Archief | meditatie RSS feed for this section

Een hele week zwijgen en mediteren in een ver paradijs

13 mrt
IMG_0252

Het chateau van Dechen Chöling

De hoosbuien die eind februari mijn auto op de Franse wegen troffen, voorspelden stormen en donderslagen tijdens de stilteretraite die ik een week zou ondergaan in Dechen Chöling, het centrum van de boeddhistische gemeenschap Shambhala, 20 kilometer buiten Limoges. Mij wachtten zware dagen en nachten, mogelijk gevuld met eenzaamheid, depressies, angststoornissen, psychoses en andere neurotische verrassingen. Zo was mij verteld. Maar je kunt er wel altijd mee stoppen. Zo was mij ook gezegd. Dan maar terug naar huis, over dezelfde lange Franse wegen. Dan maar teleurgesteld in mijn veronderstelde mentale kracht.

Het was stil op de zondagmiddag dat ik aankwam. Ik liep wat rond over het immense verlaten terrein, langs de vele gebouwen. Ik keek hier en daar naar binnen, zoals bij het hoofdgebouw, het chateau. Niemand. Uiteindelijk meldde ik me in het bureau, waar een jonge man met paardenstaart me begroette, inschreef en de toegezegde eenpersoonskamer wees. Dat werd een kamertje in Garden’s House. Tenslotte verbleef en sliep ik – bevreesd voor riskante ontmoetingen – liever alleen in mijn toevluchtsoord.

IMG_0182

Mijn kamertje

Bij de avondmaaltijd trof ik een twintigtal andere deelnemers aan de stilteweek en een paar vaste bewoners. Allemaal Fransen, vermoedde ik. Ze babbelden honderduit. Ik zweeg, omdat ik ze nauwelijks verstond, en richtte me op de vegetarische gerechten, die me zowaar heel goed smaakten. Vervolgens werden we verwacht in de meditatieruimte, waar de leraren Sid Liddall (een Engelsman) en Ute Reinhart (een Duits-Franse), en hun assistenten Benjamin Moreau (een Fransman) en Klára Vlkova (een Tsjechische), ons begroetten en inwijdden in het programma van de komende week. We zaten allemaal op een kussen en luisterden naar onze leraren op het podium van de schrijn.

Van ’s morgens negen uur tot ’s avonds negen uur zouden we mediteren – zittend (minimaal drie uur per dag) en wandelend. Verder reciteren (in het Frans of Engels) en luisteren naar lezingen. En eten, drinken (water, vele soorten thee of koffie), rusten, slapen en zwijgen. Altijd zouden we (vanaf maandagmorgen) moeten zwijgen. Geen entertainment, zoals Sid het noemde. Geen afleiding, geen vermaak, geen iPhone, geen computer, geen muziek, geen leesstof (alleen over boeddhisme en meditatie), geen contact met de buitenwereld. Stilte, zodat je alleen met jezelf bent en alles wat in je opkomt (wat je voelt, hoort, ziet en ruikt) zelf moet verwerken.

Na een stille nacht, meldde ik me om acht uur aan het ontbijt. Zwijgend, net als de anderen. Om negen uur begon de eerste meditatiesessie van twintig minuten, gevolgd door een korte lezing van een van de leraren, over de kracht van stilte en over de techniek van mediteren, vooral de houding en over alleen met jezelf zijn. Zittend op mijn kussen keek ik soms stiekem naast me of zelfs achter me. Naast mij zag ik vrouwen, achter mij enkele mannen. Ik hoorde ze kuchen en amechtig snuiven. Ik richtte me op mijn adem, zag allerlei gedachten in mijn hoofd voorbijkomen, ik probeerde ze weg te duwen. Tevergeefs, want ze kwamen terug, onophoudelijk en onstuitbaar. Het werd een gevecht. Net zoals thuis op mijn eigen kussen. Wat nu? Hoe kwam ik hier weg?

IMG_0245

Sid Liddall, mijn leraar

Sid en Ute hielden ons tijdens hun lezingen bij de les (vertaald door tolk Benjamin). Laat de gedachten komen, laat ze gaan, volg je adem, tot diep in je lichaam. Verdring niets, laat je niet afleiden. Dit ben jij, alleen jij. Ik wist het wel, maar toch trap ik er telkens weer in en ga ik op zoek naar iets anders – waar, wat of met wie dan ook. We werden uitgenodigd voor een stiltewandeling buiten. We liepen in een rij achter Sid aan. Ik sloot de rij. Dit wilde ik niet. Slaafs volgen, slaafs stilstaan, slaafs achter de leider aan en doen wat hij doet. Ik voelde me ongemakkelijk en hield afstand van de groep.

Bij de evaluatie (waarin ik was ingedeeld bij een groep met enkele Engels sprekende deelnemers) vertelde ik dat ik niet in een rij achter de leraar aan wilde lopen. Dat had ik al als kind toen ik lid was van de gymnastiekvereniging. Ik zei dat ik me een foto van toen herinnerde. Liever niet in een rij, liever niet met de groep meedoen. Autonoom zijn, in mijn eentje – dan maar eenzaam en alleen. Sid knikte, zonder oordeel. Dat was mijn ervaring. Zo was het voor mij, alleen voor mij.

IMG_0236

De meditatieruimte, de Drala Hall

Na de laatste zitmeditatie van de dag, ’s avonds tussen acht en negen, werd ons gevraagd de volgende morgen om zeven uur, al vóór het ontbijt, naar de meditatieruimte te komen om met Benjamin lichamelijke oefeningen te doen. Akkoord, dan maar meteen naar bed. Ik viel snel in slaap, hoorde buiten nog even onbestemde geluiden, maar droomde al snel weg. Wat stilte niet me je doet!

De (vroege) ochtendsessie onder leiding van Benjamin bleek niet aan mij besteed. Hij vroeg met Franse liedjes mee te zingen en zwaai-, draai- en zwierbewegingen te maken met armen en benen. Ik zong niet mee en probeerde wat mee te bewegen. Maar nee, dit zou ik de volgende ochtenden toch echt mijden als de pest. Gewoon uitslapen tot het ontbijt, zo nam ik me voor. Wat geschiedde.

Ogenschijnlijk had niemand me de volgende ochtend gemist. Iedereen zweeg en probeerde zich in zichzelf te keren. Alleen mijn buurvrouw naast mijn kussen zwaaide met een lachend gezicht naar me. Wat een verwelkoming! De zitmeditatie verliep volgens het oude recept. Worstelend met gedachten en adem. Voordat we uitgenodigd werden buiten een loopmeditatie te doen, zei Sid dat we ditmaal ons eigen weg mochten kiezen en ,,dat Guus dat wel plezierig zou kunnen vinden”.

IMG_0186

Het dagelijkse programma van de stilteretraite

Het advies was te kijken, te voelen en te ruiken wat je ervoer. Niet associëren, gewoon in het moment zijn. Het werd een bijzondere wandeling, alleen met je eigen zintuigen, zonder referentiekader. Alles wat ik ervoer op het weidse landgoed was nieuw én verrassend. Ik werd nauwelijks afgeleid. Ik voelde me niet schuldig niet deel uit te maken van een groep of achter een leider aan te lopen. Dit was ik helemaal zelf.

Zo verging het mij de komende dagen ook. Ik was alleen met anderen, zittend en wandelend. Ik mocht doen wat ik wilde. Dat werd me ook telkens verteld: ,,Doe wat je wilt, als je niet wilt doe je het niet”. Mediteren ging steeds beter. En ik zweeg, net als de anderen, zag ‘dingen’ die ik mogelijk anders nooit zou hebben gezien. Ik sliep diep, vanaf half tien tot acht uur, en droomde heftig.

Op donderdagmiddag ging het mis. Tijdens de yoga-sessie werd ik overvallen door een enorme angstaanval. Ik hield het niet meer, rende naar mijn kamer en slikte een angstremmer. Eenmaal terug in de groep werd ik rustig, sneller dan de medicatie kon werken. Waarom weet ik niet? Afleiding? Ademhaling? Omdat ik mezelf opende en kwetsbaar werd? Niemand reageerde op mijn vlucht. Het mocht. De volgende meditatiesessie en de avondmaaltijd verliepen zonder problemen. Het was goed zo.

IMG_0198

Uitzicht vanuit het chateau

Voordat ik naar bed ging, werd ik bevangen door verschrikkelijke fantasieën. Een gebeurtenis van nota bene veertig jaar geleden greep me bij de keel en leidde me naar een onverwachte onweerstaanbare hel. Zo zou ik nooit kunnen slapen. Het zou een helse nacht kunnen worden. Ik greep naar afleiding (een angstremmer), mijn hoofd kwam tot rust, waardoor ik langzaam maar zeker in slaap viel. Fout? Ik weet het niet. De volgende ochtend werd ik kalm en uitgerust wakker, klaar voor de volgende meditaties en confrontaties. Maar de vraag bleef hangen: waarom nu, na veertig jaar? Had ik het trauma destijds dan niet echt verwerkt, niet voldoende doorleefd? Had ik me destijds te veel overgegeven aan afleidingen om de pijn niet te voelen? Daar is geen antwoord op, wist ik.

Ute Reinhart, mijn lerares

’s Middags zou ik een evaluatiegesprek hebben met Sid. Ik had een analyse opgebouwd over het proces van mijn leven en besloot dat (trots) aan de leraar te vertellen. Eenmaal tegenover hem in de zonnige tuin, begon ik te vertellen. Sid luisterde aandachtig. Zoveel aandacht had ik nog nooit gehad. Ik bleef maar door ratelen, overtuigd van het belang van mijn nieuwe inzicht. Eindelijk iemand die goed en vooral aandachtig luistert, en me onafgebroken aankijkt.

Toen ik klaar was, keek Sid me aan en zei: ‘Maar dat is niet de bedoeling van deze retraite. Analyseren doe je maar ergens anders, bij je therapeut. Dit is geen therapie. Het enige wat je hier doet is ademhalen, bij meditatie je adem voelen, aandacht geven aan je adem. Niets anders.’ Verrast, niet eens teleurgesteld, maar vastberaden besloot ik mijn meditaties anders te gaan doen. Zo zat ik de komende uren op mijn kussen. Ik voelde me bevrijd. Dit voelde beter.

Ik wijdde me vol aandacht aan de theepauze, die ik dagelijks diende voor te bereiden en af te sluiten. De rest van de retraite verliep vredig. Ik voelde meer, ik voelde me meer verbonden met mezelf én met de anderen. Het werd een heerlijk slot, met aan het eind van de week openhartige uitwisselingen en een bijzondere slotavond met gezang, het voorlezen van gedichten, champagne, wijn en ander vermaak. Zo kon ik afscheid nemen van mijn stilteweek in Dechen Chöling en vriendelijk terugkeren naar de vast weer lawaaiige, agressieve en brutale wereld.

IMG_0196

Het chateau

Ik verlang nog elke dag terug naar die week in het Franse land, terug naar de mensen, terug naar de vriendelijkheid van mezelf en de andere deelnemers, terug naar de leraren en hun assistenten die zonder oordeel naar me keken en luisterden. Ik kon en mocht helemaal mezelf zijn. Ik voelde me verrijkt met meer inzichten.

Hoe nu verder? De stilte omarmen en verder mediteren? Hopend op een verrijking van mijn leven. Of zal ik me moeten neerleggen bij de realiteit, met wie en wat ik werkelijk ben, met alles wat ik voel, hoor, zie en denk?

 

Vluchten heeft geen zin meer

22 jun

IMG_1653Toen was het stil. Ik hoorde een fluitconcert van vogels, bladeren ritselen, mijn adem en ik hoorde zelfs mijn hart in een rustig, regelmatig ritme kloppen. Weg van het lawaai. Weg van borende en zagende buurmannen. Weg van alarmerende sirenes. Weg van blaffende honden. Weg van redeloos schreeuwende kinderen en hun radeloze ouders.

Ik moest weg, de stilte in, het bos in. Weg van mensen met hun harde stemmen en oorverdovende machines. En zowaar. Van de geluiden die ik ver van de bewoonde wereld aantrof, werd ik niet opstandig. Ze leken me vredig te stemmen. Totdat ik tijdens mijn meditatieve momenten in de natuur merkte dat ik helemaal niet zo rustig was. Er woedde een storm. Er was iets in mij dat me stoorde. Ik was overstuur, in de war gebracht door geest verstorende ervaringen.

Ik liet mijn emoties begaan. Ik liet gedachten komen en voorbijgaan, de vogels de vogels en de bladeren de bladeren. Ik voelde en hoorde iets dat mijn adem kon zijn of mijn hart. Het werd even stil in mij. Er was zoiets als leegte. Een onbestemde beleving.

Ik wilde weg, alweer. Nu weg van de bedreigende leegte en stilte in mij. Weer wilde ik op de vlucht. Maar waar moest ik heen? Ik kon niet anders dan te blijven zitten waar ik zat en me niet te verroeren. Hier zat ik gegijzeld door mezelf en mijn gevoelens. Hier moest ik het meedoen. Dit was ík, dit was niemand anders. Vluchten kon niet meer.

Zo bleef ik een tijdje zitten. Ik voelde mijn benen, voeten, buik, armen, hoofd, ogen, neus, mond, lippen, adem, mijn hart. Tintelingen, prikkels, steekjes, golfjes van onbestemde gevoelens. Ik wilde het gevoel duiden: wat bedoelen ze? Wat gebeurde er allemaal in dit lijf? Wat een sensaties!

De herinnering aan het boek ‘Leer ons stil te zitten’ van Tim Parks (bij voetballiefhebbers bekend van ‘Een seizoen met Hellas Verona’) kwam boven. Ik zocht het op en las: ‘Ochtendgedachten borrelen als luchtbellen omhoog. Ik concentreer me op de adem in mijn neusgaten, op mijn lippen. Alleen door je voortdurend bewust te zijn van je lichaam kun je bruisende gedachten tot rust brengen. Ik maak me niet ongerust als het niet gaat. Het doel is stilte, maar ik verlang er niet naar….. Er is niets mystieks aan. Veel mensen die voor het eerst op Vipassana-retraîte gaan verlangen naar drama, naar een confrontatie met hun demonen, naar onderwerping aan een goeroe. We willen allemaal een nieuw hoofdstuk toevoegen aan het verhaal van ons ik, aan ons eindeloze doorzeuren over hoe we met de wereld omgaan. Daarom gaan zoveel mensen naar India, vermoed ik, om alleen met de ogen dicht op een kussen te zitten. Ze hopen dat de exotische locatie, de gewaden en de vreemde taal intensiteit toevoegen aan het verhaal.’

En: ‘Zodra woorden en gedachten uit het hoofd verbannen zijn, verzwakt ook het ‘ik’. Er is geen verhaal meer dat het ‘ik’ voedt. Wanneer de woorden verdwenen zijn, maakt het niet meer uit waar je bent. Of het morgen of avond is, of je jong of oud bent, man of vrouw, arm of rijk – dat is in de stilte, in het donker, in de kalmte, niet belangrijk. Net als geesten, engelen en goden blijkt ook het ik een idee te zijn dat we bedacht hebben, een verhaal dat we onszelf vertellen. Ik heb taal nodig om te overleven. Woorden scheppen betekenis, betekenis geeft een doel, een doel leidt tot een verhaal. Maar hier is even geen verhaal, geen retoriek, geen bedrog. Hier zijn stilte en aanvaarding; het genot van een ruimte die niet van betekenis doordrenkt hoeft te worden. Door je intens bewust te worden van het lichaam, de adem, het bloed, kun je ‘ik’ laten wegglippen.’

IMG_1655Mijn aandacht was weg. Buiten mijn boshuisje hoorde ik een fluitconcert van vogels, een bromvlieg op zoek naar een plekje waar hij zich rustig voelde. Het zou een oorverdovend lawaai kunnen zijn, waar geen agressieve gitaar van mijn geliefde zielsverwant Neil Young tegenop kon. Het was sensationeel. Ik had mijn rust gevonden, door naar mijn lichaam te luisteren, mijn zintuigen te voelen en simpelweg te aanvaarden.

Dit zou ik thuis kunnen doen: in mezelf keren. Niet vluchten. Leren stil te zitten en te luisteren naar mijn lichaam. Als morgen het lawaai me te veel wordt en ik wil vluchten, ga ik zitten en luister naar mijn lichaam. Probeer ik te voelen. Misschien dringt dan tot me door dat alles buiten mij niet vijandig bedoeld is, niemand iets doet om mij te pesten. Dat alle verstoringen in mezelf huizen. Dat ik alleen de rust in mezelf kan vinden. Door in te zien waarom ik verstoord raak. Dat vluchten geen zin heeft. Dat het monster in mezelf huist. 

Het lawaai zit in mij. 

Net als de rust.

Guus van Holland is vriend van de Shambhala-sangha Leiden

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

 

 

Alleen in stilte op zoek naar contact en herkenning

28 apr

Twee hele lange dagen, twee lange halve dagen en drie hele korte nachten in stilte doorbrengen met 25 andere mensen, afwisselend een uur zittend op een kussen, met gesloten ogen, en een uur lopend in een bos, met geopende zintuigen. En dat minimaal vijf keer op een dag. In stilte samen zijn, in stilte samen eten, in stilte samen luisteren naar de leraar, zuster Virañani. De Amerikaans-Hawaiiaanse werd een boeddhistische non in de theravadatraditie na een jarenlang verblijf in het Birmeese meditatiecentrum Chanmyaymyaing van Sayadaw U Indaka .

Samen in oneindige stilte, samen verzachten en vriendelijk zijn. En dan aan het einde van de dag, een halfuur voor het slapen gaan, samen chanten in pali, de oorspronkelijke taal van het boeddhisme.

Zo beleefde ik mijn eerste sangha metta, voortdurend zinnen in mijn hoofd oproepend die symbool staan voor liefdevolle vriendelijkheid. Naar jezelf, naar een kennis, naar een vriend, naar een vijand (of iemand waar je moeite mee hebt), naar ieder levend wezen op deze aarde. May I be well, happy and peaceful. May you be well, happy and peaceful (moge je gelukkig zijn, gezond en vredig zijn – of welke formulering ook). Steeds maar weer, niet als een mantra, maande Virañani. Maar recht uit het centrum van je hart. Voel het maar, je hart, hoe je hart voelt, de liefde, en straal dat gevoel uit, als een geschenk.

Ik voelde mijn hart niet, althans niet die liefde die erin huist. In gedachten liet ik de zin voorbijgaan, een paar keer, dan weer een hele tijd niet, dan weer wel, even terug naar de ‘opdracht’. Na een uur, waarin de pijn in mijn rug steeds heftiger werd en ik – wat gewend aan het ongemak – af en toe was weggevallen, hoorde ik een zacht geluid, dat van een cimbaaltje dat door de leraar heel licht werd getoucheerd. En nog twee keer. En, vroeg ze, voortdurend de zin herhaald? Of maar twee of drie keer, tussen onophoudelijk terugkerende gedachtestromen? Nou, dat laatste. Geeft niet, alles is goed. Make yourself comfortable, please. It’s okay. Everybody makes mistakes. Nobody is perfect. Relax.

Zuster Virañani

Zuster Virañani

,,Ontspan asjeblieft het is geen begrafenis”, probeerde Viranani te bemoedigen. ,,De beoefening hoeft geen serieuze bezigheid te zijn.” Niet je heel erg best doen, zoals Westerlingen gewend en geleerd zijn te doen, zei ze. Niet de pijn de baas blijven. Het gaat over verzachting. Liefdevolle vriendelijkheid, het tegengif van boosheid en afkeer. Probeer niet beter te zijn dan je bent, of beter dan een ander. Dat is strijd. Als het niet gaat, zoek een stoel om op te zitten of een bankje om op te liggen. Make yourself comfortable. Relax, relax, relax. Wees je zelf, altijd. Dat mag. En probeer de liefde die in je hart zit uit te dragen, als een geschenk. Ik deed mijn best…

Maar waarom eerst bij jezelf beginnen? ,,Wanneer het hart ontspant, komt de rest vanzelf. Anders dan in Azié”, legde Varañani uit, ,,vinden mensen in het Westen zichzelf vaak de meest lastige persoon om liefde aan te sturen. Ze zijn zelfkritisch en bang om egoïstisch te zijn.’ En juist daarom is het belangrijk om met jezelf te beginnen.”

Metta is een concentratieoefening, maar ook een cultiveren van vriendelijkheid, van goedheid. Het brengt vreugde in je hart en van daaruit wordt concentratie makkelijker. Ze ziet mettameditatie graag als achterdeur naar bevrijding vanwege het wegvallen van afkeer en de zelfloosheid, lees ik later in een interview met haar in het Boeddhistisch Dagblad.

De eerste dag was vreselijke, heftig en confronterend. Niets mogen zeggen, bleek (voor mij) een straf. De deur voor een ander openhouden, zonder iets te zeggen, zonder te knikken, zonder de ander in de ogen te kijken. Zonder, alleen maar doen en zwijgen. Zoals de regels (ethische code) waren. Mocht je iets kwijt willen, een vraag wilde stellen, dan kon dat door een briefje aan het witte bord te hangen. Mocht je een kamer met iemand delen, zwijg en blijf zwijgen. Communiceer door middel van een briefje. Geen contact met de buitenwereld, niet met thuis, niet met vrienden, partners of kinderen. Niet lezen, geen boek of tijdschrift, geen iPhone, alleen met jezelf zijn, zwijgen en de zinnen door je hoofd laten gaan. Alles in meditatie.

Geen alcohol, geen sigaretten. Geen gebruik van bedwelmende, verdovende of opwekkende middelen. Water, thee, koffie, melk. Vegetarisch eten, want het eten van vlees is je conformeren aan het doden van dieren.

Niet lonken, niet flirten, geen knipoog, geen welriekende aangename geuren zoals parfum of aftershave op, geen opvallende, uitdagende kleding. Sober, onopvallend aanwezig zijn. Alleen met jezelf zijn, in gedachten bij liefde schenken.

Zoals iedereen had ik een werkmeditatie toebedeeld gekregen. Ik moest ’s morgens de wc-blokken schoonmaken, van de dames en de heren. ,,Doe het met aandacht, doe het voor jezelf en voor anderen.” Waren er handschoenen? Ja. Gelukkig maar.

Buiten in het bos was het aangenaam. In stilte wandelen, vooral langzaam, meditatief. Andere wandelaars passeren zonder ze aan te kijken, zonder te knikken, zonder blik van herkenning te geven en te ontvangen. Tijdens een wandeling in de avondschemering doemde op mijn pad een spook op. Het droeg een pij. Het kwam dichterbij en passeerde me zonder mij op te merken, zonder groet, zwijgend. Het was zuster Virañani, met een muts op haar hoofd. Ik herkende haar. Zij mij ook? Ik hoopte wel.

Ik zag de bladeren aan de bomen, ik hoorde de vele vogels, ik ontdekte een poes op jacht naar een prooi, ik hoorde ganzen boven me vliegen, ik rook de bloemen, de bomen, het vochtige gras. Ik rook de natuur. En ik sprak in mezelf, met mijn rechterhand op mijn hart: May I be well, happy and peaceful. May you be well, happy and peaceful. Buiten het bos, dus buiten de sangha, passeerde ik twee wandelaars met een hond. Ik zei ‘goedenavond’. Ze zeiden iets terug, natuurlijk. Ik voelde me weer gezien, eindelijk.

Na de dhammatalk ’s avonds van zeven tot acht, een boeddhistische lezing door de leraar, over loving kindness (liefdevolle vriendelijkheid), weer een uur zitmeditatie. Dan ter afsluiting een gezamenlijk chant. Die ontroerde mij, want samen geluid uitbrengen en samen over liefde zingen of gewoon (verlegen) meeneuriën raakte mij. Voor mij zongen twee vrouwen mee, met gesloten ogen. Ze hadden geen tekst voor zich, ze kenden de tekst uit hun hoofd. Heel mooi.

En toen naar mijn kamer, in stilte. En om tien uur het licht uit. Duisternis en complete stilte. Proberen te slapen in vriendelijkheid. Totdat om vijf voor zes het belletje rinkelde als het teken dat we weer gaan mediteren. Te beginnen om half zeven, zonder ontbijt. Pas na een uur zitten was er ontbijt, zwijgend het eerste voedsel nemend. Zwijgend zelf je bord, bestek en kopje afwassen. Zwijgen.

Zo verging het ook de volgende dagen. Maar toch, de dagen verliepen ondanks hetzelfde schema niet hetzelfde. Elke beleving was anders. Niets was hetzelfde. De pijn was anders, de stilte was anders, de wandeling was anders, het weer was anders, de vogels waren anders. Alleen de deelnemers waren hetzelfde. Allen naar binnengekeerd, ogen gesloten, zwijgend, zonder contact te maken. Somber en strak. Bewegingsloos, zo zag ik als ik stiekem rondkeek of er nog iets gebeurde. Misschien was er nog contact te vinden. Wat niet mocht.

Ik was – om de ondraaglijke pijn in mijn rug te ontwijken – op een bankje gaan zitten. Comfortabel en ontspannen, voor zover dat mogelijk was. Plotseling kwam een vrouw naast me zitten. Ik schoof beleefd wat op. Ze fluisterde nauwelijks hoorbaar: ,,Okay, blijf maar zitten.” Oei, iemand zei iets. Ik raakte ontroerd en wilde uit dankbaarheid een hand op haar been leggen. Eindelijk een metgezel, eindelijk contact. Ik deed het niet. Ik mocht niet. De vrouw keek strak voor zich uit, sloot haar ogen en zweeg. Geen contact. Geen emotie te bekennen. Niets, versteend als een standbeeld.

En toch steeds weer die zin in je hart laten opkomen en uitdragen. Liefdevolle vriendelijkheid. Naar de vrouw naast je die je geen blik waardig keurde. Naar ieder levend wezen in deze wereld. Ook naar de man of vrouw met wie je niet kunt opschieten, die je soms haat. Omdat je hem of haar niet begrijpt. Naar een vijand. Geef liefde, geef. Wacht niet om een bedankje, geef gewoon.

Waarom ik het vol hield? Omdat het moest? Omdat het was afgesproken? Omdat ik mezelf wilde helpen? Mezelf wilde verlossen van vijandige gevoelens? Ik weet het niet. Ik deed het, in meditatie, met aandacht. Ik zat en wandelde. En ik bleef zitten en wandelen. Zwijgend, alleen in en met mezelf. Alleen. Eenzaam en toch niet alleen. Ik voelde alleen mezelf, ik keek in mezelf, ik voelde mezelf, vechtend, gespannen op zoek naar ontspanning.

Af en toe ontspande ik. Dan bleek ik even weg geweest, had ik geslapen of was ik eenvoudigweg de tijd en mijn aanwezigheid vergeten. Ik was vergeten dat ik iets moest. Ik voerde geen strijd meer. Ik wilde niet beter zijn, ook niet beter dan anderen. Ik had de spanning losgelaten. Ik was los geweest, los van energie. Ontspanning.

Virañani bemoedigde ons, gaf weer nieuwe instructies en zei alweer vooral ontspannen te zijn. ,,Doe wat je goed vindt, doe wat bij jou past, wees lief voor jezelf, wees jezelf: je mag er zijn, je bent er al. Niets hoeft, er is niets dat je nodig hebt om je beter te voelen. Dit is het, dit ben jij. Relax.”

BUN-Sangha-Metta5-xUitgeput kroop ik elke avond in bed. Totaal vermoeid. Maar de slaap kon ik niet vatten. Adrenaline? Al genoeg ontspanning en stilte gehad? Ik lag, dacht en luisterde naar de stilte. Het geluid van een bons-bons-muziekfestival drong vanuit de verte door tot in mijn sobere cel. Ik hoorde het eerst verstoord aan, hoezo stilteretraite? Maar ik merkte al gauw dat het niet meer dan geluid was.

Om vijf voor zes hoorde ik in de gang een belletje rinkelen. Tijd om op te staan, tijd voor een uur meditatie. Buiten tjilpten de vogels al. Ze streelden mijn oren. De lerares zat er al. Ze zei niets. Ze had haar ogen dicht. Niemand zei iets. Iedereen sloot zijn ogen. Het was stil, alleen maar stil.

Na de laatste ochtend van stilte en contactloze gemeenschap mochten we in een kring gaan zitten én praten. De uren van stilte waren voorbij. Ik zag mensen, ik zag hun ogen, hun emoties. De een sprak over zijn ervaringen, de ander over dankbaarheid, weer een ander vertelde over heroverde liefde, en een man zei dat hij eindelijk het gevoel had dat hij zichzelf kon zijn. Hij voelde zich eindelijk normaal. Want ieder mens is normaal. ,,Dank u dat ik normaal, mezelf, mag zijn.”

Ik keek op me heen en voelde eindelijk contact. Mensen keken naar mij. Ik keek naar die mensen, naar hun tranen, naar hun bewegingen, naar hun ogen. Ze leefden weer. Ik vertelde iets over mijn opluchting, dat ik eindelijk (weer) contact had. Ik was niet langer alleen, ik voelde me niet langer eenzaam.

Is dat het? Kan ik niet zonder mensen die contact maken? Niet zonder mensen die in verbinding staan met mij? Alleen is maar alleen. Alleen worstelend met liefdevolle vriendelijkheid voor mezelf en mijn ergste vijand. Ieder mens is toch alleen? Ieder mens is toch op zoek naar contact en herkenning? Naar bevestiging.

Over het pad van altruïsme, samen met Matthieu Ricard

26 sep

ricard kinderen

Dit artikel van mij is gepubliceerd in de (Engelstalige) zomereditie van The Optimist.

Ik liep voorbij een bloemenstal en dacht: waarom niet? Mijn vrouw en ik hadden een heftige ruzie gehad. Die hadden we weliswaar uitgepraat, maar nog steeds voel ik de pijn die ik haar heb aangedaan. Ook voel ik mijn eigen gekwetstheid door mijn lijf gieren. Ik wil weer dat de liefde overheerst. Ik hou van haar. Dat wil ik tonen. Zou een bos tulpen helpen? Ja, gele, de kleur van vergeving en verbondenheid. Ik koop een stevige bos.

Maar op weg naar huis, naar haar, voel ik tweeslachtigheid. Doe ik dit nu écht om haar pijn te verzachten? Of – en daarom verkeer ik in dubio zodra ik iets wil geven – doe ik het misschien voor mezelf? Doe ik het om míjn pijn te verzachten? Om haar mild jegens mij te stemmen?

Verdorie. Doe ik het nou wéér? Zet ik mezelf weer op de eerste plaats? Draait het weer om mij?

Ik vrees van wel. Ik wil natuurlijk dat ze niet meer kwaad op mij is. Waarom zet ik háár niet op de eerste plaats? Ik kan toch gewoon van mijn liefde getuigen? Gewoon, mijn liefde geven. Gewoon dóen, gewoon vrijgevig zijn. Eens alleen aan haar denken. Aan haar en aan anderen.

Het zijn dagelijks terugkerende dilemma’s. Dat geldt onmogelijk alleen voor mijzelf. Mensen die onbaatzuchtig geven, tel ik weinig. Ze zijn er heus wel, de Florence Nightingales en Moeder Teresas, die geven zonder iets terug te verlangen. De vrijwillige verplegers en verzorgers, die zichzelf kunnen wegcijferen ten voordele van hun naasten, zonder er iets voor terug te krijgen. Die iets van zichzelf geven: hun liefde en troost, hun medeleven. Gewoon uit liefde voor de anderen. Naastenliefde. Geen rekening openen. Nooit om een terugbetaling vragen.

Ik wou dat ik zo was. Dus niet voortdurend: ‘kijk eens hoe goed ik ben’. Ook niet steeds eerst aan mezelf denken, niet steeds mezelf horen praten, over mijzelf. Maar ook eens luisteren en benieuwd zijn naar wat anderen te zeggen hebben.

Het is nog een hele kunst, altruïsme, ofwel onbaatzuchtig handelen. Of zoals de Franse filosoof en grondlegger van het positivisme, Auguste Comte (1798-1857), altruïsme het interpreteerde: ‘Uitschakeling van egoïstische verlangens en egocentrisme’ en ‘een leven dat gewijd is aan het welzijn van anderen.’

Matthieu Ricard

Op de kaft staat Altruïsme: De kracht van compassie. De auteur is Matthieu Ricard, een 68-jarige Franse boeddhistische monnik. Egocentrisme is het grootste probleem van onze tijd, stelt hij. Alles draait om het ego, om het zelf, om zelfgenoegzaamheid, vooral om bezit. Niet omdat mensen zo worden geboren, maar omdat het hen wordt geleerd door hun ouders en hun omgeving. Wie mee wil in deze harde wereld, heeft als individu de plicht voor zichzelf op te komen.

Ricard verstaat onder altruïsme (of compassie) het verlangen om het geluk van anderen te bevorderen en diens lijden te verlichten. Meevoelen met het lijden van een ander. Hij heeft na jaren van onderzoek (onder meer door gesprekken met denkers, wetenschappers en economen) ontdekt dat altruïsme de sleutel is tot de oplossing van de crises die we momenteel doormaken: sociale, economische en ecologische crises.

We moeten, aldus Ricard, het aandurven altruïsme op scholen te presenteren als een kostbaar instrument, waarmee kinderen hun natuurlijke potentieel tot vriendelijkheid en samenwerking kunnen realiseren. We moeten durven verklaren dat de economie niet alleen maar genoegen mag nemen met de stem van de rede en met louter eigen belang, maar dat ze ook naar de stem van de zorgzaamheid moet luisteren. Serieus rekening houden met het lot van toekomstige generaties. Hoe kunnen we invloed uitoefenen op de tabaksindustrie, de farmaceutische en chemische industrie, de land- en tuinbouw, de klimaatdiscussie? Zodat we het antropoceen, het heersende tijdperk waarin de kwaliteit van onze planeet fundamenteel aangetast dreigt te worden door menselijk wanbeheer, kunnen keren.

Altruïstische liefde is, zo meent Ricard, de beste waarborg voor een vervuld en zinvol leven, een leven waarin we werken aan het geluk van anderen en proberen hun lijden te verlichten. Hij citeert Albert Schweitzer (arts, filosoof, theoloog en medisch zendeling uit de vorige eeuw): ‘Alle echt gelukkige mensen die ik heb gekend, hadden geleerd hoe ze anderen van dienst moesten zijn.’

In zijn boek raakt Ricard aan mijn ervaringen en vooral aan de confrontaties met mezelf. Sinds een jaar of drie leer ik in alle ernst en vol overgave voor boeddhist, bij voorkeur de op westerse belevingen gebaseerde variant Shambhala. Nu ik dagelijks mediteer en contempleer, voel ik wat aan mij schort. Ik ben vooral met mezelf bezig geweest. Wat anderen doen, hoe anderen hun leven leiden, anderen lijden: het is vaak aan mij voorbijgegaan. En dat doet mij pijn.

Met Matthieu Ricard maakte ik eerder kennis. Hij schreef ‘De monnik en de filosoof’. Daarin ging hij de dialoog aan met zijn vader, Jean-François Revel, een vermaard filosoof. Het boek handelt onder meer over verschillen in beleving tussen naastenliefde in het Westen en in het Oosten, over onderwijssystemen en opvoeding. Ricard beweert bijvoorbeeld: ‘Het woord mededogen wekt in het Westen nogal eens de indruk dat het om een neerbuigend medelijden gaat, om een meewarigheid die een afstandelijke houding aanduidt ten opzichte van degene die lijdt. Maar het Tibetaans nyingje, dat vertaald wordt met mededogen, betekent letterlijk ‘de heer van het hart’, dus hij die over onze gedachten moet regeren. Dat is wat anders dan wij in het Westen beleven.’

Zijn recente boek gaat verder. Het spreekt me aan. Ik wíl graag helpen, zonder aan mijzelf te denken. Dat ego van mij – en trouwens ook dat van anderen – mag best eens minder groot zijn. Met bijna negenhonderd pagina’s moet in dit boek voldoende staan om van te leren.

Ook wat de persoonlijke levenswandel betreft, is Ricard een leermeester. Toen hij 25 jaar was, trok hij naar de Himalaya. Hij was in aanraking gekomen met oosterse wijsheden. Dat lag niet erg voor de hand. Hij leefde in weelde. Hij had intellectuele en kunstzinnige ouders, met tal van gelijkgestemde kennissen, van wie hij veel opstak. En hij maakte carrière. Als gepromoveerd moleculair bioloog werkte hij op het Pasteurinstituut samen met de Nobelprijswinnaar voor de Geneeskunde, François Jacob.

Maar er zat hem iets dwars. Er is iets, maar wát? Daarin herken ik iets. Maar Ricard legde zich er niet bij neer. In de Himalaya kwam hij dankzij boeddhistische leermeesters, urenlange meditaties en studies tot nieuwe inzichten.

Veertig jaar woont hij nu in de Himalaya, in het Shechenklooster in Kathmandu, de hoofdstad van Nepal. Tot teleurstelling van zijn in 2006 overleden vader zette Ricard zich met zijn aangetoonde talenten na zijn vertrek uit het Westen niet meer in voor de moleculaire biologie. Ricard riposteerde in De monnik en de filosoof dat hij andere prioriteiten heeft leren kennen. ‘Ik had steeds meer het gevoel dat ik de mogelijkheden van een mensenleven niet echt benutte, dat het leven me dag na dag door de vingers glipte.’ Hij treedt regelmatig op als tolk voor de dalai lama. Nu reist hij de wereld rond om zijn missie uit te dragen.

Ricard beheert een stichting, waarmee hij ongeveer 25 duizend kinderen helpt. Hij doneert een miljoen dollar per jaar aan hulpbehoevende scholen, ziekenhuizen, kloosters en filosofische instellingen in Tibet, India en Nepal. Het geld komt uit opbrengsten van zijn boeken en wereldwijde sponsorwervingen en lezingen. ‘Zonder die jaren van isolatie, waarin ik mijn geest trainde,’ zei hij in een interview in dagblad Trouw, ‘was ik daar niet toe in staat geweest.’

In de Himalaya – waar hij vijf jaar in geïsoleerde meditatie doorbracht – ontmoette Ricard vooral mensen die veel minder met zichzelf bezig zijn. Dat waren niet alleen leermeesters, maar ook ‘gewone’ stervelingen. Van borstklopperij en ijdelheid is weinig sprake bij traditionele volkeren. Hij zag een vorm van vriendelijkheid die ver afstond van het antisociale gedrag in Parijs, het stadse gepronk met onszelf. Met ons Zelf. Met onze ego’s.

Wat als we dat gedrag hier in het Westen leren? Wat als we onze persoonlijkheid meer naar de achtergrond drukken? Als we ons egocentrisme uitschakelden en een leven leiden dat gewijd is aan het welzijn van anderen?

Het is een helse opgave ons ego los te laten. Alleen al eerst in twijfel durven trekken dat mensen van nature géén egoïsten zijn, maar wel degelijk gericht op samenwerking. Samenwerken leidt immers tot meer resultaat dan alleen werken. Door iets samen te doen, kweek je saamhorigheid, krijg je vrienden. Zonder vrienden is maar alleen, nietwaar? De mens is een sociaal dier.

Wielrenner Eddy Merckx

Eens was Eddy Merckx een begenadigd wielrenner. Hij kon winnen wanneer en waar hij maar wilde. Dat deed hij, bijna 20 jaar lang. Andere wielrenners misgunde hij overwinningen, omdat er voor Merckx maar een was die telde: Eddy Merckx. Alles draaide om hem, het uitverkoren supertalent. Zijn ego, dus.

Zo móet het wel zijn geweest. Want Merckx sloot zich af van anderen. Hij vermeed journalisten. Hij had geen oog voor anderen. De beste wielrenner ooit, zo wisten we allemaal, was een onverbeterlijke egoïst. Getuige ook zijn bijnaam: De Kannibaal.

Maar in een terugblik op zijn leven, uitgezonden op de Belgische televisiezender Canvas (december 2014, in de serie Karakters) toonde zich een heel andere Eddy Merckx. Na fysieke aftakeling, ziektes en hartoperaties vertelde de Belg, nu 70 jaar, waarom hij als welvarend constructeur van racefietsen vooral de mannen in dienst nam die hem in zijn loopbaan als succesvol wielrenner ‘gedienstig’ hadden bijgestaan. Die mannen waren na hun sportleven in een zwart gat gevallen. Zonder fiets, doel, kopman, zonder leider, zo bleek, was hun leven zinloos, uitzichtloos en stuurloos geworden.

Merckx herkende het leed. Het zwarte gat na zijn vroeg afgebroken carrière was immens diep. ‘Een wielrenner die stopt, is de eenzaamste man ter wereld.’ De onoverwinnelijke sportman die jarenlang in een cocon had geleefd, zijn emoties had verborgen en had gezwegen omdat hij de buitenwereld (tegenstanders, ploeggenoten, journalisten, supporters) niet vertrouwde, bleek zowaar een gevoelsmens. Eddy Merckx hield van mensen, maar hij kon het niet tonen. Want: ‘Wie een kampioen wil zijn, moet ook een kampioen zijn in het afschermen en maskeren van zijn eigen ik.’

Nu hij zich van zijn masker kon ontdoen, ontstond een ander beeld. Anderen hadden willen profiteren van zijn roem. Anderen hadden hem bestempeld tot een god. Dáárom hield Merckx zich afzijdig en fietste hij onverstoorbaar naar zijn volgende triomf. Hij had andere mensen best willen helpen als ze in nood verkeerden, naar adem hapten of om geld verlegen zaten. Hij had best altruïstisch willen zijn, maar dan zou hij zijn heerschappij als wielrenner verliezen. Dan zou hij zijn ‘ik’ tekort doen. Een winnaar laat zijn kwetsbaarheid niet zien.

Wat leren we hiervan? Eddy Merckx was niet de egoïstische sportman, vervuld van zijn talent en triomfen. Hij was een bescheiden mens die niet beter wist en gewoon deed wat hij als sportman moest doen: winnen. Pas toen zijn carrière was beëindigd, besefte de Belg dat hij de triomfen niet alleen aan zichzelf te danken had. Toen pas betuigde hij dank aan mensen die zijn successen mogelijk maakten: zijn ouders en managers die hem hadden beschermd tegen de ‘vijandige’ buitenwereld, zijn ploeggenoten die hem ‘uit de wind hielden’, zijn ‘waterdragers’ die hem verzorgden. Toen pas kon Merckx zijn menselijke kant tonen en hielp hij die mannen die hem eerst verweten koel, afstandelijk en egocentrisch te zijn, maar die nu in hun zwarte gat ronddoolden. Nu Merckx niets meer te verliezen had, kon hij nederig zijn en zich op anderen richten.

Eddy Merckx werd verdoofd door ( te veel) succes. Hij ging geloven dat hij een god was: de perfecte mens die alles won en daarom de wereld aan zijn voeten kreeg. Hij was niet in staat te geloven dat hij dat die triomfen ook aan anderen te danken had. Op een moment in zijn leven begreep Merckx dat hij (ook) anderen moest helpen. Hij was niet langer het epicentrum. Hij zag anderen lijden, mogelijk omdat hij zichzelf herkende in het lijden: niet kunnen zijn wie je eigenlijk bent, omdat je wordt geleefd. Kom, dacht hij, ik help mensen die minder kwaliteiten hebben. Eddy Merckx werd mens onder mensen.

Basketbalcoach Phil Jackson

In de sport, een competitieve wereld bij uitstek, komen veel uitblinkers na verloop van tijd tot deze ontdekking. Michael Jordan, de beste basketballer aller tijden, leerde van zijn coach dat hij nog beter zou worden als hij aandacht zou hebben voor zijn minder getalenteerde medespelers. Die coach, Phil Jackson, was door het zenboeddhisme geïnspireerd. Hij confronteerde Jordan met zijn ego. Zelf als je nog zo goed bent, moet je hulp vragen en hulp bieden. Want alleen sámen met anderen word je beter.

Jackson liet zijn spelers het sprookje De tovenaar van Oz lezen, over de uit nood gedwongen zoektocht naar de ‘verlosser’. Onderweg vinden lotgenoten elkaar: een vogelverschrikker die hersens nodig heeft, een blikken man die graag een hart wil, een bange leeuw die hoopt dat de tovenaar hem meer moed kan geven. Allemaal hebben ze hun beperkingen, maar samen vormen ze een effectief team. Later ontwikkelen zij zich tot trouwe bondgenoten. Het ‘ik’ maakt ruimte voor het ‘wij’.

Ook gingen Jordan en zijn teamgenoten mediteren in een échte schrijnruimte, met smeulende wierook en salie. Hij leerde hen contempleren over de kracht van samen doen en anderen helpen door jezelf weg te cijferen, je ego los te laten. Zo leerden ze elkaar begrijpen, de goden en hun volgers. Samen spelen. Het door Jackson aangestuurde altruïsme leidde tot een record aan triomfen en titels.

Is het vreemd dat ik de sportwereld als voorbeeld neem? Ik heb in 35 jaar als sportverslaggever ervaren dat het ego van de beoefenaren groeit als de successen zich aaneenrijgen. Totdat groei tot overschatting leidt. Ik zag dat mensen die niet de top haalden, terneergeslagen raakten. Ze waren altijd voor zichzelf gegaan, mede omdat hun omgeving (ouders, familie, vrienden) hen daartoe aanzetten: Jij kunt het, jij bent de beste. Alles draait om jou. We herkennen het fenomeen, zodra we als betrokkenen aan de zijlijn staan. Direct betrokkenen willen maar één ding: hij moet winnen.

Teamgeest spreekt in de sport weliswaar tot de verbeelding, maar uiteindelijk draait het om winnen. Wie in een team speelt, wil niet alleen beter zijn dan de tegenstander, maar ook beter dan de ploeggenoten, want anders sta je ernaast. Sport is hét terrein waarop je jezelf voortdurend op de borst klopt en anderen kleineert, ter meerdere eer en glorie van je eigen ego.

Sport wordt een afspiegeling van de samenleving genoemd. Wie wint, wordt bevestigd in zijn ego; wie verliest, wordt verbannen en kan beter vluchten. Denken wij zo ook buiten het stadion? Zijn wij in ons dagelijkse leven ook bezig ons ego op te poetsen en iedere beschadiging van ons zelfbeeld te vermijden? Of zeggen we bijvoorbeeld ook een dakloze gedag? Vragen we ons af waarom hij geen huis en geen werk heeft? Sterker, overwegen we onze hulp en bezittingen (geld) aan te bieden?

Terug naar het sportveld. Leren we onze kinderen (onszelf) we dat er minder getalenteerde meespelen? Of denken en spelen we alleen voor onszelf? Ik herinner me nog hoe wij (als jeugdspelers) een jongen die (te) traag of te dik was, dan wel motorisch beperkt (hij deed zo raar) haatten, omdat hij ons hinderde op weg naar de titel. Hij moest vervangen worden, en snel. Voor mensen die niet perfect zijn, is geen plaats.

De Nieuwe Liefde

Matthieu Ricard verkondigde in februari van dit jaar in De Nieuwe Liefde in Amsterdam zijn verhaal in een bordeauxrode pij. Een rare kwast, zo zou je hem kunnen zien. Hij wekt daarom mogelijk argwaan. Het vergt bereidheid open te staan voor ‘nieuwe’ inzichten – en al helemaal van iemand die decennialang ver van de ‘geciviliseerde’ (ons bekende) wereld heeft gewoond. Toen ik hem zag won mijn nieuwsgierigheid het van mijn angsten. Een gewone man, hij droeg sportschoenen, glimlachte niet voortdurend en aanschouwde de wereld niet door een rose bril. Hij was realistisch, vol van overtuiging zijn ervaringen te moeten delen.

Uit de zaal – met 250 bezoekers – werd een vraag gesteld over psychopaten en sociopaten, ontspoorde mensen in een verwarrende samenleving die geen empathie (meer) voelen. Of dictators, mensen zonder geweten. Hoe ga je er om mee om? Hoe kun je hen helpen? Over altruïsme gesproken. Ricard: ,,Niemand vraagt je van deze mensen te houden, van je vijanden of van psychopaten te houden. Je wenst hen geen succes met het moorden van andere mensen. De vraag is: wat kan ik doen om tot hen door te dringen, iets te begrijpen van wat hen bezighoudt? Wat is hun diepe behoefte? Ik had 24 uur met Saddam Hussein kunnen doorbrengen en naar hem kunnen luisteren. Zo lang mogelijk meegaan, als een judoka, om dan heel even te proberen hem op het andere been te zetten: een vraag over liefde. Van wie houdt u? Als je merkt dat hij iets oppikt, weer luisteren. Het vraagt geduld en vooral liefde, zeker geen vijandigheid. Ik denk dat het mogelijk is psychopaten, mensen zonder empathie te helpen. Luister naar hen. Toon je liefde, elke keer. Misschien…’’

Empathie, het begrip is gevallen. Empathie gaat dieper dan altruïsme. Zo ging Ricard in op de opmerking van Roman Krznaric, de Engelse socioloog en filosoof, die met Alain de Botton The School of Life oprichtte. Krznaric confronteerde Ricard met zijn inzichten over empathie. Krznaric schreef er een boek over: Empathie. Empathie is het vermogen om je te verplaatsen in anderen, in de hoop hen daardoor beter te begrijpen.

Bedenk, vroeg Krznaric, hoe een ogenschijnlijk, emotieloze man er in een andere, meer menselijke gedaante uitziet, bijvoorbeeld wanneer hij met zijn zoontje van drie verstoppertje speelt of een liedje zingt voor zijn bejaarde moeder om haar op te vrolijken. De omgang wordt anders. De kans is groot dat ook hij verzacht. Zo veronderstelt Krznaric.

Maar toch: empathie zuigt je leeg. Zo meent Ricard. Wanneer je voortdurend empathie, voor een zieke hebt, probeert ín te voelen, kan dat leiden tot een burn-out. ,,Je kunt als arts of verpleger niet ongestraft de hele dag met de patiënt mee-lijden. Maximale betrokkenheid, maximale distantie. Warmte geven kan op den duur veel doen, meer. Als de patiënt, degene die lijdt, jouw warmte voelt, kan dat de pijn verlichten.’’

Max Planck Instituut

Ricard baseert zijn inzichten op neurologische testen van de Duitse Tania Singer, directeur Sociale Neurowetenschappen aan het Max Planck Instituut in Leipzig. Uit hersenscans die Ricard bij Singer onderging, werd duidelijk dat bij altruïstische gedachten (meeleven) reacties in de hersenen zijn waar te nemen die anders zijn dan bij empathische gedachten (inleven). Zoals Singer begin dit jaar bij het World Economic Forum in Davos, waar Ricard een betoog over altruïsme hield, aangaf: ‘Het gebrek aan compassie is misschien wel de oorzaak van de grootste mislukkingen van de mensheid.’

Ik heb het zelf leren herkennen. Ik heb me eens proberen te verplaatsen in een andere, lijdende, zieke medemens. Wat voelt hij nou? Ik ging mee. Ik meende zijn pijn te voelen, zijn wanhoop, zijn hoop. Ik begroef mezelf in die ander. Het hielp niets, hem niets en mij niets. Het putte me uit. Ik raakte in verwarring. Waardoor de ander nog meer in verwarring raakte. Want ik was die ander niet. Het was niet mijn pijn.

Altruïsme kan je een verblijd gevoel geven, zonder dat je trots voelt of je ego bevestigt. Geef de ander ruimte om te denken wat hij denkt. Zet hem (de psycho- of sociopaat, de dictator) niet onder druk, probeer hem voorzichtig ervan te overtuigen dat je zijn behoefte (woede?) wil begrijpen. Zoals ik eerder Ricard citeerde over zijn ingebeelde ontmoeting met Saddam Hussein. Geef liefde, luister met liefde, geef, geef hem als medemens wat je aan liefde hebt. Verwacht geen geschenk voor je betoonde liefde.

Voor wat hoort wat. Het is de valkuil voor iemand die meent zich altruïstisch te gedragen. Dan geef je met in gedachten de stille hoop, soms onbewust, er iets voor terug te krijgen. Of eenvoudigweg omdat het je ego streelt: kijk mij eens goed zijn, ziet iedereen wel hoe goed ik ben.

Neem mijn relatie tot Facebook. Soms deel ik een bericht over mensen in nood, of over een boeddhist die altruïsme wil verspreiden. Waarom doe ik dat? Om anderen te helpen of aan het denken te zetten? Of wil ik misschien tonen dat ik anderen zo graag wil helpen of weer iets te vertellen heb? Vis ik niet gewoon naar een compliment?

Mocht altruïsme in onze natuur zitten, dan wordt het al gauw verdrongen. Conditionering doet haar werk. We gehoorzamen aan ouders en onderwijzers. In zijn boek verwijst Ricard naar een studie onder kinderen tussen 6 en 9 jaar die werden meegenomen naar een ziekenhuis om een ander kind te bezoeken. Vraag twee weken later of het kind opnieuw mee wil gaan en er is zeventig procent kans dat dat zo is. Maar heb je het kind na het eerste bezoek een beloning gegeven – een snoepje, een moment om met de iPod te spelen – dan is de kans, verrassend genoeg, veel kleiner dat het kind nog mee wil. De conclusie van Ricard: ,,Kinderen willen wel mee om te troosten of te helpen, maar niet omdat ze een lolly krijgen.’’

Tussen zijn tweede en vijfde jaar werkt een kind spontaan mee met anderen, weet Ricard. Pas later komt het besef dat niet alle mensen lief en behulpzaam zijn. Zo leert een kind zichzelf tegen die soort mensen beschermen. Vanaf 12 of 13 jaar breidt de empathie zich weer uit en begint het kind zich verwant te voelen met bijvoorbeeld leeftijdgenootjes in arme landen.

Zo gaat het althans in het Westen. In traditionele samenlevingen, zoals in de Himalaya, legt Ricard uit, voelt iedereen zich betrokken bij de anderen. ,,Je hoeft er tegen een jongen van 10 niet te zeggen dat hij zich moet bekommeren om zijn zusje van 3’’, vertelt Ricard. ,,Dat gebeurt daar spontaan.’’
Kunnen wij dat ook?

test ricard
Het goede nieuws is: gedrag is te veranderen. Hersens zijn flexibel. Meermalen heeft Ricard hersenscans ondergaan. De ene keer werd hem gevraagd altruïstisch te denken. De andere keer empathisch. Beide gedachten leverden verschillende resultaten (verkleuringen) in de respectieve hersendelen op. Er gebeurde domweg iets in de hersens. Bij Ricard, en vooral bij monniken die van jong af aan dagelijks vele uren mediteerden en contempleerden, werden veranderingen in de hersenen waargenomen. Bij mensen die niet mediteerden werden geen veranderingen waargenomen, tenzij zij zich veelvuldig overgaven aan altruïsme, liefde voor anderen. Hersencellen verbinden zich met elkaar door training; synapsen vinden elkaar door ‘beoefening’, zoals dat in boeddhisme wordt genoemd. Kortom: je kunt écht veranderen door meditatie.

Tijdens zijn voordracht toonde Ricard met behulp van grafieken hoe kinderen kunnen veranderen. Vraag ze een cadeau te geven aan een ander kind. In eerste instantie gaat het cadeau naar het vriendje. Na een paar weken dagelijks een tiental minuten mediteren en contempleren (denken over een ander als mede-mens), werd het cadeautje juist gegeven aan het lelijkste of vervelendste kindje uit de klas.

George Harrison

Er is een documentaire over George Harrison, Living in the material world, gemaakt door Martin Scorsese. Het is nagenoeg bekend dat de ex-Beatle jarenlang mediteerde. In het torentje van zijn buitenverblijf in Engeland mediteerde hij elke dag in de vroege ochtend. Hij had ook lange sessies met Maharishi Mahesh Yogi. Op een goed moment gaf Harrison veel van zijn bezittingen zomaar weg. Zelfs zijn vrouw. Hij gaf haar zijn beste vriend, Eric Clapton. ‘Ga maar,’ zo parafraseerde Clapton wat zijn vriend had gezegd. ‘Je bent niet van mij, dat heb ik gezien, je bent van Eric, mijn beste vriend.’ Was Harrison een altruïst dankzij meditatie en contemplatie?

En dan probeer ík mijn vrouw te behagen met een bosje bloemen.

Meditatie kan betekenen: leeg maken, rust aanbrengen in je gedachten, gedachten waarnemen en weer laten gaan. Je kunt tijdens meditatie ook mantra’s herhalen (of reciteren uit boeddhistische teksten en lezen in boeddhistische geschriften); bijvoorbeeld de wens dat anderen vrij zijn van lijden, dat anderen geluk mogen ervaren, dat anderen handelen vanuit hun fundamentele goedheid. Dat is de beoefening. Als je niet kunt schaatsen, kun je door veel oefenen schaatsen aanleren. Tijdens zijn bezoek aan Nederland in februari liep Ricard met blote armen door de vrieskou van Amsterdam. Hij zei: ,,Ik heb mijn lichaam getraind om tegen de kou te kunnen.’’

Ik kan oefenen in anders denken. Dat is riskant. Voordat je het weet, ben je op een ‘verkeerd’ pad. Ik hoor het mensen al zeggen: Je bent de weg kwijt, je bent niet meer degene die ik ken. Hopelijk ben ik op het goede pad. Ik ga geloven in fundamentele goedheid. In het idee dat iedereen wil geloven in zijn eigen goedheid. Dat iedereen op zijn eigen wijze geluk nastreeft. Dat iedereen van nature altruïstisch is en niet egoïstisch. Dat iedereen elkaar wel wil helpen.

Ter afsluiting van zijn voordracht in De Nieuwe Liefde citeerde Matthieu Ricard uit zijn boek de Romeinse filosoof Lucius Annaeus Seneca. Ruim tweeduizend jaar geleden schreef hij: ‘Het is niet zo dat we niet durven, omdat het allemaal zo moeilijk is. Het is allemaal zo moeilijk, omdat we niet durven.’
Dat is voor mij een mantra als het dilemma over weggeven mij weer eens dwarszit.

Guus van Holland, die worstelt met geven, zichzelf wegcijferen, anderen steunen, naar anderen luisteren, zijn narcisme probeert te begrijpen en hoopt dat altruïsme dan wel compassie de samenleving vriendelijker kan maken.

Dit artikel is gepubliceerd in de (Engelstalige) zomereditie van The Optimist

Onbevreesd, moedig en kwetsbaar

9 jun

Ben ik bang voor morgen, voor straks, voor wat er gebeuren gaat? Vaak wel. Waarom toch? Omdat de toekomst onzeker is. Omdat ik graag weet wat komen gaat. Dan kan ik me er op voorbereiden, maatregelen treffen, me erop instellen. Toch?

Nu ik deze column voor de Vrienden van het Boeddhisme schrijf, begrijp ik dat het ondoenlijk is me voor te bereiden op (alle) dingen die staan te gebeuren. Wat kan ik in vredesnaam doen om mezelf zekerheid te verschaffen, behalve een schuilkelder bouwen ten einde mezelf tegen mogelijk naderend onheil te beschermen? Ik weet het toch niet. Dingen gebeuren nu eenmaal. Ik kan niet alles in de hand hebben.

Dus kan ik me beter op nu concentreren. Zoals nu op deze column. Stel dat ik voortdurend tijdens het schrijven bezig ben met wat me te wachten staat, dan kan ik beter meteen stoppen. Dan wordt het sowieso een stukje dat alle kanten opwaait en -draait.

De gedachten die nu al schrijvend opkomen, vinden hun oorsprong in de cursus ‘Onbevreesdheid in het dagelijks leven’ uit De weg van Shambhala. Ik denk terug aan een oefening tijdens een sessie. Ik moest een dialoog aangaan met een andere cursist, bijvoorbeeld de vrouw naast mij. Een uitwisseling over onbevreesdheid, angst en onzekerheid.

Zo kwam ik tegenover een vreemde vrouw te zitten, aan wie ik moest vertellen wat door me heenging terwijl ik haar aankeek. Wat ik op dat moment voelde, wat ik nu voelde. En dat was heel vreemd.

Niet zo vreemd als ik verwachtte. Ik vertelde wat ik dacht en voelde: onzekerheid dus. Maar zowaar ook onbevreesdheid. Ik voelde wat de leraar had uitgelegd, over onbevreesdheid, moed en kwetsbaarheid. De vrouw keek me aan, luisterde en gaf (volgens opdracht) geen reactie. Ze toonde afwijzing noch goedkeuring. Er waren slechts woorden die uit mijn mond kwamen – en naar mijn gevoel recht uit mijn hart. Ik liet mijn hart spreken, over mijn onzekerheden en kwetsbaarheden, zoals ik ze op dat moment ervoer. En het voelde goed.

De vrouw was nog steeds een vreemde. Maar ze zag er gaandeweg mijn woordenstroom niet meer uit als een vreemde die mij vast zou vertellen wat voor een angsthaas ik was. Zij was er, niet meer en niet minder. Haar houding en mimiek verrieden geen oordeel. En zeker geen veroordeling, zoals ik had gevreesd.

Het meest verheugende kwam nog. Toen de vrouw mij mocht vertellen wat zij dacht en voelde. Ze zei dat ze veel herkende in wat ik had verteld. Ook zij was onzeker geweest, bang voor mijn reactie. Toen ter afsluiting de gong ging, keken we elkaar vriendelijk aan. Opgelucht. Onze onzekerheid, vooral onze angst voor afwijzing, was misplaatst geweest. Er was niets nadeligs gebeurd. Goddank.

Zo wil ik me vaker voelen. Zonder angsten, niet bang om te falen. Voortdurend levend in nu. Soms in de toekomst, vanzelfsprekend, maar liever nooit in de onzekerheid dat wat mij te wachten staat nadelig uitvalt.

Ik oefen buiten de cursus. Ik probeer te zeggen (en te schrijven) wat ik heb te zeggen (en te schrijven). Gewoon dóen. Mezelf inprenten dat het goed is wat ik doe. En dat ik er wat van leren kan. Mocht het resultaat niet positief zijn, dan kan ik er over nadenken. Wat gebeurt er dan met mij? Voel ik me teleurgesteld, verdrietig of boos? Kruip ik in mijn schulp en neem ik mij voor nooit meer iets te ondernemen, bijvoorbeeld nooit meer openhartig zijn én kwetsbaar?

Door meditatie – een halfuurtje op mijn kussen zitten en het gevoel laten opkomen, overdenken en voorbij laten gaan – kan ik mezelf helpen. Ik kan dan een en ander onder ogen zien: dit is dus wat met mij gebeurt, dit gevoel is er. Ik ervaar deze stilte en afzondering als verhelderend én verruimend. Ik kom bij mezelf, sla niet op de vlucht voor wat zich mogelijk in mijn lijf gaat afspelen. Is het verdriet, dan is het verdriet? Is het verwarring of angst? Nou, vooruit dan. Dan is het angst. Dat mag toch?

Ik heb het gevoel dat ik ruimte maak voor wat zich voordoet en voor wat zich kan aandienen. Dit ben ik, dit zijn mijn gedachten, dit is mijn gevoel. Dit is niemand anders. Ik las in mijn cursusboek: ‘Als je begint met kijken naar je angst, gewoon in die angst springt, dan is het volgende dat je ervaart een gevoel van volledig in elkaar zakken. In de situatie van angst zit veel energie, maar als je begint er in te springen, dan voelt het alsof je net een ballon hebt doorgeprikt.’

Ssssss, als een ballon, die eens is opgeblazen en zich almaar heeft gevuld. Zo voelde het toen ik tegenover de vrouw zat en mij blootgaf. Ik liep langzaam leeg. Vriendelijkheid ontmoette vriendelijkheid. Ik hoor mijn moeder nog zeggen: ‘Wie goed doet, goed ontmoet.’ Dat blijkt dus een boeddhistische wijsheid. Ik besef dat het niet in elke situatie zo bevredigend afloopt. Maar mij doet het vrijwel altijd goed.

Ik ben vriendelijk geweest voor mezelf. Dat voelt beter dan afwijzing.

Guus van Holland is lid van de Shambhala-sangha Leiden

Deze column staat in de zomereditie van http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Een mogelijk nieuwe liefde: altruïsme

2 mrt

Vredelievende mensen allemaal in de zaal. Zeer waarschijnlijk. Anders waren ze niet naar De Nieuwe Liefde in Amsterdam gekomen om naar Matthieu Ricard te luisteren. Hoe hij altruïsme had leren doorgronden en waarom hij dat nu onder meer via zijn boek ‘Altruïsme: de kracht van compassie’ onder de aandacht wil brengen. Het boek telt ruim 800 pagina’s. Wie dat te veel vindt, kan naar zijn lezingen gaan en luisteren. YouTube biedt uitkomst.

Boeddhisten kennen hem zonder twijfel. Ricard is een Fransman die veertig jaar geleden naar de Himalaya trok. Hij was gepromoveerd als moleculair bioloog en zijn vader, Jean-François Revel, was hoogleraar filosofie. Vijftien jaar geleden schreven zij samen een boek (in dialoog) ‘De monnik en de filosoof’. Ricard leefde jarenlang in afzondering in de Himalaya en woont nu in een klooster in Kathmandu, Nepal. Hij leerde van monniken en lama’s en van urenlange meditaties en contemplaties. Ook is hij tolk van de Dalai Lama.

AppleMark
Naar een man met zoveel kennis ga je zeker luisteren. Vooral omdat hij meent dat de samenleving toe is aan (meer) altruïsme. Ook omdat je beseft dat het niet zo niet langer kan, met al die agressie en dat egocentrisme om ons heen. Weet Ricard het antwoord? En wat is dan altruïsme? Hoe kun je dat leren? Waarom zou je dat leren? Boeddhisten voelen het aan, maar juist anderen die niet alleen vrede willen maar ook daarnaar willen handelen, horen en lezen graag meer.

Zo gemakkelijk is het niet. Anders zou Ricard er niet anderhalf uur over uitweiden en er een boek van ruim 800 pagina’s over schrijven. ‘Leven is nuttig voor anderen,’  citeert hij Seneca, een Romeinse schrijver en stoïcijns filosoof (4 v.Chr.-65 n.Chr.),  op de eerste pagina van het indrukwekkende boek. Maar daarmee is nog lang niet alles gezegd. Inzichten van sociaal psychologen, sociologen en filosofen volgen elkaar op in Ricards ‘bijbel’.

Te beginnen bij de Franse filosoof en grondlegger van het positivisme, Auguste Comte (1798-1857), die zegt dat altruïsme ‘uitschakeling van egoïstische verlangens en egocentrisme’ is en ‘een leven leiden dat gewijd is aan het welzijn van anderen’. De Amerikaanse filosoof Thomas Nagel voegt er in 1970 in zijn boek ‘The possibility of altruïsm’ aan toe: ‘het rechtstreeks belang dat een ander heeft bij jouw daden, vanwege het simpele feit dat de belangen van die ander jouw handelen motiveren’.

Onbaatzuchtig handelen. Daar komt het toch op neer? Niet een ander helpen met de bedoeling jezelf te complimenteren of er iets voor terug te krijgen. Dan draait het toch weer om het zelf. Ik weet het: het draait altijd om het zelf. Het lijkt niet uit te roeien. En is het niet zo dat mensen egocentrisch worden geboren? En als dat niet zo is, dan wordt ons toch door onze ouders en onze omgeving geleerd vooral aan jezelf te denken. Wie mee wil in deze harde, competitieve wereld heeft als individu de plicht voor zichzelf op te komen. Belangwekkende filosofen als Friedrich Nietzsche en Max Stirner hebben dat toch ook beweerd?

Ricard bestrijdt dit. Zeker onder traditionele volkeren in de Himalaya vond hij vriendelijkheid in de vorm van altruïsme die ver afstond van het gedrag waarmee hij in Parijs werd geconfronteerd, als jongen en zoon van erudiete ouders (vader was filosoof, schrijver, journalist en directeur van weekblad L’Express, moeder was kunstenares Yahne le Temoulin). ,,Deze mensen zijn veel minder met zichzelf bezig”, vertelde Ricard in Amsterdam.

Ricard Ted
De Fransman gaf een voorbeeld van oudere kinderen, tussen zes en negen. ,,Neem hen mee naar een ziekenhuis om een ander kind te bezoeken. Vraag twee weken later of het kind opnieuw mee wil gaan en je hebt 70 procent kans dat dat zo is. Heb je het kind na het eerste bezoek een beloning gegeven – snoep of zo – dan is de kans veel kleiner dat het kind nog mee wil. Het wil dus wel mee om te troosten of te helpen, maar niet omdat het een lolly krijgt.”

Ricard beweert: ,,Tussen zijn tweede en vijfde werkt een kind spontaan mee met de anderen. Het is pas later dat het begint te beseffen dat niet alle mensen lief en behulpzaam zijn en dat het zich tegen dat soort mensen leert te beschermen. Vanaf twaalf of dertien breidt de empathie zich weer uit en begint het kind zich verwant te voelen met kinderen uit bijvoorbeeld Bangladesh. In traditionele samenlevingen, zoals in de Himalaya, voelt iedereen zich betrokken bij de anderen. Je hoeft tegen een jongen van tien niet te zeggen dat hij zich moet bekommeren om zijn zusje van drie. Dat gebeurt daar spontaan.”

Hij stal de harten van het publiek in De Nieuwe Liefde. Of zijn inzichten de samenleving bevrijden van egocentrisme valt te bezien. Maar naar mijn idee biedt altruïsme perspectief. Nu nog de vraag hoe je dat bereikt. Ricard heeft door neurologische testen (hersenscans) te ondergaan bij onder meer de Duitse Tania Singer, directeur en onderzoeker Sociale Neurowetenschappen aan het Max Planck Instituut in Leipzig, gezien dat meditatie en contemplatie veranderingen in de hersens teweegbrengen. De verkleuringen en oplichtende delen zijn duidelijk waar te nemen. Meditatie en contemplatie hebben wel degelijk effect. Maar dat was al eerder aangetoond, onder meer bij mediterende monniken.

ricard test2 

Alleen al voortdurend oefenen met altruïsme, denken aan anderen helpen en voor anderen zorgen, leidt tot verandering van het gedrag. Het is als met leren schaatsen en zwemmen: oefenen, oefenen, oefenen. Hersens zijn flexibel, zo is gebleken.

Ricard heeft me al weer aan het denken gezet. Niet alleen door zijn voordracht, maar vooral door zijn immense en permanent lezenswaardige boek. Ik probeer mijn (egocentrische) gedrag te veranderen door meditatie en contemplatie. En ik verander, langzaam, heel langzaam. Soms toch weer niet en krijg ik een ‘terugslag’. Als ik maar blijf oefenen. Ik voel dat het kan werken. Voortdurend denkend aan het slot van het boek waar Ricard opnieuw Seneca citeert: ‘Het is niet zo dat we niet durven omdat het allemaal zo moeilijk is. Het is allemaal zo moeilijk omdat we niet durven.’

Op die avond in Amsterdam maakte ik kennis met een mogelijk nieuwe liefde: altruïsme.

Deze column is in een kortere gepubliceerd op de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/

NB: De Morgen, dat het boek als vijfde bestempelde van de beste boeken van februari: ‘Het heeft iets van de Bijbel, het nieuwe boek van Matthieu Ricard: vuistdik, bijna negenhonderd pagina’s, en ongetwijfeld het diepgravendste en breedste boek ooit geschreven over altruïsme.(…) Ricard bekijkt zijn onderwerp vanuit alle mogelijke hoeken en besluit dat alleen naastenliefde ons nog kan redden.’

Binnenkort een uitgebreid artikel in The Optimist

Over smaak valt te twisten over grootmeesterschap niet

15 feb

Louis van Gaal, Sportcoach van 2014

louis
Aloysius Paulus Maria van Gaal (bekend als Louis) moet hebben geweten dat hij afgelopen december tot Sportcoach van het jaar 2014 zou worden gekozen. Hij moet ergens in zijn brein vol alarmbellen en andere zintuiglijke indicatoren hebben gevoeld dat de vakjury niet om hem heen kon. Over smaak valt nog te twisten, over grootmeesterschap niet.

Het zal toch niet zo zijn dat een forum van als vakbekwaam gekwalificeerde mensen hem na het meeslepende wereldkampioenschap voetbal in Brazilië de hoogste Nederlandse sportonderscheiding passeren?

Je voelt het Louis van Gaal denken, ’s nachts even draaiend in zijn bed na weer een beladen wedstrijd, om dan met een hervonden – op zelfvertrouwen gebaseerde – rustige hartslag in slaap te vallen. Ik ben toch de beste? Ja, ik ben de beste. Van allemaal. Zo zou hij ingeslapen kunnen zijn.

Want aan iedereen die met voetbal is begaan, heeft hij immers getoond dat hij en zijn team van specialisten een groep jonge, min of meer internationaal beperkte voetballers naar het hoogste niveau kunnen brengen. Zelfs de wereldtitel behoorde tot de mogelijkheden. Want ook de Duitsers (de uiteindelijke wereldkampioenen, met hun al jarenlang ver doorgevoerde tactische en technische voorbereiding onder leiding van bondscoach Joachim Löw) had Van Gaal en de zijnen kunnen verslaan.

Wanneer het hoge doel wordt bereikt, is borstklopperij begrijpelijk en menselijk. Trots mag, trots is geen vies woord, trots is geen slechte eigenschap, trots is een bevestiging van het zelfvertrouwen. Wie met zijn hand op zijn hart timmert, is verguld van zichzelf. Wie dat niet doet (niet durft), is bang. Bang om zichzelf te zijn. Het ego mag best eens een schouderklopje krijgen na een succesvol verlopen uitdaging.

Aan de top ben je gauw eenzaam. Zo beseft Van Gaal. Enerzijds word je aanbeden, anderzijds dreig je als ‘topper’ al gauw naar beneden gehaald te worden, om welke reden ook. Het getuigt daarom van een immense kracht door te gaan op het gekozen pad. Niet eigenzinnig maar vastbesloten.

Op dat pad zoek je voortdurend naar verbetering, naar iets nieuws. Naar mensen die kunnen helpen, inspireren, vooral luisteren naar degenen die je op het andere been zetten. Je vijanden zijn ook je leermeesters. Anderen het vertrouwen geven, mensen die meer weten, hun eigen expertise hebben. Naar andere facetten van het leven en van coachen kijken (ook buiten de sport en buiten voetbal), en ze meenemen ter aanvulling op jouw perceptie. Louis van Gaal heeft zich er in de loop van zijn loopbaan als coach een meester in getoond.

Van Gaal heeft geleerd dat je niet alleen hoeft te staan. Alleen is maar alleen, en maakt je kwetsbaar. Delen geeft je het gevoel sterker te zijn. Anderen zijn er om je te helpen. Die visie deelt hij ook met voetballers met wie hij samenwerkt.

phil meditatie
Zo deed Phil Jackson, vaak de beste sportcoach van de laatste twintig jaar genoemd. Niet alleen omdat hij elfmaal kampioen werd van de NBA (zesmaal met de Chicago Bulls, vijfmaal met de LA Lakers). Jackson putte uit zijn zenboeddhistische leringen (van Shunryu Suzuki) en het boek ‘Zen and the Art of Motorcycle Maintenance’ (van Robert Pirsig) en overtuigde basketballers met een groot ego als Michael Jordan, Kobe Bryant en Shaquille O’Neal ervan hoe zij naast hun eigen talenten konden profiteren van de kwaliteiten van hun teamgenoten. Samen spelen als de lamme met de blinde. Elkaar nodig hebben, steunen, aanvullen, waarderen. Een team is beter dan één superster, we horen het Van Gaal vaak zeggen.

Van Gaal laat niet alles over zijn werkwijze los. Dat is jammer voor ons nieuwsgierige buitenstaanders. Maar begrijpelijk in zijn wereld van competitie en naijver. De concurrentie zit ook niet stil. Veel van wat hij aan kennis heeft verworven, kan worden aangewend door concurrerende coaches, mensen die hetzelfde (de top) willen bereiken. Maar niet alle coaches is het gegeven zo gedisciplineerd en nieuwsgierig te werken. Juist Van Gaals talent is doorslaggevend voor herhaald succes. Fingerspitzengefühl. Zijn charisma is onomstreden. Om Louis van Gaal kun je niet heen.

Round of 16 - Netherlands vs Mexico
Van Gaal laat niets aan het toeval over. Wat anders kan van een coach worden verwacht? Maar Van Gaal gaat vaak verder. Hij wil alles in zijn greep hebben. Het gras moet op maat zijn én vochtig genoeg om de balcirculatie vloeibaar te laten verlopen. Daarom moet ook de bal de gewenste hardheid hebben. Ballenjongens moeten alert en snel zijn. Hij vraagt de betrokken media eensgezind achter de ploeg te staan. Spelers dienen dankzij uitputtende trainingsherhalingen geconditioneerd gedrag te tonen. De looplijnen en bewegingen, uitgekristalliseerd door computeranalisten, moeten strikt gevolgd worden. Overbodige, onverwachte emoties dienen vermeden te worden.

Mede daarom wordt het management van Louis van Gaal ten voorbeeld gesteld aan de zakenwereld. De consultants Jeroen Visscher en Jurgen Frumau schreven er een boek over: ‘Hoe smeed je wereldkampioenen’. De oud-economiejournalist van NRC Handelsblad en oud-hoofdredacteur van opinietijdschrift The Optimist, Max Christern, bracht onlangs het boek ‘De Keeperswissel; de 7 Managementlessen van Louis van Gaal’ uit. Daarin zet hij uiteen wat managers in het bedrijfsleven kunnen leren van de methode-Van Gaal. En dat is veel.

Maar de zakenwereld is niet de sportwereld. Emoties horen bij sport. Zonder emoties is er geen sport, zonder sport geen emoties: geen hoop, verdriet en euforie. Mensenwerk dus. Dat is juist de charme van sport. Passie is een niet te versmaden factor.

Vooral emoties kunnen een obstakel vormen voor een coach die perfectionisme nastreeft. Daarom worden al gauw een psycholoog of op zijn minst sportpsychologische inzichten ingeschakeld. Daarmee kunnen achtergronden en mogelijke angsten en trauma’s van een speler worden geanalyseerd en mogelijk omgebogen tot een krachtiger houding. Van Gaal ziet het als een prioriteit veel (als leraar en vooral vaderlijk) met spelers te praten, over hun drijfveer, afkomst, verleden, familie en leefsituatie. Hij wil ze begrijpen, hun mentale kracht doorgronden en daar met elkaar naar handelen.

Hij wil de mens centraal stellen. Zoals hij zegt: ‘Heel de mens doorzien’. Wat kan de speler, wat kan hij niet, onder welke omstandigheden voelt hij zich goed, wanneer niet.

Bij Bayern München dienden spelers ’s morgens voor de training een checklist in te vullen met thema’s als slaapgedrag, eet- en drinkgewoonten, actuele gedachten en zielenroerselen, familiesituaties en zo verder. Dat werd gecombineerd met fysieke testen, waaraan (ook) de psychische gesteldheid kan worden afgelezen. De resultaten werden besproken met het team van specialisten. Zo kunnen hoofdcoach en begeleidende specialisten bepalen hoe spelers in hun vel steken en trainingen indien nodig aanpassen. Zo weet de speler dat hij aandacht krijgt en dat rekening wordt gehouden met wat hij wil en niet wil, kan of niet kan. Ieder zijn kracht en zijn kwetsbaarheden.

Het is alsof Van Gaal liefst robots (geprogrammeerd in de controlekamers) het veld in wil sturen. Gesteund door de technologie die tegelijk de emotie uit de sport verdrijft. Geprogrammeerd naar zijn wensen, voldoening gevend aan het altijd sluimerende verlangen de beste coach ter wereld te zijn. Een chip in het hoofd van de spelers, waar alle acties en (mogelijk) reacties staan opgeslagen. Het is een toekomstbeeld, met de ogenschijnlijk steeds groter wordende ambities in de sport.

Van Gaal wekt de indruk nog steeds graag met ménsen samen te werken. Spelen dus. Als geboren liefhebber van spel in het algemeen en voetbal in het bijzonder. Samen spelen om het hoogste te bereiken.

Phil Jackson liet zijn spelers naar de Wizard of Oz kijken, sprookjes lezen, in een ingewijde ruimte mediteren en altruïsme overdenken. Waarom zou Van Gaal dat niet doen? Vooralsnog richt hij zich op zijn eigen, voortdurende vernieuwende wijze. Hij staat open voor wat zich aandient in de psychologische, sociologische en medische wetenschap en voor visies van anderen die hun waarde hebben onderstreept.

Wat in de media over hem, zijn gedrag en zienswijze wordt beweerd, laat hem vermoedelijk niet koud. Hij beseft na ruim twintig jaar (eigenzinnig) coaching in Nederland, Spanje, Duitsland en Engeland dat hij op de huid wordt gezeten. Soms draagt hij een harnas. Maar dat voelt niet goed. Hij wil toch een mens zijn, met een open hart en een open geest. Laat ze maar komen, laat ze maar vragen, insinueren en tweedracht zaaien.

Die keeperswissel, ja. Tim Krul in plaats van Jasper Cillessen bij de strafschoppen. Tijdens het de kwartfinale van het WK, nota bene. Zomaar ineens? Vast niet. Het had anders kunnen lopen. Maar op dat moment zag Van Gaal met zijn team wat er nodig was. Hij had een nieuw wapen gevonden. Wie weet, was dit de weg naar glorie. En ja, het was de weg. Durf opent deuren.

Wie is in staat zichzelf een algemeen aanvaarde houding geven voor het front van microfoons en camera’s? De een verdwijnt in zichzelf, de ander groeit en gloeit van zelfverheerlijking. Zoals Louis van Gaal.

Zoals hij daar stond met de prijs als beste Sportcoach van 2014, met een mengeling van trots en verlegenheid. Dat was bewonderenswaardig en vertederend tegelijk. Iedereen had gezien wat Oranje presteerde in Brazilië, velen leefden mee. Maar niemand had voorspeld wat de coach met zijn team had voorbereid in de achterkamertjes van Oranje. Zo snoerde hij criticasters de mond en onderstreepte hij vooral zijn meesterschap.

Louis van Gaal is een bijzondere coach. Dat streelt hem. En dat mag.

Dit portret van mijn hand is gepubliceerd in het februarinummer van Nlcoach

Wandelen als tijdverspilling

3 nov

IMG_0786
Moe van al het gedoe in en rondom mij zat ik daar als een boeddha op een bankje. Bewegingsloos. Ik keek voor me uit, zonder doel. Mijn blik was nergens op gericht. Zelfs niet op het water dat in het kanaal voorbij stroomde. Ik zat daar en voelde in mijn gezicht iets dat op een zuchtje wind leek. Boven mij ontwaarde ik een vrijwel wolkenloze hemel. En er was geluid. Vogels, eenden, het kabbelende water, het suizende riet. Niet verstorend. Gewoon geluid.

Ik was niet bewust naar die plek toegelopen. Zomaar had ik na een lange wandeling een bankje zien staan. Als een vriend die me uitnodigend een hand toestak. ‘Kom hier. Hier kun je zitten, als je daar behoefte aan hebt.’

Ik ging onbewust op het verzoek in. Keek of het bankje wel schoon was. Ja, dat was het. Ik ging zitten. Ik zag het gras waarop ik mijn voeten had gezet, tilde mijn hoofd op en zag het water. Aan de overkant stonden enkele huizen. Zag ik daar een man, wandelend met een hond? Het zou zo maar kunnen.

Daar zat ik dan. Als in een zeepbel. Met rondom mij een flinterdunne, transparante wand, een lichte scheiding tussen mijn wereld en een andere wereld. Ik hoorde daar niet bij, ik zat in mijn eigen wereld. Vanuit de andere wereld kwam het zuchtje wind en het geluid binnen van de vogels, de eenden, het kabbelende water en het suizende riet. In de andere wereld zag ik een man met zijn hond wandelen, enkele huizen en een vrijwel wolkenloze hemel.

Nu ik het tafereel herbeleef, voelt het alsof ik mediteerde. Alsof ik op mijn kussen zat en mijn wereld vol gedachten en zintuiglijke ervaringen voorbij zag trekken. Maar het was anders. Ik was daar niet ‘bewust’ op het bankje gaan zitten, zoals ik meestal ‘bewust’ op het kussen ga zitten in de hoop dat de beoefening mij iets zal brengen. Ik zit daar dan met een doel, wachtend dat er iets gebeurt. Dat bankje overkwam mij. Ik stond er voor open. Ik toonde belangstelling voor alles wat op mij afkwam. De uitnodiging om te gaan zitten diende zich zomaar aan. Als een geschenk uit de hemel.

Voordat ik aan de wandeling was begonnen, had ik naar het YouTube-filmpje gekeken waarop de (Amerikaanse) Tibetaans-boeddhistische non Pema Chödrön (geboren als Deirdre Blomfield-Brown) vragen van Oprah Winfrey beantwoordde. Het interview was mede naar aanleiding van haar boek When things fall apart (Als je wereld instort), dat ik al eens had gelezen. Een ander lezenswaardig boek van haar is The places that scare you (Waar je bang voor bent). http://www.bodhitv.nl/articles/show-news/2013-10-31/vrouwen-en-boeddhisme-pema-chodron/?p=69&v=laatste-items

Pema is lerares in de Tibetaanse Vajrayana-traditie van Chögyam Trunga, die heeft geprobeerd zijn oosterse kennis aansprekend te maken voor de westerse wereld. Sinds Trungpa’s dood, bijna dertig jaar geleden, wordt die kennis overgedragen door zijn zoon Sakyong Mipham, de man die mij bij Shambhala via zijn boeken, videoteachings, meditatie- en contemplatie-oefeningen, dialogen, trainingen en cursussen aanreikt hoe gewaar te kunnen worden van wie en wat ik ben, wat ik denk, voel en ervaar. Waarom ik zo denk en doe. Wat vriendelijkheid met je doet, en met anderen.

pema
Pema Chödrön (78) sprak tegen Oprah over het toestaan (liefst: vriendelijk verwelkomen) van emoties als angst, boosheid, verdriet, twijfel en eenzaamheid. Over onze geconditioneerde vermijding van ongemak. Over onze verbetenheid om vast te houden, aan zogenaamde zekerheden. Over het voortdurend zoeken naar afleiding, om jezelf (je ongemak, je pijn, je ware gevoel) maar niet tegen te komen. Over het hardnekkige verlangen naar iets anders, wat beter en mooier is. Zoeken naar afleiding. Vluchten voor jezelf. Over de angst voor onzekerheid. Terwijl zekerheid niet bestaat. Want alles is vergankelijk.

Ze sprak over angst voor stilte en leegte. Over bodemloosheid. Wat als de grond onder je voeten wegvalt? Wat als je je nergens (meer) aan vast kan houden, loslaat en je weg laat drijven, alles laat komen zoals het komt? http://www.oprah.com/own-super-soul-sunday/Pema-Chodron-What-to-Do-When-Your-Life-Falls-Apart-Video?playlist_id=53889

Pema Chödrön met Sakyong Mipham

Pema Chödrön met Sakyong Mipham

Ik zat op dat bankje en hield me niet vast. Ik zat gewoon. Verder niets. Ik had mezelf overgegeven, er was geen bodem. Toen voelde ik een zuchtje wind in mijn gezicht, er was geluid en ik zag van alles.

Links van mij zag ik een man wandelen. Hij hield stil, keek om zich heen en wandelde verder. Ineens meende ik hem te herkennen. Ik riep zijn naam, hoewel ik niet wist of het wel de juiste was. Het klopte. Hij keek en herkende mij. Korte tijd later zat hij naast mij op het bankje.

Even was het spannend. Wat zou hij mij vragen? Wat zou ik hem moeten vragen? Hij begon, gelukkig maar. Wat ik hier deed. Ik nam het over. Wat hij hier deed. Waarom? Nou gewoon. Eruit ‘geschopt’ door zijn vrouw. Naar buiten om een frisse neus te halen. Om de wereld eens van een andere kant te bekijken. Geen nieuwsgierigheid. Gewoon, even d’r uit.

Zo waren we beiden iets onverwachts tegengekomen. Elkaar. Een ontmoeting die niet bedoeld was, niet voorspeld, laat staan verwacht. Ze viel me toe. Toeval. Het werd een aangename ontmoeting. Een gesprek over ervaringen, over de tijd vullen, over doen en nalaten, over leegte. Ik betrapte me erop dat ik een en al aandacht was voor wat hij zei, hoe hij keek, hoe hij bewoog, wat hij beleefde. Door niets werd ik afgeleid.

Samen wandelden we terug naar de andere wereld. Ik vroeg hem waar hij woonde. Hij wees zijn huis aan, zijn tuin en zijn auto. Daar aan het water, bij dat bruggetje. Wist ik dat ook eens. En zo wandelden we voort. Er was niets dan de wandeling en de aandacht voor elkaar, wat we tegen elkaar zeiden en samen beleefden.

Zo stel ik mij de ideale meditatie voor. Zitten, ademen en gedachten laten stromen. Zie meditatie als tijdverspilling, schrijft Chögyam Trungpa Rinpoche in ‘Reis zonder doel’.

Tijdverspilling? Daar heb ik geen tijd voor. Ik heb nog zoveel te doen. Wandelen bijvoorbeeld.

Ter overdenking:

De herberg
Dit mens-zijn is een soort herberg
Elke ochtend weer nieuw bezoek.
Een vreugde, een depressie, een benauwdheid,
een flits van inzicht komt
als een onverwachte gast.
Verwelkom ze; ontvang ze allemaal gastvrij
zelfs als er een menigte verdriet binnenstormt
die met geweld je hele huisraad kort en klein slaat.
Behandel dan toch elke gast met eerbied.
Misschien komt hij de boel ontruimen
om plaats te maken voor extase…….
De donkere gedachte, schaamte, het venijn,
ontmoet ze bij de voordeur met een brede grijns
en vraag ze om erbij te komen zitten.
Wees blij met iedereen die langskomt
de hemel heeft ze stuk voor stuk gestuurd
om jou als raadgever te dienen.

(Rumi (Jalal al-Din Rumi [1207-1273] is een filosoof-dichter en soefi-mysticus van Perzische afkomst)

Deze column is geplaatst in de wintereditie van de website http://www.vriendenvanboeddisme.nl

Rebirthing: schreeuwen en schoppen

24 okt

adem in
De matrassen liggen nog opgestapeld in een hoek van de kamer. Op een ervan zal ik straks liggen. Zuchtend en steunend, luidkeels ademend, schreeuwend, slaand en trappelend, zo vrees ik.

Terwijl Willem me een kopje kruidenthee aanbiedt, kijk ik schichtig om me heen. Wat staat me te wachten? Hij vraagt hoe het me in het leven is vergaan. Over de dilemma’s, de strijd, de woede, het verdriet, de vermoeidheid, waar en waardoor energieblokkades kunnen zijn ontstaan. Wie ik ben, wat ik doe en wat ik wil.

Hij stelt me gerust. Hij legt uit en vraagt me als ik straks op de matras lig te laten komen wat komt. Het is een kwestie van intensief ademhalen, via de buik en het middenrif naar het bovenste gedeelte van de borst. Dat gebied beadem je over het algemeen nooit, daar zit het vaak vast, op die plek ben je dikwijls op je ,,hart en/of ziel getrapt”, weet hij. De energie van die vroegere gebeurtenissen inclusief de pijn is daar `bevroren’. Door in dat gebied te ademen, kan dat wat bevroren is weer ontdooien en de pijn alsnog worden verwerkt.

Dan mag ik gaan liggen, op mijn rug, gekleed. Ogen gesloten. Er klinkt zachte, onbestemde muziek. Ik richt me op mijn ademhaling. Krachtig in, lang uit. Aan de uitademing hoef ik niets te doen, die gaat vanzelf door de zwaartekracht. Hij legt een hand op mijn borst, eerst licht, dan zwaar, dan niet meer.

Ik zak weg, ik vergeet door te ademen. Willem maant me met zachte stem terug te keren. Opnieuw ademen. Wéér zak ik weg, ik laat me niet door mijn adem leiden maar door gedachten. Er gebeurt niets bijzonders in het eerste half uur. Is dat fout? De muziek wisselt, steeds iets onbestemds, wel evocatief.

Dan kietelt hij onder mijn voeten. Ik reageer, want het kriebelt. Ik adem door, soms toch weer wegzakkend. Dan drukt hij zwaar met zijn hand op mijn borst om weer snel los te laten, alsof hij een deksel van een hogedrukpan rukt. Maar er gebeurt niets. Weer kriebelt hij onder mijn voeten. Ik adem diep en rustig door.

Dan beginnen mijn handen op het matras te bewegen, heen en weer schuivend. Mijn armen gaan schudden, mijn schouders schokken, mijn adem wordt dieper, mijn stembanden trillen. ,,Geef het geluid”, zegt Willem. Voordat ik het besef adem ik met geluid. Harder en harder. Die rare muziek zwelt aan, nu ook met trommels. Ik ga schreeuwen, zomaar. Ik verslik me, ik stik bijna. Ik breek door, de schreeuw wordt harder, weer een verslikking, weer een doorbraak. Lange uithalen, ze komen van heel diep en stromen door mijn keel naar buiten. Minutenlang geef ik een loeiharde, zuivere schreeuw, gevolgd door een agressieve schreeuw, rauw, om schor van te worden. De trommels gaan door.

Dan wordt het geluid uit mijn keel zachter en dieper. Ik hoor diepe stemmen, als van boeddhistische, mantra’s reciterende monniken. Hun loodzware bassen resoneren in mijn lijf. Er wordt iets tegen de onderkant van mijn voet gedrukt, een matras. ,,Trappen, schoppen, kom op.” Ik trap me wezenloos, schreeuw. Hij vuurt me aan. ,,Kom op.” Het geluid van de trommels zwelt aan. Na zo’n vijf minuten vloeit de kracht uit mijn benen, mijn geluid valt weg, mijn lijf zakt in.

De energie is weg. Uitgeput adem ik zwaar, amechtig zoekend naar lucht, als na een orgasme. ,,Maak de adem rond, laat in- en uitademen in elkaar overgaan.” Dan wordt het stil, de muziek is zacht en zweverig geworden. Ik krijg een deken over me heen en laat de adem weer in een rustig aangenaam ritme komen. ,,Nu komt het belangrijkste: overdenk en voel wat er is gebeurd. Wat het me je gedaan heeft. Laat het komen.”

Rustig stroomt mijn adem nu door mijn lijf. Ik denk, herinner, associeer en herbeleef. Ik hallucineer een beetje. Beelden. Ik kijk er naar en voel mijn gezicht ontspannen. Een glimlach komt op. Ik grinnik een beetje over mezelf. Zonder veroordeling. Dat ben ik. Ik heb zowaar even vrede met mezelf.

Zo lig ik dan een kwartier onder een deken, omgeven door prachtige muziek. Dan biedt Willem J. Overvliet (lichaamsgericht therapeut bij bevrijden ademwerk in Leidschendam) me nog een kopje thee aan. Hij vraagt me naar mijn ervaringen. Hij vertelt me de zijne, terwijl hij naast me zat. Wat hij gezien heeft, over de moeite om me in beweging te krijgen vandaar dat hij mijn voet kietelde.

Het is mooi geweest. Bijna anderhalf uur Rebirthing, bijna drie uur praten, veel ademen en heel veel doen. Of ik me herboren voel? Daar ben ik niet zeker van. Het is wél of mijn adem nu langer duurt, de lucht vrijer in en uit stroomt. En de daaropvolgende nachten slaap ik als een roos.

Mijn liefde voor zwijgende Ela en haar verzachtende olie

17 okt

India - Ayurveda - A masseur pours warm oil over a patients body to prepare him for massage
Ela heet ze. Daar kom ik later pas achter, als ik naar haar naam vraag. Als ze me verwelkomt aan de deur van het grote huis glimlacht ze vooral en wijst ze naar mijn schoenen. Die moeten uit, voordat ik de trap opga. Ze is klein, een jaar of veertig en ogenschijnlijk verlegen – of gewoon vriendelijk bescheiden. Ze draagt een wit broekpak, zoals verpleegsters wel doen, en slofjes. Ze wijst me de weg naar de badkamer. Daar staat een massagetafel klaar, klaar om me te ontvangen. Ze vraagt me in drie woorden voor wat voor een massage ik gekomen ben en legt me een folder voor, waarin verschillende massages worden aangeboden. ,,7 Rainbow’’, antwoord ik, want die was me aanbevolen.

Iets nieuws, iets heel moois, was me gezegd. Een soort meditatie misschien. Iets waarvan ik al jaren heb gedroomd: totale ontspanning.

Of ik al mijn kleren wil uittrekken. Ze werpt me een pakketje nog kleiner dan een hand toe en legt me uit dat ik dát moet aandoen. Discreet trekt ze zich terug, terwijl ik me uitkleed. In het pakketje blijkt een string-onderbroekje van papier te zitten, alleen bedoeld om mijn geslacht te bedekken. Als ze terugkomt, sta ik daar lachend in mijn kleinood me te schamen. Ik mag op mijn buik liggen op de massatafel, ze nodigt me uit met een simpel gebaar van haar handen. Mijn gezicht mag ik in een soort wc-bril leggen. Over mijn rug wordt een grote handdoek gespreid. Warm en beschermend.

Dan wordt de handdoek opzij geschoven. Ik voel natte handen over mijn rug gaan. Glad en vet glijden ze in lange halen over de rechter kant van mijn rug, van boven naar onder en terug. Haar handen voelen zacht en stevig. Ik voel mijn rugspieren verharden en vervolgens langzaam verzachten. Mijn middenrif wordt betast, langs de ruggengraat van boven naar onder. Dan mijn rechter flank en dan mijn rechter bil, mijn rechter bovenbeen en mijn rechter onderbeen. Op en neer, op en neer. Altijd in lange, stevige halen. Ze drukt op mijn heupen, mijn knieholte, mijn enkel, mijn voetzool, mijn tenen, een voor een. Ze tilt mijn been op, draait er mee, zodat de gewrichten aan het werk moeten. Het gaat zachtjes en behoedzaam. Dan gaat de handdoek over mijn rechter kant en krijgt de linker kant van mijn lichaam een beurt. Even zacht, behoedzaam en warm.

De handen die over mijn lijf glijden, voelen nat en vet van de olie. Sesamolie, goed voor de huid, zal ze later zeggen. Sesamolie gaat diep naar binnen, ontspant en geeft nieuwe energie. De olie stinkt, maar naar mate de tijd verstrijkt wen ik aan de geur.

Dan schrik ik: lawaai. In het huis blijken mensen te wonen. Een kind schreeuwt om haar moeder. ‘Mama, mama.’ Oei, wat hard. Het kind gooit met een deur, loopt een trap af en roept weer ‘mama, mama’. Oorverdovend. Maar de schreeuwen duren niet lang. Ze sterven af.

Dat is het weer stil, gelukkig maar.

De massage voelt anders dan andere massages. Deze masseuse zwijgt. Andere masseuses en masseurs praten vaak of verleiden door hun handwerk de onderworpene tot praten, over wat ze voelen, wat ze dwarszit. Of ze praten domweg om hun gevoelens te camoufleren, om te praten. Niet voor niets worden masseurs vaak vertrouwensmensen. Ze raken aan en aanraken is intiem. Maar deze masseuse zwijgt, wat haar aanrakingen nog intiemer maakt dan andere massages.

Ze legt haar handen op mijn achterhoofd – even maar, op mijn schouders – ook maar even. Ze legt haar handen op mijn billen – even maar. Op mijn kuiten – ook maar even. Kort maar lang genoeg om de ontspanning te voelen. Ik associeer de aanraking van mijn billen als een vrijpartij, zo intiem, zo dichtbij. Maar dat duurt maar even, opwinding blijft uit – tot mijn opluchting zowaar.

Op mijn rug gemasseerd worden is pas echt confronterend, zeker voor een man die zich niet graag bloot geeft. Open en bloot – met mijn geslacht in dat rare zakje – klaarliggen voor een vreemde, geheimzinnig zwijgende vrouw die me gaat betasten. Ze oliet haar handen weer en begint aan mijn borst. Ze maakt kringetjes.

Dan gaat ze naar mijn buik, weer maakt ze kringetjes. Mijn benen, knieën, enkels en voeten ondergaan de massage als vanzelfsprekend. Dan mijn tenen, een voor een. Ze trekt er even aan, gaat met haar vingers tussen de tenen, drukt op de teenkootjes, op alles wat maar gevoel heeft in mijn tenen. En dan weer naar boven, naar alles wat aandacht behoeft en gevoel heeft. De huid is een zintuig, het zevende, zo weet ik uit de talrijke haptonomie-sessies die ik in de loop der jaren heb ondergaan. Dat voel ik nu als nooit te voren.

Ze legt mijn hoofd in haar handen. Het voelt veilig overgeleverd te zijn aan een warme, stevige kom van handen. Ze drukt hard op het punt waar hoofdstam en rug samenkomen, houdt het punt vast en strijkt dan stevig over mijn achterhoofd, naar de bovenkant van mijn hoofd. Op en neer, stevig en vasthoudend. Ze drukt op mijn hoofdhuid. Mijn hoofd voelt als een hard opgepompte bal. Maar er is gevoel!

Ze trekt aan mijn haren, aan elke haar, een voor een. Dan streelt ze mijn harige, opgepompte hoofd. Ze oliet haar handen en pakt mijn oren. Heel zachtjes masseert ze mijn oorschelpen, gaat met haar vingers naar binnen en trekt er eventjes pesterig (?) aan. Het voorhoofd wordt ingevet en ingewreven. Mijn wenkbrauwen worden gestreeld, van links naar rechts en terug. Heel zacht. Mijn wimpers worden gestreeld, van links naar rechts en terug. Heel zacht. Ze drukt er even op, en drukt even op mijn ogen. Mijn neus wordt gestreeld, mijn wangen, mijn mond, mijn lippen, mijn kin. Wat zit er nog meer aan mijn gezicht? Alles, alles wordt gestreeld en betast. Alles wat ze maar kan vinden en betasten. Ik wist niet dat mijn gezicht zoveel gevoelspunten had.

Mijn armen worden gemasseerd, mijn handen, mijn vingers, een voor een. Had ik dan vingers? Ja, ik had vingers en nu voel ik ze in de zachte handen van mijn masseuse. Zo lig ik daar al een uur, vet en zacht, zwijgend te voelen wat een zwijgende vrouw met me doet. Is er nog iets wat ze niet heeft aangeraakt. Ja, maar dat laat ze met rust. Helaas, want dat zou haar werk compleet maken in deze seance van bevrediging. Ik denk er slechts even aan, in een ondeugende bui, geconditioneerd als ik ben bij intieme aanrakingen. Maar ik val gauw terug in een droom die Ela voor me heeft geschapen. Ze wrijft nog even over mijn voetzolen, drapeert dan een handdoek over mijn lichaam, neemt nog een handdoek en pakt me in. Ik mocht het eens koud krijgen. Ze legt een hand op mijn hoofd. Dan verdwijnt ze, zonder iets te zeggen. Ineens is ze verdwenen.

Ik val weg, niet in slaap, ook niet in een droom. Het is warm, als in een bed of een bad. Ik denk niets, ik voel alleen warmte. Ik hoor niks, het is stil. Pakweg tien minuten later is ze terug. Ze raakt mijn hoofd aan, mijn buik en mijn benen en pakt mijn lichaam uit. Dan reikt ze me haar hand en helpt me van de massagetafel. Ik mag een douche nemen, maakt ze duidelijk. Dan vertrekt ze weer uit de badkamer. Ik neem een douche en probeer de olie die nog op mijn lichaam ligt weg te spoelen. Als ik me heb aangekleed, komt ze weer binnen. Ze lacht. Wat een heerlijke, hemelse lach. Ze zwijgt. Pas als ik haar vraag hoe ze heet, zegt ze wat: ‘Ela’.

Ik vraag haar naar de olie die ze heeft gebruikt en ze zegt: ‘Sesamoil, good for your skin.’ Ik vraag waar ze vandaan komt en ze zegt: ‘Poland’. Ze heeft de cursus ayurvedische massage gevolgd in  Bad Antogast in Duitsland, in het centrum van Art of Living (http://www.artofliving.org/badantogast). Ze legt me niet uit waarom haar massage 7 Rainbow heet. Pas later, bij navraag, zal ik leren dat 7 voor de zeven chakra’s van mijn lichaam staat. De massage legt verbinding tussen de zeven punten en brengt zo de verschillende energieën die de chakra’s uitstralen hebben met elkaar in balans.

Ela hoeft me dat in de badkamer van het grote huis niet uit te leggen. Ik ben bedwelmd door haar zachtheid en de liefde van olie. Ela is lief, heel lief, zo lief. Ze geeft me een hand en leidt me naar buiten. Het regent hard, de avond is gevallen. Ik stap in mijn auto en ga langzaam op weg naar de avondspits, lange files in onophoudelijke regen. Maar ik voel geen ergernis. Ik voel ontspanning en denk aan Ela.

Ik verlang naar Ela, naar haar lach en naar haar vette handen op mijn lichaam, naar haar liefde, naar de indringende liefde van sesamolie.

De rennende boeddha: meditatief hardlopen

24 sep

runrun
Je kunt gaan hardlopen, gewoon je hardloopschoenen aantrekken en maar zien waar je uitkomt. Vijf kilometer, tien kilometer, een halve marathon, een hele marathon. Je kunt ook met aandacht gaan hardlopen. Je erop voorbereiden. En je gewaar proberen te worden van waar je mee bezig bent. Je adem voelen. Je ledematen voelen. Niet alleen je voeten en benen. Ook je hoofd, zeg maar: je geest. Mindful Running.

Vriendelijk zijn voor jezelf, voor je lichaam en je geest. Meditatief lopen. Op de manier die meditatiemeester en Shambhala-boeddhistische leraar Sakyong Mipham zich als hardloper (hij liep negen marathons) eigen heeft gemaakt. Toen ik het boek (Running with the mind of meditation; in de Nederlandse vertaling ‘Running Buddha – Je balans vinden met hardlopen’) voor de eerste keer las, begreep ik waarom ik en medelopers vaak geblesseerd raken. Waarom ik mezelf voorbij loop, waarom ik de lat te hoog leg, waarom mijn trainer me niet genoeg kan waarschuwen.

Noem het agressie. Te gretig, te wild, onbedachtzaam. Agressie, schrijft Sakyong, is als vuur – het is er ineens en dan is het weer verdwenen. Vriendelijkheid, wat hij adviseert, is als water – het zal uiteindelijk zijn doel bereiken.

,,Vriendelijkheid geeft ons het gevoel dat we eeuwig kunnen blijven lopen. Bij agressie krijgen we het gevoel dat we alleen maar een sprintje kunnen trekken naar de volgende bocht. Door vriendelijk te zijn draaien we onze hand niet om voor een lange duurloop. Bij agressie zijn we bang dat we zullen falen als de duurloop even niet goed gaat. Als we vriendelijkheid bezitten zijn we niet meer met onszelf aan het worstelen. En op het moment dat we niet met onszelf worstelen, doen we ons best. Meer dan dat kunnen we niet doen. Echter, als we vriendelijk voor onszelf zijn zullen we verbaasd staan over hoeveel we kunnen. We worden geïnspireerd door onze potentie. Agressie daarentegen is vaak het resultaat van persoonlijke ontrevredenheid. We kunnen het niet goed met onszelf vinden en vanwege dat innerlijke conflict halen we uit naar anderen. Deze vorm van agressie komt voort uit een gebrek aan vriendelijkheid voor onszelf (…). Kijk naar wat je kunt en laat je niet deprimeren door wat je niet kunt.’’

RUNNING RINPOCHE
Hier spreekt de meditatiemeester. Helder maar mogelijk ondoorgrondelijk voor wie zich meditatie nog niet heeft eigen gemaakt. Je bent maar een eenvoudige hardloper die gewoon wil hardlopen, soms lekker, vaak lang en ver. Mogelijk op weg naar een persoonlijk record. Hoe breng je dat als hardloper in praktijk? Benjamin Romkes en Marc Wiewel geven regelmatig clinics, onder meer vanuit het Shambhala-meditatiecentrum in Amsterdam. Beiden zijn ervaren hardlopers en bekend met mediteren. Een ontmoeting met het tweetal ademt vriendelijkheid. Niks: de beste manier om hard te lopen. Niks: nu hebben we het gevonden. Hoe revolutionair en op een unieke, heldere manier beschreven zij het boek ook vinden.

Maar ze hebben dankzij Sakyongs filosofie wel nieuwe, bijzondere ervaringen gehad. Benjamin Romkes, meervoudig Nederlands recordhouder en wereldkampioen 3.000 meter boven 45 jaar, vertelt eerst over zijn eigen methode: ,,Ik ga ’s morgens eerst even een kwartiertje zitten (mediteren, gvh) voordat ik ga lopen. Gewoon tot rust komen, landen dus, daarna gaat het lopen vanzelf.’’

Zo begint hij ook de clinic, met een korte meditatie. Zittend met een rechte rug op een stoel, de blik naar de vloer gericht. Eerst de aandacht op het lichaam richten, van je linker grote teen tot je rechter schouder. Daarna op de ademhaling. Meditatie voorafgaand aan het lopen is een droogtraining, meent Romkes, tevens meditatie-instructeur. ,,Je gaat er straks sneller door opmerken of je afgeleid raakt tijdens het lopen. Je loopt er ook meer ontspannen door.’’

RunningMeditation
Vervolgens begint het lopen. Alles met aandacht. Eigenlijk al als je je veters vastmaakt. Deelnemers aan een clinic hoeven geen meditatie-ervaring te hebben, laat staan een boeddhistische achtergrond. Het gaat domweg om de aandacht op je beweging te richten, op je armen en benen, ademhaling en de manier waarop je loopt. Zeg tegen jezelf: ik loop licht, het gaat gemakkelijk. Je gaat merken dat het lichaam die gedachte overneemt en je vanzelf lichter gaat lopen. In balans, een samenwerking tussen lichaam en geest.

Gemakkelijk gezegd: ik loop licht. Voordat je ‘licht loopt’ is er die verschrikkelijke worsteling tegen pijn, stijfheid, beperkte longinhoud. Sakyong Mipham weet uit ervaring hoe het proces verloopt. Van beginner (wandelaar) tot marathonloper. Vandaar ook dat hij in zijn methode een viertal trainingsfasen beschrijft waarin je je geest en lichaam ontwikkelt, de zogenaamde vier waardigheden. Deze worden in het Shambhala-boeddhisme uitgebeeld door de tijger, leeuw, garoeda en de draak. Je kunt alle fasen vertalen naar gedragingen in het dagelijks leven.

In de tijgerfase onderzoek je je motivatie en concentreer je je op je ademhaling, voetafwikkeling en andere concrete details. Die fase kan zomaar twee jaar duren. In de leeuwfase bouw je je aandacht verder uit naar waardering en discipline in je training, maar ook naar de omgeving waarin je hardloopt, de positieve trots over je verruimde en stabiele aandacht en conditie. In de garoedafase werk je aan de juiste manier om je grenzen te verleggen, en word je uitgenodigd je vriendelijke, compassievolle houding uit te breiden naar je omgeving. In de draakfase ten slotte, ontdek je dat presteren niet het ware doel is, maar dat echte voldoening voortkomt uit de vreugde iets te kunnen betekenen voor anderen, voor de wereld.

In elke fase komt je als loper aspecten van jezelf tegen en krijg je te maken met vraagstukken over bijvoorbeeld je inzet, gezondheid, hoop, pijn en intentie.

Alles komt neer op aandacht voor je beweging, voor het gevoel, voor de pijntjes. Tijdens het lopen loop je alles even na. Waar zit bijvoorbeeld de vermoeidheid? Is het je lichaam dat moe wordt of is het je geest? De beide trainers wijzen op het gebruik van een koptelefoon. Marc Wiewel (sportpsycholoog en runningtherapeut): ,,Zoals Sakyong aangeeft kun je door de muziek goed in je ritme blijven. Maar je mist ook veel: het geluid om je heen, de vogels, het suizen van de wind om je oren. Je loopt niet in een open ruimte, je loopt als het ware in een cocon.’’

De filosofie van Sakyong, meent Wiewel, vormt ,,slechts een leidraad om op een bewustere manier met hardlopen bezig te zijn’’. Vriendelijk zijn voor jezelf, jezelf niet uitputten. Zoals Sakyong Mipham vertelt over hoe hij zijn vrouw met hardlopen in aanraking bracht. Hij stimuleerde haar vooral om veel te wandelen, met af en toe twee minuten hardlopen tussendoor. Na een aantal maanden was zijn vrouw in staat om twintig tot dertig minuten hard te lopen.

Zo langzaam kan het gaan, zo vriendelijk voor je lichaam kun je zijn. Je lichaam en zenuwstelsel moeten wennen aan nieuwe bewegingen. Geef ze de kans, weten Benjamin Romkes en Marc Wiewel. Forceren werkt averechts en doet meer pijn dan je lief is. Laat hardlopen een plezier zijn. Dan geeft ook een persoonlijk record de meeste voldoening.

Benjamin Romkes en Marc Wiewel geven twee Mindful Running Clinics tijdens het Brightnow Festival op 26, 27 en 28 september in het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam. Meer informatie: http://brightnowfestival.nl/

Dit artikel van Guus van Holland is gepubliceerd in het oktobernummer van Runner’s World.

Verwondering maakt vrijer

26 jun

Noem het mijn schrijn, het nachtkastje waar ik op uitkijk als ik op mijn kussen zit. Ik adem de geur in van wierook, adem weer uit en zie voor het eerst mezelf. Daar voor me. Ben ik dat? Ja, dus. Een wereld gaat voor me open.

Ik ontwaar boeken met titels als Op Karakter, De Verstopte Mens, Geduld, Altijd Verder, The Shambhala Principle, De cultus van het lijden, Bekentenissen van een gemaskerde, De taal van de gevoelens,, Je moet je leven veranderen en Waarover praten wij als wij over liefde praten. Een Oscar-beeldje met op de voet een inscriptie: ‘de beste vader van de hele wereld’. Een beeldje van een comboy, een relatiegeschenk voor journalisten ter gelegenheid van het wereldkampioenschap wielrennen 1986 in Colorado Springs. Daarnaast door tekenaar Siegfried Woldhek geschonken portretten. Een waarop ik als een psycholoog de bokser Muhammad Ali analyseer en een van Ali alleen, een man die me indringend aankijkt.

guus-van-holland-&-mohammed-ali
Daarnaast een afscheidspagina voor mij als sportverslaggever van NRC Handelsblad, bijeengeschreven door collega’s. ‘Diasporamens, tastend naar ‘t onbestemde’, staat boven een portret dat de Belgische collega Raf Willems voor me schreef. ‘Overal en nergens thuis’, voegde hij er aan toe.

Herkenning streelt mijn ego. Moet ik dat negeren? Omdat ik het ego los zou moeten laten, om me vrijer te voelen. Zoals me dat elke keer weer als oefening wordt aangereikt in boeddhistische geschriften.

Hoewel ik al enige tijd zowat elke dag tegenover mijn schrijn mijn stroom van gedachten voorbij laat gaan en vriendelijk tegemoet probeer te treden, is nog niet eerder bovenstaand beeld bij mij binnengedrongen. Waarom niet eerder? Komt dat door wat mij tijdens Shambhala-trainingen en -cursussen werd voorgehouden? Ontspan je, zit als een rots waar rondom water aan- en afstroomt, laat het gaan – en je wordt onverwachte ervaringen gewaar en krijgt onvermoede ontmoetingen. Ik las Het pad is het doel van Chögyam Trungpa en dacht: ‘dat zou mooi zijn’. En het was mooi: verbaasd en verstomd was ik. Laat los en het komt op me af.

De sportbeleving die mij obsedeerde en mij nog veel vreugde, opwinding en vertwijfeling verschaft maar ook weer tot contemplatie (overdenking) aanzet, omdat het me als verslaafd voorkomt (die dilemma’s dus), staat op een paar meter afstand voor mijn wierook snuivende neus, geflankeerd door boeken die mij eerder duidelijk hadden kunnen maken waarom ik ben wie ik ben.

joop alberda boeddha
Joop Alberda, invloedrijk en bekroond sportcoach en sportleider, zei het zo, toen ik hem vertelde dat ik op het boeddhistische pad terecht was gekomen: ,,Zo meanderen we voort. Zoeken doen we allemaal. Het is je gegund.” Het werd me gegund – dus niet afgeraden.

Het werd mede daarom een mooi gesprek met Alberda, met wie ik voor NLcoach interviews deed over de weg die mensen op allerlei gebied hebben afgelegd voordat ze ‘helden’ werden. Met Jaap van Zweden, Hans van Manen, Jan Marijnissen, Mart Smeets, Dirk Scheringa, Youp van ’t Hek, Herman Wijffels en anderen. Alberda weet hoe mensen succesvol kunnen worden. Maar hij beseft ook dat mensen met minder talenten in problemen raken zodra zij verwachtingen niet (meer) waarmaken. Hoe en waarom mensen zichzelf tegen kunnen komen.

Ik vertelde Alberda over mijn verworven inzicht dat verliezers in de media steeds sneller als mislukkelingen worden neergezet. Zoals ik vroeger als journalist regelmatig deed: wie een fout maakte, veroordeelde ik in mijn verslagen voor de krant harteloos.

Blunders! Hoe vaak heb ik die kwalificatie niet gebruikt om van mijn afkeer van sporters die in de fout gingen te getuigen? Sporters dienden in mijn beleving als recenserende verslaggever perfect te zijn, aan mijn verwachtingen te voldoen. Wie niet perfect was of de uitvoering niet ‘naar behoren’ volbracht, deugde niet.

Door meditatie en contemplatie leer ik anders kijken en luisteren naar wat zich om mij heen afspeelt. Zonder oordeel mensen bezien, zoals sportmensen die al hun talenten aanwenden om te tonen wat ze kunnen, hoe goed ze zijn: kijk ze eens bezig zijn. Verwondering, vooral zonder oordeel kijken, is mooier dan kritisch kijken. Mooier dan wachten totdat een fout wordt gemaakt om dan de foutenmaker te diskwalificeren als mislukt of dom.

Bij boosheid dreigt afsluiting, zo merk ik. Openheid en verwondering geven vrijheid en ontspanning. Zoals ik op mijn kussen vrijheid ervaar, daardoor de attributen op het nachtkastje ontwaar en zomaar een beeld van mezelf zie.

Straks als ik naar een sportwedstrijd kijk ga ik mogelijk weer spontaan, primair reagerend, geschokt door onvermoede oerdriften, te keer tegen mensen wier spel of gedrag mij niet bevalt. Om me dan ook de volgende dag nog eens te ergeren aan de verslaggevers die het anders hebben beleefd dan ik, en vaak de verliezers afvallen – zoals ik voorheen vaak deed.

Geen emotie blijft mij vreemd. Sterker: ik raak er steeds meer bekend mee en kan ze daardoor steeds beter duiden. Maar hoe bevrijdend zou het zijn als ik ieder zijn fouten gun, ieder zijn smaak en mening schenk. Laat ze toch (Let it be). Verwonder je, aanvaard ieder mens, iedere smaak of mening. Het maakt niet alleen vrijer, het verheldert en biedt nieuwe inzichten. Zo heb ik ervaren.

Fundamentele Goedheid zit in ieder mens, zo proberen mijn Shambhala-leraren mij te overtuigen. En ik wil het graag zien en beleven. Hoe moeilijk dat ook is. Iedereen doet wat hij niet laten kan, gedreven door angst en ambitie. Angst om te verliezen, ambitie om beter (succesvoller, rijker) te zijn dan een ander. Ik zie het vooral in de sport. Maar dat is de sport, gelegitimeerd eigenlijk. Zodra ik naar andere geledingen in de samenleving kijk, zie ik dezelfde diskwalificaties. Wie niet ‘spoort’, niet voldoet aan de verwachtingen en aan het beeld van de perfecte mens beantwoordt, wordt in de hoek gedreven van mislukkelingen.

Voordat ik op mijn kussen mediterend rust vond, hoorde ik nog niet de vogels, de wind en andere natuurgeluiden. Ik hoorde een boor, motoren, krijsende kinderen. Ik werd boos van het lawaai dat mensen aanrichtten. Toen daalde vaak de vrede neer. In mij. Ik landde. Het werd stil. Iedereen mocht doen wat hij wilde. Ik voelde een glimlach. Wat een verademing. Wat een rust in mijn hoofd.

Straks zit ik weer voor mijn schrijn. Dan zie ik mogelijk weer mezelf. Maar misschien wat anders. Dat elk moment anders is, dat het ook bij andere mensen zo is. Dat iedereen zijn eigen momenten beleeft. Zichzelf probeert te zijn, houvast zoekt en dat niet in de hand heeft.

Vandaag scoren lionel Messi en Robin van Persie, morgen scoren Cristiano Ronaldo en Arjen Robben. Vandaag worden zij vereenzelvigd met God, morgen met de vuilnisman, erger: de duivel. Niets meer waard, verstoten. Mensen, met een groot talent, maar mens. Ik bewonderde Tiger Woods om zijn golfvaardigheden. Journalisten en supporters konden niet genoeg van zijn prestaties krijgen. Vrouwen drongen zich op, gokpaleizen trokken zijn aandacht. Hij was rijk, had een mooie vrouw, leuke kinderen en bereikte de ene na de andere mijlpaal. Hij was God, in ieder geval zijn naaste.

tiger-woods-mother-at-press-conference-021910-lg
Woods raakte verslaafd aan aandacht, seks, aan altijd de beste zijn. Zijn vader, een oud-Vietnamstrijder die van hem van jongs af aan alleen het allerbeste eiste, overleed. Tiger raakte van slag door de dood van zijn meester. Hij sloeg de bal niet meer zoals hij gewend was. Het leven zonder zijn vader die alleen records verlangde, werd ondraaglijk.

Hij sprong uit een vliegtuig en wachtte zo lang mogelijk met het openen van de parachute, putte in opperste verdwazing zijn geest en lichaam uit en overbelastte daarbij zijn spieren, ledematen en gewrichten, met blessures tot gevolg. Hij werd gek zonder zijn goeroe, zijn strenge vader. Hij was de identiteit kwijt die zijn vader en vervolgens zijn bewonderaars hem hadden toegekend. Zijn Thaise moeder herinnerde hem aan zijn boeddhistische opvoeding en hield hem voor zachtmoedig voor zichzelf te zijn. Dan maar niet de beste. Nog steeds is Tiger zoekende, naar zijn leven, zijn identiteit (wie is hij echt?), met en zonder records.

Ik verlang terug naar de prestaties van Tiger Woods. Naar zijn fraaie swings, naar zijn indrukwekkende, zelfverzekerde houding, naar wat ik niet kon en hij wel. Maar als Tiger niet terugkeert aan de top, zal ik met een open geest naar hem kijken en mezelf toefluisteren: ,,Kijk, hij is een mens net als jij, een mens van vlees en bloed.”

Deze column staat in verkorte vorm op de zomeruitgave van de website van De Vrienden van het Boeddhisme: http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/ Guus van Holland is vriend van de Shambhala-sangha in Leiden.

Eén wedstrijd scheidsrechter als Bakary Gassama zijn

24 jun

Bakary+Gassama+HdZZsaFYbo_m
Dit is de zesde aflevering in de serie Wereldbekerbrieven over spelers, scheidsrechters, coaches en supporters (mensen die zich op het WK onderscheiden door sportief maar ook door onsportief gedrag). De Belgische sociaal betrokken voetbaljournalist Raf Willems en ik voeren een briefwisseling voor de website De Aanvoerders. (http://www.deaanvoerders.nl/nieuws)

Hier mijn antwoord op Rafs brief over Serey Die.

Waarde Raf,

Emoties, Raf. Mensen hebben ze in alle soorten en maten. Ik dus ook, vaak en zo extreem dat mijn hoofd ervan gaat tollen, ik ga zweten, mijn hart in de hoogste versnelling schiet, bang ben het niet meer aan te kunnen en om mij heen tast naar psychiatrische hulp. Ten einde raad ga ik mediteren. In de hoop dat ik (mijn geest en lichaam) tot rust kom en ik mijn emoties kan duiden.

Enkele jaren geleden besloot de bedrijfsarts mij na een burn-out psychologisch te laten onderzoeken. De test leidde tot een resultaat dat mij moest doen inzien dat ik mijn emoties moest leren filteren. Mijn zintuigen raakten bij voortduring overbelast, omdat ze te open stonden voor indrukken (als bij een alarmist) en ik daardoor de controle over mijn emoties verloor.

De ‘zeef’ die door een psychiater werd aangereikt, heb ik na enkele sessies afgeslagen. Dan maar te emotioneel. Zoals het me nu weer overkomt bij het voelen van de opwinding die voetbal teweegbrengt. Rationaliseren, relativeren dan wel negeren heeft geen zin. Zo ben ik nu eenmaal.

Toen ik zelf voetbalde, kon ik ook vaak mijn zinnen verliezen. Daarom wil ik voetballers van nu, spelend op een WK, wel begrijpen. En dan weet ik niet eens onder welke druk ze staan, opgelegd door de dolle opportunistische supporters, de betweterige vertegenwoordigers van de media en de talloze analisten. Er gaat wat adrenaline door het lijf van die voetballers.

En dan scheidsrechter zijn te midden van die opgewonden standjes die koste wat kost moeten winnen. Ik moet er niet aan denken. Ik zou het niet kunnen met mijn wankele gemoed. Of ik moet mijn emoties toch eens intensief leren filteren. Of nog meer mediteren?

Deze overpeinzingen woelen sinds het begin van het WK door mijn hoofd. Vooral nadat de Japanse scheidsrechter Yuichi Nichimura in de openingswedstrijd een beslissing nam ten gunste van thuisland Brazilië en ten nadele van Kroatië. Zou hij nu echt, zoals velen menen, op gezag van de organisatie en de FIFA de Brazilianen hebben bevoordeeld door zomaar een strafschop te geven? Mensen die onder druk staan doen rare dingen, Raf.

Als ik scheidsrechter was zou ik Bakary Gassama willen zijn. Als een op een WK debuterende scheidsrechter, nota bene uit Gambia. Eén dag maar, één wedstrijd maar. Zoals van Nederland-Chili. En dan gewoon doen wat je moet doen. Je niet laten leiden door emoties. Niet kijken naar namen en rugnummers. Wanneer de Nederlander Arjen Robben zich weer theatraal laat vallen en wanneer de Chileen Alexis Sanchez om een gele kaart vraagt, weet je niet eens wie dat zijn, sterker: welke roem ze hebben vergaard.

Het zijn allemaal slechts voetballers, en van allemaal wordt respect voor tegenstander en arbitrage verwacht. Maar in het vuur van de strijd zijn ze allemaal mensen, giert de adrenaline ongedoseerd door hun lijf, spelen onvermoede oerdriften op en hebben ze al gauw het motto Fair Play verdrongen.

De roep om videoarbitrage is groot. Maar ook met teruggedraaide tv-beelden wordt het spel waarschijnlijk niet vredelievender. De Rotterdamse filosoof Gijs van Oenen opperde eens de scheidsrechter af te schaffen. Net als bij straatvoetbal. Er ontstaat wat discussie, maar de spelers lossen het zelf op. ,,Spelers maken zichzelf wijs dat een overtreding mag, wanneer zij niet wordt opgemerkt of bestraft. Dat is het negatieve effect wanneer je mensen aanstelt om te oordelen over zaken die je zelf ook wel weet.’’

Ik vrees dat er oorlog op het veld uitbreekt. Maar ik begrijp zijn standpunt: scheidsrechters doen het toch nooit goed. Soms wel, zoals Bakary Gassama. Hij is mijn Aanvoerder dit keer. Een man die op die ene dag iets in zich had wat veel scheidsrechters van welke faam en naam ook vaak ontberen. Kalmte en overzicht. En dat onder immense druk. Scheidsrechter zijn, ik zou niet kunnen en toch niet willen. Ik laat me niet in de luren leggen door duikers, glijders en toneelspelers van welke naam en faam dan ook.
Ik ben niet gek. Dat weet jij ook wel, Raf.

Met vriendelijke groet aan de Rode Duivels,

Guus

Eerder verschenen:
21 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/63 (Serey Die)
19 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/62 (Chileense supporters)
17 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/61 (Mario Balotelli)
16 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/60 (Vicente Del Bosque)
13 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/59 (Xavi)