Tag Archives: Jan Luitzen

Guardiola: als Cruijff in een chaos helder blijven denken

18 Mei

Het hoeft geen betoog dat Johan Cruijff veel mensen zowel in het voetbal als daarbuiten heeft geïnspireerd. Hij overleed op 24 maart. Zijn eigengereide visie heeft velen op z’n minst aan het denken gezet. Wat zou hij bedoelen? Waarom blijkt vaak dat hij het toch bij het rechte eind heeft gehad? Hij was visionair en coach. Een rolmodel, een vader die je nauwelijks kon betrappen op onzin. Onzin bestond niet in zijn denkwijze. ,,Je ziet het pas als het je doorhebt’’, was een van zijn typerende uitspraken.

Cruijff heeft veel voetballers beter leren voetballen, anders vooral. Zo kunnen voetballen, met die technische vaardigheden, met die inzichten (zeg maar vooruitziende blik) wilde iedereen – maar is niemand gelukt. Zo kunnen coachen, wilden al die spelers die met hem hebben gevoetbald en al die spelers die door hem zijn gecoacht. Dat is bij enkelen wél gelukt. Zij hebben goed naar hem geluisterd en zich vooral door hem laten inspireren. Pep Guardiola, nu een van de beste coaches ter wereld, zou nooit zoveel succes hebben gehad met Barcelona en Bayern München als hij niet door Cruijff was betoverd. Zegt hij.

Tekening Siegfried Woldhek

Tekening: Siegfried Woldhek

En met Guardiola vele anderen. Ronald Koeman, Michael Laudrup, Morten Olsen, Peter Boeve, Gerald Vanenburg, Frank de Boer, Aron Winter, Wim Jonk, Dennis Bergkamp, Phillip Cocu, Frank Rijkaard, John van ’t Schip, Marco van Basten, Luis Henrique, Laurent Blanc en nog veel meer. Voetballers die door Cruijff werden gekneed, die van hem leerden vooruit te denken, die in zijn visie geloofden. ,,Alleen door zijn aanwezigheid, zijn charisma, nam je iets van hem aan’’, zei Guardiola. ,,Iets op anderen overbrengen kun je alleen als je laat zien dat je in je visie gelooft. Dat had Cruijff als geen ander. Dat heb ik van hem geleerd: geloven in wat je doet.’’

In de documentaire The Last Match gaan onder anderen Guardiola en Xavi Hernandez (die nog actief is als speler) in op Cruijffs invloed op Barcelona en het spel dat sinds de komst van de Nederlander als voetballer in 1973 is veranderd. Cruijff wordt getypeerd als een ‘helper’. Cruijff wilde de club, het elftal, zijn medespelers en later zijn spelers helpen beter te worden. Cruijff zei zelf: ,,Wat je niet kunt, kun je leren.’’ Guardiola: ,,Hij heeft mij en andere spelers geleerd om het spel te begrijpen. Noem hem genereus. Als je bereid bent wat je geleerd hebt over te dragen op anderen, moet je wel genereus zijn.’’

Cruijff was als coach een leermeester. Hij liet je meekijken, meevoelen, meespelen en hij liet je bewust fouten maken. Zo zeggen veel coaches die onder hem hebben gespeeld. ,,Je moet goed kijken naar wat je kan en wat je niet kan’’, zei hij tegen Guardiola. En in de documentaire zegt Cruijff: ,,Als je fouten maakt, maak je fouten. Daar kun je van leren. Van goede dingen leer je niks.’’ En altijd vooruit kijken. Altijd van je eigen kracht uitgaan.

Frank Rijkaard neemt in het boek Wie is Johan Cruijff, Insiders duiden het orakel, maar Cruijff heeft zelf het laatste woord (Mik Schots en Jan Luitzen) het debuut van Dennis Bergkamp als 17-jarige in de Europa-Cupwedstrijd tegen Malmö FF als voorbeeld: ,,Dennis moest spelen tegen een 92-voudige international. Johan zei in de bespreking: ‘Deze jongen is op en hoort hier eigenlijk niet meer te staan. Hij kan niet meer lopen, dus blijf hem opzoeken. Al lukt het één keer, twee keer, drie keer niet, gewoon blijven gaan, dan speel je hem volledig weg’. Daardoor ging Dennis blij het veld in en speelde hij een weergaloze wedstrijd. Iedereen kende Dennis meteen.’’

Rijkaard verduidelijkt: ,,Johan waarschuwde hem nergens voor. Hij gaf hem alleen de mogelijkheid om uit te gaan van zijn eigen kracht en te durven die te laten zien. Hij versimpelde het: ‘die tegenstander moet je wegspelen, klaar’. Hij zei niet eens: ‘trek het je niet aan dat je tegen een geroutineerde tegenstander komt te spelen’, want als je zegt ‘trek het je niet aan’ dan gaat een jonge speler al met knikkende knieën het veld in.’’

Rijkaard werd langzaam een bewonderaar en adept van Cruijff. Op voorspraak van Cruijff werd Rijkaard trainer van Barcelona en legde hij de basis voor wat Guardiola met de Spaanse club zou bereiken. Als speler van Ajax had hij de coach Cruijff nog de rug toegekeerd, in september 1987, en vertrok hij met slaande deuren: ‘Krijg toch de kolere met je eeuwige gezeik.’ Cruijff had hem eindeloos gevraagd de leidersrol naar zich toe trekken. Cruijff geloofde in Rijkaards kracht, Rijkaard was te bescheiden. Cruijff is altijd blijven geloven in Rijkaards kracht. Ze hebben het later uitgepraat. Niet dat ze het eens werden. Maar Rijkaard vond het bewonderenswaardig van zijn leermeester dat hij bleef geloven in wat hij (in hem) zag.

Tonnie Bruins Slot was de super-assistent van Cruijff. In de Telegraaf verhaalde hij over Marco van Basten, eerst speler, toen coach, zelfs bondscoach, nu assistent-bondscoach. ,,Marco komt bij Ajax langs even nadat hij naar AC Milan was getransfereerd. ‘Gaat lekker Johan, ik voetbal mee, laat me terugzakken, paar leuke steekballen en wat assists’. Cruijff antwoordde: ‘Welk nummer heb je? Nummer 9. Een nummer 9 in Italië moet scoren, niet meevoetballen anders beland je als buitenlander zo op de bank’. De volgende wedstrijden scoorde Van Basten aan de lopende band.’’

Bruins Slot: ,,Cruijff dacht tegendraads en tegelijkertijd liet hij spelers beslissingen nemen. Bewust terwijl zij zich nergens van bewust waren. Stanley Menzo of Hans Galjé onder de lat bij Ajax? Iedere week liet hij twee spelers partijtje kiezen zoals op straat. Achtereenvolgens Spelbos, Rijkaard en Van Basten kozen Menzo. ‘Moet ik dan Galjé opstellen?’’’

Cruijff prikkelde het eergevoel van spelers. Zoals met Van Basten. Af een toe een por geven. Niet weglopen van conflicten, sterker: conflicten creëren. Om de boel op scherp te zetten. ,,In een grote chaos helder blijven denken, dat kon Johan als geen ander’’, aldus Guardiola. ,,En je proberen te verplaatsen in anderen. Nadenken over wat zij denken en doen. Dat leerde ik van hem. Wel je eigen weg kiezen, maar de anderen serieus nemen, als voetballer en als mens. Mensen willen helpen. Dat kon hij goed, mensen leren hoe ze beter worden.’’

Typerend voor de gedrevenheid, de durf en de confrontatie aangaan met de vijand komt in The Last Match aan de orde tijdens een gesprek tussen Cruijff en Xavi. In zijn eerste wedstrijden bij Barcelona (1973) dook Cruijff met de bal aan de voet koelbloedig het strafschopgebied van de tegenstander in. Zijn Spaanse medespelers schrokken zich dood. Dat deed je niet: ‘Blijf uit de buurt van de zestien’. Daar schopten en sloegen de verdedigers je kapot. Zo ruw werd er gespeeld door Spaanse verdedigers. Cruijff: ‘Je gaat er op af.’ Niet bang zijn, afschrikken. Doe wat je goed kunt. Concentreer je op je hoofdtaak en houd je rug recht. Ofwel, speel simpel en geniet ervan.

Zo heeft Johan Cruijff het zijn spelers willen leren. Zo willen zijn spelers het als trainer/coach hun spelers leren. Helder blijven denken, ook na een nederlaag. Bruins Slot: ,,Heel Feyenoord – met Cruijff – was geknakt na de 8-2 bij Ajax, in 1983. Johan kwam de kleedkamer uit en zei met de voor hem kenmerkende vanzelfsprekendheid: ‘Ach, het zijn maar twee puntjes’. Later won Feyenoord de dubbel.’’

Dit artikel is gepubliceerd in NLcoach 2016-02

Johan Cruijff deed ‘gewoon’ wat in hem opkwam

26 Mrt

Hoe duid je genialiteit, van een voetballer nog wel? Het is bijna onmogelijk in woorden uit te drukken waartoe een voetballer in staat is die genialiteit wordt toegedicht. Wat is dan die bijzondere begaafdheid die hem boven andere voetballers uittilt? Het is meer dan talent, het is iets waar zintuigen geen vat op krijgen.

Zo verging het mij toen ik Alfrédo Di Stéfano zag, Pelé en de andere Brazilianen zoals Garrincha, Didi, Rivelino, Gerson. En Faas Wilkes. En later Johan Cruijff, Diego Maradona, Zinédine Zidane, Lionel Messi en Cristiano Ronaldo. Voetballers die op een voetbalveld iets doen wat geen trainer je kan leren. Vergelijkbaar met basketballers als Michael Jordan, boksers als Muhammad Ali en golfers als Tiger Woods, voordat diens verstand de boventoon ging voeren. Het is niet te evenaren, laat staan te overtreffen, hoe graag je dat als voetballer ook wilt – altijd op de zoektocht naar nieuwe bewegingen, nieuwe trucs, nieuwe acties, nieuwe, nog niet uitgevoerde voorstellingen.

Tekening Siegfried Woldhek, uit mijn bundel Sportportretten op Maandag (2002)

Tekening Siegfried Woldhek, uit mijn bundel Sportportretten op Maandag (2002)

Doe geen moeite om genoemde voetballers met elkaar te vergelijken. Ze zijn allemaal verschillend – en toch buitenaards (om een wanhopige poging tot duiding te doen). Laten we ons beperken tot Johan Cruijff, een blanke Nederlander nota bene, geboren en gevormd in een land waar elastische, louter op gevoel en door intuïtie gestuurde lichamen  – vanuit mogelijk calvinistisch standpunt  – zeldzaam zijn. 

Hij deed wat in hem opkwam, op het voetbalveld en daarbuiten. Hij volgde zijn gevoel, probeerde anderen ervan te overtuigen dat ook te doen – en speelde zoals spelen bedoeld is. Plezier, daar gaat het om. Pas op voor je verstand, anders raak je in verwarring. Doe wie je van nature bent en analyseer waarom je dat doet: wat gebeurt er met je als je de Cruijffiaanse dan wel de Messiaanse bewegingen uitvoert – of die van Jordan, Ali en Woods?

Flow is een begrip dat tegenwoordig steeds meer aantrekkingskracht oproept in de sport. Het is een mentale toestand, medio jaren zeventig in het boek Flow, psychologie van de optimale ervaring na empirisch onderzoek al uitgekristalliseerd door Mihaly Csikszentmihalyi, een Amerikaans-Hongaarse psycholoog. Kijk naar beelden van Cruijff en je weet wat hij bedoelt. Een activiteit waarin je volledig opgaat in je bezigheden. Als in een voortdurende stroom (roes) waarin je wordt meegevoerd. Mensen kunnen in de staat van flow boven zichzelf uitstijgen, en sneller leren en nieuwe inzichten verkrijgen.

Cruijff deed niet zo moeilijk over zijn vermeende genialiteit. Hij deed het gewoon (flow?) en liet je als medespeler of later toen hij coach was, voelen wat er gebeurde als je zó bewoog, zó draaide of zó de bal speelde. Velen begrepen hem, velen niet. Het is lastig als genie om gewone stervelingen te overtuigen van hun mogelijkheden. Doe zo en zo en je ziet een opening. ,,Nee, Johan, ik zie het niet. Ik niet, ik ben maar een gewone sterveling.” Zo moet het veel gewone stervelingen zijn vergaan.

In zijn boek Lof van de sport schrijft Hans Ulrich Gumbrecht (Duits-Amerikaanse filosoof, socioloog en hoogleraar aan Stanford University) in een ‘esthetica van de atletische prestatie over zijn fascinatie’ van de sportman die hij zojuist heeft bewonderd: ‘Uren later, als je van het stadion naar je auto loopt, uitgeput zoals je die week nog niet eerder bent geweest, zul je hieraan terugdenken als een moment van onwankelbaar geluk. Opnieuw zal die mooie manoeuvre ertoe leiden dat je borst opzwelt en je hart sneller gaat kloppen, maar nu zonder de nervositeit van daarstraks. In je herinnering zie je dat spelmoment weer ontstaan, en terwijl je het vast wilt houden, trekt er een rilling door je beenspieren, alsof ze gestalte willen geven aan wat jouw held een uur heeft volbracht.’

Mooi en herkenbaar beschreven. Zijn beleving gold niet de performance van Johan Cruijff, maar die van zijn eigen idolen: Michael Jordan, Pelé, Jesse Owens, Akebono, Maradona, Zinédine Zidane, Joe Montana of Egon Loy. Iedereen laat in zijn verafgoding wierookstokjes gloeien naar eigen geur, kleur en voorkeur.

Flipper, zo noemden ze Cruijff. Aldus oud-Ajacied Henk Groot in 1966, vlak nadat ‘Johan’ als tiener werd toegevoegd aan de selectie van het eerste elftal van Ajax. ‘Hij is altijd aan het woord. Je kunt geen onderwerp aansnijden of Cruijff praat mee’, zegt Groot in Wie is Johan Cruijff? Insiders duiden het orakel, maar Cruijff zelf het laatste woord (2007, Mik Schots en Jan Luitzen). ‘Hij heeft ongelooflijk veel praatjes. Onder mekaar kunnen we het best hebben, want hij is een doodgoeie jongen… Maar al dat praten is een onderdeel van zijn beweeglijkheid. Als je naar hem kijkt, is hij in beweging, hij duikt in elk gat, hij zwaait met zijn armen, hij loopt naar links en rechts en geeft iedereen een wijze raad. Hij kaffert mij ook rustig uit, maar daar moet je niet zo zwaar aan tillen. Het gaat allemaal in het heetst van de strijd.’

In het heetst van de strijd zag Cruijff ruimtes, openingen en mogelijkheden. Hij creëerde ze zelf, of wees anderen erop. Hij geloofde in zijn inzichten – door zeer weinigen liet hij zich van het tegendeel overtuigen. In hetzelfde boek zegt Cruijff: ‘Ik denk niet dat je leider wordt, ik denk dat het een automatische schifting is. Het is een samengaan van de verantwoordelijkheid naar je toetrekken en de verantwoordelijkheid die ze je geven. Er ontstond dan zoiets van dat ze zeggen: Doe jij dat maar.’ En verder: ‘Leider worden is een karaktertrek. Misschien meer een soort egoïsme.’

Het karakter van Cruijff is net zo moeilijk te doorgronden als zijn spel dan wel denkpatronen. ‘Relativeren? Nee, dat zit niet in mijn karakter.’ En: ‘Rancune is de beste motivatie’. Hij genereert zelf de druk die hij nodig heeft om te kunnen presteren. Het is vaak omschreven als het conflict-model, gehanteerd door Cruijff, dat mensen tot nieuwe uitdagingen leidt.

Je zou bijna zeggen: Cruijff doet maar wat, hij doet wat in hem opkomt, oorspronkelijk, niet gestoord door andere reflecties. Dat was het niet – en toch wel. Jorge Valdano, voormalig Argentijns international (ten tijde van Maradona), voormalig technisch directeur van Real Madrid, schrijver en dichter schreef: ‘De basis van zijn talent was het bedrog. Hij holde hard omdat hij ging stoppen, hij stopte omdat hij ging rennen, hij deed alsof hij een pass ging geven of een schijnbeweging ging maken, hij begon een schijnbeweging omdat hij een pass ging geven, hij keek naar links om een oplossing op rechts te zoeken.’

Een vriendin van zijn vrouw Danny zei eens: ‘Aan Johans benen kon je van achteren goed zien, aan zijn loopje, dat hij twee kanten op kon gaan.’

Ik liep einde jaren negentig in Manchester achter Johan en zijn vrouw – hun zoon Jordi speelde destijds bij Manchester United. Ze stapten uit een taxi en liepen naar een markt. Niemand reageerde – hoewel er wel werd gefluisterd. Ik zag vóór mij zijn benen. Ik zag zijn armen die naar een bepaalde marktkraam wezen. Ik zag zijn benen lopen, zijn armen bewegen, zijn vrouw reageren en voegde me uiteindelijk bij het echtpaar. Johan was allerminst verrast toen ik hem aanklampte – zo was hij, nooit verrast, altijd levend in het moment. Óf de man die deed of hij nooit verrast was.

Hij beantwoordde mijn begroeting met: ‘Hoi’. Niet meer en niet minder. Gewoon zoals stervelingen dat onder elkaar doen. Danny zei: ‘Hallo’ – en nam wat afstand. Ik liep naast Johan Cruijff, een gewoon mannetje eigenlijk in wie ik echt geen heilige herkende. In tegenstelling tot het gevoel dat ik bij mijn ontmoeting met Michael Jordan in 1992 in Chicago had – vooral na diens stevige handdruk en de directe blik waarmee hij mij in de ogen keek én in mijn hart. Wat een man! Kippenvel, nog steeds als ik eraan terugdenk. Dat heb ik bij mijn ontmoetingen en gesprekjes met Johan nooit gehad.  Johan was Johan, altijd en overal. Niks bijzonders.

Zomaar uit het niets zei Cruijff tijdens de wandeling in Manchester: ,,Zie je die mensen hun spullen verkopen. Ze geloven in wat ze aanbieden.’’ Of dat iets met zijn voetbal te maken had? ,,Misschien, ik doe wat ik doe, de een noemt mij een balletdanser, de ander een hork. Nou ja, het is toch gewoon wie je bent. Fijn dat je hebt genoten van mij. Genieten van een ander. Kijken wat een ander kan. En dat is altijd meer dan je dacht.’’

Dit is een uitgebreide versie van het artikel dat op 25 maart 2016 is verschenen in de bijlage van NRC Handelsblad bij het overlijden van Johan Cruijff

%d bloggers liken dit: