Tag Archives: Muhammad Ali

De Tour, Sky en Froome: fascinerend in alle facetten

26 Jul

Met een bloedstollende massasprint werd afgelopen zondag de Tour de France afgesloten. Zoals het mij als sport- en wielervolger het liefst is. Ik was langzaam onbewust(?) wakker geworden na mijn nogal vermoeiende middagloopje in de warmte, in de hoop dat het laatste half uur mij zou brengen waarnaar ik verlangde. De slotkilometers op de Champs Elysées brachten het wedstrijdverloop dat mij al jaren bekend is. Uitlooppogingen van renners die een massale aankomst wilden voorkomen, lekke banden van favoriete sprinters en amechtige pogingen van uitgemergelde renners om tot de eindstreep erbij te blijven. Niets nieuws, maar toch weer spannend. Mijn vrouw, die tot dan toe weinig had meegekregen van de Tour, leefde volop mee.

(AP Photo/Christophe Ena)

(AP Photo/Christophe Ena)

Zo ongeveer, in die stemming, heb ik de Tour de afgelopen weken gevolgd. Bijna niets nieuws, toch bijna altijd spannend. Gewoon, zoals ik sinds 1978 beroepsmatig mijn eerste Tour volgde en de laatste jaren als ervarings- en verslavingsdeskundige. Niet verwend, allerminst volgevreten, gewoon benieuwd naar wat zich dit keer zou aandienen. Misschien meldde zich wel een nieuwe held, een nieuwe klimmer en nieuwe sprinter, zowaar een nieuwe eindwinnaar, zag ik nieuwe strategieën, nieuwe technologieën, ongekende taferelen en nog niet vertoonde drama’s. Misschien kwam er niets nieuws. Misschien bleef de Tour gewoon de Tour, met alle mogelijke ontwikkelingen die een aanslag kunnen doen op mijn natuurlijke hartritme.

Met een mengeling van verbazing, aanvaarding en nieuwsgierigheid las en hoorde ik de kritische commentaren, in de kranten, op de radio en de televisie en onvermijdelijk op de sociale media. Men wilde nog meer. Meer strijd, meer aanvallen, meer beklimmingen, meer afdalingen, meer tijdritten, meer demarrages, meer Nederlandse triomfen, meer sensatie, meer chaos en rumoer. Er werden vergelijkingen gemaakt met de Ronde van Italië en de Ronde van Spanje. Wat is er veel gepraat. Het was niks of het moest anders. In elke spelonk werd wel een ‘analyticus’ gevonden die oeverloos kan analyseren. Urenlang analyseren, of mensen er nu verstand van hebben of niet. Zonder publieke analyse kan geen sport meer worden bedreven.

In deze krankzinnige doorgedraaide maatschappij wordt al snel iets als saai gekwalificeerd. Twee tellen geen sensatie en we zappen weg. Zo las ik een reactie van een ook al verbouwereerde collega. Zeuren over niet genoeg, vervlakking en verandering duidt naar mijn idee op innerlijke onvrede. Of dan toch maar weer doping toestaan, zoveel mogelijk liefst – vallen er tenminste doden.

Mensen willen altijd meer, dat is mij intussen bekend. De begeerte is grenzeloos geworden. Als ze geen mooier huis willen, een mooiere auto, een groter televisiescherm of een snellere (duurdere) fiets, dan is het wel een sportheld die onoverwinnelijk is. Liefst een uit eigen land, als de ultieme vorm van sportbegeerte. Is die sportheld een buitenlander dan is het oordeel gauw minachtend. Hij zal wel doping nemen, hij zal wel meer geld hebben, hij zal wel meer hebben dan ‘wij’ hebben. Of hij is te saai om een held te zijn.

joop-zoetmelk
Ik heb Joop Zoetemelk, Bernard Hinault, Laurent Fignon, Greg LeMond, Stephen Roche, Pedro Delgado en Miguel Indurain van nabij de Tour zien winnen. Saai was wat betreft uitstraling misschien vooral de Nederlander Zoetemelk, die in 1980 door de furieuze Raleighploeg (Jan Raas, Gerrie Knetemann, Henk Lubberding, Cees Priem, Johan van der Velde en vooral ploegleider Post) moest worden opgezweept om toch op z’n minst één keer (en dan vooral voor de ploeg en de sponsor) de Tour te winnen.

In zijn spoor als ‘saaie’ wielrenner komt de buitenlander (want Spanjaard) Miguel Indurain in aanmerking, maar die won de Tour wel vijf keer. Saai is naar mijn smaak geen enkele Tour en geen enkele winnaar. Het is niet meer dan de angst voor voorspelbaarheid, dat robotten de wedstrijd gaan domineren. Dat de spanning niet groot genoeg is om ons uit de dagelijkse (saaie) sleur te bevrijden. De organisatoren voelen die mengeling van angst en behoefte aan, en handelen er vanzelfsprekend uit commerciële motieven naar. Het parcours wordt elk jaar zodanig veranderd in de hoop dat het koersverloop minder voorspelbaar wordt. Liefst nóg slopender voor de favorieten. Niet weer dezelfde winnaar, niet wéér Chris Froome. Hij wordt al zo saai gevonden, niet mediageniek vooral.

Wat de organisatoren ook voor de afgelopen Tour hadden bedacht, Froome won toch weer. En hoe! Op momenten dat niemand hem verwachtte (in een afdaling, in een waaier met de allerminst saaie Peter Sagan) sloeg de Brit toe, zijn concurrenten in vertwijfeling achterlatend. Dat was een ongekend staaltje topsport. Froome had meer dan voorheen de beschikking over een ploeg die hem tot in de hoogste graad van perfectie van dienst was. Is dat saai?

In het verleden genoot zelfs de grote Merckx de steun van plichtsgetrouwe knechten in zijn ploeg, Molteni. Lance Armstrong dwong bij US Postal en Discovery Channel zijn ploeggenoten tot het uiterste – chantage en ontslag waren zijn machtsmiddelen. Zoetemelk werd gered door Raas, Knetemann, Lubberding en vooral Van der Velde (ongeveer zoals Wout Poels nu bij Froome deed). In dat jaar, 1980, was ik getuige van elf overwinningen (exclusief eindoverwinning) van Raleigh, de ploeg van Zoetemelk. Ik hoorde en las nergens het begrip saai. Hoewel de grote favoriet, de Fransman Bernard Hinault, toch na drie etappezeges na afloop van de twaalfde etappe in de gele trui de strijd staakte. Niemand viel Zoetemelk daarna nog aan. Als stonede kraaien volgden de concurrenten zijn spoor, zo schreef ik destijds in de Volkskrant tot woede van veel abonnees. Met tienduizenden tegelijk waren Hollanders naar Parijs gereisd om de ‘saaie’ Zoetemelk (in gezelschap van premier Dries van Agt) toe te juichen en er de polonaise te lopen.

Saai? Het is niet meer dan ver doorgevoerde ploegdiscipline. Wie niet meewerkt, verdient niets of wordt ontslagen. Zo was het ook bij Raleigh. De perfectie die Armstrong zichzelf en zijn ploeg oplegde mag dan naar de achtergrond zijn gedrongen door de ophef over gebruik van onreglementaire medicatie, ze lijkt veel op de werkwijze van Sky. De Britse ploeg beschikt over bijna alle middelen die een wielerploeg ten dienst kunnen staan. Wetenschappelijke kennis (technologie, training, materiaal, sportpsychologie en vooral voeding), afkomstig uit alle sporten, vooral mogelijk gemaakt door het kolossale budget (35 miljoen euro) – dat dan weer wel. Het enige oneerlijke aan de methode van Team Sky is mogelijk het surplus aan financiële middelen.

Te grote dominantie wordt als saai ervaren. Het is maar wat je onder saai verstaat. Zoetemelk zei nooit iets opzienbarends, los van zijn legendarische credo ‘Parijs is nog ver’. Miguel Indurain zat bewegingloos op zijn fiets, zijn gezicht toonde geen emotie, zijn benen maalden zoals ze maalden.Toen hij uiteindelijk na vijf Tour-overwinningen instortte, was iedereen verrast. Indurain was indrukwekkend, omdat hij ogenschijnlijk zonder emotie en zonder spierkracht won. Dat is fascinerend. Zo zie ik ook de overwinning van Team Sky met Froome, fascinerend in alle facetten. Hoe komt dat toch? En waarom missen we dat bij andere ploegen én wielrenners? Geen geld genoeg? Geen goed beleid? Geen ploegdiscipline? Dat zijn vragen die me bezig houden.

Het zijn dezelfde vragen die andere fenomenen in de sport opwerpen. Waarom was mijn idool voor het leven Michael Jordan zo indrukwekkend goed, en waarom wonnen Muhammad Ali, Pelé, Fausto Coppi, Eddy Merckx, Bernard Hinault, Johan Cruijff, Diego Maradona, Carl Lewis en Tiger Woods, en winnen Lionel Messi, Dafne Schippers en Epke Zonderland? Mogelijk een combinatie van talent (fysiek, maar ook en vooral mentaal), gedrevenheid, trainingsmethoden, perfectie en begeleiding. Of is het gewoon de natuurlijke aanleg (de genetische erfenis?) die doorslaggevend is?

Uitgemergeld en uitgeput rolden de overgebleven renners zondag over de laatste finishstreep. Nog magerder dan bij de start. Nog magerder dan vroeger toen voedingsmethoden en fysieke voorbereiding nog onderontwikkeld waren. Eindelijk was de langdurige stress voorbij. Wat doet drie weken stress met Tour-renners? De spanning om niet te verliezen en niet te vallen. De angst dat het getrainde lichaam op het belangrijkste moment niet voldoet. De angst dat het (bewust) graatmagere lijf de vederlichte fiets niet in evenwicht kan houden. En de angst om niet veroordeeld te worden door de menigte en de media.

De Belgische tv-commentator José De Cauwer zei dat hem was opgevallen dat renners elkaar na de finish in Parijs feliciteerden. Bijzonder, aldus de man die zelf vier keer de Tour uitreed (een keer gaf hij de strijd op). Die observatie zegt (mij) veel over wat de renners de afgelopen drie weken hebben doorgemaakt. En dan nog verlangen de wielerliefhebbers meer. What you see is what you get.

Dit artikel is in verkorte vorm gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

Muhammad Ali en de kracht van de grote mond

10 Jun

Met een stortvloed aan woorden is dezer dagen Muhammad Ali herdacht. Veel, heel veel woorden. De vraag is welke sportman na zijn overlijden op meer woorden kan rekenen. Waarschijnlijk niemand. Ali blijft hoogst waarschijnlijk te boek staan als de sportman over wie het meeste na zijn dood is gezegd en geschreven. Omdat hij legendarisch was, een fenomeen, een bijzondere, stijlvolle atleet, een dansende vechtjas, een man met uitzonderlijke eigenschappen – fysiek en psychisch. Bijna was hij heilig verklaard, zoals dat doorgaans gaat met mensen die fascineren en een aanstekelijke boodschap uitdragen.

Ali dood
Ali (van huis uit Cassius Clay) was een bokser die alles en iedereen in zijn omgeving en ver daarbuiten heeft aangeraakt. Je kon nauwelijks om hem heen. Hij was er, onvermijdelijk. Zeker niet alleen als sportman. Ali zocht je op, als een stalker. Van jongs af heeft hij de wereld willen laten zien dat hij – en niemand anders – bestond. En ergens voor stond: voor hem zelf in het bijzonder. Wie hem niet zag staan, werd wakker geschud. Ergens dook zijn naam op, ergens hoorde je over ene Muhammad Ali. ’s Nachts in een nachtmerrie kwam hij dan tevoorschijn en brulde hij in je oor: ‘I am the Greatest.’ Overmand en angstig door onvermoed geweld werd je dan wakker.

In een van de vele pogingen om het fenomeen Muhammad Ali te duiden, schreef Norman Mailer in 1971 in het Amerikaanse blad Life, onder het kopje Ego: ‘He is fascinating – attraction and repulsion must be in the same package. So, he is obsessive. The more we don’t want to think about him, the more we are obliged to. There is a reason for it. He is America’s Greatest Ego.

Velen voelen zich geroepen Muhammad Ali tot de ‘grootste sportman aller tijden’ te benoemen. Ze moeten betoverd zijn door die man die zichzelf al als jongetje op de borst sloeg om dan hard te schreeuwen: ‘I am the greatest’. Dan doen wel meer jongens in de pubertijd die hun ego willen oppompen om indruk te maken op hun omgeving en potentiële vijanden in de grote, boze wereld. 

Volgens kenners van de bokssport was Sugar Ray Robinson (1921-1989) een betere bokser. Zelfs Ali gaf toe dat Robinson de beste bokser is geweest, omdat hij in meerdere gewichtsklassen wereldkampioen werd. Hij was ‘niet meer dan’ de beste zwaargewicht. Maar als mens The Greatest, vond hijzelf.

Zit het ‘m dan toch in de grote mond, waar vele bewonderaars voor zwichtten? De verbale overtuigingskracht, waarvan bijvoorbeeld ook Johan Cruijff zich bediende. Tegen Cruijffs visie viel weinig in te brengen. Mocht dat wel leek te gaan lukken dan had hij zijn mondje klaar, een mondje vol spiritueel aandoende woorden die in een kerk met gedweeë toehoorders niet zouden misstaan. Tegenover Cruijffs academische betogen stonden de epigrammen van Ali. Vaak poëtisch, als om aan te tonen dat hij meer was dan een bokser. Dat hij meer in zijn mars had voor een man zonder schoolopleiding.

Het moet gezegd: veel meer sporters die de kwalificatie ‘de grootste’ verdienen, zijn er niet. Maar wat is de grootste? Sporters zijn niet met elkaar te vergelijken. De voetballers Pelé en Diego Maradona, de zwemmers Johnny Weissmüller, Ian Thorpe, Michael Phelps en Pieter van den Hoogenband, de judoka’s Anton Geesink en Yasuhiro Yamashita, de wielrenners Fausto Coppi en Eddy Merckx, de atleet Jesse Owens, de ijshockeyers Wayne Gretzky eb Vjatsjeslav Fetisov, de tennissers Björn Borg, John McEnroe, Jimmi Connors en Roger Federer, de sumoworstelaar Akibono, de rugbyer Jonah Lomu, de golfers Arnold Palmer, Jack Nicklaus en Tiger Woods of de basketballer Michael Jordan?

De laatste had het niet nodig zijn mond open te trekken en zeker niet te roepen dat hij ‘de beste’ was. De zwarte Jordan oversteeg als all american hero in tegenstelling tot Ali de rassenkwestie en werd wel even zes keer wereldkampioen (kampioen van de NBA) en twee keer olympisch kampioen. Jordan had ook een groot ego (zoals veel kampioenen), maar hij kreeg een lesje in bescheidenheid van zijn coach Phil Jackson (inderdaad de ‘beste coach’ aller tijden). Dat had Ali zich niet laten voorschrijven – nog los van de vraag of hij anderen dan jaknikkers om zich heen duldde.

Ali, wiens IQ bij de eerste test voor militaire dienstplicht werd bepaald op 73 (te dom, dus niet goed genoeg) en twee jaar later nota bene vijf punten hoger scoorde, moet zijn verbale uitspattingen hebben gebruikt om zichzelf moed in te praten, sterker nog: om zichzelf ervan te overtuigen dat hij de tegenstander zou vermorzelen. Gewoon door zijn geest te trainen door voortdurende herhalingen van strijdkreten.

Foto: Bigthink.com

Foto: Bigthink.com

Volgens de Britse wetenschapsjournaliste Lynne McTaggart was er sprake van de ‘kracht van intentie’. Muhammad Ali was van alle topsporters de intentiemeester. Hij ontwikkelde bewust mentale vaardigheden die zijn prestaties in de ring zouden verbeteren. Vóór een wedstrijd paste Ali diverse zelfmotivatiemethoden toe: visualisatie, imaginair trainen, zelfbevestiging, waarbij hij zich liet leiden door misschien wel het krachtigste epigram van zelfwaarde dat iemand ooit had geuit: de legendarisch geworden woorden ‘I am the greatest!’ Bovendien zei Ali in het openbaar herhaaldelijk wat zijn intenties waren.

Zijn aanhoudende spervuren van rijmpjes leken heel kinderachtig of onschuldig, maar het waren uiterst specifieke intenties in vermomming. Voor een wedstrijd herhaalde Ali deze rijmpjes als een soort mantra: tegenover de pers, tegenover zijn tegenstander en zelfs nog in de ring – net zolang tot hij de inhoud als een feit had geaccepteerd.

Een jaar na de wonderlijke zege op George Foreman in Kinshasa (The rumble in the jungle) maakte Muhammad Ali opnieuw meesterlijk gebruik van intentie om Joe Frazier op de Filipijnen te verslaan, tijdens misschien wel de meest dramatische en meest indrukwekkende bokswedstrijd aller tijden. Deze keer maakte Ali een voodoo-pop. Ali gaf zijn opponent het uiterlijk van een miniatuurgorilla van rubber die hij in zijn binnenzak meedroeg en waarnaar hij van tijd tot tijd voor de televisiecamera’s uithaalde met zijn rechter vuist, met de woorden ‘It’s gonna be a thrilla and a chilla and a killa when I get the gorilla in Manila’. Tegen de tijd dat Frazier de ring in stapte, was hij in zijn geest gereduceerd tot een nauwelijks mensachtig wezen.

Naast deze verbale intenties zond Ali mentale intenties uit door in zijn hoofd elk ogenblik van het gevecht te repeteren: de vermoeidheid in zijn benen, het tappelings van zijn lichaam stromende zweet, de pijn in zijn nieren en blauwe plekken op zijn gezicht, de flitsende fototoestellen van de pers, het gejoel en gebrul van de toeschouwers en uiteraard het ogenblik waarop de arbiter zijn arm optilde om Ali’s overwinning op Frazier aan te geven. Na veertien uitputtende rondes was Frazier zo vermoeid geraakt, dat zijn coach besloot hem niet meer terug in de ring te sturen, uit angst voor zwaar mogelijk ongeneeslijk letsel. Muhammad Ali had zijn lichaam de intentie tot winnen toegezonden – en zijn lichaam had aan zijn wil gehoorzaamd. Aldus McTaggart, die zich beroept op Amerikaanse en Canadese sport- en trainingspsychologische testen en hersenonderzoeken door middel van elektromyografie (EMG).

De verbazingwekkende woordenstroom zou volgens McTaggart (auteur van ‘Het intentie experiment; Kunnen je gedachten de wereld veranderen?’) minder spontaan zijn geweest dan is aangenomen. Ali probeerde controle te krijgen over zijn geest. Het zijn van die aandoenlijke pogingen van sporters zichzelf onoverwinnelijk te maken. Ali maakte er een kunst van. Totdat zijn hersens het niet meer aankonden, punch drunk geslagen als gevolg van te grote, onmenselijke uitdagingen. In 1984, 32 jaar voor zijn dood, maakte hij bekend dat hij aan Parkinson leed. Eigenlijk ging het om boksersdementie (dementia pugilistica), een chronische traumatische encefalopathie (CTE), een degeneratie van de hersenen.

muhammad-ali-quotes-islamic-blog-articles-on-islam-quran-ramadan-mDTZkv-quote
Velen hebben genoten van zijn gevechten, zijn voorstellingen, zijn uitspraken en zijn daden, die vooral gericht waren tegen het onrecht in de wereld. In de Verenigde Staten werd van hem een rolmodel gemaakt, zoals dat daar snel gaat. Een held. Hij was zeker een man die de wereld (onbewust) een spiegel voorhield. De vraag is of hij diep van binnen (in zijn hoofd) wel wist waar hij mee bezig was geweest. Had hij daar de laatste dertig jaar nog wel de verstandelijke vermogens voor? Was het wraak? Of totale zelfvernietiging ter meerdere eer en glorie van zijn ego?

Inderdaad, zoals Norman Mailer schreef: America’s Greatest Ego.

Dit artikel is gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

De Giro d’Italia is toch vooral sterven in schoonheid

1 Jun

Daags na het roze gekleurde weekeinde in Gelderland, drie weken geleden, schreef ik dat ‘de belangstelling in Nederland voor de Giro d’Italia met de dag drastisch zal afnemen en uiteindelijk slechts door pure wielerliefhebbers zal worden gevolgd’. Het is dus anders gelopen. Niet zozeer omdat het koersverloop tot de verbeelding bleef spreken, maar vooral omdat Nederlandse renners aan het front bleven strijden, tot het einde in Turijn toe.

Foto: musement.com

Foto: musement.com

Fascinatie van start tot finish – en zeker niet alleen bij wielerliefhebbers. De Italiaanse organisatoren kunnen vergenoegd in hun handen wrijven. De emoties laaiden hoog op, zoals dat bij de beleving van topsport verwacht wordt. Media, zoals de Nederlandse televisieomroep NOS (NPO) om welke reden ook het wielercircus niet dagelijks op de voet volgden, werden door een groot deel van het volk een gebrek aan betrokkenheid verweten. Andere media maakten gretig ruimte vrij voor reportages, interviews en achtergronden en zetten ander nieuws op minder prominente plaatsen. Zo was het ooit (ruim een eeuw geleden) bedoeld door de handelsgeesten van krantenbedrijven. In het geval van de Ronde van Italië door La Gazzetta dello Sport als antwoord op een autorace die eerder door Corriere della Sera was gelanceerd.

Het is aanhaken op de vraag waarom sport zoveel aantrekkingskracht uitoefent. Vandaag is het voetbal, morgen wielrennen, overmorgen autoracen en tennis, straks turnen, hockey of volleybal, dan weer zwemmen of hardlopen. Zeker wanneer betrokkenheid intieme vormen gaat aannemen, alsof de jongen van de buren of het meisje uit het dorp meedoet. Of wanneer vereenzelviging (met helden) zich aandient. Helden worden in een handomdraai gemaakt – en naar believen even snel afgedankt.

In Lof van de sport schrijft de Duitse socioloog/filosoof Hans Ulrich Gumbrecht: ‘En toch weten we niet (en misschien hoeven we dat helemaal niet te weten) waarom sport kijken zo onweerstaanbaar is en tot onze verbeelding spreekt. Het is letterlijk een fascinatie, dat wil zeggen, iets wat onze blik gevangen houdt, iets wat ons eindeloos blijft boeien zonder dat we weten waarom. Het is deze fascinatie die een transfigurerende werking heeft, want we voelen ons onweerstaanbaar aangetrokken tot verschijnselen waarvoor we normaal gesproken geen waardering kunnen opbrengen, zoals wanstaltig corpulente lijven of wollen mutsen met kleppen.’

Het zijn rationele overpeinzingen die mij in de loop van de afgelopen veertig jaar als sportjournalist bezig hebben gehouden – en nog. Zoals Dino Buzzati in De Ronde van Italië, het boek met kronieken uit de Giro van 1949 in de Corriere della Sera, dat ik in 1986 tijdens mijn eerste Giro als verslaggever als inspirerend geschenk van mijn nieuwe geliefde in mijn koffer vond. Collega Jean Nelissen, die toch alles al over de wielersport  wist en gelezen had, griste het nieuwsgierig van mijn schrijftafel. Om even later luidkeels met de hem typerende dictie voor te lezen (Buzzati schrijft over Gino Bartali): ‘Plotseling, dat weet je, zal de geheimzinnige genius je in de steek laten. Midden in een wedstrijd, onverwacht, zul je je merkwaardig alleen voelen: als een koning in de strijd die zich omkeert om bevelen te geven en bemerkt dat zijn leger er niet meer is, dat het als bij toverslag verdwenen is in het niets. Dat verschrikkelijke moment zal aanbreken. Maar wanneer? Dat weet je niet. Het zou vandaag kunnen zijn.’

Het is jammer dat in de huidige, veelal hitsige commentaren – gebaseerd op te veel betrokkenheid – deze literaire zinsnede niet is teruggehaald of eenvoudigweg niet is herkend (laat staan ooit gelezen) na de val van Steven Kruijswijk in voorlaatste bergetappe van de afgelopen Giro. Historisch besef kan in verhitte momenten een waardevolle bijdrage leveren, zeker in de wielersport die onmiskenbaar in mystieke sferen wordt bedreven. Overvloedige betrokkenheid, zoals de afgelopen weken, kan een verblindende uitwerking hebben en voedt vooral de onderbuik van de naar roem en glorie hunkerende lezers, kijkers en andere volgers. Populisme mag dan bij veel media van commercieel belang zijn, de realiteit is meer waard.

Begin jaren negentig was ik op de perstribune van het toenmalige Chicago Stadium getuige van de indrukwekkende voorstellingen van de Chicago Bulls met de magistrale coach Phil Jackson (uniek door zijn op zen-boeddhisme gebaseerde filosofie) en hun uitblinker Michael Jordan (mijns inziens met Muhammad Ali de beste sportman aller tijden). Toen ik bij een van de weergaloze acties van Jordan een keer opveerde en een juichkreet niet wilde onderdrukken, werd door mijn buurman een hand op mijn schouders gelegd. Hij wees op een bordje bij de ingang van de perstribune met de tekst: ‘No cheering in the pressbox‘. Ik schrok. Zou ik niet beter kunnen afdalen naar de tribune met het ‘gewone’ publiek? De man stelde mij gerust. Hij stelde zich voor: Sam Smith, Chicago Tribune en al jaren Bulls-watcher. Hij was de man wiens boek ik die week gulzig had gelezen: The Jordan Rules. Een meesterlijk, genuanceerd en daarom meeslepend boek over het gedrag van Jordan op de speelvloer en vooral in het trainingscentrum.

No cheering in the pressbox. Het is een regel uit andere tijden, besef ik. Over de Giro lezend, ernaar kijkend en luisterend, werd mij vooral duidelijk dat de verslaggevers, commentatoren en columnisten zich vereenzelvigden met hun favorieten. Was dat geregisseerd, dan wel door de bazen met hun handelsgeest opgedrongen? In het vuur van de strijd laat elke verslaggever zich weleens gaan – hij is immers sportliefhebber. Dat besefte ik terdege. Daarom besloot ik meermalen buitenlandse media te raadplegen om ook de andere (realistische) kant van de medaille te zien.

Drama genoeg in de afgelopen Giro, zoals van een wielerwedstrijd wordt verwacht. Met alle ingrediënten die daarbij horen. De dramatische omwenteling van Nibali’s fysieke en psychische gesteldheid, diens killersinstinct (vandaar diens bijnaam ‘De Haai van de Straat van Messina’, jaren geleden al bedacht door voorzitter Eddy Lanzo van Nibali’s wielerclub in Messina) en de strategie van zijn ploeg. De dramatische omwenteling bij Steven Kruijswijk: de val op het moment dat de strijd ontbrandde. Topsport wordt op details beslist is een aloude wijsheid. Dat bleek eens te meer. En dan was er de dramatische aftocht van de eerste roze truidrager Tom Dumoulin, van wie in de media nooit meer iets is vernomen: de koning is dood, leve de koning.

En tenslotte de dramatische valpartijen, de spannende beklimmingen en ijzingwekkende afdalingen. En als apotheose de innemende lach van de Colombiaan Esteban Chaves, die op de voorlaatste dag zijn leiderspositie moest afstaan en ‘slechts’ derde werd. Zijn commentaar na afloop was mogelijk het mooiste moment van de Giro: over zijn vreugde, zijn toekomst, zijn liefde voor de wielersport en zijn waardering en bewondering voor de winnaar.

Esteban Chaves

Esteban Chaves

Chaves gulle lach deed veel ellende
vergeten. Zoals de sport hoort te zijn. Afleiding van alles wat ons dwars zit en pijnigt.

De Giro is toch vooral sterven in schoonheid.

Deze column in gepubliceerd op de website http://www.Sportenstrategie.nl

Johan Cruijff deed ‘gewoon’ wat in hem opkwam

26 Mrt

Hoe duid je genialiteit, van een voetballer nog wel? Het is bijna onmogelijk in woorden uit te drukken waartoe een voetballer in staat is die genialiteit wordt toegedicht. Wat is dan die bijzondere begaafdheid die hem boven andere voetballers uittilt? Het is meer dan talent, het is iets waar zintuigen geen vat op krijgen.

Zo verging het mij toen ik Alfrédo Di Stéfano zag, Pelé en de andere Brazilianen zoals Garrincha, Didi, Rivelino, Gerson. En Faas Wilkes. En later Johan Cruijff, Diego Maradona, Zinédine Zidane, Lionel Messi en Cristiano Ronaldo. Voetballers die op een voetbalveld iets doen wat geen trainer je kan leren. Vergelijkbaar met basketballers als Michael Jordan, boksers als Muhammad Ali en golfers als Tiger Woods, voordat diens verstand de boventoon ging voeren. Het is niet te evenaren, laat staan te overtreffen, hoe graag je dat als voetballer ook wilt – altijd op de zoektocht naar nieuwe bewegingen, nieuwe trucs, nieuwe acties, nieuwe, nog niet uitgevoerde voorstellingen.

Tekening Siegfried Woldhek, uit mijn bundel Sportportretten op Maandag (2002)

Tekening Siegfried Woldhek, uit mijn bundel Sportportretten op Maandag (2002)

Doe geen moeite om genoemde voetballers met elkaar te vergelijken. Ze zijn allemaal verschillend – en toch buitenaards (om een wanhopige poging tot duiding te doen). Laten we ons beperken tot Johan Cruijff, een blanke Nederlander nota bene, geboren en gevormd in een land waar elastische, louter op gevoel en door intuïtie gestuurde lichamen  – vanuit mogelijk calvinistisch standpunt  – zeldzaam zijn. 

Hij deed wat in hem opkwam, op het voetbalveld en daarbuiten. Hij volgde zijn gevoel, probeerde anderen ervan te overtuigen dat ook te doen – en speelde zoals spelen bedoeld is. Plezier, daar gaat het om. Pas op voor je verstand, anders raak je in verwarring. Doe wie je van nature bent en analyseer waarom je dat doet: wat gebeurt er met je als je de Cruijffiaanse dan wel de Messiaanse bewegingen uitvoert – of die van Jordan, Ali en Woods?

Flow is een begrip dat tegenwoordig steeds meer aantrekkingskracht oproept in de sport. Het is een mentale toestand, medio jaren zeventig in het boek Flow, psychologie van de optimale ervaring na empirisch onderzoek al uitgekristalliseerd door Mihaly Csikszentmihalyi, een Amerikaans-Hongaarse psycholoog. Kijk naar beelden van Cruijff en je weet wat hij bedoelt. Een activiteit waarin je volledig opgaat in je bezigheden. Als in een voortdurende stroom (roes) waarin je wordt meegevoerd. Mensen kunnen in de staat van flow boven zichzelf uitstijgen, en sneller leren en nieuwe inzichten verkrijgen.

Cruijff deed niet zo moeilijk over zijn vermeende genialiteit. Hij deed het gewoon (flow?) en liet je als medespeler of later toen hij coach was, voelen wat er gebeurde als je zó bewoog, zó draaide of zó de bal speelde. Velen begrepen hem, velen niet. Het is lastig als genie om gewone stervelingen te overtuigen van hun mogelijkheden. Doe zo en zo en je ziet een opening. ,,Nee, Johan, ik zie het niet. Ik niet, ik ben maar een gewone sterveling.” Zo moet het veel gewone stervelingen zijn vergaan.

In zijn boek Lof van de sport schrijft Hans Ulrich Gumbrecht (Duits-Amerikaanse filosoof, socioloog en hoogleraar aan Stanford University) in een ‘esthetica van de atletische prestatie over zijn fascinatie’ van de sportman die hij zojuist heeft bewonderd: ‘Uren later, als je van het stadion naar je auto loopt, uitgeput zoals je die week nog niet eerder bent geweest, zul je hieraan terugdenken als een moment van onwankelbaar geluk. Opnieuw zal die mooie manoeuvre ertoe leiden dat je borst opzwelt en je hart sneller gaat kloppen, maar nu zonder de nervositeit van daarstraks. In je herinnering zie je dat spelmoment weer ontstaan, en terwijl je het vast wilt houden, trekt er een rilling door je beenspieren, alsof ze gestalte willen geven aan wat jouw held een uur heeft volbracht.’

Mooi en herkenbaar beschreven. Zijn beleving gold niet de performance van Johan Cruijff, maar die van zijn eigen idolen: Michael Jordan, Pelé, Jesse Owens, Akebono, Maradona, Zinédine Zidane, Joe Montana of Egon Loy. Iedereen laat in zijn verafgoding wierookstokjes gloeien naar eigen geur, kleur en voorkeur.

Flipper, zo noemden ze Cruijff. Aldus oud-Ajacied Henk Groot in 1966, vlak nadat ‘Johan’ als tiener werd toegevoegd aan de selectie van het eerste elftal van Ajax. ‘Hij is altijd aan het woord. Je kunt geen onderwerp aansnijden of Cruijff praat mee’, zegt Groot in Wie is Johan Cruijff? Insiders duiden het orakel, maar Cruijff zelf het laatste woord (2007, Mik Schots en Jan Luitzen). ‘Hij heeft ongelooflijk veel praatjes. Onder mekaar kunnen we het best hebben, want hij is een doodgoeie jongen… Maar al dat praten is een onderdeel van zijn beweeglijkheid. Als je naar hem kijkt, is hij in beweging, hij duikt in elk gat, hij zwaait met zijn armen, hij loopt naar links en rechts en geeft iedereen een wijze raad. Hij kaffert mij ook rustig uit, maar daar moet je niet zo zwaar aan tillen. Het gaat allemaal in het heetst van de strijd.’

In het heetst van de strijd zag Cruijff ruimtes, openingen en mogelijkheden. Hij creëerde ze zelf, of wees anderen erop. Hij geloofde in zijn inzichten – door zeer weinigen liet hij zich van het tegendeel overtuigen. In hetzelfde boek zegt Cruijff: ‘Ik denk niet dat je leider wordt, ik denk dat het een automatische schifting is. Het is een samengaan van de verantwoordelijkheid naar je toetrekken en de verantwoordelijkheid die ze je geven. Er ontstond dan zoiets van dat ze zeggen: Doe jij dat maar.’ En verder: ‘Leider worden is een karaktertrek. Misschien meer een soort egoïsme.’

Het karakter van Cruijff is net zo moeilijk te doorgronden als zijn spel dan wel denkpatronen. ‘Relativeren? Nee, dat zit niet in mijn karakter.’ En: ‘Rancune is de beste motivatie’. Hij genereert zelf de druk die hij nodig heeft om te kunnen presteren. Het is vaak omschreven als het conflict-model, gehanteerd door Cruijff, dat mensen tot nieuwe uitdagingen leidt.

Je zou bijna zeggen: Cruijff doet maar wat, hij doet wat in hem opkomt, oorspronkelijk, niet gestoord door andere reflecties. Dat was het niet – en toch wel. Jorge Valdano, voormalig Argentijns international (ten tijde van Maradona), voormalig technisch directeur van Real Madrid, schrijver en dichter schreef: ‘De basis van zijn talent was het bedrog. Hij holde hard omdat hij ging stoppen, hij stopte omdat hij ging rennen, hij deed alsof hij een pass ging geven of een schijnbeweging ging maken, hij begon een schijnbeweging omdat hij een pass ging geven, hij keek naar links om een oplossing op rechts te zoeken.’

Een vriendin van zijn vrouw Danny zei eens: ‘Aan Johans benen kon je van achteren goed zien, aan zijn loopje, dat hij twee kanten op kon gaan.’

Ik liep einde jaren negentig in Manchester achter Johan en zijn vrouw – hun zoon Jordi speelde destijds bij Manchester United. Ze stapten uit een taxi en liepen naar een markt. Niemand reageerde – hoewel er wel werd gefluisterd. Ik zag vóór mij zijn benen. Ik zag zijn armen die naar een bepaalde marktkraam wezen. Ik zag zijn benen lopen, zijn armen bewegen, zijn vrouw reageren en voegde me uiteindelijk bij het echtpaar. Johan was allerminst verrast toen ik hem aanklampte – zo was hij, nooit verrast, altijd levend in het moment. Óf de man die deed of hij nooit verrast was.

Hij beantwoordde mijn begroeting met: ‘Hoi’. Niet meer en niet minder. Gewoon zoals stervelingen dat onder elkaar doen. Danny zei: ‘Hallo’ – en nam wat afstand. Ik liep naast Johan Cruijff, een gewoon mannetje eigenlijk in wie ik echt geen heilige herkende. In tegenstelling tot het gevoel dat ik bij mijn ontmoeting met Michael Jordan in 1992 in Chicago had – vooral na diens stevige handdruk en de directe blik waarmee hij mij in de ogen keek én in mijn hart. Wat een man! Kippenvel, nog steeds als ik eraan terugdenk. Dat heb ik bij mijn ontmoetingen en gesprekjes met Johan nooit gehad.  Johan was Johan, altijd en overal. Niks bijzonders.

Zomaar uit het niets zei Cruijff tijdens de wandeling in Manchester: ,,Zie je die mensen hun spullen verkopen. Ze geloven in wat ze aanbieden.’’ Of dat iets met zijn voetbal te maken had? ,,Misschien, ik doe wat ik doe, de een noemt mij een balletdanser, de ander een hork. Nou ja, het is toch gewoon wie je bent. Fijn dat je hebt genoten van mij. Genieten van een ander. Kijken wat een ander kan. En dat is altijd meer dan je dacht.’’

Dit is een uitgebreide versie van het artikel dat op 25 maart 2016 is verschenen in de bijlage van NRC Handelsblad bij het overlijden van Johan Cruijff

Verwondering maakt vrijer

26 Jun

Noem het mijn schrijn, het nachtkastje waar ik op uitkijk als ik op mijn kussen zit. Ik adem de geur in van wierook, adem weer uit en zie voor het eerst mezelf. Daar voor me. Ben ik dat? Ja, dus. Een wereld gaat voor me open.

Ik ontwaar boeken met titels als Op Karakter, De Verstopte Mens, Geduld, Altijd Verder, The Shambhala Principle, De cultus van het lijden, Bekentenissen van een gemaskerde, De taal van de gevoelens,, Je moet je leven veranderen en Waarover praten wij als wij over liefde praten. Een Oscar-beeldje met op de voet een inscriptie: ‘de beste vader van de hele wereld’. Een beeldje van een comboy, een relatiegeschenk voor journalisten ter gelegenheid van het wereldkampioenschap wielrennen 1986 in Colorado Springs. Daarnaast door tekenaar Siegfried Woldhek geschonken portretten. Een waarop ik als een psycholoog de bokser Muhammad Ali analyseer en een van Ali alleen, een man die me indringend aankijkt.

guus-van-holland-&-mohammed-ali
Daarnaast een afscheidspagina voor mij als sportverslaggever van NRC Handelsblad, bijeengeschreven door collega’s. ‘Diasporamens, tastend naar ‘t onbestemde’, staat boven een portret dat de Belgische collega Raf Willems voor me schreef. ‘Overal en nergens thuis’, voegde hij er aan toe.

Herkenning streelt mijn ego. Moet ik dat negeren? Omdat ik het ego los zou moeten laten, om me vrijer te voelen. Zoals me dat elke keer weer als oefening wordt aangereikt in boeddhistische geschriften.

Hoewel ik al enige tijd zowat elke dag tegenover mijn schrijn mijn stroom van gedachten voorbij laat gaan en vriendelijk tegemoet probeer te treden, is nog niet eerder bovenstaand beeld bij mij binnengedrongen. Waarom niet eerder? Komt dat door wat mij tijdens Shambhala-trainingen en -cursussen werd voorgehouden? Ontspan je, zit als een rots waar rondom water aan- en afstroomt, laat het gaan – en je wordt onverwachte ervaringen gewaar en krijgt onvermoede ontmoetingen. Ik las Het pad is het doel van Chögyam Trungpa en dacht: ‘dat zou mooi zijn’. En het was mooi: verbaasd en verstomd was ik. Laat los en het komt op me af.

De sportbeleving die mij obsedeerde en mij nog veel vreugde, opwinding en vertwijfeling verschaft maar ook weer tot contemplatie (overdenking) aanzet, omdat het me als verslaafd voorkomt (die dilemma’s dus), staat op een paar meter afstand voor mijn wierook snuivende neus, geflankeerd door boeken die mij eerder duidelijk hadden kunnen maken waarom ik ben wie ik ben.

joop alberda boeddha
Joop Alberda, invloedrijk en bekroond sportcoach en sportleider, zei het zo, toen ik hem vertelde dat ik op het boeddhistische pad terecht was gekomen: ,,Zo meanderen we voort. Zoeken doen we allemaal. Het is je gegund.” Het werd me gegund – dus niet afgeraden.

Het werd mede daarom een mooi gesprek met Alberda, met wie ik voor NLcoach interviews deed over de weg die mensen op allerlei gebied hebben afgelegd voordat ze ‘helden’ werden. Met Jaap van Zweden, Hans van Manen, Jan Marijnissen, Mart Smeets, Dirk Scheringa, Youp van ’t Hek, Herman Wijffels en anderen. Alberda weet hoe mensen succesvol kunnen worden. Maar hij beseft ook dat mensen met minder talenten in problemen raken zodra zij verwachtingen niet (meer) waarmaken. Hoe en waarom mensen zichzelf tegen kunnen komen.

Ik vertelde Alberda over mijn verworven inzicht dat verliezers in de media steeds sneller als mislukkelingen worden neergezet. Zoals ik vroeger als journalist regelmatig deed: wie een fout maakte, veroordeelde ik in mijn verslagen voor de krant harteloos.

Blunders! Hoe vaak heb ik die kwalificatie niet gebruikt om van mijn afkeer van sporters die in de fout gingen te getuigen? Sporters dienden in mijn beleving als recenserende verslaggever perfect te zijn, aan mijn verwachtingen te voldoen. Wie niet perfect was of de uitvoering niet ‘naar behoren’ volbracht, deugde niet.

Door meditatie en contemplatie leer ik anders kijken en luisteren naar wat zich om mij heen afspeelt. Zonder oordeel mensen bezien, zoals sportmensen die al hun talenten aanwenden om te tonen wat ze kunnen, hoe goed ze zijn: kijk ze eens bezig zijn. Verwondering, vooral zonder oordeel kijken, is mooier dan kritisch kijken. Mooier dan wachten totdat een fout wordt gemaakt om dan de foutenmaker te diskwalificeren als mislukt of dom.

Bij boosheid dreigt afsluiting, zo merk ik. Openheid en verwondering geven vrijheid en ontspanning. Zoals ik op mijn kussen vrijheid ervaar, daardoor de attributen op het nachtkastje ontwaar en zomaar een beeld van mezelf zie.

Straks als ik naar een sportwedstrijd kijk ga ik mogelijk weer spontaan, primair reagerend, geschokt door onvermoede oerdriften, te keer tegen mensen wier spel of gedrag mij niet bevalt. Om me dan ook de volgende dag nog eens te ergeren aan de verslaggevers die het anders hebben beleefd dan ik, en vaak de verliezers afvallen – zoals ik voorheen vaak deed.

Geen emotie blijft mij vreemd. Sterker: ik raak er steeds meer bekend mee en kan ze daardoor steeds beter duiden. Maar hoe bevrijdend zou het zijn als ik ieder zijn fouten gun, ieder zijn smaak en mening schenk. Laat ze toch (Let it be). Verwonder je, aanvaard ieder mens, iedere smaak of mening. Het maakt niet alleen vrijer, het verheldert en biedt nieuwe inzichten. Zo heb ik ervaren.

Fundamentele Goedheid zit in ieder mens, zo proberen mijn Shambhala-leraren mij te overtuigen. En ik wil het graag zien en beleven. Hoe moeilijk dat ook is. Iedereen doet wat hij niet laten kan, gedreven door angst en ambitie. Angst om te verliezen, ambitie om beter (succesvoller, rijker) te zijn dan een ander. Ik zie het vooral in de sport. Maar dat is de sport, gelegitimeerd eigenlijk. Zodra ik naar andere geledingen in de samenleving kijk, zie ik dezelfde diskwalificaties. Wie niet ‘spoort’, niet voldoet aan de verwachtingen en aan het beeld van de perfecte mens beantwoordt, wordt in de hoek gedreven van mislukkelingen.

Voordat ik op mijn kussen mediterend rust vond, hoorde ik nog niet de vogels, de wind en andere natuurgeluiden. Ik hoorde een boor, motoren, krijsende kinderen. Ik werd boos van het lawaai dat mensen aanrichtten. Toen daalde vaak de vrede neer. In mij. Ik landde. Het werd stil. Iedereen mocht doen wat hij wilde. Ik voelde een glimlach. Wat een verademing. Wat een rust in mijn hoofd.

Straks zit ik weer voor mijn schrijn. Dan zie ik mogelijk weer mezelf. Maar misschien wat anders. Dat elk moment anders is, dat het ook bij andere mensen zo is. Dat iedereen zijn eigen momenten beleeft. Zichzelf probeert te zijn, houvast zoekt en dat niet in de hand heeft.

Vandaag scoren lionel Messi en Robin van Persie, morgen scoren Cristiano Ronaldo en Arjen Robben. Vandaag worden zij vereenzelvigd met God, morgen met de vuilnisman, erger: de duivel. Niets meer waard, verstoten. Mensen, met een groot talent, maar mens. Ik bewonderde Tiger Woods om zijn golfvaardigheden. Journalisten en supporters konden niet genoeg van zijn prestaties krijgen. Vrouwen drongen zich op, gokpaleizen trokken zijn aandacht. Hij was rijk, had een mooie vrouw, leuke kinderen en bereikte de ene na de andere mijlpaal. Hij was God, in ieder geval zijn naaste.

tiger-woods-mother-at-press-conference-021910-lg
Woods raakte verslaafd aan aandacht, seks, aan altijd de beste zijn. Zijn vader, een oud-Vietnamstrijder die van hem van jongs af aan alleen het allerbeste eiste, overleed. Tiger raakte van slag door de dood van zijn meester. Hij sloeg de bal niet meer zoals hij gewend was. Het leven zonder zijn vader die alleen records verlangde, werd ondraaglijk.

Hij sprong uit een vliegtuig en wachtte zo lang mogelijk met het openen van de parachute, putte in opperste verdwazing zijn geest en lichaam uit en overbelastte daarbij zijn spieren, ledematen en gewrichten, met blessures tot gevolg. Hij werd gek zonder zijn goeroe, zijn strenge vader. Hij was de identiteit kwijt die zijn vader en vervolgens zijn bewonderaars hem hadden toegekend. Zijn Thaise moeder herinnerde hem aan zijn boeddhistische opvoeding en hield hem voor zachtmoedig voor zichzelf te zijn. Dan maar niet de beste. Nog steeds is Tiger zoekende, naar zijn leven, zijn identiteit (wie is hij echt?), met en zonder records.

Ik verlang terug naar de prestaties van Tiger Woods. Naar zijn fraaie swings, naar zijn indrukwekkende, zelfverzekerde houding, naar wat ik niet kon en hij wel. Maar als Tiger niet terugkeert aan de top, zal ik met een open geest naar hem kijken en mezelf toefluisteren: ,,Kijk, hij is een mens net als jij, een mens van vlees en bloed.”

Deze column staat in verkorte vorm op de zomeruitgave van de website van De Vrienden van het Boeddhisme: http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/ Guus van Holland is vriend van de Shambhala-sangha in Leiden.