Tag Archives: Shambhala Leiden

Moet ik mijzelf dan afzonderen of laten inmetselen?

6 Mrt


Vanuit mijn nederige bosverblijf zie ik mezen, merels, gaaien, duiven en andere vogels mijn zaadcontainer bestormen. Ze zijn met velen. Durven ze wel met z’n allen!

Meer sympathie gaat uit naar de bonte specht, die alleen en onverstoorbaar zoveel mogelijk graantjes probeert mee te pikken. Alleen is maar alleen, maar hij doet het toch maar, die durfal. Geobsedeerd volg ik zijn obsessie: pikken, eten en doen zonder zich (ogenschijnlijk) iets van anderen aan te trekken.

Zo zou ik het ook willen kunnen. Dingen doen en zeggen, leven zonder me gestoord te voelen door mensen om mij heen. Niet ogen in mijn rug voelen prikken, niet bang zijn voor anderen – vooral hun oordeel. Angst en schuldgevoel maken zich in meer of mindere mate van mij meester wanneer ik iets doe of zeg.

Paranoïde ben ik niet. Maar ik kan vrij bang zijn voor een oordeel. Dat ervaar ik gauw als een afwijzing: ‘Zo doe je dat toch niet, dat is toch raar, zo kun je niet opgevoed zijn, doe normaal!’ Als ik dat niet daadwerkelijk hoor of voel, dan is er wel een stemmetje in mijn hoofd die mijn gedrag beoordeelt, sterker: afkeurt.

In boeddhistische boeken (of boeken over boeddhisme) word ik geconfronteerd met heremieten die zich in afzondering aanleren naar zichzelf (en hun lichaam) te luisteren. Na jaren van meditatie en contemplatie in een grot of boven op een berg met summiere levensbehoeften vertoefd te hebben dalen zij af naar de samenleving, waar iedereen elkaar tot gekte drijft in de jacht op succes en geluk, en worden zij verwelkomd als heiligen, verlicht. Zij worden aanbeden, want zij hebben het in zich alleen met zichzelf vrede te vinden – zo wordt aangenomen.

Vanzelfsprekend hebben zij zich veel moeite moeten getroosten om in deze veronderstelde staat van verlichting te geraken. Alleen, op jezelf kunnen leven zonder toegeven aan verleidingen, begeertes kunnen weerstaan, jaloezie en competitie kunnen vermijden; ze doorzien als een strijd met het telkens opspelende ego en dat opgeven.

Ik herken die strijd. Vrijwel alles staat in dienst van mijn ego. Wat ik doe, denk en voel wordt gevoed door mijn omgeving. Bij mij wel. Ik wil onafhankelijk kunnen zijn, autonoom: wat mij beweegt behoort aan mij en aan niemand anders.

Moet ik om dat te bereiken me afzonderen in een grot (of zelfs ingemetseld), jaren alleen op een berg in de Himalaya wonen? Daar uren verblijven in meditatie en contemplatie? Moet ik alleen mezelf voelen en alleen mezelf beleven, met alleen mijn lijf, adem, pijnen en oprispingen als gezelschap; de omgeving, de natuur en de hemel als mijn enige bondgenoten?

Ik zou me eenzaam voelen – en dat wil ik niet. Dan maar een ego dat wordt geleid door invloeden van buiten, van mijn naasten met wie ik het goed wil kunnen vinden. Dan storen ze me maar in mijn comfortzone, dan schudden ze me maar wakker: ‘Kom op Guus, je bent niet alleen op de wereld, doe eens mee met ons’. Ik heb het nodig om wakker te blijven, mijn vijanden als bewakers te zien, zodat ik niet inslaap en denk dat er maar één op de wereld is en dat ‘ik’ dat ben.

Meedoen, niet alleen op jezelf leven en voor jezelf zorgen, zo suist het voortdurend door mijn hoofd. ‘Stop eens met alleen voor jezelf op te komen!’ Het is mijn dilemma – en mogelijk dat van vele andere mensen. Mijn ego is me heilig. Hoewel ik ervaar hoeveel lijden dat veroorzaakt. Anderen moeten mij even lief zijn, vind ik. Hoe doe je dat? Kiezen: jezelf minder maken en de ander meer. Misschien dat heremieten, monniken, lama’s en boeddhistische boeken mij daarbij kunnen helpen.

Ik hoop het, want mijn gulzigheid (begeerte) wordt op de proef gesteld. Ik wil het voortdurende geluk vinden – hoe en waar dan ook. Liever niet in een grot boven op een berg, los van de levensbehoeften die mij vaak een voldaan gevoel geven. Ik wil hier kunnen leven, tussen mijn geliefden, vrienden en mijn vijanden.

Guus van Holland is vriend van Shambhala Leiden

Deze column is gepubliceerd op de voorjaarseditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Engeltjes aan mijn bed

11 Dec

De verbazing bleef aanhouden. Elke dag tijdens mijn verblijf van twee maanden in het ziekenhuis en ook daarna als ik thuis werd verzorgd door verpleegkundigen. De aandacht en betrokkenheid, sterker: de liefde. Elke verpleger die aan mijn bed stond, luisterde, bekeek mij aandachtig van top tot teen en wachtte geduldig totdat ik mijn hele klaagzang had voltooid.

‘Kan ik u verder nog ergens mee helpen?’ Zo beëindigden zij ons eenrichtingsgesprek. Nee, eigenlijk niet. Of toch nog wel? Dacht ik hardop, waarop ze zeiden: ‘Als er iets is roept u maar, ik kom meteen.’

Ik wist niet wat ik meemaakte. Zoveel aandacht, liefde en zorg. Was ik dat allemaal waard – hoe ernstig mijn ziekte ook was? Ik genoot van elk moment. Ik werd overspoeld door gelukzaligheid als zij mij maar even aanraakten. Ik vermoedde engeltjes aan mijn bed, alle pijn en ellende verdween door elk woordje dat mij ten deel viel. Ik voelde mij een beetje schuldig. Moest ik nu iets teruggeven? Verwachtten zij iets terug?

Was dit nou altruïsme, de kracht van compassie? Zoals ik dat vier jaar geleden dacht te begrijpen bij het lezen van het boek (800 pagina’s) van de Franse boeddhistische leraar Matthieu Ricard (Altruïsme, de kracht van compassie, Ten Have, 2013). Nee, dit was anders. Intenser, nog onbaatzuchtiger dan ik meende van Ricard te hebben opgestoken. Dat dit bestaat? Ik haalde destijds in een omvangrijk artikel in The Optimist (The Path of the Altruïst) voorbeelden aan van altruïstische mensen, zoals Florence Nightingale, en anderen met een groot hart vol liefde voor de ander. Maar er zijn er dus veel meer, vooral de (soms vrijwillige) zorgverleners, verpleegkundigen en artsen. Geven, helpen en luisteren, zichzelf vergetend.

Dat ene moment dat ik ’s nachts woedend de dekens van mij afwierp omdat de nachtzuster me geen slaapmiddel meer wilde geven en ik mij niet tot bedaren liet brengen. Ik vloekte en schold haar uit. Toch legde zij even later liefdevol een opgewarmde deken op mijn buik, waardoor ik zowaar in slaap viel. Natuurlijk werd het voorval in mijn dossier vastgelegd. De volgende dag vertelde ik aan een andere verpleegkundige dat ik mij schuldig voelde en de nachtzuster niet meer onder ogen durfde te komen. Ik was mezelf te buiten gegaan.

Korte tijd later kwam de mogelijk door mij gekwetste nachtzuster kordaat naar mij toe. Zij legde een hand op mijn schouder, aaide me over mijn hoofd en zei: ‘Ik hoorde dat u zich schuldig voelt over wat er vannacht is gebeurd. Dat is niet nodig. Ik ben er voor u: niet schuldig voelen, hoor. Als u wilt dat ik kom, dan kom ik meteen.’ Ik dacht even dat ze bloosde en dat ze het niet meende. Maar dat was gauw voorbij. Ik viel in slaap en droomde over liefde, dat iedereen liefde voor anderen in zich draagt. Altruïsme bestaat echt en niet alleen omdat Ricard daar 800 pagina’s over heeft geschreven.

Met een van de verpleegkundigen deelde ik mijn ideeën over altruïsme en empathie. Zij was geïnteresseerd omdat ze tijdens haar opleiding het vak ‘zorg en ethiek’ volgde. Ik beval haar Ricard aan en diens uitleg. Omdat het haar dagelijks bezighield: verzorgen zonder er iets voor terug te vragen. Ze zorgde graag, maar het was niet altijd gemakkelijk. Ze had ervoor gekozen, omdat zij er plezier aan beleefde. Zei ze.

Die liefdevolle vriendelijkheid van de verplegers en artsen in het ziekenhuis en van de thuiszorg maakte zoveel indruk op mij dat ik meer vertrouwen in mensen heb gekregen. Dat er meer mensen zijn die anderen onbaatzuchtig helpen dan ik ooit in mijn door scepsis geleide leven had durven denken. Ik heb het sterke vermoeden dat iedereen van huis uit altruïstisch is, maar dat wij hebben geleerd egoïstisch te zijn – allereerst aan onszelf te denken.

Het is fijn om altruïsme te ervaren, gewoon liefde met zoveel mogelijk aanrakingen te voelen. Dat voelt als het beste medicijn. Wanneer ik die verzorgers zo bezig zag met hun altruïsme, voelde ik bovendien dat het echt was. Ze geven liefde en daar krijgen ze ongevraagd plezier voor terug. Liefde vooral, zeker van mij, de man die (zoals iedereen) hunkert naar liefde.

Guus van Holland is vriend van Shambhala Leiden.
Deze column is gepubliceerd op de wintereditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Nergens zin in hebben

18 Okt

Wat zal ik gaan doen? Het is de vraag die ’s morgens bij het ontwaken als eerste opkomt. Er zijn geen plannen. Mogelijk alleen verplichtingen, zoals douchen, ontbijten en koffie drinken. En mediteren, 20 minuten, tot de mountain bell van de app op mijn iPhone gaat.

De dag is begonnen. Wat nu? Als ik me maar niet ga vervelen. Het is de eerste vrees die bij me opkomt. Ik mag me niet vervelen, ik moet wat gaan doen. Zo ben ik geconditioneerd al vanaf mijn jongste jaren. Doe wat! Kom van die bank! Ga buiten spelen!

Maar ik wil zo graag lui zijn. Niets doen. Nergens zin in hebben. Niet doen wat anderen van mij verlangen. Ik wil met rust gelaten worden, nadenken of desnoods slapen – ver van de verwarrende wereld.

Ja, me vervelen. Is dat zo erg? Misschien voor anderen die mij liever zien bewegen, bang als ze zijn dat er niets van mij (en de wereld) terecht zal komen.

Jarenlang heb ik geen tijd gehad om me te vervelen. Ik had werk, boeiend werk waarin ik mij geen moment verveelde. Obsessief volgde ik de sportontwikkelingen, geen nieuw inzicht negeerde ik. Toch voelde ik diep van binnen onrust, met vragen als: ben je niet te rusteloos, neem je wel op tijd rust, tijd voor bezinning, zou het niet eens tijd zijn voor meditatie en contemplatie? Is dat nou alles? Zoals de succesvolle oude Vlaamse volkszanger Ivan Heylen me in een interview in de jaren zeventig toevertrouwde: ‘Hoe ver ben ik nu, wie ben ik nu nog?’

Toen het werk was gedaan, sloeg de leegte toe. Bezetenheid maakte plaats voor leegte. Vrijheid, zo menen velen die niet meer hoeven te werken. Ik wist me geen raad. Ik sloeg mijn vleugels uit, naar alle kanten, maar nergens vonden ze de wind die me naar de paradijselijke vrijheid droeg. Ik zag George Harrison in Living in the Material World (2011) van Martin Scorsese en raakte in vervoering door zijn doorontwikkelde altruïsme dat hij zich door jarenlange meditatie ’s morgens nog voor de zon opkwam in het torentje van zijn Engelse kasteel aanleerde.

Daar zat hij dan in zijn eentje, in zichzelf gekeerd, in- en uitademend, contemplerend, zichzelf ervan doordringend dat niets van hem was. Onthechting vond plaats, zonder dat hij het bewust wilde. Hij zat daar en liet de verveling toe. Hij zag het gebeuren: niets is van mij, alles is van iedereen – hoe ver kun je verwijderd zijn van de samenleving, die begeerte en egocentrisme tot het hoogste goed heeft bestempeld?

Met leegte maakte ik ook kennis in het boek ‘Ongebaande paden – een voetreis dwars door Frankrijk’ (Arbeiderspers, 2016) van Sylvain Tesson. (Lees ook: ‘Zes maanden in de Siberische wouden’). De voettocht van de Franse schrijver voerde, door de zelf opgelegde verplichting dat hij alleen over onverharde wegen mocht lopen, dwars door de ongerepte natuur, over soms nauwelijks begaanbaar terrein en langs barre uithoeken. Een kleine drie maanden later eindigde zijn voetreis aan de noordwestkust van Frankrijk.

Tijdens zijn tocht was hij in de stilte van de bossen en de weiden, op eenzame bergtoppen, wadend door kabbelende beken, slapend in de vrede, hoewel rondom dieren en vogels hem bespiedden. Voorbijgangers, boeren en landlopers keken hem aan, boerenvrouwen boden hem een kop soep aan en soms een duistere slaapplaats als het regende. Verder gebeurde er niets, maar eigenlijk van alles. Hij zag alles wat anderen in die verdwaasde, gestreste wereld niet meer konden zien. In de stilte en de leegte is er meer dan we weten.

Zo zit ik dan weer op mijn meditatiekussen, de wekker op twintig minuten. Soms komt de mountain bell als geroepen, dan weer te vroeg. Net als ik me veilig voel in de leegte en de geluiden om mij heen niet meer als storend ervaar. Er is geen verveling meer. Ik zit, ik wacht niet, ik voel geen plannen of verplichting. Ik voel en hoor mijn ademhaling. Soms een ritseling van blaadjes of diertjes. So what? Hier zit ik en niemand anders, het zijn mijn bewegingen die ik voel. De verveling heeft mij ontdekt en het voelt vredig: er is geen afleiding, niets trekt mij weg van mijn verveling. Er is zelfs geen begeerte. Ik zit en verveel me.

Guus van Holland is vriend van Shambhala Leiden

Deze column is gepubliceerd in de najaarseditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/

 

Vluchten heeft geen zin meer

22 Jun

IMG_1653Toen was het stil. Ik hoorde een fluitconcert van vogels, bladeren ritselen, mijn adem en ik hoorde zelfs mijn hart in een rustig, regelmatig ritme kloppen. Weg van het lawaai. Weg van borende en zagende buurmannen. Weg van alarmerende sirenes. Weg van blaffende honden. Weg van redeloos schreeuwende kinderen en hun radeloze ouders.

Ik moest weg, de stilte in, het bos in. Weg van mensen met hun harde stemmen en oorverdovende machines. En zowaar. Van de geluiden die ik ver van de bewoonde wereld aantrof, werd ik niet opstandig. Ze leken me vredig te stemmen. Totdat ik tijdens mijn meditatieve momenten in de natuur merkte dat ik helemaal niet zo rustig was. Er woedde een storm. Er was iets in mij dat me stoorde. Ik was overstuur, in de war gebracht door geest verstorende ervaringen.

Ik liet mijn emoties begaan. Ik liet gedachten komen en voorbijgaan, de vogels de vogels en de bladeren de bladeren. Ik voelde en hoorde iets dat mijn adem kon zijn of mijn hart. Het werd even stil in mij. Er was zoiets als leegte. Een onbestemde beleving.

Ik wilde weg, alweer. Nu weg van de bedreigende leegte en stilte in mij. Weer wilde ik op de vlucht. Maar waar moest ik heen? Ik kon niet anders dan te blijven zitten waar ik zat en me niet te verroeren. Hier zat ik gegijzeld door mezelf en mijn gevoelens. Hier moest ik het meedoen. Dit was ík, dit was niemand anders. Vluchten kon niet meer.

Zo bleef ik een tijdje zitten. Ik voelde mijn benen, voeten, buik, armen, hoofd, ogen, neus, mond, lippen, adem, mijn hart. Tintelingen, prikkels, steekjes, golfjes van onbestemde gevoelens. Ik wilde het gevoel duiden: wat bedoelen ze? Wat gebeurde er allemaal in dit lijf? Wat een sensaties!

De herinnering aan het boek ‘Leer ons stil te zitten’ van Tim Parks (bij voetballiefhebbers bekend van ‘Een seizoen met Hellas Verona’) kwam boven. Ik zocht het op en las: ‘Ochtendgedachten borrelen als luchtbellen omhoog. Ik concentreer me op de adem in mijn neusgaten, op mijn lippen. Alleen door je voortdurend bewust te zijn van je lichaam kun je bruisende gedachten tot rust brengen. Ik maak me niet ongerust als het niet gaat. Het doel is stilte, maar ik verlang er niet naar….. Er is niets mystieks aan. Veel mensen die voor het eerst op Vipassana-retraîte gaan verlangen naar drama, naar een confrontatie met hun demonen, naar onderwerping aan een goeroe. We willen allemaal een nieuw hoofdstuk toevoegen aan het verhaal van ons ik, aan ons eindeloze doorzeuren over hoe we met de wereld omgaan. Daarom gaan zoveel mensen naar India, vermoed ik, om alleen met de ogen dicht op een kussen te zitten. Ze hopen dat de exotische locatie, de gewaden en de vreemde taal intensiteit toevoegen aan het verhaal.’

En: ‘Zodra woorden en gedachten uit het hoofd verbannen zijn, verzwakt ook het ‘ik’. Er is geen verhaal meer dat het ‘ik’ voedt. Wanneer de woorden verdwenen zijn, maakt het niet meer uit waar je bent. Of het morgen of avond is, of je jong of oud bent, man of vrouw, arm of rijk – dat is in de stilte, in het donker, in de kalmte, niet belangrijk. Net als geesten, engelen en goden blijkt ook het ik een idee te zijn dat we bedacht hebben, een verhaal dat we onszelf vertellen. Ik heb taal nodig om te overleven. Woorden scheppen betekenis, betekenis geeft een doel, een doel leidt tot een verhaal. Maar hier is even geen verhaal, geen retoriek, geen bedrog. Hier zijn stilte en aanvaarding; het genot van een ruimte die niet van betekenis doordrenkt hoeft te worden. Door je intens bewust te worden van het lichaam, de adem, het bloed, kun je ‘ik’ laten wegglippen.’

IMG_1655Mijn aandacht was weg. Buiten mijn boshuisje hoorde ik een fluitconcert van vogels, een bromvlieg op zoek naar een plekje waar hij zich rustig voelde. Het zou een oorverdovend lawaai kunnen zijn, waar geen agressieve gitaar van mijn geliefde zielsverwant Neil Young tegenop kon. Het was sensationeel. Ik had mijn rust gevonden, door naar mijn lichaam te luisteren, mijn zintuigen te voelen en simpelweg te aanvaarden.

Dit zou ik thuis kunnen doen: in mezelf keren. Niet vluchten. Leren stil te zitten en te luisteren naar mijn lichaam. Als morgen het lawaai me te veel wordt en ik wil vluchten, ga ik zitten en luister naar mijn lichaam. Probeer ik te voelen. Misschien dringt dan tot me door dat alles buiten mij niet vijandig bedoeld is, niemand iets doet om mij te pesten. Dat alle verstoringen in mezelf huizen. Dat ik alleen de rust in mezelf kan vinden. Door in te zien waarom ik verstoord raak. Dat vluchten geen zin heeft. Dat het monster in mezelf huist. 

Het lawaai zit in mij. 

Net als de rust.

Guus van Holland is vriend van de Shambhala-sangha Leiden

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

 

 

Pijn leren lezen

21 Mrt

Voortdurend hoor ik schreeuwen en schelden om mij heen. Het is vermoedelijk pijn die uit de diepste lagen van een menselijk lichaam komt. Pijn die niet meer is te verdragen. Pijn die ontploft. Pijn die zijn uitweg vindt met schreeuwen, schelden en anderen pijn doen. Ik voel het om me heen. Ik voel het in mezelf wanneer ik schreeuw en scheld, me niet meer kan beheersen. Woede. Dat ik boos ben omdat ik de pijn in mezelf maar niet kan vernietigen. Die machteloosheid.

Die zielenpijn, dat is voor mij lijden. Omdat ik niet krijg waarnaar ik verlang. Ik ben niet ziek, ik slik geen medicijnen, ik lijd vooral aan ontevredenheid. Ik heb geen vrede met mezelf. Ik wil meer zijn, ik wil beter zijn, beter dan een ander. De beste zijn. Als ik mezelf aan anderen spiegel, word ik geconfronteerd met mezelf, met de door mij gevreesde fouten en gebreken. Dan voel ik me minder. En dat doet pijn.

Ik vermoed dat veel anderen aan dezelfde pijn lijden. Niet bij iedereen is dat bij de eerste aanblik te zien. De een draagt een glimlach als masker, de ander trekt zich terug in zijn cocon, op zijn werkkamer of duikt weg achter zijn computer of onder zijn dekbed. Weer anderen drinken en roken alsof de duivel hen op de hielen zit – los van het feit of mensen ‘echt ziek’ zijn of lichamelijk dan wel geestelijk beperkt.

Ik kijk om me heen en zie verkrampte gezichten, boze en angstige blikken van gepijnigde mensen. Mensen die op het punt staan in schreeuwen en schelden uit te barsten, mensen die bij het minste onrecht tot in het diepst van hun ziel worden geraakt. Ze kunnen de druk niet meer aan, onderdrukt als ze zich voelen. De spanning loopt op. De angst om niet meer mee te kunnen en overgeslagen te worden. Lees Twitter, lees Facebook, luister op straat en kijk televisie. Verongelijktheid heerst. Pijn is overal.

everyone
Diepe indruk maakte op mij het interview met schrijver Arthur Japin in het tv-programma Adieu God? Japin sprak tegenover Tijs van den Brink over zijn trauma’s. Als jongen was hij op straat en op school zowel verbaal als fysiek mishandeld. In zijn gezin was geweld. Hij voelde zich nooit veilig. Japin zei dat hij in zijn jeugd met geweld en kwetsing een zintuig heeft ontwikkeld die hem in staat stelt te voelen wie pijn heeft. Hij heeft pijn leren lezen. ,,Als er iets totaal misgaat, moet je bij mij zijn. Daar krijg ik energie van.’’

Japin oefende in liefde geven. Als hij in een tram zat en een paar rijen voor hem een man zag die ogenschijnlijk pijn had, schonk hij liefde: ,,Gewoon in mijn gedachten zei ik: ik zie je, ik voel met je mee, ik ben er voor je.’’ Hij had geen idee of de man er wat aan had. ,,Maar ik voelde me er beter bij. Dat is liefde.’’

Pijn gewaar zijn, bij jezelf maar zeker ook bij anderen, biedt perspectief. Hoop. Door de pijn met liefde te beantwoorden. Niet te bestrijden, niet bang zijn. Durven voelen waar de pijn zit, waar hij vandaan komt. En hem dan begroeten. ‘Ha, pijn, ben je daar weer.’ ‘Ha, verongelijktheid.’ ‘Ha, begeerte, moet je weer zo nodig!’ Mijn ontdekking lijkt een beetje op wat Japin gewaar werd. Als je je eigen pijn voelt, voel je eerder de pijn in een ander. Dan is de volgende stap sneller gemaakt: liefde geven.

Wat zou het mooi zijn als mensen, als politici, gezagsdragers, opinieleiders, journalisten zich écht verdiepen in de alom heersende pijn. Als ze gaan beseffen waaraan mensen werkelijk lijden, diep van binnen. Dat iedereen lijdt aan ontevredenheid, te veel spanning of onverwerkte (verdrongen) pijn uit zijn jeugd. Dat velen zich verongelijkt voelen door te weinig aandacht, te weinig liefde en te veel begeerte.

Met mensen verkeren, over straat lopen, in de trein, de tram of de bus zitten en dan proberen te voelen waarom ze boos kijken. Niet terugschreeuwen, niet terugschelden, gewoon je wapens laten vallen. Is dat een goed idee?

Guus van Holland is vriend van Shambhala Leiden

Deze column is eerder gepubliceerd op http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Is gelijk willen hebben een gevecht om (iets) te winnen?

21 Aug

Een stilte-retraîte ondergaan is uitdagend voor wie zijn ervaringen en gevoel graag deelt. Omringd door mensen zwijgend zittend en lopend mediteren, zwijgend thee drinken, zwijgend eten, zwijgend observeren. Moeilijk, hoor. Gelukkig mocht er in mijn retraîte tijdens de lunch mondjesmaat worden gesproken. Liefst over je ervaringen ter plekke, maar dan wel terughoudend. Liever niet uitweiden, niet associëren met wat elders, eerder of buiten de sangha is gebeurd.

,,Stil zijn is moeilijk”, hoorde ik plotseling. Ik voelde een hand op mijn schouder. Als een terechtwijzing? Vast. Ik had de regels doorbroken en was – als vanouds – aan de wandel gegaan met verhalen. Ik slikte haastig de woorden in die in mijn mond brandden en zweeg vol schuldgevoel. De vrouw tegenover mij knipoogde. Ze wees mij niet terecht, ze was vriendelijk. Ze daagde mij uit vriendelijk voor mezelf te zijn en mij vooral niet schuldig te voelen.

De volgende meditatiesessie (na de lunch) ging ik vooraan zitten. Als om mijn schuld in te lossen. Recht tegenover de umdze (meditatieleider en tijdaangever), de man die een hand op mijn schouder had gelegd. Bewust of onbewust vooraan, ik weet het niet. Of misschien toch wel: zie mij eens hier vooraan zitten! Na de afsluitende gong, kwam de umdze meteen naar me toe en legde een hand op mijn arm. Hij zei op vriendelijke toon dat hij mij niet had willen beschuldigen. Ik hoorde een verontschuldiging…

,,Ja, je had gelijk”, was mijn haastige antwoord. Ik dacht niet eens na, ik zei het zomaar, spontaan. Hopelijk zou hij mij door mijn schuldbekentenis alsnog vergeven. ,,Het is geen kwestie van gelijk hebben’’, repliceerde de umdze, een man met wie ik al jaren op basis van wederzijdse vriendelijkheid van gedachten wissel. ,,Ik vond het alleen nodig om mijn eerdere opmerking te verklaren”, ging hij verder. ,,Misschien is dat wel mijn schuldgevoel. Ik wil jou niet kwetsen. En ik was ook gewoon een beetje geïrriteerd door iets anders wat in mijn gedachten speelde.”

Nog steeds spookt het door mijn hoofd: ,,Het is geen kwestie van gelijk hebben.” Die opmerking. Is het dat wat mij vaak zo moe heeft gemaakt? De voortdurende strijd om gelijk te hebben, te winnen dus, beter (wijzer) te zijn dan de ander. Ik zie, hoor en lees het om me heen: de eeuwige strijd van gelijk hebben, de ander overtuigen, jouw mening opdringen.

Ik zie, hoor en lees dat mensen smullen van verhitte discussies op radio en televisie, op internetfora en sociale media. Ik voel het als een strijd om het gelijk. Kijk mij eens, hoe goed ik ben. Strijd! Competitie! Ik vermoed zelfs dat die zucht naar strijd en ongelijkheid toeneemt. Mensen willen strijd. Us and them. Afwijzing als afweer. Zonder strijd geen spanning.

Maar ik smul juist wanneer tijdens meningsverschillen de een goed, aandachtig naar de ander luistert en eerst en vooral probeert te begrijpen wat hij bedoelt. De ander laat uitpraten. Vooral het inzicht van de ander aanvaardt en niet de ander zonder meer (nadenken) afwijst en in de categorie van onwetenden (dommen) wegzet.

Luisteren is zó moeilijk. Het is een gevecht: aanvaarden wat een ander ziet, hoort en voelt, zonder het of hem te veroordelen. Zonder mezelf te profileren. Rest mijn vraag waarom gelijk hebben zo belangrijk wordt gevonden. Waarom ik dat altijd zo belangrijk heb gevonden. Hebben we zonder bevestiging van wat wij vinden geen bestaansrecht? Voelen we ons minderwaardig of zelfs afgewezen wanneer een ander onze mening niet deelt? Voelen we ons verheven, trots, baas over de ander wanneer we gelijk krijgen? Slaan we ons op de borst wanneer we van een ander hebben gewonnen? Zonder winst geen ik, zonder winst geen ego. Ben je dan zonder winst niks? Is verliezen dan zo erg? Wat verlies je eigenlijk?

Het zijn vragen die me, sinds de umdze me onderbrak, bezighouden. Bijna geen meditatie of contemplatie passeert dezer dagen zonder deze overdenking over gelijk (willen) hebben. Over strijd en winnen. Over aanvaarding en een ander aanvaarden. Dat een ander een ander is en zijn eigen mening, gevoel en smaak heeft. Zo heeft de stilte-retraîte zin gehad. Maar het is wel een strijd, sowieso mijn strijd.

Guus van Holland was sportjournalist bij de Volkskrant en NRC Handelsblad. Hij is vriend van Shambhala Leiden.

Deze column is gepubliceerd op de najaarseditie van http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/

%d bloggers liken dit: