Tag Archives: Rugby

Mark, mijn liefste collega, vriend en dwarsdenker

28 Nov
Marks feestje

Foto Vincent Mentzel

Dinsdag 27 november is in alle vroegte mijn oud-collega en vriend Mark Hoogstad (48) overleden. Aan die verschrikkelijke ziekte, waarvan hij nog geen jaar geleden de onheilstijding kreeg. Mark was niet alleen de meest talentvolle collega, van wie ik (onder bepaalde voorwaarden) ook diens chef mocht zijn, maar hij was vooral de liefste. Wij begrepen elkaar als gelijkgestemden. ‘Wij hebben hetzelfde karakter’, zei Mark vaak. Dus(?) hadden we weleens laaiende ruzie – en als rechtgeaarde emotievolle mannetjes niet alleen met elkaar. Eerst was ik voor hem een oudere, ervaren collega bij de sportredactie van NRC, min of meer zijn mentor, vervolgens zijn chef.

Het was nooit saai. De emoties gierden vaak door de sportredactie. Dan probeerde die reusachtig grote Mark hakkelend, zwetend en amechtig aan zijn sjekkie trekkend mij te overtuigen dat ik toch ‘echt eens die andere collega’s’ tot de orde moest roepen. ‘Grijp in, Guuske’, riep hij dan om vervolgens uit te barsten in een door een hoge stem versterkte gierende lachbui.

Eens heb ik hem uit de sportvergadering gestuurd, omdat ik vond dat hij zich kinderlijk en nogal overdreven miskend gedroeg. ‘Jij behandelt mij als een kind, dat doe je niet. Ik ben geen kínd’, schreeuwde hij korte tijd later via de telefoon tegen mij. Ik hoor zijn hartekreten nog galmen in mijn auto. Op de achtergrond schreeuwde een jong kind. Waarna ik Mark hoorde krijsen, het bleek tegen zijn toen nog heel jonge dochtertje: ‘Hou je kop Floor!’ De volgende dag vloog hij me liefdevol om de hals, gaf me een zoen en zei: ‘Wil je dat nooit meer doen, Guuske! Ik hoop dat je ervan geleerd hebt.’

En zo waren er vaak botsingen op de meest rumoerige en emotionele redactie van NRC Handelsblad, tot grote verontwaardiging (afkeer?) van de rest van de redactie. Maar altijd was er een happy end. Je hoefde alleen maar te kijken naar die arrogante glimlach van Mark (wat kon hij arrogant zijn!) en je wist dat het goed was. Je voelde dan dat hij het naar zijn zin had.

Mark op zijn laatste feestje met oud-collega’s van NRC, een maand geleden, omringd door vlnr Hans Klippus, Guus van Holland en Henk Stouwdam
(Foto Vincent Mentzel)

Ik koesterde zijn talent. Want Maarten Hendrik Hoogstad (zoals hij zich graag voorstelde) was niet alleen een ‘diepgraver’ met een brede blik, maar ook een begenadigd schrijver, soms nogal archaïsch – zeker een purist. Ik adviseerde hem daarom regelmatig zijn horizon te verruimen liever nog te verplaatsen en zich niet uitsluitend of vooral te richten op hockey (‘NRC is een hockeykrant, grote vriend’) en zwemmen, (vaak ook fanatiek rugby en tennis [winst Richard Krajicek op Wimbledon], soms boksen en ijshockey). Hoe nauwgezet hij die sporten ook volgde, hij zou veel meer en belangrijkere onderwerpen kunnen aanpakken, zo vertrouwde ik hem toe – en ik was niet de enige.

Uiteindelijk koos hij voor de redactie binnenland (waar hij onderwijs kreeg toegewezen – niks voor Mark dus), ten slotte als Rotterdam-verslaggever en (mede door de verhuizing van de redactie uit ‘zijn’ Rotterdam naar Amsterdam, waar Mark zich fel tegen verzette, én gevoed door weer zo’n heftig gevoel van miskenning) vervolgens voor het AD/Rotterdams Dagblad in zijn woonplaats Rotterdam. Daar kreeg hij als verslaggever en commentator van de Rotterdamse politiek eindelijk de erkenning waarnaar hij altijd bijna obsessief verlangde. Totdat hij ook daar misnoegd vertrok.

Mark (‘Ik heb een onwaarschijnlijk talent voor rancune’) haalde zijn revanche met zijn opzienbarende boek over de Rotterdamse politiek (‘Rotterdam, stad van twee snelheden’) en verdiende daarmee een maand geleden de Persprijs Rotterdam, die hij eerder tot zijn grote ongenoegen was misgelopen. Wat een erkenning dan toch op de valreep!

Wij zijn elkaar nooit het oog verloren. Zo gaat dat met mannen die elkaar een warm hart toedragen. Maar het leven zonder Mark is niet meer wat het geweest is.

Het gedrag van olympiërs zegt mogelijk veel over onszelf

13 Aug

Menselijke drama’s zijn er in vele vormen geweest in de eerste week van de Olympische Spelen. Sporters die vielen op momenten dat de spanning steeg, sporters die plotseling niet in de gewenste topvorm verkeerden, sporters wier materiaal het begaf, juryleden die in de hete olympische sfeer arbitraire beslissingen namen en sporters die zich om menselijke redenen niet aan de afspraken konden houden en daarom werden uitgesloten van deelname. Wat willen mensen die naar topamusement kijken nog meer?

Opgewonden, hijgerig, overspannen en verward is gereageerd op de zenuwslopende jacht naar medailles. Niet in de laatste plaats door de media die graag duidelijk maken hoe intens betrokken ze zijn bij de gladiatoren in de olympische arena’s. Wie enige afstand bewaart en emotieloos op de gevechten reageert komt van een andere planeet en wordt bij voorkeur niet serieus genomen. Verondersteld wordt dat deze dissonant niet begrijpt dat het toch echt allemaal om goud draait.

Emoties laaiden hoog op. Voor de een kan het nooit genoeg zijn. Het zijn de thrillseekers die verslaafd zijn aan adrenaline en andere euforieversterkende stoffen dan wel hormonen, mogelijk bang voor de stilte en de ontspanning, bang voor de kennismaking met de rusteloosheid in zichzelf. Een ander wordt gefascineerd door wat op blinkend goud en eeuwige glorie gerichte jonge sporters bezielt en vooral door waar ze onder hoogspanning toe in staat zijn. Hoe krijgen ze dat toch voor elkaar? Wat hebben ze moeten doen om deze prestaties te verrichten? Hoeveel uren per dag, per week en per jaar? Jarenlang hebben ze moeten trainen om in Rio de Janeiro te mogen zijn en dan te tonen wat ze als mens allemaal kunnen.

Mijn vrees dat deze jonge sportmensen gecomputeriseerd en al bijna gerobotiseeerd aan de Olympische Spelen zijn begonnen (zoals ik op 6 augustus in NRC Handelsblad schreef: ‘Zo goed als een machine’), is vooralsnog gelogenstraft. Vanzelfsprekend staat de topsport op het punt te verwetenschappelijken, maar naar wat ik de afgelopen week ervoer is het merendeel van de olympiërs nog van vlees en bloed, nog even fysiek en psychisch kwetsbaar als u en ik. Uitgezonderd de helden die perfect presteerden en de jongens en meisjes die tot ongekende grote hoogten en snelheden reikten. Waar is een mens nog toe in staat? Waar ligt de grens van de fysieke en psychische mogelijkheden?

Die vragen zijn niet van vandaag of gisteren. Het is inherent aan de sport sinds ze werd bedacht om wat voor reden dan ook. Iedereen is gefixeerd op het oprekken van grenzen. De olympische beweging meent daar paal en perk aan te stellen door een ‘ethische’ grens te trekken. Om maar een voorbeeld te noemen: medische middelen die de natuurlijke aanleg van het lichaam geweld aan doen, dus stimuleren, zijn niet toegestaan. Met als argument dat ze schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid (alsof topsport met al zijn obsessies en lichaam verstorende gedragingen gezond is). En dat het de competitie vervalst. Iedereen gelijke kansen, zoiets. U en ik hebben dezelfde vader en moeder, we zijn uit hetzelfde hout (vlees en bloed) gesneden, we komen uit hetzelfde land, we beschikken over hetzelfde geld, hetzelfde materiaal, dezelfde begeleiding, dezelfde wetenschappers, dezelfde sportpsychologen en we zijn opgegroeid in dezelfde cultuur. Ja, toch? Of zijn we allemaal gelijk, zijn we allemaal geboren met gelijke kansen?

Ik zag de rugbyers van Fiji in de finale van het olympisch toernooi de Engelse tegenstanders ‘vermorzelen’. Allemaal donkere mannen, van een eilandengroep met nog geen miljoen inwoners, die de Engelsen op atletisch talent op alle fronten aftroefden. Ik zag de vreugde en de ontlading na hun triomf en dacht: welke wetenschappelijke begeleiding hebben deze ‘natuurlijke’ mannen gehad? Of hadden ze baat bij voodoo, een of andere grote god dan wel een stimulerend kruid. Het zal toch niet de doping zijn die door de olympische beweging wordt verboden of hun afkomst, cultuur en genetische aanleg – mensen van Fiji hebben iets wat wij (of de Engelsen) niet hebben? Een bepaald gen waarover anderen niet kunnen beschikken misschien.

Ongeveer tegelijkertijd zag ik mannen zwemmen. Groot, stoer, vastberaden, gespierd, scherp, afgetraind zoals dat heet. Mijn zoon zei nog: ‘Hoe krijg je zo’n lichaam?’ We zagen gespierde borst-, schouder- en bovenarmpartijen zoals vroeger zwemmer en tarzankloon Johnny Weissmüller ze als vrijwel enige had. Het testosteron spatte er vanaf. Maar tegelijkertijd viel mij op dat alle zwemmers geen borsthaar hadden. Gladgeschoren? Aerodynamisch dus. Zwemgigant Pieter van den Hoogenband dankte veel van zijn snelheid aan zijn borstpartij, omdat deze de vorm van een catamaran had. Mooi meegenomen, toch? Hij was een man met talent met daarnaast een enorm doorzettingsvermogen en een positieve inslag. Maar die gladgeschoren borstpartij? Je zou het zomaar stimulerend (doping) kunnen noemen.

In mijn nieuwsgierigheid naar omgaan met leven, beland ik voortdurend in boeddhistische visies. Een van mijn inspiratiebronnen is Pema Chödrön, een boeddhistische lerares die ik graag raadpleeg bij mijn vragen. In haar boek Waar je bang voor bent, vind ik in mijn zoektocht de passage ‘Proberen onszelf beter te maken helpt niet. Dat gaat uit van strijd en jezelf kleineren.’ Dus, wie meer wil zijn dan hij is, verloochent zichzelf, wie hij werkelijk is.

Nadat ik het had voorgelezen zei mijn zoon: ‘Ja, waarom moet ik zijn zoals die mannen die goud winnen? Word ik veroordeeld omdat ik niet zo ben, niet hun talent heb en niet zo ben opgevoed zoals zij? Wie niet is zoals de winnaars, deugt niet. Die krijgt geen aandacht. Alleen wie goud wint, krijgt aandacht als rolmodel.’ Hij wees me op het nummer Warsaw van Them Crooked Vultures, en zong vervolgens met luide stem over zijn dilemma die in zijn beleving extreem verkeerd en daarom ontwrichtend wordt uitgedragen door de media, de geobsedeerde jacht op goud en zilver: ‘It’s all medals and trophies, trophies and medals. All before the race has been run.

We kwamen onvermijdelijk bij Yuri van Gelder uit. Een man met spieren die buitenproportioneel (onmenselijk?) zijn gegroeid door jarenlange intensieve training. Hij wilde een uitzonderlijk mens zijn. Anders en beter dan anderen – zeker niet minder dan anderen. Kijk mij eens, wie ik ben en wat ik allemaal kan. Ik ben Yuri, ik ben een man. Ik wil aandacht. Als je het niet ziet, dan zal ik het nog één keer laten zien. De hele wereld zag het. Maar het was niet genoeg. Nooit was het genoeg. Nooit zal het genoeg zijn. Hij wil en moet laten zien dat hij bestaat. Desnoods met behulp van geestverruimende middelen die hem op z’n minst boven zichzelf kunnen uittillen. Topsport, medailles en titels kunnen daartoe ook bijdragen. Maar het is nooit genoeg. Nooit meer.

Het gevecht van Yuri zou mensen aan het denken moeten zetten. Waarom Yuri en die andere sportmensen willen triomferen. Is er een gat in zichzelf die zij moeten opvullen? Herkent iemand de strijd die Yuri voert? Ik moet nu veel denken aan Paul Gascoigne, al enige jaren (tevergeefs) in een ontwenningskliniek verblijvend en nooit meer de mens die we van hem willen zien. Ik volg zijn twitter-berichten die hij vrijwel dagelijks rondstuurt. Zoiets als deze: ‘Morning all have a lovely wkend thinking of YOUS all lots of hugs GAZZA I’ll read your tweets and get back to all love&hugs GAZZA 😘👅😜xx’ Het is een onophoudelijke tragedie.

Sport biedt drama, mensen die het wel en ook niet redden. Sport is waar we over na moeten denken. Omdat het veel over ons zelf zegt.

Deze column is gepubliceerd op http://www.sportenstrategie.nl

Een taboe op psychische problemen bij voetballers

16 Feb

depressie

Meer dan een kwart van de actieve profvoetballers kampt met symptomen gerelateerd aan depressies en angsten. Zo stelde de internationale vakbond voor beroepsvoetballers FIFPro een paar maanden geleden na een internationaal onderzoek onder 850 profs en oud-profs. Uit de studie bleek dat actieve spelers die drie of meer zware blessures hadden gehad, in hun loopbaan twee tot vier keer meer kans op psychische problemen hadden dan spelers zonder zware blessures. De symptomen varieerden van sombere buien en angsten tot slaap- en alcoholproblemen.

Het schokkende resultaat is aanleiding voor dr. Vincent Gouttebarge, die is verbonden aan de FIFPro en het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam, verder te gaan met het onderzoek. Hij wil meer aandacht voor mentale problemen, en vooral voor de oorzaken daarvan. Hij en zijn collega prof. dr. Gino Kerkhoffs, ook verbonden aan het AMC, volgden gedurende een jaar voetballers uit elf landen. Opvallend was daarbij dat er nog een groot taboe heerst op mentale problemen en psychische bijstand.

Gouttebarge, een 40-jarige Fransman van geboorte en oud-voetballer bij Auxerre, FC Volendam en FC Omniworld, hoopt dat zijn studie aanleiding vormt voor een preventiebeleid ten aanzien van psychische klachten bij voetballers. ,,In tegenstelling tot wat veel mensen denken heeft het leven van een profvoetballer ook donkere kanten’’, zegt Gouttebarge. In het bezit van een academische graad in Bewegingswetenschappen en Geneeskunde is hij universitair docent bij het AMC en Chief Medical Officer van FIFPro.

Psychologische begeleiding krijgt nog te weinig aandacht bij voetbalclubs, meent Gouttebarge. ,,Wel om spelers te motiveren, beter te laten spelen. Maar veel minder om spelers te helpen wanneer zij in de problemen zijn geraakt door hardnekkige blessures of na langdurig herstel dan wel als een speler wordt teruggeplaatst naar het tweede elftal. Ook niet op de lange termijn wanneer een speler stopt, vrijwillig of niet, met zijn voetbalcarrière. Wij hebben de indruk dat spelers te veel aan hun lot worden overgelaten. Terwijl de druk op voetballers alleen maar toeneemt. De club verlangt altijd meer prestaties, evenals de trainer, de media, de supporters en vooral sponsors. En dan is er nog de druk die een speler zichzelf oplegt: hij wil koste wat kost presteren en laten zien wat hij kan, hoe goed hij is.’’

robert_enke1

Pas wanneer zich een schokkende situatie voordoet, zoals de zelfmoord in 2009 van de Duitse doelman Robert Enke, gaat het alarm af. Vooral toen bleek dat Enke al jaren depressief was (daar kwam nog bij de dood van zijn tweejarige dochtertje dat vanaf haar geboorte aan een hartkwaal leed). Enke was in behandeling bij een psychiater en gebruikte antidepressiva. Angst om zijn loopbaan op het spel te zetten en het ouderschap van zijn dochtertje te verliezen, deden hem zijn ziekte geheimhouden voor de buitenwereld en leidde uiteindelijk tot de zelfgekozen dood. De Duitse voetbalbond richtte naar aanleiding van de dood van de 32 jaar geworden Enke de Robert Enke-stichting op, met het doel meer aandacht te schenken aan mentale problemen die voetballers kunnen tegenkomen.

De psychiater van Enke voegde er destijds het misverstand aan toe dat ‘topsporters per definitie gezond zijn en juist daardoor de top bereiken’. Enke, zo gaf hij aan, werd nota bene tijdens zijn depressieve periode geselecteerd voor het Duitse elftal. Dat hij zich kon handhaven was juist een enorme prestatie. Alleen merkte niemand in de voetbalwereld iets van zijn grote problemen of werden ze (zijn fouten en soms afwezig gedrag) genegeerd of afgedaan als ‘zwakte’. Voordat de Robert Enke-stichting werd opgericht was er niemand in de Duitse voetbalwereld die aandacht had voor mentale problemen. ,,Topvoetballers zijn per definitie gezond van geest, is de heersende opvatting, anders zouden zij nooit de top hebben gehaald.”

De voormalige Duitse voetbalinternational (52 maal) Thomas Hitzlsperger en speler van Bayern (jeugd), VfB Stuttgart (Duits kampioen in 2007), Aston Villa, VfL Wolfsburg en Everton bekende twee jaar geleden in een interview met Die Zeit dat hij homoseksueel was. Hij had er nooit met andere voetballers, coaches en zelfs niet met sportpsychologen van zijn club en het nationale elftal over kunnen praten. Hij woonde zelfs enige jaren samen met zijn vriendin – in 2007 zou hij met haar trouwen maar het huwelijk zegde hij af. In 2013, tijdens zijn verblijf bij Everton waar hij zijn loopbaan beëindigde, ontdekte Hitzlsperger hij zijn liefde voor mannen. Hij voelde het al eerder, maar durfde met niemand (ook niet met zijn toekomstige echtgenote) over zijn twijfels te praten. Hij raakte er depressief door, maar de oorzaak hield hij voor zichzelf. Thomas kreeg in Engeland een relatie met een man, die hij kort daarop beëindigde.

Zie hier een interview met hem, een jaar na zijn coming out: http://www.rp-online.de/sport/fussball/thomas-hitzlsperger-ein-jahr-nach-dem-coming-out-aid-1.4846758

Na zijn voetballoopbaan, vlak voor de Winterspelen in 2014 Sotsji,  besloot Hitzlsperger ‘uit de kast’ te komen. Hij had vernomen dat in Rusland een homofobe sfeer heerste en wilde aandacht voor het probleem. Oud-voorzitter Theo Zwanziger van de Duitse voetbalbond DFB en de man die onder anderen het initiatief nam voor de Robert Enke-Stiftung (hulp aan voetballers met depressieve verschijnselen) reageerde geschrokken op de ontboezeming van Hitzlsperger. ,,Wij hadden Thomas kunnen helpen, moeten helpen”, antwoordde hij in Die Zeit. ,,Wij hadden moeten zien waar hij mee worstelde. Maar in de voetbalwereld kijken wij niet naar de zwakte van mensen, alleen naar de kracht. Dat is verkeerd. We moeten beter opletten en als mens naar voetballers kijken, niet naar zogenaamde helden. Het begrip helden wordt in de sportwereld verkeerd gebruikt. Voetballers en sporters zijn geen helden, mensen als Thomas zijn helden. Mensen die in de verdrukking leven en eruit komen.”

Vincent_Gouttebarge-300x145

Vincent Gouttebarge

Vincent Gouttebarge wijst er op dat niet alleen blessures, langurig niet kunnen spelen en diskwalificatie van talent kunnen leiden tot psychische klachten. ,,Het zijn ook mensen, ze kunnen ook in hun privéleven te maken krijgen met problemen die doorwerken op hun prestaties en mentale gezondheid. Geen mens is immuun voor tegenslagen. Maar er voor uit durven komen dat je ergens mee zit is toegeven aan zwakheid, en dat wordt niet gauw aanvaard in een mannenwereld als die voetballers.’’

In Duitsland ging pas het alarm af toen Enke zich voor de trein gooide, stelt Gouttebarge. In Groot-Brittannië schrok in 2012 de voetbalwereld van de zelfgekozen dood van de 42-jarige bondscoach van Wales Gary Speed en kregen juist daardoor mentale problemen onder voetballers meer aandacht. Speed kampte met privéproblemen, zo bleek later. Én hij had een gesloten karakter – daar begint vaak het probleem. Vervolgens bekende de 35-jarige oud-voorzitter van de Engelse spelersvakbond Clarke Carlisle dat hij zelfmoord had willen plegen door zich voor een vrachtwagen te gooien, als gevolg van jarenlange depressies en alcoholmisbruik. Hij durfde met niemand over zijn problemen over te praten. Niemand zag hem als een mens. Niemand probeerde hem te doorgronden. Hij sloot zichzelf af, hij droeg een masker. Daar was hij goed in, misschien wel uit angst om echt gezien, mogelijk afgewezen te worden.

Mathieu-Bastareaud1

Mathieu Bastareaud

In Frankrijk bekende de 27-jarige rugbyinternational Mathieu Bastareaud vorig jaar in zijn autobiografie Tête Haute dat hij in 2009 had geprobeerd de hand aan zichzelf te slaan. Bastareaud vertelde in zijn boek over zijn getraumatiseerde jeugd, die tot boulimia leidde. Over zijn depressies en zijn alcoholverslaving, die in 2009 tijdens een trip in Nieuw-Zeeland leidde tot een zware val in een hotelkamer waardoor hij zware verwondingen in zijn gezicht opliep. Bastareaud verklaarde tegenover de ploegarts dat hij op straat in elkaar was geslagen, bang dat de echte oorzaak (alcohol en depressie) aan het licht zou komen. De premier van Nieuw-Zeeland verontschuldigde zich bij de rugbyer en de Franse rugbybond en gelastte nota bene een politie-onderzoek. Bastareaud kon niet langer leven met zijn leugen en met kritiek in de media over zijn ongewenste matige prestaties, en sneed daarom datzelfde jaar zijn polsen door. Medespelers vonden hem en redden zijn leven. Met dank aan een psycholoog bevrijdt Bastareaud zich nu van zijn demonen.

Sportpsychologie was tot voor kort een ondergeschoven kind in de voetbalwereld. Laat staan psychisch consult bij voetballers met (dreigende) problemen. ,,Clubs en trainers, maar dus ook supporters, media en sponsors verlangen altijd naar resultaat. Altijd winst. Dan is het zaak spelers voortdurend in de gaten te houden. Natuurlijk zijn er clubs die dat doen omdat zij verder kijken dan prestaties en ook de speler als mens serieus te nemen.’’ Gouttebarge roemt de manier waarop PSV met de door het overlijden van zijn ouders getraumatiseerde Maxime Lestienne is omgegaan. ,,Maar dat was duidelijk. De meeste problemen blijven helaas te vaak onder de oppervlakte.’’

Gouttebarge wijst als vertegenwoordiger van de internationale spelersvakbond naar landen in Oost-Europa waar het leven als voetballer zeer wankel is. ,,Voetballers weten niet wat hun daar te wachten staat. Van de ene op de andere dag is er geen geld. De FIFPro is daar op gefocust. Er op toezien dat geld alsnog wordt betaald. Maar ook in mijn specialiteit als onderzoeker naar mentale problemen ook hoe spelers ermee omgaan. Van de clubs hoeven ze vaak niets te verwachten als ze in problemen zitten.’’

Dankzij zijn netwerk en contact met vakbonden uit andere sporten (rugby, Gaelic Football, ijshockey, cricket) wil Gouttebarge ook inzichten en data krijgen bij andere beroepssporters. ,,Het mag duidelijk zijn dat er raakvlakken zijn tussen de verschillende sporten. Dat wil ik zoveel mogelijk uitbreiden. We gaan bijvoorbeeld binnenkort kijken naar de invloed op de lange termijn van hersenschuddingen op de mentale gezondheid van topsporters. Ook hebben Kerkhoffs en ik net subsidie gekregen van World Rugby om een internationaal project op te zetten over de relatie tussen fysieke en mentale gezondheid bij actieve toprugbyers in liefst negen landen. Ook de wereldvoetbalfederatie FIFA heeft veel belangstelling voor ons project. Nu we de eerste resultaten van ons onderzoek hebben, kunnen we aan de slag en de organisaties duidelijk maken wat er speelt bij spelers. En dat is veel, getuige de percentages.’’

Van de onderzochte actieve voetballers (in elf landen en drie continenten) speelt 60 procent op het hoogste niveau. Ongeveer dertig procent gaf aan symptomen van mentale problemen te herkennen. Zoals depressief, stress, slaapproblemen en negatief zelfbeeld. Liefst 19 procent vertoont abnormaal gedrag als het gaat om consumptie van alcohol. Roken doet 7 procent en 10 procent is gestresst. Onder de net gestopte voetballers liggen die percentages hoger. Liefst 32 procent vertoont abnormaal gedrag met alcohol, 12 procent rookt of is gaan roken, 15 procent heeft burn-outklachten. In beide groepen hebben de voetballers ook veel problemen met hun eetpatroon. Gouttebarge vraagt speciale aandacht voor het ‘zwarte gat’ dat gestopte spelers ervaren. ,,We zien dat de structuur uit hun leven verdwijnt en dat ze moeite hebben een plek te vinden in de reguliere maatschappij.”

Stefan Groothuis

Stefan Groothuis

Intussen bestaat ook ook een samenwerking tussen enerzijds de medische staf van NOC*NSF, de atletencommissie en anderzijds Gouttebarge en Kerkhoffs. De sportkoepel beweert al jaren bezig te zijn met het psychisch leed van topsporters (waarbij de grootste discretie in acht wordt genomen), maar nog niet over een gedetailleerd overzicht van maat en getal van psychische klachten te beschikken. Vandaar dat in een videoboodschap Nederlandse topsporters worden uitgenodigd om mee te werken aan onderzoek naar hun mentale welzijn. Ze kunnen drie vragenlijsten elektronisch invullen. Waterpoloster Mieke Cabout en schaatser Stefan Groothuis spelen daarin een belangrijke rol. Cabout hoopt op een zo groot mogelijke respons onder de sporters. Zij doet de masteropleiding Health Sciences in Amsterdam. ,,In het buitenland is de kennis veel omvangrijker. Het mentale welzijn kan een grote bijdrage leveren aan topsportprestaties. En niet alleen tijdens de carrière kan het helpen, maar ook daarna; bij het zogenaamde zwarte gat van pas gestopte sporters”, zei ze voor de NOS-microfoon.

Groothuis, olympisch kampioen op de 1.000 meter in 2014, vertelt in de videoboodschap over zijn depressie in 2011. ,,Door hier nadien open over te zijn kon ik me vrijer bewegen en zowel privé als sportief kreeg ik alles weer op de rit.’’

http://www.trouw.nl/tr/nl/5116/Filosofie/article/detail/4211063/2015/12/20/Stefan-Groothuis-Regel-1-De-vrije-wil-bestaat-niet.dhtml

Gouttebarge hoopt dit jaar op internet een stap te maken in de richting van interventies en oplossingen voor psychische klachten. Een interventie beschikbaar via internet zou voor alle actieve voetballers in de wereld (65.000) kunnen zijn. Daarop kunnen zij zien wat er aan psychische problemen kan spelen. Ze kunnen om raad vragen. ,,We moeten op een vertrouwensbasis met voetballers werken en omgaan. Wat ze niet aan de club of de trainer kwijt kunnen, kunnen ze altijd bij ons doen.’’

Dit artikel is in verkorte versie gepubliceerd in NLcoach, Nummer 1 2016

Ook voor junioren is voetballen meer dan een spelletje

11 Dec

,,Stel’’,  zo richtte de clubvoorzitter zich tijdens de discussiemiddag naar aanleiding van het grensrechterdrama tot een twintigtal C-junioren, ,,je krijgt een schop van een tegenstander. Wat doe je dan?’’ Het antwoord liet niet lang op zich wachten. ,,Terugschoppen’’, riep een 14-jarig spelertje. ,,In het veld, maar niet na de wedstrijd’’, voegde hij er haastig aan toe. Met een mengeling van verwarring en begrip hoorden voorzitter, jeugdleiders, trainers, een jeugdscheidsrechter en ouders de hartekreet in het clubhuis aan. Een jeugdleider probeerde het gepassioneerde voetballertje op het hart te drukken dat hij beter even zijn wraakgevoelens kon beheersen om later zijn revanche met doelpunt te halen.

Tja, doe dat maar eens in het vuur van de strijd.

Het is de mores van het voetbal in het bijzonder en de sport in het algemeen. Ingesleten tot op het bot, tot in de jongste leeftijdscategorieën. Winnen willen ze, winnaars willen ze immers zijn. Zonder winnen geen euforie. Titels, medailles, bekers, foto’s en triomfstukken in de krant, huldigingen omringd door uitgelaten supporters die bewonderend de winnaars zingen. Opgezweept door geëxcalteerde trainers die roepen: ,,Wij zijn de besten van de wereld.’’ Waarom zou een junior dan bedenken dat voetbal maar een spelletje is?

Zelfs voor het overkoepelende sportorgaan NOC*NSF telt alleen winnen. Er wordt vooral geld uitgetrokken voor sporters en sportbonden met de meeste medaillekansen. Breedtesport, recreatie, plezier, aandacht voor de verliezers en minder getalenteerde sporters zijn van ondergeschikt belang. Wie wint krijgt een erepodium, wie verliest wordt verstoten als een melaatse. Verliezen is een besmettelijke ziekte geworden. Zo kortzichtig zijn de sportbonden en hun leiders. Alsof bij de beste tien sportlanden van de wereld behoren, tot iets leidt wat permanent zinvol is voor de (Nederlandse) samenleving leidt. Topsport maakt meer stuk dan je lief is. België en Zwitserland halen nauwelijks medailles. Is het daar dan zo slecht leven?

Begeerte is de drijfveer. Winnen, nog meer willen hebben, nog meer winnen. Hebben, hebben, hebben. Hebzucht. Het is nooit genoeg.  Lees ‘Identiteit’ van de Belgische psycholoog en psychoanalyticus Paul Verhaeghe en je komt tot andere inzichten. Sport, vooral winnen, is van levensbelang geworden. Het wordt tijd dat verliezen ook geaccepteerd wordt en gewaardeerd wordt. Ook in voetbal. Maar het zoals wijlen Bill Shankly, manager van een van de grootste volksclubs Liverpool, al in de jaren zeventig al zei: ,,Some people believe football is a matter of life and death, I am very disappointed with that attitude. I can assure you it is much, much more important than that.’’

In het weekend dat in Nederland de doodgeschopte grensrechter werd herdacht, verloren de meest fanatieke supporters van het Duitse voetbal, die van Borussia Dortmund, hun zelfbeheersing. Een arbitrale beslissing van de internationale scheidsrechter Wolfgang Stark leidde tot een thuisnederlaag. Hij gaf Borussia-speler Marcel Schmelzer een rode kaart wegens vermeend hands op de doellijn. De Borussen schreeuwden het uit van verontwaardiging en verongelijktheid. Niettemin strafschop: 1-1. Na afloop gaf Stark zijn fout toe, de televisiebeelden gaven hem ongelijk. Maar het publiek had zich al laten gelden en eiste dat ‘die zwarte (de scheidsrechter) werd opgehangen’. De Borussia-spelers verloren de greep op de wedstrijd en op zichzelf. Borussia verloor met 3-2. De landstitel is definitief uit het zicht. De spelers kregen van trainer Jürgen Klopp een interviewverbod. Je wist maar nooit wat ze zouden zeggen. Klopp hield zich vrij kalm en sprak over een hard oordeel van de scheidsrechter.

Zo hard kan voetbal zijn, zo hard komt een (onterechte) nederlaag aan in Dortmund. De club met de grootste, trouwste en sportiefste supportersschare van Duitsland (elke thuiswedstrijd 80.000 toeschouwers), tevens de club met de meest onderscheiden fansbegeleiding en sociale projecten, met de sociaal bewogen Klopp als trainer, kan ook deze sportieve tegenslag niet hanteren. Vandaar ook dat in Duitsland, waar de Sozialprojekte juist grote waardering en aandacht krijgen in de media, de discussie weer hoog is opgelaaid. Lees: http://www.11freunde.de/node/258218

Voetbal en geweld. Voetbal werd ongeveer 150 jaar geleden op Engelse kostscholen (Eton, Harrow, Rugby) bedacht om de agressie van jongens te kanaliseren. De scholieren mochten zich op een grasveld uitleven in het ruwe spel dat al sinds de middeleeuwen  op straat werd uitgevochten en waarin schoppen en slaan geoorloofd was. Hopelijk hadden ze dan geen energie meer voor nóg gevaarlijker dingen. Na enige tijd werd voetbal verboden. De kostschooldirecties voelden zich genoodzaakt spelregels in te voeren. Voor de aanhanger van rauwe sport het sein om hun eigen sport uit te vinden: rugby. Het is de sport die nu ten voorbeeld wordt gesteld aan voetbalspelers, omdat daar (wel) respect voor tegenstander en scheidsrechters heerst. Wat hij ook beslist, de scheidsrechter is de baas.

De bondscoach van Italië, Cesare Prandelli, lanceerde als trainer van Fiorentina Viola Fair  (Sportief Paars, de kleur van Fiorentina). Hij stelde een paar jaar geleden voor dat het verliezende elftal na afloop een erehaag voor het winnende elftal zou vormen en applaudisseerde. Na een verloren thuiswedstrijd tegen Inter Milaan stelde Prandelli zich inderdaad op in de rij van zijn spelers en klapte hij mee voor de winnaars. De andere clubs van de Serie A en Serie B zegden toe het voorbeeld van de trainer van La Viola te volgen. Hhet gebruik is intussen toch verwaterd. Maar Prandelli ging door met zijn missie. Hij stelde als bondscoach in samenspraak met de technisch directeur van de Italiaanse bond Roberto Baggio, eens een prachtige voetballer met een boeddhistische levensovertuiging (http://www.robertobaggio.com/en/) , vervolgens regels van fatsoen op. Daarnaast nam zij zich voor een opvoedende taak te verrichten, hoe oud, volwassen en doorgewinterde professionals de internationals ook mogen zijn. Zo maakte de nauwelijks te temmen recalcitrante Mario Balotelli als international al regelmatig kennis met de erecode van Prandelli en werd international Daniele De Rossi vorige maand door de bondscoach drie wedstrijden uit de nationale selectie gezet omdat hij in een competitiewedstrijd van AS Roma tegen Lazio een tegenstander in het gezicht had geslagen. Commentaar Prandelli: ,,Ik heb De Rossi straks op het WK in 2014 hard nodig, hij is als aanjager onmisbaar in mijn ploeg, hij zal nu hopelijk leren zich te beheersen, zodat we over anderhalf jaar van hem kunnen profiteren.”

Prandelli is zich bewust van de voorbeeldfunctie van profvoetballers. Zo was al langer Laureano Ruiz, de oprichter van de cantera, de veel geroemde jeugdopleiding van Barcelona.  Begin jaren zeventig won hij met de jeugd vijf titels op rij, wat nog niet vertoond was. Hij was in 1976 even hoofdtrainer, van Johan Cruijff en baarde opzien met sportief en attractief samenspel. Het is de leer van Ruiz die nog altijd klinkt in La Masía, de naam van het opleidingscentrum. Ruiz (en niet Cruijff) legde de basis voor het spel waarmee Barcelona, eerst met coach Johan Cruijff, later met coach Pep Guardiola,  triomfen viert. Voornaamste regel voor de jeugd: Fair play. Verbod op bekritiseren van scheidsrechter en tegenpartij; zelfs al heeft de speler gelijk, dan volgt onmiddellijke schorsing; de trainer zwijgt langs de lijn en mag alleen in de kleedkamer zijn kritiek verbaal spuien; en te alle tijde nederigheid ten opzichte van elkaar.

Winning isn’t everything, it’s the only thing, zo werd Ruiz geconfronteerd met de Amerikaanse mentaliteit toen hij daar later zijn Soccer Academy oprichtte. Zo schrijft de Belgische schrijver Raf Willems in zijn boek over de geschiedenis van het droomvoetbal van Barcelona. De Bask Ruiz haastte zich de Amerikanen ervan te overtuigen dat die mentaliteit slechts tot agressief gedrag leidt, jegens de tegenstander en de scheidsrechter. De vreugde voor het spel staat voorop, meende Ruiz. En wie als amateur en junior Barcelona de laatste jaren heeft zien spelen kan niet anders dan vaak een voorbeeld nemen aan deze voetballers. Met triomfen, loftuitingen en steeds meer bewonderaars tot gevolg. Hoewel ook zij in het vuur van de strijd weleens hun sportieve vaak vergeten. Maar dat is nu eenmaal voetbal, een contactsport bovendien, nog steeds doordrenkt van emoties en agressie. En dat zal zo blijven.

Dit artikel verscheen in verkorte vorm in NRC Handelsblad van 10 december jl.

%d bloggers liken dit: