Tag Archives: Tour de France

Het laboratorium van de Tour

29 Jun

 

americas-top-cyclist-entering-the-tour-de-france-has-been-using-a-portable-brain-stimulator-to-try-to-gain-an-edge-and-he-says-it-actually-works

De Amerikaan Andrew Talansky traint met zijn Halo Neuroscience koptelefoon

De euforie is gedempt, het feestgedruis verstomd. De Ronde van Italië is al een maand voorbij. Tom Dumoulin is weer even onder de stervelingen, mogelijk – en voor velen hopelijk – op weg naar een nieuwe piekervaring. We kunnen ons als wielerliefhebbers opmaken voor een volgende spannende episode in de wielersport van 2017, de Tour de France. Welk drama wordt ons dit keer voorgeschoteld? Zonder Dumoulin, zonder Nederlandse favorieten.

We kennen ze wel, de favorieten: de Engelsman Chris Froome, de Australiër Richie Porte, de Colombianen Nairo Quintana, Esteban Chaves en Rigoberto Uran, de Italiaan Fabio Áru, de Spanjaard Alberto Contador, de Fransen Romain Bardet en Thibaut Pinot en meer. Maar kennen we hun fysieke en mentale conditie? Van hun talent zijn we doordrongen, maar wat kunnen ze meer dan een ander in de drie belangrijkste wielerweken van het jaar, in de Tour de France? Hoe je het ook wendt of keert het hoogtepunt van het wielerseizoen.

Wat voor krachten hebben ze de afgelopen maanden opgedaan, op verre hoogtestages, in windtunnels en laboratoria? Hebben ze nieuwe trainingsmethoden aangewend, hun voedselpatroon aangepast, hun gewicht bijgesteld, hun spieren versterkt, hun longinhoud vergroot, hun bloed verrijkt, hun fietsen in een nieuwe vorm gegoten, hun kleding beter gestroomlijnd (streepje of bobbeltje meer hier en daar), hun voedingssuppletie veranderd, andere gelletjes gekregen, een nieuw nog niet verboden (of te vinden) pepmiddel in hun lijf.

,,Het is oneerlijk verdeeld in de maatschappij”, verzuchtte Gerrie Knetemann, de wereldkampioen van 1978, eens in een interview terwijl hij naar het nachtkastje keek waar naast filosofisch getint leesvoer ook sprookjesboeken lagen. Hij had die dag de longen uit zijn lijf geperst, zag na de massage nog dikke aderen over zijn benen lopen en herinnerde zich een lotgenoot die vele minuten eerder over de eindstreep was gekomen en er nog fris en vrolijk uitzag. ,,Wat moet ik nou beginnen tegen die anderen die veel sneller een berg oprijden? Ik heb daar de benen niet voor, niet de longen en misschien wel niet het hart. Ieder zijn eigen talent. Ik de mijne. Nou, het is harken, hoor, als je minder talent hebt. Links en rechts een slimmigheidje, een beetje bluffen en je redt het weleens. Maar het is niet eerlijk. Het zou leuker zijn als iedereen gelijk was, gelijke kansen had. Maar ja, zo heeft God het niet gewild en de directeur van de Tour de France zeker niet.”

Topsport is een ongelijke strijd, de ene strijder is beter toegerust, ouder, jonger, wijzer, sterker, genetisch bevoorrecht of beschikt over een grotere ‘motor’ – laat staan een snellere fiets. En toch wordt het aanwenden van medische suppletie verboden genoemd en niet het gebruik van andere middelen zoals beter materiaal (ovale tandwielen), technologie (wattage- en hartslagmeters, gps, transponders), elektronica en mentaal versterkende methoden (een slimmere ploegleider, sportpsychologie, antidepressiva, pijnstillers, opwekkende kruiden/olie, acupunctuur).

Als Max Verstappen in een betere auto (een ander merk) stapt, reageert niemand kritisch. Het volk zal bij winst juichen en hem huldigen als een van de beste Nederlandse sportmannen (atleten) aller tijden.

Als Tom Dumoulin in het heetst van de strijd moet poepen, wordt dat niet alleen onprofessioneel maar zowaar menselijk genoemd. Wanneer een renner tijdens of na de koers moet braken, wordt dat als een gebrek aan goede voeding beschouwd. Wanneer de een de ander kan bijhouden, wordt dat de menselijke maat genoemd. Wie sterker is dan een ander wordt al gauw argwanend gevolgd – zeker als het onverwacht is. Wat heeft die nu weer in zijn lijf gespoten? Zeker als het een buitenlander is. Dat is toch niet ‘normaal’.

Van immer alerte wielerjournalisten wordt verwacht dat ze met een kritische blik vooral de buitenlandse concurrentie volgen. Wat van buiten komt roept argwaan op. Gebruik van verboden middelen en methoden dient aangetoond te worden, is doorgaans de algemene opinie. Wat niet mag, dat mag niet. Het volkstribunaal zal oordelen wat menselijk is en wat niet. De journalist zal er (misschien wel tegen zijn zin) naar moeten luisteren – of weigert en volgt zijn eigen weg.

Nieuwsgierig kijk ik uit naar de komende Tour de France. Laat daar geen misverstand over bestaan. Ik volgde zelf als journalist zestien keer de Tour en heb zowel verwachte als onverwachte ontwikkelingen (rampzalige valpartijen, plotselinge soms onverklaarbare ziektes, dopingdrama’s en even onvoorspelbare als ondoorgrondelijke combines) meegemaakt. Vandaar dat de kans op mijn verbazing klein is. Hoezeer ik ook naar opwinding verlang. Ongelijke strijd wekt mijn nieuwsgierigheid. Je weet nooit wat mensen doen (de mens is even kwetsbaar als veranderlijk, van de ene seconde op de andere), zeker als de klimatologische omstandigheden onvoorzien zijn en de wegen naar de finish bezaaid zijn met onvoorziene steenslag en andere obstakels die niet door de wetenschap berekend kunnen worden.

Hoe zal bijvoorbeeld de Amerikaan Andrew Talansky zich houden in de afmattende wedstrijd van drie weken? De renner van de ploeg Cannondale-Drapac werd al eens tiende en elfde in de Tour de France, vijfde in de Ronde van Spanje en won in 2014 de Dauphiné Libéré. Hij geldt als kandidaat voor een plaats bij de eerste tien. Zeker nu hij zich gesteund weet door een nieuw (niet verboden) middel: een draagbare hersenstimulator. Talansky maakt in navolging van spelers uit het American Football, het Amerikaanse honkbal, Amerikaanse mariniers en enkele Amerikaanse olympiërs, sinds december vorig jaar gebruik van Halo Neuroscience, neurowetenschappelijke technologie. Hij traint via een Halo Sport app op zijn smartphone met een koptelefoon, luistert intussen naar muziek en voelt door lichte sensaties in zijn hoofd dat zijn hersens (elektrische) prikkels naar zijn spieren sturen. Na de sessie gloeit zijn hoofd nog even door. Vaak gebruikt hij ‘het middel’ ongeveer twintig minuten (gemiddeld 3 à 4 keer per week) en traint hij met de nagloeiende effecten een uur door. Volgens Talansky maakt hij inderdaad vorderingen en voelt hij zich sterker geworden. De 28-jarige Amerikaan hoopt dat met name tijdens de komende tijdritten in de Tour aan te tonen.

europlasticity, zo wordt de methode genoemd. De hersenen (de mindset) zijn elastisch en kunnen veranderd worden door oefening. Zo weet ik bijvoorbeeld dankzij mijn eigen ervaringen met allerhande vormen van psychotherapie en ‘alternatieve’ geneeswijzen. Of lees een eerdere bijdrage op mijn weblog:  ‘Muhammad Ali en de kracht van de grote mond’ https://guusvanholland.com/2016/06/10/muhammad-ali-en-de-kracht-van-de-grote-mond/ (de kracht van intentie, noemt wetenschapsjournaliste Lynn McTaggart de in Canada en de Verenigde Staten beproefde methode EMG – electromiografie).

Ook Talansky’s Franse ploeggenoot Pierre Rolland maakt er gebruik van. Of het allemaal tot het gewenste resultaat leidt, is nog maar de vraag. Duidelijk is dat de wetenschap nog veel in petto heeft om topsporters te ondersteunen. Veel van wat al wordt aangewend, is nog geheim – niet alleen van medische stimulantia. Wielrenners (en hun wetenschappelijke begeleiders) zullen niet nalaten zo snel mogelijk te zoeken naar nieuwe wegen om beter te kunnen presteren. Als het niet door middel van een pilletje of een gelletje is, een injectie of een infuus, een hoogtestage of een bloedzak, een electrode hier en een electrode daar, dan wel door nieuw materiaal en nieuwe technologie.

De vraag is wat voor mens straks de Tour de France wint. De wielrenner met aan perfectie grenzende menselijke eigenschappen, de meeste aanleg (een natuurtalent?) of de wielrenner met de meest geavanceerde materialen en technologische hulpmiddelen. De tijden dat wielrenners op pure menselijke kracht (soms versterkt door een hallucinerende pil of toverdrank) onmenselijke verzetten trapten, hun lekke bandjes zelf plakten, defecten aan hun ijzeren fiets zelf repareerden, zelf hun voeding samenstelden, zonder helm reden, een wollen trui droege en als menselijk wrak de eindstreep bereikten, zijn al een eeuwigheid voorbij. Op weg naar oneindige roem, glorie en gele trui is Tourrenners niets te gek. Dromen van een Tourzege stopt nooit.

Dit artikel is gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

Passie pensioneert nooit

21 Okt

Interview met mij op de website Passie pensioneert nooit

Wat is mijn grootste passie?

Ik schrijf graag over wat mijn hart me vertelt. Ik golf omdat ik plezier beleef aan speelse uitdagingen. Ik doe aan hardlopen (van tien kilometer tot halve marathons) en racefietsen om mijn lichaam te testen. En ik mediteer veel, vrijwel dagelijks twintig minuten, omdat ik me daar comfortabel bij voel en het mij verrijkt.

Wat is mijn idee van ultiem geluk?
Het ultieme geluk heb ik nooit ervaren. Wel momenten van euforie als ik liefde en vriendelijkheid ervoer óf (in triviale zin) als ik had ‘gescoord’. Maar het blijven momenten waarnaar ik zo min mogelijk probeer te streven: het is zoals het is, soms dient zich geluk aan, vaak niet. Let it be.

Wat is mijn grootste angst?
Niet meer (h)erkend te worden als mens, vergeten en overgeslagen te worden, en dat ik anderen niet meer (her)ken. En als ik niets meer kan delen met anderen.

Waar houd ik het meest van in mijn werk?
Ik ben 68 jaar en sinds vijf jaar gepensioneerd, dus heb ik geen werk meer. Ik schrijf vooral omdat ik het graag doe en omdat ik er waardering voor krijg. Toch overkomt mij soms het gevoel dat ik weer werk, als ik iets doe (schrijf) wat een ander van mij verlangt: ‘Want je kunt het zo goed!’ Een valkuil.

Wat is mijn minst aantrekkelijke eigenschap?
Ongeduld, plotselinge (niet meteen verklaarbare) woede, te veel aandacht vragen en te veel (willen) praten, vertellen en schrijven. Vroeger was dat over anderen oordelen, liefst veroordelen. Moraliseren ook. Dat probeer ik af te leren, sinds ik mij bezighoud met boeddhisme en mediteer: wees vriendelijk voor jezelf als ook voor alle andere levende wezens; moge alle levende wezens gelukkig zijn en vrij zijn van lijden – net als ik.

Wat is mijn grootste valkuil?
Spontaan en gretig te veel ‘werk’ aannemen, anderen plezieren en mijn mogelijkheden overschatten. En dan écht depressief te worden, omdat ik ‘het allemaal’ niet aan kan.

Wanneer zou ik liegen?
Als ik bang ben anderen te kwetsen.

Welk rolmodel heeft de grootste invloed op mij gehad? 
Jim Morrison vroeger, en Neil Young. Later Leonard Cohen, vooral zijn door boeddhisme (hij vertoefde enige tijd in een klooster) geïnspireerde teksten. En zeker mijn boeddhistische leraar Sakyong Mipham en (via zijn boeken en geschriften) zijn overleden vader Chögyam Trungpa, beiden van de (Tibetaans) boeddhistische traditie Shambhala – een sociale zienswijze en beleving met boeddhistische uitgangspunten.

Waar houd ik het minst van in mijn werk?
Doen wat een ander (de baas, opdrachtgever) van me verlangt/eist.

Waar en wanneer was ik het meest gelukkig met mijn werk?
Bij grote internationale sportevenementen, zoals de Tour de France en wanneer ik met grote sportmensen sprak zoals basketballer Michael Jordan, basketbalcoach Phil Jackson, de wielrenners Bernard Hinault, Greg LeMond, Francesco Moser en Jan Raas, skiër Alberto Tomba, kunstrijdster Katarina Witt en de voetballers Sir Stanley Matthews, Gianni Rivera, Eusebio en Alfredo Di Stéfano. Schrijven over wat ik erbij voelde, als dat mocht. Naarmate mijn leeftijd vorderde voelde ik mij gelukkiger worden zodra ik eigenzinnig durfde te schrijven over mijn passie en mijn compassie met anderen. Langzaam maar zeker vond ik de stijl die mij past. Toen kreeg ik ook steeds meer waardering, zonder dat het mijn bedoeling was. Het kwam (en komt) steeds meer uit mijn hart, mijn eigen gevoel.

Wat zegt de uitspraak ‘Passie Pensioneert Nooit’ mij?
Dat je altijd naar je hart (je gevoel dus) moet blijven luisteren, wat anderen ook zeggen en hoe anderen er ook over oordelen. Passie is het mooiste wat er is. Als je  je lichaam voelt tintelen, van je voeten tot je kruin, dan leeft er iets, dan leef ik. Het wordt een probleem zodra je hart zwijgt of wordt geblokkeerd.

Wat zou ik aan mezelf willen veranderen?
Meer genieten van het moment, meer geduld, minder aandacht vragen, minder in een slachtofferrol kruipen, me minder door anderen (hun gedrag, houding en oordeel) laten leiden. Dit ben ik, ik voel wat ik voel, wat jij voelt is jouw gevoel. Leven en laten leven. Zo zou ik het liefst willen leven. Maar vooral wil ik vriendelijk zijn voor mezelf: kwetsbaar, ongeduldig, slachtoffer, boos, verdrietig, depressief – het mag allemaal.

Welk beroep zou ik hebben in een volgend leven?
Monnik (voor zover dat een beroep is) of onderzoeker.

Wat is mijn grootste professionele prestatie?
Zestien keer de Tour de France verslaan als verslaggever met (in vergelijking met nu) zeer beperkte communicatiemogelijkheden en veel logistieke problemen. Ik heb zeker meer prestaties geleverd. Wereldkampioenschappen voetbal, wielrennen, judo, ijshockey, skiën. Een stuk of tien Champions League-finales. Vier Olympische Winterspelen. Twee keer The Masters in Augusta, twee keer de Ryder Cup. Interviews met Michael Jordan in Chicago en andere internationale fenomenen als Franz Beckenbauer, Vinnie Jones, Stanley Matthews, Roberto Baggio, Vladislav Tretjak, Alberto Tomba, Sepp Blatter, Jacques Rogge, Prins De Mérode, Prins Albert; reportages in mijn favoriete land Italië. In de Verenigde Staten over de Amerikaanse sportcultuur. In bijna alle landen van de wereld en vooral reportages in Liverpool met nabestaanden van stadionrampen en hun hulpverleners.

 

vakantie-lucertola-2013-019

Lucertola in Le Marche

Wat is de plek waar ik de beste ideeën krijg, in mijn stad?
Thuis, op de bank, boeken lezend én als ik mediteer thuis op mijn kussen of in het boeddhistisch centrum. Dan wel in mijn huisje op de Veluwe, of daarbuiten, alleen met mezelf in de natuur. Ik houd niet van de stad. Ik ben een plattelandsjongen. Ik bivakkeer het liefst in de reuk van de natuur, met geluiden van dieren, van koeien tot kippen en vogels met rondom rustige, vriendelijke mensen die je nog groeten. Daar durf ik mijn hart het meest te openen. Ver van de drukte, van opdringerige, gejaagde en gestreste mensen, ver van schreeuwerds en mensen met een grote mond, ver van cynisme, ver van de massa, zoals ik die jarenlang in volle, mijn gemoedsrust bedreigende stadions heb geduld. Jarenlang was ik gefascineerd door het immense geluid in bomvolle stadions, ik raakte er door bedwelmd en schreef verdoofd door het lawaai dat mensen maakten rondom voetbalwedstrijden, totdat ik besefte dat ik diep van binnen gewoon bang was in en rond zo’n kolkend stadion. Ik hoop nooit meer een vol stadion te betreden en mij in grote massa’s te begeven. Mijn stad bestaat niet, alleen mijn dorp en mijn buitenhuisje in de natuur. Daar krijg ik de beste ideeën, daar ben ik op mijn gemak.

 

Wat is mijn favoriete plek om te eten en te drinken, in mijn stad?
Heb ik niet, liefst drink en eet ik thuis. Een favoriet restaurant heb ik niet, alleen in restaurants in Italië met Italianen en mijn gezin.

Wie is mijn grootste fan/sponsor/partner in crime?
Mijn vrouw Maddy, die mij aanzet iets te doen wat ik nog niet heb aangedurfd (bijvoorbeeld over iets en iemand schrijven) en die mij ook aan de grond houdt als ik eufoor dreig te worden. Daarnaast vind ik het heel waardevol als mijn pleegzoon Robin mij complimenteert: ‘Goed gedaan, pa.’ Dan ervaar ik een groot moment van geluk. Heerlijk om me even in te wentelen.

Met wie zou ik in de toekomst graag willen werken?
Met mijn boeddhistische leraar Sakyong Mipham, als inspiratiebron.

Naar welk project, in de nabije toekomst, kijk ik uit?
Een boek schrijven over mijn zoektocht naar de zin van leven, mijn manier van beleven en overleven én welke talrijke inspiratiebronnen ik daarvoor heb geraadpleegd en nog steeds raadpleeg. Van lsd en andere hallucinerende en opwekkende middelen via sportbeoefening, -beleving, -studie en -beschrijving, alle vormen van psychotherapie en spirituele ervaringen tot boeddhistische cursussen en trainingen. Met de slotzin: ik ben dan toch uiteindelijk onwetend. Omdat niet-weten waarschijnlijk toch de essentie van mijn bestaan is.

Welk rolmodel zou ik graag willen ontmoeten en spreken?
Basketbalcoach en in mijn beleving meest erudiete en dus beste sportcoach aller tijden, Phil Jackson, zen-boeddhist, overlever en geduldige leermeester van sportmensen met een super-ego zoals Michael Jordan, Shaquille O’Neal, Dennis Rodman en Kobe Bryant.

Ga ik pensioneren van dit werk en leven waar ik van houd? 
Who knows where the time goes.

Olympisch goud en de schijn van heiligheid

9 Aug

Terwijl ze daar levenloos in de goot lag, haar lichaam over een betonnen rand gevouwen, sprong ik op vanuit mijn comfortabele positie en riep: ‘Help haar! Wie helpt haar?’ Mijn huisgenoten slaakten kreten van schrik en ontzetting. De Belgische televisie-commentatoren schreeuwden iets van gelijke orde. Ontzetting alom. Maar wat nu?

De wedstrijd ging door. Natuurlijk ging de race door. Wie haalt het nu in zijn hoofd om een olympische race, de alles verdringende jacht op goud, stop te zetten? The games must go on. De achtervolgers schoten voorbij, vanuit hun ooghoeken hebben ze haar zeker zien liggen. De latere winnares herinnerde zich nog haar aarzeling. Daar lag haar vriendin. Dood? Wat nu? Doorgaan? Een andere achtervolger sprak haar moed in: ‘We rijden door, we doen het voor haar.’ Motoren en auto’s met mannen en vrouwen die plichtsgetrouw hun werk bleven doen, schoten eveneens in blinde vaart voorbij. Er lag iemand levenloos, mogelijk zelfs op sterven. Niemand stopte.

Totale eenzaamheid. Is dat de samenleving van nu?

De man op de motor die schuin achter haar reed, voerde een cameraman mee. Door deze mannen zag ik wat er gebeurde. Zagen zij het ook? Op een amateurfilmpje zag ik later dat de motor tweehonderd meter verder even aarzelde (de remlichten gloeiden), maar uiteindelijk toch doorreed, door de volgende bocht. Iedereen reed door. De amateurfilmer hoorde ik ‘oei’ roepen, terwijl hij opgewonden doorfilmde. Waarom eigenlijk? Ik hoorde het lawaai van een helikopter en van een blaffende hond. Honden ruiken instinctief onraad. Na ruim twee minuten kwam een man aanrennen die even verder zowaar van zijn motor was gestapt. Vervolgens kwamen de eerste hulpverleners in actie. De race ging door. De ploeggenote van de ongelukkige vrouw in de goot in het donkere bos won, het goud was voor haar. Het was haar gegund. Zou God dan toch bestaan?

Er circuleert op internet een filmpje waarop verstandelijk gehandicapte kinderen een hardloopwedstrijd houden. Halverwege de race valt een van de kinderen. De anderen reageren geschokt, draaien zich om, helpen de ongelukkige deelnemer op en hollen vervolgens de handen ineengeslagen samen over de finish. Samen juichend. De ouders op de tribune juichen en huilen. Zo mooi kan verbroedering zijn.

In een ver verleden heeft mogelijk een ethische olympische code bestaan die van deelnemers aan sportwedstrijden vooral medemenselijkheid vroeg. Geen onmenselijke competitie. Zoiets als: er is meer dan goud, er is meer in het leven dan winnen van een ander, verliezers verdienen ook aandacht. Of: samen sporten is het leukst. Deelnemen is belangrijker dan winnen!

Goed dat er weer Olympische Spelen zijn, vooral dat ze maximale aandacht krijgen. Dan kunnen we weer aanschouwen hoe hard topsport is, onmenselijk vooral. Dan worden we geconfronteerd met die geobsedeerde jacht op medailles en titels. Achter de eindstreep ligt ogenschijnlijk het paradijs, daar wacht het eeuwige geluk – voor wie zich het goud opeist wel te verstaan. Een Nederlandse televisie-commentator schijnt na het zien van de gruwelijke val in zijn verwarring gezegd te hebben: ‘Oh, oh, daar gaat olympisch goud.’ Tja, sport doet rare dingen met mensen.

Bijna veertig jaar geleden stond ik als debutant met een tiental verslaggevers aan de finish van een etappe in de Tour de France te wachten op een ver achtergebleven Nederlandse renner. Toen hij eindelijk over de eindstreep kwam gekronkeld en door een verzorger en zijn ploegleider was opgevangen, viel hij neer tegen een caravan van de medische dienst. Als aasgieren doken mijn collega’s op de uitgeputte, doodzieke, kotsende renner, terwijl een verzorger alles in het werk stelde om de renner te helpen. Amechtig en ongeduldig werden vragen afgevuurd op de jonge renner die verdoofd uit zijn ogen keek. Observaties en onbestemde geluiden werden op bloknoten beschreven. Camera’s klikten onophoudelijk, genadeloos. Beroepsdeformatie alom. Ik draaide me om, liep weg en riep: ‘Laat die jongen godverdomme me rust.’ Ik hoorde nog: ‘Dit is je beroep, Guus. Of kies een ander beroep.’

Ik bleef mijn beroep nog tientallen jaren uitoefenen. Ik zag winnaars en verliezers, juichende mensen huilen, wielrenners in een diep ravijn liggen en sporters naar hun gebroken been en gewonde hoofd grijpen. Ik bezocht ontredderde topsporters in ziekenhuizen en andere klinieken, of na hun carrière, ontheemd en verlangend naar de tijd dat goud en glorie nog voor het grijpen lag. Topsport is hard, meedogenloos, begreep ik. Topsport verhardt mensen, steeds meer, zo heb ik ervaren.

Nog een voorbeeld. Eens stond ik op een Pyreneeëntop met twee collega’s weer te wachten op een achtergebleven Nederlandse wielrenner. We hadden hem beneden in de berm zien zitten, met zijn broek omlaag, hij was ziek en aan de diarree. Toen hij boven kwam, plantte hij huilend zijn met poep besmeurde fiets tegen onze auto. Hij sloeg vloekend en tierend met zijn vuisten om zich heen en schopte tegen onze auto. De collega’s maakten aantekeningen en foto’s, en vroegen hoe het met hem ging. Ik keek stil en beschaamd toe en zei toen: ‘Stop ermee, jongen, je bent doodziek. Doorgaan heeft geen zin meer.’ Hij staakte de strijd en stapte huilend in een ambulance. Hij had verloren.

Laatst in deze verdwazende sportzomer vol niet te stuiten babbelaars op televisie en radio, hoorde ik oud-wielrenner Karsten Kroon zijn ervaringen delen. Hij had vele botbreuken en andere fysieke en psychische ellende overleefd. Wat hem nog het meest uit evenwicht had gebracht, was de confrontatie met zichzelf nadat hij gestopt was met topsport. Hij was in een zwart gat gevallen. Hij wist niet meer wie hij was en hoe hij zich moest gedragen – zeg maar op de been moest blijven. Zijn vrouw verliet hem, een relatie was onmogelijk geworden. Hij had maar één focus gehad: wielrennen, verder geen gezeur. Wielrenners zijn stoer, ze staan op na een zware val, likken hun wonden en gaan door alsof ze geen pijn hebben. Ze hebben hun gevoel uitgeschakeld, merkte Kroon op. Wielrenners huilen niet. Collega’s als Michael Boogerd noemden hem destijds een huilebalk, omdat hij toch af en toe zijn emoties toonde. Nu kan Kroon weer echt huilen. Hij laat zijn emoties komen en gaan. Hij voelt zich weer mens.

Staan we op de brug naar ontmenselijking in de sport? Dat sporters pijn hebben, huilen van geluk of ontzetting, geeft aan dat ze nog mensen zijn en kunnen voelen. Nog wel. Maar nog even en de aanjagers van topsport verlangen dat alle emoties worden uitgebannen. Het verstand moet op nul. Robots dreigen ze te worden. Op z’n minst mensen die nog maar één ding voor ogen hebben in hun leven: goud! En iedereen eromheen doet mee. Verblind door de jacht op eeuwige glorie. Wanneer stopt de race? Wie stapt af, biedt de medemens hulp en laat het goud liggen? Het is immers slechts een talisman, niet meer dan een schijn van heiligheid.

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

Golfer Gerben Karstens wil vooral eerlijk spelen

8 Jun

Hij is op zijn fiets naar de golfbaan in Rijen gereden. Op een kilometer van zijn huis. Vier ‘stokjes’ heeft hij nog kunnen vinden. Zijn echte golfset staat in de locker in Oosterhout, waar hij lid is. Hier op Brabant Golf, de golfbaan van zes holes, is eigenlijk zijn thuis. Want de grond is van hem, verhuurd aan de golfclub. Dit is dus eigenlijk zijn baan. ,,De enige en oudste zesholes-baan van Nederland’’, zo begint hij met zijn typische humor.

GerbenKarstens_19hr

Foto Anneke Hymmen

Gerben Karstens, van halverwege de jaren zestig tot 1980 een van ’s werelds beste wielrenners, praat honderduit als we omringd door bestuursleden in het clubhuis zijn sportieve leven doornemen. Schaatsen, waarmee hij tot de nationale kernploeg doordrong (in de tijd van Henk van der Grift en Rudie Liebrechts), en met Ard Schenk en Kees Verkerk wedstrijden uitvocht op natuurijs. Wielrennen, waarmee hij in klassiekers en etappekoersen successen behaalde. Zeezeilen, in ruim 35 jaar 75.000 zeemijlen over vrijwel alle zeeën en oceanen. Veldtoertochten, op zondagmorgen tussen de 45 en 50 kilometer, al 25 jaar, het afgelopen halfjaar 24 – een record! En sinds 25 jaar golfen, af en toe, als hij tijd heeft. ,,Golfen is voor mij gewoon een spelletje, geen wedstrijdsport’’, verduidelijkt ‘De Karst’.

Maar dat betekent niet dat hij een ‘spelletje’ golf niet serieus neemt. ,,Ik ben een ouwehoer, maar ik kan goed tellen, ook de slagen van een ander. Het is fijn om te zien dan anderen eerlijk spelen. En dan heb je nog eerlijke spelers, maar die kunnen niet tellen. Dat doe ik wel voor ze.’’

Zo blijkt later, als we met z’n drieën de baan ingaan. Karstens verontschuldigt zich voor zijn ‘mislukte’ slagen omdat hij ,,die stok niet gewend is”, maar hij houdt goed de tel bij. ,,Vroeger legden we die bal meteen op de green. Ach ja, vroeger.’’ Hij geniet niettemin, praat graag en vertelt tussen de slagen door anekdotes. Soms over golf, soms over wielrennen (vooral over zijn ploegleiders Kees Pellenaars en Peter Post), maar vooral over zeezeilen. Soms kijkt hij uit over de baan, zijn grond die hij na zijn wielercarrière kocht als belegging. Hij begon er een boomkwekerij. Zijn plan om er een agrarisch bedrijf met opstallen op te beginnen liep vast op vergunningsregels. Toen is hij er maar een golfbaan begonnen, hoewel hij zelf het golfen nog niet vaardig was.

Karstens nu 74 jaar, is nog altijd op zoek naar avontuur. Onlangs werd hij geconfronteerd met fysiek ongemak, maar dat weerhoudt hem er niet van opnieuw aan een zeiltocht te beginnen. Op het moment van het verschijnen van dit verhaal, vaart Karstens met een vriend ergens tussen Turkije en Gibraltar. Twee maanden blijft hij weg. Misschien heeft hij een golfsetje mee en huurt hij onderweg een fiets. Want je weet maar nooit. Dicht bij een haven kan een golfbaan zijn. ,,Als je zoals ik heb gedaan, zes maanden op zee ben, dan wil je weleens wat afwisseling. Daarom heb ik weleens gegolfd en ben ik gaan fietsen.’’

Door een Ierse vriend kwam hij met golf in aanraking. De Ier dacht dat het wel wat voor Karstens was. Gewoon een keertje naar de driving range kan het vuurtje doen ontbranden. ,,We gingen naar Gran Canaria, hij golfen, ik meelopen. De tweede dag heb ik het ook geprobeerd. Ik sloeg meteen drie pars, echt waar. Mijn vriend vroeg: ‘Ga je nu golfen?’ Nee, toch maar niet, gewoon niet spannend genoeg.’’

Toch wilde hij het leren. Rond 1990. ,,Ik kreeg les van een man hier op Brabant Golf. Nee, niet van een echte pro. En dat ging goed. Hoewel ik geen aanleg heb. Het is leuk zo. In 1992 haalde ik mijn GVB. Vraag me niet naar mijn handicap. Ik was wel wereldkampioen putten. Er zijn mensen die zo gedreven zijn en hun handicap fanatiek omlaag proberen te krijgen. En dan zie je dat ze oneerlijk spelen, een balletje even met de voet beter leggen en zo. Ik wil wel goed spelen, eerlijk vooral. Maar als het niet gaat, dan gaat het niet. Zo was het ook bij wielrennen. Als je je dag niet hebt, dan heb je je dag niet. Met wielrennen kun je nog vechten, demarreren, hopen dat het dan gaat, iets afdwingen. Ja, soms door oneerlijk gedrag. Maar dat is wielrennen. Daar schiet je met golfen niks mee op. Rustig blijven en zien of het goedkomt.’’

Wielrennen en schaatsen zijn toch heel anders. ,,Daarbij komt het op uithoudingsvermogen aan. Gaan tot je niet meer kunt. Als je toch een vergelijking met golf wilt maken: ik heb inzicht. Vroeger als het gevroren had, zag ik meteen of het ijs goed was. Als wielrenner zag ik wanneer je moest demarreren, weg zijn en niet meer moest omkijken, erin geloven. Of weten wanneer je de sprint moet beginnen. Weten op wie z’n wiel je moet zitten. Dan koos ik het wiel van de snelste sprinter, Patrick Sercu bijvoorbeeld, en dan erover heen. Noem het koersinzicht, vergelijkbaar met coursemanagement met golf, weten hoe de baan loopt, afstanden inschatten en weten waar en hoe je moet slaan.’’

Afzien, dat heeft Gerben Karstens altijd graag gedaan. Als schaatser en wielrenner. En als zeezeiler. Die keer in 2001 dat hij in z’n eentje door de Golf van Biskaje voer, 58 uur alleen in vreselijke stormen en door enorme golven. Jaren later had hij even geen zin meer in zeilen, oud, altijd van huis, ver van zijn vrouw, zoon en kleinkinderen. ,,En al die verhalen, over piraten, verdwenen zeilboten, eigenlijk niet leuk meer. Maar ja, de mooie herinneringen blijven. Aan die keren dat hij haaien zag, walvissen en dolfijnen, ver weg in het Verre Oosten. Soms is het rustig, soms te rustig. Maar je weet nooit wat er gebeurt. Je moet altijd alert zijn.’’

GerbenKarstens_09hr

Foto Anneke Hymmen

Als we in de baan van Brabant Golf zijn, kijkt Gerben Karstens alvorens hij de gewenste stok van het gras opraapt naar boven. Naar de dreigende lucht, waaruit straks vast en zeker een buitje zal vallen. ,,Buiten zijn is zo heerlijk. Vroeger schaatsen in de vrieskou op de Kagerplassen. Wielrennen in de regen. Zeilen als het stormt, dan weer in de felle zon. Fietsen door het veld, door modder en gras. Golfen in de natuur.’’

Gerben Karstens is een pratende golfer, een gezellige golfer. Alsof hij op elke slag commentaar moet leveren. ,,Stoor je er niet aan. Het is toch gewoon een spelletje?’’ Eenmaal op de green, schuift hij de bal zomaar in de hole. ,,Ja, dat kan ik goed. Ik was toch wereldkampioen putten!’’
—————————————————————————————————
GERBEN KARSTENS (Voorburg, 1942) is een oud-wielrenner. Als amateur won hij samen met Eef Dolman, Jan Pieterse en Bart Zoet de gouden medaille op de Olympische Spelen van 1964 in Tokio op de 100 kilometer ploegentijdrit. Hij werd in 1965 prof bij Televizier en reed achtereenvolgens voor Peugeot in Frankrijk, Goudsmit-Hoff, Rokado, Bic en Gitane in Frankrijk, TI-Raleigh en de Vleeschmeesters. In de Tour de France van 1974 droeg hij twee dagen de gele trui. Hij won zes etappes in de Tour de France, 14 etappes in de Ronde van Spanje, één etappe in de Ronde van Italië en etappes in onder meer de Dauphiné Libéré, Ronde van Zwitserland, Ronde van België en Ronde van Nederland. Hij won Parijs-Tours twee keer (in 1974 gedeclasseerd) werd tweede in Milaan-Sanremo, de Amstel Goldrace en de Ronde van Lombardije (in 1969 gediskwalificeerd), en zesde in de Ronde van Vlaanderen. In 1980 stopte hij als wielrenner, ging zeezeilen en begin jaren negentig golfen. In de jaren zestig maakte Karstens deel uit van de nationale schaatsploeg. Een van zijn bijnamen was ‘de Leidse notariszoon’. Zijn vader en zijn broer waren notaris in Leiden.

Dit interview is gepubliceerd in GolfersMagazine 4 in de serie Mijn nieuwe sport

Erik Breukink: Als je golft sta je er helemaal alleen voor

10 Sep
Foto Janus van den Eijnden

Foto Janus van den Eijnden

Erik Breukink heeft eigenlijk altijd al de rust uitgestraald die hij nu op het terras toont. Eerst als de begenadigde wielrenner, vervolgens als de beheerste ploegleider. Zijn geruststellende glimlach als iedereen in paniek raakt omdat de wereld in brand staat, is gebleven. Rust en controle over de situatie. Hij zou zomaar een goede golfer kunnen zijn.

‘Ja, ik denk dat het spelletje wel bij mij past’, bekent hij. Als hij geen wielrenner was geworden, vooral omdat zijn vader als directeur van Gazelle van wielrennen hield, zou hij best weleens een goede golfer geworden kunnen zijn. Hij zegt het niet met stelligheid, zo is Erik Breukink niet. Maar, vooruit. Hij heeft er tot nu toe nog niet over nagedacht, maar nu het hem gevraagd wordt, acht hij het niet uitgesloten. Typisch Erik.

Zijn vader Wim was een fanatieke sportman: tennis, wielrennen en vanaf zijn zestigste – toen hij meer tijd kreeg – golfen. Erik is ook altijd ‘een spelletjesman’ geweest. Thuis werden met het gezin aan tafel altijd spelletjes gedaan. ‘Ik was bloedfanatiek, in alles, ik kon niet tegen mijn verlies. Mijn vader leek rustig, maar ook hij wilde altijd winnen. Hij liet me ook zien hoe je moest golfen. We woonden aan de IJssel, bij Rheden. Mijn vader sloeg dan de bal zo ver mogelijk de weilanden in en de hond moest hem dan ophalen. Dat moest ik ook leren, zei hij. Maar zover was ik nog niet.’

Erik was meer met voetbal bezig, als een opkomende verdediger die eerst alles overziet om dan met een sprint langs de zijlijn ten aanval te trekken. Maar uiteindelijk ging zijn voorkeur uit naar wielrennen. Hij bleek een talent, een stilist die vooral in tijdrijden uitblonk. Golfen, dat hij pas ging doen toen hij in 1998 stopte met wielrennen, vergelijkt met tijdrijden. ‘Je staat er echt alleen voor, het gaat om focus en concentratie, niet forceren, rustig blijven, luister naar je lichaam, let op je bewegingen en weet waar je mee bezig bent.’

Vergis je niet in zijn temperament. Zoals hij al aangaf in zijn herinnering aan de spelletjes in huize Breukink. Bloedfanatiek. ‘Ik stopte in 1997 met wielrennen en werd toen gevraagd eens mee te gaan golfen. Bij mij in de buurt op Wouwse Plantage. Ik nam meteen lessen, wilde meteen mijn GVB halen. Binnen een paar jaar had ik handicap 21. Ik had tijd zat, wat moest ik anders? Een paar keer in de week ging ik met mijn tas naar de driving range. Vijf jaar was ik fanatiek bezig, ik had niets anders dan bij de NOS samen met Mart Smeets commentaar geven. Toen werd ik ploegleider bij Rabo, acht jaar lang. Ik had en nam geen tijd meer om te golfen. Achteraf jammer.’

Hooguit eens per jaar staat hij nog op de golfbaan, op uitnodiging of gewoon omdat zijn collega-ploegleiders bij Roompot, Michael Zijlaard en Jean-Paul van Poppel zin hebben. Dan merkt hij: ‘Je verleert het niet. Je weet na een paar slagen hoe het zit. De basisdingen, de grip, de houding, het hoofd, de focus, de ademhaling.’

Die andere ploegleider, Michael Boogerd, houdt zich verre van golf. ‘Dat is niks voor hem, zegt hij. Inderdaad, Michael wil altijd maar gaan, altijd aanvallen, zo was hij als renner, zo is hij als mens: rusteloos, te veel willen. Van Poppel is een man van de power, ja, een sprinter. Wachten en knallen. Mooi, dat je aan het karakter ziet of het spel bij hen past. Je kunt fanatiek zijn, zoals ik, maar je moet je ook kunnen beheersen. En dat kan ik geloof ik wel goed.’

Je moet ook vertrouwen hebben in wat je kunt, heeft Breukink als wielrenner ervaren. ,,Mijn ploegleiders, Ben van Erp, Peter Post, Jan Gisbers en Manolo Saiz wezen mij daar altijd op: je weet wat je kunt, vertrouw daarop. Zo is ook met golf. Weten met welke stok je een bepaalde afstand kunt slaan, niet forceren, gewoon de stok nemen die bij je past. Gewoon een zeventje. Ik kan wel zo’n joekel pakken, maar dat doe ik liever niet. Het spel is al zo moeilijk. Die obstakels, dat water, dat hoge gras, die bomen, die bunkers die je als monsters aankijken. In het begin dacht ik nog, dat doe ik wel even. Maar dat viel zwaar tegen. Wat ik al zei: het is net tijdrijden, niet over je grenzen gaan.’

Is golfen niet een sport voor wielrenners om tussen de talrijke koersen door tot rust en bezinning te komen? Even afleiding. De vraag stemt hem tot overpeinzing. ‘Ja, dat zou echt mooi zijn. Maar’, voegt hij er snel aan toe, ‘je moet wel les hebben gehad, een beetje kunnen golfen, anders heeft het geen zin. Je kunt niet maar zo tegen je ploeg zeggen: volgende week gaan we samen een dag golfen. En dan nog: wielrenners houden niet van slenteren, je fietst, je traint of je rust, liggen dus.’

De rust op het terras aan de rand van het natuurgebied overheerst. Erik Breukink richt zijn blik op een groot grasveld en speelt met zijn gedachten. ‘Ja, ik geloof dat dat spelletje wel bij mij past. Niet de stress van de koers, niet links en rechts aanvallen om je heen. Alleen zijn met jezelf. Ik denk nu terug aan al die tijdritten. Je staat op het startpodium. Je hebt nog zoveel seconden, je kijkt naar je voeten op de pedalen, naar de stand van je versnelling, naar je benen, je schouders, je hoofd en je armen. Je loopt alles na. Je richt je blik naar voren, focus, je ademt in en uit, en dan ga je, alleen. Je kijkt op en je gaat, zoals je met golf de bal ziet gaan. Je vertrouwt en je hoopt. Mooi.’
——————————————————————————————————————————————————————–
Erik Breukink (1964) was een van Nederlands succesvolste wielrenners. Hij werd in 1985 beroepsrenner, eindigde in de Ronde van Italië (Giro) van 1988 als tweede (hij won toen ook de etappe over de besneeuwde pas van de Gavia). In de Ronde van Frankrijk (Tour de France) van 1990 werd hij derde en in de Ronde van Spanje (Vuelta) van 1993 zevende. In al die rondes won hij een of meer etappes, zoals in 1989 de proloog (openingstijdrit) van de Tour. In 1993 werd hij Nederlands kampioen. Ook won hij belangrijke koersen als de Ronde van het Baskenland, de Ronde van Nederland en het Internationaal Wegcriterium (2x). Na zijn actieve rennerscarrière was hij vijf jaar commentator voor de NOS, en vanaf 2004 ploegleider en vervolgens directeur van de Rabowielerploeg. Nu is hij ploegleider van Roompot Oranjepeloton.

Dit interview is gepubliceerd in GolfersMagazine 7 in de serie ‘Mijn nieuwe sport’. Eerder verschenen in deze serie Femke Dekker (ex-roeister), Robert Eenhoorn (ex-honkballer), Kristie Boogert (ex-tennisster), Kenneth Perez (ex-voetballer), Gijs van Lennep (ex-autocoureur) en Barry Hughes (ex-voetbalcoach)

De Raas – van de lach, de vloek en de vergetelheid

9 Mrt

Door Guus van Holland (uit De Muur 48)

‘Alles wordt aangetast door het waas van het vergeten: hoe weinig blijft er over van degenen die we hebben liefgehad.’

Deze zin, van de Tsjechische schrijver Milan Kundera uit ‘Het boek van de lach en de vergetelheid’, schiet me te binnen, nu ik terug moet grijpen naar ruim dertig jaar geleden.

Zin en titel passen bij Jan Raas. Een indrukwekkende wielrenner in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. Een man met een speciale lach die zichzelf in de vergetelheid heeft gewrongen en die daar, getuige zijn afwerende houding tegenover de wereld buiten zijn dorp, liever niet meer uitkomt.

Laat mij nou maar.

Om dan zijn kont te draaien en zich op te sluiten in zijn eigen sop.

Raas heeft daarvoor zijn redenen; die moeten we aanvaarden. Een mens, zelfs een beroemd mens, heeft recht op intimiteit. Ook een legende. Velen hebben zich gepijnigd met de vraag wat zich in dat hoofd en in die ziel nu afspeelt. Toe, Jan, vertel nou eens. Maar de cocon laat zich niet openen. Waarom zouden we dat ook willen?

Laat hem nou maar.

Die man, nu 62 jaar, die bewondering afdwong door vijfmaal (een record) de Amstel Gold Race te winnen, die de Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix, Milaan-Sanremo en tien etappes in de Tour de France won, en nog veel meer. Die wereldkampioen werd en driemaal Nederlands kampioen. Die sportman aan wie alle oudere wielerliefhebbers met weemoed terugdenken. Die ten voorbeeld wordt gesteld aan de renners van nu.

Zoveel kracht, zoveel macht, zoveel strijdlust, zoveel eigenzinnigheid. Zo dient een kampioen te zijn, wordt beweerd na weer een voor Nederland teleurstellend verlopen Amstel Gold Race. Hadden wij chauvinisten er nog maar zo een. Zo’n geweldenaar. Zo een die ‘godverdomme’ zegt. Niet zachtjes, niet mompelend. Nee, uit de grond van zijn hart. Als een hartenkreet. Niet eenmaal, maar net zo vaak tot iedereen begrijpt dat er maar een is. En dat is hij.

,,En godverdomme, jij ook, godverdomme.”

Wat een baas!

Eigenlijk heeft Raas zich altijd in een waas van geheimzinnigheid bewogen. Er speelde van binnen meer dan hij toonde, hoe hard schreeuwend ook, hoe bulderend ook. Hoe ogenschijnlijk extravert. Die mysterieuze lach. Die samengeknepen ogen, verborgen achter dat brilletje. Dan weer die schaterende lach, die niet altijd gul leek, meer cynisch. Dan weer die aanvallen van woede die letterlijk als een donderslag bij heldere hemel kwamen. Had je hem net in je armen gesloten, als vriend, had je een paar biertjes met hem gedronken, als drinkebroers, sloeg hij zomaar uit het niets van zich af. En met veel venijn.

Dan herinnerde hij zich vast iets uit Het Boek dat hij nauwgezet, obsessief bijhield. Dat fictieve boek dat diep in zijn geheugen stond gegrift. Dat boek waar hij voortdurend mee dreigde, in en buiten het peloton. Dat boek waaruit hij zijn mentale veerkracht putte. Waarmee hij zijn tegenstanders om de oren sloeg.

Neem die onvoorstelbare spierkracht die hij naast zijn mentale kracht ten toon spreidde. Die poten, die kont, die kop. De manier waarop hij versnelde, als een jachtluipaard – maar dan bonkiger. Waarop hij tekeer ging tegen ploegmaten, medevluchters en zelfs toeschouwers. En vooral de manier waarop hij won. Die explosie van vreugde, één hand van het stuur, gebald en ermee zwaaiend ten teken dat hij al zijn vijanden had vernietigd, met huid en haar vermorzeld. Allemaal, godver. Misschien was, wanneer hij op de fiets zat, iedereen wel zijn vijand.

Zonder vijanden geen winst. Zonder vijanden geen leven? Nee toch?

,,Raas zoekt vijanden”, meent oud-wielrenner Maarten Ducrot, sociaal-psycholoog, organisatie-adviseur en televisie-commentator. Ducrot fietste als collega van Raas en reed onder hem toen Raas ploegleider was geworden. ,,Vijandigheid creëren om kracht uit jezelf te halen. Vijanden zoeken om adrenaline aan te kunnen maken. Lance Armstrong deed dat ook. Een conflict als drijvende kracht. Maar adrenaline is gif. Die adrenalinekraan kan niet altijd openstaan. Doseren dus. Anders brand je op, dat heet een burn out. Die voortdurende zoektocht naar vijanden en conflicten, strijd. Dat werkt als een boemerang. Ik vrees dat Raas daar langzaam onder is gaan lijden. Te lang op adrenaline geleefd, te lang vijanden nodig gehad om uit te blinken.”

Misschien heeft Jan Raas nu zijn rust gevonden, meent Ducrot. Opgebrand, wetend dat hij zich vooral niet meer druk moet maken. Dat boek moet toch een keer dicht. ,,Dat beseft Jan ook wel, maar hij weet misschien niet hoe. Dus houdt-ie zijn kop.”

Henk Lubberding was jarenlang zijn trouwste vazal. Ze reden nog samen bij de amateurploeg van Jan van Erp en deelden toen al vaak de kamer. Hij leidde Raas in 1979 naar de wereldtitel in Valkenburg. ,,Die dag zal ik nooit vergeten. Hoe Jan me na afloop kneep en kneep. Hij kneep me haast dood, zo blij was hij. Hij bleef maar vloeken. Hij was zo ongelooflijk gelukkig en bleef me maar omhelzen en knijpen. Ik werd er bang van. Wat moet dat diep hebben gezeten, die wil om wereldkampioen te worden. Eng gewoon. Wát een agressie.”

jan-raas-7
Een jaar eerder was bij Raas de vurige wil ontstaan om in Valkenburg wereldkampioen te worden. Gerrie Knetemann had zojuist op de Nürburgring de regenboogtrui voor de neus van Francesco Moser weggekaapt. ,,Jan en ik reden samen terug naar het hotel. Hij was alleen maar aan het vloeken”, weet Lubberding nog. ,,Godverdegodver, volgend jaar word ik wereldkampioen. En zo ging dat maar door. En jaar lang brandde dat vuur in zijn hoofd. Wereldkampioen worden in Valkenburg. Wat de Kneet kon, moest hij ook kunnen. Hij explodeerde in Valkenburg. Iedereen kreeg er na afloop van langs. Mart Smeets en de NOS, die hadden laten zien hoe wij Jan duwtjes hadden gegeven. Godver, riep hij tot diep in de nacht. We moesten hem kalmeren. Maar dat ging niet. Hij was volkomen over zijn toeren. Hij was de beste, godverdomme. Die explosie bleef maar nadreunen.”

Over explosiviteit. Die razernij. Die keer in Meerssen, nadat Raas alweer de Amstel Gold Race had gewonnen, begin jaren tachtig. In een woonkamer van een normaal huis, nabij de eindstreep, verzamelden de wielerjournalisten zich voor de persconferentie met de winnaar rond de eettafel (met een mooi, ouderwets geweven tafelkleed). Wat zich daar afspeelde behoort tot de herinneringen die alle aanwezigen nog graag koesteren en zouden willen herbeleven.

Raas had gewonnen. En hoe!

Het was weer zo’n machtige demarrage of eindsprint geweest. En Raas had die gevierd met een uitbundigheid die generaals wel tonen wanneer ze triomfantelijk terugkeren uit de oorlog. Stuurs kwam hij binnen. Toen lachte hij, opluchting alom. Maar hij lachte niet, hij grijnsde met een sardonische trek op zijn gezicht. Nadat de gebruikelijke vragen waren gesteld, ontwaakte in hem plotseling het beest – of toch de duivel?

De verslaggever die hem een paar weken eerder nog had bekritiseerd, kreeg de volle lading. Van de verslaggever ernaast herinnerde Raas zich plotseling ook een kritisch artikel. Het ging vast over voorgaande klassiekers die hij ondanks zijn favorietenrol niet had kunnen winnen. Raas wist zijn vijanden te vinden.

Degene die tijdens de scheldkanonnade in de knusse Limburgse woonkamer gniffelde, mogelijk verlegen met de situatie, kreeg er ook van langs. En jij ook, en jij ook. Of hij de artikelen ooit had gelezen, weten we niet. Maar gezien zijn punctuele arbeidsopvatting – Raas wist alles, van alle concurrenten, van hun gezondheid en hun familieleven – kon hem de teneur van de wielerverslagen niet zijn ontgaan. Het stond allemaal in zijn boek.

Hein Groothuis was in die periode wielerverslaggever van De Stem. De krant werd verspreid in Noord-Brabant en Zeeland, waar Raas woonde. Hij kreeg in die huiskamer als eerste de toorn van de winnaar van de Amstel Gold Race over zich heen. Want wat Groothuis een paar weken had geschreven vond Raas bepaald niet lovend. ,,Met Raas viel voor mij niet meer te praten. Uiteindelijk heeft Jean Nelissen, destijds niet alleen NOS-verslaggever maar ook chef sport van De Limburger waarin mijn stukken ook werden gepubliceerd, een gesprek geregeld in een wegrestaurant in Gilze-Rijen. Toen was Jan wat redelijker, op het gezellige af. Maar hij bleef de pik op mij hebben.”

Peter de Jonge, wielerverslaggever van de Provinciale Zeeuwse Courant, was de volgende die een woedeuitbarsting over zich heen kreeg. De Jonge was wel wat gewend. ,,Het begon al in zijn juniorentijd. Ik was er ooit getuige van dat de jury tijdens een criterium in Goes een fout maakte. De bel voor de laatste ronde werd geluid, maar het rondebord gaf nog twee ronden aan. Raas sprintte de volgende doorkomst naar de zege, dacht hij, en ontdekte toen dat de jury nog een ronde liet rijden. Na de echte finish kreeg hij van zijn broer Giel zijn ‘goeie’ bril die hij wisselde voor zijn sportbril. Maar in plaats van ’m op te zetten gooide hij hem vloekend en tierend op de straat te pletter en ging hij ook nog eens scheldend de jurywagen op. Hij vloekte ze stijf.”

Vrienden, wielrenners en wielerjournalisten die eerder samen met hem van hun jaarlijkse vistocht op de Zeeuwse wateren hadden genoten en er heel veel met hem hadden gedronken, en er de andere, poëtische maar ook scabreuze kant van Raas hadden leren kennen, kregen er van langs als zijn pet scheef stond. Vrienden voor het leven? Nou, dat kon zomaar anders zijn.

rrrraaaasss
Die goedmoedige, allervriendelijkste, charmante man werd onberekenbaar als de adrenaline ging spuiten. Wie hem dwars zat, zag de duivel in hem ontwaken. Maar die duivel kon zich snel weer terugtrekken. Dan sloeg hij je vol excuses op de schouders. Gemeend, echt waar. Dan klonk het luidkeels: ,,Biertje? Kom op, zuipen!”

Lees het verhaal verder in De Muur 48.

Verder in de editie van maart 2015 (nu in de winkel) verhalen, portretten, interviews en overpeinzingen van Rik van Walleghem (De Gold Race als oer-Vlaamse koers), Wiep Idzenga (Every picture tells a story 14, over Frans Maassen), Michel Wuyts (De berg van Gilbert), Herman Chevrolet (Een Poolse mijnwerker in Limburg, over Jean Stablinksi) en Rob van den Dobbelsteen (Monsieur AGR, over de eerste organisator van de Amstel Gold Race, Herman Krott)

Verder Morton Okbo (Lance, de bedreiging voor alles; twee Denen lopen een paar dagen mee met Lance Armstrong en leren zo zijn vrienden, zijn dagelijkse leven én zijn golfspel kennen), Mart Smeets (The tears of a clown, over Gerrie Knetemann), Lidewey van Noord (750 gulden, dat moest Arie delen met de ploeg; over Arie den Hartog), Willie Verhegghe (De magie van de koersnostalgie) en Nando Boers (Beroep: wielrenner deel 14 Lars Boom)

Wat is dit voor waanzin

22 Jun

Hoe doe je verslag van de waanzin van de Tour? Meegaan met de journalistieke mores of je afvragen waarom dit gebeurt met mensen? Dilemma’s van een Tourverslaggever.

Tour zwaar
Gefascineerd door zoveel ellende, onrecht en mensenschennis keek ik toe hoe de Zwitser Uli Sutter besmeurd met stof, modder en bloed in 1979 na een Tour-etappe over het middenterrein van de wielerbaan van Roubaix slofte. Zijn fiets achter zich aan slepend. Hij zocht. Nee, hij zocht niet. Hij was verdoofd en verdwaasd, hij doolde.

Op zijn shirt was nog net te zien tot welke ploeg hij behoorde: TI-Raleigh. Hij was de kopman, nota bene, van dit alom bewonderde team onder leiding van de beste zakenman onder de ploegleiders, Peter Post. Mijn afschuw sloeg om in woede. Dat wielrenners zichzelf dit aandoen. Dat wielrenners zich als reclamezuilen laten gebruiken door organisatoren als Jacques Goddet en Félix Lévitan. Beulen zijn het, die directeuren!

Ik wilde naar huis, weg van dit mensonterende circus. Op weg naar Brussel, waar na een eerste voor een debutant wereldschokkende Tourweek mijn vriendin op mij zou wachten, schold ik mijn collega’s de huid vol. Wat is dit voor waanzin? Willen mensen dit zien? Schrijven jullie hier over? Zonder een vorm van mededogen? Zonder kritiek op de organisatie voor wie slechts één belang telt: commercie? Hun evenement moet verkocht worden, ongekende kijkcijfers scoren, hun kranten moeten abonnees werven.

Waar zijn jullie principes, mannen, of doen we blindelings mee met dit populisme?

Was ik naïef, een romanticus die veronderstelt dat de sportwereld een symbool is van de integere wellust, van een eerlijke competitie en van het gezonde leven – vrij van zonden? Ja, ik was nog naïef. Dit hoort erbij, dit is de Tour de France, dit is de wielersport. Dit is wat de mensen willen.

Tom Simpson wordt tevergeefs gereanimeerd

Tom Simpson wordt tevergeefs gereanimeerd

Er zou mij nog veel meer wachten. Sportmensen die zich (bewust of onbewust) te gronde richten, in de hoop onschendbaar, onsterfelijk of heilig te worden. Jaren later leerde ik dat het bereiken van de top van Alpe d’Huez of nog beter de Mont Ventoux, waarop de Engelse beroepswielrenner Tom Simpson zijn leven verloor door te veel opwekkende middelen en overdreven ambitie, mensen een gevoel van superioriteit geeft. Mensen, vooral topsporters, gaan door het stof om zichzelf te bewijzen. Waarom begreep ik dat in 1979 nog niet? Hoewel ik al aanvoelde dat iets niet klopte aan de offers die Sutter en de zijnen brachten.

Eerder tijdens mijn eerste Tour de France zag ik Jacques (Jaak) Verbrugge voor de start van een Alpen-etappe. Zijn ogen stonden flauw, zijn gezicht was bleek. Hij was al dagen aan de diarree. Op de top van de eerste col besloten we hem op te wachten. Maar hij kwam maar niet. Een paar haarspeldbochten lager zagen we hem in de berm zitten, broek naar beneden, omringd door nieuwsgierige mensen. Hij klom weer op de fiets en zette zijn lijdensweg voort. Toen hij bij ons aankwam, stapte hij af, liet zich tegen onze auto vallen en begon te vloeken, te slaan en te huilen. Hij stonk als een mestkar. Van zijn fiets dropen dikke bruine druppels. Opgeven? ,,Nooit, godver.” Hij wilde de eindstreep halen, die achter twee andere cols, de Galibier en Alpe d’Huez lag.

Ten einde raad stapte hij besmeurd met zijn eigen vuil in een ambulance. Hij huilde. Ze hadden hem wat druppeltjes opium kunnen geven, een paar maar om de ergste buikloop te stoppen. Ze hadden hem een pilletje kunnen geven. Ze hadden hem een nachtje aan het infuus met een of ander wondermiddel kunnen leggen. Doping doet overleven, doping doet wonderen, doping maakt van mensen helden.

Mijn ervaren collega’s namen foto’s en noteerden wat hij zei. Ik deed niks, ik stond er bij, vertwijfeld, en vroeg me af of deze wielrenner niet meer verdiende dan platte, meedogenloze onderzoeksjournalistiek. Compassie of zo. Niet jagen op primeurs of het sensationele verhaal willen schrijven over een mens dat naar de klote gaat of nota bene doping heeft gebruikt. Gewoon: helpen – en niet scoren. Donder op met de journalistieke mores, voelde ik diep in mijn hart. Gewoon: afvragen waarom dit gebeurt met mensen.

Ik ging de volgende jaren op zoek naar het hoe en waarom van deze commerciële hellevaart. Ik raakte verward, zag hoe renners, ploegleiders en soigneurs met een wijde boog om mij heenliepen, zich furieus afwendden als ik te dichtbij kwam en te veel vragen stelde. Hoe ze heimelijk probeerden succes te behalen, door middel van omkoping, ongekende medicaties en andere malversaties. Ze hielden me voor de gek.

Ik werd overtuigd door de visie van de grondlegger van de olympische gedachte, Pierre de Coubertin, dat sportbeoefening slechts op twee manieren kon worden verstoord. Door het consumeren van ‘onnatuurlijke’ middelen om beter en sterker te worden of door te veel trainen. Een uurtje per dag was prima, maar een sportman die dag in dag uit vele uren per dag trainde, was volgens De Coubertin een bedrieger. Waar ligt dus de norm?

Ik probeerde ze te begrijpen. Ik had ze de hemel in geprezen, omdat ik ze mocht als mens, omdat ik ze vertrouwde. Ik werd uitgenodigd op hun partijtjes, werd er onthaald op loftuitingen en zei op mijn beurt dat zij ‘geweldig’ waren. Wat doe je als je je ex-vrouw die je bedrogen heeft, op een feest zoent en en passant toefluistert dat je haar faux-pas wel begrijpt? Je bent wel bedrogen!

Op de ploegpresentatie van Panasonic in Brussel had Peter Post besloten mij als kritische verslaggever mild te stemmen door mij de hoofdprijs van de tombola te gunnen. Maar er ging iets mis met het opzetje, waardoor de prijs naar een vreemde ging. Post was laaiend op mij omdat zijn Japanse sponsor de fout had ontdekt. Toen ik er later over schreef, beloofde hij brandbommen in mijn voortuin. Zo ben ik (en mijn gezin) vaker geïntimideerd door ploegleiders en renners omdat mijn berichtgeving slecht was gevallen.

Ze lachen nu verontschuldigend, omdat ik het wel begrijp. Ja, vast wel. Weet je nog, leuke tijd was het, toen je me nog geloofde? Alsof dat afdoende is. Johan van der Velde maakte als enige excuses, nadat hij uit de gevangenis was ontslagen. Hij zei dat hij niet anders kon dan mij voorliegen, anders had hij zijn status verloren. De anderen slaan mij nog steeds op de schouder en zeggen dat ,,we altijd vrienden zijn gebleven”. Hoezo, altijd?

Ik begrijp ze. Het zijn mensen. Ook ik raakte verstrikt in mijn ambitie. Erbij horen voelde gemakkelijker en leidde mogelijk tot meer informatie dan op afstand volgen, kritiek leveren, speculeren en renners veroordelen om hun beroepsopvatting. Ik wist niets, had alleen een sterk vermoeden. Zodra ik op onderzoek uitging werd mij hardhandig de toegang ontzegd, omdat ik me als een verrader gedroeg.

In 1989 zag ik in Corvara Erik Breukink aan het infuus liggen na een bergetappe in de Giro d’Italia. Op de laatste klim van de dag, de Campolongo, had hij de aansluiting met Laurent Fignon verloren door een ‘hongerklop’. Hij verloor zes minuten op de latere Franse eindwinnaar.  Na afloop van de rampzalige Dolomietenetappe werd ik ’s avonds van de kamer geschopt. Ik vroeg niet verder, hoewel ik het tafereel verdacht vond. Gewoon: suppletie, glucose, testosteron, epo, bloedtransformatie… Toch?

De betrokkenen gaven geen antwoord. Waarom ook? Ga een beetje vertellen dat je doping gebruikt of een koers hebt verkocht. Kom op zeg. Het was hun verantwoordelijkheid, hun leven, hun beroep. Inderdaad, het was/is niet mijn leven. Sport wordt zodra het amusement/commercie is grenzeloos. Wie wil scoren gaat over grenzen. Om met Johan van der Velde te spreken: ,,Als je hun niet flikt, flikken ze jou. Je moet meedoen, anders verlies je.’’

Erik Breukink in de PDM-camper nadat hij in de Tour heeft opgegeven./Erik Breukink in de PDM-camper nadat hij in de Tour heeft opgegeven. 16-07-1991

Erik Breukink in de PDM-camper nadat hij in de Tour heeft opgegeven. 16-07-1991

In mijn geheugen gegrift staan de taferelen die zich in de Tour van 1991 rond de de renners van de PDM-ploeg afspeelden. Een voor een daalden ’s avonds de renners van de hoteltrap af, meer dood dan levend. Wij keken toe en zagen Erik Breukink, Sean Kelly, Jean-Paul van Poppel, Uwe Raab, Falk Boden en alle andere renners lijkbleek, rillend, breekbaar, zwijgend als zombies voorbijgaan. Mijn Duitse collega Klaus Angerman van het ZDF had eerder zijn landgenoot Falk Boden (net als Raab en Angermann ex-DDR) al gezien en mompelde dat Boden op sterven lag. Hun ploegleider Jan Gisbers en hun ploegarts Wim Sanders vertelden iets over bedorven gehaktsaus. We gingen op onderzoek uit, maar werden voorgelogen en geïntimideerd.

Was het experiment mislukt met de hele PDM-ploeg mislukt? Ploegleider Gisbers wist dat zonder medische experimenten succes niet haalbaar was. Want iedereen experimenteerde. Dit experiment mislukte, omdat er fouten met medicaties (herstelmiddel intralipid) waren gemaakt.

Gisbers verzweeg de waarheid, zoals Peter Post en al die andere ploegleiders, soigneurs en artsen. Ze verzwegen hun waarheid, hun ambitie, hun manier van bestaan. Stel eens voor dat ze niets hadden verzwegen, dat ze alles hadden verteld – hoe de koers echt was verlopen, wie wie had omgekocht, wat ze slikten of inspoten.

Vanaf mijn eerste kennismaking met de Tour de France, einde jaren zeventig, besef ik dat de professionele wielersport niet anders is dan het leven. Mensen doen alles om succesvol te zijn. Topsport is niet meer dan een afleiding van het werkelijke leven. Wie geen vrede heeft met zijn leven zoekt afleiding, meer en nog meer.

Topsport zou door perfecte mensen beoefend moeten worden, is een oprukkende mening. Alsof er ooit een perfecte mens zal bestaan. Een robot misschien?

Topsporters worden als heiligen, afgoden beschouwd. Er mag geen smet aan kleven. Ze moeten supergezond zijn. Zodra ze zich als mensen gedragen, worden ze veroordeeld. Wie een kampioen wordt of domweg de Tour wint, wordt geëerd als de perfecte mens. Wie op slinkse manier succes afdwingt, wordt verbannen naar de galg.

Ik ben sinds mijn eerste Tour de France niet langer naïef. Ik probeer te begrijpen dat mensen door het slijk willen gaan om te worden gewaardeerd. Dat doping of domweg stimulerende middelen daartoe worden aangewend, is menselijk. Topsport en vooral de Tour de France verdwazen. Zonder excessen, zoals omkoping en doping, is er geen opwinding. Seks, drugs and rock ‘n’ roll. Ik wil geen wielrennen zonder verbazing. Ik wil emoties.

Vals spelen doen we allemaal als we de weg kwijt zijn.

Dit artikel stond in de NRC-bijlage van 22 juni 2013 ‘100x Tour de France: Helden en bedriegers’, met verder bijdragen van Peter Ouwerkerk, Wilfried de Jong, Peter Winnen, Hugo Camps, Steven Derix, Dolf de Groot, Peter Vermaas en Derk Walters

%d bloggers liken dit: