Tag Archives: Olympische Spelen

‘Gun het kind vrijheid zichzelf in sport te ontwikkelen’

23 Sep

Twintig jaar was Leo Peelen toen hij op de Olympische Spelen een zilveren medaille op het wieleronderdeel puntenkoers veroverde. Trots en voldaan stond hij daar, één klein stapje onder de top van de Olympus. De top had hij eigenlijk al bereikt. Gewoon, alleen al door daar in Seoul te mogen zijn. Die medaille voelde als een beloning voor zijn jeugdige onbevangenheid. Omringd door de favorieten uit vooral de DDR en de Sovjet-Unie had hij nauwelijks spanning gevoeld. Hij hoefde er maar voor te gaan – én ging. Wat onbevangenheid al niet oplevert.

Leo Peelen keert in 1988 terug uit Seoul met een zilveren medaille

Leo Peelen keert in 1988 terug uit Seoul met een zilveren medaille

Het won de zilveren medaille, maar het voelde als een gouden greep. Nu zouden de deuren naar de hemel voor de jonge renner uit Arnhem opengaan. Hij zou misschien wel voor eeuwig op handen worden gedragen. Dit was waar hij als jongetje van had gedroomd – hij begon op zijn tiende met wielrennen bij RETO in Arnhem. De ultieme beloning: zilver. Een jaar later werd hij nog derde op de wereldkampioenschappen in Lyon. Maar toen had Leo al het gevoel dat hij er niet voluit voor was gegaan. ,,Alsof ik onbewust een excuus inbouwde voor als ik niet zou winnen. Het rommelde in mij. Onbewust een test: kijken hoe mensen reageren als ik niet win. Ik had iets bereikt, zilver in Seoul, en dat had me niet gegeven waar ik van droomde. Vijf jaar na Seoul ben ik gestopt. Ik voelde dat topsport – een medaille, een plaats bij de wereldtop – mij niet zou geven waar ik als jongetje jarenlang naar had verlangd.”

Leo vond zichzelf terug op een dwaalspoor. Tastend naar het onbestemde. Zeg maar: het zwarte gat. Waarom had hij zo hard moeten fietsen, harder dan anderen, wat wilde hij daarmee bereiken? Ineens viel de waardering voor hem als mens weg. Geen succesvol wielrenner, dan ook geen goed mens. Twee huwelijken, met twee kinderen, hield het niet uit. Wat was er met hem gebeurd? Na een zoektocht van jaren legde een jonge vrouw, met wie hij zijn lief en leed durfde te delen, een boek op tafel: ‘De herontdekking van het ware zelf’ van Ingeborg Bosch, een psychotherapeute die een methode (Past Reality Integration) heeft ontwikkeld die je terugvoert naar je jeugd, naar de manier waarop je ouders je hebben geconditioneerd.

leopeeelen

Leo Peelen links op het erepodium, naast winnaar Dan Frost uit Denemarken en rechts Marat Ganejev uit de Sovjet-Unie

Het was voor hem een openbaring, die hij nu iedereen (vooral topsporters die tijdens en na hun loopbaan de oorzaak van hun opgedrongen drijfveer durven ontdekken) toewenst. Leo voelde in de therapiesessies de pijn van vroeger. Zijn vader, een fanatiek wielrenner, ging altijd fietsen met zijn broer. Hij kreeg aandacht, Leo niet. Toen ontdekte Leo: als ik nou ga fietsen, geeft mijn vader mij (ook) aandacht. En als ik nou maar heel hard fiets, krijg ik de meeste aandacht. ,,Ik deed het gewoon om gezien te worden door mijn vader. Mijn vader, mijn ouders, moesten me zien. Alles heb ik gedaan om gezien te worden door de mensen die mij dierbaar zijn. Doen we dat niet allemaal? Gezien willen worden door mensen die symbool staan voor je ouders? En dan zijn je ouders er niet meer. Of mensen zien je niet staan. Dan voel je je in de steek gelaten. Dan moet je het zelf doen, zonder de symbolische ouders. En dat is verwarrend. Sterker: je zoekt naar ouders die er niet zijn. Je bent volwassen. Je moet het zelf doen. En dan val je om, in wanhoop. Wat nu?’’

Ons gesprek, kort na de Olympische Spelen, wordt gevoed door de reacties van zowel winnaars als verliezers. Bijna vanzelfsprekend komt het proces van Yuri van Gelder aan de orde – en niet in de laatste plaats zijn verbanning uit de olympische ploeg. Wat heeft hem al vanaf zijn jongste jeugd gedreven om groot en sterk te worden (een olympische medaille te veroveren als grootste niet te overtreffen trofee)? Wie waren zijn ouders? Wat wilde hij (tegenover hen) bewijzen? Uit wat voor milieu komt hij? Wil hij aantonen dat hij meer is dan de ‘minderwaardige’ en vooral kleine jongen?

van_gelder_yuri_8

Yuri van Gelder (foto Thomas Schreyer)

We komen er niet uit omdat we Yuri en zijn achtergrond te weinig kennen én hem niet willen veroordelen. ,,Hopelijk krijgt die jongen de juiste begeleiding om ervan te doordrongen te worden waarom hij zo is geworden en waarom hij buitensporig gedrag is gaan vertonen. Verslavingsgedrag, verslaafd aan aandacht en euforie? Ik heb wel een vermoeden, en zou hem daarom mogelijk kunnen helpen met mijn PRI-therapie-ervaring. Maar dat is vooralsnog niet aan mij.’’

Leo Peelen werd geraakt door een uitlating van zwemster Ranomi Kromowidjojo: ‘Ik hoop dat mijn ouders nog één keer trots op mij kunnen zijn.’ Voor wie heeft ze al die jaren gezwommen? Zo vraagt Peelen zich af. Voor zichzelf of voor haar ouders die haar altijd gesteund hebben, sterker misschien: aangemoedigd? En dan verliest ze, althans ze wint niet. ,,Stelt ze dan haar ouders teleur of zichzelf? Hoe gaan haar ouders daar mee om? Dat is mijn vraag. Vanzelfsprekend zullen ze haar niets verwijten. Maar misschien voelt ze haar nederlaag wel als een schuld. Ik heb het voor mijn ouders gedaan. Heb ik het ook voor mezelf gedaan? Dat zijn grote vragen.’’

Dat gevoel van verplichting om je ouders te plezieren, kan verregaande gevolgen hebben. In het Amerikaanse tijdschrift Sports Illustrated werd al in 2003 in het artikel (Prisoners of depression) gewag gemaakt van olympische winnaars die na hun triomf in een diepe depressie geraakten tot aan zelfmoord toe. Winnaars die op het erepodium geen emotie vertoonden, bevroren, niet wetend waarom ze daar stonden, mogelijk omdat hun ouders (soms onbewust?) die prestatie geëist hadden. Zo bleek uit psychiatrische onderzoeken met betrokken sporters. De jacht op goud kent meer slachtoffers dan bekend wordt, mede uit overwegingen van privacy en medisch beroepsgeheim.

Vanuit zijn ervaringen als topsporter met een achtergrond, geeft Leo Peelen lezingen en trainingen aan ouders van jonge wielrenners. De Koninklijke Nederlandse Wielren Unie en zijn club RETO uit Arnhem geven hem daarvoor de gelegenheid, mede omdat hij al acht jaar bekend is met de therapie PRI en daarvoor een opleiding als therapeut volgt. ,,Het gaat bij alles om bewustwording. Als een moeder zegt: ‘ik heb mijn dochter gezegd dat ze altijd vooraan moet rijden om valpartijen te vermijden’ vraag ik: waarom? Als ze dan valt is het dus de schuld van de moeder. Dus laat haar vallen en zichzelf helpen. Als er dan een vader in de zaal zegt: ‘Dat gelul hoef ik niet te horen’. Dan zeg ik: ‘Ontkenning van behoeften. Je wilt wat van je zoon, vraag jezelf af waarom je dat van je zoon wilt. Projectie, trots, iets wat jezelf niet hebt bereikt. Waarom leg je je kind iets op? Dat kan kan heel subtiel zijn. Je ziet hem verliezen en laat hem in zijn verdriet. Je ziet hem winnen en dan ga je uit je dak. Dat maakt afhankelijk.’’

Leo Peelen kijkt graag naar zijn dochter en zoon die basketbalt. ,,Dan zit ik te kijken en mijn zoon scoort. Mijn buurvrouw op de tribune zegt dan: ‘Moet je niet juichen?’ Nee, want ik juich ook als hij niet scoort. Dat klinkt obsessief, maar ik probeer te doorgronden dat een zoon die scoort niet zaligmakend is, voor hem en voor mij. Ik ben altijd trots op mijn zoon, niet alleen als hij scoort. Dat weet hij intussen.’’

Tijdens zijn lezingen vertelt Peelen zijn verhaal, over de hoop dat hij met zijn prestaties iets (een beloning, iets maatschappelijks, voortdurende waardering) zou krijgen. Over de wil om zichzelf te blijven bewijzen. Nooit zou het genoeg zijn. Nooit zou hij krijgen wat hij in zijn jeugd heeft gemist, de waardering van zijn vader. Dat wordt in PRI ‘oude pijn’ genoemd, de oude realiteit. Gevoegd bij de angst dat je ‘het’ nooit zult krijgen. Maar als volwassen mens (hij stopte met wielrennen toen hij 25 was en is nu 48 jaar), kun je het niet meer voor je vader doen, je doet het voor jezelf. Je kunt het zelf. ,,Weet je dat ik pas 15 jaar na Seoul de zilveren medaille op mijn cv heb durven plaatsen.’’

Hij begrijpt ouders wel: je hebt alles over voor je kinderen. ,,Maar onbewust kun je ze sturen naar iets wat niet bij hen past.’’ Er komt een verhaal boven van een tennistalent dat van haar ouders naar een peperdure trainingsstage van Nick Bolletieri in Florida mocht, maar op haar zeventiende tegen haar vader en moeder durfde te zeggen: ‘ik stop ermee, ik wil mijn vrijheid.’ Terwijl ze wist hoeveel geld haar ouders in haar hadden geïnvesteerd. Leo vertelt een verhaal over een vader van een wielertalent. Hij ging naar België om de wielersfeer te proeven en dat aan zijn zoon over te brengen. Hij kocht een fiets van 5.000 euro, terwijl zijn zoon daar niet eens om vroeg. De fiets als bindmiddel in de vader-zoon-relatie. Zo gaat dat.

Leo Peelen en ik sturen elkaar voortdurend berichtjes en emails wanneer er weer een (olympische) topsporter typisch gedrag vertoont. Zou dat er weer een zijn? ,,Een topsporter gelooft niet in therapie, liever niet, want dat zou kunnen duiden op ziek zijn. En een topsporter is niet ziek, een topsporter is kerngezond. Dat is nu eenmaal het beeld wat in stand wordt gehouden, zeker ook door de sportbestuurders en de overheid. Kijk onze topsporters eens het toonbeeld van volmaaktheid en gezondheid zijn’’, weet Peelen. ,,Daarom moet in de preventieve sfeer iets gebeuren. Lezingen, cursussen en ouderavonden bij de clubs en bonden. En ook op scholen zijn speciale PRI-bijeenkomsten. Wat verwacht u als ouder van uw kinderen? Gunt u ze vrijheid zichzelf te ontwikkelen? Gelukkig zijn er veel kampioenen en medaillewinnaars die plezier beleven aan hun sport en mogelijk daarom zo goed zijn geworden. Maar toch, als straks het plezier ophoudt en de successen uitblijven, wat dan? Wie vangt de gevallen helden dan op?’’

Dit artikel is gepubliceerd in NLcoach nr 4-2016

Het gedrag van olympiërs zegt mogelijk veel over onszelf

13 Aug

Menselijke drama’s zijn er in vele vormen geweest in de eerste week van de Olympische Spelen. Sporters die vielen op momenten dat de spanning steeg, sporters die plotseling niet in de gewenste topvorm verkeerden, sporters wier materiaal het begaf, juryleden die in de hete olympische sfeer arbitraire beslissingen namen en sporters die zich om menselijke redenen niet aan de afspraken konden houden en daarom werden uitgesloten van deelname. Wat willen mensen die naar topamusement kijken nog meer?

Opgewonden, hijgerig, overspannen en verward is gereageerd op de zenuwslopende jacht naar medailles. Niet in de laatste plaats door de media die graag duidelijk maken hoe intens betrokken ze zijn bij de gladiatoren in de olympische arena’s. Wie enige afstand bewaart en emotieloos op de gevechten reageert komt van een andere planeet en wordt bij voorkeur niet serieus genomen. Verondersteld wordt dat deze dissonant niet begrijpt dat het toch echt allemaal om goud draait.

Emoties laaiden hoog op. Voor de een kan het nooit genoeg zijn. Het zijn de thrillseekers die verslaafd zijn aan adrenaline en andere euforieversterkende stoffen dan wel hormonen, mogelijk bang voor de stilte en de ontspanning, bang voor de kennismaking met de rusteloosheid in zichzelf. Een ander wordt gefascineerd door wat op blinkend goud en eeuwige glorie gerichte jonge sporters bezielt en vooral door waar ze onder hoogspanning toe in staat zijn. Hoe krijgen ze dat toch voor elkaar? Wat hebben ze moeten doen om deze prestaties te verrichten? Hoeveel uren per dag, per week en per jaar? Jarenlang hebben ze moeten trainen om in Rio de Janeiro te mogen zijn en dan te tonen wat ze als mens allemaal kunnen.

Mijn vrees dat deze jonge sportmensen gecomputeriseerd en al bijna gerobotiseeerd aan de Olympische Spelen zijn begonnen (zoals ik op 6 augustus in NRC Handelsblad schreef: ‘Zo goed als een machine’), is vooralsnog gelogenstraft. Vanzelfsprekend staat de topsport op het punt te verwetenschappelijken, maar naar wat ik de afgelopen week ervoer is het merendeel van de olympiërs nog van vlees en bloed, nog even fysiek en psychisch kwetsbaar als u en ik. Uitgezonderd de helden die perfect presteerden en de jongens en meisjes die tot ongekende grote hoogten en snelheden reikten. Waar is een mens nog toe in staat? Waar ligt de grens van de fysieke en psychische mogelijkheden?

Die vragen zijn niet van vandaag of gisteren. Het is inherent aan de sport sinds ze werd bedacht om wat voor reden dan ook. Iedereen is gefixeerd op het oprekken van grenzen. De olympische beweging meent daar paal en perk aan te stellen door een ‘ethische’ grens te trekken. Om maar een voorbeeld te noemen: medische middelen die de natuurlijke aanleg van het lichaam geweld aan doen, dus stimuleren, zijn niet toegestaan. Met als argument dat ze schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid (alsof topsport met al zijn obsessies en lichaam verstorende gedragingen gezond is). En dat het de competitie vervalst. Iedereen gelijke kansen, zoiets. U en ik hebben dezelfde vader en moeder, we zijn uit hetzelfde hout (vlees en bloed) gesneden, we komen uit hetzelfde land, we beschikken over hetzelfde geld, hetzelfde materiaal, dezelfde begeleiding, dezelfde wetenschappers, dezelfde sportpsychologen en we zijn opgegroeid in dezelfde cultuur. Ja, toch? Of zijn we allemaal gelijk, zijn we allemaal geboren met gelijke kansen?

Ik zag de rugbyers van Fiji in de finale van het olympisch toernooi de Engelse tegenstanders ‘vermorzelen’. Allemaal donkere mannen, van een eilandengroep met nog geen miljoen inwoners, die de Engelsen op atletisch talent op alle fronten aftroefden. Ik zag de vreugde en de ontlading na hun triomf en dacht: welke wetenschappelijke begeleiding hebben deze ‘natuurlijke’ mannen gehad? Of hadden ze baat bij voodoo, een of andere grote god dan wel een stimulerend kruid. Het zal toch niet de doping zijn die door de olympische beweging wordt verboden of hun afkomst, cultuur en genetische aanleg – mensen van Fiji hebben iets wat wij (of de Engelsen) niet hebben? Een bepaald gen waarover anderen niet kunnen beschikken misschien.

Ongeveer tegelijkertijd zag ik mannen zwemmen. Groot, stoer, vastberaden, gespierd, scherp, afgetraind zoals dat heet. Mijn zoon zei nog: ‘Hoe krijg je zo’n lichaam?’ We zagen gespierde borst-, schouder- en bovenarmpartijen zoals vroeger zwemmer en tarzankloon Johnny Weissmüller ze als vrijwel enige had. Het testosteron spatte er vanaf. Maar tegelijkertijd viel mij op dat alle zwemmers geen borsthaar hadden. Gladgeschoren? Aerodynamisch dus. Zwemgigant Pieter van den Hoogenband dankte veel van zijn snelheid aan zijn borstpartij, omdat deze de vorm van een catamaran had. Mooi meegenomen, toch? Hij was een man met talent met daarnaast een enorm doorzettingsvermogen en een positieve inslag. Maar die gladgeschoren borstpartij? Je zou het zomaar stimulerend (doping) kunnen noemen.

In mijn nieuwsgierigheid naar omgaan met leven, beland ik voortdurend in boeddhistische visies. Een van mijn inspiratiebronnen is Pema Chödrön, een boeddhistische lerares die ik graag raadpleeg bij mijn vragen. In haar boek Waar je bang voor bent, vind ik in mijn zoektocht de passage ‘Proberen onszelf beter te maken helpt niet. Dat gaat uit van strijd en jezelf kleineren.’ Dus, wie meer wil zijn dan hij is, verloochent zichzelf, wie hij werkelijk is.

Nadat ik het had voorgelezen zei mijn zoon: ‘Ja, waarom moet ik zijn zoals die mannen die goud winnen? Word ik veroordeeld omdat ik niet zo ben, niet hun talent heb en niet zo ben opgevoed zoals zij? Wie niet is zoals de winnaars, deugt niet. Die krijgt geen aandacht. Alleen wie goud wint, krijgt aandacht als rolmodel.’ Hij wees me op het nummer Warsaw van Them Crooked Vultures, en zong vervolgens met luide stem over zijn dilemma die in zijn beleving extreem verkeerd en daarom ontwrichtend wordt uitgedragen door de media, de geobsedeerde jacht op goud en zilver: ‘It’s all medals and trophies, trophies and medals. All before the race has been run.

We kwamen onvermijdelijk bij Yuri van Gelder uit. Een man met spieren die buitenproportioneel (onmenselijk?) zijn gegroeid door jarenlange intensieve training. Hij wilde een uitzonderlijk mens zijn. Anders en beter dan anderen – zeker niet minder dan anderen. Kijk mij eens, wie ik ben en wat ik allemaal kan. Ik ben Yuri, ik ben een man. Ik wil aandacht. Als je het niet ziet, dan zal ik het nog één keer laten zien. De hele wereld zag het. Maar het was niet genoeg. Nooit was het genoeg. Nooit zal het genoeg zijn. Hij wil en moet laten zien dat hij bestaat. Desnoods met behulp van geestverruimende middelen die hem op z’n minst boven zichzelf kunnen uittillen. Topsport, medailles en titels kunnen daartoe ook bijdragen. Maar het is nooit genoeg. Nooit meer.

Het gevecht van Yuri zou mensen aan het denken moeten zetten. Waarom Yuri en die andere sportmensen willen triomferen. Is er een gat in zichzelf die zij moeten opvullen? Herkent iemand de strijd die Yuri voert? Ik moet nu veel denken aan Paul Gascoigne, al enige jaren (tevergeefs) in een ontwenningskliniek verblijvend en nooit meer de mens die we van hem willen zien. Ik volg zijn twitter-berichten die hij vrijwel dagelijks rondstuurt. Zoiets als deze: ‘Morning all have a lovely wkend thinking of YOUS all lots of hugs GAZZA I’ll read your tweets and get back to all love&hugs GAZZA 😘👅😜xx’ Het is een onophoudelijke tragedie.

Sport biedt drama, mensen die het wel en ook niet redden. Sport is waar we over na moeten denken. Omdat het veel over ons zelf zegt.

Deze column is gepubliceerd op http://www.sportenstrategie.nl

Olympisch goud en de schijn van heiligheid

9 Aug

Terwijl ze daar levenloos in de goot lag, haar lichaam over een betonnen rand gevouwen, sprong ik op vanuit mijn comfortabele positie en riep: ‘Help haar! Wie helpt haar?’ Mijn huisgenoten slaakten kreten van schrik en ontzetting. De Belgische televisie-commentatoren schreeuwden iets van gelijke orde. Ontzetting alom. Maar wat nu?

De wedstrijd ging door. Natuurlijk ging de race door. Wie haalt het nu in zijn hoofd om een olympische race, de alles verdringende jacht op goud, stop te zetten? The games must go on. De achtervolgers schoten voorbij, vanuit hun ooghoeken hebben ze haar zeker zien liggen. De latere winnares herinnerde zich nog haar aarzeling. Daar lag haar vriendin. Dood? Wat nu? Doorgaan? Een andere achtervolger sprak haar moed in: ‘We rijden door, we doen het voor haar.’ Motoren en auto’s met mannen en vrouwen die plichtsgetrouw hun werk bleven doen, schoten eveneens in blinde vaart voorbij. Er lag iemand levenloos, mogelijk zelfs op sterven. Niemand stopte.

Totale eenzaamheid. Is dat de samenleving van nu?

De man op de motor die schuin achter haar reed, voerde een cameraman mee. Door deze mannen zag ik wat er gebeurde. Zagen zij het ook? Op een amateurfilmpje zag ik later dat de motor tweehonderd meter verder even aarzelde (de remlichten gloeiden), maar uiteindelijk toch doorreed, door de volgende bocht. Iedereen reed door. De amateurfilmer hoorde ik ‘oei’ roepen, terwijl hij opgewonden doorfilmde. Waarom eigenlijk? Ik hoorde het lawaai van een helikopter en van een blaffende hond. Honden ruiken instinctief onraad. Na ruim twee minuten kwam een man aanrennen die even verder zowaar van zijn motor was gestapt. Vervolgens kwamen de eerste hulpverleners in actie. De race ging door. De ploeggenote van de ongelukkige vrouw in de goot in het donkere bos won, het goud was voor haar. Het was haar gegund. Zou God dan toch bestaan?

Er circuleert op internet een filmpje waarop verstandelijk gehandicapte kinderen een hardloopwedstrijd houden. Halverwege de race valt een van de kinderen. De anderen reageren geschokt, draaien zich om, helpen de ongelukkige deelnemer op en hollen vervolgens de handen ineengeslagen samen over de finish. Samen juichend. De ouders op de tribune juichen en huilen. Zo mooi kan verbroedering zijn.

In een ver verleden heeft mogelijk een ethische olympische code bestaan die van deelnemers aan sportwedstrijden vooral medemenselijkheid vroeg. Geen onmenselijke competitie. Zoiets als: er is meer dan goud, er is meer in het leven dan winnen van een ander, verliezers verdienen ook aandacht. Of: samen sporten is het leukst. Deelnemen is belangrijker dan winnen!

Goed dat er weer Olympische Spelen zijn, vooral dat ze maximale aandacht krijgen. Dan kunnen we weer aanschouwen hoe hard topsport is, onmenselijk vooral. Dan worden we geconfronteerd met die geobsedeerde jacht op medailles en titels. Achter de eindstreep ligt ogenschijnlijk het paradijs, daar wacht het eeuwige geluk – voor wie zich het goud opeist wel te verstaan. Een Nederlandse televisie-commentator schijnt na het zien van de gruwelijke val in zijn verwarring gezegd te hebben: ‘Oh, oh, daar gaat olympisch goud.’ Tja, sport doet rare dingen met mensen.

Bijna veertig jaar geleden stond ik als debutant met een tiental verslaggevers aan de finish van een etappe in de Tour de France te wachten op een ver achtergebleven Nederlandse renner. Toen hij eindelijk over de eindstreep kwam gekronkeld en door een verzorger en zijn ploegleider was opgevangen, viel hij neer tegen een caravan van de medische dienst. Als aasgieren doken mijn collega’s op de uitgeputte, doodzieke, kotsende renner, terwijl een verzorger alles in het werk stelde om de renner te helpen. Amechtig en ongeduldig werden vragen afgevuurd op de jonge renner die verdoofd uit zijn ogen keek. Observaties en onbestemde geluiden werden op bloknoten beschreven. Camera’s klikten onophoudelijk, genadeloos. Beroepsdeformatie alom. Ik draaide me om, liep weg en riep: ‘Laat die jongen godverdomme me rust.’ Ik hoorde nog: ‘Dit is je beroep, Guus. Of kies een ander beroep.’

Ik bleef mijn beroep nog tientallen jaren uitoefenen. Ik zag winnaars en verliezers, juichende mensen huilen, wielrenners in een diep ravijn liggen en sporters naar hun gebroken been en gewonde hoofd grijpen. Ik bezocht ontredderde topsporters in ziekenhuizen en andere klinieken, of na hun carrière, ontheemd en verlangend naar de tijd dat goud en glorie nog voor het grijpen lag. Topsport is hard, meedogenloos, begreep ik. Topsport verhardt mensen, steeds meer, zo heb ik ervaren.

Nog een voorbeeld. Eens stond ik op een Pyreneeëntop met twee collega’s weer te wachten op een achtergebleven Nederlandse wielrenner. We hadden hem beneden in de berm zien zitten, met zijn broek omlaag, hij was ziek en aan de diarree. Toen hij boven kwam, plantte hij huilend zijn met poep besmeurde fiets tegen onze auto. Hij sloeg vloekend en tierend met zijn vuisten om zich heen en schopte tegen onze auto. De collega’s maakten aantekeningen en foto’s, en vroegen hoe het met hem ging. Ik keek stil en beschaamd toe en zei toen: ‘Stop ermee, jongen, je bent doodziek. Doorgaan heeft geen zin meer.’ Hij staakte de strijd en stapte huilend in een ambulance. Hij had verloren.

Laatst in deze verdwazende sportzomer vol niet te stuiten babbelaars op televisie en radio, hoorde ik oud-wielrenner Karsten Kroon zijn ervaringen delen. Hij had vele botbreuken en andere fysieke en psychische ellende overleefd. Wat hem nog het meest uit evenwicht had gebracht, was de confrontatie met zichzelf nadat hij gestopt was met topsport. Hij was in een zwart gat gevallen. Hij wist niet meer wie hij was en hoe hij zich moest gedragen – zeg maar op de been moest blijven. Zijn vrouw verliet hem, een relatie was onmogelijk geworden. Hij had maar één focus gehad: wielrennen, verder geen gezeur. Wielrenners zijn stoer, ze staan op na een zware val, likken hun wonden en gaan door alsof ze geen pijn hebben. Ze hebben hun gevoel uitgeschakeld, merkte Kroon op. Wielrenners huilen niet. Collega’s als Michael Boogerd noemden hem destijds een huilebalk, omdat hij toch af en toe zijn emoties toonde. Nu kan Kroon weer echt huilen. Hij laat zijn emoties komen en gaan. Hij voelt zich weer mens.

Staan we op de brug naar ontmenselijking in de sport? Dat sporters pijn hebben, huilen van geluk of ontzetting, geeft aan dat ze nog mensen zijn en kunnen voelen. Nog wel. Maar nog even en de aanjagers van topsport verlangen dat alle emoties worden uitgebannen. Het verstand moet op nul. Robots dreigen ze te worden. Op z’n minst mensen die nog maar één ding voor ogen hebben in hun leven: goud! En iedereen eromheen doet mee. Verblind door de jacht op eeuwige glorie. Wanneer stopt de race? Wie stapt af, biedt de medemens hulp en laat het goud liggen? Het is immers slechts een talisman, niet meer dan een schijn van heiligheid.

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

Golfer Gerben Karstens wil vooral eerlijk spelen

8 Jun

Hij is op zijn fiets naar de golfbaan in Rijen gereden. Op een kilometer van zijn huis. Vier ‘stokjes’ heeft hij nog kunnen vinden. Zijn echte golfset staat in de locker in Oosterhout, waar hij lid is. Hier op Brabant Golf, de golfbaan van zes holes, is eigenlijk zijn thuis. Want de grond is van hem, verhuurd aan de golfclub. Dit is dus eigenlijk zijn baan. ,,De enige en oudste zesholes-baan van Nederland’’, zo begint hij met zijn typische humor.

GerbenKarstens_19hr

Foto Anneke Hymmen

Gerben Karstens, van halverwege de jaren zestig tot 1980 een van ’s werelds beste wielrenners, praat honderduit als we omringd door bestuursleden in het clubhuis zijn sportieve leven doornemen. Schaatsen, waarmee hij tot de nationale kernploeg doordrong (in de tijd van Henk van der Grift en Rudie Liebrechts), en met Ard Schenk en Kees Verkerk wedstrijden uitvocht op natuurijs. Wielrennen, waarmee hij in klassiekers en etappekoersen successen behaalde. Zeezeilen, in ruim 35 jaar 75.000 zeemijlen over vrijwel alle zeeën en oceanen. Veldtoertochten, op zondagmorgen tussen de 45 en 50 kilometer, al 25 jaar, het afgelopen halfjaar 24 – een record! En sinds 25 jaar golfen, af en toe, als hij tijd heeft. ,,Golfen is voor mij gewoon een spelletje, geen wedstrijdsport’’, verduidelijkt ‘De Karst’.

Maar dat betekent niet dat hij een ‘spelletje’ golf niet serieus neemt. ,,Ik ben een ouwehoer, maar ik kan goed tellen, ook de slagen van een ander. Het is fijn om te zien dan anderen eerlijk spelen. En dan heb je nog eerlijke spelers, maar die kunnen niet tellen. Dat doe ik wel voor ze.’’

Zo blijkt later, als we met z’n drieën de baan ingaan. Karstens verontschuldigt zich voor zijn ‘mislukte’ slagen omdat hij ,,die stok niet gewend is”, maar hij houdt goed de tel bij. ,,Vroeger legden we die bal meteen op de green. Ach ja, vroeger.’’ Hij geniet niettemin, praat graag en vertelt tussen de slagen door anekdotes. Soms over golf, soms over wielrennen (vooral over zijn ploegleiders Kees Pellenaars en Peter Post), maar vooral over zeezeilen. Soms kijkt hij uit over de baan, zijn grond die hij na zijn wielercarrière kocht als belegging. Hij begon er een boomkwekerij. Zijn plan om er een agrarisch bedrijf met opstallen op te beginnen liep vast op vergunningsregels. Toen is hij er maar een golfbaan begonnen, hoewel hij zelf het golfen nog niet vaardig was.

Karstens nu 74 jaar, is nog altijd op zoek naar avontuur. Onlangs werd hij geconfronteerd met fysiek ongemak, maar dat weerhoudt hem er niet van opnieuw aan een zeiltocht te beginnen. Op het moment van het verschijnen van dit verhaal, vaart Karstens met een vriend ergens tussen Turkije en Gibraltar. Twee maanden blijft hij weg. Misschien heeft hij een golfsetje mee en huurt hij onderweg een fiets. Want je weet maar nooit. Dicht bij een haven kan een golfbaan zijn. ,,Als je zoals ik heb gedaan, zes maanden op zee ben, dan wil je weleens wat afwisseling. Daarom heb ik weleens gegolfd en ben ik gaan fietsen.’’

Door een Ierse vriend kwam hij met golf in aanraking. De Ier dacht dat het wel wat voor Karstens was. Gewoon een keertje naar de driving range kan het vuurtje doen ontbranden. ,,We gingen naar Gran Canaria, hij golfen, ik meelopen. De tweede dag heb ik het ook geprobeerd. Ik sloeg meteen drie pars, echt waar. Mijn vriend vroeg: ‘Ga je nu golfen?’ Nee, toch maar niet, gewoon niet spannend genoeg.’’

Toch wilde hij het leren. Rond 1990. ,,Ik kreeg les van een man hier op Brabant Golf. Nee, niet van een echte pro. En dat ging goed. Hoewel ik geen aanleg heb. Het is leuk zo. In 1992 haalde ik mijn GVB. Vraag me niet naar mijn handicap. Ik was wel wereldkampioen putten. Er zijn mensen die zo gedreven zijn en hun handicap fanatiek omlaag proberen te krijgen. En dan zie je dat ze oneerlijk spelen, een balletje even met de voet beter leggen en zo. Ik wil wel goed spelen, eerlijk vooral. Maar als het niet gaat, dan gaat het niet. Zo was het ook bij wielrennen. Als je je dag niet hebt, dan heb je je dag niet. Met wielrennen kun je nog vechten, demarreren, hopen dat het dan gaat, iets afdwingen. Ja, soms door oneerlijk gedrag. Maar dat is wielrennen. Daar schiet je met golfen niks mee op. Rustig blijven en zien of het goedkomt.’’

Wielrennen en schaatsen zijn toch heel anders. ,,Daarbij komt het op uithoudingsvermogen aan. Gaan tot je niet meer kunt. Als je toch een vergelijking met golf wilt maken: ik heb inzicht. Vroeger als het gevroren had, zag ik meteen of het ijs goed was. Als wielrenner zag ik wanneer je moest demarreren, weg zijn en niet meer moest omkijken, erin geloven. Of weten wanneer je de sprint moet beginnen. Weten op wie z’n wiel je moet zitten. Dan koos ik het wiel van de snelste sprinter, Patrick Sercu bijvoorbeeld, en dan erover heen. Noem het koersinzicht, vergelijkbaar met coursemanagement met golf, weten hoe de baan loopt, afstanden inschatten en weten waar en hoe je moet slaan.’’

Afzien, dat heeft Gerben Karstens altijd graag gedaan. Als schaatser en wielrenner. En als zeezeiler. Die keer in 2001 dat hij in z’n eentje door de Golf van Biskaje voer, 58 uur alleen in vreselijke stormen en door enorme golven. Jaren later had hij even geen zin meer in zeilen, oud, altijd van huis, ver van zijn vrouw, zoon en kleinkinderen. ,,En al die verhalen, over piraten, verdwenen zeilboten, eigenlijk niet leuk meer. Maar ja, de mooie herinneringen blijven. Aan die keren dat hij haaien zag, walvissen en dolfijnen, ver weg in het Verre Oosten. Soms is het rustig, soms te rustig. Maar je weet nooit wat er gebeurt. Je moet altijd alert zijn.’’

GerbenKarstens_09hr

Foto Anneke Hymmen

Als we in de baan van Brabant Golf zijn, kijkt Gerben Karstens alvorens hij de gewenste stok van het gras opraapt naar boven. Naar de dreigende lucht, waaruit straks vast en zeker een buitje zal vallen. ,,Buiten zijn is zo heerlijk. Vroeger schaatsen in de vrieskou op de Kagerplassen. Wielrennen in de regen. Zeilen als het stormt, dan weer in de felle zon. Fietsen door het veld, door modder en gras. Golfen in de natuur.’’

Gerben Karstens is een pratende golfer, een gezellige golfer. Alsof hij op elke slag commentaar moet leveren. ,,Stoor je er niet aan. Het is toch gewoon een spelletje?’’ Eenmaal op de green, schuift hij de bal zomaar in de hole. ,,Ja, dat kan ik goed. Ik was toch wereldkampioen putten!’’
—————————————————————————————————
GERBEN KARSTENS (Voorburg, 1942) is een oud-wielrenner. Als amateur won hij samen met Eef Dolman, Jan Pieterse en Bart Zoet de gouden medaille op de Olympische Spelen van 1964 in Tokio op de 100 kilometer ploegentijdrit. Hij werd in 1965 prof bij Televizier en reed achtereenvolgens voor Peugeot in Frankrijk, Goudsmit-Hoff, Rokado, Bic en Gitane in Frankrijk, TI-Raleigh en de Vleeschmeesters. In de Tour de France van 1974 droeg hij twee dagen de gele trui. Hij won zes etappes in de Tour de France, 14 etappes in de Ronde van Spanje, één etappe in de Ronde van Italië en etappes in onder meer de Dauphiné Libéré, Ronde van Zwitserland, Ronde van België en Ronde van Nederland. Hij won Parijs-Tours twee keer (in 1974 gedeclasseerd) werd tweede in Milaan-Sanremo, de Amstel Goldrace en de Ronde van Lombardije (in 1969 gediskwalificeerd), en zesde in de Ronde van Vlaanderen. In 1980 stopte hij als wielrenner, ging zeezeilen en begin jaren negentig golfen. In de jaren zestig maakte Karstens deel uit van de nationale schaatsploeg. Een van zijn bijnamen was ‘de Leidse notariszoon’. Zijn vader en zijn broer waren notaris in Leiden.

Dit interview is gepubliceerd in GolfersMagazine 4 in de serie Mijn nieuwe sport

Waterpoloër Marc van Belkum golft nu en hoe!

9 Okt
Foto: Janus van den Eijnden

Foto: Janus van den Eijnden

Twintig jaar geleden heeft hij zijn zwembroek verbrand. Het water krijg je de meervoudige waterpolo-international écht nooit meer in. ‘Als ik een zwembad binnenkom word ik al misselijk van de chloorlucht.’

Marc van Belkum trekt er in de bestuurskamer van de knusse Oegstgeester Golfclub een vies gezicht bij. Wat wil je ook als je tussen je tiende en 28ste tien tot elf keer in de week trainde, hier in het zwembad of ervoor naar Papendal heen en terug naar Oegstgeest moest? Hij is er helemaal klaar mee.

Maar hij is en blijft een fanatieke sporter. Met dezelfde overgave golft Van Belkum sinds een jaar of vijftien. Alles wat er in zit, eruit halen. Dat heeft hij met zwemmen en waterpolo gedaan, dat doet hij nu met golf. Op z’n minst twee keer in de week een rondje op zijn thuisbaan in Oegstgeest, competitie met het ANWB-team en zeker op 35 grote banen per jaar. ‘Golf is, hoe zeg je dat? Een virus, ja.’

Hij vertelt over zijn kennismaking met golf, 15 jaar geleden. Tijdens een weekje in Vaals wilde hij weleens naar een golfclinic in de buurt. ‘Ik vond het maar niks, dat golf, met die kakkers in hun ruitbroek. Maar nadat ik twee à drie ballen geslagen had, was ik verkocht. Echt hélemaal verkocht. Ik heb de clinic ook afgemaakt. Ik vond het zo lekker om iets nieuws te leren. Toen ik thuis kwam heb ik meteen een golf-setje geleend en ben ik naar een driving range gegaan. En daar ben ik eigenlijk nooit meer weggeweest. Alles wat erin zit, eruit halen. Alweer, ja. Zo ben ik.’

Na een paar maanden zelf ‘klootviolen’, besloot hij les te nemen. Binnen drie maanden had hij zijn GVB gehaald. ‘Ik merkte dat ik balgevoel had, aanleg voor golf zeker. Ik weet wat een bal doet of het nu grote waterpolobal is of een golfbal is. Maar ik sloeg veel te hard, mijn swingsnelheid was veel te hoog. Het heeft wel een paar jaar geduurd voordat ik de kracht uit mijn slagen kreeg. In het begin deed ik nog geen 2 à 3 maanden met mijn handschoen, dan was hij al versleten. Nu kan ik er twee jaar mee doen. Ik knijp steeds minder hard. En je wordt ouder, misschien ga je daarom rustiger slaan.’

Marc van Belkum geeft toe dat hij het in waterpolo van zijn inzet moest hebben. ‘Ik moest hard trainen, en blijven trainen. Dat wilde ik ook, ik wilde de top halen. En die heb ik gehaald, tot aan de Olympische Spelen in 1992 in Barcelona. Datzelfde heb ik nu met golf. Ik zit nu op handicap 7, maar dat moet wel 4 of 5 worden. Dus veel tijd en energie erin steken. Als ik niet regelmatig oefen, gaat mijn handicap omhoog. Ik merk het meteen als ik een tijdje minder speel en oefen. Ik woon hier vlak bij de baan. Dus als ik even tijd heb, ga ik wat chippen en putten. Je vergeet ook meteen alle sores, je bent alleen met jezelf en dat spel bezig.’

Zoveel lange jaren speelde hij waterpolo in Leiden, Italië en Oegstgeest. Zoveel jaren maakte hij deel uit van een team, was hij afhankelijk van anderen. Uiteindelijk was hij er klaar mee, met het afhankelijk zijn van je medespelers – en andersom. ‘Je geeft elkaar de schuld, scheldt elkaar uit als het niet loopt. Dat hoort er ook bij, weet ik. Niks mis mee, maar dit is anders. Je kijkt bij elke slag in de spiegel.’

Maar hij golft toch wel in competitieverband. Dat is toch heel anders. ‘Toen ik in een lager team waterpolo speelde, kwamen er bij een uitwedstrijd zes of zeven spelers opdagen, had je soms te weinig mensen. En bij een thuiswedsrijd zestien. En dan kon niet iedereen spelen. Daar werd ik gek van. Nu heb ik eigenlijk alleen met mezelf te maken. En je speelt toch altijd tegen je zelf. De baan is je grootste tegenstander. En die zegt niks terug, dat is ook zo erg. Een tegenstander die zwijgt en je als het ware uitlacht als je een slechte bal hebt gespeeld.’

Leuk vindt Marc het als hij met vreemden (via internet) heeft afgesproken. ‘Je geeft die mensen een hand, kijkt elkaar aan, je slaat, je kijkt in het begin even wat ze kunnen en daarna ben je alles vergeten. Na een paar holes loop je zomaar met een paar vreemden te ouwehoeren. Ik heb zolang ik golf nog niet met een flight gespeeld die niet leuk was.’

Er zijn veel golfers die nerveus zijn als ze een bal moeten slaan. Is mijn grip goed, mijn stand, mijn hoofd? Heb ik de goede stok? Marc van Belkum kan zich dat heus wel voorstellen. ‘Ik ben niet nerveus. Ik weet wat ik moet doen, hoe ik het moet doen. Ik heb alleen wedstrijdspanning. Daar heb ik jaren ervaring mee. Dat vind ik juist lekker. Doen wat je moet doen en dan zien wat er gebeurt. Vertrouwen hebben in wat je doet en waar je mee bezig bent. Soms gaat het goed, soms niet. Lekkere spanning dus.’
—————————————————————————————————-
MARC VAN BELKUM (Leiden, 27 januari 1965) is een voormalige waterpolospeler. Hij komt uit een waterpolo-familie. Zijn broer Stan en zijn nichtje Iefke speelden ook met veel succes en triomfen waterpolo. Alle drie namen deel aan de Olympische Spelen. Marc in 1992 in Barcelona. Hij begon zijn carrière bij De Zijl-LGB uit Leiden. Daarnaast kwam hij uit voor Nereus Zaandam en Vivax Oegstgeest. Hij speelde ook één jaar in Italië, bij Camogli uit Genua. Marc van Belkum speelde 254 interlands.

Dit interview is gepubliceerd in GolfersMagazine 8 in de serie ‘Mijn nieuwe sport’. Eerder verschenen in deze serie Femke Dekker (ex-roeister), Robert Eenhoorn (ex-honkballer), Kristie Boogert (ex-tennisster), Kenneth Perez (ex-voetballer), Gijs van Lennep (ex-autocoureur), Barry Hughes (ex-voetbalcoach) en Erik Breukink (ex-wielrenner)

Dafne Schippers: hoogste vorm van uitmuntendheid

29 Aug

dafne

Kijken naar de wereldkampioenschappen atletiek is kijken naar de hoogste vormen van uitmuntendheid. Jonge mannen en vrouwen die laten zien hoe mooi, sterk en snel hun lijf is geworden door zich dagelijks buitensporige fysieke en mentale inspanningen te getroosten. Kijk eens hoe voortreffelijk ze zijn, nog beter dan anderen, nog sterker en sneller. Nog mooier. Alsof excellentie bijdraagt tot voortdurend, oneindig geluk. Soms lijkt het zo.

Deze overpeinzing kwam bij mij op toen ik Dafne Schippers naar de wereldtitel op de 200 meter zag snellen. Een blond godenkind op lange, fraai en gespierd gestileerde benen, die hemel en aarde bewoog om toe te kunnen treden tot het domein van uitverkorenen. Bijna niemand (in binnen- en buitenland) die haar uitzonderlijke bewegingen volgde, kon gevoelens van bewondering én verwondering onderdrukken. Dit was bijzonder. Dit was nog niet vertoond. Woorden schoten te kort. Verslaggevers, commentatoren en analisten troefden elkaar af in krankzinnige superlatieven. Emoties doen rare dingen met mensen.

Ik voelde tranen opkomen. Waarom? Was het mijn vereenzelviging met haar bijzondere triomf? Wilde ik zelf ook zo winnen, van wie dan ook? Altijd, elke dag, van iedereen die me voor de voeten loopt. Was het haar onderkoelde, nog niet begrepen succes dat mij raakte? Of was het de manier waarop haar familie Dafne omhelsde? Emoties zijn moeilijk te doorgronden.

Nee, niet omdat Dafne een Nederlandse is. Ik voelde ook tranen bij demonstraties van een uitzonderlijk talent als Michael Jordan, toen ik hem begin jaren negentig in Chicago van nabij zag springen, dribbelen en scoren. Bij Tiger Woods op de Masters tien jaar geleden, bij Pelé toen ik hem op het WK van 1958 op de televisie zag schitteren, bij Greg LeMond in de afsluitende tijdrit van de Tour van 1989 in Parijs, en bij anderen. Ik raakte geëmotioneerd toen ik deze mensen zag excelleren en op hun eigen wijze daarvan zag genieten. Ik noem het gemakshalve identificatie. De vereenzelviging met mensen die een excellente prestatie neerzetten – en nauwelijks beseffen welke momenten van geluk ze mensen bieden.

Jarenlang heb ik mij proberen af te wenden van emoties zodra een sportprestatie mij in het hart of in de onderbuik raakte. Soms tevergeefs. Afweer was mijn beste wapen, met cynisme als het gemakkelijkste afweermechanisme. Of was het een zelfverheffingsmotief?

Ik was journalist, verslaggever, analist. Mij was door ervaren collega’s en chefs gemaand professioneel afstand te bewaren, mij te beperkten tot feiten en liefst argwaan te tonen bij alles wat op overschrijdende prestatiedrang wees. Topsporters zijn uitslovers. Topsporters dien je te wantrouwen, ze zijn te allen tijde bereid om te frauderen, grenzen te overschrijden, zeg maar zich altijd te bedienen van illegale middelen zoals doping. Een journalist hoort argwanend zijn, was mij op het hart gedrukt. Ook een sportjournalist. Overal afstand en afweer. Maar ik heb altijd diep van binnen gevoeld dat een sportjournalist ook emoties kan (of moet) overbrengen. Liefst zijn eigen emotie.

Het was een worsteling tussen mijn romantische inslag en mijn (geconditioneerde) wantrouwen jegens de begerige sportmens. Mijn strijd is nog niet voorbij. Ik besef terdege dat sportmensen bereid zijn voorbij grenzen (afspraken) te gaan zodra eeuwige glorie in het verschiet ligt. Ik probeer mee te voelen. En ik probeer ook mee te voelen met de sportmensen als ze verdacht worden gemaakt zodra ze excelleren. Dafne Schippers krijgt nu in de buitenlandse pers over zich heen wat andere buitenlandse winnaars over zich heen kregen (en nog steeds krijgen) van de Nederlandse pers. Een blonde Nederlandse die zwarte concurrenten de baas is. Hoe zouden de Nederlandse media hebben gereageerd als Dafne een Duitse, Amerikaanse of Russische was geweest? Wat niet van ons is, is verdacht. Wat wel van ons is, sluiten we beschermend en liefdevol in onze armen.

Hoewel een mannetje op mijn schouder me voortdurend influistert dat wat ik in de sportarena zie niet deugt, voelde ik mijn hartslag versnellen en zei ik tegen mezelf: ‘Dit is bijzonder, dit heb ik nog nooit gezien, dit zijn mensen die mij opwinden, dit raakt mij en schakelt gelukkig even mijn scepsis uit.’

De voetbalwereld is verdorven, vooral door de ongelijke verdeling van geld, door verregaande spelverruwing, commercialisering, verdwijnende binding met club en supporters en jacht op het grote geld. De wielersport is zo ondoorgrondelijk geworden door verkapte doping, onderlinge afspraken en belangenverstrengelingen. Atletiek, met al haar onderdelen, is als sport geen haar beter. En toch is er hoop. Dat de meeste atleten hun kracht, snelheid en gedrevenheid putten uit natuurlijke middelen, althans middelen die niet verboden zijn. Dat altijd wel ergens in de wereld een natuurtalent opstaat, dat op basis van eigen middelen en sportiviteit anderen de baas is.

Atletiektoernooien die tot de verbeelding spreken, zijn er heel weinig. Eens in de twee jaar wereldkampioenschappen, eens in de vier jaar Olympische Spelen, tussendoor wat wedstrijden her en der, waar dan zonder media-aandacht ook grote prestaties worden neergezet. Van verzadiging is bij atletiek niet gauw sprake. Atleten kunnen zich in betrekkelijke rust voorbereiden op een belangrijk toernooi. Pieken op het juiste moment. Met explosieve aandacht tot gevolg. De media putten zich dan na een lange periode van stilte en afstand niet alleen uit in superlatieven, radeloos zoeken ze naar verklaringen.

Dafne weet nog niet wat over haar heen zal komen. Hier wordt ze al de Sportvrouw van het Jaar genoemd, daar wordt ze al benoemd tot Sportambassadrice van Nederland, dan weer wordt ze De Held van de Eeuw, dan weer dient ze een koninklijke onderscheiding te krijgen of staat nóg een multinational klaar om zich van haar mooie gezichtje te bedienen ter verspreiding van een commerciële boodschap. Want op de Olympische Spelen wordt ze definitief onze held, ons affiche, ons product. Dat heet investeren – of domweg uitbuiting.

Dafne Schippers wordt bestempeld als een nuchtere vrouw, omdat ze als atlete misleidende aandacht naast zich neer kan leggen. Vandaar ook haar zeldzame prestaties. Ik hoop dat ze kan blijven wie ze is. Gewoon een leuke vrouw die vreselijk hard kan lopen. Ik hoop dat iedereen van haar afblijft. Niks held, niks bovennatuurlijk. Gewoon een mooi mens.

Ze weet nog niet wat ze ons allemaal aandoet. Het besef komt met de jaren. Laat haar met rust, geef haar de vrijheid – daarin gedijt ze het meest. Ook natuurtalenten hebben recht op privacy. Haar managers bezweren dat Dafne zich niet gek laat maken. Dat is eerder gezegd, over nóg grotere talenten.

Deze column is gepubliceerd op http://www.sportenstrategie.nl/

Tennisster Kristie Boogert golft nu: Ik mis de adrenaline

7 Mei

kristie_boogert_-_tennis_1_20140410_1144134049
Ze is gaan staan in de hoop het verschil in lichaamsbeweging tussen de tennisslag en de golfswing duidelijk te kunnen maken. Voormalig tenniskampioene Kristie Boogert zwaait met haar armen van rechts naar links en toont de verschillen in rotaties van haar romp. Het is duidelijk, er is verschil. Ze lijken op elkaar. Maar toch is het anders. Dat heeft Kristie sinds ze na haar tennisloopbaan met golfen begon, moeten ervaren.

,,Als je ruim twintig jaar gewend bent je bovenlichaam met de slag mee te laten draaien, dan kost het heel veel oefening om het met golf anders te doen.’’ Ze komt er mee weg, zegt ze. Het is waarschijnlijk haar balgevoel, weten hoe je een bal slaat, haar talent. Om de golfswing beter te beheersen zou ze meer op de drivingrange moeten staan, zoals haar eerste clubpro destijds al adviseerde. Oefenen en slijpen. Zoals vroeger met tennissen: altijd slijpen. Niet meteen de baan in. Want voordat je het weet leer je jezelf dingen aan die je dan weer moet afleren.

,,Een goede golfer ziet waarschijnlijk meteen dat ik eigenlijk een tennisser ben. Die swing, die zwaai van achter naar voren, naar de bal, de romprotatie.’’ Om het goed te doen, moet ze eenvoudigweg terug naar nul. ,,Mensen die geen sportachtergrond hebben en met golf beginnen, hoeven niet terug. Die beginnen met de basistechniek. Ze leren de swing. Maar ik moet eerst de tennisspecifieke details afleren. Het is geen verontschuldiging. En hoeft ook geen handicap te zijn. Tennis is blijkbaar toch anders dan golf, hoeveel ze ogenschijnlijk op elkaar lijken.’’

Het is aangenaam luisteren naar een vrouw die gefascineerd is door de sport. Hoe ze probeert over te brengen wat ze beleeft, wat ze voelt, waar ze mee worstelt, hoe ze het beste uit haar sportbeoefening wil halen. ,,Tennis was altijd mijn passie. Maar toen was het over. Ik moest een operatie aan mijn rechter elleboog ondergaan en daaruit vloeide voort dat ik niet meer op hoog niveau kon tennissen. Dat was een klap. Ik was 29 jaar. Ik ging commerciële economie studeren en kon dat later combineren met tv-werk. Per toeval kwam ik in aanraking met golfen. Ik wilde meer kunnen dan alleen goed tennissen. Ik moest en wilde verder met andere dingen. En dat is goed gegaan, met alles wat ik nu doe. Ik geef verslag van tenniswedstrijden, ik kan mijn ervaring en inzicht overbrengen. En golfen is heerlijk en geeft me het gevoel dat ik sport, dat ik beweeg. Deed ik het maar meer.’’

Golfen is, los van het verschil in beweging van het lichaam, heel anders dan tennis. Ze mag dan voordeel putten uit haar door de jaren heen gegroeide mentale ervaring (niet na een mislukte slag de strijd opgeven, altijd in het moment blijven, altijd op je hartslag en ademhaling letten, focus). ,,Tennis is rennen, zweten, adrenaline. Golfen is rustig blijven, nooit rennen en zeker nooit zweten. Die adrenaline die ik had tijdens mijn tenniscarrière, mis ik eigenlijk nog het meest. Na het golfen kun je vermoeid zijn, maar dat is een soort landerigheid, moe van de concentratie, moe van het slenteren. Na het tennis sloeg je hart tien keer door. Opgefokt, dat vroeg naar meer inspanning en zweet. Zweet? Na het golfen. Nee, je bent moe van een andere inspanning, zoals voortdurende concentratie. Elke slag of swing, vraagt om focus.’’

Maar dat geldt toch ook voor tennis? Kristie zal het niet ontkennen. Bij een tennispartij word je geconfronteerd met een tegenstander, wat zij doet, hoe zij anticipeert, jou door lijkt te hebben en daarop inspeelt. Wat doe je dan? Hoe sla je dan? Het is haar fascinatie voor competitie. Ze zoekt naar een vergelijking en vindt dat in deelgenoot zijn van een team (Dames 1 van Golfclub Cromstrijen). ,,Dan ben je niet alleen met jezelf bezig, maar ook met wat de anderen van het team van je verwachten. Je wilt anderen niet teleurstellen. Je wilt jezelf niet ontmoedigen, maar ook anderen niet. De combinatie van individueel bezig zijn, maar toch ook deel uit kunnen maken van een team vind ik het leuke van golfcompetitie.’’

kristie
Ze vertelt over haar veerkracht en haar talent: als de bal bij tennis na een slag buiten de lijnen gaat, is de partij nog niet over. Altijd verschijnen nieuwe kansen, de tegenstander kan ook fouten maken, omdat ook hij mogelijk ook wel worstelt met dezelfde twijfels. Maar je kunt er beter niet op rekenen. Vooral op jezelf vertrouwen.

Visualiseren is belangrijk en kan ze bij golf gebruiken vanuit haar verleden. Je staat op de teebox en denkt aan die ene tennispartij op dat hele grote centre court. Je kijkt naar je handen, je voelt je armen, je lichaam, je voelt iets in je hoofd. En je denkt: toen ging het goed (of niet goed). Je moet tijdens het spelletje niet terugdenken wat er net is gebeurd. Ook niet te ver vooruit kijken naar het eventuele eindresultaat. Je moet in het ‘nu’ kunnen blijven. ,,Routines zijn daarvoor een belangrijke houvast en daar kun je vertrouwen uit halen.’’

Tja, haar handicap, nu 10.8. Moet dat nog omlaag? Ergens in haar hoofd wil ze dat wel en weet ze dat ze zich nog kan verbeteren. Ze kan het zo goed, golfen. Ze is zo goed in het spel met een bal. Die hand-oog-coördinatie blijkt ze te beheersen, vanaf ze toen nog een kind was.

Ze is gedreven. ,,Golf doet iets met mij. Rust, o jee. Wat is dat nou weer? Ik verlang nog vaak naar adrenaline. Uit niets iets te halen. Dat is wel lastig.’’
——————————————————————————————————-
Kristie Boogert (Oud-Beijerland, 1973) behoorde jarenlang tot Nederlands beste tennisspeelsters. Ze behaalde een zilveren medaille op de Olympische Spelen van 2000 in het dubbelspel, samen met Miriam Oremans. De zusjes Serena en Venus Williams bleken uiteindelijk sterker. Ze won drie titels op de WTA-tour. In het enkelspel was haar hoogste positie op de wereldranglijst 29e. Als gevolg van een elleboogblessure moest ze haar tennisloopbaan beëindigen. Nu is ze tenniscommentator bij Eurosport en Sport1.

Dit interview is gepubliceerd in de serie Mijn nieuwe sport in GolfersMagazine nr.3 2015

%d bloggers liken dit: