Archief | Voetbal RSS feed for this section

De duizelingwekkende uitstraling van Borussia Dortmund

20 mrt

Vanuit hun verschillende invalshoeken voeren Raf Willems en Guus van Holland een wekelijkse briefwisseling in deze rubriek Social Football Lab 2020 Histories, op http://www.socialfootballab2020.com

Brief 6:

Beste Raf,

Steeds meer neem ik afstand van het hedendaagse voetbal vooral sinds het allesverslindende kapitaal hand in hand gaat met verregaande opwinding en agressie op het veld en op de tribunes. Omdat voetbal al sinds mijn jongste jaren in mijn bloed zit, kan ik het niet laten soms nog te kijken. Zoals afgelopen week, toen Borussia Dortmund de strijd moest aanbinden tegen Juventus. Twee clubs met een bijzondere historie.

Borussia zag ik al schitteren dankzij Die Sportschau in de jaren zestig. Toen moderator Ernst Huberty op zaterdagavond om 6 uur de wedstrijden aankondigde. Dan werd ik vooral gegrepen door het elftal uit Dortmund dat aan de Rote Erde speelde. Ken je nog ‘Hoppie’ Kurrat, Lothar Emmerich. Sigi Held, Timo Konietzka, Hans Tilkowski, Reinhold Wosab, Rudi Assauer? Het was de club die ik graag volgde, in de Duitse competitie en in de Europa Cup. Wat een beleving.

Ik ben later eens gaan kijken op de Rote Erde, dat pal naast het nieuwe Westfalenstadion (tegenwoordig Signal Iduna Park) ligt en nog wordt gebruikt voor het tweede elftal van Borussia en voor atletiekwedstrijden. Ik stond daar op de tribune en hoorde in mijn herinnering het strijdlied van vroeger ‘Humpa, humpa BVB’, dat later (zonder BVB) in meer stadions werd gezongen.

borussia (1)
Een paar uur later zat ik dan in het stadion van nu, dat met een capaciteit van 83.000 toeschouwers het grootste van Duitsland is. Dan keek ik uit op de immense Südtribune, dat met een capaciteit van 26.000 de grootste staantribune ter wereld schijnt te zijn. Die Gelbe Wand, je kent de film waarschijnlijk wel.

Ik heb in veel stadions mogen vertoeven. En ik heb er veel kippenvel gehad en koude rillingen op mijn lijf gevoeld (van De Kuip in Rotterdam, Sclessin in Luik,  Anfield in Liverpool, Celtic Park in Glasgow, Camp Nou in Barcelona, Bernabeu in Madrid, Maracana in Rio de Janeiro tot Loezjniki in Moskou, Karaiskakis in Piraeus en stadions in Istanbul, Belgrado, Italië, Spanje, Polen, Engeland en zeker in Nigeria – ook wel heksenketels genoemd), maar in Dortmund kreeg ik echt tranen in mijn ogen. Ik werd overmand, ik wilde vluchten. De confrontatie met die grenzeloze euforie en hunkering naar winnen en doelpunten, die als een wals over je heen komt. De opwinding of de angst werd me te veel – ik weet het niet.

gelbe wand
Deze week was het weer zover. Nu zat ik voor de televisie, op veilige afstand van de Gelbe Wand. Borussia stond voor de taak Juventus te overweldigen. Het elftal moest een 1-0 achterstand, opgelopen in Turijn, ongedaan maken. Terwijl de spelers van beide teams in gelid het veld betraden, ontvouwde zich op de Südtribune een doorschijnend gordijn waarop de triomf in de finale van de Europa Cup van 1997 op Juventus (in München) in herinnering werd gebracht. Ik was erbij in München. Het was toen al een onvergetelijke avond, te midden van dolle Italianen en Duitsers. Het gordijn toonde beeltenissen van trainer Ottmar Hitzfeld en de doelpuntenmakers Karl-Heinz Riedle en Lars Ricken, die de beker (de Europa Cup) tilden. Zo weten de fans van Gelbe Wand altijd weer hun creativiteit te tonen. Ook YouTube biedt talrijke filmpjes.

Het hielp niet afgelopen week. Borussia verloor met 3-0, nota bene in eigen stadion, en werd uitgeschakeld. En het heeft er alle schijn van dat de grote inspirator en coach Jürgen Klopp de greep op zijn spelers heeft verloren. Mogelijk zijn ze uitgeput door het jachtige, opwindende, energievretende immer aanvallende voetbal. Mogelijk komt er een nieuwe lichting, met of zonder Klopp. Mogelijk is de magie van ‘Kloppo’ uitgewerkt, zoals eerder is gebeurd met bijzondere coaches en teams.

Voorlopig moeten de fans met minder genoegen nemen. Maar ze zullen blijven komen. Dat is zeker. Gemiddeld trok Borussia vorig jaar 74.000 toeschouwers. En dat zal niet gauw minder worden. Ze hebben al eerder slechte tijden meegemaakt. Tien jaar geleden kampte de club met grote financiële problemen en werd zelfs voor degradatie gevreesd. Mede dankzij een nieuwe sponsor, die ook oog had voor sociale betrokkenheid en voor het wel en wee van de fans, en dankzij de injectie van coach Jürgen Klopp kwam de club er bovenop. Bayern München, de kannibaal van Duitsland die alle talenten kan kopen en dat ook doet, wankelde even.

Ze houden van acties, de fans van BVB. Een paar weken geleden verspreidde de Fanabteilung een miljoen bierviltjes in de stadscafés, met de tekst ‘Kein Bier für Rassisten – Fussball. Bier. Weltoffenheit’. Een actie tegen vreemdelingenhaat. Aan de achterkant van het viltje staat een telefoonummer waar men kan reageren. Er is een speciale website. En er is een emailadres waar men als caféhouder en restauranthouder viltjes kan bestellen.

reif
Tussen al die betrokken fans bevinden zich onvermijdelijk ook mensen die op een onsportieve wijze reageren wanneer hun club in diskrediet wordt gebracht. De bekende televisiecommentator Marcel Reif kreeg onlangs tijdens een wedstrijd van Borussia een lading bier en spuug over zich heen. Hij had zich geërgerd aan de clowneske, kinderachtige manier van spelers naar aanleiding van een lang gewenste triomf. Ze hadden zich met Batman-maskers uitgedost en Reif vond dat niet zo grappig – kinderachtig. Ook Klopp vond de reactie van Reif niet getuige van gevoel voor humor. Wat vindt hij nou wel leuk, die oude man? Maar Reif werd vervolgens ook bedreigd en geïntimideerd, zelfs buiten Dortmund. Gelukkig haastte Klopp zich toen te verontschuldigen, ook voor het gedrag van de fans.

Het is het gedrag van supporters dat overal in de wereld wordt getoond, zodra andersdenkenden hun club bejegenen. Ze voelen zich nu eenmaal snel beledigd. Het is hun club, en daar blijf je van af. De Duitse krant Die Welt besteedde er een groot en genuanceerd artikel aan. Zoals het een kwaliteitskrant betaamt. Maximale betrokkenheid maar ook maximale distantie. Waarom mogen verslaggevers niet kritisch zijn? De schuld van slechte prestaties ligt toch niet bij de journalist? Slechte prestaties zijn voor hem slechte prestaties, Schwalbes zijn voor hem Schwalbes en apengehuil blijft apengehuil. Dat mag de journalist toch vinden? Of, zo meent de auteur in Die Welt, moet hij het eigen nest (het voetbal) niet bevuilen – hij leeft immers van voetbal, van sport. O, hij moet alles mooi en prachtig vinden, en altijd positief zijn, anders bevuilt hij de ruif waaruit hij eet.

Het is het geluid dat overal en al jaren, ook in Nederland en België, klinkt. In Duitsland werd door de affaire Reif-Borussia enige tijd in de media een interessante discussie gevoerd, met veel betrokkenen, van menig Bundesligaclub. Ach, zo luidde het commentaar in Die Welt: onder Bayern-fans is Reif een Bayern-hater en Borussia-fan, onder Borussia-fans is hij een Borussia-hater en een Bayern-fan. Zo zal het altijd blijven. Dat is voetbal.

De ervaren Reif (65 jaar) trekt zich er (ervaren en verstandig als hij is) niets meer van aan en gaat gewoon weer naar het stadion. Omdat hij zich daartoe zoals altijd geroepen voelt. Klopp, een man die voor rede vatbaar is en de samenleving probeert te doorgronden, heeft inmiddels de vrede getekend en erkent dat het altijd tussen enerzijds verslaggevers en anderzijds coaches, spelers en fans zal botsen. De fans hebben zich kunnen uiten, wel of niet sportief, en blijven hun club trouw.

Not For Sale
Laatst organiseerden de supporters in de stad Dortmund een ‘Fanmarsch’. Ter herinnering aan het dreigende faillissement van tien jaar geleden. Op 14 maart 2005 trokken de fans namelijk demonstrerend door de straten, uit angst voor het voortbestaan van hun club, uit angst voor vreemd kapitaal. Achter een immens spandoek met Not for Sale.

Voorafgaande aan de thuiswedstrijd tegen FC Köln trokken tweeduizend supporters tien jaar later opnieuw door de stad om duidelijk te maken dat de leiding ondanks de teleurstellende prestaties (geen kampioenskandidaat, geen deelname aan de Champions League, geen extra inkomsten) zich niet moet uitleveren aan kapitalisten. Destijds is het ook goed gekomen. Dat moest weer even gezegd worden. Nu komt het vast weer goed. ‘Om niet te vergeten waar we vandaan komen.’ Borussia is Borussia (BVB 09), een club van het volk. En dat moet het blijven.

Borussia Dortmund is een club waar je van kunt gaan houden, ook als niet-supporter. Gewoon een club die je doet begrijpen waarom voetbal intens beleefd wordt. Zoals er natuurlijk veel meer clubs zijn. De fans hebben nood aan zo’n club, zoveel duizenden die honger hebben naar voetbal – of eenvoudig invulling van hun (saaie) leven. Of ze het zonder de invloed van het grootkapitaal volhouden, is natuurlijk de vraag.

kurrat
Ik moet maar weer eens naar Dortmund, Raf, naar het Signal Iduna Park, naast de Rote Erde. Misschien kom ik Dieter ‘Hoppie’ Kurrat nog tegen. Die kleine gifkikker die alles in zich had wat mij destijds in Borussia Dortmund zo aansprak: Kampfgeist. Hij was te klein (1 meter 62), anders, zo zei bondscoach Helmut Schön, was hij voor jaren een vaste international geweest. Klein met een groot hart, dat alleen voor Borussia slaat.

Gelukkig kan ik nog genieten van voetbal, Raf. Ik hoop dat het zo blijft.

Ik kijk uit naar je volgende brief,
Guus

Voorgaande brieven:
Brief 1: https://guusvanholland.com/2015/02/06/op-6-februari-denk-ik-aan-de-busby-babes/
Brief 2: https://guusvanholland.com/2015/02/20/leonardo-een-kind-en-prooi-van-voetbalhandelaars/
Brief 3: https://guusvanholland.com/2015/02/27/bij-de-verjaardag-van-roberto-baggio-een-boeddhist/

Brief 4:
https://guusvanholland.com/2015/03/06/als-ik-aan-gascoigne-denk-denk-ik-wie-is-de-volgende/
Brief 5:
https://guusvanholland.com/2015/03/13/mijmering-bij-de-750-ste-opvoering-van-xavi-voor-barca/

Mijmering bij de 750ste opvoering van Xavi voor Barça

13 mrt

Vanuit hun verschillende invalshoeken voeren Raf Willems en Guus van Holland een wekelijkse briefwisseling met elkaar in deze rubriek Social Football Lab 2020 Histories, op http://www.socialfootballab2020.com

Brief 5:

Waarde Guus,

Deze week laat ik je graag op een bepaalde manier kijken naar Xavi. Hij zal gevierd worden voor zijn 750ste optreden in het shirt van FC Barcelona. En toch, Guus, nadert het einde. Het afscheid van Xavi (25-1-1980) is nakend. Sinds 2008 – met de opkomst van Guardiola – bekeek ik hem vrijwel wekelijks op de betaalzender. Het was een puur genot voor mij, ik ken weinig voetballers met de unieke combinatie zelfverzekerdheid-sportiviteit-intelligentie in één persoon.

<> at Nou Camp on August 2, 2013 in Barcelona, Spain.
Ik was erbij, midden augustus 2014. Het was spannend. Zou hij spelen of niet tijdens de galawedstrijd Juan Gamper Trophy, waar het team traditioneel werd voorgesteld aan het publiek? In de weken vooraf had hij een conflict gehad met de nieuwe coach Luis Enrique. Die kon hem geen basisplaats meer verzekeren. Hij was ‘not amused’ en dreigde met een vertrek naar de Verenigde Staten. Hij mocht invallen en nadien, als aanvoerder, de trofee in ontvangst nemen: Barça won spelenderwijs met 6-0 van het Mexicaanse Club Leon. Ik zat achter het doel en keek naar het erepodium aan de andere kant van het veld. Ik proefde een zekere spanning bij het publiek. Voelden de culés aan dat dit de laatste keer was dat Xavi hen toezwaaide met deze beker?

Xavi Hernandez i Creus: hoe kijkt de beste middenvelder van de 21ste eeuw naar het voetbal? Stap even mee in de denkwereld van Xavi, Guus. Aan de hand van wat door kenners zijn beste match ooit wordt genoemd: Real-Barça 2-6 op 2 mei 2009.

Volgens de website http://www.spain-football.org: ‘In the Real Madrid-Barcelona Clasico in the Bernabeu he gave a recital and each assist was a work of art.’ De website met de wervende slogan ‘Enjoy the beautiful game in sunny Spain’ schonk hem de titel ‘a doctorate in football’. Xavi, de voetbaldoctorandus dus.

Bestaat er iets dat we uit vollere overtuiging beamen? Hemel, neen!

Keren we even terug naar die Clasico. Men schrijve 2 mei 2009, het is een dag voor een middeleeuws monnikengeschrift, in de bevalligste kalligrafische belettering. Xavi gaf een recital in Bernabeu, elke assist was een kunststukje. Real Madrid-FC Barcelona 2-6, 2 mei 2009, voor de volledigheid. In de toekomst zou 2-6 volstaan. Dat werd een begrip op zichzelf. Voor culés in de kroegen rond de Rambla een reden tot uitbundigheid, voor de Realgezinde mens een reden tot nederig het hoofd afwenden. 2-6, vier tegen twaalf, het had ook gekund, maar dat bekt niet.

2-6 klinkt. Het klinkt goed. 1-0, 1-1 Henry, 1-2 Puyol, 1-3 Messi. Pauze. 2-3, 2-4 Henry, 2-5 Messi, 2-6 Pique. Einde. 2-6! Tiens: zonder de naam van Xavi in de scorelijn.

We lazen toch: ‘He gave a recital and each assist was a work of art.’

A work of art, each assist. Inderdaad, liefst vier van de zes doelpunten vertrokken bij de voet van Xavi. Beter gezegd: in het brein van Xavi. Ze beelden hem uit zoals hij is, die vier voorzetten. Kijk en herbekijk op YouTube en je weet wie Xavi is. In afwachting ontleden we het hier op papier.

Bij 1-1, negentiende minuut. Vrije trap aan de linker zijlijn. Xavi kijkt en knikt. Knikje. Serieus, ceremonieel bijna. Zonder emotie. Tenzij in dat knikje. Bal punctueel in het overbevolkte strafschopgebied op het hoofd der koppende Carles Puyol. Inknikkende Puyol op knikje van Xavi: 1-2.

Bij 1-2, vijfendertigste minuut. Positie innemen aan de rechterkant, jagen zonder lopen maar op basis van opstelling. De bal afhandig maken van Diarra, niet met een sliding of tackle of sliding-tackle maar door de precieze pose. In dezelfde beweging op de schoen van Messi leggen, die vrij voor Casillas alle tijd heeft en neemt om te scoren: 1-3.

Bij 2-3, zesenvijftigste minuut. Even de middencirkelvoetballer uithangen. Niet her en der rondschieten maar verstandig vertoeven rond de witte stip. Timen met de versnelling van Thierry Henry en op de millimeter en de microseconde een lobje in de loop. Henry wurmt zich tussen de bal en de uitkomende Casillas: 2-4.

Bij 2-4, vijfenzeventigste minuut. Ter hoogte van het strafschopgebied, rechterhoek de bal vragen. Draaien naar binnen, doen alsof een doelpoging volgt, opnieuw draaien, deze keer naar de andere kant en in één flits Messi in de korte hoek vrije baan geven naar Casillas: 2-5.

Xavi
Zo weet men dus wie Xavi is. Maar wat weet men over Xavi? Wat denkt ‘de man met de gemiddeld meer dan honderd passes per match met een slaagpercentage van 95 procent’ over het spelen van het spel dat voetbal heet?

Hij noemt zichzelf ‘een romanticus’, waarde Guus.

Xavi vertrouwt de mensheid een totaalvisie toe. Hij verdedigt een ideeënstelsel omtrent voetbal, zijn ‘romantiek’ nodigt uit tot beginselvastheid. Hij zoekt de sleutel in ‘opleiding’, van het twaalfde jaar af. Rondkijken, bewegen, zien, denken. Dit alles met de snelheid van een vingerknip, voor men de bal in bezit heeft gekregen. Controleren, kijken, passeren in één gestroomlijnd patroon.

Hij evolueerde tot voorbeeld-voetballer van de 21 ste eeuw. Rond het jaar 2000 vreesde hij te behoren tot het uitstervende ras. Hij dreigde ten onder te gaan tegen de dubbele meters, de ‘box-to-box’-lopers, de krachtpasters, de knokkers of de ‘afvallende bal’-afpakkers. Xavi leek een relict uit het verleden.

Wie vermoedde in hem een voetballer? In dat kleine, naar enige corpulentie neigende mannetje van niet meer dan 1 meter en 70 centimeter hoog? Men doopte hem el petit geni, het kleine genie.

Hij is de middenvelder van het heden en hopelijk van de toekomst: de onetouchman. Waar anderen drie tikken voor nodig hadden, bundelde hij twee bewegingen in één.

Xavi. Xavi Hernandez I Creus dus, wie doet beter? Ik vrees dat hij onvervangbaar is bij Barça.

Benieuwd naar je reactie, waarde Guus.

Met vriendelijke groet,

Raf

Voorgaande brieven: 

 
Brief 1: https://guusvanholland.com/2015/02/06/op-6-februari-denk-ik-aan-de-busby-babes/&nbsp;

 
Brief 2: https://guusvanholland.com/2015/02/20/leonardo-een-kind-en-prooi-van-voetbalhandelaars/&nbsp;

 
Brief 3: https://guusvanholland.com/2015/02/27/bij-de-verjaardag-van-roberto-baggio-een-boeddhist/

Brief 4:
https://guusvanholland.com/2015/03/06/als-ik-aan-gascoigne-denk-denk-ik-wie-is-de-volgende/

Het levenslange gevecht van Paul Gascoigne 

6 mrt

Vanuit hun verschillende invalshoeken voeren Raf Willems en Guus van Holland een wekelijkse briefwisseling met elkaar in deze rubriek Social Football Lab 2020 Histories, op http://www.socialfootballab2020.com

Brief 4

Vriend Raf,

Ik ben je dankbaar voor je brief over Roberto Baggio. Al toen hij nog voetballer was prikkelde hij mijn zinnen. Zijn bewegingen, zijn gezicht, zijn glimlach – gewoon Baggio. Ik spreek zijn naam uit en ik voel tederheid. Het kan geen toeval zijn hij zich wijdde aan de zorg voor mensen die het niet getroffen hebben. Dat hij het boeddhistisch pad vond, zegt veel over Roberto Baggio.

paul gazza
Ik zou willen dat Paul Gascoigne hetzelfde pad had gevonden. Een man in grote nood, door zijn mogelijk niet te genezen alcoholverslaving. Je kent hem van onder meer hetzelfde WK 1990 in Italië waarop Baggio uitblonk. Je herinnert je de tranen die Gascoigne liet nadat Engeland in de halve finale was uitgeschakeld door Duitsland. Twee minuten voor tijd, bij de stand 1-1, kreeg Gascoigne een gele kaart na een wilde tackle. Eenzelfde soort tackle die hij zelf al meermalen in deze wedstrijd van Duitsers had moeten ondergaan. Zelden heeft een Engelsman op een titeltoernooi zo goed en typisch Brits gespeeld. Door die boeking zou hij de finale missen.

Gary Lineker probeerde Gascoigne te troosten en waarschuwde coach Bobby Robson: let op hem, hij stort in. Engeland verloor na strafschoppen. Gascoigne liet zijn tranen de vrije loop. Zelden heb ik een topvoetballer zo emotioneel zien instorten. Heel Engeland sloot ‘Gazza’ in de armen. Maar Gascoigne kon het niet aan. Hij had gefaald, zijn droom was niet uitgekomen. Hij ging nog meer drinken dan hij al deed. Hij slikte pillen, snoof cocaïne en vrat zich dik, om vervolgens een vinger in de keel te steken. „Want als je dik bent, schelden supporters je uit voor fat bastard’’, wist hij uit ervaring.

Elke dag zoek ik op internet naar nieuws over Gascoigne. Een paar weken geleden zat hij in een televisieprogramma. Hij was van de drank af. Hij vertelde over de nieuwe liefde, over solliciteren en andere plannen. Hij zag er goed uit, met zijn sikje. Kort daarna werd hij ‘betrapt’ door een fotograaf (heeft die man niks anders te doen?) terwijl Paul een plastic winkelzakje droeg waarin tussen andere koopwaren een fles gin leek te zitten. The Mirror, die hem al jaren stalkt, vond het nodig de foto te plaatsen, met de titel Is Gazza back on the booze?

Paul Gascoigne was de meest getalenteerde Engelse voetballer aller tijden. Na Duncan Edwards? Tussen 1988 en 1998 schitterde hij voor Newcastle United, Tottenham Hotspur, Lazio Roma, Glasgow Rangers en 57 maal voor het Engelse elftal. In 1990 werd hij door de BBC verkozen tot Sportpersoonlijkheid van het jaar.

Ik schrik van mensen die meedogenloos (onmenselijk) reageren op de drankzucht van Gascoigne: Hij moet eens een kerel worden, gewoon sterk zijn. Het zijn uitingen van mensen die niet weten hoe zwaar het is van een (alcohol)verslaving verlost te worden, hoe zwaar het is jeugdtrauma’s te verwerken. Ze kennen hem niet. Een ster die moest leren omgaan met trauma’s, met veel roem en veel geld, én camera’s, waarmee hij een haat-liefde-verhouding ontwikkelde. Hij werd paranoïde. Je mag mensen niet in de steek laten. Hoe dwars en onberekenbaar ze ook zijn (geworden). Verslaving zoals hij het beleeft, is een ernstige ziekte, vaak met de dood tot gevolg.

Paul-Gascoigne-scores-during-Euro96
Er zijn wel mensen die hem willen helpen. De spelersvakbond, oud-voetballers zoals Gary Lineker, Alain Shearer en Vinnie Jones, coaches als Harry Redknapp. Met geld en mentaal. Vooral door hem aandacht te geven, niet los te laten. Of het helpt? De media zitten hem op zijn huid. Aan de andere kant is ‘Gazza’ ook verslaafd aan aandacht en aan wraak: hij wil laten zien wie hij echt is wat hij echt kan. Dat een leraar op school tegen hem zei: ‘Jij wordt nooit voetballer, niet in een miljoen jaar’. Waarom hij naar de Spurs ging en niet naar Manchester United. Sir Alex Ferguson wilde niet dat de club een huis voor zijn familie kocht. Daar was hij niet goed genoeg voor. Spurs deed dat wel. Fuck Ferguson.

Ja, Raf. Het leven van de geweldige voetballer Gascoigne was allerminst gemakkelijk. Vanaf zijn jongste jeugd. Juist door zijn doorzettingsvermogen heeft hij veel bereikt. Maar een keer breekt de draad. Negen jaar geleden bekende Gascoigne in The Times dat hij twee dagen lang had gehuild nadat hij het manuscript van het boek ‘Being Gazza: My Journey to Hell and Back’ (2006) had uitgelezen. Geschreven door zijn psychotherapeut John McKeown. Het is een gedetailleerd verslag (in dialoog) van de therapiesessies die zij een jaar lang hadden. Gascoigne beschreef zijn leven eerder in ‘Gazza: My Story’. Maar dat was een stoer mannenboek vol drinkescapades. Toen hij in het therapeutische verslag van McKeown de echte feiten en herinneringen las, en de oude pijn beleefde, brak zijn weerstand. Was hij zo’n groot menselijk wrak? Ja dus.

Gascoigne heeft vanaf zijn jeugd veel leed moeten doorstaan. Van het ene trauma in het andere, van de ene ziekelijke obsessie in de andere, van de ene verslaving vluchtend in de andere, van depressies naar zelfvernietiging. Zo vaak als hij de clown uithing, zo vaak was hij het onbegrepen kind. Schreeuwend van geluk, huilend van ongeluk.

being gazza

In het boek van McKeown worden we teruggevoerd naar Gazza’s jeugd in een arbeiderswijk in Gateshead. Om te beginnen met de dood van een broertje van een vriend. Paul was tien jaar, het jongetje op wie hij moest passen acht. Terwijl ze in een snoepwinkel waren, rende het jongetje naar buiten naar een ijscokar. Een auto greep het kind, dat meteen overleed. Als Gascoigne jaren later zijn ogen sloot, hoorde hij weer de moeder van het jongetje schreeuwen, terwijl hij zich over het kind boog.

Kort na de begrafenis ging Gascoigne stotteren en kreeg hij zenuwtrekken in het gezicht. Hij ging al op zijn tiende in therapie. Maar van zijn vader mocht dat niet meer: onzin. Later werden de tics gerelateerd aan het syndroom van Gilles de la Tourette. Tijdens de therapiesessies met McKeown werd duidelijk dat hij toen de eerste tekenen van dwangneurose vertoonde. Hij raakte geobsedeerd door het nummer 5, sloot elke deur en deed overal het licht uit. ,,Deed ik dat, dan zou alles goed gaan.’’

Zijn vader had een hersentumor en kreeg vaak attaques, zijn moeder had drie baantjes om vier kinderen en een zieke man te onderhouden. Paul, de oudste, hield met clownesk gedrag de stemming erin. Intussen was hij niet bij gokmachines weg te slaan. Zijn eerste verslaving. Op zijn vijftiende verloor hij bij een val van een bouwstellage zijn beste vriend die hij had gevraagd hem te helpen bij de bouw van een huis voor zijn oom.

Hij kon goed voetballen. Daarin zag hij een vluchtroute en een manier om zijn familie te steunen. Op zijn zestiende verjaardag kreeg hij een contract als leerling-voetballer bij Newcastle United. Van de meedogenloze manager Jack Charlton (niet bepaald een man met psychologisch inzicht, blijkt uit het boek van Paul en zijn toenmalige psychotherapeut) moest hij binnen twee weken afvallen. Gascoigne begon een vinger in zijn keel te steken om over te kunnen geven en af te vallen. Boulimia.

Alcoholisme volgde, toen hij de druk van roem en prestaties niet aankon en zijn huwelijk kapot ging. Hij slikte amfetaminen en slaappillen. De stemmingswisselingen, paniekaanvallen en depressies volgden. Hij ging steeds meer zuipen, sloeg zijn vrouw en huilde nachtenlang na een nederlaag. Hij sloot zichzelf op in hotelkamers om te drinken, te slikken en te snuiven. Hij kreeg er psychoses, aangewakkerd door drugs- en drankgebruik.

gazza drunk

Hij bezocht op aandringen van zijn vader en zijn vrienden door de jaren heen een handvol rehabclinics. De therapiesessies liet hij varen. Nieuwe therapieën volgden, maar tot nu toe tevergeefs. Gascoigne (47) leeft nog, al zijn de foto’s die worden gepubliceerd afschuwwekkend. Decorumverlies van een man die de voetbalwereld op zijn kop zette door zijn acties, goals en clowneske kunsten. Maar nu staat hij zelf al jaren op zijn kop.

Ja, Raf, when you’re on the losing end.

Het is te gemakkelijk hem alleen zelf de schuld van zijn vernietiging te geven. Dit kan iedere voetballer overkomen, vooral voetballers die veel geld willen verdienen, roem willen vergaren en uiteindelijk niet meer weten wie ze zijn. Hopelijk zijn er in die wereld vol begeerte nog mensen die niet alleen denken aan titels, niet aan spelers kopen of het handelswaar is. Het ís handelswaar. Clubs (hun eigenaars, bestuurders, sponsors, trainers) denken aan kampioenschappen, deelname aan Champions League, Europa League, bekers, play offs.

Als ik aan Paul Gascoigne denk, denk ik: wie is de volgende?

Wie stopt de verdwazing Raf? Roberto Baggio en zijn geestverwanten?

Ik kijk uit naar je antwoord,

Guus
Voorgaande brieven:

Brief 1: https://guusvanholland.com/2015/02/06/op-6-februari-denk-ik-aan-de-busby-babes/

Brief 2: https://guusvanholland.com/2015/02/20/leonardo-een-kind-en-prooi-van-voetbalhandelaars/

Brief 3: https://guusvanholland.com/2015/02/27/bij-de-verjaardag-van-roberto-baggio-een-boeddhist/

Bij de verjaardag van Roberto Baggio, een boeddhist

27 feb

Vanuit hun verschillende invalshoeken voeren Raf Willems en Guus van Holland een wekelijkse briefwisseling met elkaar in deze rubriek Social Football Lab 2020 Histories, op http://www.socialfootballab2020.com

Brief 3:

Waarde Guus,

Ik ken en waardeer je gepassioneerde interesse voor het boeddhisme. Daarom schrijf ik je nu graag over mijn favoriete Italiaanse voetballer – dat verrast je, want je weet dat ik niet van het calcio hou – Roberto Baggio (1967). Hij vierde op 18 februari zijn 48ste verjaardag. Men noemt hem ‘Il Divin Codino’, de goddelijke paardenstaart.

robertobaggio
Baggio opende vorig jaar in Milaan de grootste boeddhistische tempel van Europa. Hij bekeerde zich in 1988 tot de spirituele stroming van het Soka Gakkai Buddhism. Na intensieve gesprekken met een boeddhistische vriend startte hij reeds op zijn 21ste zijn zoektocht naar de staat van geluk ‘via vrede, vrijheid en mededogen’. Wist je dat hij op die wijze probeerde de prestatiestress uit het hoofd te counteren en de bevelen van dwangmatige coaches uit het lichaam?

De speler Roberto werd geëerd om zijn vrije geest en smaakte het applaus van de tegenstander én de publieke opinie bij zijn gedurfde, aparte en tegendraadse keuzes op het veld: 317 doelpunten in 697 matchen tussen 1983 en 2004. Ik haal graag enkele onnavolgbare bewegingen voor de geest. In 1987 besloot hij tot een inspirerende wandeling over het veld van San Siro. Hij scoorde namens La viola – Fiorentina – tegen de rossoneri van Ruud Gullit en Franco Baresi. Na een seconde van verstomming uitte het publiek van… AC Milan zijn dankbaarheid voor zoveel schoonheid. Met zijn superbe slaloms voelde hij zich thuis tussen de renaissancekunst van Florence, Guus.

Maar toen het bestuur van Fiorentina hem in 1990 voor onaanvaardbaar veel geld veilde aan Juventus stond de stad wel in rep en roer: volksopstand met gewonden en arrestanten. Een jaar later weigerde hij zelfs een penalty te trappen tegen ‘zijn paarsen’. De vervanger miste, de Fiorentinafans zongen Baggio de hele match toe tot zijn coach hem uit doffe ellende wisselde. Tegen alle conventies in verliet hij als Juvespeler het veld met een purperen sjaal om de hals. De tifosi van de bianconeri kropten hun wrok op tot hij zich met intelligente goals ook in hun harten speelden tijdens de gewonnen UEFA Cupfinale tegen Borussia Dortmund in 1993.

De bekroning volgde met de uitverkiezing tot Europese Gouden Schoen. Het beste moest nog komen. Zijn intellectuele toets vermengde zich met de wetenschappelijke systematiek van de vernieuwende bondscoach Arrigo Sacchi. Hij bedacht voor hem de vrije, zwervende rol en de Amerikaanse Wereldbekerzomer van 1994 werd die van Roberto Baggio. Aanvankelijk nog controlerend en calculerend, vervolgens dominerend met vijf beslissende doelpunten. In de finale legde hij het Braziliaanse spel aan banden met subtiele variaties in positiespel en balcirculatie. Dat hield hij 120 minuten vol in de verzengende hitte van de Rose Bowl in Los Angeles.

BAGGIO
Bij de laatste trap liet zijn mentale meesterschap over de bal hem in de steek. Il Divin Codino schoot de strafschop hoog over en zocht nadien de eenzaamheid op. Soms is het beeld van de mislukking in de sport mooier dan dat van het succes, Guus.

De passage paste in het scenario van zijn leven. De bewegingen van Baggio stroomden over van energieke harmonie. De ‘goddelijke paardenstaart’ wendde zich tot de ‘kale dalai lama’. Met meditatie, met mildheid bij het menselijke falen, dat was de kern van het door hem omarmde boeddhisme. Niet om de eigen dwalingen goed te praten, Guus, maar om ze een plaats te geven in het panorama van een levensloop. Na zijn loopbaan in 2004 opteerde hij voor sociaal engagement. Hij aanvaardde het ambassadeurschap van de ‘Food Camp; Agriculture Organisation’ van de Verenigde Naties en zette zich in voor allerlei campagnes. Hij ijverde vooral vol genegenheid voor de vrijlating van Aung San Suu Kyi.

baggio prijs
De mensenrechtenactiviste uit Birma/Myanmar won in 1991 de Nobelprijs voor de Vrede maar zuchtte sinds 1989, na de zege van haar partij in de verkiezingen, onder het huisarrest en andere domme dwangmaatregelen van de militaire machthebbers. Voor zijn inzet voor haar werd hij in 2010 in Hiroshima uitgeroepen tot ‘Man of Peace’. Hij omhelsde haar uiteindelijk op 28 oktober 2013 toen hij haar het ereburgerschap van Rome mocht overhandigen. Wist je Guus, dat hij toen volgende woorden sprak: ,,Dear Aung, your strong determination made me think of my Master Daisaku Ikeda: ‘the decisions of human beings determine not only their fate, but also that of the rest of the world.’ Your example and your courage, your non-violent struggle for freedom, dear Aung, have changed the destiny of your people and have also improved our lives.

Roberto Baggio reageerde vol ontroering op deze ontmoeting. Ik denk dat Il Divin Codino stiekem de vrije vrouw Aung San Suu Kyi ten dans wilde vragen, Guus. Ik gun hem deze dans. De ‘goddelijke paardenstaart’ gaf het wereldvoetbal uiteindelijk een menselijker gelaat. Benieuwd naar je reactie.

Met vriendelijke groet,

Raf

Brief 1: https://guusvanholland.com/2015/02/06/op-6-februari-denk-ik-aan-de-busby-babes/

Brief 2: https://guusvanholland.com/2015/02/20/leonardo-een-kind-en-prooi-van-voetbalhandelaars/

Leonardo, een kind nog, als prooi van voetbalhandelaren?

20 feb

Vanuit hun verschillende invalshoeken voeren Raf Willems en Guus van Holland een wekelijkse briefwisseling met elkaar in deze rubriek Social Football Lab 2020 Histories, op http://www.socialfootballab2020.com

Brief 2:

Grote vriend Raf,

Zodra jij het begrip ‘toeval’ gebruikt, moet ik beetje lachen. Dat jij op 6 februari 2013 in Dudley, de geboorteplaats van Duncan Edwards vertoefde, precies 55 jaar nadat de beoogde beste Engelse voetballer aller tijden met de meeste voetballers van Manchester United de dood vond bij een vliegtuig-ongeluk in München, is geen toeval.

Ik kan me jouw verwondering en ontroering voorstellen. Dat je uitgerekend op de sterfdag van de legendarische Edwards en andere Busby Babes ‘Direction Dudley’ door de luidspreker op een of ander station hoorde galmen en je meteen wist: Dudley? Dat is toch de geboorteplaats van Duncan Edwards, daar wordt hij in glas-en-lood geëerd in de dorpskerk? Raf, jij weet zoveel, jij bent op zoveel plaatsen geweest waar voetbal leeft. Dat is geen toeval. Dat zoek je onbewust op.

Ik heb dat ook een beetje. Of ik nu in de auto zit of in de trein, zodra ik een naam van een stad of dorp zie, leg ik meteen de relatie met een club, een sport, een speler of een stadion. Hoe lang geleden het ook is dat ik het bestaan van die club, die speler of dat stadion ontdekte.

Deze week zag ik op de Nederlandse televisie Solo-Out of a Dream, althans een verkorte versie van de film van Jos de Putter. Het is een vervolg op Solo, de Wet van de Favela uit 1994. Ruim twintig jaar geleden maakte De Putter een bekroonde documentaire over twee Braziliaantjes (elf jaar oud), Leonardo en Anselmo. Boezemvriendjes, straatkinderen uit de beruchte sloppenwijk Jacarezinho. Anselmo is nu visser, hij heeft nauwelijks geld en kan sowieso geen iPhone of dvd-installatie betalen. Zegt hij tot verwondering van Leonardo die rijk is geworden door zijn carrière bij Feyenoord, Ajax, NAC, Red Bull Salzburg, Ferencvaros en sinds vorige maand nu Red Bull Sao Paulo.

leonardo
De tweede film is even ontroerend als de eerste. Ik kan je beide films aanraden, Raf. Leonardo mag dan rijk zijn geworden sinds hij op z’n twaalfde bij Feyenoord kwam, en voor zijn moeder een riante villa in Rio heeft kunnen kopen, hij is niet echt gelukkig. Zijn familie (moeder en broer – zijn vader is onbekend) verwijten hem van alles en wijzen hem als mens af. Hij zou, meent zijn moeder, een leugenaar zijn geworden, een egocentrist die alleen wordt belaagd door meisjes (hoeren) omdat hij zo rijk is.

Leonardo vertelt huilend (voor het eerst in het openbaar, aan zijn vertrouweling De Putter) dat hij een jaar geleden door zijn broer met de dood is bedreigd. Het is aangrijpend. Maar hij was wel mensen (zoals een bejaarde jeugdtrainer) vergeten die hem als klein jongetje hebben geholpen. Gelukkig ontmoet hij de oude man in de film op een trainingsveldje en geeft hij hem een shirt van Ferencvaros. Alles is vergeven.

Twintig jaar geleden raakte ik betrokken bij de eerste film, of eigenlijk bij de handel in het jeugdige voetballertje. Ik was in een Amsterdamse winkelstraat aangesproken door een Ajax-official, die mij vertelde dat de ‘zaak Leonardo’ stonk. Ik moest maar eens bij Tonnie Pronk, destijds hoofdscout van Ajax, informeren. Dat deed ik, maar die had geen zin in problemen en verwees me door naar zijn baas, directeur opleidingen Co Adriaanse. En die had een plausibel verhaal.

Leonardo zou naar Feyenoord gaan, de club waarvan De Putter supporter was. De Putter had naar aanleiding van zijn avontuur in Rio de Janeiro Feyenoord getipt over een 11-jarig talent. Maar, aldus de Ajacied Adriaanse, Leonardo behoorde toch echt aan Ajax. De jeugdscouts en directeur opleidingen destijds, Co Adriaanse, kenden Leonardo al lang. Ajax had (pedagogische) redenen om hem nog niet naar Amsterdam te halen. Feyenoord wilde hem meteen. Met alle gevolgen van dien.

Ik schreef er een column over, met de lezing van Ajax en Adriaanse. Ik plaats hem hieronder. Na publicatie kreeg ik een brief van Feyenoordvoorzitter Jorien van den Herik. En die loog er niet om. Ik werd geïntimideerd en bedreigd. Straatvechterstaal, op z’n zachtst gezegd. Dat mensen, voorzitters van een prominente voetbalclub, tot zulke onderwereldpraktijken overgaan. Ik was veel agressie en intimidatie gewend van voetbalbestuurders, dit kon er nog wel bij…. Hoewel.

Ja, inderdaad, ik had ook zijn versie moeten horen. Maar een telefoontje naar Van den Herik was op weigering gestuit. De voorzitter had geen tijd, werd er gezegd.

En dan nu ineens die agressieve brief. Ik wilde een brief terugschrijven, waarin ik Van den Herik even fijntjes zou uitleggen wat voor een crimineel en maffiabaas hij was. Mijn toenmalige chef heeft me ervan weerhouden. Tja, Raf, ik heb dingen nagelaten. Angst is een slechte raadgever. En in de voetbalwereld raken ook integere mensen van zichzelf vervreemd, stelde ik mezelf gerust.

Mijn even kritische als doortastende, dierbare collega Matty Verkamman pikte gelukkig mijn column op en schreef er een uitgebreider en veel genuanceerder stuk over in Trouw. Daarin komt een Braziliaanse makelaar en handelaar in paspoorten ter sprake. Deze man werkte niet exclusief voor Ajax, zoals de Amsterdamse club meende. Hij werkte voor elke club die hij maar wenste. Dus ook met Feyenoord, als dat zo uitkwam. De wegen van voetbalclubs zijn niet zo ondoorgrondelijk en doortrapt als we denken.

http://www.trouw.nl/tr/nl/5009/Archief/article/detail/2727534/1995/02/01/Bekvechten-over-twee-Braziliaantjes.dhtml

Niet Ajax of Feyenoord ‘ontdekten’ Leonardo, zoals ze claimden, maar Jos de Putter. De filmmaker zag vanuit zijn hotelkamer in Rio Leonardo en Anselmo op een trapveldje spelen. Zo werden de twee jongens hoofdrolspelers in de film Solo. En kon het touwtrekken beginnen.

Leonardo was een groot talent, dat er om veel redenen (zware blessures, paspoortproblemen, cultuurovergang) niet alles uit heeft kunnen halen. Nu leeft hij in onmin met zijn familie. Het is maar wat je geluk en ongeluk noemt. De slotopmerking van Jos de Putter in de laatste film vind ik indrukwekkend. Bijna schuldbewust en echt heel mooi van De Putter: ,,Ik had misschien de film niet moeten maken.’’ Had hij er wel goed aan gedaan hem over te leveren aan de begeerten van de hongerige wolven, de voetbalclubs met geld. En dan toch die ontkenning van Leonardo. ,,Nee, hoor die film heeft mijn leven gered.”

Hij is immers rijk, hij heeft een zoontje en heeft heel veel meegemaakt, ver van de favelas – jou, Raf, wel bekend. Hij was naar Europa gegaan, het beloofde werelddeel, het paradijs op aarde.

Wat vind je Raf? We moeten in de gaten houden dat de handel in jeugdige spelertjes niet uit de hand loopt.

leonardooo
Hier mijn column van 30 januari 1995:

Leonardo, een kind van Ajax?
Om veilig in de krottenwijken van Rio voetballende jongetjes te filmen had documentaire-maker Jos de Putter wat kraaltjes en spiegeltjes nodig. Maar zijn favoriete club Feyenoord wilde hem geen materiaal geven. Daarom ging hij naar Ajax. Assistent-trainer Bobby Haarms gaf hem een set shirtjes en broekjes, vaantjes, posters en foto’s mee en van directeur opleidingen Co Adriaanse kreeg hij het telefoonnummer van hun Braziliaanse contactman in Rio. Ze vertelden De Putter over een 11-jarig talent, Leonardo, op wie Ajax al via zijn contactman een optie had. Die zou hij kunnen filmen.

De Ajacieden zagen later de film op de televisie en wreven zich in de handen bij de beelden van hun Leonardo. Maar ze schrokken een beetje toen ze lazen dat Feyenoord is getipt door De Putter en nu Leonardo en zijn vriendje Anselmo naar Rotterdam wil halen. Naar Nederland halen? Adriaanse schudde zijn hoofd. Zijn ze gek geworden? Braziliaanse jongetjes van elf, twaalf, uit de sloppenbuurten van Rio naar Nederland halen om ze hier te laten genieten van onze Nederlandse welvaart? Wat is dat voor Sinterklazengedrag? En ze dan terugsturen met een zogenaamde schat aan ervaring wanneer ze niet als voetballer aan de verwachting voldoen? Waarom niet op kosten van Feyenoord een voetbalschool in Rio?

Bovendien, zei Adriaanse, voor zulke jonge jongetjes krijg je geen verblijfsvergunning. Ze zouden hier op school moeten, de taal leren, bij pleegouders wonen, de cultuur eigen maken. Het zijn weliswaar vroegrijpe kinderen en ‘streetwise’, maar dat kun je kinderen toch niet aandoen. Ajax doet dat niet, zei Adriaanse. Die laat talenten opgroeien in hun eigen omgeving. Pas wanneer ze zestien zijn en nog steeds talentvol zijn, worden ze naar Amsterdam gehaald. Maar hoe zit het nu met die Leonardo?

Nou, zei Adriaanse, hij is nog heel jong en je weet nooit hoe zijn talent zich zal ontwikkelen, maar wanneer hij zo goed wordt als hij nu lijkt te worden is hij van Ajax. Dus als Feyenoord Leonardo het land binnenkrijgt, gaat Ajax hoog spel spelen? Kom nou, zei Adriaanse, toch niet over de rug van een kind? Adriaanse zei vertrouwen te hebben in hun Braziliaanse contactman ‘Endelessio’ (zo noemen ze hem). Mocht hij dat vertrouwen beschamen, dan is de Braziliaan geen Ajax-partner meer. Maar wat vindt hij nu van Feyenoord? Nou, zei Adriaanse: een beetje naïef, een beetje dom, een beetje publiciteitsbelust.

Dank voor je aandacht, Raf

Ik ben benieuwd naar je antwoord, en je volgende brief,
Vriend Guus

Deze brief staat in verkorte vorm op de website http://www.socialfootballlab2020.com/

Lees ook: https://guusvanholland.com/2015/02/06/op-6-februari-denk-ik-aan-de-busby-babes/
En: https://guusvanholland.com/2015/01/03/het-social-football-lab-2020-voetbal-is-meer-dan-strijd-om-titels-bekers-en-doelpunten/

Over smaak valt te twisten over grootmeesterschap niet

15 feb

Louis van Gaal, Sportcoach van 2014

louis
Aloysius Paulus Maria van Gaal (bekend als Louis) moet hebben geweten dat hij afgelopen december tot Sportcoach van het jaar 2014 zou worden gekozen. Hij moet ergens in zijn brein vol alarmbellen en andere zintuiglijke indicatoren hebben gevoeld dat de vakjury niet om hem heen kon. Over smaak valt nog te twisten, over grootmeesterschap niet.

Het zal toch niet zo zijn dat een forum van als vakbekwaam gekwalificeerde mensen hem na het meeslepende wereldkampioenschap voetbal in Brazilië de hoogste Nederlandse sportonderscheiding passeren?

Je voelt het Louis van Gaal denken, ’s nachts even draaiend in zijn bed na weer een beladen wedstrijd, om dan met een hervonden – op zelfvertrouwen gebaseerde – rustige hartslag in slaap te vallen. Ik ben toch de beste? Ja, ik ben de beste. Van allemaal. Zo zou hij ingeslapen kunnen zijn.

Want aan iedereen die met voetbal is begaan, heeft hij immers getoond dat hij en zijn team van specialisten een groep jonge, min of meer internationaal beperkte voetballers naar het hoogste niveau kunnen brengen. Zelfs de wereldtitel behoorde tot de mogelijkheden. Want ook de Duitsers (de uiteindelijke wereldkampioenen, met hun al jarenlang ver doorgevoerde tactische en technische voorbereiding onder leiding van bondscoach Joachim Löw) had Van Gaal en de zijnen kunnen verslaan.

Wanneer het hoge doel wordt bereikt, is borstklopperij begrijpelijk en menselijk. Trots mag, trots is geen vies woord, trots is geen slechte eigenschap, trots is een bevestiging van het zelfvertrouwen. Wie met zijn hand op zijn hart timmert, is verguld van zichzelf. Wie dat niet doet (niet durft), is bang. Bang om zichzelf te zijn. Het ego mag best eens een schouderklopje krijgen na een succesvol verlopen uitdaging.

Aan de top ben je gauw eenzaam. Zo beseft Van Gaal. Enerzijds word je aanbeden, anderzijds dreig je als ‘topper’ al gauw naar beneden gehaald te worden, om welke reden ook. Het getuigt daarom van een immense kracht door te gaan op het gekozen pad. Niet eigenzinnig maar vastbesloten.

Op dat pad zoek je voortdurend naar verbetering, naar iets nieuws. Naar mensen die kunnen helpen, inspireren, vooral luisteren naar degenen die je op het andere been zetten. Je vijanden zijn ook je leermeesters. Anderen het vertrouwen geven, mensen die meer weten, hun eigen expertise hebben. Naar andere facetten van het leven en van coachen kijken (ook buiten de sport en buiten voetbal), en ze meenemen ter aanvulling op jouw perceptie. Louis van Gaal heeft zich er in de loop van zijn loopbaan als coach een meester in getoond.

Van Gaal heeft geleerd dat je niet alleen hoeft te staan. Alleen is maar alleen, en maakt je kwetsbaar. Delen geeft je het gevoel sterker te zijn. Anderen zijn er om je te helpen. Die visie deelt hij ook met voetballers met wie hij samenwerkt.

phil meditatie
Zo deed Phil Jackson, vaak de beste sportcoach van de laatste twintig jaar genoemd. Niet alleen omdat hij elfmaal kampioen werd van de NBA (zesmaal met de Chicago Bulls, vijfmaal met de LA Lakers). Jackson putte uit zijn zenboeddhistische leringen (van Shunryu Suzuki) en het boek ‘Zen and the Art of Motorcycle Maintenance’ (van Robert Pirsig) en overtuigde basketballers met een groot ego als Michael Jordan, Kobe Bryant en Shaquille O’Neal ervan hoe zij naast hun eigen talenten konden profiteren van de kwaliteiten van hun teamgenoten. Samen spelen als de lamme met de blinde. Elkaar nodig hebben, steunen, aanvullen, waarderen. Een team is beter dan één superster, we horen het Van Gaal vaak zeggen.

Van Gaal laat niet alles over zijn werkwijze los. Dat is jammer voor ons nieuwsgierige buitenstaanders. Maar begrijpelijk in zijn wereld van competitie en naijver. De concurrentie zit ook niet stil. Veel van wat hij aan kennis heeft verworven, kan worden aangewend door concurrerende coaches, mensen die hetzelfde (de top) willen bereiken. Maar niet alle coaches is het gegeven zo gedisciplineerd en nieuwsgierig te werken. Juist Van Gaals talent is doorslaggevend voor herhaald succes. Fingerspitzengefühl. Zijn charisma is onomstreden. Om Louis van Gaal kun je niet heen.

Round of 16 - Netherlands vs Mexico
Van Gaal laat niets aan het toeval over. Wat anders kan van een coach worden verwacht? Maar Van Gaal gaat vaak verder. Hij wil alles in zijn greep hebben. Het gras moet op maat zijn én vochtig genoeg om de balcirculatie vloeibaar te laten verlopen. Daarom moet ook de bal de gewenste hardheid hebben. Ballenjongens moeten alert en snel zijn. Hij vraagt de betrokken media eensgezind achter de ploeg te staan. Spelers dienen dankzij uitputtende trainingsherhalingen geconditioneerd gedrag te tonen. De looplijnen en bewegingen, uitgekristalliseerd door computeranalisten, moeten strikt gevolgd worden. Overbodige, onverwachte emoties dienen vermeden te worden.

Mede daarom wordt het management van Louis van Gaal ten voorbeeld gesteld aan de zakenwereld. De consultants Jeroen Visscher en Jurgen Frumau schreven er een boek over: ‘Hoe smeed je wereldkampioenen’. De oud-economiejournalist van NRC Handelsblad en oud-hoofdredacteur van opinietijdschrift The Optimist, Max Christern, bracht onlangs het boek ‘De Keeperswissel; de 7 Managementlessen van Louis van Gaal’ uit. Daarin zet hij uiteen wat managers in het bedrijfsleven kunnen leren van de methode-Van Gaal. En dat is veel.

Maar de zakenwereld is niet de sportwereld. Emoties horen bij sport. Zonder emoties is er geen sport, zonder sport geen emoties: geen hoop, verdriet en euforie. Mensenwerk dus. Dat is juist de charme van sport. Passie is een niet te versmaden factor.

Vooral emoties kunnen een obstakel vormen voor een coach die perfectionisme nastreeft. Daarom worden al gauw een psycholoog of op zijn minst sportpsychologische inzichten ingeschakeld. Daarmee kunnen achtergronden en mogelijke angsten en trauma’s van een speler worden geanalyseerd en mogelijk omgebogen tot een krachtiger houding. Van Gaal ziet het als een prioriteit veel (als leraar en vooral vaderlijk) met spelers te praten, over hun drijfveer, afkomst, verleden, familie en leefsituatie. Hij wil ze begrijpen, hun mentale kracht doorgronden en daar met elkaar naar handelen.

Hij wil de mens centraal stellen. Zoals hij zegt: ‘Heel de mens doorzien’. Wat kan de speler, wat kan hij niet, onder welke omstandigheden voelt hij zich goed, wanneer niet.

Bij Bayern München dienden spelers ’s morgens voor de training een checklist in te vullen met thema’s als slaapgedrag, eet- en drinkgewoonten, actuele gedachten en zielenroerselen, familiesituaties en zo verder. Dat werd gecombineerd met fysieke testen, waaraan (ook) de psychische gesteldheid kan worden afgelezen. De resultaten werden besproken met het team van specialisten. Zo kunnen hoofdcoach en begeleidende specialisten bepalen hoe spelers in hun vel steken en trainingen indien nodig aanpassen. Zo weet de speler dat hij aandacht krijgt en dat rekening wordt gehouden met wat hij wil en niet wil, kan of niet kan. Ieder zijn kracht en zijn kwetsbaarheden.

Het is alsof Van Gaal liefst robots (geprogrammeerd in de controlekamers) het veld in wil sturen. Gesteund door de technologie die tegelijk de emotie uit de sport verdrijft. Geprogrammeerd naar zijn wensen, voldoening gevend aan het altijd sluimerende verlangen de beste coach ter wereld te zijn. Een chip in het hoofd van de spelers, waar alle acties en (mogelijk) reacties staan opgeslagen. Het is een toekomstbeeld, met de ogenschijnlijk steeds groter wordende ambities in de sport.

Van Gaal wekt de indruk nog steeds graag met ménsen samen te werken. Spelen dus. Als geboren liefhebber van spel in het algemeen en voetbal in het bijzonder. Samen spelen om het hoogste te bereiken.

Phil Jackson liet zijn spelers naar de Wizard of Oz kijken, sprookjes lezen, in een ingewijde ruimte mediteren en altruïsme overdenken. Waarom zou Van Gaal dat niet doen? Vooralsnog richt hij zich op zijn eigen, voortdurende vernieuwende wijze. Hij staat open voor wat zich aandient in de psychologische, sociologische en medische wetenschap en voor visies van anderen die hun waarde hebben onderstreept.

Wat in de media over hem, zijn gedrag en zienswijze wordt beweerd, laat hem vermoedelijk niet koud. Hij beseft na ruim twintig jaar (eigenzinnig) coaching in Nederland, Spanje, Duitsland en Engeland dat hij op de huid wordt gezeten. Soms draagt hij een harnas. Maar dat voelt niet goed. Hij wil toch een mens zijn, met een open hart en een open geest. Laat ze maar komen, laat ze maar vragen, insinueren en tweedracht zaaien.

Die keeperswissel, ja. Tim Krul in plaats van Jasper Cillessen bij de strafschoppen. Tijdens het de kwartfinale van het WK, nota bene. Zomaar ineens? Vast niet. Het had anders kunnen lopen. Maar op dat moment zag Van Gaal met zijn team wat er nodig was. Hij had een nieuw wapen gevonden. Wie weet, was dit de weg naar glorie. En ja, het was de weg. Durf opent deuren.

Wie is in staat zichzelf een algemeen aanvaarde houding geven voor het front van microfoons en camera’s? De een verdwijnt in zichzelf, de ander groeit en gloeit van zelfverheerlijking. Zoals Louis van Gaal.

Zoals hij daar stond met de prijs als beste Sportcoach van 2014, met een mengeling van trots en verlegenheid. Dat was bewonderenswaardig en vertederend tegelijk. Iedereen had gezien wat Oranje presteerde in Brazilië, velen leefden mee. Maar niemand had voorspeld wat de coach met zijn team had voorbereid in de achterkamertjes van Oranje. Zo snoerde hij criticasters de mond en onderstreepte hij vooral zijn meesterschap.

Louis van Gaal is een bijzondere coach. Dat streelt hem. En dat mag.

Dit portret van mijn hand is gepubliceerd in het februarinummer van Nlcoach

Op 6 februari denk ik aan de Busby Babes

6 feb

Dit zijn brieven van Guus van Holland aan Raf Willems en omgekeerd.

De Nederlandse senior writer Guus van Holland (1948) volgde sinds 1976 op de eerste rij talrijke internationale sportmanifestaties (Olympische Spelen, WK voetbal, EK voetbal, Champions League-finales, Tour de France en meer), met oog voor het menselijke van de topatleet.

De Belgische voetbalboekenschrijver Raf Willems (1960) reisde sinds 1995 in zijn eentje langs grote en kleine Europese en Braziliaanse clubs, op zoek naar de sociaal-culturele dimensie van voetbal.

Vanuit hun verschillende invalshoeken voeren ze een wekelijkse briefwisseling met elkaar in deze rubriek Social Football Lab 2020 Histories.

Brief 1:

Waarde Guus,

6 februari 1958
In de week van 6 februari denk ik aan de Busby Babes. Acht jonge voetballers van Manchester United – gevormd door hun legendarische coach Matt Busby – verloren op die dag in 1958 het leven bij een vliegtuigcrash in München. Ze keerden terug van de Europese kwartfinale tegen Rode Ster Belgrado. De talentvolle vrienden van de 22-jarige sterspeler Duncan Edwards leken op weg om de machtige tweevoudig Europa-Cupwinnnaar Real Madrid van Alfredo di Stefano van de troon te stoten.

Op 6 februari 2003 bezocht ik Old Trafford. Ik staarde naar de klok aan de hoofdingang van The Theatre of Dreams: 15u03, ze staat voor eeuwig stil. The day a team died. Als ik er passeer, liggen er verwelkte bloemen en herinneringsgeschriften uitgestrooid. Altijd weer: we’ll never forget the Busby Babes. De treurnis is tijdloos. Matt Busby (1909-1994) overleefde de tragedie.

Ik wil je iets vertellen over zijn vernieuwende voetbalinzichten, waarde Guus. Wist je dat de Schotse coach met Ierse roots zich liet beïnvloeden door de ‘Magic Magyars’? Op een koude novemberavond in 1953 inviteerde hij zijn jonge selectie naar Wembley voor ‘the game of the century‘: 100.000 verbijsterde toeschouwers keken naar Engeland-Hongarije 3-6, industrie versus kunst. Puskas, Czibor, Kocsis, Boszik en Hidegkuti strooiden buitenaardse bewegingen uit en staken het oude Schotse ‘passing game’ – dat Busby propageerde als antwoord op het Engelse ‘kick and rush’ – op het ritme van een Hongaarse zigeunerdans. Hij beleefde zijn ‘eureka-moment’ en ontdekte het belang van de briljante individuele actie.

Ik neem je even mee Guus, naar een merkwaardig boek uit 2005 van socioloog Tony Whelan: ‘The birth of the Babes, Manchester United Youth Policy 1950-1957′. De ex-speler van United analyseerde Busby’s aanpak vanuit een ‘menswetenschappelijke’ methode. Hij trok een meeslepende parallel met het standaardwerk ‘Homo Ludens’ – de spelende mens – van de Nederlandse cultuurhistoricus Johan Huizinga. Die definieerde ‘spel’ als ‘gedrag dat naar vrijheid zoekt’. Voor hem was het spel de basis van de beschaving. Volgens Whelan volgde Busby intuïtief de filosofie van Huizinga. Niet alleen was hij de eerste coach met interesse voor de menselijke kant van de voetballer. Daarnaast toucheerde hij zijn spelers met het geloof in het experiment en het zonder limieten aftasten van hun talent tot het artistieke potentieel volledig ontbolsterde door zelfexpressie en improvisatie.

Busby’s luciditeit – football is a beautiful game with a creative genius – kruiste Huizinga’s visie op ‘humanitas’ waarbij ‘het creatieve brein de vastgelegde regels doorbreekt’. De Busby Babes waren niet te stuiten – landskampioen in 1956 en 1957 en twee Europese halve finales – en ze schoten met verbluffend voetbal als een komeet naar de internationale top, Guus. De stad Manchester werd in die dagen beschreven als een mistroostige plaats met veel armoede en één lichtpunt: ‘But one shining light was Manchester United and particularly the young players.

duncan edwards
Dat creatieve genie van Busby heette dus Duncan Edwards (1936-1958). Men zegt over hem: de àllerbeste Engelse voetballer ooit. ‘There will only be one Duncan Edwards’, waren de laatste woorden bij zijn uitvaart.

Ik vertel je dit ook nog even, Guus. Pas drie jaar na de crash bracht Matt Busby de kracht op om hem zijn persoonlijk eerbetoon te schenken: een kleurrijk glasraam met de tekst ‘Though there be many members, yet there is one body.’ Hij hing het in de Saint-Francis Church in Dudley.

edwards window
Zou er ergens een voetballer zijn met een ‘glas-in-loodraam’ in zijn geboortedorp? Ik bezocht het, enigszins wonderbaarlijk, in 2013. Ik maakte een reportage over Romelu Lukaku bij West Bromwich Albion en miste de trein omdat de stationschef me de verkeerde kant wees. Ik vloekte bij vijf graden onder nul en veertig minuten wachten op de volgende. Toen hoorde ik hem door de luidspreker mompelen: ‘Direction Dudley’. Dudley? Dudley! Het drong heel langzaam tot me door: dààr lag Duncan Edwards.

Ik koos voor de andere richting, op zoek naar zijn standbeeld. Tijdens de rit nam ik een krant vast. Mijn oog viel op de datum: het was 6 februari. Geloof jij in dit soort toeval, Guus? Op die dag denk ik meer dan ooit aan de Busby Babes.

Met vriendelijke groet,

Raf

Lees ook: http://www.socialfootballlab2020.com/

Het Social Football Lab 2020: Voetbal is meer dan strijd om titels, bekers en doelpunten

3 jan

Waar zou het anders moeten? In het Kasteel in Rotterdam dus, waar de oudste (1888) club in het betaalde voetbal van Nederland zetelt. Daar werd op 4 december voor mensen die begaan zijn met de sociale betrokkenheid van voetbalclubs, het Social Football Lab 2020 gelanceerd. Beter geformuleerd: de European Academy For Football and its culture, community, heritage, solidarity & fun.

Vier mensen vonden elkaar als pionier voor dit project: Sandra Meeuwsen (sportfilosoof en manager van sociale projecten bij Sparta Rotterdam, FC Twente en NOC*NSF), Raf Willems (Belgische voetbalschrijver van vele boeken over het voetbal als spel en sociale betrokkenheid), Johan Annema (ex-manager van sociale programma’s [Axios/Ajax Campus] bij Ajax en de voetbalbond KNVB) en Bart Vanreusel (Belgische sportsocioloog verbonden aan de Universiteit van Leuven).

Hun gedrevenheid staat garant voor samenwerking tussen alle voetbalclubs in Europa met betrekking tot sociale structuren, cultuur, gezondheid, educatie, gelijkheid en broederschap. Kortom: een netwerk vol kennis en ideeën binnen Europese voetbalnaties. De droom: Een Europese academie waarin alle lidstaten zich verenigen om voetbal onder alle mensen te brengen.

Voetbal gaat over mensen en passie. Voetbal als katalysator.

socratessss
Voetbal is meer dan de strijd om de bal, titels, bekers en doelpunten – en de hunkering naar eeuwige glorie. Zo stelde Raf Willems in zijn welkomstwoord. Hij maakte van de gelegenheid gebruik 4 december (de dag van de opening van het Lab) uit te roepen tot internationale Socratesdag (Socratesday). Als eerbetoon aan wijlen de Braziliaanse voetballer Socrates, in de jaren tachtig een begenadigd regisseur op het voetbalveld, maar ook arts, politiek idealist, filosoof en leider van de Braziliaanse beweging voor meer democratie. Hij overleed in 2011, op 4 december.

Brazileiro Sampaio de Souza Viera de Oliveira werd geboren op 19 februari 1954. Zijn vader doopte hem Socrates, naar de denker uit de Griekse oudheid. De voetballer Socrates ontdekte bij zijn illustere naamgenoot de belangrijkste levensles: de gedachten zijn vrij! Hij studeerde voor arts. Aan de universiteit werd het verzet tegen de militaire dictatuur (1964-1984) gedoceerd.

Als voetballer bleef Socrates trouw aan zijn standpunten. Aldus Raf Willems in een van zijn vele biografieën van voetballegendes. Bij Corinthians São Paulo ontplooide Socrates tussen 1982 en 1984 een bijzonder initiatief: hij zette met zijn collega’s de beweging Democracia Corintiana op. Als protest tegen de militairen en als oproep tot vrije verkiezingen. De spelers veroverden met deze leus op het shirt het kampioenschap van deelstaat São Paulo en probeerden binnen de club het democratisch proces vorm te geven.

Ze ageerden tegen de autoritaire aanpak in het Braziliaanse voetbal en eisten, bij meerderheidsbeslissing, inspraak in contractbesprekingen en de verdeling van de recettes. De dagelijkse gang van zaken was onderwerp van interne discussie. Men besteedde aandacht aan ‘goed burgerschap’ zoals lid zijn van een politieke partij of deelname aan een maatschappelijk project.

socrates___democracia_corinthiana_by_juliacristofi-d5n8cmo
De Democracia Corintiana bepaalde ook de verhoudingen in de bestuurskamer en hamerde op spelersrechten. Hun belangrijkste daad bestond uit hun openlijk pleidooi voor een vrije democratie. Ze speelden met de dwingende oproep ‘Ga Stemmen’ op de rug. In 1984 stroomden op een protestmeeting in São Paulo 1,5 miljoen mensen samen. Socrates voerde het woord. Democracia Corintiana, met veel steun van artiesten, geestverwanten en zakenlui, maakte duidelijk dat mensen – en dus ook de spelers – bij actieve deelname hun persoonlijke groei konden voltooien. De voetbalbeweging van Socrates wees Brazilië de weg naar het geloof in en het respect voor de keuze van de meerderheid: ‘Toen niemand in Brazilië mocht stemmen, deden ze dat al bij Corinthians. Dankzij Democrationa Corintiana.’ In 1984 kwamen de militairen ten val.

Hoe dicht bij Socrates moeten de aanwezigen zich hebben gevoeld toen Perry Leydsman in een gloedvol betoog uiteenzette wat de stichting ‘De Betrokken Spartaan’ als onderdeel van Sparta Rotterdam aan werkzaamheden verricht. Leydsman, oud-voetballer bij Sparta en directeur, vertelde meeslepend over het sociale beleid van zijn organisatie. Over de samenwerking met ziekenhuizen in Rotterdam, over de ontmoeting tussen de beroepsvoetballers en patiënten, over de opvang bij de club van kansarme jongeren en jongeren met overgewicht door middel van werk bij de club of onderlinge voetbalwedstrijdjes. Gedragsverandering kan worden bewerkstelligd door verbinding met een voetbalclub. Erbij horen, leren, werken, bewegen, spelen, voetballen en zo verder. Samen Zijn.

betrokken-spartaan-logo
Neem zijn verhaal over enkele ‘te zware’ kinderen (obesitas) die bij en door de club (vooral De Betrokken Spartaan) leren bewegen, domweg omdat ze bij de club worden betrokken. Leydsman zag hoe kinderen in het stadion zich voor de lift verdrongen. Waarom niet voor de trap? Zo werd hen gevraagd. Nou gewoon: dat konden ze niet omdat ze te zwaar waren. Ze huilden toen hen werd geadviseerd met de trap te gaan. Na een paar weken lukte het sommigen de trap te nemen, met heel veel moeite. Het toenemende aantal kinderen en jongeren dat dankzij De Betrokken Spartaan weer meetelt, kan bewegen en ergens bijhoort, stemde de belangstellenden in de zaal zichtbaar tot tevredenheid. Met dank aan Perry Leydsman, zijn medewerkers en niet te vergeten de spelers en coaches van Sparta Rotterdam.

Perry Leydsman spreekt tijdens een kindermiddag bij Sparta Rotterdam (Foto Carla Vos/Cor Vos)

Perry Leydsman spreekt tijdens een kindermiddag bij Sparta Rotterdam de jeugd toe (Foto Carla Vos/Cor Vos)

Het ontroerende betoog van Leydsman was een opmaat voor de verhalen van Tony Hamilton, sinds 20 jaar leider van de Celtic FC Foundation. Bij het verhaal van Celtic Glasgow spitst iedereen die zich de sociale plicht van een voetbalclub aantrekt, altijd de oren. De club die (universeel) als voorbeeld wordt gesteld voor alle andere clubs in de sportwereld.

Je wilt graag supporter zijn van Celtic, hoe middelmatig ook presterend in Europees verband. Dat Celtic-supporters die rondom de Champions League-wedstrijd in Amsterdam (november 2013) tegen Ajax wegens aanstootgevend (wel of niet geprovoceerd door Ajax-aanhangers) gedrag werden gearresteerd, financieel en juridisch worden bijgestaan door de Foundation is al opmerkelijk, zo niet uniek. Een paar dagen na de gewraakte confrontatie rondom de wedstrijd in de Arena werd al tijdens een thuisduel van Celtic gecollecteerd om de in voorarrest verkerende fans in Amsterdam en hun familie bij de juridische strijd (onder leiding van de Nederlandse advocaat Christian Visser) te steunen.

Links Tony Hamilton

Links Tony Hamilton

Om maar met de woorden van de oprichter van Celtic (1887, Brother Walfrid) te beginnen: A footballclub will be formed for the maintenance of dinnertables for the children and unemployed. Hamilton verwees naar de levensverwachting van mensen die wonen in Noordoost Glasgow, het verspreidingsgebied van Celtic: 46 jaar. Dat is inmiddels redelijk verbeterd, sinds het Charity Found in 1995 werd opgericht. Armoedebestrijding: 18.000 mensen die nood hebben aan geld en voedsel. Celtic collecteert onder de fans (in en rondom het stadion), werkt samen met de kerk, verspreidt boodschappen per YouTube, zoekt toenadering met banken, ziekenhuizen en zo meer. Een voedselbank op initiatief van Celtic Glasgow is meer dan normaal en humaan.

Helaas bleef Hamilton de aanwezigen één antwoord schuldig. Weten spelers die een contract tekenen bij Celtic wat de club van hun verwacht? Of spelers zich realiseren waar Celtic voor staat. Hamilton antwoordde dat hij spelers zeker benadert, maar dan hebben ze al een contract op zak. De allesomvattende vraag is: zijn de (nieuwe) spelers zich wel bewust van hun taak of missie? Waarschijnlijk niet.

Wie eens een wedstrijd van Celtic heeft bezocht op Celtic Park, liever genoemd: Paradise, voelt de nood aan passie, compassie, empathie en saamhorigheid: samen zijn met al onze dromen en gebreken. Celtics droom is de meest filantropische voetbalclub ter wereld te worden, aldus Hamilton. Na Barcelona, nota bene. Over bescheidenheid gesproken. Ook zo mooi van Celtic. Helaas moest een woordvoerder van Barcelona verstek laten gaan wegens ziekte.

Andy Walsh

Andy Walsh

Andy Walsh werd aangekondigd als de held van de alternatieve voetbalcultuur. Inderdaad een charismatische leider van FC United of Manchester, die in heel Europa wordt uitgenodigd om zijn verhaal over zijn club te vertellen. Een club die werd opgericht als tegenhanger van het kapitalistische Manchester United, de club die internationale populariteit geniet vanwege haar successen, titels en idolen (en exposure) op de internationale voetbalvelden. Wie wil zich niet associëren met Manchester United, met zijn helden van toen (Duncan Edwards, Matt Busby, Bobby Charlton, George Best, Eric Cantona, Ryan Giggs, Cristiano Ronaldo en Alex Ferguson) en nu (Wayne Rooney, Robin van Persie en Louis van Gaal). Dat het kapitaal en de commercie er regeren, lijkt van ondergeschikt belang. Winnen is het devies, ook ten koste van de verliezers.

Echte liefhebbers kunnen van nabij nauwelijks nog genieten van de club en zijn spelers. Entreeprijzen stijgen. Waarom nog supporter zijn? Het zijn vooral de gloryrunners, vip’s en investeerders met hun zakenrelaties die nog komen. Walsh zei het zo: ,,Voetbal is voor de voetballer geworden, niet voor de toeschouwers.’’ Anders gezegd: ,,Voetbal moet terug naar de fans.’’

fc-united-of-manchester-b-014
Zo ontstond FC United. Geen kapitalisten die geld willen slaan uit prestaties. Voetbal moet terug naar het volk. Zij bepalen volgens democratische regels hoe een voetbalclub bestaat. Elk lid heeft één stem. Luister naar de fan, naar het lid, naar de mensen. United heeft nu 3.200 leden, 14.00 seizoenkaarten, 300 vrijwilligers. Tja, gemiddeld 1.900 toeschouwers per wedstrijd, gemiddelde leeftijd 19-25 jaar. Eenvoudigweg: mensen die commercieel voetbal (kopen, verkopen, spelers en coaches zonder identiteit maar des te meer ego en eigenbelang) aanhangen, verliezen terrein.

The Beautiful Game verliest zijn beauty door de commercie. Dat wilde Walsh duidelijk maken. Succes vraagt om nog meer succes. Begeerte verslindt het verlangen naar tevredenheid. En dat alles laat de supporter zich welgevallen. Tenzij je supporter bent van Celtic of FC United.

Links Marewski

Links Marewski

Zo mooi was daarom de emotionele bijdrage van Rolf-Arndt Marewski, fan-begeleider van de Duitse topclub Borussia Dortmund en oprichter van Borussia Commondale http://www.borussiacommondale.org/ in Zuid-Afrika. Borussia Dortmund is een van de vele Duitse voetbalclubs die begaan zijn met de begeleiding en opvang van supporters en kansarme bewoners van de voetbalstad. Een presentatie van een vertegenwoordiger van cultclub St. Pauli (Tweede Bundesliga) had niet misstaan in Rotterdam: alternatief en anti-kapitalisme.

En dan de verhalen over de ondergang van Antwerpen als voetbalstad en de pogingen om weer een club voor het volk van de grond te krijgen. Zoals gebeurt door Antwerp Country Trust Action en City Pirates Merksem http://privateer.citypirates.be/. Supporters en clubs die het voetbal terug naar de samenleving willen krijgen. Los van investeerders en imperialisten. ‘Sailing against the stream’, aldus de woordvoerder van City Pirates Merksem, spelend vierde klasse in België. Iedereen is welkom, kinderen, allochtonen, gehandicapten. ‘We have to use sports for social change.’

city pirates
Roger Reade was er ook. Hij is één van de ‘founding fathers’ van Football in the Community, waarmee het zo’n drie decennia geleden allemaal begon in Engeland. Met zijn collega’s ontdekte hij hoe het voetbal kan ingezet worden voor het algemeen welzijn. Hij was destijds, als medewerker van Manchester City, één van de zes pioniers. Vandaag hebben de bijna honderd profclubs in Engeland een eigen werking, vertelde hij. Met deze verwijzing naar het verleden wilde hij zeggen dat de tijd momenteel ook voor hem rijp lijkt voor een toekomstig internationaal ‘football and community’-project dat vanuit een bescheiden basis begint.

Roger Reade wordt geinterviewd door een jonge voetbalfan

Roger Reade wordt geinterviewd door een jonge voetbalfan

Is dat bijzonder? Kennelijk wel. De supporter verlangt succes van zijn favoriete club en spelers, euforie vooral, om makkelijker met zijn eigen zorgen om te gaan. Voetbal is niet alleen religie. Voetbal is vooral afleiding van wat zich in het hoofd en lichaam afspeelt (gemis, saaiheid, lijden). Verbinding (met anderen, zoals een voetbalclub) kan leiden tot verlichting en op z’n minst duidelijkheid en aanvaarding. Als dan voetbal zo belangrijk wordt gevonden, waarom dan niet het sociale belang, de saamhorigheid en compassie meer aandacht geven?

Het Social Football Lab 2020 zal er toe bijdragen. De waarde en de kracht van de club versterkt de voetballer. De hunkering naar de prestatie en glorie moet plaats maken voor het verlangen naar verbinding. Samen liefhebber zijn van voetbal. Dat is de boodschap.

Na afloop werd de eerste Social Football Lab Award toegekend en overhandigd aan Edu Jansing, wegens zijn verdiensten als directeur van de Stichting Meer dan Voetbal, die dit jaar tien jaar bestaat.

Zie ook: http://www.socialfootballlab2020.com/

En lees: http://tegenlicht.vpro.nl/nieuws/2014/oktober/voetbal-is-kapot-gemaakt.html

Sir Stanley Matthews: ‘Roem brengt me in verlegenheid’

6 dec

Ruim 21 jaar geleden was ik in Stoke-on-Trent op bezoek bij Sir Stanley Matthews, de eerste winnaar van de ‘Gouden Bal’, als Europees voetballer van het jaar. Matthews, een échte rechtsbuiten, was toen 78 jaar. In 2000 overleed Matthews, een legende in Engeland. In mijn boekenkast staat zijn autobiografie geschreven door de eminente voetbaljournalist van The Times, David Miller. Matthews schonk mij het boek. Onzin vond hij het.

Hier het interview:

stanley
STOKE-ON-TRENT, 26 APRIL 1993. Een voetballiefhebber die in Hanley belandt, dient op zoek te gaan naar het standbeeld van Sir Stanley Matthews. Je kunt ook de nu 78-jarige zelf vragen de weg te wijzen in het randstadje van Stoke-on-Trent. Dan rijdt hij je er in zijn auto naar toe met de behendigheid en vooral de snelheid waarmee hij tussen zijn veertiende en vierenvijftigste de verdedigers tot vertwijfeling bracht. Dan stopt hij bij een toegangsweg van het winkellabyrint en zegt: ,,Als je hier in loopt, zul je het over tweehonderd meter wel vinden. Vraag het anders maar. Ik wacht hier wel.”

Dan sta je even stil in gebed bij de ‘bronzen’ Stanley Matthews in zijn jongensjaren, probeert je voor te stellen hoe betoverend hij speelde en betast je ten slotte voorzichtig het beeldje. Met respect. Dan keer je terug naar het heden en zie je de man met grijze bakkebaarden onder zijn pet in discussie met een politieman. En dan zegt hij: ,,Ik mocht hier niet staan. Ik heb de agent uitgelegd dat een gast van mij even naar het standbeeld van Stanley Matthews wilde kijken. Maar hij geloofde me niet.”

statue stanley
Zelf mijdt hij het beeldje sinds het enige jaren in zijn bijzijn werd onthuld, als een grove tackle. Wanneer hij met zijn vrouw Mila gaat winkelen in de straten waar hij opgroeide, neemt hij een omweg om niet met zichzelf geconfronteerd te worden. ,,Het brengt me in verlegenheid. Ik kan er niet tegen. Mijn zoon woont in Amerika. Hij kwam bij me op bezoek en wilde het beeld zien. Ik heb tegen mijn vrouw gezegd: Laat jij het maar zien.”

David Miller van The Times schreef vier jaar geleden de educatieve Stanley Matthews The Authorized Biography. De grootste Engelse voetballer aller tijden gaf zijn medewerking. Toen Miller hem vroeg het manuscript te lezen, hield Matthews het na de eerste pagina voor gezien. ,,Ik schreef hem een brief terug dat ik alles had gechecked en dat het klopte. Het boek staat daar in de boekenkast. Ik heb er nooit ingelezen. Het zou me in verlegenheid brengen.”

Kranten waarin zijn naam wordt genoemd, heeft hij altijd laten liggen. Bijna alle trofeeën zijn door zijn vrouw bijeen gescharreld en geplaatst in een vitrine van een plaatselijk hotel. Matthews wil ze niet zien. Filmbeelden over zijn voetbalacties heeft hij nooit willen bekijken. ,,Ik geloof het niet, wat ze over mij zeggen en schrijven. Dat ik een briljante voetballer ben geweest, dat ik vier of vijf man passeerde. Dat ik de beste ben geweest. Ik zag mezelf nooit spelen. Ik wist zelf wel van een wedstrijd of ik goed of slecht speelde. ,,Briljant’ en ‘beste’ zijn woorden van anderen. Dat kan een speler nooit van zichzelf zeggen.”

Sir Stan

Zelfkennis kan hem niet worden ontzegd. ,,Ik ben een gekke vent, vind je niet. Mijn vrouw zegt ook dat ik gek ben. Ik geloof het niet, dat verleden van mij. Althans dat ik zo goed was, zo briljant. Ik zei tegen Mila dat die Hollandse journalist op bezoek wilde komen. Helemaal naar hier. Die moet gek zijn, zei ik. Die zou er beter aan doen naar een psychiater te gaan.”

Sinds vier jaar is de min of meer beste rechtsbuiten die de voetbalsport kende, terug in Engeland. Terug in Stoke-on-Trent na bijna vijfentwintig jaar als voetbalambassadeur en als voetballeraar rondgezworven te hebben in Malta, Ghana, Zambia, Nigeria, Rhodesië, Zuid-Afrika, de Verenigde Staten en Canada. Terug in Stoke waar hij zijn lange carrière als voetballer begon. Van een kennis vernam hij dat er een fraai landhuis te koop stond, waar je vanuit de tuin over de stad uitkijkt, met precies eronder Victoria Ground, het stadion van Stoke City FC. Zijn stadion.

Mocht hij zelfs nog twijfels hebben gehad over een aankoop, dan hielp zijn vrouw er hem overheen. ,,Ze is spiritiste. De vorige bewoner was Sir Oliver Lodge, een wetenschapper, die net als ik ridder is van het Britse imperium en spiritist. Dat kan geen toeval zijn, zei Mila. Toen ze hier voor het eerst binnenging, zei ze dat ze zich goed voelde. Als een plek een slechte aura heeft, zou ze het meteen voelen. Toen ze hier binnenging voelde ze meteen goede vibraties voor ons.”

In de tuinen, rondom het schilderachtige landhuis, brengen Sir Stanley en zijn Tsjechische (tweede) vrouw Mila veel uren door. Tot gras voelt de voetballer zich het meest aangetrokken. In elk van de drie tuindelen bevindt zich een gazon. Het mooiste ligt pal voor de voordeur. ..Dat noem ik Wembley, omdat het perfect is en de onderlaag het best geturfd is. En dat daar noem ik Stoke City, het is duidelijk minder goed onderhouden. En het weitje daar noem ik Port Vale, naar het veld van de grootste rivaal van Stoke. Dat is geen voetbalveld.”

Voetbal is zijn leven. Nog altijd. Op de keukentafel liggen twee kaartjes voor Engeland-Nederland. Hij bezoekt elke thuiswedstrijd van derde divisieclub Stoke City. Hij is lid met onder anderen bondscoach Graham Taylor van de commissie die de fair play-cup van de eerste divisie toewijst. Dus over voetbal en vooral over de ontwikkeling daarvan valt er naast mystiek en psychologie wel te praten.

De voetballers van het type Matthews sterven uit. Dat blijkt wel uit zijn betoog. Op de vraag of hij mee zou kunnen komen in het hedendaagse voetbal heeft hij geen direct antwoord. Lichamelijk en wat betreft balbehandeling betreft zeker. Er was geen fittere speler dan hij. ,,Ik sta elke morgen om zes uur op en doe nog steeds dezelfde stretch-oefeningen die ik als veertienjarige deed. Als voetballer van Blackpool. waarvoor ik veertien jaar speelde, trainde ik elke dag alleen op het strand. Maar nooit te veel. Ik zou mijn krachten verspillen. Dan zou de glinstering en de snelheid uit mijn spel zijn verdwenen. Dat was mijn kracht. Dat moest zo blijven.”

Op de eerste tien meter was hij het snelst. Dan gebruikte hij als rechtsbuiten zowel de linker als de rechter voet om de back te passeren. Volgens ooggetuigen was hij beter dan de Braziliaan Garrincha en te snel voor diens landgenoot en illustere verdediger Nilton Santos. Maar hoe? Kapbewegingen, schaarbewegingen? We zijn gaan staan. Matthews kijkt naar zijn voeten maar ze komen niet aan bewegen toe. ,,Gewoon dribbelen, zo snel mogelijk de bal drijven.”

Dan de taktische uitleg over het spel van de rechtsbuiten. ,,Altijd proberen buitenom te gaan. Binnendoor creëer je geen gevaar. En dan aan je final pass denken. Dat was mijn kracht. Ik zie zoveel spelers drie, vier man passeren, maar hun final pass komt nooit aan. Buitenom is het zwaarst. Spelers die binnendoor gaan zijn zwakkelingen. Ik ben tot op hoge leeftijd buitenom gegaan. Ik was 54. Ik had tot mijn 56ste kunnen doorgaan. Maar ik wist dat ik dan mijn balans zou verliezen. Een schouderduwtje en ik lag.”

Matthews was een individualist. Maar hij voorzag zijn medespelers van zulke gave voorzetten dat ze niet konden missen. Hij was niettemin zo’n individualist dat hij in het hedendaagse voetbal niet geaccepteerd zou worden. In de Matthews’ biografie zegt ex-voetballer Jimmy McIlroy: ,,Hij zou geen toestemming krijgen alleen te trainen, op zijn eigen manier aan sprintoefeningen te doen. Hij zou zich nu moeten onderwerpen aan het beleid van de coach, met de groep mee moeten trainen, zich collectief moeten opstellen.”

,,Ach”, verzucht Matthews. ,,Je ziet tegenwoordig zo weinig spelers met acties. Het moeten nu atleten zijn, werkpaarden, ze moeten kunnen samenspelen. Voetballers zijn balartiesten. Het uitgangspunt van voetballen is de tegenstander te verslaan, hem door dribbelen te passeren. Ik was in Soweto, die zwarte jongens hoefde je niet te leren dribbelen. Alleen dat je moest verdedigen als je de bal kwijt was. Maar dat is wat anders dan de tactiek die de coaches nu willen doorvoeren. Het heeft weinig meer met virtuositeit te maken. Niets mag meer mislukken. Rondspelen op zeker, tactisch. Dat is toch niet opwindend.”

stanley-matthews-football-3819
Matthews, zoon van een kapper in Hanley, groeide bij Stoke City op als apprentice, een talentvolle 14-jarige voetballeerling die zich met het poetsen van de schoenen van de profs, het verzorgen van het materiaal en het veld diende in te werken in het grote voetbal. Hij was zeventien jaar toen hij een profcontract tekende. Een coach was er in die periode voor de Tweede Wereldoorlog niet. Hij ontkent niet dat coaches nodig zijn. ,,Om de spelers op hun taken te wijzen, ja. Maar coaches zijn te belangrijk geworden. Te machtig. Ze praten over taktieken en systemen. Zelfs de supporters en de pers gaan zo praten. Maar een supporter zal zich nooit vereenzelvigen met de coach. Die ziet zich zelf alleen terug in Stanley Matthews, in een voetballer.”

Hij vraagt zich zoveel af. Waarom zo veel spelers zo vaak geblesseerd zijn. Waarom spelers die in een clubwedstrijd uit het veld zijn gestuurd, nog gekozen worden voor de nationale selectie. Schorsing betekende vroeger: nooit meer international. Zelf is hij nooit geboekt. Hij was niet het type dat andere dingen deed dan de bal strelen, ondanks de wanhopige aanvallen op zijn benen. Agressie. Dat stopte je in je spel. Maar het zal wel de schuld zijn van het industrial football. ,,Ze zijn alleen nog te motiveren met een premie.”

Vijftig was hij toen hij zijn testimonial kreeg van Stoke City, dat destijds nog in de eerste divisie speelde. Zijn internationale afscheid vierde hij met het Engelse elftal tegen de Rest van de Wereld. Stom om toen al te stoppen, bedacht hij later. Hij voetbalde nog een paar jaar op Malta en had op 54-jarige leeftijd nog bijna om de Europa Cup tegen Real Madrid gespeeld. Hij liet de eer aan de jongeren. Zijn bescheidenheid won het eindelijk van zijn voetballust.

sir stanley

Drie jaar geleden schopte hij voor het laatst tegen een bal, zegt hij verontschuldigend. Hij zou op zijn respectabele leeftijd eens de neiging krijgen te gaan dribbelen. Als je achter hem loopt, achter dat grijze hoofd met die pet waarop England staat, achter de iets ingezakte schouders, achter zijn licht krommende benen. Dan verplaats je je even in de positie van al die backs. Soms moet je je als verdediger waardeloos voelen. Dan kun je beter meteen met voetballen stoppen. Zou Stanley Matthews dat weten? Waarschijnlijk niet. Zo briljant was hij immers niet.

Elke dag bruine bonen en levertraan

9 okt

Dit interview verscheen op 2 januari 1999 in NRC Handelsblad: vier sporthelden bij elkaar in Hotel des Indes in Den Haag. Nu zijn ze alle vier overleden.

Wie is de sportman van de eeuw? Jeen van den Berg (70), Fanny Blankers-Koen (80), Jan Derksen (80) en Cor van der Hart (70), vier sporters die het grootste deel van de 20ste eeuw hebben meegemaakt, kiezen hun favoriet. Een gesprek over het einde van de amateursport, doping, liefde voor de sport en poseren in Playboy.

Jeen van den Berg

Jeen van den Berg

Door Guus van Holland en Arjen Ribbens

Samen zijn ze driehonderd jaar oud en goed voor een museum vol bekers en medailles. Voetballer Cor van der Hart en schaatser Jeen van den Berg hebben de leeftijd der sterken bereikt, atlete Fanny Blankers-Koen en wielrenner Jan Derksen de leeftijd der zeer sterken. De jeugdige gerant van Hotel Des Indes in Den Haag heeft geen idee wie de vier bejaarde, maar nog springlevende gasten zijn. De jongeman weet niet dat in de jaren vijftig geen voetballer zo hard en zuiver kon schieten als stopperspil Cor van der Hart. Dat Jeen van den Berg de snelste man op schaatsen was in de Elfstedentocht van 1954. Dat Jan Derksen vele jaren onklopbaar was op de wielerbaan. Alleen de naam van Fanny Blankers-Koen zegt de gerant nog iets. ,,Won zij niet vier keer goud?”

Bijna een halve eeuw na hun sportieve gloriedagen treffen zij elkaar in de lobby van het Haagse etablissement. De bijeenkomst blijkt een ontmoeting van oude vrienden te zijn. Met zoenen en omhelzingen verwelkomen de sporters elkaar. Voor ze aan de lunch beginnen passeren een knieoperatie en ander lichamelijk ongemak de revue. Totdat Fanny Blankers-Koen het welletjes vindt: ,,Jongens, niet over kwalen praten.”

Aan tafel mogen ze verder praten. Eerst over hoe het allemaal begon. ,,Och, heden, dat wordt oude koek”, lacht Fanny. Ze vertelt dat ze in Hoofddorp woonde, nooit het tuinhekje open deed maar er altijd over heen sprong. Hoe ze op haar handen kon staan. Daarom mocht ze naar de gymnastiekvereniging. Ze was nog geen zes. Als het heel mooi weer was, deed ze buiten met haar vader oefeningen. Een beetje verspringen, hardlopen. Als het regende gingen ze binnen turnen. ,,Zonder op te scheppen, ik kon alles goed.’

Ze was een jaar of vijftien toen ze op Koninginnedag een hardloopwedstrijd won. En op haar zeventiende deed ze voor het eerst mee met districtskampioenschappen. ,,Het wordt een eentonig verhaal, want die wedstrijd ging ook heel goed”, zegt ze verontschuldigend. ,,Zwemmen kon ik ook goed. Maar ik had toen een badmeester bij de zwemvereniging die zei dat ik moest kiezen welke sport ik zou gaan doen. Ik heb toen voor atletiek gekozen en ben in Amsterdam lid geworden van ADA.”

Vijf kwartier op de fiets vanuit Hoofddorp naar Amsterdam en vijf kwartier terug. Niet altijd leuk. Op de atletiekbaan bleek dat ze ,,longen als blaasbalgen” had, door al dat zwemmen natuurlijk. ,,Mijn eerste spikes waren krijgertjes, maat 46. Ik heb ze aangetrokken, maar wel met enorme plukken watten voorin. Toen ik won, werd er gezegd: ‘Het is oneerlijk, je spikes waren al door de finish en jij zelf nog niet’. Toen mijn vader zag dat ik op die veel te grote schoenen kon winnen, kreeg ik nieuwe spikes. Ik ben daarna 800 meters gaan lopen en brak zelfs het nationaal record. In het begin was het me nergens anders om te doen. Ik wilde altijd winnen.”

Cor van der Hart

Cor van der Hart

Cor van der Hart begon op straat te voetballen. Waar anders? Op zijn tiende werd hij net als zijn vader en diens broers lid van Fokke, in Amsterdam, daar waar het nu Overamstel heet. Dat heeft één jaar geduurd. Want een scout van Ajax, Theo Schetters, nodigde Cor uit voor een proefwedstrijd. Op een woensdagmiddag moest hij samen met 300 andere jongetjes een wedstrijdje spelen. Uiteindelijk werden er twee uitgehaald: Rinus Michels en Cor van der Hart. ,,Als zeventigjarige is dat toch wel typisch, als je daarop terugkijkt”, zegt Cor met gepaste trots. ,,Wij zijn toch min of meer geslaagd.” Als 17-jarige kwam hij ook in het eerste van Ajax. In 1947 werd hij meteen kampioen van Nederland. Tot zijn 22ste bleef hij, toen is hij naar Frankrijk gegaan. Mooie herinneringen. ,,Nou ja, tegen Heerenveen met 5-1 voorstaan en met 6-5 verliezen.”

Jeen van den Berg beleeft weer plezier aan de zege van zijn club Heerenveen op Ajax. Maar hoe zat dat met schaatsen? ,,Ach, ik kon helemaal niet schaatsen. Ik was een doordouwer. Ik had ook de spullen niet. Ik kwam uit een arbeidersgezin.’ Op zijn tiende kreeg hij nieuwe schaatsen. Veel te groot. Op school werd hij ermee gepest: ‘Jeen, kunnen we met je meeliften?’ Zoveel ruimte had hij achter over. De hakleren waren veel te lang. ,,Ik had eigenlijk de eerste klapschaatsen, want mijn voeten schoten steeds uit mijn schaatsen. Maar ik had wel een voordeel. Ik woonde midden in het watergebied. Ik had Ausdauer. Ik woonde ver van school vandaan en schaatste naar school. Zodra er maar even ijs lag, stond ik op schaatsen.” Zijn eerste Elfstedentocht reed Jeen in 1947.

Jan Derksen fietste als jongetje elke dag zo’n vijf kilometer naar school en terug. Hij woonde in De Lutte bij Oldenzaal. Die tochten leidden tot wedstrijdjes. En Jan won altijd. Zijn vader beloofde hem een racefiets als hij voor zijn examen slaagde. ,,Een fiets met dikke stalen wielen, meer kon mijn vader zich niet permitteren.”

Het gezin verhuisde naar Heiloo. Daar reed Jan als vijftienjarige zijn eerste wedstrijdjes op een grasbaan. In Alkmaar ging hij naar de wielerbaan om te kijken naar grote namen. ,,Omdat ik op de grasbaan veel won, kreeg ik mijn eerste baanfiets. Tachtig gulden, in 1940. Samen met Jan Pronk, die later nog wereldkampioen is geworden achter de grote motoren, won ik al als 15-jarige in Alkmaar een koppelwedstrijd waar grote namen aan meededen.”

En wielrennen op de weg? ,,Op de weg ging ik alleen trainen. Eén keer, in 1941, heb ik meegedaan aan het Nederlands kampioenschap op de weg. Arie van Vliet, ook een sprinter had zich ingeschreven. Hij daagde me uit. Voor een sprinter was 175 kilometer een heel eind. Ik werd vierde en als Schulte niet een combine in elkaar had gestoken, had ik gewonnen.”

Jan Derksen

Jan Derksen

Derksen wijdt uit over Olympische Spelen in 1940 die niet doorgingen. ,,Daar had ik als wereldkampioen bij de amateurs twee gouden medailles kunnen winnen. Dat is een domper in mijn carrière geweest.’ In 1938 had hij alles al gewonnen: Nederlandse titel, wereldtitel en nog veel meer. Toen de Spelen niet doorgingen, besloot hij prof te worden. ,,Wij hadden veel wedstrijden. Ik had in de oorlog een vergunning waarmee ik tot eind 1942 overal kon rijden. Zelfs in de hongerwinter.”

Zou u nu op dezelfde manier de top hebben kunnen bereiken?

Derksen: ,,In onze tijd trainden wij niet met gewichten. Geen krachttraining, was niet goed voor de souplesse. Wat Guus Schilling, onze trainer, zei was wet. Daarom waren Arie van Vliet en ik geen echte sprinters, ook al wonnen wij wereldtitels. Kijk naar die sprinters van nu, naar die dikke benen. Arie en ik konden ook lange afstanden rijden. Dat kan een echte sprinter niet. Ik trainde elke dag op de baan. Die strijd tussen Arie en mij was enorm. Daardoor hebben we het zolang volgehouden. In 1957 reden we nog de finale van het wereldkampioenschap. Samen waren we tachtig jaar.”

Blankers-Koen: ,,Ik trainde lang niet elke dag. In de zomer twee keer per week en in de winter één uurtje gymnastiek per week. In de winter werd de atletiekbaan ondergespoten, zodat er geschaatst kon worden. We hadden een hele lange wintertijd. In de zomer trainden we ook niet zoveel. Toen ik eens op een bijeenkomst van oud-kampioenen vertelde wat ik voor mijn medailles had gedaan, konden de mensen me niet geloven. Daar zaten allemaal atleten die heel serieus trainden. Die konden niet geloven dat ik tijdens het Europees kampioenschap in Oslo ook nog mijn dochter voedde, dat vonden ze prachtverhalen. Mijn dochtertje ging in een reiswieg mee naar wedstrijden. In de kleedkamer verschoonde ik ook de luiers. Ik maar sjouwen met dat kind. Dat had ik me nooit kunnen permitteren als ik tien keer in de week had moeten trainen. Als atletes nu een kind krijgen gaan ze er een seizoen uit.”

Van der Hart: ,,Ik kan me goed herinneren dat ik dagelijks bezig was met een bal. Er zat geen garagedeur meer onder het huis, omdat we er tegenaan stonden te lellen. Toen kon je nog op straat voetballen. Uren waren we bezig. Ik denk dat het voor jongetjes van tien tegenwoordig veel moeilijker is om zich helemaal op het voetbal te concentreren.”

En het geld?

Van der Hart: ,,Ik heb nooit een baas gehad. Ik heb me altijd afgezet tegen werken en met sport mijn geld verdiend. Ik ben naar de ambachtsschool geschopt om mijn diploma te halen. Maar ik was finaal tegen werken voor een baas. Ik heb altijd gedacht, hoe kom ik daar onderuit? En toen ben ik gaan voetballen. Ik spijbelde van school om te trainen. Als jongen stond ik vrijdagmiddag met kerels uit het eerste elftal van Ajax op het veld.”

Van den Berg: ,,Maar hoe verdiende je dan de kost, Cor?”

Van der Hart: ,,Ajax was altijd afdelingskampioen. Dat betekende dat we zes thuiswedstrijden om het kampioenschap van Nederland moesten spelen. Die waren altijd uitverkocht. En dan kreeg je de koopman Van der Hart. Een passepartout voor die zes wedstrijden kostte vijftien gulden. Dan zei ik tegen de penningmeester dat ik vijfentwintig van die passepartouts moest hebben. Die kreeg ik niet. Dan ging ik schermen: ‘Je wilt toch dat ik speel zondag?’ En dan kreeg ik een aantal kaarten dat ik aan vrienden van Ajax kon verkopen voor een tientje of vijfentwintig gulden. Had ik weer voor weken brood op de plank. Ik was eigenlijk al prof voordat ik echt prof was.”

Derksen: ,,Na de Ulo heb ik nooit iets anders gedaan dan fietsen. Daarmee verdiende ik veel meer dan mijn leeftijdsgenoten. Ik heb nog een boekje waarin ik als beginnend wielrenner noteerde wat ik met fietsen verdiende. Flessen ranja, leverworsten, lamsbouten, ik weet niet wat allemaal. En ook geld. In Alkmaar op de wielerbaan waren voor de oorlog drukbezochte wedstrijden. Daar werd negen cent entree geheven, want over tien cent moest belasting betaald worden. De eerste prijs bij de koppelwedstrijd was 2 gulden 75, die moest ik delen met mijn maat Pronk. Ik ging steeds meer verdienen. Ook als amateur. Wanneer ik in 1938 naar Kopenhagen ging voor een wedstrijd hield ik daar twee-, driehonderd gulden aan over.”

Van der Hart: ,,Goh Fanny, vertel eens wat jij verdiende.’

Blankers-Koen: ,,Ja, die is leuk. In Finland had ik eens zilveren kandelaars gewonnen. Die moest ik bij thuiskomst op Schiphol afgeven, want die kandelaars waren meer dan honderd gulden waard. Wat ze tegenwoordig krijgen is ongelooflijk. Die bedragen zijn zo hoog, ik kan ze niet eens uitspreken. Maar die sporters van tegenwoordig benijd ik helemaal niet. Er is zoveel haat en nijd. Wij hadden echte sport.”

Van den Berg: ,,Als schaatser mocht je geen geld verdienen. Met Jeen Wester had ik eens reisgeld aangenomen voor een wedstrijd. We werden gediskwalificeerd. Op een bijeenkomst in Amsterdam van de Club van Honderdvierenveertig, een groep sportvrienden waarvan Jan en Fanny ook lid zijn, moest ik al vroeg weg om de laatste trein naar Friesland te halen. Toen zei ingenieur Otten, de schoonzoon van de oude Frits Philips: ‘Doe maar rustig aan, ik laat je wel even thuisbrengen.’ Als eenvoudige jongen zat ik met grote ogen te kijken en dacht ‘Kan dat wel allemaal?’. En toen zei Otten: ‘Nou Jeen, vertel eens, wat ben jij daar nu beter van geworden van die Elfstedentocht?’ Dat heb ik hem verteld. Ik kreeg een fles Bols jenever en een infrarode lamp, tegen spierpijn. ‘Jeen’, zei meneer Otten toen, ‘ik beloof jou dat als die lamp stukgaat je van mij een nieuwe krijgt’.”

Van den Berg zat vijf jaar in de Nederlandse schaatskernploeg. ,,Als ik naar het buitenland ging, stond mijn loon als onderwijzer stil. Van de schaatsbond kreeg ik één gulden zakgeld per dag. Toen ik de Elfstedentocht won werd er nog veertien dagen over nagepraat. Nu stoppen bij de kaasmakerij van Evert van Benthem nog bussen met vrouwen. Dacht je dat er vroeger een bus met vrouwen in Ny Beets door de Nawynstraat is gereden om te kijken waar Jeen van den Berg woonde?”

Was er doping?

Blankers-Koen: ,,Er waren atleten die doping gebruikten, maar ik wist niet eens wat het was. In Londen, bij de Spelen van 1948, moest ik menstrueren en had ik pijn in mijn buik. Ik kreeg een half aspirientje van de dokter. In Helsinki vier jaar later precies hetzelfde. Tegenwoordig krijg je pillen en wordt je cyclus verschoven.”

Derksen: ,,Geld is in de sport zo belangrijk geworden, dat doping nooit meer verdwijnt. Sporters zullen blijven zoeken naar middelen om hun prestaties te verhogen. Het gaat om miljoenen. Koste wat het kost moet gewonnen worden. Het begint al met de voeding.”

Blankers-Koen: ,,Ik moest iedere avond bruine bonen eten en een slok levertraan slikken.”

Van der Hart: ,,Wij aten paardenbiefstuk.”

Van den Berg: ,,Schaatsen was tot voor kort een cleane sport. Maar we gaan dezelfde kant op als bij het wielrennen. Sponsors van schaatsploegen hebben begeleiders in dienst. Van hen worden resultaten geëist, anders worden ze gewipt. Die begeleiders dwingen de schaatsers tot doping. Dat gebeurt nu, dat heb ik deze winter voor het eerst gehoord. Als er één gebruikt, moeten de anderen ook.”

Derksen: ,,In 1939 bij de finale van het wereldkampioenschap kwam Guus Schilling naar me toe met een glas sherrybrandy. Dat heb ik opgedronken. Maar zonder dat glas had ik ook wel gewonnen. Arie van Vliet gebruikte suikerklontjes met cola. Ik was een mannetje van zwarte koffie. Bij Zesdaagsen sliep ik zes dagen en zes nachten niet.”

Van der Hart: ,,Ik moest in 1956 tegen België spelen. Een week voor die wedstrijd kreeg ik een schop tegen mijn knie. Tegen bondscoach Max Merkel heb ik toen gezegd: ‘ik kan niet spelen’. Hij wilde me er toch bij hebben. Op zaterdagmiddag kon ik nog steeds niet lopen. Zei de dokter tegen me: ‘wij gaan met z’n tweeën morgen een uur eerder naar het stadion’. In de kleedkamer vroeg hij of ik een kopje koffie wilde. Twee uur voor de wedstrijd. Ik kleedde me om, ging het veld op en probeerde heel voorzichtig een balletje te trappen met die zere knie. Krijg nou de pest, ik voelde niks. Ik ging steeds harder trappen, boem, boem! Niks aan de hand, niks gevoeld. We wonnen die wedstrijd met 1-0 en de kranten schreven België-Van der Hart 0-1. Zo goed had ik gevoetbald.”

Van der Hart: ,,Ik houd enorm van wielrennen. Van de Tour de France smul ik. Wat een inspanningen leveren die kerels. Maar ik kan me niet voorstellen dat ze dat allemaal op een biefstukkie doen.”

Derksen: ,,De jongens die de Tour rijden zijn lichamelijk voorbereid. Met alle middelen, legaal, net niet verboden. Maar waarom mag zanger Herman Brood stijf staan van de drugs en een wielrenner niet? Volgens mij is EPO ook niet zo gevaarlijk als het onder doktersbegeleiding wordt gebruikt. Het is een middel dat veel zieken ook voorgeschreven krijgen.”

Andere tijden, andere gewoonten. Daarover zijn de vier het eens. ,,Maar we hebben in een verkeerde tijd geleefd. We hadden allemaal miljonair kunnen zijn’, beseft Van der Hart.

Sporten kinderen nu met het idee dat ze er rijk van kunnen worden?

Van den Berg: ,,Kinderen niet. Misschien wel de ouders die hun kinderen iedere dag bij de tennisschool afleveren. Het geld in de sport is een beroerde bijzaak. Ik zit bij schaatswedstrijden in Thialf in de wedstrijdjury. Rintje Ritsma krijgt tonnen. De mensen die het mogelijk maken dat hij zijn wedstrijden rijdt, krijgen niks. Maar die schaatsjongens hebben een grote waffel.”

Van der Hart: ,,In het voetbal is het ook scheef. De eerste de beste buitenlander in de eerste divisie verdient 4,5 ton. Nederlanders breken nauwelijks door. De jeugdopleidingen functioneren niet. Kijk naar Ajax.”

Sporters zijn sekssymbolen die naakt poseren voor blootbladen.

Van der Hart: ,,Katarina Witt in Playboy uit de kleren? Ik kan er heel goed tegen hoor.”

Blankers-Koen: ,,Ik zie atletes sporten in een bikini. Belachelijk. Hoogspringsters moeten steeds die kleine broekies uit hun naad halen. Als ze een behoorlijk pakkie aantrekken, zouden ze veel hoger springen.”

Van den Berg: ,,Fanny, kan je je nog die drukte herinneren over het broekje van Sjoukje Dijkstra? Dat kon je een beetje zien, onder haar rokje.”

Derksen: ,,De commercie bederft veel van de echte sport. Door al dat geld gaan ze de sport vergeten. Het gaat ten koste van de prestaties.”

Van den Berg: ,,Met reclame verdienen sporters meer dan met sport.”

Fanny Blankers-Koen

Fanny Blankers-Koen

Blankers-Koen: ,,Veel sporters van nu zijn over het paard getild. Als ze ergens voor gevraagd worden, hoor je dat ze niet genoeg krijgen. Iedere maand doe ik mee in de loterij. Wat ik zou doen als ik een miljoen won? Het aan mijn kinderen geven, en jullie kunnen ook wat krijgen. Ikzelf hoef niks, wat moet je met geld als je tachtig bent.”

Van den Berg: ,,Mijn adres krijg je niet Fanny, ik hoef ook niks.”

Kreeg u commerciële aanbiedingen?

Blankers-Koen: ,,Van Playboy, bedoel je? Daar ben ik toch geen type voor?’

Van den Berg: ,,Dat lag vroeger anders. Fanny werd overal gefotografeerd en die foto’s werden zonder toestemming voor van alles gebruikt. Als je nu Rintje Ritsma wilt hebben, moet je dokken.”

Blankers-Koen: ,,Twee jaar geleden heb ik reclame gemaakt voor pilletjes. Pilletjes die maakten dat je niet ouder werd. (Van der Hart: ,,Die hebben wel geholpen, Fanny”). Daar heb ik een paar centjes voor gehad, da’s waar. Voor de foto’s moest ik een dag naar Groningen, eindeloos achter een vrachtwagen lopen waar de fotograaf op zat. Op het laatst liet ik me achterover vallen, zo moe was ik.”

Derksen: ,,De tijden zijn echt veranderd. In onze tijd had een aanbeveling van een sportman geen enkele waarde. Neem Abe Lenstra, een supervoetballer, die heeft in zijn leven nooit een cent verdiend.”

Van den Berg: ,,Abe was de beste betaalde amateur van Nederland.”

Van der Hart: ,,Mijn hart bloedde toen ik op mijn 22ste bij Ajax wegging. Maar ik kreeg in Frankrijk in Lille 25.000 gulden handgeld geboden, plus een enorm salaris. Let wel, in 1950! Dat was vreselijk veel geld. Maar omdat ik geen begeleiding had, ging het na twee jaar mis. Mijn contract liep af, maar er kwamen geen contractbesprekingen. Twee jaar werd vier jaar. En toen werd ik kwaad en klopte ik weer aan voor geld. Was er niet, zeiden ze. Toen ben ik teruggegaan. In Nederland was net het betaald voetbal begonnen.”

Was er vroeger meer belangstelling voor sport en nu meer voor sporters?

Blankers-Koen: ,,Dat is de tijd.”

Derksen: ,,Wat is tennis niet geworden dankzij Björn Borg. Dat was de man die het grote geld ging verdienen. En dankzij hem zijn er zoveel kleine jongetjes gaan tennissen. Zo’n grote naam heeft zoveel waarde. Dat steekt zoveel mensen aan. Het publiek heeft behoefte aan grote namen.”

Idolen dus. Wie was de beste sportman of -vrouw van de eeuw?

Blankers-Koen: ,,Jesse Owens was mijn idool. In 1936 werd ik als hoogspringer opgesteld in de nationale ploeg die in Berlijn deelnam aan de Olympische Spelen. Daar zag ik Owens vier medailles winnen.”

Van der Hart: ,,Ik heb vijfmaal met Fortuna ’54 gespeeld tegen Di Stéfano. Die heeft zo’n indruk op mij gemaakt. Je had Puskas, Hidegkuti, fantastisch. Maar Di Stéfano was onnavolgbaar.”

Derksen: ,,Rik van Steenbergen. Een geweldenaar op de baan en op de weg is hij ook een paar keer wereldkampioen geworden. Door zijn lichaamsgewicht kon hij alleen in de bergen moeilijk vooruit. Van Steenbergen was groot. Groter dan Coppi, om wie zo’n mythe is gesponnen.”

Van den Berg, met een grote glimlach: ,,Ik hoef niet lang te denken. Mijn sportvrouw van de eeuw is zo hartstikke gewoon gebleven. Dat ik ‘Fanny’ tegen haar mag zeggen, en dat zij mij ‘Jeen’ noemt, dat is zo mooi.”

Blankers-Koen: ,,Nou zeg, vroeger noemde ik je altijd Jeentje. Maar je bent zo gegroeid dat ik je nu Jeen noem.”

Van den Berg: ,,Het is niet de prestatie alleen, die het hem doet. De mens die er achter zit, is veel belangrijker. Daarom zeg ik: Fanny. Neem Ellen van Langen. Die wil elke week in de krant. Daar word ik kotsmisselijk van. Ik ontmoette haar een keer op een receptie: ze zag me niet staan.”

Van der Hart: ,,Dat komt omdat ze je niet kent, Jeen.”

Philipp Lahm, mondig en sociaal betrokken

11 jul

Dit is de elfde aflevering in de serie Wereldbekerbrieven over spelers, scheidsrechters, coaches en supporters (mensen die zich op het WK onderscheiden door sportief maar ook door onsportief gedrag). De Belgische sociaal betrokken voetbaljournalist Raf Willems en ik voeren een briefwisseling voor de website De Aanvoerders. (http://www.deaanvoerders.nl/nieuws)

lahm

Waarde Guus,

In mijn laatste Wereldbekerbrief richt ik evengoed de blik op Duitsland, meer bepaald op de échte en mondige aanvoerder van de Mannschaft: Philipp Lahm. Hij neemt inderdaad geen blad voor de mond. Hij motiveert zijn verhalen met argumenten. Het vrije woord is voor hem heilig. In 2009 legde zijn club Bayern München hem een boete op van 25.000 euro omdat hij in een krant kritische bedenkingen had gegeven op het gebrek aan beleidsvisie. Dat belette hem niet om door te gaan op deze weg.

Zijn bestsellende boek ‘Der feine Unterschied: Wie man heute Spitzenfussballer wird’ schudde in de herfst van 2011 de Duitse voetbalwereld grondig door elkaar. Lahm schuwde de strubbeling niet en liet zijn ongenoegen over een aantal kwesties van de pagina’s spatten. Hij bekritiseerde zijn ex-trainers, coryfeeën met een fameuze staat van dienst – bij zowel de Mannschaft (Rudi Völler) als Bayern (Otto Hitzfeld). Conservatieve commentatoren schreven schuimbekkend dat Lahm als gevolg van zoveel vrijpostigheid zijn aanvoerdersband diende in te leveren. Bondscoach Löw, ook door jou geprezen Guus, haalde het venijn uit het debat met de droge opmerking dat hij Lahm eens een keer zou inviteren voor een goed gesprek.

De rechtsachter kwam met nog een andere eerlijke mening aanzetten: hij had genoeg van het taboe rond homoseksualiteit in het voetbal. Als aanvoerder van de nationale ploeg opperde hij dit statement in alle helderheid. De geruchten rond zijn eigen geaardheid staken in de sensatiepers onmiddellijk de kop op, ondanks het feit dat hij in de zomer van 2010 zijn vriendin de hand had gevraagd.

Hij profileerde zich ook als ambassadeur bij de Wereld AIDS Dag en steunde een campagne tegen kindermisbruik. Na een bezoek aan de townships van Zuid-Afrika lanceerde hij de eigen Philipp Lahm Stiftung für Sport und Bildung. Die bestaat tot vandaag en steunt kinderen bij, ik citeer even de officiële tekst van de website: ‘de ontdekking en opbouw van hun individuele sportieve en persoonlijke vaardigheden.’ Zowel in Zuid-Afrika als in Duitsland, waar hij vooral oog heeft voor jongeren met een migratie-achtergrond. Net voor het EK van 2012 hield hij een pleidooi voor de bescherming van de mensenrechten in Oekraïne en sprak hij zich ook uit voor de vrijlating van Joelia Tymosjenko. Philipp Lahm wordt beschouwd als een van de beste rechtsachters ter wereld.

Bondscoach Löw overhandigde hem de aanvoerdersband bij het WK 2010 nadat Michael Ballack door een blessure werd geveld. Niet eerder had een speler op de leeftijd van 25 jaar de officiële leiding over de Mannschaft gekregen. Hij gedroeg zich alsof het hem niets deed, ondanks alle heibel in de media. Hij miste geen minuut van de Wereldbeker. Dit was hem ook al gelukt in 2006. Philipp Lahm is een efficiënte ontleder van wedstrijdsituaties. Hij laat zich amper in zijn hemd zetten door zijn directe tegenstander. En onder leiding van Pep Guardiola leerde hij ook nog voetballen op het middenveld, in de 4-1-4-1 als schakel tussen verdediging en aanval.

Philipp Lahm is veelzijdig maar hij is vooral de aanvoerder van de Mannschaft. Mondig, met motivatie.

Benieuwd naar jouw laatste wereldbekerbrief, vriend Guus. Deze correspondentie was mij alvast een waar genoegen. Ik ga nu een weekje fietsen tussen Praag en …Dresden.

Van harte,

Raf Willems

Eerder verschenen:
8 juli http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/68 (Hopen op Das schöne Spiel van Jogi Bonito)
6 juli http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/67 (Het Maracana van de favela)
30 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/66 (Smeken om bescherming)
27 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/65 (De verboden kus van Iraanse supporters)
24 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/64 (Bakary Gassama)
21 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/63 (Serey Die)
19 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/62 (Chileense supporters)
17 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/61 (Mario Balotelli)
16 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/60 (Vicente Del Bosque)
13 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/59 (Xavi)

Alfredo Di Stéfano, mijn eerste voetbalidool

9 jul

distefano

Deze necrologie schreef ik in juli 2014 naar aanleiding van het overlijden van Alfredo Di Stéfano, een van de grootste voetballers aller tijden, een speler met een mythische uitstraling. Hij was mijn eerste voetbalidool.

Tijdens een wandeling in de straten rond het Santiago Bernabeustadion van Real Madrid werd Alfrédo Di Stéfano vorige week zaterdag getroffen door een hartaanval. Het was een dag nadat hij 88 jaar was geworden. Maandag overleed de legendarische Spaanse voetballer, Argentijn van geboorte. Velen noemden hem een van de beste spelers aller tijden, mogelijk zelfs de meest complete voetballer.

In 2005 kreeg Di Stéfano zijn eerste hartaanval. Hij onderging enkele operaties, en bleef mede door een pacemaker goed functioneren. Vorig jaar verloofde Di Stefano, die tien jaar geleden weduwnaar werd, zich met de 36-jarige Costa Ricaanse Gina Gonzalez, ondanks fel verweer van zijn vijf kinderen die hem te kwetsbaar voor een tweede huwelijk vonden en hun vader ontoerekeningsvatbaar wilden verklaren. Gonzalez hielp hem bij het schrijven van zijn autobiografie.

di stefano en gina
‘La saeta rubia’ (de blonde pijl) werd Alfredo Di Stéfano genoemd toen hij eind jaren veertig als middenvoor deel uitmaakte van het sterrenelftal van River Plate, Buenos Aires. Di Stéfano was een razendsnelle aanvaller en later middenvelder die tot aan zijn veertigste veelvuldig scoorde. De Argentijn speelde voor ’s werelds beste clubs, voor River Plate, Millonarios Bogotá en Real Madrid. Voordat Pelé, Maradona en Cruijff zich als grote voetballers manifesteerden, werd Di Stéfano beschouwd als de beste ter wereld.

Dankzij Di Stéfano, zoon van Italiaanse ouders die even buiten Buenos Aires een boerderij dreven, groeide Real Madrid uit tot een voetbalgrootmacht. Dankzij de Argentijnse middenvoor, linksbuiten Francisco Gento en linksbinnen Ferenc Puskas won de club van Realvoorzitter Santiago Bernabéu in de jaren vijftig en zestig zesmaal de Europa Cup. Di Stéfano scoorde in alle finales. Vooral dankzij dit trio kon Bernabéu in Madrid een nieuw stadion bouwen, een stadion met een capaciteit van 100.000 toeschouwers waarin ‘de Koninklijke’ nog altijd speelt.

distefano3
Voor 70.000 dollar kocht Bernabéu in 1953 Di Stefano van Millonarios uit Colombia. Hij was aartsrivaal Barcelona en enkele Italiaanse clubs te slim af. Mede ook dankzij bemoeienis van Generalissimo Franco, die ‘zijn’ club wilde versterken. Di Stéfano, 27 jaar intussen, maakte als aanvaller van Millonarios (waarvoor hij 267 doelpunten in 292 doelpunten maakte), indruk tijdens een toernooi in Madrid. De blond gekuifde Di Stéfano stal meteen ieders hart. Hij scoorde niet alleen, hij was de spelmaker van Millonarios, dat het toernooi overtuigend won. De toeschouwers in het Chamartin-stadion van Madrid waren laaiend enthousiast. Een paar maanden later stond Di Stéfano in Madrid tegenover Barcelona. Real won met 5-0, Di Stéfano scoorde viermaal.

Iedere voetballende jongen droomde er vroeger van in het elegaal witte tenue van Real Madrid te kunnen spelen. Naast Francisco Gento, de Hongaar Ferenc Puskas, de Fransman Raymond Kopa, de Argentijn Hector Rial, de Uruguayaan José Santamaria maar vooral naast Di Stéfano, de razendsnelle, getructe en strategisch geslepen aanvaller. Di Stéfano werd tweemaal (1957 en ’59) uitgeroepen tot de beste voetballer van Europa. Heel weinig mensen hadden in die tijd al (zwartwit)televisie. Voetbal werd spaarzaam uitgezonden. Maar wanneer een film of samenvattend verslag van Real werd vertoond, werd duidelijk dat in het ‘koninklijke’ wit droomvoetbal werd gespeeld. Betere voetballers bestonden er niet in Europa – alleen in Brazilië waar Didi, Garrincha, Vava en vooral Pelé klaar stonden om de wereld te veroveren.

Di Stéfano speelde kort in het Argentijnse elftal, een paar maal in het Colombiaanse elftal en 31 maal het Spaanse elftal. Toch kon hij nooit schitteren op een wereldtoernooi, of hij was geblesseerd of ‘zijn’ land kon zich niet kwalificeren.

De meest memorabele wedstrijden met Di Stéfano waren de Europa Cup-finale van 1960 (Real won met 7-3 van Eintracht Frankfurt: vier doelpunten van Puskas, drie van een weergaloze Di Stéfano). In het Hampden Park van Glasgow waren 127.000(!) toeschouwers getuige van deze demonstratie. https://www.youtube.com/watch?v=1H_89ue5s20.

En ten slotte de memorabele finale van 1962 (Real verloor met 5-3 van het Benfica van Eusebio ondanks drie doelpunten van Puskas, maar de 36-jarige Di Stéfano was voorgoed verslagen). In 1964 vertrok hij naar Espanol, waar hij als 38-jarige in twee seizoenen nog 19 keer scoorde.

Als 16-jarige debuteerde hij bij River Plate. Als jonge aanvaller maakte hij de glorieperiode (eind jaren veertig) mee van de club uit Buenos Aires. La Máquina (de machine), zo werd het elftal genoemd. Toen in 1998 Di Stéfano samen met Gento in Amsterdam was naar aanleiding van Champions League-finale Real Madrid-Juventus werden enkele journalisten uitgenodigd met deze oude sterren (71 en 74 jaar) in het Amsterdamse restaurant d’Vijff Vlieghen de lunch te gebruiken. Het lukte mij aan tafel tegenover ‘de blonde pijl’ te gaan zitten. Terwijl Di Stéfano de ene sigaret na de andere opstak en het ene glas witte wijn na het andere dronk, vroeg ik hem wie hij de beste voetballer aller tijden vond. ,,José Manuel Moreno’’, zei Di Stéfano kort en nam meteen een slok. Moreno bleek de rechtsbinnen van River Plate, die Di Stéfano altijd van de beste passes voorzag.

distefano2
Na de lunch liep het gezelschap rond Di Stéfano en Gento over de Amsterdamse grachten naar een fanshop van Real Madrid die door de oude sterren geopend zou worden. Geen mens die de oude meesters herkende. Di Stéfano keek tijdens de wandeling nauwelijks om zich heen en mompelde wat over de verloren finale van 1962 in Amsterdam tegen Benfica. Gento zag een leeg blikje cola liggen en begon wat dribbels te demonstreren. Waarop Di Stéfano eindelijk lachte en zei: ,,Paco (de bijnaam van Gento).”

Di Stéfano was de jonge held van River Plate, de club die hij samen met andere voetballers tijdens een Argentijnse spelersstaking voor Millonarios Bogotá verruilde. Bij de Ballet Azul (het blauwe ballet) werd hij opnieuw een held. Zoals vier jaar later in Madrid, bij de Koninklijke. Als coach was hij minder succesvol. Hoewel hij nog met Boca Juniors Argentijns kampioen werd, met River Plate hetzelfde deed, en met Valencia Spaans kampioen werd en de Europa Cup voor bekerwinnaars won.

Zijn afscheidswedstrijd als voetballer kreeg hij in 1966. Di Stéfano was 40 jaar, hij had last van een versleten rug. De wedstrijd werd gespeeld in het oude Chamartin-stadion van Madrid. Hij verliet na afloop in tranen het veld. Hij was vijf keer topscorer van Spanje, scoorde voor Real in 282 wedstrijden 218 keer. In zijn hele profloopbaan maakte Di Stéfano 893 doelpunten. In 1991 kozen Europese voetbaljournalisten op verzoek van France Football hun beste Europese speler aller tijden. Di Stéfano werd royaal winnaar vóór Cruijff, Beckenbauer en Platini.

Zijn zeldzame voetbaltalent valt nauwelijks te beschrijven. Buiten het huis van de erevoorzitter in Madrid staat een monument. Niet van hem als voetballer, maar van een bal. Want zo zei Di Stéfano ,,Niet de voetballer maar de bal moet worden geëerd.’’
Zie hier zijn uitvaart: https://m.youtube.com/watch?v=S1LQOWTsuBo

Deze necrologie werd dinsdag 8 juli gepubliceerd in NRC Handelsblad

Chilenen en hun aanhang stelen mijn voetbalhart

19 jun

chili_fans_92
Dit is de vierde aflevering in de serie Wereldbekerbrieven over spelers, scheidsrechters, coaches en supporters (mensen die zich op het WK onderscheiden door sportief maar ook door onsportief gedrag). De Belgische sociaal betrokken voetbaljournalist Raf Willems en ik voeren een briefwisseling voor de website De Aanvoerders. (www.deaanvoerders.nl)

Goede vriend Raf,
Veel dank voor je portret van Mario Balotelli. Nu eens niet kortzichtig neergezet als een donkere duivel, maar – zoals ik zelf al eens meermalen heb geprobeerd – psychologisch geanalyseerd door de Engelse biograaf en historicus John Foot. Met verwijzing naar de Italiaanse radicale psychiater en neuroloog wijlen Franco Basaglia (1924-1980). Zoals het hoort: diepgang. Op zoek naar de kern.

Foot (hoogleraar moderne Italiaanse geschiedenis in Bristol) schreef trouwens in 2011 een fenomenaal boek over het Italiaanse wielrennen Pedalare. Pedalare. A History of Italian Cycling. En Calcio. A History of Italian Football. Zoals je al schreef in je brief over Balotelli. Zijn boek over Basaglia en diens radicale visies en experimenten verschijnt trouwens dit jaar in het Engels en Italiaans. Maar dat terzijde, vriend Raf. (http://www.anxiety2014.org/programme/visual-arts/acting-out-the-institution-denied-professor-john-foot-on-franco-basaglia)

‘Basaglia zou van Balotelli houden en hem het vertrouwen geven’, citeer ik Foot. Nog mooier: ‘Voor hem (Basaglia) stond de mens centraal en hij zocht de oorzaak van de waanzin eerder in zieke sociale relaties dan in hersenbeperkingen.’ Zo treffend, zo ontroerend. Ik wou dat meer voetbalvolgers, en vooral de supporters met hun primaire kwalificaties en verwijten en de opportunistische voetbalcommentatoren zo konden oordelen over het buitensporig gedrag van voetballers in het bijzonder en topsporters in het algemeen.

Dat brengt me bij het gedrag van supporters, Raf. Altijd een dankbaar doelwit voor cameralieden. Hoe doller, hoe mooier. Doorgaans worden de supporters van Oranje het meest in beeld gebracht. Hoe gekker, hoe meer in beeld.

Supporters, mensen die door dik en dun hun elftal volgen en aanmoedigen, moet je als Aanvoerders bestempelen. Ze kunnen de dans op het veld bespelen. Wanneer ze blijven zingen en bij voortduring positieve kreten slaken, stuurt dat het gemoed van de spelers, als een lange peptalk – pepsong eigenlijk.

In Britse stadions voel je dat het best. Met de supporters van Liverpool en jouw geliefde Celtic als meest treffende voorbeelden. Op Anfield Road en op Celtic Park (liever: Paradise) lopen dan de rillingen over je rug en al je ledematen, zo heb ik meermalen ervaren. Je zintuigen kunnen het nauwelijks aan, met tranen in je ogen tot prettig gevolg.

Aan deze supporters dacht ik toen ik de Chileense fans zag maar vooral massaal hoorde zingen en schreeuwen. Zoals ze samen met de Chileense spelers uitzinnig van liefde voor het vaderland en hun voetbal tekeer gingen. Zelden heb ik een voetbalelftal zo vocaal ondersteund gehoord als voor en tijdens de wedstrijden van Chili. Of het moet, excuus beste Celtic-fan, inderdaad op Celtic Park zijn geweest, als You’ll never walk alone door de arena galmde.

Kijk en hoor hoe de Chilenen blijven doorzingen. Hartstocht, noemen ze dat. Positieve agressie. Zo agressief als ze het voor het duel met Spanje het stadion bestormden, nota bene via het heilige domein van de pers, omdat ze te lang voor de poorten moesten wachten om toegang te krijgen. De vurige wil om bij hun helden te zijn, bang het volkslied te moeten missen, bang de helden in de steek te laten. Aanvoerders dus. Met hun hele ziel en zaligheid. En het hielp. Chili overliep de oude meesters van tiki-taka met uitzonderlijke furie.

Zo steelt Chili mijn voetbalhart: kracht, snelheid, techniek, aanvalslust en wilskracht. Zo steelt het Chileense elftal het hart van de aanhang op de tribune. Zo moet er gevoetbald worden, Raf. Altijd.

Hier de vertaalde tekst van het Chileense volkslied, het Himno Nacional. Zo mooi, zo treffend. Zou je dat niet samen met mij willen zingen, Raf, uit volle borst?

Chili met je blauwe lucht
pure winden die over je waaien
en je veld versierd met bloemen
is een mooie kopie van eden
majestueuze met sneeuw bedekte bergen
die door god als een geschenk zijn gegeven
die door god als een geschenk zijn gegeven
en de zee die je reinigt
die je een gunstige toekomst zal geven
en de zee die reinigt
die je een gunstige toekomst zal geven
Prachtig vaderland dat veel doorgemaakt heeft
en je onafhankelijkheid dat je een mooi land maakt
je bent een oord van vrijheid
dat onderdrukkingen overwint
je bent een oord van vrijheid
dat onderdrukkingen overwint
dat onderdrukkingen overwint
dat onderdrukkingen overwint

Dank Raf, voor de inspiratie én voor het meezingen. Ik ben benieuwd naar jouw volgende aanvoerder(s).
Warme groet,
Guus

Eerder verschenen:
17 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/61 (Mario Balotelli)
16 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/60 (Vicente Del Bosque)
13 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/59 (Xavi)

Jean-Luc Dehaene was de premier van de Rode Duivels

16 mei

Jean-Luc Dehaene met zijn vrouw op de tribune van Club Brugge

Jean-Luc Dehaene met zijn vrouw op de tribune van Club Brugge


In september 1997 werd ik als verslaggever van NRC Handelsblad in Brussel gastvrij ontvangen door Jean-Luc Dehaene, destijds 57 jaar en premier van België. Geen de rust verstorende voorlichter rondom, geen restricties. Gewoon ‘klappen’ over zijn passie: voetbal én Club Brugge. Over zweten, kreunen, hartgrondig schelden naast de koning en af en toe traantje wegpinken. Gisteren overleed deze bijzondere man..

Een heel klein beetje zenuwachtig is hij wel. Jean-Luc Dehaene is al aan het aftellen. Het is nog twee dagen voor de ‘grote match’ tussen de Belgen en de Hollanders.

Onlangs tijdens zijn laatste ontmoeting met Wim Kok had hij er al bij zijn Nederlandse collega op aangedrongen samen met hem naar De Kuip te gaan. Een voetbalwedstrijd van de Rode Duivels wil de premier van België zeker niet missen.

Want hij is echt gek van voetballen. Hij is een echte supporter, van de Belgen, maar vooral van Club Brugge, zijn jeugdliefde.

In het kantoor van de Belgische premier in Brussel veegt hij met zijn hand over zijn voorhoofd wanneer hem bij het naderende afscheid wordt gevraagd nog even een voorspelling over de wedstrijd te doen. Hij blaast, zucht, denkt na, neemt een slokje uit zijn glas ‘plat’ water en plooit zijn gezicht uiteindelijk tot een verlegen glimlach. ,,Ik ga als een echte supporter. En die denkt altijd dat zijn ploeg gaat winnen. Maar als ik de kansen van afstand bereken, zeg ik: een gelijkspel. Dat zou namelijk een overwinning zijn na de schande die vorig jaar over ons werd uitgestort toen we in Brussel van de Hollanders verloren. Ik ben toch niet helemaal gerust na die kater in het Heizelstadion.”

Pas op, wanneer Dehaene zegt dat hij een supporter is, dan is hij ook een échte supporter, een aanhanger die zweet van de spanning, die meeleeft, kreunt, juicht, een traantje wegpinkt en hartgrondig scheldt wanneer het moet. Op de tribune laat hij zich gaan. Wim Kok en al die andere hoogwaardigheidsbekleders rondom hem in de ereloge zijn dus gewaarschuwd.

Ter illustratie herinnert hij aan een wedstrijd tussen België en Tsjechoslowakije.

Als eerste minister moest hij naast de koning van België zitten. Niet van harte, maar het protocol vraagt erom., ,Toen we de tribune opgingen zei ik tegen de koning: ‘Sire, ik weet dat ik mijn mond moet houden tijdens de wedstrijd. Maar ik weet niet of ik het kan.’ Op een gegeven moment wordt Philip Albert met een rode kaart uit het veld gestuurd. Ik roep: ‘Godverdomme Albert’ en denk gelijk aan de koning. Ik kijk hem aan en ik zie hem lachen. ”t Is niks Jean-Luc, ’t is goed.’ Begrijpt u nu hoe ik ben op de tribune?”

Al sinds zijn jeugd is Dehaene supporter van Club Brugge, de club waar hij heeft genoten van spelers als Lambert, Rensenbrink, Le Fèvre, Ceulemans en waar hij de tijden heeft meegemaakt van trainer Ernst Happel. Hij kende hen niet persoonlijk. Voor zijn ministerschap zat hij gewoon op de tribune en volgde hij op afstand de prestaties van de Bruggelingen. Aan zijn zijde altijd zijn vrouw. ,,Met haar had ik mijn eerste afspraak bij Club Brugge. We leven altijd zwaar mee. Als ik niet ga, gaat zij. Na de wedstrijd ben ik uitgeput, moe en leeg. Voetbal is voor mij afleiding en ontspanning. Wat ik in het dagelijks leven meemaak, vraagt om periodes van distantie. In mijn job kan ik mijn emoties niet kwijt. Wel in het voetbal. Door mijn beleving bij het voetbal vind ik een psychisch evenwicht.”

dehaene wanhoop
Hij is altijd een liefhebber van het voetbal geweest. Tot grote spijt van zijn vader en het milieu waaruit de christen-democraat Jean-Luc Dehaene stamt, een sfeer van pastoors en artsen, van mensen die bij voorkeur afstand nemen van een volks vermaak als voetbal. ,,Mijn vader was geen liefhebber”, zegt Dehaene met mildheid in zijn doorgaans luide stem. Op het college van de jezuïeten maakte Jean-Luc tot zijn grote vreugde kennis met de bekoorlijkheden van het edele voetbalspel. Zelf was hij geen groot speler, geeft hij grif toe, want aan bewegen heeft hij een hekel. Dus was hij doelman. Hij wilde op zondagmiddag zoals iedere jongen naar de grote wedstrijden, maar vader gaf geen toestemming, dus vond Jean-Luc een vriend van zijn vader bereid hem mee naar het stadion te nemen.

Dan nog liever naar Cercle dan naar Club, vond zijn vader. Maar Jean-Luc vond het maar niks bij Cercle, de katholieke club, de club van de bourgeoisie, de salonclub, waar keurige mensen kwamen en emoties niet de vrije loop mochten hebben – schelden deed men niet. ,,Ik was voor Club, daar was ambiance, daar leefden de mensen op bij het zien van voetbal. Daar was emotie, daar lieten mensen zien wie ze waren. Het was een volksclub, een club waar het volk liefde vond in het voetbal en nog altijd vindt. In het Olympia Stadion voel ik me thuis, onder de mensen, daar waar emotie mag zijn.”

Zelf heeft hij nooit in clubverband gevoetbald. Hij was weliswaar een fanatiek en trouw speler van het schoolelftal, maar lid worden van een voetbalclub hoorde niet bij de status van zijn familie. Bij Cercle had hij misschien nog mogen voetballen, maar dat wilde hij juist niet. In plaats van voetbal moest hij kiezen voor het lidmaatschap van jeugdbewegingen, omdat zijn familie daaraan hechtte, zoals de padvinderij – leuk maar niet zo leuk als voetbal.

,,Weet u dat ik emotioneel meer lijd van een nederlaag van Club Brugge, dan van de val van mijn regering. Dat laatste zou ik ervaren als zakelijk, afstandelijk. Daar zijn rationele verklaringen voor te vinden. Maar bij een nederlaag van Brugge staat mijn verstand stil.”

Dehaene hangt achterover op de leren bank van zijn kantoor. Rondkijken en zoeken naar attributen die met voetbal te maken hebben heeft geen zin, zegt hij, als antwoord op mijn spiedende ogen. ,,U zult hier niets vinden dan boeken en geschriften die met mijn werk te maken hebben.”

Schilderijen rondom, een enkele foto van familie en van hemzelf slapende naast een hoogwaardigheidsbekleder, en een indrukwekkend bureau. Zaken en hobby’s heeft hij gescheiden. Het ligt voor de hand dat Dehaene met zijn passie voor voetbal zijn ministeriële invloed zou kunnen aanwenden om het voetbal in België naar grote hoogten te stuwen. Maar Dehaene is duidelijk: ,,Het is goed dat voetbal wordt geregeld door managers en bestuurders die afstandelijk zijn. Emotie leidt tot verkeerde dingen, tot chaos. Ik zou dus niet geschikt zijn om over voetbal te beschikken. Ik ben te veel supporter.”

Maar hij heeft toch wel een mening? Ja, natuurlijk, zoals iedere voetbalsupporter.

En pas op, hij trekt het zich heus wel aan dat het voetbal in België in een diep dal zit.

,,Maar het diepste punt is voorbij”, zegt hij zoals een positieve supporter betaamt.

,,De voetbalgemeenschap heeft zich in slaap laten sussen. Doordat Bosman-arrest moeten de clubs nu op de blaren zitten, zeker in België. De beste spelers zijn vertrokken naar het buitenland. Anderlecht en Brugge tellen internationaal niet meer mee en moeten nu zelf Lierse en Moeskroen naast zich dulden. Er is een destabilisatie opgetreden. De voetbalwereld heeft te lang gedacht dat het boven de maatschappij kon leven. Ze dacht haar eigen wetten te kunnen maken. En nog altijd wekt ze de indruk buiten de gewone-mensen-wereld te kunnen bestaan. Sommige bestuurders, managers en spelers doen maar en denken dat ze in een andere wereld leven.”

Dehaene vindt de discussie in Nederland over Kluivert, die buiten het veld omstreden gedrag vertoont, en in België over De Bilde, die zich zowel in en als buiten het veld heeft misdragen, ,,interessant maar gevaarlijk”. Hij zegt: ,,We moeten opletten dat we deze vedetten niet meer beschermen dan andere mensen, omdat ze toevallig de status van een populaire of uitzonderlijke voetballer hebben. Maar we moeten helemaal opletten dat we deze vedetten niet méér straffen dan andere mensen omdat ze een bepaalde status hebben. Wat beroemde en populaire mensen, zoals voetballers, zoal doen mag niet leiden tot Berufsverbote.”

dehaene zwaait
Voetbal is in een stevige greep van de commercie geraakt. ,,Te veel geld in voetbal pompen is gevaarlijk als het kunstmatig gebeurt, zoals in Frankrijk”, waarschuwt Dehaene. ,,Voetbal moet je niet in stand houden door overheidssubsidies. Voetbal moet zichzelf helpen. Door recettes en goede sponsoring. Helaas voor de noordelijke clubs is er een achterstand op de zuidelijke clubs van Europa. Die toeschouwersaantallen van 60.000 tot 100.000 die in Italië en Spanje worden geteld zijn hier nooit mogelijk. Mensen in die landen hebben meer behoefte aan voetbal dan hier. Ze hebben minder luxe en daarom meer afleiding nodig. Cultuur en temperament zijn anders dan hier. Die achterstand zullen ze hier niet ongedaan kunnen maken. Daarom is het oppassen dat hier in het noorden geen kunstgrepen worden toegepast om te wedijveren met het voetbal in het zuiden.”

De uitvergroting van het voetbal ziet Dehaene niet als een gevaar voor het voortbestaan van het voetbal. ,,We kunnen ons wel druk maken over de grote verschillen die gaan optreden tussen de topclubs en de kleine clubs, maar dat heeft geen zin. Voetbal gaat dezelfde kant op als theater. Het grote theater vindt plaats in de grote steden of op televisie, het kleine theater vindt plaats in de dorpsgemeenschappen. Wie goed voetbal wil zien kijkt naar Milan, Juventus, Barcelona, Real Madrid en Manchester United, wie wil genieten van de sfeer van het kleine voetbal gaat naar zijn eigen club in de stad of het dorp. Dat is de ontwikkeling die gaande blijft, de Europese competitie is niet ver meer. Maar dat is geen negatieve ontwikkeling, zolang het kleine voetbal maar mag blijven bestaan.”

Grotere en modernere stadions waar het aantal ereloges de publieke tribunes dreigt te overstijgen, baren Dehaene als liefhebber van de volkse sfeer nog geen zorgen. ,,Voetbal blijft een sociale betekenis hebben. Mensen ontmoeten elkaar. Of het nu in de vip-loge is of op de tribune. Wie mensen wil ontmoeten gaat naar het voetbal en ontmoet ze daar. In de lift van een gebouw praat niemand met elkaar, op straat ook niet meer. Zie een voetbalwedstrijd als een grote receptie waar iedereen het glas kan heffen op het samenzijn en kan praten over voetbal en andere zaken. Als mensen elkaar niet meer in het voetbalstadion ontmoeten, waar dan wel? Ja, in het theater. Maar dat is toch niet hetzelfde.”

dehaene juicht
Dehaene benadrukt dat hij altijd op de tribune gaat zitten en niet achter glas in de vip-loge. ,,Ik drink daar wel even een glas, ik geef de mensen een hand, praat met hen, maar dan ben ik toch weg, naar de tribune. Ik wil voetbal van dichtbij beleven. Ik wil het lawaai en de spanning voelen. Ik wil met de mensen zijn en ervan genieten.” Of hij nog een favoriet heeft? ,,Frankie Vanderelst, een speler met een stijl die me aanspreekt. Altijd doorgaan, altijd in dienst van de ploeg. En hij is van Club Brugge, de mooiste club van België, mijn club, altijd geweest.”

De trauma’s van de stoere jongens uit Liverpool

15 apr

hillsborough
Op 15 april 1989 voltrok zich de ramp op Hillsborough. Onderstaande reportage uit Liverpool schreef ik op 29 april 1991 in NRC Handelsblad.

Anfield Road 1, een paar honderd meter van het stadion van Liverpool Football Club. Een sober, in vuurrood baksteen opgetrokken huis aan de rand van het Stanley Park. Vroeger woonde hier de beheerder van het park. Sinds twee jaar doet het gebouw dienst als het Hillsborough Disaster Advice Center. Nog zeker eenmaal in de week loopt een man, een vrouw, een jongen of een meisje hier voor het eerst sinds 15 april 1989 binnen omdat hij of zij niet langer de trauma’s kan verwerken van de verschrikkelijke ramp tijdens de voetbalwedstrijd tussen Liverpool en Nottingham Forest in het Hillsborough stadion van Sheffield.

Door Guus van Holland
LIVERPOOL. Er moeten nog duizenden mensen rondlopen, in Liverpool, Sheffield, Nottingham en op andere plaatsen waar men deelgenoot was van het drama waarbij 96 toeschouwers werden doodgedrukt. Chris, een van de twaalf sociaal werkers in het opvangcentrum, beseft dat zij nog maar het ‘topje van de ijsberg’ kennen. Tel maar na: vijftigduizend toeschouwers waren er in het stadion, hun familieleden, vrienden en buren, en dan al die mensen die door de rechtstreekse tv-reportage van de halve-bekerfinale werden geconfronteerd met de tragedie. ,,Een probleem is”, weet hij, ,,dat veel mannen niet durven toegeven dat zij nog altijd getraumatiseerd zijn.”

Held like a baby in the arms of a proud father,
Held so tightly, unable to move.
Short of breath, am I close to death?
I see pain in people’s faces, they reach out for me
It’s their last breath.
I give up on life, I can’t hold on anymore,
Like a drowning man I’m pullend ashore.
I wish the 15th April was fateful for me.
I’ve suffered too much pain…
To come away from Hillsborough with my life, Was no gain
.
(Stuart Littlewood, Liverpool)

Stoere jongens uit Liverpool, die huilen niet. Ze zijn er wel. Jongens als Stuart, van wie bovenstaand gedicht afkomstig is. Of Alf. Hij is een overlevende van de ramp op de Lepping’s Lane-tribune. Een echte Liverpool-fan, bijna zijn hele leven al. Hij hoorde de ribben van een man kraken tegen het hek, waarvan hij zichzelf net had weten los te maken. Hij keek naar beneden en zag dat de man dood was.

Hoe Alf het verwerkte? Hij vroeg zijn baas drie weken vrij, maar deze weigerde. Alf vertrok naar Glasgow, hing dag in dag uit in de kroeg en vond zichzelf een paar weken later bij een benzinestation aan de autoweg terug naar Liverpool, volkomen ontredderd. Hij heeft geen werk meer, durft sinds kort weer naar het stadion, en is niet meer elke dag dronken. De gesprekken en therapieën in het opvangcentrum hebben hem al veel geholpen. ,,Liverpool is mijn leven, ik wil sterven voor mijn stad en mijn club.”

Veel mannen zeggen op zaterdagmiddag tegen hun vrouwen dat ze naar het voetballen gaan. In werkelijkheid zitten ze in de kroeg. Ze durven er niet voor uit te komen dat ze niet meer kunnen, dat ze niet herinnerd willen worden aan Hillsborough.

Anderen dwalen nog door de stad, ze zullen geen doel meer vinden in het leven. Jonge supporters, Chris kent ze, hebben regelmatig last van agressieve buien. Ze vernielen dan alles in de stad. Ze zijn zo kwaad op zichzelf. Ze voelen zich schuldig. Sommigen hebben zich op het centrum gemeld of lieten zich sturen. ,,We zijn weggelopen, terwijl vrienden van ons stierven. Hadden we niet moeten blijven? Hadden we moeten helpen? We hadden samen dood moeten gaan.”

De symptomen van de getraumatiseerde betrokkenen lopen uiteen: niet kunnen of durven slapen, flashbacks, verdriet, agressie, angst, vluchten, drankmisbruik, vernielzucht, niet eten, zelfmoordpogingen. De dood van nabij hebben gezien, kan desastreuze gevolgen hebben voor lichaam en geest. Veel klachten worden niet herkend als psychosomatisch. In Hillsborough Interlink, het driemaandelijkse blad voor mensen die betrokken zijn geweest bij de ramp, schrijft een meisje dat ze een jaar na Hillsborough ernstig ziek werd. Ze had veel gedronken en gerookt, maar vertelde aan niemand waarom. Ze vermagerde sterk, moest veel overgeven. Artsen onderzochten haar, dachten aan kanker en namen haar een paar weken ter observatie op in het ziekenhuis. ,,Ik verloor mijn baan, mijn vriend, mijn lach en mijn hart.”

Haar probleem was dat ze niet in Liverpool woonde. In haar dorp kon ze niet praten over haar bezoek aan Hillsborough. In het ziekenhuis uiteindelijk wel. Ze is weer gezond, ze is in Liverpool gaan wonen en trouwt binnenkort met een Everton-fan.

Chris en zijn collega maatschappelijk werkers organiseren praatsessies voor de betrokkenen, bezoeken met hen de plaats van de ramp, gaan gezamelijk met hen naar voetbalwedstrijden en bespreken hun ervaringen. Video’s van de tv-opnamen worden als confrontatiemateriaal gebruikt. In het blad Interlink, dat in de stad wordt verspreid, kunnen overlevenden, nabestaanden en oogetuigen hun trauma’s van zich afschrijven in brieven, verhalen en gedichten. Brochures als Coping after Hillsborough worden uitgedeeld in de stadions. Er is een Hillsborough-Helpline, waarnaar dag en nacht gebeld kan worden. ,,Of het helpt? We hopen het. Als we maar beschikbaar zijn”, relativeert Chris.

Hillborough-stadium-disater-2
Twee weken geleden maakte de Europese voetbalfederatie bekend de schorsing van Liverpool op te heffen. Engelands meest besproken voetbalclub mag weer meespelen in de Europa-Cuptoernooien. Nee, er was geen feeststemming, er werd nauwelijks over gesproken in Liverpool. ,,Er heerste zoiets van: het werd tijd”, heeft Chris ervaren. ,,Maar misschien is dat helemaal niet belangrijk meer. De mensen voelen slechts narigheid. Er is zoveel gebeurd de laatste jaren. De competitie is belangrijk genoeg om het Liverpool-gevoel te kunnen ondergaan. Anderen zijn misschien wel bang. Liverpool-fans zullen worden uitgedaagd door Hollandse en Duitse hooligans.”

Peter Robinson, secretaris-generaal van Liverpool Football Club, geeft toe dat er geen feest was in Liverpool. ,,We moesten ons toch eerst nog kwalificeren. Een dag na de bekendmaking stond er een belangrijk duel op het programma. Nu, twee wedstrijden verder, zijn we zeker tweede en misschien worden we nog wel eerste als Arsenal instort. We kunnen ons nu gaan voorbereiden op de Europa Cup.” Bang voor nieuwe problemen met supporters is hij niet. ,,Voor het Heizeldrama in 1985, waarna we geschorst zijn, waren er in de 21-jarige geschiedenis van Liverpool in de Europa Cup nooit problemen. We hebben tijdens onze schorsing regelmatig vriendschappelijk gespeeld in Europa om contact te houden. Er zijn toen fans meegereisd, geen problemen gehad.”

Een paar jaar geleden waren er weliswaar vechtpartijen met Manchester United-supporters, maar dat was buiten het stadion, verweert Robinson zich. ,,Dat werd meteen breed uitgemeten in de pers. Begrijpelijk, Liverpool wordt gevolgd. We hoeven maar iets te doen of we zijn weer de boze wolf.” Dat een paar veerbootmaatschappijen weigeren Manchester-fans van Engeland naar Nederland te vervoeren voor de Europa-Cupfinale in Rotterdam, vindt hij niet verontrustend. ,,Er is tenslotte veel gebeurd op die boten de laatste jaren. We zullen moeten aantonen dat we op de goede weg zijn. En dat kan jaren duren.”

Het hooliganisme is nog niet de kop ingedrukt, beseft Robinson. Maar sinds de hekken zijn weggehaald tussen de tribunes en het veld in de Engelse stadions, maakt de zieke kans op genezing.

Naar aanleiding van het Hillsborough-drama moeten in alle stadions de staanplaatsen verdwijnen. In het stadion van Liverpool is alleen nog de befaamde Spion Kop een staantribune, die door 16.000 mensen kan worden bevolkt. Maar over twee jaar zal ook die alleen maar zitplaatsen bevatten: 10.000. Niet alle Kop-bewoners nemen deze maatregel Liverpool in dank af. ,,Het is een dolksteek in het hart van Liverpool. Maar met tradities alleen kunnen we niet leven”, zegt de man op wie de club al 26 jaar drijft.

In 1994 moet de verbouwing van het stadion zijn voltooid. Dan kunnen 38.500 toeschouwers zittend genieten van de Liverpool-wervelwind. Dan kan de club pronken met 35 prive-boxen. Want zelfs voor een volksclub is die formule onvermijdelijk. ,,We hebben het om principiele redenen altijd kunnen tegenhouden. Klasseverschil hoort niet in de voetbalclub Liverpool”, beseft Robinson. ,,Maar de verbouwing kost ons 11 miljoen gulden. Met de verhuur van prive-boxen kunnen we dat terugverdienen. Als we dat niet doen, moeten de entreeprijzen omhoog. Dan is de Liverpool-fan slechter af.”

De schorsing van vijf jaar heeft Liverpool miljoenen aan inkomsten gekost, probeert Robinson een verklaring te geven voor de principiële ommezwaai. ,,Toen wij met Liverpool onze Europese successen boekten, waren er nog geen rechtstreekse tv-reportages in Engeland van Europa-Cupwedstrijden. Als ik hoor dat Manchester United en Aston Villa, die al dit jaar mochten meedoen, een miljoen aan tv-rechten incasseerden, is het niet moeilijk te berekenen dat wij de afgelopen jaren miljoenen aan inkomsten hebben gemist. Daarvan hadden wij de verbouwing van ons stadion kunnen bekostigen. Misschien hadden we dan wel geen prive-boxen nodig gehad, ja.”

Door de terugkeer van Liverpool in de Europese bekertoernooien zal de club ook te kampen krijgen met personele problemen. Voor de Europese voetbalfederatie zullen namelijk Schotten, Welshmen en Noordieren in Engelse club als buitenlander worden beschouwd. De huidige selectie van Liverpool telt slechts zes Engelsen, naast een handvol Schotten, Ieren, Welshmen, een Zweed, een Deen, een Israelier en een Zimbabwees. Dat betekent opnieuw investeren in spelers. Sinds kort ziet Liverpool echter de noodzaak van een jeugdopleiding in.

Ex-Liverpoolspeler Steve Heighway is daarom dit jaar uit Canada naar Liverpool gehaald om de junioren voor te bereiden op de hoofdmacht. Liverpool moet een familiebedrijf blijven, zegt Robinson. ,,Wie hier eenmaal is geweest, moet blijven of terugkomen als hij weg is geweest. Continuiteit is onze succesformule.”

Daarom trof het de ‘familie’ van Robinson twee maanden geleden diep in haar hart toen manager Kenny Dalglish volkomen onverwacht zijn ontslag aankondigde. ,,Kenny hoorde na veertien jaar achtereenvolgens speler en manager te zijn geweest als geen ander bij Liverpool. De meest succesvolle speler en manager die we hebben gehad. Kenny sprak weinig. Maar met zijn betrokkenheid liet hij anderen voor zich spreken. Kenny Anfield uit zien lopen was het meest trieste moment in mijn leven. Ik heb nog regelmatig contact met hem. Zijn kinderen komen nog naar de wedstrijden kijken, Kenny niet. Maar volgend jaar verwacht ik hem weer.”

Kenny Dalglish Kenny Dalglish

Dalglish was niet tegen de druk bestand, weet Robinson. ,,De hele week was hij gelukkig, maar op de dag van de wedstrijd had hij hoofdpijn. Kenny was een gevoelsmens. Hij wilde zelf spelen en niet naast de bank staan en anderen het werk laten doen. Op de persconferentie zei hij met tranen in zijn ogen dat hij wegging.”

,,Ik geloof niet dat Kenny ooit nog manager wordt. En ik ken hem”, zegt Graeme Souness, evenals Dalglish een Schot. Hij volgde Dalglish op toen deze vertrok. ,,Mijn laatste kans op het Grote Geld.” De voormalige elegante middenvelder is harder en zakelijker dan Dalglish. Dat geeft hij toe. ,,Ik moest Liverpool helpen. Ik heb er nooit aan gedacht, want ik dacht dat Dalglish hier voor het leven zou blijven. Dat is zo bij Liverpool de formule. Ik kon niet weigeren. Ik ben geboren in Edinburgh, maar hier ligt mijn hart, mijn twee zoons zijn hier geboren, hier leeft men van voetbal. Het spijt me voor de Rangers, maar ik mag niet nee zeggen tegen mijn familie.”

,,We hadden geen andere keus dan Souness”, zegt Robinson. ,,Of we hem al op dezelfde dag van Dalglish’ ontslag hebben gebeld? Dat kan ik niet zeggen. Zei Souness dat hij drie weken heeft moeten nadenken over ons aanbod? Laten we het daar maar op houden.” Twee weken na zijn terugkeer op Anfield is Souness al De Verlosser. Onder Dalglish was Liverpool een dolende club. Maar onder Souness: twee wedstrijden, twee gewonnen, zes doelpunten voor, nul tegen en kwalificatie voor de UEFA Cup. ,,De manier waarop ik in mijn eerste wedstrijd werd begroet. Ik voelde me meteen thuis.”

Een paar honderd meter verder op Anfield Road drinkt Alf een kop koffie met Chris, zijn hulpverlener. Zijn blik dwaalt af naar het raam dat uitzicht geeft op Stanley Park. In de verte ligt Goodison Park, het stadion van Everton. Bij Liverpool gaan ze de Kop afbreken. ,,Ja, het laatste bolwerk dat je het gevoel geeft samen te zijn, een te zijn met de club. You’ll never walk alone, ja. Ik ben een keer op een doordeweekse dag een executive box binnen geweest. Ze hadden er een toilet, met papier, en aan een spijker hing The Observer. It’s them and us. Ze zijn hier nog nooit geweest in dit centrum. Alleen Kenny. Maar die is nu ook weg.”

Kijk naar deze indrukwekkende documentaire van de BBC uit mei 2013: How they buried the Truth:

Was ik hier maar nooit weggegaan

12 apr

bennekom ansicht
Dáár heb ik gewoond, daar moet ik dus even langs rijden. En daar ook. En daar. Kijken hoe het huis er nog bijstaat. Of de tuin nog goed onderhouden is.

Zo’n vijf keer per jaar ben ik terug in Bennekom. Elke keer rijd ik voor of na mijn bezoek een rondje door het dorp, langs de huizen waar ik de eerste 24 jaar van mijn leven heb gewoond. De huizen zijn nauwelijks veranderd, de straten en lanen een beetje. Soms sta ik even stil. Dan kijkt bij de buren iemand door het raam en vraagt zich vast af wat die man daar in die auto doet. Het zijn andere buren dan vroeger. Ze kennen me niet.

In Bennekom ben ik geboren en getogen. Ik ben er naar de School met den Bijbel aan de Veenderweg gegaan en naar de ULO aan de Robert Kochlaan, alvorens ik naar het Wagenings Lyceum ging om er vooral te leren wat God verboden heeft. Ik ben in mijn dorp op de gymnastiekvereniging (DOS) geweest en op de padvinderij (Musinga). Ik ging er met mijn ouders en broers naar de Gereformeerde Kerk aan de Brinkstraat, naar de Knapenvereniging (Timotheus 1, 2 of 3) en de catechisatie – één keertje maar, toen was ik de Bijbel en de psalmen zat.

En ik heb er vanaf mijn elfde tot mijn 25ste gevoetbald, de laatste acht jaar meestal in het eerste elftal. Ik kende toen ik jong was bijna iedere Bennekommer. Of ze nu uit het dorp kwamen, zoals ik, of van de Laar, waar ik begon te voetballen tussen de jongens van De Ruiter, Welgraven, Van den Heuvel, Lieftink, Van Reemst, Meurs, Vermeer, Van de Weerd, Jansen, Van den Brink, Veldhuizen, Hulstein, Van Beek, Kerseboom, Rozeboom, Roosenboom en Roseboom. Families die al bekend waren bij mijn vader die bijna zijn hele leven in Bennekom heeft gewoond.

Het leven in Bennekom heeft mij gevormd. Ik mis nog vaak de warmte en veiligheid van deze unieke gemeenschap. De manier waarop ze gedag zeggen. Kort, onverschillig bijna: ‘heu Guusje’. De manier waarop mensen schielijk langs je heenlopen. Later hoor je dat ze je wel gezien hebben en vragen ze waarom je niet gedag zei.

Stille herkenning, typisch Bennekoms.

Als ik vroeger als jongen door Bennekom fietste, hoorde ik vanuit een tuin of een raam mijn naam roepen. Als de melkboer en de groenteboer bij ons aan de deur kwamen zeiden ze tegen mijn moeder dat ik slecht had gevoetbald. Hoe dat toch kwam? Dan lachte mijn moeder verlegen om zoveel aandacht voor haar zoon en zei ze verontschuldigend iets over nieuwe voetbalschoenen of over problemen op school. Sociale controle heet dat nu. Ik noem het sociale veiligheid.

Betrokkenheid. Verbinding. Warmte.

Ik ging het huis uit, verliet Bennekom, verliefd op een niet-Bennekomse. Ik werd journalist, ver weg. Ik reisde de hele wereld over. Altijd verlangde ik terug naar mijn dorp, mijn oude buren, mijn oude vrienden, mijn oude voetbalclub, terug naar de bossen aan de oostkant van het dorp waar ik had rondgestruind, alleen en eenzaam dromend onder bomen en struiken had gelegen, padvinder was geweest, had gevreeën, had gevoetbald tussen de bomen en er comboytje had gespeeld.

bennekom hooi kerk
Terugverlangen naar de weilanden en de sloten aan de westkant van het dorp, waar schoolvriendjes op een boerderij woonden en ik de reuk van hooi, ingekuild gras, van koeien-, kippen- en varkensstront leerde kennen, en heel dicht bij beesten kon zijn. Terugverlangen naar opa en opoe Van den Hul, aan de Edeseweg. Mijn opa was varkenskoopman. Achter het huis was de waag, waar varkens werden gewogen en verhandeld door middel van handjeklap. De boeren lieten de varkens stiekem grind eten, zo hoorde ik van mijn opa, werden ze zwaarder van. Mijn opa drukte op zijn beurt met zijn klomp het gewicht naar beneden – of naar boven. Totdat ik er wat van zei en hij me een hengst voor mijn kop gaf. Nooit mocht ik meer in het waaggebouwtje.

Ik leerde van hem kippen slachten: gewoon vangen, op een hakblok leggen, kop er af, met een hiep. Ik leerde varkens voeren. Ik zat daar met mijn broer aan de keukentafel en at mee, zo veel en zo vet mogelijk, veel jus, omdat het gezond was en je nog moest groeien. Maar wel eerst bidden en tot slot danken. Deed ik het niet, hoorde mijn opa ons lachen, dan kreeg ik een pet naar mijn hoofd geslingerd.

Ik verlangde terug naar het café waar ik had rondgehangen. Uren. Zonder geld. Maar ik werd er wel bezopen, waarna ik dan naar huis waggelde. Zonder fiets, want die was ik kwijtgeraakt.

Als ik nu in de Randstad met weemoed over mijn geboortedorp vertel, krijg ik als antwoord: ‘Bennekom? Dat ken ik, daar ben ik weleens op vakantie geweest, daar heb je mooie bossen.’

Ja, ook. Maar mijn geboortedorp had meer. Vooral eenvoud en gemoedelijkheid.

Ik ben lid van De Club van Toen van VV Bennekom, die ieder jaar een reünie voor oud-spelers van het eerste elftal organiseert. Het gaat daar aan de rand van het veld en later aan de toog in de kantine vooral over het voetballeven van toen, over alle kampioenschappen, maar ook over het Bennekomse leven van toen. En wat er nog van over is. Wie ziek is en wie dood. Jarenlang belde mijn vader me op in de Randstad en zei hij: ‘Weet je wie er ook dood is?’ En dan noemde hij een Bennekommer. Een die ik vast en zeker kende. Eigenlijk was iedereen een bekende Bennekommer.

Als ik nu door het dorp rijd, door de straten waar ik gewoond heb, dan heb ik het soms moeilijk. Ik zag dat een van de huizen waar we woonden verkocht was, aan een projectontwikkelaar. Het was me al verteld. Ik zag het bij mijn rondgang staan op een bord in de tuin. Dan droom ik weer van vroeger, en denk: was ik hier maar nooit weggegaan. Dan word ik wakker geschud. Omdat iemand roept: ‘Hé Guusje, wil je me niet meer kennen?’ ‘Natuurlijk ken ik jou’, antwoord ik dan geschrokken. Alsof ik schuld beken.

Ik ken nog bijna iedereen, zeker iedereen van vroeger. Bennekommers vergeten elkaar niet.

Deze column is verschenen in het aprilnummer van Benn. Het blad over Bennekom. Zie ook: http://www.Bennonline.nl. Begin juni 2022 zal het boek ‘Pareltjes, verhalen van Bennekomse bodem’ verschijnen, met daarin o.a. dit verhaal 

Door sport heb ik boeddhisme leren kennen

23 mrt

Deze column staat in verkorte vorm op de voorjaarsuitgave (2014) van de website van De Vrienden van het Boeddhisme: http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/

Er woedde een strijd in mij, zeker als mens die beroepshalve over sport schreef. Vanwaar toch die fascinatie voor strijd, competitie, rivaliteit en vaak daaruit voortvloeiende animositeit? Dat de één beter is dan de ander. Dat ik beter wilde zijn dan een ander. En dus ook niet minder wilde zijn. Dat gevoel werd naarmate ik ouder werd en er meer over schreef steeds heviger – onaangenamer ook.

Aanvankelijk ging ik de drijfveren van mensen onderzoeken, in het bijzonder van mensen die wedstrijdsport bedreven. Interview na interview schreef ik. Niet alleen met topsporters maar ook met sportpsychologen, sportsociologen en sportfilosofen. Denkers. Dieper en dieper. Tja, het was the survival of the fittest. Zo was het nu eenmaal.

Zo’n 35 jaar geleden zei mijn eerste psychische hulpverlener, ‘spiritueel psychotherapeut’ Yde Lansen: ‘Guus, je denkt dat je in interviews op zoek bent naar de drijfveer in anderen. Maar je bent op zoek naar jezelf. Anderen zullen niet begrijpen wat je zoekt in hen. Zij kunnen jouw verhaal niet vertellen. Dat moet je zelf doen.’ Terzijde: in 1992 verscheen van Yde Lansen (samen met zijn ex-vrouw Mieke Bello het boek ‘Je gaat niet zomaar dood’ en in 1997 ‘De verstopte mens; hoe de goden en ons goddelijke lichaam weer zichtbaar kunnen worden’.

De zoektocht stemde maar niet tot tevredenheid, tot vrede met mezelf. Het leek inderdaad om mijn eigen zucht naar strijd te gaan. Wat ik om mij heen zag was projectie. Het was een nogal vermoeiend proces, uitputtend zelfs. Was er dan echt geen vreedzamer leven, elders?

Boeddhisme dan maar. Daar moest ik me in verdiepen. Had ik niet vaak verlangd naar een verblijf in een klooster? Rust en vrede, overal. Was ik niet eens bijna toegetreden tot de volgelingen van Bhagwan Shree Rajneesh, en sannyasin geworden? Ik las en herlas zijn boek: ‘Mijn weg de weg van de witte wolk’. Nee, geen volledige overgave aan een goeroe. Niet naar Poona. Niet in oranje over straat. Geen uniform. Ik wil wel autonomie.

Het leven voelde niet goed. De fascinatie voor sport was vaak ook een last. Ik leidde een dubbelleven.

Phil Jackson


Phil Jackson

Toeval kon het niet zijn dat ik begin jaren negentig bij een reportage over sportbeleving in de Verenigde Staten werd geconfronteerd met Phil Jackson, basketbalcoach van de Chicago Bulls, wereldkampioenen, het team van een van de beste sporters aller tijden, Michael Jordan. Een ‘sportspiritueel’ familielid, Frank Heckman, met Steven de Bie schrijver van ‘De Reis van de Held’ (de basis van de Nederlandse olympische sportsuccessen in de laatste jaren), wees mij bij mijn bezoek aan Chicago op het boek Sacred Hoops, Spiritual lessons of a hardwood warrior. Het was geschreven door Phil Jackson.

Het boek was een openbaring. Een sportcoach die spelers liet kennismaken met Indiaanse rituelen, sprookjes liet lezen als The Wizard of Oz (over de goeden en de kwaden), die vertelde over zenboeddhisme en hun leerde mediteren. Jackson, zoon van ouders die beiden dominee waren van de Pinkstergemeente, had als jonge student en basketbalspeler marihuana gerookt en lsd gebruikt. Niet ter vermaak, beweerde hij, maar om zijn perceptie te doorgronden. Hij had zich verdiept in politicologie, sociologie, filosofie en antropologie, en werd geraakt door de wijsheden van zenleraar Shunryu Suzuki, wiens lezingen hij regelmatig bezocht.

jordan
De Amerikaanse media noemden Jackson met een mengeling van cynisme en verwondering The Zenmaster. Hij liet mannen met een groot ego, zoals sterspeler Michael Jordan, ervaren hoe het voelde wanneer zij zich met anderen vergeleken. Jordan mocht dan met meer talent zijn gezegend, met anderen zou hij nog beter presteren. Jordan leerde dat hij zich niet beter en groter moest voelen dan zijn medespelers. Ieder zijn eigen talent. ‘Door de meditatiesessies van Jackson heb ik mezelf in relatie tot anderen leren zien. Ik werd er een betere speler door,’ gaf Jordan later toe.

De boeken van Jackson boden mij het inzicht dat wedstrijdsport en boeddhisme niet met elkaar hoeven te botsen. Dat ze kunnen samengaan, zelfs verhelderend en versterkend kunnen werken. Ik kon verder met mijn zoektocht. Ik probeerde te mediteren, las meer boeddhistische boeken – van alle stromingen. Toch bleef die verdomde strijd en competitie mij belasten. Ik moest en zou winnen, de beste zijn. Het leidde tot alweer een burn out.

Deelname aan een weekeinde Dharma Art met de Amerikaanse Shambhala-leraar David Schneider leidde tot nieuw inzicht. Toen Schneider de aanwezigen vroeg iets te vertellen over zichzelf en over het doel van hun deelname, durfde ik openlijk te zeggen dat ik sportjournalist was en moeite had met competitie. Naast me hoorde ik een vrouw diep zuchten. Was dat een teken van afwijzing?

In de theepauze vroeg Schneider mij of ik wist dat die dag het Nederlands voetbalelftal een belangrijke wedstrijd moest spelen. En of ik de uitslag wist. Wat? Deze boeddhist was in voetbal geïnteresseerd? Ik rende naar buiten, zette de autoradio aan en wachtte tot ik de tussenstand hoorde. Teruggekeerd kon ik Schneider melden dat Nederland met 1-0 voorstond. En zo kon het gesprek over sport en boeddhisme verder gaan. Terwijl anderen zich bogen over de mogelijkheden van een verlichte samenleving.

Mijn fascinatie voor competitie leek niet ongepast. Jaren later stuurde ik Schneider een email met een vraag over boeddhisme en strijd. Ik wilde er een verhaal over schrijven, misschien wel een boek. Schneiders antwoord was kort maar krachtig. ‘Je moest eens weten hoeveel strijd de Boeddha heeft moeten leveren.’

Roberto-Baggio-01
Topsporters die een boeddhistische levenswijze volgen, zijn dun gezaaid. Ik ken Tiger Woods en zijn worstelingen. En de Nederlandse boksster Lucia Rijker, de voormalige Italiaanse stervoetballer Roberto Baggio (zie foto boven) en golfer Joost Steenkamer, allen volgelingen van het Nichiren Daishonin-boeddhisme. Baggio was in de jaren tachtig een van de mooiste voetballers ter wereld. Een zachtaardige, technisch begaafde speler die voor het Italiaanse nationale elftal uitkwam. Voetballer naar mijn hart. Hij droeg zijn lange krullen in een paardenstaart. Ze noemden hem ‘Il Divin Codino’, de goddelijke paardenstaart, mede omdat hij vaak over boeddhisme sprak.

baggio
Ook door de vele blessures (allergisch voor pijnstillers) die hij als voetballer opliep, ging hij op zoek naar de zachte kant van het leven. Hij maakte kennis met het Nichiren-boeddhisme. Baggio werd aanhanger van Soka Gakkai, een Japans boeddhistische organisatie die zich inzet voor vrede, cultuur en onderwijs. In 2010 kreeg hij van het Nobelprijscomité voor de vrede de Peace Summit Award (op de foto naast Aung San Suu Kyi) http://www.dailymail.co.uk/news/article-1328024/Italian-footballer-Roberto-Baggio-honoured-peace-award-Burma-democracy-efforts.html, voor zijn wereldwijde inzet. Op zijn website niets actueels over voetbal, maar wel vooral beelden van hem omringd door mensen (kinderen) die hij wil helpen en heeft geholpen, en van hem in meditatie.

Niet dat sport Baggio niet meer boeit. Maar zijn strijd is voorbij. Twee jaar geleden legde hij zijn functie als technisch directeur bij de Italiaanse voetbalbond na twee jaar neer. Zijn doel om in samenwerking met de ook door boeddhisme geïnspireerde bondscoach Cesare Prandelli creatief voetbal te bevorderen en de jeugd enthousiast te maken voor het voetbal als spel en bron van plezier, was tot mislukken gedoemd. Baggio en Prandelli (beiden afkomstig van de voetbalclub Fiorentina) stonden aan de basis van het nieuwe positivisme in het Italiaanse voetbal. Maar nadat de Italiaanse bond Baggio’s vernieuwingsplan had genegeerd, besloot Baggio zijn liefde voor mensen elders in praktijk te brengen. Hij wilde niet meer winnen, hij wilde delen. In harmonie leven met anderen, niet meer in wedijver.

running
Mijn leraar is Sakyong Mipham, zoon van Chögyam Trungpa Rinpoche die het Shambhala-boeddhisme in het Westen verspreidde. Sakyong is een sportman. Hij was een fervent boogschutter en ruiter, en speelt golf. Hij heeft ervaren dat naast meditatie en zelfstudie ook lichaamsbeweging zijn geest verrijkt. Onlangs verscheen van hem het boek Running with the mind of meditation, waarin hij als fanatiek marathonloper de overeenkomsten tussen hardlopen en meditatie uitlegt.

Mede dankzij hem kom ik nu dagelijks op het kussen mezelf tegen. Ik adem, voel, beleef en zie de strijd in en tegen mezelf. Langzaam wordt de strijd minder. Misschien is het de woede die milder wordt, het verongelijkte gevoel dat ik niet beter ben dan anderen – ook niet minder. Ik hoef niet altijd meer de beste te zijn. Winnen is niet langer noodzakelijk. Het is de kunst van het loslaten die ik me probeer eigen te maken. Dat is zwaar. Misschien vecht ik (nog) te veel. Strijd zit ingebakken. Strijd kan, maar ik wil toch weer te graag winnen – al is het van mezelf.

sakyong-running-shoes
In ‘Meester over je eigen leven’ schrijft Sakyong Mipham: ‘Wedijver stelt ons niet in staat te bereiken wat we willen. Hij geeft ons alleen maar de prikkel om winst te behalen ten koste van anderen. We zijn zo goed als we zijn, en anderen omlaaghalen maakt het er voor ons niet beter op’.

Die woorden helpen me verder. Wat als sport, strijd en competitie mij nooit een rusteloos gevoel hadden gegeven, mij niet hadden uitgeput en soms ziek gemaakt? Dan had ik mogelijk nooit de lessen gekregen van Phil Jackson, David Schneider, Roberto Baggio en Sakyong Mipham. Door sport heb ik boeddhisme leren kennen.

Guus van Holland was 35 jaar sportjournalist voor de Volkskrant en NRC Handelsblad. Sinds enkele jaren is hij vriend van de Shambhala-sangha Leiden.

http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/2014/column.html

De opmerkelijke relatie tussen de DDR en Red Bull

3 mrt

Met Co Adriaanse in Studio Voetbal op zondagavond hoop je altijd op een zinnige opmerking. En ja hoor. Ook deze keer. Dus toen hij wilde uitleggen wat er bij Red Bull Salzburg aan de hand is, hoopte ik op de verklaring die ik na de opmerkelijke Ajax-debacles in de Europa League (0-3 en 1-3) nog niet had gelezen of gehoord. Er moest toch iets bijzonders met Salzburg en met Red Bull aan de hand zijn, los van het zwakke spel van Ajax?

Adriaanse, die in het seizoen 2008-2009 er coach was en met Salzburg kampioen werd, vertelde over de Red Bull Clinic. Waar niet alleen alle voetballers van Salzburg, maar ook internationale skiërs, skispringers, tennissers, autocoureurs, golfers en wielrenners (er is verband gelegd tussen Pansold en Human Plasma, de bloedbank voor langlaufers, biatleten en wielrenners) worden ‘behandeld’ onder meer aan de hand van bloedtesten en veelvuldig gebruik van ‘speciale’ Red Bull. Adriaanse liet de naam dokter Pansold vallen, een voormalige Oostduitse arts. Ja, die naam kende ik nog van een dopingproces tegen zes DDR-trainers en -artsen in Berlijn, 1998, waar ik bij aanwezig was.

Er werd een beetje lacherig gedaan door Jan Mulder, Arno Vermeulen, Ronald de Boer en Jack van Gelder. Zoals het veel voetbalanalisten betaamt. ‘Oh, een Oostduitser, hoe heet hij ook al weer?’, lachte Mulder, in de hoop toch vooral over ‘serieuzere’ zaken te kunnen praten. Adriaanse zei verder maar niks, geen slapende honden wakker maken of zoiets. Ze noemden Pansold ‘dr. Tot’, zei Adriaanse met de van hem bekende mysterieuze glimlach. Ach, waar hebben we het over?

Nou ja, Pansold! Van hem had ik weleens gehoord.
http://retro.nrc.nl/W2/Nieuws/1998/08/25/Spo/01.html

Bernd Pansold was twintig jaar lang (1968-1990) een van de belangrijkste dopingartsen van de DDR (hij gaf ‘alles’ wat zwemmers, atleten en jeugdsporters beter kon maken). Hij was chef-arts van Dynamo Berlin en van 1971 tot 1989 lid van de Stasi onder een andere naam: Jürgen Wendt. Er zijn nog veel oud-DDR-sporters die gehandicapt zijn door zijn methoden of ziek werden, zelfs kanker kregen. De kogelstootster Heidi Krieger was een van zijn ‘clienten’. Zij (hij) heet nu Andreas Krieger, omdat ze door Pansolds hormoontherapie te veel man was geworden. Pansold werd in 1998 veroordeeld door een rechtbank in Berlijn tot een geldstraf, omdat hij opzettelijk mannelijke hormonen aan minderjarigen had gegeven. De Oostenrijkse skibond waarvoor Pansold destijds werkte, ontsloeg hem meteen.
http://www.berliner-zeitung.de/archiv/aus-den-stasi-akten-des-sportmediziners-bernd-pansold-von–hirnhormonen–und–kriminellen-vergehen-,10810590,9420220.html

In 2003 werd hij door de Red Bull Clinic ingelijfd. Het is niet gezegd dat de voetballers van Salzburg daarom nu beter, sterker en sneller waren dan Ajax of dat ze überhaupt doping krijgen. Er is meer nodig dan kracht, snelheid en conditie, je moet natuurlijk ook nog (technisch) kunnen voetballen. Maar Adriaanse wist wel dat de Red Bullspelers mede door de behandelmethoden sterker en sneller waren. Zo vertelde hij tussen neus en lippen door. Vorig jaar werden ze nota bene nog door een Luxemburgse club uitgeschakeld. Maar het elftal is wel gegroeid, wist Adriaanse.

lindsey21s-2-web
In de kliniek in Thalgau https://www.facebook.com/media/set/?set=a.10151243317925304.801152.136399835303&type=3 was skiër Hermann Maier (bijgenaamd de The Herminator) veel te vinden. Een man die uit de dood opstond en diepe indruk maakte door zijn enorme spierkracht en lichaamsbouw. Ook de Amerikaanse skikampioene Lindsey Vonn en haar vriendin de Duitse skikampioene Maria Riesch hebben zich er regelmatig gemeld. En de Duitse autocoureur Sebastian Vettel. Ze worden gesponsord door Red Bull, zoals veel internationale sporters. Vonn verklaarde vorig jaar tegenover Amerikaanse journalisten dat ze inderdaad twee keer per jaar in Thalgau kwam, maar nooit Pansold heeft ontmoet. De sporters van Red Bull mogen allemaal gebruik maken van Red Bull Diagnostics and Training Center Thalgau. Mede-eigenaar van Red Bull en miljardair Dietrich Mateschitz is de baas en geldschieter van de Salzburger voetbalclub.

In The Boston Blickbild van 23 mei 2013 werd een voormalige trainer van het centrum geïnterviewd. Hij wilde anoniem blijven, uit angst voor represailles. Hij wilde ook niet zeggen hoe lang hij er gewerkt heeft. Verder was hij kracht- en conditietrainer voor een nationaal curling team (…) Als verklaring voor het feit dat het centrum in een bouwvallig gebouw is ondergebracht zei hij: ‘Een nieuw gebouw trekt aandacht. En gezien het grote aantal prominente sporters dat er komt is anonimiteit gewenst.’

Volgens de man heeft met name Hermann Maier veel aan Pansold te danken. ‘Iedereen dacht dat hij zo sterk werd omdat hij in de bouw werkte, als metselaar en stenensjouwer. Maar dat is onzin. Omdat Maier met Pansold werkte, mochten de andere Oostenrijkse skiërs van de skibond niet met hem omgaan.’

Ook Maria Riesch werd dankzij de methoden van Pansold sterker, zegt hij. Uiteindelijk besloot ze met de medicus te stoppen. ‘Omdat’, aldus de ex-trainer, ‘ze hem niet meer vertrouwde’. Hij zegt niets over dopingmiddelen te weten. ‘Maar van alle sporters werd geëist dat dat ze zoveel mogelijk Red Bull dronken die in een koelkast werd bewaard. Ze mochten niets anders drinken dan Red Bull. Dat vond ik vreemd. Omdat de meeste sporters mixdrankjes nemen. Maar dat was ten strengste verboden in Thalgau’

 

Volgens ‘Jan’, de ex-trainer van de kliniek, worden de speciale Red Bulls van Thalgau gebruikt als maskeringsmiddel. ‘Hoewel Lindsey Vonn zegt clean te zijn, vind ik het vreemd dat ze traint in een kliniek van een man die zeer betrokken was bij doping. Ik zie veel overeenkomsten met Lance Armstrong’. Nooit positief maar wel samenwerken met verdachte artsen.

 

Hij vertelde tegen The Boston Blickbild http://bostonblickbild.blogspot.nl/2013/05/lindsey-vonns-red-bull-doping-doctor.html dat hij niet kan begrijpen dat sportmensen zoveel Red Bull kunnen drinken zonder over te geven. ‘Ik dronk het nooit, hoewel ik het moest drinken. Maar ik gooide het in het toilet en vulde het blikje met water. Dat deden alle trainers daar.’

Volgens ‘Jan’ dronk Lindsey Vonn meer van de speciale Red Bull dan alle andere sporters in het centrum. Hij zegt ook dat er veel wielrenners kwamen die de Tour de France reden en Chinese atletes, nadat hun ‘Chinese methodes’ waren ontdekt en verboden. Geen begeleider van Vonn die argwaan had. ‘Ze waren blij dat Red Bull alles overnam.’

Dietrich Mateschitz heeft als eigenaar van Red Bull ruim 600 sporters onder contract. Aanvankelijk investeerde hij in kleine sporten. Maar hij heeft zijn imperium uitgebreid tot bijna alle topsporten. Ook voetbal, niet alleen Salzburg, maar ook Real Madrid en New York Red Bulls. Vooral de Duitse pers heeft Pansold argwanend gevolgd. Maar ook de New York Daily News. Zoals alle ex-DDR-trainers en -artsen die na de val van De Muur emplooi zochten in het Westen, met name in Oostenrijk, door vooral de Berliner Zeitung, de Süddeutsche en Der Spiegel. Toegang tot de kliniek wordt niet gauw gegeven. Het is niet de bedoeling dat ze nieuwsgierige mensen toelaten. Anonimiteit is het hoogste goed.
Alleen de New York Daily News mocht op audientie, mei 2013. Lees: http://www.nydailynews.com/sports/i-team/muscling-roid-doc-news-visits-controversial-training-doctor-red-bull-clinic-article-1.1351280

Of lees dit, een Oostenrijkse analyse: http://www.sturm12.at/2014/02/18/wie-spielt-man-gegen-die-pressingmaschine/

Eusébio, de man die de fado vertolkte met zijn voeten

7 jan

Een aai over mijn bol. Als dank voor de ballen die ik (en andere jongens) voor hem en zijn medespelers bij Benfica vanachter de tribune achter het doel van Costa Pereira had gehaald en met de binnenkant van mijn voet terug in het veld had geschoven, terug naar hem. Hij lachte me toe, zei iets in een onbegrijpelijke taal en liet me in adoratie achter op het voetbalveld van de Wageningse Berg. Daarom werd Eusébio toen mijn idool. Zondagmorgen overleed hij aan hartfalen, Eusébio da Silva Ferreira (71).
http://dewerelddraaitdoor.vara.nl/media/306788
Het was 1 mei 1962. Benfica had zijn trainingskamp opgeslagen op de Wageningse Berg, waar de ploeg in het gelijknamige hotel logeerde. De volgende dag versloeg Benfica in het Olympisch Stadion van Amsterdam dankzij twee doelpunten van Eusebio met 5-3 het Real Madrid (al vijfmaal winnaar van de Europa Cup) van de dertigers Ferenc Puskas (hij scoorde driemaal), Francisco Gento en mijn intussen verdrongen idool Alfredo Di Stéfano.

Eusébio was anders dan Di Stéfano. De Argentijnse Spanjaard was technischer en sierlijker en meer een gewiekste spelmaker dan de Portugees, afkomstig van de voormalige Portugese kolonie Mozambique. Eusébio was sneller, explosiever, sterker, atletischer, en beschikte over een snoeihard schot. Zoals hij dat tijdens de schietoefeningen op de Wageningse Berg liet blijken, toen hij met Aguas, Augusto, Simoes, Germano en Coluna van afstand de prachtige doelman Costa Pereira onder vuur nam.
eusebio
Eusébio behoort tot de beste voetballers aller tijden. Zijn op vele beelden vastgelegde rushes, zijn schoten en zijn vele doelpunten in de jaren zestig vormen daarvan het bewijs. Hij was ook een sportieve voetballer, een sportman die vriendelijk bleef voor zijn tegenstanders – hoezeer ze hem ook met grove middelen tegenspel boden.

Hij had meer trofeeën verdiend dan elf Portugese titels, één Europese clubtitel en één keer Europees voetballer van het jaar. Hij was ook tweemaal topscorer van Europa. Het was het lot van de ‘Parel van Mozambique’of de ‘Zwarte Panter’.

Voetbal stond bij hem in het teken van hartstocht. ‘Als de hartstocht geboren wordt, moet het avondeten wachten’, zei hij in zijn biografie ‘Mijn naam is Eusébio’. Als hij voetbalde, met de bal aan zijn voeten over het veld raasde, was hij gelukkig en dacht hij aan niets anders dan plezier. Angst kende hij niet. Zoals hij dat op blote voeten had geleerd in de sloppenwijk van Lourenco Marques (nu Maputo), de hoofdstad van Mozambique. Spelend met een bal van lompen.

‘Niemand’ werd hij als jongen genoemd, Ninguém. Zijn moeder was een arme weduwe, die de 7.500 dollar over de keukentafel uitspreidde die Benfica voor haar 18-jarige zoon betaalde. Ze beloofde het geld terug te geven als hij niet voldeed.

Eusébio werd op 25 mei 1961 in het immense Estadio da Luz (stadion van het licht) in Lissabon aan het publiek voorgesteld in een oefenpartijtje tegen tweedeklasser Atletico. Hij toonde meteen zijn talenten: met panterachtige versnellingen raasde hij door de verdediging van Atletico, hij scoorde drie keer. Een week later, op 31 mei 1961, speelde Benfica de finale van Europa Cup I tegen Barcelona, maar Eusébio was niet speelgerechtigd en moest in het Wankdorfstadion van Bern vanaf de tribune toekijken.

Op 1 juni 1961 maakte Eusébio zijn officiële debuut in het eerste elftal van Benfica. Hij verloor in een bekerwedstrijd met het B-elftal (omdat de beste spelers nog te vermoeid waren van de bekerfinale) van Vitoria Setubal (1-4), maar Eusébio scoorde wel.

Eusébio voldeed, vanaf het begin. Begin van de zomer speelde Benfica als beste ploeg van Europa in Parijs een galawedstrijd tegen het Braziliaanse Santos, met Pelé, en destijds mogelijk de beste ploeg ter wereld. Hij viel twintig minuten voor het einde in, Benfica stond met 5-0 achter. Eusébio scoorde drie keer. Santos won met 6-3. Pelé, die twee doelpunten maakte, vroeg na afloop wie toch die zwarte jongen was. ,,Dat gaat een grote voetballer worden.”

Eusébio groeide snel uit tot een uitblinker in Portugal en in Europa. Nooit zou hij met volle teugen van zijn status genieten. Nooit zou de weemoed uit zijn ogen verdwijnen. Uitgelaten vierde hij zijn doelpunten en triomfen, in tranen onderging hij nederlagen. Een fadista, een man die de fado, het lied van de weemoed, vertolkte met zijn voeten.
Eusebio-verdriet
Tranen van groot verdriet liet Eusébio na de uitschakeling met het nationale team van Portugal in de halve finale van het wereldkampioenschap van 1966 door Engeland. ,,Ik keek naar de hemel, vroeg God wat ik gedaan had om dit te verdienen, en toen kwamen de tranen’’, zei hij in een portret van Sky Sports. Hij was in het Wembleystadion van Londen lam gelegd en gesloopt door de Engelse ‘terriër’ Nobby Stiles.

Eusébio kwam niet toe aan de weergaloze acties waarmee hij tijdens de kwartfinale tegen Noord-Korea opzien baarde. Menigeen beschouwt de kwartfinale als een van de meest memorabele WK-wedstrijden in de voetbalgeschiedenis. Noord-Korea, dat eerder nota bene Italië uitschakelde, was snel op een 3-0 voorsprong gekomen. Toen ontbond Eusébio zijn ketenen en raasde hij met de Portugese ploeg over de Koreanen heen. Voor de rust werd het 3-2. De eindstand werd 5-3, vier doelpunten van Eusébio. A man in a hurry, kopte een Engelse krant.

De toernooiorganisatie besloot op aandringen van de Engelse voetbalbond de halve finale tussen Engeland en Portugal te elfder ure te verplaatsen van Liverpool (waar Portugal bivakkeerde en zijn wedstrijden op Goodison Park van Everton had gespeeld) naar Londen. Vermoeid door de late treinreis traden de Portugezen aan tegen het gastland. Eusébio was Eusébio niet meer. Portugal was Portugal niet meer. Engeland, met de fameuze Bobby Charlton, won en zou wereldkampioen worden. Eusébio werd topscorer van het toernooi met negen doelpunten. Zijn verdriet was er niet minder om.

Twee jaar later verloor Eusébio weer op Wembley, 1-4. Nu in de finale van de Europa Cup tegen Manchester United. Weer tegen Nobby Stiles, die nog ruwer dan in 1966 de Portugese ster tegenspel gaf. Bij de stand 1-1 kreeg Eusébio een enorme kans, maar vlak voor doelman Alex Stepney miste hij. Eusébio reageerde niet gefrustreerd, maar sportief. Hij gaf de United-doelman een schouderklopje. De Parel van Mozambique ten voeten uit.
eusebiojuicht
Het einde van de glorieuze loopbaan naderde. Chronische knieblessures dreven hem vaak tot wanhoop. Het leven werd meer fado dan voetbal. Hij won nog titels met Benfica, speelde in de Verenigde Staten en in Mexico, maar raakte verslaafd aan de drank en gokken. Vrouwen smeten met zijn geld. Bij Benfica mocht hij nog even hulptrainer zijn. En permanent adviseur. Zoals hij de spelers van het nationale elftal van advies mocht blijven dienen. Hij genoot van zijn heldenstatus, vooral tijdens het EK van 2004 in Portugal. Maar hij kon de diepgewortelde melancholie niet meer verbergen. Zijn gezondheid liet hem steeds meer in de steek.

In de documentaire Football’s Greatest van Sky Sports zei Eusébio in 2011: ,,Ik hoop dat de rouwstoet bij het beeld van mij voor het stadion van Benfica even stopt, dan een ronde om het stadion maakt en dan naar binnen gaat.’’
En zo geschiedde.
eusebio-uitvaart

Deze necrologie verscheen op 6 januari 2014 in verkorte vorm in NRCnext en NRC Handelsblad

De boodschap van Celticfans

19 nov

Naar aanleiding van de rellen rondom Ajax-Celtic van 6 november waarvoor door de Amsterdamse politie en uiteindelijk ook door de rechter vooral de supporters van Celtic (en niet Ajaxfans en de politie zelf) verantwoordelijk worden gehouden, hier een artikel dat ik op 6 november 2006 op mijn NRC-weblog schreef.

Alweer een bijzondere boodschap van Celticfans
Supporters van Celtic zijn anders dan de supporters van de meeste andere voetbalclubs. Ze zijn niet alleen trouw aan hun eigen club, maar waarderen ook andere clubs. Your opponent is not your enemy, is het credo van Celtic Trust, de overkoepelende organisatie voor Celticsupporters. The Trust vertegenwoordigt de belangen van de fans. Bijna 40% van de aandelen (16.000 aandeelhouders) van de club is in handen van de fans. Aan het vreedzame credo van het (Iers)katholieke Celtic hebben de fans van het protestante (Glasgow) Rangers geen boodschap. Vele veldslagen zijn er in het verleden geweest tussen de plaatselijke rivalen, voordat de Celticleiders met hun sociale missie begonnen. In 1971 vielen in het Ibrox Park van Rangers nog 66 doden en 200 gewonden, al was dat niet het gevolg van geweld maar volgens een van de lezingen omdat een deel van een tribune instortte. http://www.scottishfootballblog.co.uk/2011/01/ibrox-disaster-40-years-on.html

Vorige week (november 2006 dus) baarden duizenden meegereisde fans van Celtic opzien in Lissabon, rondom de wedstrijd voor de Champions League tussen Benfica en Celtic. Celtic verloor kansloos met 3-0. Voldoende reden voor Schotse supporters om na een fikse zuippartij eens goed los te gaan, bijvoorbeeld in een vechtpartij met supporters van Benfica. Zo zou je kunnen denken. Omdat het vaak zo gaat. Maar zo ging het dus niet. Er was geen enkele arrestatie. Volgens twee meegereisde politiefunctionarissen uit Glasgow, die in Lissabon de plaatselijke politie assisteerden, gedroegen de Celtic-aanhangers zich voorbeeldig.

Het hoogtepunt van vreedzaam (zeg maar broederlijk) gedrag was het postume eerbetoon dat Celticfans brachten aan de twee jaar eerder overleden Hongaarse voetballer van Benfica, Miklos Feher. Feher kreeg tijdens een wedstrijd in 2004 van Benfica tegen Vitoria Guimaraes een hartaanval en stierf op het veld.

Celticfans ontvouwden in het stadion van Benfica een spandoek met daarop de naam van de speler, rugnummer 29 en de tekst ‘Nunca caminharássozinho’ (You’ll never walk alone). Na afloop werd het spandoek overhandigd aan de aanvoerder van Benfica Simao en de spits Nuno Gomez. Daarna kregen de spelers een donatie van de Celticfans voor een ziekenhuis in Lissabon. Nuno Gomez reageerde verbaasd en emotioneel: ,,Dit maak je zelden mee. Andere supporters zouden een voorbeeld kunnen nemen aan die van Celtic.”

Toevallig was een Hongaarse waarnemer van de Europese voetbalfederatie UEFA bij de wedstrijd aanwezig. Ook hij was onder de indruk van de Schotse geste. Hij heeft onmiddellijk de ouders van Feher op de hoogte gesteld en de oude club van Feher, Gyori ETO. Waarom nu juist Celtic-fans een hommage brachten aan Feher die zij toch niet kennen, is niet duidelijk? Een Celtic-official antwoordde: ,,Omdat dat de kracht van Celtic is, het voetbalhart van Celtic klopt voor het voetbal in de hele wereld.”

Het bericht op de website deed me onmiddellijk grijpen naar het boek ‘How soccer explains the world‘ (‘De wereld draait om de bal; over voetbal en globalisering’) van Franklin Foer, een Amerikaanse journalist van The New Republic. Daarin beschrijft Foer op zeldzame, meeslepende, gedetailleerde, genuanceerde en bewonderenswaardige wijze de wereld van het voetbal – politiek, economisch, sociologisch, religieus en cultureel – aan de hand van reportages uit Brazilië, Italië, de Balkan, Spanje, Nederland (Ajax en de vereenzelviging van haar supporters met joden), Engeland en Glasgow. Een treffend boek, uitgegeven in de Nederlandse vertaling bij Het Sporthuis (Arbeiderspers).

Ik las daarin wat Foer heeft beleefd rond The Old Firm, de derby tussen Rangers en Celtic. Fascinerend voor wie meer wil over voetbal wil weten, meer dan de waan van de dag. A groundbreaking work — named one of the five most influential sports books of the decade by ‘Sports Illustrated’ — How Soccer Explains the World is a unique and brilliantly illuminating look at soccer, the world’s most popular sport, as a lens through which to view the pressing issues of our age, from the clash of civilizations to the global economy. Aldus de begeleidende tekst van Amazon.
Zie ook: http://www.deboekensalon.nl/dbs/book/256488.

Verder over Celtic. ‘De Glasgow Celtic Football Club is de moeder van de stroming die emancipatie via het voetbal propageert’, zo las ik in een van de artikelen van Raf Willems over Celtic in NRC Handelsblad. Willems is schrijver van onder meer het boek ‘Kan voetbal de wereld redden?’. Daarin legt hij de link tussen voetbal en maatschappij, zoals die met name in Groot-Brittannië en Duitsland heerst. Willems beschrijft net als Franklin Foer hoe Celtic is ontstaan uit de armoedige Ierse migrantengemeenschap in de negentiende eeuw en al in 1888 een unieke integratiemethodiek lanceerde: open to all.

Het Celtic Social Charter (http://www.celticfc.net/corporate_socialcharter#) verbiedt elke vorm van discriminatie. En verder de twee principes: niemand mag worden uitgesloten op basis van ras, geslacht of religie; en steun aan mensen zonder thuishaven, lees: daklozen en asielzoekers. Geen club ter wereld verzamelt meer solidariteitsfondsen. Zoals het Celtic Charity Fund, een hulpfonds waarmee talrijke solidariteitsprojecten worden gesponsord, zowel in Glasgow als in de derde wereld.

In 2003 zorgden 90.000 Celticfans uit alle delen van de wereld voor de grootste vredelievende volksverhuizing sinds de Tweede Wereldoorlog naar de UEFA-Cupfinale in Sevilla. Ondanks de nederlaag tegen Porto werd geen enkel incident genoteerd door de politie. De supportersstijl van Celtic is humoristisch en muzikaal. De wereldvoetbalfederatie FIFA bestempelde deze stijl tot ‘beste ter wereld’.

Het gebaar van Celticfans doet me denken aan de necrologie die ik in maart (2006 dus) schreef voor NRC Handelsblad naar aanleiding van het overlijden van Jimmy Johnstone, The Greatest Celt Ever. De razendsnelle en razendpopulaire ‘Vlo’ overleed aan de spierziekte ALS toen hij 61 jaar was. Op het condoleanceregister van de website van Celtic schreef een supporter: ‘God had just made his greatest signing today’. Kleine ‘Jinky’ maakte mensen blij en aan het huilen. Hij begreep zelf niet waarom. Johnstone was een kleine, domme zuipschuit die geweldig kon voetballen. Het ging bij hem niet om grote triomfen en smadelijke nederlagen. Het ging bij hem en het gaat bij Celticfans om het-mens-zijn. Koop de dvd: Jimmy Johnstone, A bhoy’s life.

Wie zijn stadion (Celtic Park) Paradise noemt, zoals Celticfans, weet wat voetbal betekent. Voetbal gaat niet om tactiek, techniek, trainerspraat en bestuurdersethiek. Voetbal gaat om menselijkheid. Daarvoor moet je vooral bij Celtic zijn. Zo bleek in Lissabon.

Dit verhaal is geplaatst op maandag 6 november 2006 om 18:20 uur.

%d bloggers liken dit: