer me op de adem in mijn neusgaten, op mijn lippen. Alleen door je voortdurend bewust te zijn van je lichaam kun je bruisende gedachten tot rust brengen. Ik maak me niet ongerust als het niet gaat. Het doel is stilte, maar ik verlang er niet naar….. Er is niets mystieks aan. Veel mensen die voor het eerst op Vipassanaretraîte gaan verlangen naar drama, naar een confrontatie met hun demonen, naar onderwerping aan een goeroe. We willen allemaal een nieuw hoofdstuk toevoegen aan het verhaal van ons ik, aan ons eindeloze doorzeuren over hoe we met de wereld omgaan. Daarom gaan zoveel mensen naar India, vermoed ik, om alleen met de ogen dicht op een kussen te zitten. Ze hopen dat de exotische locatie, de gewaden en de vreemde taal intensiteit toevoegen aan het verhaal.’

En: ‘…… zodra woorden en gedachten uit het hoofd verbannen zijn, verzwakt ook het ik. Er is geen verhaal meer dat het ik voedt. Wanneer de woorden verdwenen zijn, maakt het niet meer uit waar je bent. Of het morgen of avond is, of je jong of oud bent, man of vrouw, arm of rijk – dat is in de stilte, in het donker, in de kalmte, niet belangrijk. Net als geesten, engelen en goden blijkt ook het ik een idee te zijn dat we bedacht hebben, een verhaal dat we onszelf vertellen. Ik heb taal nodig om te overleven. Woorden scheppen betekenis, betekenis geeft een doel, een doel leidt tot een verhaal. Maar hier is even geen verhaal, geen retoriek, geen bedrog. Hier zijn stilte en aanvaarding; het genot van een ruimte die niet van betekenis doordrenkt hoeft te worden. Door je intens bewust te worden van het lichaam, de adem, het bloed, kun je ‘ik’ laten wegglippen.’

http://www.theguardian.com/lifeandstyle/2014/aug/30/meditation-mindfulness-tim-parks-more-than-medicine

En dat schrijft en ervoer Tim Parks, die ik nota bene voorheen alleen kende van zijn voetbalbelevenissen in ‘Een seizoen met Hellas Verona.’

Foto: Alex Macnaughton/Rex

Foto: Alex Macnaughton/Rex

Verder met mijn verhaal: alleen kunnen zijn dus. Misschien is dat wat mensen kwelt, bang alleen te zijn, bang in de steek gelaten te worden. Misschien kun je best alleen zijn (los van ziek en gehandicapt zijn), in stilte met jezelf, maar ben je het niet gewend. Sinds je geboorte weet je nauwelijks wat het is alleen te zijn. Een heel leven mensen om je heen werkt verslavend. Bij mij wel, zo is gebleken.

En nu verder, met Inside Dialogue.

Deze column is in verkorte vorm gepubliceerd in de zomereditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Alleen in stilte op zoek naar contact en herkenning

28 Apr

Twee hele lange dagen, twee lange halve dagen en drie hele korte nachten in stilte doorbrengen met 25 andere mensen, afwisselend een uur zittend op een kussen, met gesloten ogen, en een uur lopend in een bos, met geopende zintuigen. En dat minimaal vijf keer op een dag. In stilte samen zijn, in stilte samen eten, in stilte samen luisteren naar de leraar, zuster Virañani. De Amerikaans-Hawaiiaanse werd een boeddhistische non in de theravadatraditie na een jarenlang verblijf in het Birmeese meditatiecentrum Chanmyaymyaing van Sayadaw U Indaka .

Samen in oneindige stilte, samen verzachten en vriendelijk zijn. En dan aan het einde van de dag, een halfuur voor het slapen gaan, samen chanten in pali, de oorspronkelijke taal van het boeddhisme.

Zo beleefde ik mijn eerste sangha metta, voortdurend zinnen in mijn hoofd oproepend die symbool staan voor liefdevolle vriendelijkheid. Naar jezelf, naar een kennis, naar een vriend, naar een vijand (of iemand waar je moeite mee hebt), naar ieder levend wezen op deze aarde. May I be well, happy and peaceful. May you be well, happy and peaceful (moge je gelukkig zijn, gezond en vredig zijn – of welke formulering ook). Steeds maar weer, niet als een mantra, maande Virañani. Maar recht uit het centrum van je hart. Voel het maar, je hart, hoe je hart voelt, de liefde, en straal dat gevoel uit, als een geschenk.

Ik voelde mijn hart niet, althans niet die liefde die erin huist. In gedachten liet ik de zin voorbijgaan, een paar keer, dan weer een hele tijd niet, dan weer wel, even terug naar de ‘opdracht’. Na een uur, waarin de pijn in mijn rug steeds heftiger werd en ik – wat gewend aan het ongemak – af en toe was weggevallen, hoorde ik een zacht geluid, dat van een cimbaaltje dat door de leraar heel licht werd getoucheerd. En nog twee keer. En, vroeg ze, voortdurend de zin herhaald? Of maar twee of drie keer, tussen onophoudelijk terugkerende gedachtestromen? Nou, dat laatste. Geeft niet, alles is goed. Make yourself comfortable, please. It’s okay. Everybody makes mistakes. Nobody is perfect. Relax.

Zuster Virañani

Zuster Virañani

,,Ontspan asjeblieft het is geen begrafenis”, probeerde Viranani te bemoedigen. ,,De beoefening hoeft geen serieuze bezigheid te zijn.” Niet je heel erg best doen, zoals Westerlingen gewend en geleerd zijn te doen, zei ze. Niet de pijn de baas blijven. Het gaat over verzachting. Liefdevolle vriendelijkheid, het tegengif van boosheid en afkeer. Probeer niet beter te zijn dan je bent, of beter dan een ander. Dat is strijd. Als het niet gaat, zoek een stoel om op te zitten of een bankje om op te liggen. Make yourself comfortable. Relax, relax, relax. Wees je zelf, altijd. Dat mag. En probeer de liefde die in je hart zit uit te dragen, als een geschenk. Ik deed mijn best…

Maar waarom eerst bij jezelf beginnen? ,,Wanneer het hart ontspant, komt de rest vanzelf. Anders dan in Azié”, legde Varañani uit, ,,vinden mensen in het Westen zichzelf vaak de meest lastige persoon om liefde aan te sturen. Ze zijn zelfkritisch en bang om egoïstisch te zijn.’ En juist daarom is het belangrijk om met jezelf te beginnen.”

Metta is een concentratieoefening, maar ook een cultiveren van vriendelijkheid, van goedheid. Het brengt vreugde in je hart en van daaruit wordt concentratie makkelijker. Ze ziet mettameditatie graag als achterdeur naar bevrijding vanwege het wegvallen van afkeer en de zelfloosheid, lees ik later in een interview met haar in het Boeddhistisch Dagblad.

De eerste dag was vreselijke, heftig en confronterend. Niets mogen zeggen, bleek (voor mij) een straf. De deur voor een ander openhouden, zonder iets te zeggen, zonder te knikken, zonder de ander in de ogen te kijken. Zonder, alleen maar doen en zwijgen. Zoals de regels (ethische code) waren. Mocht je iets kwijt willen, een vraag wilde stellen, dan kon dat door een briefje aan het witte bord te hangen. Mocht je een kamer met iemand delen, zwijg en blijf zwijgen. Communiceer door middel van een briefje. Geen contact met de buitenwereld, niet met thuis, niet met vrienden, partners of kinderen. Niet lezen, geen boek of tijdschrift, geen iPhone, alleen met jezelf zijn, zwijgen en de zinnen door je hoofd laten gaan. Alles in meditatie.

Geen alcohol, geen sigaretten. Geen gebruik van bedwelmende, verdovende of opwekkende middelen. Water, thee, koffie, melk. Vegetarisch eten, want het eten van vlees is je conformeren aan het doden van dieren.

Niet lonken, niet flirten, geen knipoog, geen welriekende aangename geuren zoals parfum of aftershave op, geen opvallende, uitdagende kleding. Sober, onopvallend aanwezig zijn. Alleen met jezelf zijn, in gedachten bij liefde schenken.

Zoals iedereen had ik een werkmeditatie toebedeeld gekregen. Ik moest ’s morgens de wc-blokken schoonmaken, van de dames en de heren. ,,Doe het met aandacht, doe het voor jezelf en voor anderen.” Waren er handschoenen? Ja. Gelukkig maar.

Buiten in het bos was het aangenaam. In stilte wandelen, vooral langzaam, meditatief. Andere wandelaars passeren zonder ze aan te kijken, zonder te knikken, zonder blik van herkenning te geven en te ontvangen. Tijdens een wandeling in de avondschemering doemde op mijn pad een spook op. Het droeg een pij. Het kwam dichterbij en passeerde me zonder mij op te merken, zonder groet, zwijgend. Het was zuster Virañani, met een muts op haar hoofd. Ik herkende haar. Zij mij ook? Ik hoopte wel.

Ik zag de bladeren aan de bomen, ik hoorde de vele vogels, ik ontdekte een poes op jacht naar een prooi, ik hoorde ganzen boven me vliegen, ik rook de bloemen, de bomen, het vochtige gras. Ik rook de natuur. En ik sprak in mezelf, met mijn rechterhand op mijn hart: May I be well, happy and peaceful. May you be well, happy and peaceful. Buiten het bos, dus buiten de sangha, passeerde ik twee wandelaars met een hond. Ik zei ‘goedenavond’. Ze zeiden iets terug, natuurlijk. Ik voelde me weer gezien, eindelijk.

Na de dhammatalk ’s avonds van zeven tot acht, een boeddhistische lezing door de leraar, over loving kindness (liefdevolle vriendelijkheid), weer een uur zitmeditatie. Dan ter afsluiting een gezamenlijk chant. Die ontroerde mij, want samen geluid uitbrengen en samen over liefde zingen of gewoon (verlegen) meeneuriën raakte mij. Voor mij zongen twee vrouwen mee, met gesloten ogen. Ze hadden geen tekst voor zich, ze kenden de tekst uit hun hoofd. Heel mooi.

En toen naar mijn kamer, in stilte. En om tien uur het licht uit. Duisternis en complete stilte. Proberen te slapen in vriendelijkheid. Totdat om vijf voor zes het belletje rinkelde als het teken dat we weer gaan mediteren. Te beginnen om half zeven, zonder ontbijt. Pas na een uur zitten was er ontbijt, zwijgend het eerste voedsel nemend. Zwijgend zelf je bord, bestek en kopje afwassen. Zwijgen.

Zo verging het ook de volgende dagen. Maar toch, de dagen verliepen ondanks hetzelfde schema niet hetzelfde. Elke beleving was anders. Niets was hetzelfde. De pijn was anders, de stilte was anders, de wandeling was anders, het weer was anders, de vogels waren anders. Alleen de deelnemers waren hetzelfde. Allen naar binnengekeerd, ogen gesloten, zwijgend, zonder contact te maken. Somber en strak. Bewegingsloos, zo zag ik als ik stiekem rondkeek of er nog iets gebeurde. Misschien was er nog contact te vinden. Wat niet mocht.

Ik was – om de ondraaglijke pijn in mijn rug te ontwijken – op een bankje gaan zitten. Comfortabel en ontspannen, voor zover dat mogelijk was. Plotseling kwam een vrouw naast me zitten. Ik schoof beleefd wat op. Ze fluisterde nauwelijks hoorbaar: ,,Okay, blijf maar zitten.” Oei, iemand zei iets. Ik raakte ontroerd en wilde uit dankbaarheid een hand op haar been leggen. Eindelijk een metgezel, eindelijk contact. Ik deed het niet. Ik mocht niet. De vrouw keek strak voor zich uit, sloot haar ogen en zweeg. Geen contact. Geen emotie te bekennen. Niets, versteend als een standbeeld.

En toch steeds weer die zin in je hart laten opkomen en uitdragen. Liefdevolle vriendelijkheid. Naar de vrouw naast je die je geen blik waardig keurde. Naar ieder levend wezen in deze wereld. Ook naar de man of vrouw met wie je niet kunt opschieten, die je soms haat. Omdat je hem of haar niet begrijpt. Naar een vijand. Geef liefde, geef. Wacht niet om een bedankje, geef gewoon.

Waarom ik het vol hield? Omdat het moest? Omdat het was afgesproken? Omdat ik mezelf wilde helpen? Mezelf wilde verlossen van vijandige gevoelens? Ik weet het niet. Ik deed het, in meditatie, met aandacht. Ik zat en wandelde. En ik bleef zitten en wandelen. Zwijgend, alleen in en met mezelf. Alleen. Eenzaam en toch niet alleen. Ik voelde alleen mezelf, ik keek in mezelf, ik voelde mezelf, vechtend, gespannen op zoek naar ontspanning.

Af en toe ontspande ik. Dan bleek ik even weg geweest, had ik geslapen of was ik eenvoudigweg de tijd en mijn aanwezigheid vergeten. Ik was vergeten dat ik iets moest. Ik voerde geen strijd meer. Ik wilde niet beter zijn, ook niet beter dan anderen. Ik had de spanning losgelaten. Ik was los geweest, los van energie. Ontspanning.

Virañani bemoedigde ons, gaf weer nieuwe instructies en zei alweer vooral ontspannen te zijn. ,,Doe wat je goed vindt, doe wat bij jou past, wees lief voor jezelf, wees jezelf: je mag er zijn, je bent er al. Niets hoeft, er is niets dat je nodig hebt om je beter te voelen. Dit is het, dit ben jij. Relax.”

BUN-Sangha-Metta5-xUitgeput kroop ik elke avond in bed. Totaal vermoeid. Maar de slaap kon ik niet vatten. Adrenaline? Al genoeg ontspanning en stilte gehad? Ik lag, dacht en luisterde naar de stilte. Het geluid van een bons-bons-muziekfestival drong vanuit de verte door tot in mijn sobere cel. Ik hoorde het eerst verstoord aan, hoezo stilteretraite? Maar ik merkte al gauw dat het niet meer dan geluid was.

Om vijf voor zes hoorde ik in de gang een belletje rinkelen. Tijd om op te staan, tijd voor een uur meditatie. Buiten tjilpten de vogels al. Ze streelden mijn oren. De lerares zat er al. Ze zei niets. Ze had haar ogen dicht. Niemand zei iets. Iedereen sloot zijn ogen. Het was stil, alleen maar stil.

Na de laatste ochtend van stilte en contactloze gemeenschap mochten we in een kring gaan zitten én praten. De uren van stilte waren voorbij. Ik zag mensen, ik zag hun ogen, hun emoties. De een sprak over zijn ervaringen, de ander over dankbaarheid, weer een ander vertelde over heroverde liefde, en een man zei dat hij eindelijk het gevoel had dat hij zichzelf kon zijn. Hij voelde zich eindelijk normaal. Want ieder mens is normaal. ,,Dank u dat ik normaal, mezelf, mag zijn.”

Ik keek op me heen en voelde eindelijk contact. Mensen keken naar mij. Ik keek naar die mensen, naar hun tranen, naar hun bewegingen, naar hun ogen. Ze leefden weer. Ik vertelde iets over mijn opluchting, dat ik eindelijk (weer) contact had. Ik was niet langer alleen, ik voelde me niet langer eenzaam.

Is dat het? Kan ik niet zonder mensen die contact maken? Niet zonder mensen die in verbinding staan met mij? Alleen is maar alleen. Alleen worstelend met liefdevolle vriendelijkheid voor mezelf en mijn ergste vijand. Ieder mens is toch alleen? Ieder mens is toch op zoek naar contact en herkenning? Naar bevestiging.

%d bloggers liken dit: