Tag Archives: Phil Jackson

Passie pensioneert nooit

21 Okt

Interview met mij op de website Passie pensioneert nooit

Wat is mijn grootste passie?

Ik schrijf graag over wat mijn hart me vertelt. Ik golf omdat ik plezier beleef aan speelse uitdagingen. Ik doe aan hardlopen (van tien kilometer tot halve marathons) en racefietsen om mijn lichaam te testen. En ik mediteer veel, vrijwel dagelijks twintig minuten, omdat ik me daar comfortabel bij voel en het mij verrijkt.

Wat is mijn idee van ultiem geluk?
Het ultieme geluk heb ik nooit ervaren. Wel momenten van euforie als ik liefde en vriendelijkheid ervoer óf (in triviale zin) als ik had ‘gescoord’. Maar het blijven momenten waarnaar ik zo min mogelijk probeer te streven: het is zoals het is, soms dient zich geluk aan, vaak niet. Let it be.

Wat is mijn grootste angst?
Niet meer (h)erkend te worden als mens, vergeten en overgeslagen te worden, en dat ik anderen niet meer (her)ken. En als ik niets meer kan delen met anderen.

Waar houd ik het meest van in mijn werk?
Ik ben 68 jaar en sinds vijf jaar gepensioneerd, dus heb ik geen werk meer. Ik schrijf vooral omdat ik het graag doe en omdat ik er waardering voor krijg. Toch overkomt mij soms het gevoel dat ik weer werk, als ik iets doe (schrijf) wat een ander van mij verlangt: ‘Want je kunt het zo goed!’ Een valkuil.

Wat is mijn minst aantrekkelijke eigenschap?
Ongeduld, plotselinge (niet meteen verklaarbare) woede, te veel aandacht vragen en te veel (willen) praten, vertellen en schrijven. Vroeger was dat over anderen oordelen, liefst veroordelen. Moraliseren ook. Dat probeer ik af te leren, sinds ik mij bezighoud met boeddhisme en mediteer: wees vriendelijk voor jezelf als ook voor alle andere levende wezens; moge alle levende wezens gelukkig zijn en vrij zijn van lijden – net als ik.

Wat is mijn grootste valkuil?
Spontaan en gretig te veel ‘werk’ aannemen, anderen plezieren en mijn mogelijkheden overschatten. En dan écht depressief te worden, omdat ik ‘het allemaal’ niet aan kan.

Wanneer zou ik liegen?
Als ik bang ben anderen te kwetsen.

Welk rolmodel heeft de grootste invloed op mij gehad? 
Jim Morrison vroeger, en Neil Young. Later Leonard Cohen, vooral zijn door boeddhisme (hij vertoefde enige tijd in een klooster) geïnspireerde teksten. En zeker mijn boeddhistische leraar Sakyong Mipham en (via zijn boeken en geschriften) zijn overleden vader Chögyam Trungpa, beiden van de (Tibetaans) boeddhistische traditie Shambhala – een sociale zienswijze en beleving met boeddhistische uitgangspunten.

Waar houd ik het minst van in mijn werk?
Doen wat een ander (de baas, opdrachtgever) van me verlangt/eist.

Waar en wanneer was ik het meest gelukkig met mijn werk?
Bij grote internationale sportevenementen, zoals de Tour de France en wanneer ik met grote sportmensen sprak zoals basketballer Michael Jordan, basketbalcoach Phil Jackson, de wielrenners Bernard Hinault, Greg LeMond, Francesco Moser en Jan Raas, skiër Alberto Tomba, kunstrijdster Katarina Witt en de voetballers Sir Stanley Matthews, Gianni Rivera, Eusebio en Alfredo Di Stéfano. Schrijven over wat ik erbij voelde, als dat mocht. Naarmate mijn leeftijd vorderde voelde ik mij gelukkiger worden zodra ik eigenzinnig durfde te schrijven over mijn passie en mijn compassie met anderen. Langzaam maar zeker vond ik de stijl die mij past. Toen kreeg ik ook steeds meer waardering, zonder dat het mijn bedoeling was. Het kwam (en komt) steeds meer uit mijn hart, mijn eigen gevoel.

Wat zegt de uitspraak ‘Passie Pensioneert Nooit’ mij?
Dat je altijd naar je hart (je gevoel dus) moet blijven luisteren, wat anderen ook zeggen en hoe anderen er ook over oordelen. Passie is het mooiste wat er is. Als je  je lichaam voelt tintelen, van je voeten tot je kruin, dan leeft er iets, dan leef ik. Het wordt een probleem zodra je hart zwijgt of wordt geblokkeerd.

Wat zou ik aan mezelf willen veranderen?
Meer genieten van het moment, meer geduld, minder aandacht vragen, minder in een slachtofferrol kruipen, me minder door anderen (hun gedrag, houding en oordeel) laten leiden. Dit ben ik, ik voel wat ik voel, wat jij voelt is jouw gevoel. Leven en laten leven. Zo zou ik het liefst willen leven. Maar vooral wil ik vriendelijk zijn voor mezelf: kwetsbaar, ongeduldig, slachtoffer, boos, verdrietig, depressief – het mag allemaal.

Welk beroep zou ik hebben in een volgend leven?
Monnik (voor zover dat een beroep is) of onderzoeker.

Wat is mijn grootste professionele prestatie?
Zestien keer de Tour de France verslaan als verslaggever met (in vergelijking met nu) zeer beperkte communicatiemogelijkheden en veel logistieke problemen. Ik heb zeker meer prestaties geleverd. Wereldkampioenschappen voetbal, wielrennen, judo, ijshockey, skiën. Een stuk of tien Champions League-finales. Vier Olympische Winterspelen. Twee keer The Masters in Augusta, twee keer de Ryder Cup. Interviews met Michael Jordan in Chicago en andere internationale fenomenen als Franz Beckenbauer, Vinnie Jones, Stanley Matthews, Roberto Baggio, Vladislav Tretjak, Alberto Tomba, Sepp Blatter, Jacques Rogge, Prins De Mérode, Prins Albert; reportages in mijn favoriete land Italië. In de Verenigde Staten over de Amerikaanse sportcultuur. In bijna alle landen van de wereld en vooral reportages in Liverpool met nabestaanden van stadionrampen en hun hulpverleners.

 

vakantie-lucertola-2013-019

Lucertola in Le Marche

Wat is de plek waar ik de beste ideeën krijg, in mijn stad?
Thuis, op de bank, boeken lezend én als ik mediteer thuis op mijn kussen of in het boeddhistisch centrum. Dan wel in mijn huisje op de Veluwe, of daarbuiten, alleen met mezelf in de natuur. Ik houd niet van de stad. Ik ben een plattelandsjongen. Ik bivakkeer het liefst in de reuk van de natuur, met geluiden van dieren, van koeien tot kippen en vogels met rondom rustige, vriendelijke mensen die je nog groeten. Daar durf ik mijn hart het meest te openen. Ver van de drukte, van opdringerige, gejaagde en gestreste mensen, ver van schreeuwerds en mensen met een grote mond, ver van cynisme, ver van de massa, zoals ik die jarenlang in volle, mijn gemoedsrust bedreigende stadions heb geduld. Jarenlang was ik gefascineerd door het immense geluid in bomvolle stadions, ik raakte er door bedwelmd en schreef verdoofd door het lawaai dat mensen maakten rondom voetbalwedstrijden, totdat ik besefte dat ik diep van binnen gewoon bang was in en rond zo’n kolkend stadion. Ik hoop nooit meer een vol stadion te betreden en mij in grote massa’s te begeven. Mijn stad bestaat niet, alleen mijn dorp en mijn buitenhuisje in de natuur. Daar krijg ik de beste ideeën, daar ben ik op mijn gemak.

 

Wat is mijn favoriete plek om te eten en te drinken, in mijn stad?
Heb ik niet, liefst drink en eet ik thuis. Een favoriet restaurant heb ik niet, alleen in restaurants in Italië met Italianen en mijn gezin.

Wie is mijn grootste fan/sponsor/partner in crime?
Mijn vrouw Maddy, die mij aanzet iets te doen wat ik nog niet heb aangedurfd (bijvoorbeeld over iets en iemand schrijven) en die mij ook aan de grond houdt als ik eufoor dreig te worden. Daarnaast vind ik het heel waardevol als mijn pleegzoon Robin mij complimenteert: ‘Goed gedaan, pa.’ Dan ervaar ik een groot moment van geluk. Heerlijk om me even in te wentelen.

Met wie zou ik in de toekomst graag willen werken?
Met mijn boeddhistische leraar Sakyong Mipham, als inspiratiebron.

Naar welk project, in de nabije toekomst, kijk ik uit?
Een boek schrijven over mijn zoektocht naar de zin van leven, mijn manier van beleven en overleven én welke talrijke inspiratiebronnen ik daarvoor heb geraadpleegd en nog steeds raadpleeg. Van lsd en andere hallucinerende en opwekkende middelen via sportbeoefening, -beleving, -studie en -beschrijving, alle vormen van psychotherapie en spirituele ervaringen tot boeddhistische cursussen en trainingen. Met de slotzin: ik ben dan toch uiteindelijk onwetend. Omdat niet-weten waarschijnlijk toch de essentie van mijn bestaan is.

Welk rolmodel zou ik graag willen ontmoeten en spreken?
Basketbalcoach en in mijn beleving meest erudiete en dus beste sportcoach aller tijden, Phil Jackson, zen-boeddhist, overlever en geduldige leermeester van sportmensen met een super-ego zoals Michael Jordan, Shaquille O’Neal, Dennis Rodman en Kobe Bryant.

Ga ik pensioneren van dit werk en leven waar ik van houd? 
Who knows where the time goes.

De Giro d’Italia is toch vooral sterven in schoonheid

1 Jun

Daags na het roze gekleurde weekeinde in Gelderland, drie weken geleden, schreef ik dat ‘de belangstelling in Nederland voor de Giro d’Italia met de dag drastisch zal afnemen en uiteindelijk slechts door pure wielerliefhebbers zal worden gevolgd’. Het is dus anders gelopen. Niet zozeer omdat het koersverloop tot de verbeelding bleef spreken, maar vooral omdat Nederlandse renners aan het front bleven strijden, tot het einde in Turijn toe.

Foto: musement.com

Foto: musement.com

Fascinatie van start tot finish – en zeker niet alleen bij wielerliefhebbers. De Italiaanse organisatoren kunnen vergenoegd in hun handen wrijven. De emoties laaiden hoog op, zoals dat bij de beleving van topsport verwacht wordt. Media, zoals de Nederlandse televisieomroep NOS (NPO) om welke reden ook het wielercircus niet dagelijks op de voet volgden, werden door een groot deel van het volk een gebrek aan betrokkenheid verweten. Andere media maakten gretig ruimte vrij voor reportages, interviews en achtergronden en zetten ander nieuws op minder prominente plaatsen. Zo was het ooit (ruim een eeuw geleden) bedoeld door de handelsgeesten van krantenbedrijven. In het geval van de Ronde van Italië door La Gazzetta dello Sport als antwoord op een autorace die eerder door Corriere della Sera was gelanceerd.

Het is aanhaken op de vraag waarom sport zoveel aantrekkingskracht uitoefent. Vandaag is het voetbal, morgen wielrennen, overmorgen autoracen en tennis, straks turnen, hockey of volleybal, dan weer zwemmen of hardlopen. Zeker wanneer betrokkenheid intieme vormen gaat aannemen, alsof de jongen van de buren of het meisje uit het dorp meedoet. Of wanneer vereenzelviging (met helden) zich aandient. Helden worden in een handomdraai gemaakt – en naar believen even snel afgedankt.

In Lof van de sport schrijft de Duitse socioloog/filosoof Hans Ulrich Gumbrecht: ‘En toch weten we niet (en misschien hoeven we dat helemaal niet te weten) waarom sport kijken zo onweerstaanbaar is en tot onze verbeelding spreekt. Het is letterlijk een fascinatie, dat wil zeggen, iets wat onze blik gevangen houdt, iets wat ons eindeloos blijft boeien zonder dat we weten waarom. Het is deze fascinatie die een transfigurerende werking heeft, want we voelen ons onweerstaanbaar aangetrokken tot verschijnselen waarvoor we normaal gesproken geen waardering kunnen opbrengen, zoals wanstaltig corpulente lijven of wollen mutsen met kleppen.’

Het zijn rationele overpeinzingen die mij in de loop van de afgelopen veertig jaar als sportjournalist bezig hebben gehouden – en nog. Zoals Dino Buzzati in De Ronde van Italië, het boek met kronieken uit de Giro van 1949 in de Corriere della Sera, dat ik in 1986 tijdens mijn eerste Giro als verslaggever als inspirerend geschenk van mijn nieuwe geliefde in mijn koffer vond. Collega Jean Nelissen, die toch alles al over de wielersport  wist en gelezen had, griste het nieuwsgierig van mijn schrijftafel. Om even later luidkeels met de hem typerende dictie voor te lezen (Buzzati schrijft over Gino Bartali): ‘Plotseling, dat weet je, zal de geheimzinnige genius je in de steek laten. Midden in een wedstrijd, onverwacht, zul je je merkwaardig alleen voelen: als een koning in de strijd die zich omkeert om bevelen te geven en bemerkt dat zijn leger er niet meer is, dat het als bij toverslag verdwenen is in het niets. Dat verschrikkelijke moment zal aanbreken. Maar wanneer? Dat weet je niet. Het zou vandaag kunnen zijn.’

Het is jammer dat in de huidige, veelal hitsige commentaren – gebaseerd op te veel betrokkenheid – deze literaire zinsnede niet is teruggehaald of eenvoudigweg niet is herkend (laat staan ooit gelezen) na de val van Steven Kruijswijk in voorlaatste bergetappe van de afgelopen Giro. Historisch besef kan in verhitte momenten een waardevolle bijdrage leveren, zeker in de wielersport die onmiskenbaar in mystieke sferen wordt bedreven. Overvloedige betrokkenheid, zoals de afgelopen weken, kan een verblindende uitwerking hebben en voedt vooral de onderbuik van de naar roem en glorie hunkerende lezers, kijkers en andere volgers. Populisme mag dan bij veel media van commercieel belang zijn, de realiteit is meer waard.

Begin jaren negentig was ik op de perstribune van het toenmalige Chicago Stadium getuige van de indrukwekkende voorstellingen van de Chicago Bulls met de magistrale coach Phil Jackson (uniek door zijn op zen-boeddhisme gebaseerde filosofie) en hun uitblinker Michael Jordan (mijns inziens met Muhammad Ali de beste sportman aller tijden). Toen ik bij een van de weergaloze acties van Jordan een keer opveerde en een juichkreet niet wilde onderdrukken, werd door mijn buurman een hand op mijn schouders gelegd. Hij wees op een bordje bij de ingang van de perstribune met de tekst: ‘No cheering in the pressbox‘. Ik schrok. Zou ik niet beter kunnen afdalen naar de tribune met het ‘gewone’ publiek? De man stelde mij gerust. Hij stelde zich voor: Sam Smith, Chicago Tribune en al jaren Bulls-watcher. Hij was de man wiens boek ik die week gulzig had gelezen: The Jordan Rules. Een meesterlijk, genuanceerd en daarom meeslepend boek over het gedrag van Jordan op de speelvloer en vooral in het trainingscentrum.

No cheering in the pressbox. Het is een regel uit andere tijden, besef ik. Over de Giro lezend, ernaar kijkend en luisterend, werd mij vooral duidelijk dat de verslaggevers, commentatoren en columnisten zich vereenzelvigden met hun favorieten. Was dat geregisseerd, dan wel door de bazen met hun handelsgeest opgedrongen? In het vuur van de strijd laat elke verslaggever zich weleens gaan – hij is immers sportliefhebber. Dat besefte ik terdege. Daarom besloot ik meermalen buitenlandse media te raadplegen om ook de andere (realistische) kant van de medaille te zien.

Drama genoeg in de afgelopen Giro, zoals van een wielerwedstrijd wordt verwacht. Met alle ingrediënten die daarbij horen. De dramatische omwenteling van Nibali’s fysieke en psychische gesteldheid, diens killersinstinct (vandaar diens bijnaam ‘De Haai van de Straat van Messina’, jaren geleden al bedacht door voorzitter Eddy Lanzo van Nibali’s wielerclub in Messina) en de strategie van zijn ploeg. De dramatische omwenteling bij Steven Kruijswijk: de val op het moment dat de strijd ontbrandde. Topsport wordt op details beslist is een aloude wijsheid. Dat bleek eens te meer. En dan was er de dramatische aftocht van de eerste roze truidrager Tom Dumoulin, van wie in de media nooit meer iets is vernomen: de koning is dood, leve de koning.

En tenslotte de dramatische valpartijen, de spannende beklimmingen en ijzingwekkende afdalingen. En als apotheose de innemende lach van de Colombiaan Esteban Chaves, die op de voorlaatste dag zijn leiderspositie moest afstaan en ‘slechts’ derde werd. Zijn commentaar na afloop was mogelijk het mooiste moment van de Giro: over zijn vreugde, zijn toekomst, zijn liefde voor de wielersport en zijn waardering en bewondering voor de winnaar.

Esteban Chaves

Esteban Chaves

Chaves gulle lach deed veel ellende
vergeten. Zoals de sport hoort te zijn. Afleiding van alles wat ons dwars zit en pijnigt.

De Giro is toch vooral sterven in schoonheid.

Deze column in gepubliceerd op de website http://www.Sportenstrategie.nl

Over het pad van altruïsme, samen met Matthieu Ricard

26 Sep

ricard kinderen

Dit artikel van mij is gepubliceerd in de (Engelstalige) zomereditie van The Optimist.

Ik liep voorbij een bloemenstal en dacht: waarom niet? Mijn vrouw en ik hadden een heftige ruzie gehad. Die hadden we weliswaar uitgepraat, maar nog steeds voel ik de pijn die ik haar heb aangedaan. Ook voel ik mijn eigen gekwetstheid door mijn lijf gieren. Ik wil weer dat de liefde overheerst. Ik hou van haar. Dat wil ik tonen. Zou een bos tulpen helpen? Ja, gele, de kleur van vergeving en verbondenheid. Ik koop een stevige bos.

Maar op weg naar huis, naar haar, voel ik tweeslachtigheid. Doe ik dit nu écht om haar pijn te verzachten? Of – en daarom verkeer ik in dubio zodra ik iets wil geven – doe ik het misschien voor mezelf? Doe ik het om míjn pijn te verzachten? Om haar mild jegens mij te stemmen?

Verdorie. Doe ik het nou wéér? Zet ik mezelf weer op de eerste plaats? Draait het weer om mij?

Ik vrees van wel. Ik wil natuurlijk dat ze niet meer kwaad op mij is. Waarom zet ik háár niet op de eerste plaats? Ik kan toch gewoon van mijn liefde getuigen? Gewoon, mijn liefde geven. Gewoon dóen, gewoon vrijgevig zijn. Eens alleen aan haar denken. Aan haar en aan anderen.

Het zijn dagelijks terugkerende dilemma’s. Dat geldt onmogelijk alleen voor mijzelf. Mensen die onbaatzuchtig geven, tel ik weinig. Ze zijn er heus wel, de Florence Nightingales en Moeder Teresas, die geven zonder iets terug te verlangen. De vrijwillige verplegers en verzorgers, die zichzelf kunnen wegcijferen ten voordele van hun naasten, zonder er iets voor terug te krijgen. Die iets van zichzelf geven: hun liefde en troost, hun medeleven. Gewoon uit liefde voor de anderen. Naastenliefde. Geen rekening openen. Nooit om een terugbetaling vragen.

Ik wou dat ik zo was. Dus niet voortdurend: ‘kijk eens hoe goed ik ben’. Ook niet steeds eerst aan mezelf denken, niet steeds mezelf horen praten, over mijzelf. Maar ook eens luisteren en benieuwd zijn naar wat anderen te zeggen hebben.

Het is nog een hele kunst, altruïsme, ofwel onbaatzuchtig handelen. Of zoals de Franse filosoof en grondlegger van het positivisme, Auguste Comte (1798-1857), altruïsme het interpreteerde: ‘Uitschakeling van egoïstische verlangens en egocentrisme’ en ‘een leven dat gewijd is aan het welzijn van anderen.’

Matthieu Ricard

Op de kaft staat Altruïsme: De kracht van compassie. De auteur is Matthieu Ricard, een 68-jarige Franse boeddhistische monnik. Egocentrisme is het grootste probleem van onze tijd, stelt hij. Alles draait om het ego, om het zelf, om zelfgenoegzaamheid, vooral om bezit. Niet omdat mensen zo worden geboren, maar omdat het hen wordt geleerd door hun ouders en hun omgeving. Wie mee wil in deze harde wereld, heeft als individu de plicht voor zichzelf op te komen.

Ricard verstaat onder altruïsme (of compassie) het verlangen om het geluk van anderen te bevorderen en diens lijden te verlichten. Meevoelen met het lijden van een ander. Hij heeft na jaren van onderzoek (onder meer door gesprekken met denkers, wetenschappers en economen) ontdekt dat altruïsme de sleutel is tot de oplossing van de crises die we momenteel doormaken: sociale, economische en ecologische crises.

We moeten, aldus Ricard, het aandurven altruïsme op scholen te presenteren als een kostbaar instrument, waarmee kinderen hun natuurlijke potentieel tot vriendelijkheid en samenwerking kunnen realiseren. We moeten durven verklaren dat de economie niet alleen maar genoegen mag nemen met de stem van de rede en met louter eigen belang, maar dat ze ook naar de stem van de zorgzaamheid moet luisteren. Serieus rekening houden met het lot van toekomstige generaties. Hoe kunnen we invloed uitoefenen op de tabaksindustrie, de farmaceutische en chemische industrie, de land- en tuinbouw, de klimaatdiscussie? Zodat we het antropoceen, het heersende tijdperk waarin de kwaliteit van onze planeet fundamenteel aangetast dreigt te worden door menselijk wanbeheer, kunnen keren.

Altruïstische liefde is, zo meent Ricard, de beste waarborg voor een vervuld en zinvol leven, een leven waarin we werken aan het geluk van anderen en proberen hun lijden te verlichten. Hij citeert Albert Schweitzer (arts, filosoof, theoloog en medisch zendeling uit de vorige eeuw): ‘Alle echt gelukkige mensen die ik heb gekend, hadden geleerd hoe ze anderen van dienst moesten zijn.’

In zijn boek raakt Ricard aan mijn ervaringen en vooral aan de confrontaties met mezelf. Sinds een jaar of drie leer ik in alle ernst en vol overgave voor boeddhist, bij voorkeur de op westerse belevingen gebaseerde variant Shambhala. Nu ik dagelijks mediteer en contempleer, voel ik wat aan mij schort. Ik ben vooral met mezelf bezig geweest. Wat anderen doen, hoe anderen hun leven leiden, anderen lijden: het is vaak aan mij voorbijgegaan. En dat doet mij pijn.

Met Matthieu Ricard maakte ik eerder kennis. Hij schreef ‘De monnik en de filosoof’. Daarin ging hij de dialoog aan met zijn vader, Jean-François Revel, een vermaard filosoof. Het boek handelt onder meer over verschillen in beleving tussen naastenliefde in het Westen en in het Oosten, over onderwijssystemen en opvoeding. Ricard beweert bijvoorbeeld: ‘Het woord mededogen wekt in het Westen nogal eens de indruk dat het om een neerbuigend medelijden gaat, om een meewarigheid die een afstandelijke houding aanduidt ten opzichte van degene die lijdt. Maar het Tibetaans nyingje, dat vertaald wordt met mededogen, betekent letterlijk ‘de heer van het hart’, dus hij die over onze gedachten moet regeren. Dat is wat anders dan wij in het Westen beleven.’

Zijn recente boek gaat verder. Het spreekt me aan. Ik wíl graag helpen, zonder aan mijzelf te denken. Dat ego van mij – en trouwens ook dat van anderen – mag best eens minder groot zijn. Met bijna negenhonderd pagina’s moet in dit boek voldoende staan om van te leren.

Ook wat de persoonlijke levenswandel betreft, is Ricard een leermeester. Toen hij 25 jaar was, trok hij naar de Himalaya. Hij was in aanraking gekomen met oosterse wijsheden. Dat lag niet erg voor de hand. Hij leefde in weelde. Hij had intellectuele en kunstzinnige ouders, met tal van gelijkgestemde kennissen, van wie hij veel opstak. En hij maakte carrière. Als gepromoveerd moleculair bioloog werkte hij op het Pasteurinstituut samen met de Nobelprijswinnaar voor de Geneeskunde, François Jacob.

Maar er zat hem iets dwars. Er is iets, maar wát? Daarin herken ik iets. Maar Ricard legde zich er niet bij neer. In de Himalaya kwam hij dankzij boeddhistische leermeesters, urenlange meditaties en studies tot nieuwe inzichten.

Veertig jaar woont hij nu in de Himalaya, in het Shechenklooster in Kathmandu, de hoofdstad van Nepal. Tot teleurstelling van zijn in 2006 overleden vader zette Ricard zich met zijn aangetoonde talenten na zijn vertrek uit het Westen niet meer in voor de moleculaire biologie. Ricard riposteerde in De monnik en de filosoof dat hij andere prioriteiten heeft leren kennen. ‘Ik had steeds meer het gevoel dat ik de mogelijkheden van een mensenleven niet echt benutte, dat het leven me dag na dag door de vingers glipte.’ Hij treedt regelmatig op als tolk voor de dalai lama. Nu reist hij de wereld rond om zijn missie uit te dragen.

Ricard beheert een stichting, waarmee hij ongeveer 25 duizend kinderen helpt. Hij doneert een miljoen dollar per jaar aan hulpbehoevende scholen, ziekenhuizen, kloosters en filosofische instellingen in Tibet, India en Nepal. Het geld komt uit opbrengsten van zijn boeken en wereldwijde sponsorwervingen en lezingen. ‘Zonder die jaren van isolatie, waarin ik mijn geest trainde,’ zei hij in een interview in dagblad Trouw, ‘was ik daar niet toe in staat geweest.’

In de Himalaya – waar hij vijf jaar in geïsoleerde meditatie doorbracht – ontmoette Ricard vooral mensen die veel minder met zichzelf bezig zijn. Dat waren niet alleen leermeesters, maar ook ‘gewone’ stervelingen. Van borstklopperij en ijdelheid is weinig sprake bij traditionele volkeren. Hij zag een vorm van vriendelijkheid die ver afstond van het antisociale gedrag in Parijs, het stadse gepronk met onszelf. Met ons Zelf. Met onze ego’s.

Wat als we dat gedrag hier in het Westen leren? Wat als we onze persoonlijkheid meer naar de achtergrond drukken? Als we ons egocentrisme uitschakelden en een leven leiden dat gewijd is aan het welzijn van anderen?

Het is een helse opgave ons ego los te laten. Alleen al eerst in twijfel durven trekken dat mensen van nature géén egoïsten zijn, maar wel degelijk gericht op samenwerking. Samenwerken leidt immers tot meer resultaat dan alleen werken. Door iets samen te doen, kweek je saamhorigheid, krijg je vrienden. Zonder vrienden is maar alleen, nietwaar? De mens is een sociaal dier.

Wielrenner Eddy Merckx

Eens was Eddy Merckx een begenadigd wielrenner. Hij kon winnen wanneer en waar hij maar wilde. Dat deed hij, bijna 20 jaar lang. Andere wielrenners misgunde hij overwinningen, omdat er voor Merckx maar een was die telde: Eddy Merckx. Alles draaide om hem, het uitverkoren supertalent. Zijn ego, dus.

Zo móet het wel zijn geweest. Want Merckx sloot zich af van anderen. Hij vermeed journalisten. Hij had geen oog voor anderen. De beste wielrenner ooit, zo wisten we allemaal, was een onverbeterlijke egoïst. Getuige ook zijn bijnaam: De Kannibaal.

Maar in een terugblik op zijn leven, uitgezonden op de Belgische televisiezender Canvas (december 2014, in de serie Karakters) toonde zich een heel andere Eddy Merckx. Na fysieke aftakeling, ziektes en hartoperaties vertelde de Belg, nu 70 jaar, waarom hij als welvarend constructeur van racefietsen vooral de mannen in dienst nam die hem in zijn loopbaan als succesvol wielrenner ‘gedienstig’ hadden bijgestaan. Die mannen waren na hun sportleven in een zwart gat gevallen. Zonder fiets, doel, kopman, zonder leider, zo bleek, was hun leven zinloos, uitzichtloos en stuurloos geworden.

Merckx herkende het leed. Het zwarte gat na zijn vroeg afgebroken carrière was immens diep. ‘Een wielrenner die stopt, is de eenzaamste man ter wereld.’ De onoverwinnelijke sportman die jarenlang in een cocon had geleefd, zijn emoties had verborgen en had gezwegen omdat hij de buitenwereld (tegenstanders, ploeggenoten, journalisten, supporters) niet vertrouwde, bleek zowaar een gevoelsmens. Eddy Merckx hield van mensen, maar hij kon het niet tonen. Want: ‘Wie een kampioen wil zijn, moet ook een kampioen zijn in het afschermen en maskeren van zijn eigen ik.’

Nu hij zich van zijn masker kon ontdoen, ontstond een ander beeld. Anderen hadden willen profiteren van zijn roem. Anderen hadden hem bestempeld tot een god. Dáárom hield Merckx zich afzijdig en fietste hij onverstoorbaar naar zijn volgende triomf. Hij had andere mensen best willen helpen als ze in nood verkeerden, naar adem hapten of om geld verlegen zaten. Hij had best altruïstisch willen zijn, maar dan zou hij zijn heerschappij als wielrenner verliezen. Dan zou hij zijn ‘ik’ tekort doen. Een winnaar laat zijn kwetsbaarheid niet zien.

Wat leren we hiervan? Eddy Merckx was niet de egoïstische sportman, vervuld van zijn talent en triomfen. Hij was een bescheiden mens die niet beter wist en gewoon deed wat hij als sportman moest doen: winnen. Pas toen zijn carrière was beëindigd, besefte de Belg dat hij de triomfen niet alleen aan zichzelf te danken had. Toen pas betuigde hij dank aan mensen die zijn successen mogelijk maakten: zijn ouders en managers die hem hadden beschermd tegen de ‘vijandige’ buitenwereld, zijn ploeggenoten die hem ‘uit de wind hielden’, zijn ‘waterdragers’ die hem verzorgden. Toen pas kon Merckx zijn menselijke kant tonen en hielp hij die mannen die hem eerst verweten koel, afstandelijk en egocentrisch te zijn, maar die nu in hun zwarte gat ronddoolden. Nu Merckx niets meer te verliezen had, kon hij nederig zijn en zich op anderen richten.

Eddy Merckx werd verdoofd door ( te veel) succes. Hij ging geloven dat hij een god was: de perfecte mens die alles won en daarom de wereld aan zijn voeten kreeg. Hij was niet in staat te geloven dat hij dat die triomfen ook aan anderen te danken had. Op een moment in zijn leven begreep Merckx dat hij (ook) anderen moest helpen. Hij was niet langer het epicentrum. Hij zag anderen lijden, mogelijk omdat hij zichzelf herkende in het lijden: niet kunnen zijn wie je eigenlijk bent, omdat je wordt geleefd. Kom, dacht hij, ik help mensen die minder kwaliteiten hebben. Eddy Merckx werd mens onder mensen.

Basketbalcoach Phil Jackson

In de sport, een competitieve wereld bij uitstek, komen veel uitblinkers na verloop van tijd tot deze ontdekking. Michael Jordan, de beste basketballer aller tijden, leerde van zijn coach dat hij nog beter zou worden als hij aandacht zou hebben voor zijn minder getalenteerde medespelers. Die coach, Phil Jackson, was door het zenboeddhisme geïnspireerd. Hij confronteerde Jordan met zijn ego. Zelf als je nog zo goed bent, moet je hulp vragen en hulp bieden. Want alleen sámen met anderen word je beter.

Jackson liet zijn spelers het sprookje De tovenaar van Oz lezen, over de uit nood gedwongen zoektocht naar de ‘verlosser’. Onderweg vinden lotgenoten elkaar: een vogelverschrikker die hersens nodig heeft, een blikken man die graag een hart wil, een bange leeuw die hoopt dat de tovenaar hem meer moed kan geven. Allemaal hebben ze hun beperkingen, maar samen vormen ze een effectief team. Later ontwikkelen zij zich tot trouwe bondgenoten. Het ‘ik’ maakt ruimte voor het ‘wij’.

Ook gingen Jordan en zijn teamgenoten mediteren in een échte schrijnruimte, met smeulende wierook en salie. Hij leerde hen contempleren over de kracht van samen doen en anderen helpen door jezelf weg te cijferen, je ego los te laten. Zo leerden ze elkaar begrijpen, de goden en hun volgers. Samen spelen. Het door Jackson aangestuurde altruïsme leidde tot een record aan triomfen en titels.

Is het vreemd dat ik de sportwereld als voorbeeld neem? Ik heb in 35 jaar als sportverslaggever ervaren dat het ego van de beoefenaren groeit als de successen zich aaneenrijgen. Totdat groei tot overschatting leidt. Ik zag dat mensen die niet de top haalden, terneergeslagen raakten. Ze waren altijd voor zichzelf gegaan, mede omdat hun omgeving (ouders, familie, vrienden) hen daartoe aanzetten: Jij kunt het, jij bent de beste. Alles draait om jou. We herkennen het fenomeen, zodra we als betrokkenen aan de zijlijn staan. Direct betrokkenen willen maar één ding: hij moet winnen.

Teamgeest spreekt in de sport weliswaar tot de verbeelding, maar uiteindelijk draait het om winnen. Wie in een team speelt, wil niet alleen beter zijn dan de tegenstander, maar ook beter dan de ploeggenoten, want anders sta je ernaast. Sport is hét terrein waarop je jezelf voortdurend op de borst klopt en anderen kleineert, ter meerdere eer en glorie van je eigen ego.

Sport wordt een afspiegeling van de samenleving genoemd. Wie wint, wordt bevestigd in zijn ego; wie verliest, wordt verbannen en kan beter vluchten. Denken wij zo ook buiten het stadion? Zijn wij in ons dagelijkse leven ook bezig ons ego op te poetsen en iedere beschadiging van ons zelfbeeld te vermijden? Of zeggen we bijvoorbeeld ook een dakloze gedag? Vragen we ons af waarom hij geen huis en geen werk heeft? Sterker, overwegen we onze hulp en bezittingen (geld) aan te bieden?

Terug naar het sportveld. Leren we onze kinderen (onszelf) we dat er minder getalenteerde meespelen? Of denken en spelen we alleen voor onszelf? Ik herinner me nog hoe wij (als jeugdspelers) een jongen die (te) traag of te dik was, dan wel motorisch beperkt (hij deed zo raar) haatten, omdat hij ons hinderde op weg naar de titel. Hij moest vervangen worden, en snel. Voor mensen die niet perfect zijn, is geen plaats.

De Nieuwe Liefde

Matthieu Ricard verkondigde in februari van dit jaar in De Nieuwe Liefde in Amsterdam zijn verhaal in een bordeauxrode pij. Een rare kwast, zo zou je hem kunnen zien. Hij wekt daarom mogelijk argwaan. Het vergt bereidheid open te staan voor ‘nieuwe’ inzichten – en al helemaal van iemand die decennialang ver van de ‘geciviliseerde’ (ons bekende) wereld heeft gewoond. Toen ik hem zag won mijn nieuwsgierigheid het van mijn angsten. Een gewone man, hij droeg sportschoenen, glimlachte niet voortdurend en aanschouwde de wereld niet door een rose bril. Hij was realistisch, vol van overtuiging zijn ervaringen te moeten delen.

Uit de zaal – met 250 bezoekers – werd een vraag gesteld over psychopaten en sociopaten, ontspoorde mensen in een verwarrende samenleving die geen empathie (meer) voelen. Of dictators, mensen zonder geweten. Hoe ga je er om mee om? Hoe kun je hen helpen? Over altruïsme gesproken. Ricard: ,,Niemand vraagt je van deze mensen te houden, van je vijanden of van psychopaten te houden. Je wenst hen geen succes met het moorden van andere mensen. De vraag is: wat kan ik doen om tot hen door te dringen, iets te begrijpen van wat hen bezighoudt? Wat is hun diepe behoefte? Ik had 24 uur met Saddam Hussein kunnen doorbrengen en naar hem kunnen luisteren. Zo lang mogelijk meegaan, als een judoka, om dan heel even te proberen hem op het andere been te zetten: een vraag over liefde. Van wie houdt u? Als je merkt dat hij iets oppikt, weer luisteren. Het vraagt geduld en vooral liefde, zeker geen vijandigheid. Ik denk dat het mogelijk is psychopaten, mensen zonder empathie te helpen. Luister naar hen. Toon je liefde, elke keer. Misschien…’’

Empathie, het begrip is gevallen. Empathie gaat dieper dan altruïsme. Zo ging Ricard in op de opmerking van Roman Krznaric, de Engelse socioloog en filosoof, die met Alain de Botton The School of Life oprichtte. Krznaric confronteerde Ricard met zijn inzichten over empathie. Krznaric schreef er een boek over: Empathie. Empathie is het vermogen om je te verplaatsen in anderen, in de hoop hen daardoor beter te begrijpen.

Bedenk, vroeg Krznaric, hoe een ogenschijnlijk, emotieloze man er in een andere, meer menselijke gedaante uitziet, bijvoorbeeld wanneer hij met zijn zoontje van drie verstoppertje speelt of een liedje zingt voor zijn bejaarde moeder om haar op te vrolijken. De omgang wordt anders. De kans is groot dat ook hij verzacht. Zo veronderstelt Krznaric.

Maar toch: empathie zuigt je leeg. Zo meent Ricard. Wanneer je voortdurend empathie, voor een zieke hebt, probeert ín te voelen, kan dat leiden tot een burn-out. ,,Je kunt als arts of verpleger niet ongestraft de hele dag met de patiënt mee-lijden. Maximale betrokkenheid, maximale distantie. Warmte geven kan op den duur veel doen, meer. Als de patiënt, degene die lijdt, jouw warmte voelt, kan dat de pijn verlichten.’’

Max Planck Instituut

Ricard baseert zijn inzichten op neurologische testen van de Duitse Tania Singer, directeur Sociale Neurowetenschappen aan het Max Planck Instituut in Leipzig. Uit hersenscans die Ricard bij Singer onderging, werd duidelijk dat bij altruïstische gedachten (meeleven) reacties in de hersenen zijn waar te nemen die anders zijn dan bij empathische gedachten (inleven). Zoals Singer begin dit jaar bij het World Economic Forum in Davos, waar Ricard een betoog over altruïsme hield, aangaf: ‘Het gebrek aan compassie is misschien wel de oorzaak van de grootste mislukkingen van de mensheid.’

Ik heb het zelf leren herkennen. Ik heb me eens proberen te verplaatsen in een andere, lijdende, zieke medemens. Wat voelt hij nou? Ik ging mee. Ik meende zijn pijn te voelen, zijn wanhoop, zijn hoop. Ik begroef mezelf in die ander. Het hielp niets, hem niets en mij niets. Het putte me uit. Ik raakte in verwarring. Waardoor de ander nog meer in verwarring raakte. Want ik was die ander niet. Het was niet mijn pijn.

Altruïsme kan je een verblijd gevoel geven, zonder dat je trots voelt of je ego bevestigt. Geef de ander ruimte om te denken wat hij denkt. Zet hem (de psycho- of sociopaat, de dictator) niet onder druk, probeer hem voorzichtig ervan te overtuigen dat je zijn behoefte (woede?) wil begrijpen. Zoals ik eerder Ricard citeerde over zijn ingebeelde ontmoeting met Saddam Hussein. Geef liefde, luister met liefde, geef, geef hem als medemens wat je aan liefde hebt. Verwacht geen geschenk voor je betoonde liefde.

Voor wat hoort wat. Het is de valkuil voor iemand die meent zich altruïstisch te gedragen. Dan geef je met in gedachten de stille hoop, soms onbewust, er iets voor terug te krijgen. Of eenvoudigweg omdat het je ego streelt: kijk mij eens goed zijn, ziet iedereen wel hoe goed ik ben.

Neem mijn relatie tot Facebook. Soms deel ik een bericht over mensen in nood, of over een boeddhist die altruïsme wil verspreiden. Waarom doe ik dat? Om anderen te helpen of aan het denken te zetten? Of wil ik misschien tonen dat ik anderen zo graag wil helpen of weer iets te vertellen heb? Vis ik niet gewoon naar een compliment?

Mocht altruïsme in onze natuur zitten, dan wordt het al gauw verdrongen. Conditionering doet haar werk. We gehoorzamen aan ouders en onderwijzers. In zijn boek verwijst Ricard naar een studie onder kinderen tussen 6 en 9 jaar die werden meegenomen naar een ziekenhuis om een ander kind te bezoeken. Vraag twee weken later of het kind opnieuw mee wil gaan en er is zeventig procent kans dat dat zo is. Maar heb je het kind na het eerste bezoek een beloning gegeven – een snoepje, een moment om met de iPod te spelen – dan is de kans, verrassend genoeg, veel kleiner dat het kind nog mee wil. De conclusie van Ricard: ,,Kinderen willen wel mee om te troosten of te helpen, maar niet omdat ze een lolly krijgen.’’

Tussen zijn tweede en vijfde jaar werkt een kind spontaan mee met anderen, weet Ricard. Pas later komt het besef dat niet alle mensen lief en behulpzaam zijn. Zo leert een kind zichzelf tegen die soort mensen beschermen. Vanaf 12 of 13 jaar breidt de empathie zich weer uit en begint het kind zich verwant te voelen met bijvoorbeeld leeftijdgenootjes in arme landen.

Zo gaat het althans in het Westen. In traditionele samenlevingen, zoals in de Himalaya, legt Ricard uit, voelt iedereen zich betrokken bij de anderen. ,,Je hoeft er tegen een jongen van 10 niet te zeggen dat hij zich moet bekommeren om zijn zusje van 3’’, vertelt Ricard. ,,Dat gebeurt daar spontaan.’’
Kunnen wij dat ook?

test ricard
Het goede nieuws is: gedrag is te veranderen. Hersens zijn flexibel. Meermalen heeft Ricard hersenscans ondergaan. De ene keer werd hem gevraagd altruïstisch te denken. De andere keer empathisch. Beide gedachten leverden verschillende resultaten (verkleuringen) in de respectieve hersendelen op. Er gebeurde domweg iets in de hersens. Bij Ricard, en vooral bij monniken die van jong af aan dagelijks vele uren mediteerden en contempleerden, werden veranderingen in de hersenen waargenomen. Bij mensen die niet mediteerden werden geen veranderingen waargenomen, tenzij zij zich veelvuldig overgaven aan altruïsme, liefde voor anderen. Hersencellen verbinden zich met elkaar door training; synapsen vinden elkaar door ‘beoefening’, zoals dat in boeddhisme wordt genoemd. Kortom: je kunt écht veranderen door meditatie.

Tijdens zijn voordracht toonde Ricard met behulp van grafieken hoe kinderen kunnen veranderen. Vraag ze een cadeau te geven aan een ander kind. In eerste instantie gaat het cadeau naar het vriendje. Na een paar weken dagelijks een tiental minuten mediteren en contempleren (denken over een ander als mede-mens), werd het cadeautje juist gegeven aan het lelijkste of vervelendste kindje uit de klas.

George Harrison

Er is een documentaire over George Harrison, Living in the material world, gemaakt door Martin Scorsese. Het is nagenoeg bekend dat de ex-Beatle jarenlang mediteerde. In het torentje van zijn buitenverblijf in Engeland mediteerde hij elke dag in de vroege ochtend. Hij had ook lange sessies met Maharishi Mahesh Yogi. Op een goed moment gaf Harrison veel van zijn bezittingen zomaar weg. Zelfs zijn vrouw. Hij gaf haar zijn beste vriend, Eric Clapton. ‘Ga maar,’ zo parafraseerde Clapton wat zijn vriend had gezegd. ‘Je bent niet van mij, dat heb ik gezien, je bent van Eric, mijn beste vriend.’ Was Harrison een altruïst dankzij meditatie en contemplatie?

En dan probeer ík mijn vrouw te behagen met een bosje bloemen.

Meditatie kan betekenen: leeg maken, rust aanbrengen in je gedachten, gedachten waarnemen en weer laten gaan. Je kunt tijdens meditatie ook mantra’s herhalen (of reciteren uit boeddhistische teksten en lezen in boeddhistische geschriften); bijvoorbeeld de wens dat anderen vrij zijn van lijden, dat anderen geluk mogen ervaren, dat anderen handelen vanuit hun fundamentele goedheid. Dat is de beoefening. Als je niet kunt schaatsen, kun je door veel oefenen schaatsen aanleren. Tijdens zijn bezoek aan Nederland in februari liep Ricard met blote armen door de vrieskou van Amsterdam. Hij zei: ,,Ik heb mijn lichaam getraind om tegen de kou te kunnen.’’

Ik kan oefenen in anders denken. Dat is riskant. Voordat je het weet, ben je op een ‘verkeerd’ pad. Ik hoor het mensen al zeggen: Je bent de weg kwijt, je bent niet meer degene die ik ken. Hopelijk ben ik op het goede pad. Ik ga geloven in fundamentele goedheid. In het idee dat iedereen wil geloven in zijn eigen goedheid. Dat iedereen op zijn eigen wijze geluk nastreeft. Dat iedereen van nature altruïstisch is en niet egoïstisch. Dat iedereen elkaar wel wil helpen.

Ter afsluiting van zijn voordracht in De Nieuwe Liefde citeerde Matthieu Ricard uit zijn boek de Romeinse filosoof Lucius Annaeus Seneca. Ruim tweeduizend jaar geleden schreef hij: ‘Het is niet zo dat we niet durven, omdat het allemaal zo moeilijk is. Het is allemaal zo moeilijk, omdat we niet durven.’
Dat is voor mij een mantra als het dilemma over weggeven mij weer eens dwarszit.

Guus van Holland, die worstelt met geven, zichzelf wegcijferen, anderen steunen, naar anderen luisteren, zijn narcisme probeert te begrijpen en hoopt dat altruïsme dan wel compassie de samenleving vriendelijker kan maken.

Dit artikel is gepubliceerd in de (Engelstalige) zomereditie van The Optimist

Over smaak valt te twisten over grootmeesterschap niet

15 Feb

Louis van Gaal, Sportcoach van 2014

louis
Aloysius Paulus Maria van Gaal (bekend als Louis) moet hebben geweten dat hij afgelopen december tot Sportcoach van het jaar 2014 zou worden gekozen. Hij moet ergens in zijn brein vol alarmbellen en andere zintuiglijke indicatoren hebben gevoeld dat de vakjury niet om hem heen kon. Over smaak valt nog te twisten, over grootmeesterschap niet.

Het zal toch niet zo zijn dat een forum van als vakbekwaam gekwalificeerde mensen hem na het meeslepende wereldkampioenschap voetbal in Brazilië de hoogste Nederlandse sportonderscheiding passeren?

Je voelt het Louis van Gaal denken, ’s nachts even draaiend in zijn bed na weer een beladen wedstrijd, om dan met een hervonden – op zelfvertrouwen gebaseerde – rustige hartslag in slaap te vallen. Ik ben toch de beste? Ja, ik ben de beste. Van allemaal. Zo zou hij ingeslapen kunnen zijn.

Want aan iedereen die met voetbal is begaan, heeft hij immers getoond dat hij en zijn team van specialisten een groep jonge, min of meer internationaal beperkte voetballers naar het hoogste niveau kunnen brengen. Zelfs de wereldtitel behoorde tot de mogelijkheden. Want ook de Duitsers (de uiteindelijke wereldkampioenen, met hun al jarenlang ver doorgevoerde tactische en technische voorbereiding onder leiding van bondscoach Joachim Löw) had Van Gaal en de zijnen kunnen verslaan.

Wanneer het hoge doel wordt bereikt, is borstklopperij begrijpelijk en menselijk. Trots mag, trots is geen vies woord, trots is geen slechte eigenschap, trots is een bevestiging van het zelfvertrouwen. Wie met zijn hand op zijn hart timmert, is verguld van zichzelf. Wie dat niet doet (niet durft), is bang. Bang om zichzelf te zijn. Het ego mag best eens een schouderklopje krijgen na een succesvol verlopen uitdaging.

Aan de top ben je gauw eenzaam. Zo beseft Van Gaal. Enerzijds word je aanbeden, anderzijds dreig je als ‘topper’ al gauw naar beneden gehaald te worden, om welke reden ook. Het getuigt daarom van een immense kracht door te gaan op het gekozen pad. Niet eigenzinnig maar vastbesloten.

Op dat pad zoek je voortdurend naar verbetering, naar iets nieuws. Naar mensen die kunnen helpen, inspireren, vooral luisteren naar degenen die je op het andere been zetten. Je vijanden zijn ook je leermeesters. Anderen het vertrouwen geven, mensen die meer weten, hun eigen expertise hebben. Naar andere facetten van het leven en van coachen kijken (ook buiten de sport en buiten voetbal), en ze meenemen ter aanvulling op jouw perceptie. Louis van Gaal heeft zich er in de loop van zijn loopbaan als coach een meester in getoond.

Van Gaal heeft geleerd dat je niet alleen hoeft te staan. Alleen is maar alleen, en maakt je kwetsbaar. Delen geeft je het gevoel sterker te zijn. Anderen zijn er om je te helpen. Die visie deelt hij ook met voetballers met wie hij samenwerkt.

phil meditatie
Zo deed Phil Jackson, vaak de beste sportcoach van de laatste twintig jaar genoemd. Niet alleen omdat hij elfmaal kampioen werd van de NBA (zesmaal met de Chicago Bulls, vijfmaal met de LA Lakers). Jackson putte uit zijn zenboeddhistische leringen (van Shunryu Suzuki) en het boek ‘Zen and the Art of Motorcycle Maintenance’ (van Robert Pirsig) en overtuigde basketballers met een groot ego als Michael Jordan, Kobe Bryant en Shaquille O’Neal ervan hoe zij naast hun eigen talenten konden profiteren van de kwaliteiten van hun teamgenoten. Samen spelen als de lamme met de blinde. Elkaar nodig hebben, steunen, aanvullen, waarderen. Een team is beter dan één superster, we horen het Van Gaal vaak zeggen.

Van Gaal laat niet alles over zijn werkwijze los. Dat is jammer voor ons nieuwsgierige buitenstaanders. Maar begrijpelijk in zijn wereld van competitie en naijver. De concurrentie zit ook niet stil. Veel van wat hij aan kennis heeft verworven, kan worden aangewend door concurrerende coaches, mensen die hetzelfde (de top) willen bereiken. Maar niet alle coaches is het gegeven zo gedisciplineerd en nieuwsgierig te werken. Juist Van Gaals talent is doorslaggevend voor herhaald succes. Fingerspitzengefühl. Zijn charisma is onomstreden. Om Louis van Gaal kun je niet heen.

Round of 16 - Netherlands vs Mexico
Van Gaal laat niets aan het toeval over. Wat anders kan van een coach worden verwacht? Maar Van Gaal gaat vaak verder. Hij wil alles in zijn greep hebben. Het gras moet op maat zijn én vochtig genoeg om de balcirculatie vloeibaar te laten verlopen. Daarom moet ook de bal de gewenste hardheid hebben. Ballenjongens moeten alert en snel zijn. Hij vraagt de betrokken media eensgezind achter de ploeg te staan. Spelers dienen dankzij uitputtende trainingsherhalingen geconditioneerd gedrag te tonen. De looplijnen en bewegingen, uitgekristalliseerd door computeranalisten, moeten strikt gevolgd worden. Overbodige, onverwachte emoties dienen vermeden te worden.

Mede daarom wordt het management van Louis van Gaal ten voorbeeld gesteld aan de zakenwereld. De consultants Jeroen Visscher en Jurgen Frumau schreven er een boek over: ‘Hoe smeed je wereldkampioenen’. De oud-economiejournalist van NRC Handelsblad en oud-hoofdredacteur van opinietijdschrift The Optimist, Max Christern, bracht onlangs het boek ‘De Keeperswissel; de 7 Managementlessen van Louis van Gaal’ uit. Daarin zet hij uiteen wat managers in het bedrijfsleven kunnen leren van de methode-Van Gaal. En dat is veel.

Maar de zakenwereld is niet de sportwereld. Emoties horen bij sport. Zonder emoties is er geen sport, zonder sport geen emoties: geen hoop, verdriet en euforie. Mensenwerk dus. Dat is juist de charme van sport. Passie is een niet te versmaden factor.

Vooral emoties kunnen een obstakel vormen voor een coach die perfectionisme nastreeft. Daarom worden al gauw een psycholoog of op zijn minst sportpsychologische inzichten ingeschakeld. Daarmee kunnen achtergronden en mogelijke angsten en trauma’s van een speler worden geanalyseerd en mogelijk omgebogen tot een krachtiger houding. Van Gaal ziet het als een prioriteit veel (als leraar en vooral vaderlijk) met spelers te praten, over hun drijfveer, afkomst, verleden, familie en leefsituatie. Hij wil ze begrijpen, hun mentale kracht doorgronden en daar met elkaar naar handelen.

Hij wil de mens centraal stellen. Zoals hij zegt: ‘Heel de mens doorzien’. Wat kan de speler, wat kan hij niet, onder welke omstandigheden voelt hij zich goed, wanneer niet.

Bij Bayern München dienden spelers ’s morgens voor de training een checklist in te vullen met thema’s als slaapgedrag, eet- en drinkgewoonten, actuele gedachten en zielenroerselen, familiesituaties en zo verder. Dat werd gecombineerd met fysieke testen, waaraan (ook) de psychische gesteldheid kan worden afgelezen. De resultaten werden besproken met het team van specialisten. Zo kunnen hoofdcoach en begeleidende specialisten bepalen hoe spelers in hun vel steken en trainingen indien nodig aanpassen. Zo weet de speler dat hij aandacht krijgt en dat rekening wordt gehouden met wat hij wil en niet wil, kan of niet kan. Ieder zijn kracht en zijn kwetsbaarheden.

Het is alsof Van Gaal liefst robots (geprogrammeerd in de controlekamers) het veld in wil sturen. Gesteund door de technologie die tegelijk de emotie uit de sport verdrijft. Geprogrammeerd naar zijn wensen, voldoening gevend aan het altijd sluimerende verlangen de beste coach ter wereld te zijn. Een chip in het hoofd van de spelers, waar alle acties en (mogelijk) reacties staan opgeslagen. Het is een toekomstbeeld, met de ogenschijnlijk steeds groter wordende ambities in de sport.

Van Gaal wekt de indruk nog steeds graag met ménsen samen te werken. Spelen dus. Als geboren liefhebber van spel in het algemeen en voetbal in het bijzonder. Samen spelen om het hoogste te bereiken.

Phil Jackson liet zijn spelers naar de Wizard of Oz kijken, sprookjes lezen, in een ingewijde ruimte mediteren en altruïsme overdenken. Waarom zou Van Gaal dat niet doen? Vooralsnog richt hij zich op zijn eigen, voortdurende vernieuwende wijze. Hij staat open voor wat zich aandient in de psychologische, sociologische en medische wetenschap en voor visies van anderen die hun waarde hebben onderstreept.

Wat in de media over hem, zijn gedrag en zienswijze wordt beweerd, laat hem vermoedelijk niet koud. Hij beseft na ruim twintig jaar (eigenzinnig) coaching in Nederland, Spanje, Duitsland en Engeland dat hij op de huid wordt gezeten. Soms draagt hij een harnas. Maar dat voelt niet goed. Hij wil toch een mens zijn, met een open hart en een open geest. Laat ze maar komen, laat ze maar vragen, insinueren en tweedracht zaaien.

Die keeperswissel, ja. Tim Krul in plaats van Jasper Cillessen bij de strafschoppen. Tijdens het de kwartfinale van het WK, nota bene. Zomaar ineens? Vast niet. Het had anders kunnen lopen. Maar op dat moment zag Van Gaal met zijn team wat er nodig was. Hij had een nieuw wapen gevonden. Wie weet, was dit de weg naar glorie. En ja, het was de weg. Durf opent deuren.

Wie is in staat zichzelf een algemeen aanvaarde houding geven voor het front van microfoons en camera’s? De een verdwijnt in zichzelf, de ander groeit en gloeit van zelfverheerlijking. Zoals Louis van Gaal.

Zoals hij daar stond met de prijs als beste Sportcoach van 2014, met een mengeling van trots en verlegenheid. Dat was bewonderenswaardig en vertederend tegelijk. Iedereen had gezien wat Oranje presteerde in Brazilië, velen leefden mee. Maar niemand had voorspeld wat de coach met zijn team had voorbereid in de achterkamertjes van Oranje. Zo snoerde hij criticasters de mond en onderstreepte hij vooral zijn meesterschap.

Louis van Gaal is een bijzondere coach. Dat streelt hem. En dat mag.

Dit portret van mijn hand is gepubliceerd in het februarinummer van Nlcoach

Door sport heb ik boeddhisme leren kennen

23 Mrt

Deze column staat in verkorte vorm op de voorjaarsuitgave van de website van De Vrienden van het Boeddhisme: http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/

Er woedde een strijd in mij, zeker als mens die beroepshalve over sport schreef. Vanwaar toch die fascinatie voor strijd, competitie, rivaliteit en vaak daaruit voortvloeiende animositeit? Dat de één beter is dan de ander. Dat ik beter wilde zijn dan een ander. En dus ook niet minder wilde zijn. Dat gevoel werd naarmate ik ouder werd en er meer over schreef steeds heviger – onaangenamer ook.

Aanvankelijk ging ik de drijfveren van mensen onderzoeken, in het bijzonder van mensen die wedstrijdsport bedreven. Interview na interview schreef ik. Niet alleen met topsporters maar ook met sportpsychologen, sportsociologen en sportfilosofen. Denkers. Dieper en dieper. Tja, het was the survival of the fittest. Zo was het nu eenmaal.

Zo’n 35 jaar geleden zei mijn eerste psychische hulpverlener, ‘spiritueel psychotherapeut’ Yde Lansen: ‘Guus, je denkt dat je in interviews op zoek bent naar de drijfveer in anderen. Maar je bent op zoek naar jezelf. Anderen zullen niet begrijpen wat je zoekt in hen. Zij kunnen jouw verhaal niet vertellen. Dat moet je zelf doen.’ Terzijde: in 1992 verscheen van Yde Lansen (samen met zijn ex-vrouw Mieke Bello het boek ‘Je gaat niet zomaar dood’ en in 1997 ‘De verstopte mens; hoe de goden en ons goddelijke lichaam weer zichtbaar kunnen worden’.

De zoektocht stemde maar niet tot tevredenheid, tot vrede met mezelf. Het leek inderdaad om mijn eigen zucht naar strijd te gaan. Wat ik om mij heen zag was projectie. Het was een nogal vermoeiend proces, uitputtend zelfs. Was er dan echt geen vreedzamer leven, elders?

Boeddhisme dan maar. Daar moest ik me in verdiepen. Had ik niet vaak verlangd naar een verblijf in een klooster? Rust en vrede, overal. Was ik niet eens bijna toegetreden tot de volgelingen van Bhagwan Shree Rajneesh, en sannyasin geworden? Ik las en herlas zijn boek: ‘Mijn weg de weg van de witte wolk’. Nee, geen volledige overgave aan een goeroe. Niet naar Poona. Niet in oranje over straat. Geen uniform. Ik wil wel autonomie.

Het leven voelde niet goed. De fascinatie voor sport was vaak ook een last. Ik leidde een dubbelleven.

Phil Jackson


Phil Jackson

Toeval kon het niet zijn dat ik begin jaren negentig bij een reportage over sportbeleving in de Verenigde Staten werd geconfronteerd met Phil Jackson, basketbalcoach van de Chicago Bulls, wereldkampioenen, het team van een van de beste sporters aller tijden, Michael Jordan. Een ‘sportspiritueel’ familielid, Frank Heckman, met Steven de Bie schrijver van ‘De Reis van de Held’ (de basis van de Nederlandse olympische sportsuccessen in de laatste jaren), wees mij bij mijn bezoek aan Chicago op het boek Sacred Hoops, Spiritual lessons of a hardwood warrior. Het was geschreven door Phil Jackson.

Het boek was een openbaring. Een sportcoach die spelers liet kennismaken met Indiaanse rituelen, sprookjes liet lezen als The Wizard of Oz (over de goeden en de kwaden), die vertelde over zenboeddhisme en hun leerde mediteren. Jackson, zoon van ouders die beiden dominee waren van de Pinkstergemeente, had als jonge student en basketbalspeler marihuana gerookt en lsd gebruikt. Niet ter vermaak, beweerde hij, maar om zijn perceptie te doorgronden. Hij had zich verdiept in politicologie, sociologie, filosofie en antropologie, en werd geraakt door de wijsheden van zenleraar Shunryu Suzuki, wiens lezingen hij regelmatig bezocht.

jordan
De Amerikaanse media noemden Jackson met een mengeling van cynisme en verwondering The Zenmaster. Hij liet mannen met een groot ego, zoals sterspeler Michael Jordan, ervaren hoe het voelde wanneer zij zich met anderen vergeleken. Jordan mocht dan met meer talent zijn gezegend, met anderen zou hij nog beter presteren. Jordan leerde dat hij zich niet beter en groter moest voelen dan zijn medespelers. Ieder zijn eigen talent. ‘Door de meditatiesessies van Jackson heb ik mezelf in relatie tot anderen leren zien. Ik werd er een betere speler door,’ gaf Jordan later toe.

De boeken van Jackson boden mij het inzicht dat wedstrijdsport en boeddhisme niet met elkaar hoeven te botsen. Dat ze kunnen samengaan, zelfs verhelderend en versterkend kunnen werken. Ik kon verder met mijn zoektocht. Ik probeerde te mediteren, las meer boeddhistische boeken – van alle stromingen. Toch bleef die verdomde strijd en competitie mij belasten. Ik moest en zou winnen, de beste zijn. Het leidde tot alweer een burn out.

Deelname aan een weekeinde Dharma Art met de Amerikaanse Shambhala-leraar David Schneider leidde tot nieuw inzicht. Toen Schneider de aanwezigen vroeg iets te vertellen over zichzelf en over het doel van hun deelname, durfde ik openlijk te zeggen dat ik sportjournalist was en moeite had met competitie. Naast me hoorde ik een vrouw diep zuchten. Was dat een teken van afwijzing?

In de theepauze vroeg Schneider mij of ik wist dat die dag het Nederlands voetbalelftal een belangrijke wedstrijd moest spelen. En of ik de uitslag wist. Wat? Deze boeddhist was in voetbal geïnteresseerd? Ik rende naar buiten, zette de autoradio aan en wachtte tot ik de tussenstand hoorde. Teruggekeerd kon ik Schneider melden dat Nederland met 1-0 voorstond. En zo kon het gesprek over sport en boeddhisme verder gaan. Terwijl anderen zich bogen over de mogelijkheden van een verlichte samenleving.

Mijn fascinatie voor competitie leek niet ongepast. Jaren later stuurde ik Schneider een email met een vraag over boeddhisme en strijd. Ik wilde er een verhaal over schrijven, misschien wel een boek. Schneiders antwoord was kort maar krachtig. ‘Je moest eens weten hoeveel strijd de Boeddha heeft moeten leveren.’

Roberto-Baggio-01
Topsporters die een boeddhistische levenswijze volgen, zijn dun gezaaid. Ik ken Tiger Woods en zijn worstelingen. En de Nederlandse boksster Lucia Rijker en de voormalige Italiaanse stervoetballer Roberto Baggio (zie foto boven), beiden volgelingen van het Nichiren-boeddhisme. Baggio was in de jaren tachtig een van de mooiste voetballers ter wereld. Een zachtaardige, technisch begaafde speler die voor het Italiaanse nationale elftal uitkwam. Voetballer naar mijn hart. Hij droeg zijn lange krullen in een paardenstaart. Ze noemden hem ‘Il Divin Codino’, de goddelijke paardenstaart, mede omdat hij vaak over boeddhisme sprak.

baggio
Ook door de vele blessures die hij als voetballer opliep, ging hij op zoek naar de zachte kant van het leven. Hij maakte kennis met het Nichiren-boeddhisme. Baggio werd aanhanger van Soka Gakkai, een Japans boeddhistische organisatie die zich inzet voor vrede, cultuur en onderwijs. In 2010 kreeg hij van het Nobelprijscomité voor de vrede de Peace Summit Award (op de foto naast Aung San Suu Kyi) http://www.dailymail.co.uk/news/article-1328024/Italian-footballer-Roberto-Baggio-honoured-peace-award-Burma-democracy-efforts.html, voor zijn wereldwijde inzet. Op zijn website niets actueels over voetbal, maar wel vooral beelden van hem omringd door mensen (kinderen) die hij wil helpen en heeft geholpen, en van hem in meditatie.

Niet dat sport Baggio niet meer boeit. Maar zijn strijd is voorbij. Twee jaar geleden legde hij zijn functie als technisch directeur bij de Italiaanse voetbalbond na twee jaar neer. Zijn doel om in samenwerking met de ook door boeddhisme geïnspireerde bondscoach Cesare Prandelli creatief voetbal te bevorderen en de jeugd enthousiast te maken voor het voetbal als spel en bron van plezier, was tot mislukken gedoemd. Baggio en Prandelli (beiden afkomstig van de voetbalclub Fiorentina) stonden aan de basis van het nieuwe positivisme in het Italiaanse voetbal. Maar nadat de Italiaanse bond Baggio’s vernieuwingsplan had genegeerd, besloot Baggio zijn liefde voor mensen elders in praktijk te brengen. Hij wilde niet meer winnen, hij wilde delen. In harmonie leven met anderen, niet meer in wedijver.

running
Mijn leraar is Sakyong Mipham, zoon van Chögyam Trungpa Rinpoche die het Shambhala-boeddhisme in het Westen verspreidde. Sakyong is een sportman. Hij was een fervent boogschutter en ruiter, en speelt golf. Hij heeft ervaren dat naast meditatie en zelfstudie ook lichaamsbeweging zijn geest verrijkt. Onlangs verscheen van hem het boek Running with the mind of meditation, waarin hij als fanatiek marathonloper de overeenkomsten tussen hardlopen en meditatie uitlegt.

Mede dankzij hem kom ik nu dagelijks op het kussen mezelf tegen. Ik adem, voel, beleef en zie de strijd in en tegen mezelf. Langzaam wordt de strijd minder. Misschien is het de woede die milder wordt, het verongelijkte gevoel dat ik niet beter ben dan anderen – ook niet minder. Ik hoef niet altijd meer de beste te zijn. Winnen is niet langer noodzakelijk. Het is de kunst van het loslaten die ik me probeer eigen te maken. Dat is zwaar. Misschien vecht ik (nog) te veel. Strijd zit ingebakken. Strijd kan, maar ik wil toch weer te graag winnen – al is het van mezelf.

sakyong-running-shoes
In ‘Meester over je eigen leven’ schrijft Sakyong Mipham: ‘Wedijver stelt ons niet in staat te bereiken wat we willen. Hij geeft ons alleen maar de prikkel om winst te behalen ten koste van anderen. We zijn zo goed als we zijn, en anderen omlaaghalen maakt het er voor ons niet beter op’.

Die woorden helpen me verder. Wat als sport, strijd en competitie mij nooit een rusteloos gevoel hadden gegeven, mij niet hadden uitgeput en soms ziek gemaakt? Dan had ik mogelijk nooit de lessen gekregen van Phil Jackson, David Schneider, Roberto Baggio en Sakyong Mipham. Door sport heb ik boeddhisme leren kennen.

Guus van Holland was 35 jaar sportjournalist voor de Volkskrant en NRC Handelsblad. Sinds enkele jaren is hij vriend van de Shambhala-sangha Leiden.

http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/2014/column.html

De magie van Michael Jordan zal blijven bestaan

19 Feb

His Airness Michael Jeffrey Jordan is afgelopen zondag (17 februari) 50 jaar geworden. Ouder weliswaar, maar niet minder indrukwekkend is de man die vooralsnog de beste basketballer aller tijden wordt genoemd. En om zijn grootheid te benadrukken zien velen in hem zelfs de beste aller sportmensen in de geschiedenis. Wie hem nu ziet – op foto’s, films en televisie – wordt (nog steeds) geraakt door zijn uitstraling. Een grote, sterke, zelfverzekerde, evenwichtige man. Het begrip rolmodel dringt zich op, niet alleen voor basketballers maar ook voor sporters in het algemeen.

Wie hem van nabij in actie heeft gezien, hem heeft gesproken en zijn grote, stevige, magische rechterhand heeft mogen drukken, komt niet meer los van de betovering die zich tijdens die momenten manifesteerde. Hem over de speelvloer zien dansen, draaien, rennen en springen. Hem met dat 1 meter 98 lange lijf de lucht in zien gaan. Om hem daarboven (langer dan gewone mensen) te zien hangen alvorens hij de bal in de basket legt of smijt. Dat was overweldigend en staat voor altijd in het geheugen gegrift. Geen sportman die zoveel het emotionele brein prikkelde als Jordan.

Het was begin jaren negentig, in het oude Chicago Stadium, waar de Chicago Bulls hun thuiswedstrijden speelden. Na afloop stond hij in de kleedkamer de journalisten een voor een te woord. Correct, beleefd, in verstandige, begrijpelijke taal. Hij had de regie, bepaalde de stemming, maakte indringend oogcontact, gedroeg zich als een vader tegenover zijn zoon en peuterde en passant een diamantje in zijn oorlel, waarop de cijfers 2 en 3 te zien waren. Nummer 23 droeg deze atleet met goddelijke status op zijn shirt en zelfs in zijn oor. Nummer 23 is in de sportwereld nog altijd een magisch nummer.

Een paar meter van hem in de kleedkamer verwijderd stond zijn coach Phil Jackson. De Zenmaster. Een man, wiens eruditie waarschijnlijk alle sportcoaches te boven gaat. Jackson liet zich in de jaren zeventig als jonge man (met hippie-ideeën) inspireren door het boek ‘Zen en de Kunst van het Motoronderhoud’ van filosoof Robert Pirsig. Jackson is een oud-basketballer en oud-kampioen, die inzichten en ervaringen verwierf door bewust gebruik van lsd en marihuana, zich verdiepte in psychologische, filosofische, theologische en politicologische geschriften, zich onderwierp aan Indiaanse rituelen, de zenboeddhistische leer van Shunryu Suzuki volgde en zijn spelers leerde mediteren, en spirituele boeken en sprookjes liet lezen om tot (zelf)inzicht te komen. Jackson (later succesvol als coach van de LA Lakers) leerde Jordan zijn grote ego bedwingen.

Jordan zou dat seizoen voor de tweede maal met de Chicago Bulls kampioen van de NBA worden. Hij werd met de Bulls zes keer kampioen. Tussendoor maakte hij een uitstapje naar het honkbal, mede als gevolg van de dood van zijn vader die bij een roofoverval werd vermoord. Twee jaar later keerde Jordan terug. Hij opende de persconferentie kort en krachtig: I’m back. Er zouden nog vele titels, punten, dribbels en onvergetelijke acties volgen. Totdat hij (40 jaar) in 2003 als speler van de Washington Wizards zijn actieve loopbaan definitief beëindigde. Hij begon een nieuwe carrière, als zakenman en als eigenaar van de Charlotte Bobcats, het slechtste team van de NBA nota bene.

Jarenlang vereenzelvigden jongens zich met Michael Jordan. Wie geen schoenen droeg van het merk Nike Air Jordan telde niet mee. Het vermogen van Jordan wordt geschat op 500 miljoen dollar, zo’n 375 miljoen euro. Twee jaar geleden trouwde hij voor de tweede keer. Michael Jordan blijft nadrukkelijk aanwezig. Als het niet in de media is, waar hij desgevraagd graag zijn pittige meningen geeft, dan wel op de golfbaan (Jordan heeft handicap 6). Hij was vriend van Tiger Woods, die hij van advies diende toen ‘s’werelds beste golfer’ zijn neergang als mens en sporter doormaakte. Met een dikke sigaar in zijn mond moedigde Jordan vorig jaar het Amerikaanse Ryder Cup Team tegen Europa aan. Hij behoorde zelfs tot het begeleidingsteam. Jordan geldt als een mentalcoach bij uitstek. Luke Donald, nummer twee van de worldgolfranking, laat zich graag bijstaan door zijn vriend Jordan met zijn ervaringen en psychologische kennis.

Zoals de voetbalwereld zich voortdurend buigt over de vraag wie de beste voetballer aller tijden is, zo is de basketbalwereld druk doende de uitblinkers van nu te vergelijken met Michael Jordan. Juist nu, omdat LeBron James, de 28-jarige speler van de Miami Heat, met zijn spectaculaire spel en scoringsdrift Jordan van zijn troon lijkt te gaan stoten. Jordan won zes titels, James één. En dan is er nog de 34-jarige Kobe Bryant, speler van de LA Lakers die wat betreft puntentotalen, titels (vijf) en acties Jordan naar de kroon stijgt. Maar het draait niet alleen om titels en statistieken, het gaat ook om snelheid en kracht, links en rechtshandig, samenspel en hangtime.

James, zo is de verwachting, zal nog wel een paar titels winnen. Hij is nog jong en wordt steeds beter. De afgelopen weken scoorde King James in zes achtereenvolgende wedstrijden meer dan dertig punten en kwam hij tot een schotpercentage hoger dan zestig. Dat heeft niemand – ook Jordan – hem voorgedaan. Niettemin heeft Jordan een totaalgemiddelde van 30,1 en James nog slechts 27,6. Jordan zelf slaat in de discussie Bryant hoger aan dan James. Maar het antwoord van de reus van de Heat was duidelijk: ,,Het gaat niet om het aantal titels. Bovendien ben ik daar niet mee bezig. Ik speel voor mezelf en niet voor anderen. MJ is MJ, I’m LJ.’’

Ook Phil Jackson laat zich meevoeren in de discussie. De 67-jarige coach is weliswaar met pensioen, maar blijft betrokken. Hij is nog altijd onder de indruk van zijn vroegere pupil Jordan, maar sluit niet uit dat James het te langen leste gaat winnen van His Airness. Hij roemt beide spelers om hun enorme arsenaal aan vaardigheden, ziet in Jordan toch de betere atleet en in James de speler met de meeste kracht. Jordan kon op alle posities uit de voeten, James wat minder. Verder is James een betere teamspeler. Jordan bleef, ondanks het onderwijs van Phil Jackson, toch te veel last hebben van zijn ego. Zo beweert Jackson. En wat James nu doet, lang hangend in de lucht en dan scoren, dat deed Jordan volgens velen als eerste.

Jordan is bovendien toch vooral een gentleman gebleven. Al heeft ook hij zijn donkere kanten gehad, vooral door zijn vriendschap met de aan gokken en seks verslaafde Tiger Woods. Michael Jordan zal zeker nog lang worden herinnerd als de beste basketballer aller tijden. Zijn spectaculaire, vaak ongeloofwaardige acties deden sportliefhebbers rillen van emotie. En ze doen dat nog steeds.

Dit artikel werd op maandag 18 februari 2013 gepubliceerd in NRC Handelsblad

Voetbalanalisten bieden het volk slechts vermaak

25 Jun

Zonder analisten en commentatoren is voetbal als vermaak niet volledig. Of die mannen nu zin of onzin vertellen, het maakt niet uit. Hun praatjes horen bij het spel. Je kunt je maar beter niet aan storen aan hun gedrag en verklaringen. Het is maar hun mening, hun perceptie en hun ijdelheid. De een doet zich voor als deskundig. Maar wie is deskundig? De ander speelt de advocaat van de duivel, mogelijk bij gebrek een echte kennis. Dan weer zijn er grappenmakers die graag de gevraagde rol spelen. Het doet er dus eigenlijk weinig toe wat ze zeggen, het hoort gewoon bij de shows die bijvoorbeeld NOS Studio Sportzomer of VI Oranje heten.

Toch kan ik – als liefhebber van voetbal, met alles er op en er aan – niet voortdurend bovengenoemde relativeringen aanbrengen. Dan zit ik te kijken en te luisteren in de hoop iets te leren en iets te weten te komen dat een verklaring geeft voor wat ik op het veld (beeldscherm) zie/zag. Het wil maar niet mijn mantra worden: ach, het is ook (maar) een mening, óf laat maar. Vaak zet ik tijdens de wedstrijd het geluid uit. Wie aan de bal is, kan ik zelf ook wel zien. Of het overtreding was of niet, kan ik zelf wel beoordelen. Of een speler goed of slecht, hoef ik niet van een commentator te horen. En zo zijn er meer van die overbodige ‘verklaringen’ en analyses die ik kan missen. Ik ben een van die miljoenen liefhebbers die zelf ogen hebben, en weleens wat lezen over voetbal, en dus ook verstand van voetbal hebben.

Maar waarom ben ik toch nog weleens geneigd na de wedstrijd de analyses van de ingehuurde studiogasten aan te horen? Nou ja, soms beschikken zij over analyse-apparatuur die ik niet heb en kunnen ze aan de hand van een computerbeeldje iets duidelijk maken. Dat kan interessant zijn voor mensen zoals ik die het spel en de tactiek willen doorgronden.  Of het nu uit chauvinistische motieven wordt verklaard of niet.

Ik kijk niet vaak naar die analyses en voetbalkroegpraat. Als ik heb gekeken word ik overmand door diepe teleurstelling en ergernis. Had ik niks anders te doen? Werd dit programma door mij gevolgd omdat ik mijn eigen leed over de wereld een paar uur wilde verdringen? Teleurgesteld, alleen al omdat ik zag en hoorde hoe serieus de analisten baarlijke nonsens verkopen. Zo uit de losse pols geschud of uit de heup geschoten.

Vorige week probeerde de hockeycoach Marc Lammers die met de nationale vrouwenploeg de gouden medaille had veroverd, aan vader en zoon Mulder, Jan van Halst en Jack van Gelder te verklaren hoe belangrijk teamgeest (commitment) is, hoe je dat opbouwt, evalueert en analyseert met je spelers, en hoe je de ster van de ploeg duidelijk kan maken dat hij de andere spelers nodig heeft en hoe je andere spelers (de waterdragers) duidelijk maakt waarom zij de sterspeler nodig hebben. Het was alsof hij voorlas uit zijn boek ‘Coachen doe je samen’.

Lammers kon praten en geduldig verklaren wat hij precies bedoelde en waarom Oranje van de rails was gereden (of niet op rails stond), de voetbalanalisten begrepen er niets van. Nooit van gehoord, hockey is geen voetbal en andere vergelijkingen die kant noch wal raakten. De mannen van de Sportzomer sputterden tegen alsof zij de sport in het algemeen en voetbal in het bijzonder als geen ander doorgrondden – sterker:  ze hadden het zelf bedacht, ze hadden immers zelf gevoetbald! Voetbal is een andere wereld, nietwaar?

Boeiende televisie? Ergens wel, omdat het fascinerend was om te zien hoe de deskundige gast geen kans zag de vertegenwoordigers van de voetbalwereld te overtuigen van hun conservatieve opportunisme. Het was toch geen bewust gespeelde rol van de voetbalkenners? Met de bedoeling de kijker en toehoorder vermaak te bieden. Dat zou zomaar kunnen. Had ik dat maar van te voren geweten, dan had ik niet gekeken en geluisterd.

Er was ook nog een losse flodder van presentator Jack van Gelder. Zoals de Duitsers nu voetballen, dat is Hollandse School. Een openingszetje? Youri Mulder wist iets meer, gelukkig, en vertelde hoe het Duitse voetbal sinds een jaar of tien in alle facetten planmatig totaal veranderd is. Uitbreiding van jeugdopleidingen, met meer nadruk op mooie, artistiek en aanvallend voetbal. Redelijk goede aanvulling van Mulder junior, maar niet helemaal juist en allerminst compleet. Had echt niets te maken met Masterplan van Louis van Gaal, zoals Mulder beweerde. Maar Van Gelder wist ook iets, zei hij. Hij had gehoord dat Bayern München in de keuken van de Ajax-opleiding had mogen kijken. Zo was het, ze hadden het van Ajax (de Hollandse School) geleerd. Ik viel van de bank van verbazing. Weer dat domme chauvinisme.

Mulder probeerde nog Van Gelder van repliek te dienen dat het niet de clubs (met Bayern als symbool van omwenteling) maar de bond zelf was die het voetbal anders wilde laten spelen. En zo druppelde Mulder nog een beetje door. Maar de toon die was gezet (Duitsers spelen Hollands) verdween niet meer.

Het was weer een miskleun. Niets gelezen hadden de analisten in (buitenlandse) kwaliteitskranten, niets gelezen in goede voetbalboeken. Niets over de veranderde Duitse voetbalcultuur, over het missiewerk van bondscoach Joachim Löw. Lees bijvoorbeeld het boek van Christoph Bausenwein:  ‘Joachim Löw und sein Traum vom perfekten Spiel’. Of nog beter: ‘Het Mannschaftswunder, waarom de Duitsers de besten zijn’ van Raf Willems. Over de culturele omwenteling in Duitsland. Zie daarvoor de website van Red het voetbal: http://oppa.site90.com/EK2012/index.html. Of de website van de Deutsche Akademie Für Fussbalkultur:  http://fussball-kultur.org/

In NOS Studio Sportzomer (over het oeverloze kletsprogramma VI Oranje maar te zwijgen) heerst slechts opportunisme en zelfingenomenheid. Domheid, kortzichtigheid, onzin allemaal.

Niet meer kijken en luisteren, zo heb ik me zelf voorgenomen. Maar wat nu met de kijkers en luisteraars die wel aan het beeldscherm gekluisterd blijven? Die worden verkeerd voorgelicht, die nemen alles klakkeloos aan. Of denken zij: Ik neem dit niet serieus, ik heb niks anders te doen dus lig ik als een zombie te kijken naar die zombies in de studio.

Zie ook: http://www.redhetvoetbal.net

%d bloggers liken dit: