Tag Archives: Francisco Gento

Altijd heb ik in het wit van Real Madrid willen voetballen

1 Jun

Real Madrid. Ik durf de naam van deze club nauwelijks uit te spreken. De kans dat ik overspoeld word met kwetsingen, beledigingen en vuilspuiterij is aanzienlijk. Of ik word gewoon gewoon weggezet als dom; sterker: iemand zonder verstand van voetbal. Je moet van Barcelona houden – of van Ajax. Dat getuigt in het voetbalwereldje van gezond verstand. Nu, ik doe het toch maar. Dan maar geen verstand van voetbal. Ik schreeuw het hier uit: ik sympathiseer met Real Madrid! Ik hoop dat zaterdagavond Real voor de twaalfde keer de Europa Cup voor landskampioenen wint – sinds twee decennia de Champions League genoemd.

Over smaak en liefde kun je lang twisten. Maar mijn gevoel blijft mijn gevoel. Pas op, ik ben geen doorbloede supporter van Real Madrid die zijn leven en welzijn laat afhangen van deze Spaanse voetbalclub. Ik ben een sympathisant, die in de wedstrijden waarin Real uitkomt niet meer dan diep van binnen partij kiest voor de Madrilenen. Niet omdat het mooiste voetbal (Wat is dat eigenlijk? Wie heeft dat als voorwaarde bedacht?) door Real zou worden gespeeld. Dat doen ze namelijk lang niet altijd. Als de Koninklijke voetbalt, voetbalt het elftal (door wie ook gecoacht) binnen haar mogelijkheden om te winnen.

Het voelt nu als een verklaring, sterker als een verontschuldiging, dat ik doorgaans sympathieën koester voor Real Madrid. Alsof ik moet uitleggen waarom ik niet van vis houd en waarom ik een meisje liefheb dat niet de mooiste van de klas is. Waarom? Eenvoudigweg omdat het mijn eigen smaak is, mijn gevoel is waardoor ik me laat leiden. Mijn zintuigen wijzen sinds mijn jongste jeugd (mogelijk zelfs sinds mijn geboorte) mij de weg in het leven. Misschien niet de juiste weg en de mooiste weg. En zeker niet de weg die anderen nemen. Het is wel mijn weg, aangegeven door mijn vader. Zoals wel meer vaders hun zonen de weg wijzen. Voordat je het weet heb je hun weg gekozen.

In juni 1958 hadden wij thuis nog geen televisie. Mijn vader keek bij de buren naar voetbal. Ik keek bij een vriendje op zaterdagmiddag naar de FA Cup Final. Toen de finale van het WK tussen Zweden en Brazilië gespeeld zou worden, haalde mijn vader me over mee naar de buren te gaan. ,,Dan zie je negers voetballen en die kunnen beter voetballen dan blanken. Die verdedigers maken nooit overtredingen. In de aanval staat een jochie van 17, fantastisch, Pelé heet hij. Dan loopt er een lange arrogante neger rond, die kan écht voetballen, Didi. En als rechtsbuiten loopt een manke voetballer die nog beter is dan Stanley Matthews: Garrincha.”

Ik zag het aan en was overweldigd. Altijd bleef ik sindsdien sympathieën koesteren voor Brazilianen. Ik moest er later naar toe, dat beloofde ik mezelf. Ik moest de ziel van Braziliaanse voetballers blootleggen. Dat heb ik als voetbalverslaggever gedaan. Ik was er eind jaren negentig voor het eerst en zag een droom werkelijkheid worden.

Alfredo Di Stéfano

Een jaar na het WK in 1958 was ik lid geworden van de plaatselijke voetbalclub Bennekom. Op een woensdagmiddag kregen wij als jeugdspelers een keer voetbalfilms voorgeschoteld in het Verenigingsgebouw. Een van de films ging over Real Madrid, dat toen al drie keer de Europa Cup had gewonnen. Ik zag op de trillende zwartwitbeelden acties die ik alleen Brazilianen had zien uitvoeren. Ik zag een Real-speler een ongeëvenaard doelpunt maken. Hij stond met zijn rug naar het doel, liet de bal tussen zijn benen doorrollen en veranderde op het laatste moment met zijn hak de richting van de bal: doelpunt. En zo zag ik meer acties en doelpunten die mij in vervoering brachten.

Real Madrid 1958: vlnr Raymond Kopa, Hector Rial, Alfredo Di Stéfano, Ferenc Puskas en Francisco Gento

De man van de toen door mij als geniaal bestempelde actie heette Alfredo Di Stéfano. Rondom hem speelden Francisco Gento, Ferenc Puskas, Raymond Kopa, Hector Rial, José Santamaria en anderen, gehuld in witte broeken, witte shirts en witte kousen. Ze speelden in mijn jongensogen goddelijk. Ik wilde mijn hele leven voetballen in het smetteloos wit. Toen ik zes of zeven jaar later in het eerste elftal van mijn club mocht debuteren, speelden we vaak in het wit (helemaal wit). Onze clubkleuren waren rood-wit gestreept. Ik voelde me koninklijk, helemaal in het wit (zonder reclame), hoog tot op kniehoogte opgetrokken witte kousen over gebruinde benen, zwarte schoenen (de witte strepen had ik met zwart overgepoetst). Ik wilde Real Madrid zijn, eigenlijk wilde iedereen in dat elftal dat. Real Madrid zijn, dat gaf je een onoverwinnelijk gevoel.

Bennekom 1 in het wit van Real Madrid, ik zit links onder

Wit, wit, wit, koninklijk wit. Dat was het voetbal waar ik van droomde. Al moet gezegd dat de Brazilianen, voor zover ik die (op televisie) kon zien voetballen in mijn jeugd, mij ook hadden kunnen bekoren. Mijn vader was mijn zielsverwant. Hij sprong overeind bij een onnavolgbare dribbel van Gento, loeide bij een schot van Puskas en kraaide het uit bij een actie van Di Stéfano.

In het voorjaar van 1962 (ik was 13 jaar) werd in Amsterdam de finale van de Europa Cup tussen Real Madrid en Benfica gespeeld. Ik had in de plaatselijke krant gelezen dat Benfica op de Wageningse Berg logeerde en trainde, zes kilometer van mijn huis. Ik sprong op de fiets, beklom de Wageningse Berg en zag de sterren van Benfica schitteren tijdens de training. Van een bestuurslid kreeg ik een speldje van Benfica. Ik posteerde me achter het doel van Costa Pereira, de machtige keeper van Benfica. Eusebio, Coluna, Aguas, Augusto, Germano en Simoes produceerden kanonskogels. De ballen die naast het doel gingen haalde ik op (na een gevecht met andere bewonderaars) en plaatste die keurig met de binnenkant van de voet terug naar de Benfica-sterren. Na afloop kwam Eusebio met een grote lach op zijn gezicht naar me toe en aaide me over mijn hoofd, als dank voor mijn inspanningen. Het was duidelijk: Benfica zou de volgende dag mijn favoriete ploeg zijn.

Zo keken we naar de finale. Mijn vader was voor Real Madrid (met de toen al 36-jarige Di Stéfano), ik ditmaal voor Benfica. En ja hoor, Benfica won, met 5-3. Ondanks drie doelpunten van Puskas. Maar Eusebio forceerde met twee doelpunten in de tweede helft de beslissing. Ik was blij, mijn held had gewonnen. En daarom ben ik nog altijd een beetje sympathisant van Benfica.

Maar het wit van Real bleef fascineren. Altijd speelden er fantastische voetballers. Soms ook harde en smerige verdedigers, zoals José Antonio Camacho, bijgenaamd ‘het scheermes’. Ach, een scheermes als wapen kan ook fascinatie oproepen. Je moet het maar doen én durven. Ook dat is er sinds het ontstaan van voetbal. Het hoort er bij. Ik kan opgewonden raken van fabuleuze acties van artiesten, maar ook van vernietigende tackles. Dat is voor mij opwinding. Natuurlijk denk ik bij zulke grove acties: oei! Maar hij is wel van de club die ik graag zie winnen. De mantel der liefde verhult veel.

Alfredo Di Stéfano

Zaterdag is de finale Real Madrid-Juventus. In 1998 was ik er als verslaggever getuige van hoe Real in de Amsterdam Arena Juventus versloeg, 1-0, doelpunt Predrag Mijatovic. Daags voor de wedstrijd kon ik samen met een select gezelschap journalisten deelnemen aan een lunch met Di Stéfano met Gento in vijfsterrenrestaurant d’Vijff Vlieghen in Amsterdam. Het lukte mij aan tafel tegenover ‘de blonde pijl’ te gaan zitten, naast een Spaanse tolk. Terwijl Di Stéfano de ene sigaret na de andere opstak en het ene glas witte wijn na het andere dronk, vroeg ik hem wie hij de beste voetballer aller tijden vond. ,,José Manuel Moreno’’, zei Di Stéfano kort en chagrijnig, en nam een slok. Moreno bleek ooit de rechtsbinnen van River Plate Buenos Aires, zijn held bij de club waar Di Stéfano als beginnende voetballer speelde.

Na de lunch liep het gezelschap rond Di Stéfano en Gento over de Amsterdamse grachten naar een fanshop van Real Madrid die door de oude sterren geopend zou worden. Niemand herkende de oude meesters. Di Stéfano keek tijdens de wandeling nauwelijks om zich heen en mompelde op mijn verzoek (ik week niet van zijn zijde) wat over de verloren finale van 1962 in Amsterdam tegen Benfica. Gento zag een leeg blikje cola liggen en begon wat dribbels te demonstreren. Waarop Di Stéfano eindelijk lachte en zei: ,,Paco (de bijnaam van Gento).”

Fernando Redondo

Di Stéfano overleed in 2014. Hij werd 88 jaar. Door hem ben ik sympathisant gebleven van Real Madrid. Ik heb na hem talloze sterren zien schitteren in het Koninklijke wit. Ik was bij wedstrijden in het majestueuze Bernabeustadion toen de Nederlanders Leo Beenhakker en Guus Hiddink er trainer waren. Ik genoot van Butragueno, Michel, Hugo Sanchez, Santillana, Amancio, Juanito, Redondo (!), Roberto Carlos, Ronaldo (de Braziliaan), Didi (de spelmaker van de Braziliaanse wereldkampioen van 1958 en 1962, én uitvinder van de folha seca, de vallende vrije trap). Ik genoot van Netzer, Suker, Prosinecki, Hagi, Kaka, Raúl, Figo, Zidane, Beckham, McManamam, Van Nistelrooy, Robben en vele anderen. Ik zag als verslaggever een aantal Europese finales met Real Madrid en altijd was ik voor Madrid. Zoals nu, hoe sterk Juventus ook is. Ik hoop op prachtige acties van het middenveld Modric, Kroos en Isco, op de kwikzilverige aanvallende verdediger Marcelo, op Benzema, vanzelfsprekend op Cristiano Ronaldo en op het souvereine, soms keiharde verdedigen van Ramos – geen betere verdediger dan Sergio Ramos.

Zinédine Zidane

Maar bovenal hoop ik dat Zinédine Zidane de winnende coach wordt. De Fransman die eens als speler van Juventus en het Franse elftal excelleerde en vervolgens bij Real Madrid deed wat een speler van de Koninklijke wordt geacht te doen: schitteren – en mij in vervoering brengen. Ik hoop dat mijn smaak de goede is. Ik kan er niets tegen doen. Het is mijn smaak en het is mijn gevoel dat mij naar het wit van Real Madrid heeft gedreven. Of het nu de rijkste club ter wereld is, of de club met de meeste schulden, dan wel de club die niet altijd het mooiste voetbal speelt – wat dat ook is. Het is Real Madrid, de club die mijn zintuigen vormde. Mocht het niet lukken, dan zal ik niet lang treuren. May the best team win.

Dit artikel is in de aanloop naar de finale van de Champions League Real Madrid-Juventus (zaterdag 3 juni) geplaatst op de website http://www.dewitteduivel.com. Zie daar ook een portret over Juventus van Bruno Giuntoli, een Nederlandse Italiaan die de Oude Dame liefheeft.

Alfredo Di Stéfano, mijn eerste voetbalidool

9 Jul

distefano

Deze necrologie schreef ik in juli 2014 naar aanleiding van het overlijden van Alfredo Di Stéfano, een van de grootste voetballers aller tijden, een speler met een mythische uitstraling. Hij was mijn eerste voetbalidool.

Tijdens een wandeling in de straten rond het Santiago Bernabeustadion van Real Madrid werd Alfrédo Di Stéfano vorige week zaterdag getroffen door een hartaanval. Het was een dag nadat hij 88 jaar was geworden. Maandag overleed de legendarische Spaanse voetballer, Argentijn van geboorte. Velen noemden hem een van de beste spelers aller tijden, mogelijk zelfs de meest complete voetballer.

In 2005 kreeg Di Stéfano zijn eerste hartaanval. Hij onderging enkele operaties, en bleef mede door een pacemaker goed functioneren. Vorig jaar verloofde Di Stefano, die tien jaar geleden weduwnaar werd, zich met de 36-jarige Costa Ricaanse Gina Gonzalez, ondanks fel verweer van zijn vijf kinderen die hem te kwetsbaar voor een tweede huwelijk vonden en hun vader ontoerekeningsvatbaar wilden verklaren. Gonzalez hielp hem bij het schrijven van zijn autobiografie.

di stefano en gina
‘La saeta rubia’ (de blonde pijl) werd Alfredo Di Stéfano genoemd toen hij eind jaren veertig als middenvoor deel uitmaakte van het sterrenelftal van River Plate, Buenos Aires. Di Stéfano was een razendsnelle aanvaller en later middenvelder die tot aan zijn veertigste veelvuldig scoorde. De Argentijn speelde voor ’s werelds beste clubs, voor River Plate, Millonarios Bogotá en Real Madrid. Voordat Pelé, Maradona en Cruijff zich als grote voetballers manifesteerden, werd Di Stéfano beschouwd als de beste ter wereld.

Dankzij Di Stéfano, zoon van Italiaanse ouders die even buiten Buenos Aires een boerderij dreven, groeide Real Madrid uit tot een voetbalgrootmacht. Dankzij de Argentijnse middenvoor, linksbuiten Francisco Gento en linksbinnen Ferenc Puskas won de club van Realvoorzitter Santiago Bernabéu in de jaren vijftig en zestig zesmaal de Europa Cup. Di Stéfano scoorde in alle finales. Vooral dankzij dit trio kon Bernabéu in Madrid een nieuw stadion bouwen, een stadion met een capaciteit van 100.000 toeschouwers waarin ‘de Koninklijke’ nog altijd speelt.

distefano3
Voor 70.000 dollar kocht Bernabéu in 1953 Di Stefano van Millonarios uit Colombia. Hij was aartsrivaal Barcelona en enkele Italiaanse clubs te slim af. Mede ook dankzij bemoeienis van Generalissimo Franco, die ‘zijn’ club wilde versterken. Di Stéfano, 27 jaar intussen, maakte als aanvaller van Millonarios (waarvoor hij 267 doelpunten in 292 doelpunten maakte), indruk tijdens een toernooi in Madrid. De blond gekuifde Di Stéfano stal meteen ieders hart. Hij scoorde niet alleen, hij was de spelmaker van Millonarios, dat het toernooi overtuigend won. De toeschouwers in het Chamartin-stadion van Madrid waren laaiend enthousiast. Een paar maanden later stond Di Stéfano in Madrid tegenover Barcelona. Real won met 5-0, Di Stéfano scoorde viermaal.

Iedere voetballende jongen droomde er vroeger van in het elegaal witte tenue van Real Madrid te kunnen spelen. Naast Francisco Gento, de Hongaar Ferenc Puskas, de Fransman Raymond Kopa, de Argentijn Hector Rial, de Uruguayaan José Santamaria maar vooral naast Di Stéfano, de razendsnelle, getructe en strategisch geslepen aanvaller. Di Stéfano werd tweemaal (1957 en ’59) uitgeroepen tot de beste voetballer van Europa. Heel weinig mensen hadden in die tijd al (zwartwit)televisie. Voetbal werd spaarzaam uitgezonden. Maar wanneer een film of samenvattend verslag van Real werd vertoond, werd duidelijk dat in het ‘koninklijke’ wit droomvoetbal werd gespeeld. Betere voetballers bestonden er niet in Europa – alleen in Brazilië waar Didi, Garrincha, Vava en vooral Pelé klaar stonden om de wereld te veroveren.

Di Stéfano speelde kort in het Argentijnse elftal, een paar maal in het Colombiaanse elftal en 31 maal het Spaanse elftal. Toch kon hij nooit schitteren op een wereldtoernooi, of hij was geblesseerd of ‘zijn’ land kon zich niet kwalificeren.

De meest memorabele wedstrijden met Di Stéfano waren de Europa Cup-finale van 1960 (Real won met 7-3 van Eintracht Frankfurt: vier doelpunten van Puskas, drie van een weergaloze Di Stéfano). In het Hampden Park van Glasgow waren 127.000(!) toeschouwers getuige van deze demonstratie. https://www.youtube.com/watch?v=1H_89ue5s20.

En ten slotte de memorabele finale van 1962 (Real verloor met 5-3 van het Benfica van Eusebio ondanks drie doelpunten van Puskas, maar de 36-jarige Di Stéfano was voorgoed verslagen). In 1964 vertrok hij naar Espanol, waar hij als 38-jarige in twee seizoenen nog 19 keer scoorde.

Als 16-jarige debuteerde hij bij River Plate. Als jonge aanvaller maakte hij de glorieperiode (eind jaren veertig) mee van de club uit Buenos Aires. La Máquina (de machine), zo werd het elftal genoemd. Toen in 1998 Di Stéfano samen met Gento in Amsterdam was naar aanleiding van Champions League-finale Real Madrid-Juventus werden enkele journalisten uitgenodigd met deze oude sterren (71 en 74 jaar) in het Amsterdamse restaurant d’Vijff Vlieghen de lunch te gebruiken. Het lukte mij aan tafel tegenover ‘de blonde pijl’ te gaan zitten. Terwijl Di Stéfano de ene sigaret na de andere opstak en het ene glas witte wijn na het andere dronk, vroeg ik hem wie hij de beste voetballer aller tijden vond. ,,José Manuel Moreno’’, zei Di Stéfano kort en nam meteen een slok. Moreno bleek de rechtsbinnen van River Plate, die Di Stéfano altijd van de beste passes voorzag.

distefano2
Na de lunch liep het gezelschap rond Di Stéfano en Gento over de Amsterdamse grachten naar een fanshop van Real Madrid die door de oude sterren geopend zou worden. Geen mens die de oude meesters herkende. Di Stéfano keek tijdens de wandeling nauwelijks om zich heen en mompelde wat over de verloren finale van 1962 in Amsterdam tegen Benfica. Gento zag een leeg blikje cola liggen en begon wat dribbels te demonstreren. Waarop Di Stéfano eindelijk lachte en zei: ,,Paco (de bijnaam van Gento).”

Di Stéfano was de jonge held van River Plate, de club die hij samen met andere voetballers tijdens een Argentijnse spelersstaking voor Millonarios Bogotá verruilde. Bij de Ballet Azul (het blauwe ballet) werd hij opnieuw een held. Zoals vier jaar later in Madrid, bij de Koninklijke. Als coach was hij minder succesvol. Hoewel hij nog met Boca Juniors Argentijns kampioen werd, met River Plate hetzelfde deed, en met Valencia Spaans kampioen werd en de Europa Cup voor bekerwinnaars won.

Zijn afscheidswedstrijd als voetballer kreeg hij in 1966. Di Stéfano was 40 jaar, hij had last van een versleten rug. De wedstrijd werd gespeeld in het oude Chamartin-stadion van Madrid. Hij verliet na afloop in tranen het veld. Hij was vijf keer topscorer van Spanje, scoorde voor Real in 282 wedstrijden 218 keer. In zijn hele profloopbaan maakte Di Stéfano 893 doelpunten. In 1991 kozen Europese voetbaljournalisten op verzoek van France Football hun beste Europese speler aller tijden. Di Stéfano werd royaal winnaar vóór Cruijff, Beckenbauer en Platini.

Zijn zeldzame voetbaltalent valt nauwelijks te beschrijven. Buiten het huis van de erevoorzitter in Madrid staat een monument. Niet van hem als voetballer, maar van een bal. Want zo zei Di Stéfano ,,Niet de voetballer maar de bal moet worden geëerd.’’
Zie hier zijn uitvaart: https://m.youtube.com/watch?v=S1LQOWTsuBo

Deze necrologie werd dinsdag 8 juli gepubliceerd in NRC Handelsblad

Eusébio, de man die de fado vertolkte met zijn voeten

7 Jan

Een aai over mijn bol. Als dank voor de ballen die ik (en andere jongens) voor hem en zijn medespelers bij Benfica vanachter de tribune achter het doel van Costa Pereira had gehaald en met de binnenkant van mijn voet terug in het veld had geschoven, terug naar hem. Hij lachte me toe, zei iets in een onbegrijpelijke taal en liet me in adoratie achter op het voetbalveld van de Wageningse Berg. Daarom werd Eusébio toen mijn idool. Zondagmorgen overleed hij aan hartfalen, Eusébio da Silva Ferreira (71).
http://dewerelddraaitdoor.vara.nl/media/306788
Het was 1 mei 1962. Benfica had zijn trainingskamp opgeslagen op de Wageningse Berg, waar de ploeg in het gelijknamige hotel logeerde. De volgende dag versloeg Benfica in het Olympisch Stadion van Amsterdam dankzij twee doelpunten van Eusebio met 5-3 het Real Madrid (al vijfmaal winnaar van de Europa Cup) van de dertigers Ferenc Puskas (hij scoorde driemaal), Francisco Gento en mijn intussen verdrongen idool Alfredo Di Stéfano.

Eusébio was anders dan Di Stéfano. De Argentijnse Spanjaard was technischer en sierlijker en meer een gewiekste spelmaker dan de Portugees, afkomstig van de voormalige Portugese kolonie Mozambique. Eusébio was sneller, explosiever, sterker, atletischer, en beschikte over een snoeihard schot. Zoals hij dat tijdens de schietoefeningen op de Wageningse Berg liet blijken, toen hij met Aguas, Augusto, Simoes, Germano en Coluna van afstand de prachtige doelman Costa Pereira onder vuur nam.
eusebio
Eusébio behoort tot de beste voetballers aller tijden. Zijn op vele beelden vastgelegde rushes, zijn schoten en zijn vele doelpunten in de jaren zestig vormen daarvan het bewijs. Hij was ook een sportieve voetballer, een sportman die vriendelijk bleef voor zijn tegenstanders – hoezeer ze hem ook met grove middelen tegenspel boden.

Hij had meer trofeeën verdiend dan elf Portugese titels, één Europese clubtitel en één keer Europees voetballer van het jaar. Hij was ook tweemaal topscorer van Europa. Het was het lot van de ‘Parel van Mozambique’of de ‘Zwarte Panter’.

Voetbal stond bij hem in het teken van hartstocht. ‘Als de hartstocht geboren wordt, moet het avondeten wachten’, zei hij in zijn biografie ‘Mijn naam is Eusébio’. Als hij voetbalde, met de bal aan zijn voeten over het veld raasde, was hij gelukkig en dacht hij aan niets anders dan plezier. Angst kende hij niet. Zoals hij dat op blote voeten had geleerd in de sloppenwijk van Lourenco Marques (nu Maputo), de hoofdstad van Mozambique. Spelend met een bal van lompen.

‘Niemand’ werd hij als jongen genoemd, Ninguém. Zijn moeder was een arme weduwe, die de 7.500 dollar over de keukentafel uitspreidde die Benfica voor haar 18-jarige zoon betaalde. Ze beloofde het geld terug te geven als hij niet voldeed.

Eusébio werd op 25 mei 1961 in het immense Estadio da Luz (stadion van het licht) in Lissabon aan het publiek voorgesteld in een oefenpartijtje tegen tweedeklasser Atletico. Hij toonde meteen zijn talenten: met panterachtige versnellingen raasde hij door de verdediging van Atletico, hij scoorde drie keer. Een week later, op 31 mei 1961, speelde Benfica de finale van Europa Cup I tegen Barcelona, maar Eusébio was niet speelgerechtigd en moest in het Wankdorfstadion van Bern vanaf de tribune toekijken.

Op 1 juni 1961 maakte Eusébio zijn officiële debuut in het eerste elftal van Benfica. Hij verloor in een bekerwedstrijd met het B-elftal (omdat de beste spelers nog te vermoeid waren van de bekerfinale) van Vitoria Setubal (1-4), maar Eusébio scoorde wel.

Eusébio voldeed, vanaf het begin. Begin van de zomer speelde Benfica als beste ploeg van Europa in Parijs een galawedstrijd tegen het Braziliaanse Santos, met Pelé, en destijds mogelijk de beste ploeg ter wereld. Hij viel twintig minuten voor het einde in, Benfica stond met 5-0 achter. Eusébio scoorde drie keer. Santos won met 6-3. Pelé, die twee doelpunten maakte, vroeg na afloop wie toch die zwarte jongen was. ,,Dat gaat een grote voetballer worden.”

Eusébio groeide snel uit tot een uitblinker in Portugal en in Europa. Nooit zou hij met volle teugen van zijn status genieten. Nooit zou de weemoed uit zijn ogen verdwijnen. Uitgelaten vierde hij zijn doelpunten en triomfen, in tranen onderging hij nederlagen. Een fadista, een man die de fado, het lied van de weemoed, vertolkte met zijn voeten.
Eusebio-verdriet
Tranen van groot verdriet liet Eusébio na de uitschakeling met het nationale team van Portugal in de halve finale van het wereldkampioenschap van 1966 door Engeland. ,,Ik keek naar de hemel, vroeg God wat ik gedaan had om dit te verdienen, en toen kwamen de tranen’’, zei hij in een portret van Sky Sports. Hij was in het Wembleystadion van Londen lam gelegd en gesloopt door de Engelse ‘terriër’ Nobby Stiles.

Eusébio kwam niet toe aan de weergaloze acties waarmee hij tijdens de kwartfinale tegen Noord-Korea opzien baarde. Menigeen beschouwt de kwartfinale als een van de meest memorabele WK-wedstrijden in de voetbalgeschiedenis. Noord-Korea, dat eerder nota bene Italië uitschakelde, was snel op een 3-0 voorsprong gekomen. Toen ontbond Eusébio zijn ketenen en raasde hij met de Portugese ploeg over de Koreanen heen. Voor de rust werd het 3-2. De eindstand werd 5-3, vier doelpunten van Eusébio. A man in a hurry, kopte een Engelse krant.

De toernooiorganisatie besloot op aandringen van de Engelse voetbalbond de halve finale tussen Engeland en Portugal te elfder ure te verplaatsen van Liverpool (waar Portugal bivakkeerde en zijn wedstrijden op Goodison Park van Everton had gespeeld) naar Londen. Vermoeid door de late treinreis traden de Portugezen aan tegen het gastland. Eusébio was Eusébio niet meer. Portugal was Portugal niet meer. Engeland, met de fameuze Bobby Charlton, won en zou wereldkampioen worden. Eusébio werd topscorer van het toernooi met negen doelpunten. Zijn verdriet was er niet minder om.

Twee jaar later verloor Eusébio weer op Wembley, 1-4. Nu in de finale van de Europa Cup tegen Manchester United. Weer tegen Nobby Stiles, die nog ruwer dan in 1966 de Portugese ster tegenspel gaf. Bij de stand 1-1 kreeg Eusébio een enorme kans, maar vlak voor doelman Alex Stepney miste hij. Eusébio reageerde niet gefrustreerd, maar sportief. Hij gaf de United-doelman een schouderklopje. De Parel van Mozambique ten voeten uit.
eusebiojuicht
Het einde van de glorieuze loopbaan naderde. Chronische knieblessures dreven hem vaak tot wanhoop. Het leven werd meer fado dan voetbal. Hij won nog titels met Benfica, speelde in de Verenigde Staten en in Mexico, maar raakte verslaafd aan de drank en gokken. Vrouwen smeten met zijn geld. Bij Benfica mocht hij nog even hulptrainer zijn. En permanent adviseur. Zoals hij de spelers van het nationale elftal van advies mocht blijven dienen. Hij genoot van zijn heldenstatus, vooral tijdens het EK van 2004 in Portugal. Maar hij kon de diepgewortelde melancholie niet meer verbergen. Zijn gezondheid liet hem steeds meer in de steek.

In de documentaire Football’s Greatest van Sky Sports zei Eusébio in 2011: ,,Ik hoop dat de rouwstoet bij het beeld van mij voor het stadion van Benfica even stopt, dan een ronde om het stadion maakt en dan naar binnen gaat.’’
En zo geschiedde.
eusebio-uitvaart

Deze necrologie verscheen op 6 januari 2014 in verkorte vorm in NRCnext en NRC Handelsblad