Tag Archives: Garrincha

Altijd heb ik in het wit van Real Madrid willen voetballen

1 Jun

Real Madrid. Ik durf de naam van deze club nauwelijks uit te spreken. De kans dat ik overspoeld word met kwetsingen, beledigingen en vuilspuiterij is aanzienlijk. Of ik word gewoon gewoon weggezet als dom; sterker: iemand zonder verstand van voetbal. Je moet van Barcelona houden – of van Ajax. Dat getuigt in het voetbalwereldje van gezond verstand. Nu, ik doe het toch maar. Dan maar geen verstand van voetbal. Ik schreeuw het hier uit: ik sympathiseer met Real Madrid! Ik hoop dat zaterdagavond Real voor de twaalfde keer de Europa Cup voor landskampioenen wint – sinds twee decennia de Champions League genoemd.

Over smaak en liefde kun je lang twisten. Maar mijn gevoel blijft mijn gevoel. Pas op, ik ben geen doorbloede supporter van Real Madrid die zijn leven en welzijn laat afhangen van deze Spaanse voetbalclub. Ik ben een sympathisant, die in de wedstrijden waarin Real uitkomt niet meer dan diep van binnen partij kiest voor de Madrilenen. Niet omdat het mooiste voetbal (Wat is dat eigenlijk? Wie heeft dat als voorwaarde bedacht?) door Real zou worden gespeeld. Dat doen ze namelijk lang niet altijd. Als de Koninklijke voetbalt, voetbalt het elftal (door wie ook gecoacht) binnen haar mogelijkheden om te winnen.

Het voelt nu als een verklaring, sterker als een verontschuldiging, dat ik doorgaans sympathieën koester voor Real Madrid. Alsof ik moet uitleggen waarom ik niet van vis houd en waarom ik een meisje liefheb dat niet de mooiste van de klas is. Waarom? Eenvoudigweg omdat het mijn eigen smaak is, mijn gevoel is waardoor ik me laat leiden. Mijn zintuigen wijzen sinds mijn jongste jeugd (mogelijk zelfs sinds mijn geboorte) mij de weg in het leven. Misschien niet de juiste weg en de mooiste weg. En zeker niet de weg die anderen nemen. Het is wel mijn weg, aangegeven door mijn vader. Zoals wel meer vaders hun zonen de weg wijzen. Voordat je het weet heb je hun weg gekozen.

In juni 1958 hadden wij thuis nog geen televisie. Mijn vader keek bij de buren naar voetbal. Ik keek bij een vriendje op zaterdagmiddag naar de FA Cup Final. Toen de finale van het WK tussen Zweden en Brazilië gespeeld zou worden, haalde mijn vader me over mee naar de buren te gaan. ,,Dan zie je negers voetballen en die kunnen beter voetballen dan blanken. Die verdedigers maken nooit overtredingen. In de aanval staat een jochie van 17, fantastisch, Pelé heet hij. Dan loopt er een lange arrogante neger rond, die kan écht voetballen, Didi. En als rechtsbuiten loopt een manke voetballer die nog beter is dan Stanley Matthews: Garrincha.”

Ik zag het aan en was overweldigd. Altijd bleef ik sindsdien sympathieën koesteren voor Brazilianen. Ik moest er later naar toe, dat beloofde ik mezelf. Ik moest de ziel van Braziliaanse voetballers blootleggen. Dat heb ik als voetbalverslaggever gedaan. Ik was er eind jaren negentig voor het eerst en zag een droom werkelijkheid worden.

Alfredo Di Stéfano

Een jaar na het WK in 1958 was ik lid geworden van de plaatselijke voetbalclub Bennekom. Op een woensdagmiddag kregen wij als jeugdspelers een keer voetbalfilms voorgeschoteld in het Verenigingsgebouw. Een van de films ging over Real Madrid, dat toen al drie keer de Europa Cup had gewonnen. Ik zag op de trillende zwartwitbeelden acties die ik alleen Brazilianen had zien uitvoeren. Ik zag een Real-speler een ongeëvenaard doelpunt maken. Hij stond met zijn rug naar het doel, liet de bal tussen zijn benen doorrollen en veranderde op het laatste moment met zijn hak de richting van de bal: doelpunt. En zo zag ik meer acties en doelpunten die mij in vervoering brachten.

Real Madrid 1958: vlnr Raymond Kopa, Hector Rial, Alfredo Di Stéfano, Ferenc Puskas en Francisco Gento

De man van de toen door mij als geniaal bestempelde actie heette Alfredo Di Stéfano. Rondom hem speelden Francisco Gento, Ferenc Puskas, Raymond Kopa, Hector Rial, José Santamaria en anderen, gehuld in witte broeken, witte shirts en witte kousen. Ze speelden in mijn jongensogen goddelijk. Ik wilde mijn hele leven voetballen in het smetteloos wit. Toen ik zes of zeven jaar later in het eerste elftal van mijn club mocht debuteren, speelden we vaak in het wit (helemaal wit). Onze clubkleuren waren rood-wit gestreept. Ik voelde me koninklijk, helemaal in het wit (zonder reclame), hoog tot op kniehoogte opgetrokken witte kousen over gebruinde benen, zwarte schoenen (de witte strepen had ik met zwart overgepoetst). Ik wilde Real Madrid zijn, eigenlijk wilde iedereen in dat elftal dat. Real Madrid zijn, dat gaf je een onoverwinnelijk gevoel.

Bennekom 1 in het wit van Real Madrid, ik zit links onder

Wit, wit, wit, koninklijk wit. Dat was het voetbal waar ik van droomde. Al moet gezegd dat de Brazilianen, voor zover ik die (op televisie) kon zien voetballen in mijn jeugd, mij ook hadden kunnen bekoren. Mijn vader was mijn zielsverwant. Hij sprong overeind bij een onnavolgbare dribbel van Gento, loeide bij een schot van Puskas en kraaide het uit bij een actie van Di Stéfano.

In het voorjaar van 1962 (ik was 13 jaar) werd in Amsterdam de finale van de Europa Cup tussen Real Madrid en Benfica gespeeld. Ik had in de plaatselijke krant gelezen dat Benfica op de Wageningse Berg logeerde en trainde, zes kilometer van mijn huis. Ik sprong op de fiets, beklom de Wageningse Berg en zag de sterren van Benfica schitteren tijdens de training. Van een bestuurslid kreeg ik een speldje van Benfica. Ik posteerde me achter het doel van Costa Pereira, de machtige keeper van Benfica. Eusebio, Coluna, Aguas, Augusto, Germano en Simoes produceerden kanonskogels. De ballen die naast het doel gingen haalde ik op (na een gevecht met andere bewonderaars) en plaatste die keurig met de binnenkant van de voet terug naar de Benfica-sterren. Na afloop kwam Eusebio met een grote lach op zijn gezicht naar me toe en aaide me over mijn hoofd, als dank voor mijn inspanningen. Het was duidelijk: Benfica zou de volgende dag mijn favoriete ploeg zijn.

Zo keken we naar de finale. Mijn vader was voor Real Madrid (met de toen al 36-jarige Di Stéfano), ik ditmaal voor Benfica. En ja hoor, Benfica won, met 5-3. Ondanks drie doelpunten van Puskas. Maar Eusebio forceerde met twee doelpunten in de tweede helft de beslissing. Ik was blij, mijn held had gewonnen. En daarom ben ik nog altijd een beetje sympathisant van Benfica.

Maar het wit van Real bleef fascineren. Altijd speelden er fantastische voetballers. Soms ook harde en smerige verdedigers, zoals José Antonio Camacho, bijgenaamd ‘het scheermes’. Ach, een scheermes als wapen kan ook fascinatie oproepen. Je moet het maar doen én durven. Ook dat is er sinds het ontstaan van voetbal. Het hoort er bij. Ik kan opgewonden raken van fabuleuze acties van artiesten, maar ook van vernietigende tackles. Dat is voor mij opwinding. Natuurlijk denk ik bij zulke grove acties: oei! Maar hij is wel van de club die ik graag zie winnen. De mantel der liefde verhult veel.

Alfredo Di Stéfano

Zaterdag is de finale Real Madrid-Juventus. In 1998 was ik er als verslaggever getuige van hoe Real in de Amsterdam Arena Juventus versloeg, 1-0, doelpunt Predrag Mijatovic. Daags voor de wedstrijd kon ik samen met een select gezelschap journalisten deelnemen aan een lunch met Di Stéfano met Gento in vijfsterrenrestaurant d’Vijff Vlieghen in Amsterdam. Het lukte mij aan tafel tegenover ‘de blonde pijl’ te gaan zitten, naast een Spaanse tolk. Terwijl Di Stéfano de ene sigaret na de andere opstak en het ene glas witte wijn na het andere dronk, vroeg ik hem wie hij de beste voetballer aller tijden vond. ,,José Manuel Moreno’’, zei Di Stéfano kort en chagrijnig, en nam een slok. Moreno bleek ooit de rechtsbinnen van River Plate Buenos Aires, zijn held bij de club waar Di Stéfano als beginnende voetballer speelde.

Na de lunch liep het gezelschap rond Di Stéfano en Gento over de Amsterdamse grachten naar een fanshop van Real Madrid die door de oude sterren geopend zou worden. Niemand herkende de oude meesters. Di Stéfano keek tijdens de wandeling nauwelijks om zich heen en mompelde op mijn verzoek (ik week niet van zijn zijde) wat over de verloren finale van 1962 in Amsterdam tegen Benfica. Gento zag een leeg blikje cola liggen en begon wat dribbels te demonstreren. Waarop Di Stéfano eindelijk lachte en zei: ,,Paco (de bijnaam van Gento).”

Fernando Redondo

Di Stéfano overleed in 2014. Hij werd 88 jaar. Door hem ben ik sympathisant gebleven van Real Madrid. Ik heb na hem talloze sterren zien schitteren in het Koninklijke wit. Ik was bij wedstrijden in het majestueuze Bernabeustadion toen de Nederlanders Leo Beenhakker en Guus Hiddink er trainer waren. Ik genoot van Butragueno, Michel, Hugo Sanchez, Santillana, Amancio, Juanito, Redondo (!), Roberto Carlos, Ronaldo (de Braziliaan), Didi (de spelmaker van de Braziliaanse wereldkampioen van 1958 en 1962, én uitvinder van de folha seca, de vallende vrije trap). Ik genoot van Netzer, Suker, Prosinecki, Hagi, Kaka, Raúl, Figo, Zidane, Beckham, McManamam, Van Nistelrooy, Robben en vele anderen. Ik zag als verslaggever een aantal Europese finales met Real Madrid en altijd was ik voor Madrid. Zoals nu, hoe sterk Juventus ook is. Ik hoop op prachtige acties van het middenveld Modric, Kroos en Isco, op de kwikzilverige aanvallende verdediger Marcelo, op Benzema, vanzelfsprekend op Cristiano Ronaldo en op het souvereine, soms keiharde verdedigen van Ramos – geen betere verdediger dan Sergio Ramos.

Zinédine Zidane

Maar bovenal hoop ik dat Zinédine Zidane de winnende coach wordt. De Fransman die eens als speler van Juventus en het Franse elftal excelleerde en vervolgens bij Real Madrid deed wat een speler van de Koninklijke wordt geacht te doen: schitteren – en mij in vervoering brengen. Ik hoop dat mijn smaak de goede is. Ik kan er niets tegen doen. Het is mijn smaak en het is mijn gevoel dat mij naar het wit van Real Madrid heeft gedreven. Of het nu de rijkste club ter wereld is, of de club met de meeste schulden, dan wel de club die niet altijd het mooiste voetbal speelt – wat dat ook is. Het is Real Madrid, de club die mijn zintuigen vormde. Mocht het niet lukken, dan zal ik niet lang treuren. May the best team win.

Dit artikel is in de aanloop naar de finale van de Champions League Real Madrid-Juventus (zaterdag 3 juni) geplaatst op de website http://www.dewitteduivel.com. Zie daar ook een portret over Juventus van Bruno Giuntoli, een Nederlandse Italiaan die de Oude Dame liefheeft.

Kopa de meest memorabele Franse voetballer

5 Mrt

Raymond Kopa, voluit Kopaszewksi, is de meest memorabele voetballer die Frankrijk heeft gekend. Nog ver voordat zijn landgenoten Michel Platini en Zinédine Zidane hun uitzonderlijke kunsten vertoonden was Kopa de Franse voetballer die tot de verbeelding sprak. In de jaren vijftig was hij een middenvelder met een even sierlijke als vloeiende dribbel, zoals men die vandaag zelden meer ziet.

Afgelopen vrijdag overleed op 85-jarige leeftijd de Fransman van Poolse afkomst. Le petit Napoleon werd hij genoemd, de voetballer die op het wereldkampioenschap van 1958 furore maakte als het spirituele brein (le chef d’orchestre) in het multiculturele Franse elftal dat als derde eindigde, achter wereldkampioen Brazilië en Zweden. Hij was de man die toernooitopscorer Just Fontaine (Marokkaanse-Spaans) en Roger Piantoni (Italiaans) met geniale passes bediende.

kopa
Kopa, die net als zijn vader werkzaam was in de mijnen rond Noeux-les-Mines (Noord-Frankrijk), werd na het titeltoernooi in Zweden opgenomen in het meest ideale elftal van het WK, dat door het frivole voetbal van de Brazilianen onder leiding van de 17-jarige Pelé en van Garrincha en Didi werd gedomineerd. Velen noemden hem de uitblinker van het toernooi.

Pelé koos Kopa 46 jaar later als een van de honderd beste nog levende spelers. In 1958 werd Kopa ook uitverkozen tot de beste voetballer van Europa (Ballon d’Or), als een speler van Braziliaanse stijl – altijd op zoek naar de dribbel en de individuele actie ten voordele van de aanvallers. Het internationaal toonaangevende voetbalmagazine World Soccer zette hem bij de beste honderd voetballers van de twintigste eeuw. In 1970 was hij de eerste voetballer die de Franse onderscheiding Legion d’Honneur ontving.

Met Stade Reims werd hij dankzij het football champagne van trainer Albert Batteux tweemaal Frans kampioen en bereikte Kopa in 1956 de eerste Europa Cup-finale. Daarin werd met 4-3 verloren van Real Madrid. Het volgende seizoen schitterde hij in de schaduw van Alfredo Di Stéfano en Ferenc Puskas bij Real Madrid, destijds jarenlang het veruit beste elftal van Europa. Kopa was te bescheiden om echt te schitteren aan de zijde van genoemd duo. Real werd mede dankzij hem driemaal Europees kampioen, in 1957, 1958 en 1959, en tweemaal Spaanse kampioen, in 1957 en 1958.

In zijn biografie Mon Football (1972) vertelt Kopa over zijn jeugd: ‘Zelfs na veertig jaar herinner ik me precies die geur. De geur van het café, waar ik als kleine jongen, samen met mijn broer, voor het eerst door mijn moeder werd afgezet om af te dalen in de mijn. Het mijnwerkerscafé is mijn café geworden. Ik blijf me tot vandaag de dag een mijnwerker voelen. Ik ken niet anders en kon niets anders. En omdat de geur van het café – het rook naar lekker vlees – me deed ontwaken, wist ik altijd letterlijk hoe laat het was: vier uur in de ochtend. Elke keer als ik wakker word, waar ook ter wereld, als ik mijn ogen open, zie ik de mijn voor mij. Ik proef de geur van het café. En ik ben een beetje bang. Altijd opnieuw. Het is deze angst die mij heeft veranderd van de mijnjongen Raymond Kopaszewski in de topvoetballer Kopa. Ons huisje lag achter een mijn, een typisch citéwoninkje met een kleine tuin. Daarachter stond het stadionnetje. Het waren wat trieste woonomstandigheden, tegenover ons lagen de briques noires. Maar binnen was het altijd zeer mooi: miniatuurtjes, artistiek, zoals Polen dat kunnen. Mijn cité, mijn stad, mijn huis, het leek allemaal zwart, melancholisch, stoffig. Gelukkig was er de bal! Van mijn zesde af raakte ik erdoor gefascineerd. Zonder de mijn zou ik zonder twijfel ook een goede voetballer zijn geworden. Maar niet diegene die ik nu ben geweest. Het verklaart dat ik, gedurende mijn loopbaan, ben blijven vechten tegen de nederlaag. Ik gaf altijd het maximum dat ik in mij had. Zonder mijn vlucht uit de mijn naar het voetbal, was ik nog steeds Kopaszewski.’

kopa1
Raymond Kopa speelde 45 interlands voor Frankrijk en scoorde daarin 18 maal. Hij wordt herinnerd als ‘de kleine Napoleon’, een mannetje met een breed arsenaal aan passeerbewegingen en intelligente passes. Kopa was de voetballer die evenals de Brazilianen Pelé, Garrincha en Didi het WK van 1958 de liefhebbers deed beven van emotie. Klein maar fijn.

Deze necrologie is gepubliceerd op 4 maart in NRC Handelsblad

Johan Cruijff deed ‘gewoon’ wat in hem opkwam

26 Mrt

Hoe duid je genialiteit, van een voetballer nog wel? Het is bijna onmogelijk in woorden uit te drukken waartoe een voetballer in staat is die genialiteit wordt toegedicht. Wat is dan die bijzondere begaafdheid die hem boven andere voetballers uittilt? Het is meer dan talent, het is iets waar zintuigen geen vat op krijgen.

Zo verging het mij toen ik Alfrédo Di Stéfano zag, Pelé en de andere Brazilianen zoals Garrincha, Didi, Rivelino, Gerson. En Faas Wilkes. En later Johan Cruijff, Diego Maradona, Zinédine Zidane, Lionel Messi en Cristiano Ronaldo. Voetballers die op een voetbalveld iets doen wat geen trainer je kan leren. Vergelijkbaar met basketballers als Michael Jordan, boksers als Muhammad Ali en golfers als Tiger Woods, voordat diens verstand de boventoon ging voeren. Het is niet te evenaren, laat staan te overtreffen, hoe graag je dat als voetballer ook wilt – altijd op de zoektocht naar nieuwe bewegingen, nieuwe trucs, nieuwe acties, nieuwe, nog niet uitgevoerde voorstellingen.

Tekening Siegfried Woldhek, uit mijn bundel Sportportretten op Maandag (2002)

Tekening Siegfried Woldhek, uit mijn bundel Sportportretten op Maandag (2002)

Doe geen moeite om genoemde voetballers met elkaar te vergelijken. Ze zijn allemaal verschillend – en toch buitenaards (om een wanhopige poging tot duiding te doen). Laten we ons beperken tot Johan Cruijff, een blanke Nederlander nota bene, geboren en gevormd in een land waar elastische, louter op gevoel en door intuïtie gestuurde lichamen  – vanuit mogelijk calvinistisch standpunt  – zeldzaam zijn. 

Hij deed wat in hem opkwam, op het voetbalveld en daarbuiten. Hij volgde zijn gevoel, probeerde anderen ervan te overtuigen dat ook te doen – en speelde zoals spelen bedoeld is. Plezier, daar gaat het om. Pas op voor je verstand, anders raak je in verwarring. Doe wie je van nature bent en analyseer waarom je dat doet: wat gebeurt er met je als je de Cruijffiaanse dan wel de Messiaanse bewegingen uitvoert – of die van Jordan, Ali en Woods?

Flow is een begrip dat tegenwoordig steeds meer aantrekkingskracht oproept in de sport. Het is een mentale toestand, medio jaren zeventig in het boek Flow, psychologie van de optimale ervaring na empirisch onderzoek al uitgekristalliseerd door Mihaly Csikszentmihalyi, een Amerikaans-Hongaarse psycholoog. Kijk naar beelden van Cruijff en je weet wat hij bedoelt. Een activiteit waarin je volledig opgaat in je bezigheden. Als in een voortdurende stroom (roes) waarin je wordt meegevoerd. Mensen kunnen in de staat van flow boven zichzelf uitstijgen, en sneller leren en nieuwe inzichten verkrijgen.

Cruijff deed niet zo moeilijk over zijn vermeende genialiteit. Hij deed het gewoon (flow?) en liet je als medespeler of later toen hij coach was, voelen wat er gebeurde als je zó bewoog, zó draaide of zó de bal speelde. Velen begrepen hem, velen niet. Het is lastig als genie om gewone stervelingen te overtuigen van hun mogelijkheden. Doe zo en zo en je ziet een opening. ,,Nee, Johan, ik zie het niet. Ik niet, ik ben maar een gewone sterveling.” Zo moet het veel gewone stervelingen zijn vergaan.

In zijn boek Lof van de sport schrijft Hans Ulrich Gumbrecht (Duits-Amerikaanse filosoof, socioloog en hoogleraar aan Stanford University) in een ‘esthetica van de atletische prestatie over zijn fascinatie’ van de sportman die hij zojuist heeft bewonderd: ‘Uren later, als je van het stadion naar je auto loopt, uitgeput zoals je die week nog niet eerder bent geweest, zul je hieraan terugdenken als een moment van onwankelbaar geluk. Opnieuw zal die mooie manoeuvre ertoe leiden dat je borst opzwelt en je hart sneller gaat kloppen, maar nu zonder de nervositeit van daarstraks. In je herinnering zie je dat spelmoment weer ontstaan, en terwijl je het vast wilt houden, trekt er een rilling door je beenspieren, alsof ze gestalte willen geven aan wat jouw held een uur heeft volbracht.’

Mooi en herkenbaar beschreven. Zijn beleving gold niet de performance van Johan Cruijff, maar die van zijn eigen idolen: Michael Jordan, Pelé, Jesse Owens, Akebono, Maradona, Zinédine Zidane, Joe Montana of Egon Loy. Iedereen laat in zijn verafgoding wierookstokjes gloeien naar eigen geur, kleur en voorkeur.

Flipper, zo noemden ze Cruijff. Aldus oud-Ajacied Henk Groot in 1966, vlak nadat ‘Johan’ als tiener werd toegevoegd aan de selectie van het eerste elftal van Ajax. ‘Hij is altijd aan het woord. Je kunt geen onderwerp aansnijden of Cruijff praat mee’, zegt Groot in Wie is Johan Cruijff? Insiders duiden het orakel, maar Cruijff zelf het laatste woord (2007, Mik Schots en Jan Luitzen). ‘Hij heeft ongelooflijk veel praatjes. Onder mekaar kunnen we het best hebben, want hij is een doodgoeie jongen… Maar al dat praten is een onderdeel van zijn beweeglijkheid. Als je naar hem kijkt, is hij in beweging, hij duikt in elk gat, hij zwaait met zijn armen, hij loopt naar links en rechts en geeft iedereen een wijze raad. Hij kaffert mij ook rustig uit, maar daar moet je niet zo zwaar aan tillen. Het gaat allemaal in het heetst van de strijd.’

In het heetst van de strijd zag Cruijff ruimtes, openingen en mogelijkheden. Hij creëerde ze zelf, of wees anderen erop. Hij geloofde in zijn inzichten – door zeer weinigen liet hij zich van het tegendeel overtuigen. In hetzelfde boek zegt Cruijff: ‘Ik denk niet dat je leider wordt, ik denk dat het een automatische schifting is. Het is een samengaan van de verantwoordelijkheid naar je toetrekken en de verantwoordelijkheid die ze je geven. Er ontstond dan zoiets van dat ze zeggen: Doe jij dat maar.’ En verder: ‘Leider worden is een karaktertrek. Misschien meer een soort egoïsme.’

Het karakter van Cruijff is net zo moeilijk te doorgronden als zijn spel dan wel denkpatronen. ‘Relativeren? Nee, dat zit niet in mijn karakter.’ En: ‘Rancune is de beste motivatie’. Hij genereert zelf de druk die hij nodig heeft om te kunnen presteren. Het is vaak omschreven als het conflict-model, gehanteerd door Cruijff, dat mensen tot nieuwe uitdagingen leidt.

Je zou bijna zeggen: Cruijff doet maar wat, hij doet wat in hem opkomt, oorspronkelijk, niet gestoord door andere reflecties. Dat was het niet – en toch wel. Jorge Valdano, voormalig Argentijns international (ten tijde van Maradona), voormalig technisch directeur van Real Madrid, schrijver en dichter schreef: ‘De basis van zijn talent was het bedrog. Hij holde hard omdat hij ging stoppen, hij stopte omdat hij ging rennen, hij deed alsof hij een pass ging geven of een schijnbeweging ging maken, hij begon een schijnbeweging omdat hij een pass ging geven, hij keek naar links om een oplossing op rechts te zoeken.’

Een vriendin van zijn vrouw Danny zei eens: ‘Aan Johans benen kon je van achteren goed zien, aan zijn loopje, dat hij twee kanten op kon gaan.’

Ik liep einde jaren negentig in Manchester achter Johan en zijn vrouw – hun zoon Jordi speelde destijds bij Manchester United. Ze stapten uit een taxi en liepen naar een markt. Niemand reageerde – hoewel er wel werd gefluisterd. Ik zag vóór mij zijn benen. Ik zag zijn armen die naar een bepaalde marktkraam wezen. Ik zag zijn benen lopen, zijn armen bewegen, zijn vrouw reageren en voegde me uiteindelijk bij het echtpaar. Johan was allerminst verrast toen ik hem aanklampte – zo was hij, nooit verrast, altijd levend in het moment. Óf de man die deed of hij nooit verrast was.

Hij beantwoordde mijn begroeting met: ‘Hoi’. Niet meer en niet minder. Gewoon zoals stervelingen dat onder elkaar doen. Danny zei: ‘Hallo’ – en nam wat afstand. Ik liep naast Johan Cruijff, een gewoon mannetje eigenlijk in wie ik echt geen heilige herkende. In tegenstelling tot het gevoel dat ik bij mijn ontmoeting met Michael Jordan in 1992 in Chicago had – vooral na diens stevige handdruk en de directe blik waarmee hij mij in de ogen keek én in mijn hart. Wat een man! Kippenvel, nog steeds als ik eraan terugdenk. Dat heb ik bij mijn ontmoetingen en gesprekjes met Johan nooit gehad.  Johan was Johan, altijd en overal. Niks bijzonders.

Zomaar uit het niets zei Cruijff tijdens de wandeling in Manchester: ,,Zie je die mensen hun spullen verkopen. Ze geloven in wat ze aanbieden.’’ Of dat iets met zijn voetbal te maken had? ,,Misschien, ik doe wat ik doe, de een noemt mij een balletdanser, de ander een hork. Nou ja, het is toch gewoon wie je bent. Fijn dat je hebt genoten van mij. Genieten van een ander. Kijken wat een ander kan. En dat is altijd meer dan je dacht.’’

Dit is een uitgebreide versie van het artikel dat op 25 maart 2016 is verschenen in de bijlage van NRC Handelsblad bij het overlijden van Johan Cruijff

Sir Stanley Matthews: ‘Roem brengt me in verlegenheid’

6 Dec

Ruim 21 jaar geleden was ik in Stoke-on-Trent op bezoek bij Sir Stanley Matthews, de eerste winnaar van de ‘Gouden Bal’, als Europees voetballer van het jaar. Matthews, een échte rechtsbuiten, was toen 78 jaar. In 2000 overleed Matthews, een legende in Engeland. In mijn boekenkast staat zijn autobiografie geschreven door de eminente voetbaljournalist van The Times, David Miller. Matthews schonk mij het boek. Onzin vond hij het.

Hier het interview:

stanley
STOKE-ON-TRENT, 26 APRIL 1993. Een voetballiefhebber die in Hanley belandt, dient op zoek te gaan naar het standbeeld van Sir Stanley Matthews. Je kunt ook de nu 78-jarige zelf vragen de weg te wijzen in het randstadje van Stoke-on-Trent. Dan rijdt hij je er in zijn auto naar toe met de behendigheid en vooral de snelheid waarmee hij tussen zijn veertiende en vierenvijftigste de verdedigers tot vertwijfeling bracht. Dan stopt hij bij een toegangsweg van het winkellabyrint en zegt: ,,Als je hier in loopt, zul je het over tweehonderd meter wel vinden. Vraag het anders maar. Ik wacht hier wel.”

Dan sta je even stil in gebed bij de ‘bronzen’ Stanley Matthews in zijn jongensjaren, probeert je voor te stellen hoe betoverend hij speelde en betast je ten slotte voorzichtig het beeldje. Met respect. Dan keer je terug naar het heden en zie je de man met grijze bakkebaarden onder zijn pet in discussie met een politieman. En dan zegt hij: ,,Ik mocht hier niet staan. Ik heb de agent uitgelegd dat een gast van mij even naar het standbeeld van Stanley Matthews wilde kijken. Maar hij geloofde me niet.”

statue stanley
Zelf mijdt hij het beeldje sinds het enige jaren in zijn bijzijn werd onthuld, als een grove tackle. Wanneer hij met zijn vrouw Mila gaat winkelen in de straten waar hij opgroeide, neemt hij een omweg om niet met zichzelf geconfronteerd te worden. ,,Het brengt me in verlegenheid. Ik kan er niet tegen. Mijn zoon woont in Amerika. Hij kwam bij me op bezoek en wilde het beeld zien. Ik heb tegen mijn vrouw gezegd: Laat jij het maar zien.”

David Miller van The Times schreef vier jaar geleden de educatieve Stanley Matthews The Authorized Biography. De grootste Engelse voetballer aller tijden gaf zijn medewerking. Toen Miller hem vroeg het manuscript te lezen, hield Matthews het na de eerste pagina voor gezien. ,,Ik schreef hem een brief terug dat ik alles had gechecked en dat het klopte. Het boek staat daar in de boekenkast. Ik heb er nooit ingelezen. Het zou me in verlegenheid brengen.”

Kranten waarin zijn naam wordt genoemd, heeft hij altijd laten liggen. Bijna alle trofeeën zijn door zijn vrouw bijeen gescharreld en geplaatst in een vitrine van een plaatselijk hotel. Matthews wil ze niet zien. Filmbeelden over zijn voetbalacties heeft hij nooit willen bekijken. ,,Ik geloof het niet, wat ze over mij zeggen en schrijven. Dat ik een briljante voetballer ben geweest, dat ik vier of vijf man passeerde. Dat ik de beste ben geweest. Ik zag mezelf nooit spelen. Ik wist zelf wel van een wedstrijd of ik goed of slecht speelde. ,,Briljant’ en ‘beste’ zijn woorden van anderen. Dat kan een speler nooit van zichzelf zeggen.”

Sir Stan

Zelfkennis kan hem niet worden ontzegd. ,,Ik ben een gekke vent, vind je niet. Mijn vrouw zegt ook dat ik gek ben. Ik geloof het niet, dat verleden van mij. Althans dat ik zo goed was, zo briljant. Ik zei tegen Mila dat die Hollandse journalist op bezoek wilde komen. Helemaal naar hier. Die moet gek zijn, zei ik. Die zou er beter aan doen naar een psychiater te gaan.”

Sinds vier jaar is de min of meer beste rechtsbuiten die de voetbalsport kende, terug in Engeland. Terug in Stoke-on-Trent na bijna vijfentwintig jaar als voetbalambassadeur en als voetballeraar rondgezworven te hebben in Malta, Ghana, Zambia, Nigeria, Rhodesië, Zuid-Afrika, de Verenigde Staten en Canada. Terug in Stoke waar hij zijn lange carrière als voetballer begon. Van een kennis vernam hij dat er een fraai landhuis te koop stond, waar je vanuit de tuin over de stad uitkijkt, met precies eronder Victoria Ground, het stadion van Stoke City FC. Zijn stadion.

Mocht hij zelfs nog twijfels hebben gehad over een aankoop, dan hielp zijn vrouw er hem overheen. ,,Ze is spiritiste. De vorige bewoner was Sir Oliver Lodge, een wetenschapper, die net als ik ridder is van het Britse imperium en spiritist. Dat kan geen toeval zijn, zei Mila. Toen ze hier voor het eerst binnenging, zei ze dat ze zich goed voelde. Als een plek een slechte aura heeft, zou ze het meteen voelen. Toen ze hier binnenging voelde ze meteen goede vibraties voor ons.”

In de tuinen, rondom het schilderachtige landhuis, brengen Sir Stanley en zijn Tsjechische (tweede) vrouw Mila veel uren door. Tot gras voelt de voetballer zich het meest aangetrokken. In elk van de drie tuindelen bevindt zich een gazon. Het mooiste ligt pal voor de voordeur. ..Dat noem ik Wembley, omdat het perfect is en de onderlaag het best geturfd is. En dat daar noem ik Stoke City, het is duidelijk minder goed onderhouden. En het weitje daar noem ik Port Vale, naar het veld van de grootste rivaal van Stoke. Dat is geen voetbalveld.”

Voetbal is zijn leven. Nog altijd. Op de keukentafel liggen twee kaartjes voor Engeland-Nederland. Hij bezoekt elke thuiswedstrijd van derde divisieclub Stoke City. Hij is lid met onder anderen bondscoach Graham Taylor van de commissie die de fair play-cup van de eerste divisie toewijst. Dus over voetbal en vooral over de ontwikkeling daarvan valt er naast mystiek en psychologie wel te praten.

De voetballers van het type Matthews sterven uit. Dat blijkt wel uit zijn betoog. Op de vraag of hij mee zou kunnen komen in het hedendaagse voetbal heeft hij geen direct antwoord. Lichamelijk en wat betreft balbehandeling betreft zeker. Er was geen fittere speler dan hij. ,,Ik sta elke morgen om zes uur op en doe nog steeds dezelfde stretch-oefeningen die ik als veertienjarige deed. Als voetballer van Blackpool. waarvoor ik veertien jaar speelde, trainde ik elke dag alleen op het strand. Maar nooit te veel. Ik zou mijn krachten verspillen. Dan zou de glinstering en de snelheid uit mijn spel zijn verdwenen. Dat was mijn kracht. Dat moest zo blijven.”

Op de eerste tien meter was hij het snelst. Dan gebruikte hij als rechtsbuiten zowel de linker als de rechter voet om de back te passeren. Volgens ooggetuigen was hij beter dan de Braziliaan Garrincha en te snel voor diens landgenoot en illustere verdediger Nilton Santos. Maar hoe? Kapbewegingen, schaarbewegingen? We zijn gaan staan. Matthews kijkt naar zijn voeten maar ze komen niet aan bewegen toe. ,,Gewoon dribbelen, zo snel mogelijk de bal drijven.”

Dan de taktische uitleg over het spel van de rechtsbuiten. ,,Altijd proberen buitenom te gaan. Binnendoor creëer je geen gevaar. En dan aan je final pass denken. Dat was mijn kracht. Ik zie zoveel spelers drie, vier man passeren, maar hun final pass komt nooit aan. Buitenom is het zwaarst. Spelers die binnendoor gaan zijn zwakkelingen. Ik ben tot op hoge leeftijd buitenom gegaan. Ik was 54. Ik had tot mijn 56ste kunnen doorgaan. Maar ik wist dat ik dan mijn balans zou verliezen. Een schouderduwtje en ik lag.”

Matthews was een individualist. Maar hij voorzag zijn medespelers van zulke gave voorzetten dat ze niet konden missen. Hij was niettemin zo’n individualist dat hij in het hedendaagse voetbal niet geaccepteerd zou worden. In de Matthews’ biografie zegt ex-voetballer Jimmy McIlroy: ,,Hij zou geen toestemming krijgen alleen te trainen, op zijn eigen manier aan sprintoefeningen te doen. Hij zou zich nu moeten onderwerpen aan het beleid van de coach, met de groep mee moeten trainen, zich collectief moeten opstellen.”

,,Ach”, verzucht Matthews. ,,Je ziet tegenwoordig zo weinig spelers met acties. Het moeten nu atleten zijn, werkpaarden, ze moeten kunnen samenspelen. Voetballers zijn balartiesten. Het uitgangspunt van voetballen is de tegenstander te verslaan, hem door dribbelen te passeren. Ik was in Soweto, die zwarte jongens hoefde je niet te leren dribbelen. Alleen dat je moest verdedigen als je de bal kwijt was. Maar dat is wat anders dan de tactiek die de coaches nu willen doorvoeren. Het heeft weinig meer met virtuositeit te maken. Niets mag meer mislukken. Rondspelen op zeker, tactisch. Dat is toch niet opwindend.”

stanley-matthews-football-3819
Matthews, zoon van een kapper in Hanley, groeide bij Stoke City op als apprentice, een talentvolle 14-jarige voetballeerling die zich met het poetsen van de schoenen van de profs, het verzorgen van het materiaal en het veld diende in te werken in het grote voetbal. Hij was zeventien jaar toen hij een profcontract tekende. Een coach was er in die periode voor de Tweede Wereldoorlog niet. Hij ontkent niet dat coaches nodig zijn. ,,Om de spelers op hun taken te wijzen, ja. Maar coaches zijn te belangrijk geworden. Te machtig. Ze praten over taktieken en systemen. Zelfs de supporters en de pers gaan zo praten. Maar een supporter zal zich nooit vereenzelvigen met de coach. Die ziet zich zelf alleen terug in Stanley Matthews, in een voetballer.”

Hij vraagt zich zoveel af. Waarom zo veel spelers zo vaak geblesseerd zijn. Waarom spelers die in een clubwedstrijd uit het veld zijn gestuurd, nog gekozen worden voor de nationale selectie. Schorsing betekende vroeger: nooit meer international. Zelf is hij nooit geboekt. Hij was niet het type dat andere dingen deed dan de bal strelen, ondanks de wanhopige aanvallen op zijn benen. Agressie. Dat stopte je in je spel. Maar het zal wel de schuld zijn van het industrial football. ,,Ze zijn alleen nog te motiveren met een premie.”

Vijftig was hij toen hij zijn testimonial kreeg van Stoke City, dat destijds nog in de eerste divisie speelde. Zijn internationale afscheid vierde hij met het Engelse elftal tegen de Rest van de Wereld. Stom om toen al te stoppen, bedacht hij later. Hij voetbalde nog een paar jaar op Malta en had op 54-jarige leeftijd nog bijna om de Europa Cup tegen Real Madrid gespeeld. Hij liet de eer aan de jongeren. Zijn bescheidenheid won het eindelijk van zijn voetballust.

sir stanley

Drie jaar geleden schopte hij voor het laatst tegen een bal, zegt hij verontschuldigend. Hij zou op zijn respectabele leeftijd eens de neiging krijgen te gaan dribbelen. Als je achter hem loopt, achter dat grijze hoofd met die pet waarop England staat, achter de iets ingezakte schouders, achter zijn licht krommende benen. Dan verplaats je je even in de positie van al die backs. Soms moet je je als verdediger waardeloos voelen. Dan kun je beter meteen met voetballen stoppen. Zou Stanley Matthews dat weten? Waarschijnlijk niet. Zo briljant was hij immers niet.

%d bloggers liken dit: