Archief | sportjournalistiek RSS feed for this section

Voelen dat er meer is dan het monotone dagelijks leven

7 Jun

Floodlights

Uit april 2016, over Instinct

Wanneer ik ’s avonds een dorp passeer word ik altijd getroffen door lichtbundels, die ergens boven de huizen schijnen. Aangetrokken als door een magneet voel ik het: daar is een sportpark. Ik kan de lichtbundels in de verte niet negeren. Zo vergaat het mij ook wanneer ik in een vliegtuig zit en me klaar moet maken voor de landing. Zwevend door de lucht zoek ik onbewust naar een stadion. Ik zie lichtmasten, ik zie ronde gebouwen met een gat erin: ja, dat is een stadion! Van welke club zou hij zijn? En dan speur ik mijn herinneringen af. Ja, inderdaad dat moet dát stadion zijn.

Hoewel ik mij steeds meer afwend van voetbal in het bijzonder en sport in het algemeen, krijg ik die aantrekkingskracht na 40 jaar sportjournalistiek niet uit mijn systeem. Noem het mijn instinct, mijn zesde zintuig, voelen dat er iets is, dat het mij iets oplevert wat ik vroeger zo innig heb beleefd. Vroeger was het vooral nieuws, nu nog steeds dat er wordt gesport.

Een stadion oefent aantrekkingskracht uit. Het is een plaats waar mensen met elkaar willen zijn om samen te geloven in het aanstaande geluk. ‘Wat hebben de mensen nog naast dat voetbal?’, vroeg predikant en (Ajax)voetballiefhebber Klaas Vos zich laatst in de Volkskrant af. ‘Niks. Dat is eng. Net als mensen die de hele week alleen de kerk hebben. Dat wordt ook van niemand gevraagd. Neem eens een break in de tijd, door even op te houden. Neem ruimte voor de leegte.’

Leegte schept ruimte, biedt openingen. Maar mogelijk is het de ruimte die mensen angst inboezemt. Liever houden ze zich vast aan amusement, aan sport en dan vooral aan voetbal. De Groningse mediasocioloog Peter Hofstede zei: ‘Aan de voetbalgekte kun je zien hoe huiveringwekkend het vacuüm is waarin de mensheid verzeild is geraakt. De verbondenheid met collectiviteiten die vroeger hun eigen normen en waarden hadden en een stempel zetten op de manier van leven is zeer gering geworden. Niettemin moet er een formule zijn waardoor je kunt belijden dat je toch ergens bij hoort, want anders ben je nergens.’

Samen toekijken, genieten, schelden, lijden. Als het niet in een stadion is, dan in een café met een ultragroot beeldscherm of thuis met de knop ‘stadionvolume’ voluit. Bij voorkeur samen, ondergedompeld in de anonimiteit van het collectief. Daarin kun je sneller en heviger je emoties uiten dan in het normale leven. Je als individu uiten maakt je kwetsbaar. Voordat je het weet heb je een knal voor je kop.

Gumbrecht

Hans Ulrich Gumbrecht

Misschien is het wel instinct dat ons naar een stadion drijft. De Duits-Amerikaanse filosoof/socioloog Hans Ulrich Gumbrecht schrijft in Lof van de Sport: ‘Waar het in de sport om gaat, is dat je erbij bent op het moment dat het gebeurt, het feitelijke moment dat in jouw directe aanwezigheid bepaalde lichamelijke vormen ontstaan.’ Als er zoveel aandacht naar sport uitgaat moet ik er wel bij zijn om mee te tellen.

Mijn dilemma als sportliefhebber ontstond toen mij als sportjournalist werd verweten dat ik ‘dom’ en ‘onnozel’ was omdat ik schreef over sport. Aan de ene kant was er mijn liefde voor sport, aan de andere kant was er die aandrift bij de ‘wijze’ mensen te horen. De mensen die vanuit hun intellect meenden dat je je niet met aardse activiteiten als sport dient bezig te houden. Je moest studeren, professor worden in de ‘hogere’ wetenschappen.

Waar wilde ik bij horen? Ik weet het nog steeds niet. Mijn dilemma heeft me ertoe gebracht dat ik mij voor de achtergronden van sport ben gaan interesseren. Waartoe dient sport? Zo raakte ik in een stadion vol duizelingwekkende emoties vaak het spoor bijster. Ik kon niet meer als individu genieten van wat ik zag en voelde. Ik voelde me overmand door de eenzijdige smaak en de blinde verafgoding – nog los van het geweld en geluid dat over mij heen kwam. Ik werd steeds angstiger, bang voor de oerdriften die rondom mij loskwamen. Meermalen heb ik in tranen een stadion verlaten.

Ik ben bang geworden voor mijn instinct. Ik wil zo graag genieten van het leven, van de dingen die aan emoties raken, maar ik doe het liever in mijn eentje. In stilte. Dan heb ik van niemand last. Niemand die mijn genot in twijfel trekt. Niemand die het mij kwalijk neemt als ik huil om een overwinning, een nederlaag, een actie die mij diep raakt.

Langzaam begin ik te begrijpen waarom mensen door sport worden geraakt. Vooral waarom ze fanatiek worden in hun honger naar de ultieme gelukbeleving. Het is hun instinct. Hun zesde zintuig. Ze voelen dat er meer is dan hun monotone dagelijks leven. Zonder sport dreigt leegte, geen houvast. Zie maar eens te leven in leegte. Een leven in volmaakte vrijheid. Dat is moeilijker dan je denkt, zeker als er een dag zonder sport is.

Geplaatst op http://www.800woorden.nl/instinct op 1 april 2016.

De meest indringende vraag heeft geen antwoord

20 Aug

Wat bezielt mensen? Wat gaat er door ze heen? Wat voelen ze als ze verloren hebben, wat als ze gewonnen hebben? Wat ging er fout? Wat maakt ze zo bijzonder? We willen het zo graag weten, of liever begrijpen? Hoe is het om topsporter te zijn? Vertel eens, asjeblieft, leg het me uit. Hier, voor de microfoon en de camera. Kijk in de camera en zeg het, asjeblieft, de mensen thuis willen het écht weten.

Het kan nieuwsgierigheid zijn of empathie dan wel een poging tot vereenzelviging met de sporter die zojuist alles uit zijn lichamelijke én geestelijke vermogens heeft gehaald om te schitteren. Waarom? Altijd die vraag: waarom? Het is de vraag die altijd op de lippen van sportverslaggevers brandt: ‘Wat ging er door je heen?’ Het mag dan wel een lachwekkend cliché zijn geworden, het is de meest prangende vraag. Niet alleen voor de verslaggever, maar hoogst waarschijnlijk ook voor de toeschouwers.

Ik heb door de jaren heen geleerd (mede door jarenlange intensieve therapieën en boeddhistische trainingen) dat we nooit zullen en kunnen begrijpen wat de ander denkt. Ieder zijn eigen beleving, zijn eigen perceptie en zijn eigen emoties. Als sportverslaggever heb ik altijd geprobeerd te doorgronden wat de sporter (die ander dus) doormaakt. Mogelijk als een vorm van projectie. Voelt hij ook wat ik bij deze overwinning of nederlaag voel? Of voelt hij iets anders? Dat wilde ik echt weten. Niet beseffend dat ik een totaal ander mens ben – wel of niet bekend met topsportbeleving. Meestal keek de sporter me dan aan met ogen vol onbegrip.

Ik zag tv-verslaggevers informeren naar het echte, diepe gevoel van Dafne Schippers, Ranomi Kromiwidjojo, Tom Dumoulin, Epke Zonderland, Yuri van Gelder, hockeysters, wielrenners, handbalsters en andere olympische sporters na hun ‘nederlagen’. Ik zag (in mijn perceptie) de wanhoop, het verdriet dan wel de onverschilligheid (bevriezing) in hun houding. Ze wilden weg uit deze ongemakkelijke situatie. ‘Je gaat me toch niet vragen wat ik echt voel? Alsof ik al weet wat ik voel. Mag ik het even laten bezinken? Er is iets met me gebeurd, maar ik weet nog niet wat? Ik weet nog niet wat me raakt en waar en waarom het me raakt. Kom op, laat me met rust. Rot op! Heeft een mens dan nooit recht op verwerking, op privacy?’

 Maar de tv-verslaggever ging door en door. ‘Kom op, jongen, vraag door, de mensen thuis willen het weten’, zo zou het in zijn oor getoeterd kunnen zijn door de regisseur. En hij ging maar door, totdat de sporter het zat was, nog even wat andere verslaggevers van de kranten plichtmatig te woord stond, om vervolgens de kleedkamer kort en klein te slaan. Of zoals ik zelf eens een voetbalschoen door de ruit van de kleedkamer gooide. Uit frustratie, omdat ik na de wedstrijd weer eens geschorst zou worden. Een bestuurslid had me streng aangekeken, en daar ging ik: los!

Begeerte en teleurstelling zijn vijanden van elkaar, zeker bij topsporters – jonge mensen nog – die jarenlang dag in dag uit op de toppen van hun tenen hebben gelopen.

Kent u dat? Jarenlang energie stoppen in het grote doel, op de rand van een burn out en dan uiteindelijk falen – domweg niet winnen. Dan ga je los, dan komt je ware temperament boven dat je al die jaren verborgen hebt kunnen (moeten) houden. Dan worden alle ketens ontbonden en wil je iedereen voor zijn bek slaan. Omdat een verslaggever in je gevoelsleven zit te graven. ‘Mag ik even tot mezelf komen? Of gewoon met mijn trainer en psycholoog of mijn vriend en familie een en ander verwerken: wat en wie ben ik nu nog?’

Bijna veertig jaar geleden was ik getuige van een ijshockeywedstrijd (om de Europa Cup) tussen Heerenveen Flyers en de Duitse club SC Riessersee. Na nog geen vijf minuten werd Heerenveen-center Jack de Heer uit het veld gestuurd na een doelbewuste provocatie van een Duitser. Wij verslaggevers hoorden later van Jacks vriendin dat hij de kleedkamer kort en klein had geslagen. Toen kwam Jack binnen in de kantine van het oude Thialf. De rust zelf. ‘Hi Jack, alles okay?’ Jack, een Nederlandse Canadees,  glimlachte zei: ‘Wat gaat jou dat aan? I’m okay, and you?’ Een maand later vertelde hij: ‘Ik heb alles in de locker-room aan puin proberen te slaan. Maar dat begrijp jij niet. Jij hebt niet op dat ijs gestaan. Wat weet jij daar van? Heb jij ooit ijshockey gespeeld? Nee, so fuck off.’

Ik wilde hem begrijpen. Waarom? Wat is er gebeurd? Jack zei: ‘Ik ben ik, ik heb in mijn leven alles gedaan om een goede ijshockeyer te worden. Jij niet. Jij hebt misschien alles gedaan om een goede verslaggever te worden. Dat zijn twee verschillende werelden, twee verschillende mensen. Ik respecteer jou om je nieuwsgierigheid, maar het is zoals het is: we zijn allemaal mensen, iedereen is verschillend.’

In de jaren tachtig stond ik aan de finish van een Franse wielerkoers met collega’s te wachten op Johan van der Velde, die in een bergetappe een half uur na de winnaar was binnengekomen. Ik vroeg: Wat is dat nou?’ Johan was kapot. Zijn ogen spuwden vuur. ‘Hedde gij welles met oew klote op ‘n fiets gezeten? Flikker op.’ Johan en ik zouden vrienden worden, ik heb zijn lijdensweg en opstanding van nabij gevolgd en zie hem nog steeds en denk dan: weet je nog Johan? Hij weet het nog.

Die emoties respecteer ik als medemens, of ik nu het wel of niet begrijp. Ik heb geleerd mensen op die vreselijke momenten met rust te laten. Veel voetballers én trainers hebben mediatrainingen gehad. Hoe diplomatiek te reageren op indringende vragen. Het is hun afweer tegen mogelijk vijandige infiltraties van verslaggevers en slecht verwoorde emoties. Mede daarom ben ik voetbalverslagen gaan schrijven zonder quotes van spelers en trainers. Ik observeerde en schreef wat ik zag en erbij voelde (in mijn perceptie). In interviews probeerde ik er later op terug te komen. In de hoop toch iets van de ziel in de voetballer te begrijpen. Soms lukte dat, soms niet. Veel voetballers, maar ook andere sporters blijven op hun hoede. Dat begrijp ik. Wat wil die man van me? Zo denken ze. Wat doet hij met wat ik zeg?

Wat ontlenen we aan de beleving van mensen die topsport tot het belangrijkste in hun nog jonge leven hebben gemaakt? Dat de Dafne’s, Ranomi’s, Epke’s, Yuri’s en Tom’s en al die anderen hun eigen invulling aan het proces tussen leven en dood geven, dat wil ik graag horen. Maar als ze dat niet willen of kunnen, houdt het op. Vaak denk ik aan de grote verscheidenheid aan topsporters die ik heb geprobeerd zieleroerselen te ontfutselen. Joop Zoetemelk vroeg ik tientallen keren naar wat hij voelde, vooral op weg naar Parijs in 1980, in de Tour die hij zou winnen. Dan keek hij mij aan en zei: ‘Pfff, ja, pfff.’ Of Dennis Bergkamp: ‘Nou ja. Ik deed het gewoon.’ Of Jan Raas: ‘Ik zeg lekker niks, maak er maar wat van.’ Of Gerrie Knetemann: ‘Wie heeft jou gestuurd? Mijn psychiater?’ Of Bernard Hinault: ‘Vous pensez que je te raconte mes sentiments? Non, non.’ Of Henk Lubberding, na een hele middag op zijn boerderij: ‘Guus, ik vertrouw je, dat weet je.’ Of Michael Jordan, na een intiem nachtelijk onderonsje in de locker-room van Chicago Stadium: ‘You’re a nice guy. Holland? Great. Let’s be friends.’ Of Paul Gascoigne, na een wedstrijd in Foggia, Italië: ‘Love you. Kiss.’

Anderen ontfutselde ik meer, maar ik probeerde de grenzen van privacy en fatsoen te respecteren. ‘Wees gerust, ik schrijf het niet op. Ik wil niet ranzig zijn. Sorry, dat ik je dit hebt laten vertellen.’

Michael Jordan

Michael Jordan

Indrukwekkende sportmensen die veel hebben gewonnen en veel hebben meegemaakt. Ik heb ze zien schitteren en falen. Ik genoot van hun bijzondere vaardigheden en hun lichaamstaal die veel verried. Als ze de kunst verstonden hun gevoel in woorden uit te drukken was dat meegenomen. Hun talent toonden ze op het veld, in de wedstrijd. Daar waren ze zichzelf. Ze spraken met hun voeten, met hun lichamelijke talent.

Het schijnt steeds meer nodig te zijn dat talenten ook nog helder hun talent kunnen verklaren, laat staan hun gevoelsleven publiekelijk analyseren. Mochten ze dat willen, dan laten ze dat wel blijken. Maar verder: ik wou dat ze met rust gelaten werden, laat ze doen waar ze goed in zijn en plezier aan beleven. Of pijn lijden. Ik hoef dat spitten in de ziel van een sportman niet. Je begrijpt hem toch niet. Hij is een ander.

Deze column is in verkorte vorm gepubliceerd op http://www.sportenstrategie.nl

Olympisch goud en de schijn van heiligheid

9 Aug

Terwijl ze daar levenloos in de goot lag, haar lichaam over een betonnen rand gevouwen, sprong ik op vanuit mijn comfortabele positie en riep: ‘Help haar! Wie helpt haar?’ Mijn huisgenoten slaakten kreten van schrik en ontzetting. De Belgische televisie-commentatoren schreeuwden iets van gelijke orde. Ontzetting alom. Maar wat nu?

De wedstrijd ging door. Natuurlijk ging de race door. Wie haalt het nu in zijn hoofd om een olympische race, de alles verdringende jacht op goud, stop te zetten? The games must go on. De achtervolgers schoten voorbij, vanuit hun ooghoeken hebben ze haar zeker zien liggen. De latere winnares herinnerde zich nog haar aarzeling. Daar lag haar vriendin. Dood? Wat nu? Doorgaan? Een andere achtervolger sprak haar moed in: ‘We rijden door, we doen het voor haar.’ Motoren en auto’s met mannen en vrouwen die plichtsgetrouw hun werk bleven doen, schoten eveneens in blinde vaart voorbij. Er lag iemand levenloos, mogelijk zelfs op sterven. Niemand stopte.

Totale eenzaamheid. Is dat de samenleving van nu?

De man op de motor die schuin achter haar reed, voerde een cameraman mee. Door deze mannen zag ik wat er gebeurde. Zagen zij het ook? Op een amateurfilmpje zag ik later dat de motor tweehonderd meter verder even aarzelde (de remlichten gloeiden), maar uiteindelijk toch doorreed, door de volgende bocht. Iedereen reed door. De amateurfilmer hoorde ik ‘oei’ roepen, terwijl hij opgewonden doorfilmde. Waarom eigenlijk? Ik hoorde het lawaai van een helikopter en van een blaffende hond. Honden ruiken instinctief onraad. Na ruim twee minuten kwam een man aanrennen die even verder zowaar van zijn motor was gestapt. Vervolgens kwamen de eerste hulpverleners in actie. De race ging door. De ploeggenote van de ongelukkige vrouw in de goot in het donkere bos won, het goud was voor haar. Het was haar gegund. Zou God dan toch bestaan?

Er circuleert op internet een filmpje waarop verstandelijk gehandicapte kinderen een hardloopwedstrijd houden. Halverwege de race valt een van de kinderen. De anderen reageren geschokt, draaien zich om, helpen de ongelukkige deelnemer op en hollen vervolgens de handen ineengeslagen samen over de finish. Samen juichend. De ouders op de tribune juichen en huilen. Zo mooi kan verbroedering zijn.

In een ver verleden heeft mogelijk een ethische olympische code bestaan die van deelnemers aan sportwedstrijden vooral medemenselijkheid vroeg. Geen onmenselijke competitie. Zoiets als: er is meer dan goud, er is meer in het leven dan winnen van een ander, verliezers verdienen ook aandacht. Of: samen sporten is het leukst. Deelnemen is belangrijker dan winnen!

Goed dat er weer Olympische Spelen zijn, vooral dat ze maximale aandacht krijgen. Dan kunnen we weer aanschouwen hoe hard topsport is, onmenselijk vooral. Dan worden we geconfronteerd met die geobsedeerde jacht op medailles en titels. Achter de eindstreep ligt ogenschijnlijk het paradijs, daar wacht het eeuwige geluk – voor wie zich het goud opeist wel te verstaan. Een Nederlandse televisie-commentator schijnt na het zien van de gruwelijke val in zijn verwarring gezegd te hebben: ‘Oh, oh, daar gaat olympisch goud.’ Tja, sport doet rare dingen met mensen.

Bijna veertig jaar geleden stond ik als debutant met een tiental verslaggevers aan de finish van een etappe in de Tour de France te wachten op een ver achtergebleven Nederlandse renner. Toen hij eindelijk over de eindstreep kwam gekronkeld en door een verzorger en zijn ploegleider was opgevangen, viel hij neer tegen een caravan van de medische dienst. Als aasgieren doken mijn collega’s op de uitgeputte, doodzieke, kotsende renner, terwijl een verzorger alles in het werk stelde om de renner te helpen. Amechtig en ongeduldig werden vragen afgevuurd op de jonge renner die verdoofd uit zijn ogen keek. Observaties en onbestemde geluiden werden op bloknoten beschreven. Camera’s klikten onophoudelijk, genadeloos. Beroepsdeformatie alom. Ik draaide me om, liep weg en riep: ‘Laat die jongen godverdomme me rust.’ Ik hoorde nog: ‘Dit is je beroep, Guus. Of kies een ander beroep.’

Ik bleef mijn beroep nog tientallen jaren uitoefenen. Ik zag winnaars en verliezers, juichende mensen huilen, wielrenners in een diep ravijn liggen en sporters naar hun gebroken been en gewonde hoofd grijpen. Ik bezocht ontredderde topsporters in ziekenhuizen en andere klinieken, of na hun carrière, ontheemd en verlangend naar de tijd dat goud en glorie nog voor het grijpen lag. Topsport is hard, meedogenloos, begreep ik. Topsport verhardt mensen, steeds meer, zo heb ik ervaren.

Nog een voorbeeld. Eens stond ik op een Pyreneeëntop met twee collega’s weer te wachten op een achtergebleven Nederlandse wielrenner. We hadden hem beneden in de berm zien zitten, met zijn broek omlaag, hij was ziek en aan de diarree. Toen hij boven kwam, plantte hij huilend zijn met poep besmeurde fiets tegen onze auto. Hij sloeg vloekend en tierend met zijn vuisten om zich heen en schopte tegen onze auto. De collega’s maakten aantekeningen en foto’s, en vroegen hoe het met hem ging. Ik keek stil en beschaamd toe en zei toen: ‘Stop ermee, jongen, je bent doodziek. Doorgaan heeft geen zin meer.’ Hij staakte de strijd en stapte huilend in een ambulance. Hij had verloren.

Laatst in deze verdwazende sportzomer vol niet te stuiten babbelaars op televisie en radio, hoorde ik oud-wielrenner Karsten Kroon zijn ervaringen delen. Hij had vele botbreuken en andere fysieke en psychische ellende overleefd. Wat hem nog het meest uit evenwicht had gebracht, was de confrontatie met zichzelf nadat hij gestopt was met topsport. Hij was in een zwart gat gevallen. Hij wist niet meer wie hij was en hoe hij zich moest gedragen – zeg maar op de been moest blijven. Zijn vrouw verliet hem, een relatie was onmogelijk geworden. Hij had maar één focus gehad: wielrennen, verder geen gezeur. Wielrenners zijn stoer, ze staan op na een zware val, likken hun wonden en gaan door alsof ze geen pijn hebben. Ze hebben hun gevoel uitgeschakeld, merkte Kroon op. Wielrenners huilen niet. Collega’s als Michael Boogerd noemden hem destijds een huilebalk, omdat hij toch af en toe zijn emoties toonde. Nu kan Kroon weer echt huilen. Hij laat zijn emoties komen en gaan. Hij voelt zich weer mens.

Staan we op de brug naar ontmenselijking in de sport? Dat sporters pijn hebben, huilen van geluk of ontzetting, geeft aan dat ze nog mensen zijn en kunnen voelen. Nog wel. Maar nog even en de aanjagers van topsport verlangen dat alle emoties worden uitgebannen. Het verstand moet op nul. Robots dreigen ze te worden. Op z’n minst mensen die nog maar één ding voor ogen hebben in hun leven: goud! En iedereen eromheen doet mee. Verblind door de jacht op eeuwige glorie. Wanneer stopt de race? Wie stapt af, biedt de medemens hulp en laat het goud liggen? Het is immers slechts een talisman, niet meer dan een schijn van heiligheid.

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

Sportjournalisten zitten het liefst in het stadion, toch?

15 Nov

Sportjournalisten waren drie weken geleden op het congres Play the Game in Aarhus dun gezaaid. Althans de journalisten die een werkgever (krant, week- of maandblad, radio en televisie) vertegenwoordigen. Juist op de plek waar vier dagen en avonden lang de sportwereld met al zijn intriges, corruptie en vals spelende bestuurders en beoefenaren onder de loep werd genomen door onderzoekers, wetenschappers en onafhankelijke onderzoeksjournalisten zou je naar diepere achtergronden zoekende sportschrijvers verwachten.

In het Deense congrescentrum heerste niet de sfeer van een stadion vol duizenden hartstochtelijke supporters. Er was geen finish, er was geen scorebord en er waren geen spelers en trainers die zwetend en hijgend hun emoties de vrije loop lieten. Zou dat de reden van hun afwezigheid zijn geweest?

Er werd gediscussieerd en er werden inzichten uitgewisseld over de dreigende ondergang en de verdwazing van sport. Hoe overkoepelende organisaties, zoals de mondiale voetbalfederatie FIFA maar ook andere sportbonden, worden geleid door mensen die de grenzen van ethiek hebben overschreden. Hoe wedstrijden en toernooien via spelers, scheidsrechters en bestuurders worden gemanipuleerd door gokbedrijven. Hoe doping en geld de afspraken over sportiviteit negatief beïnvloeden.

Maar ook was er aandacht voor het niveau van sportjournalistiek in de wereld. Er werd gediscussieerd over de houdbaarheid van sportjournalistiek. Juist, nu het imago van grote sportfederaties als FIFA, UEFA, IOC, IAAF, maar ook van kleinere federaties zienderogen afbladdert (met juridische processen tot gevolg), zouden de krachten van de sportjournalistengemeenschap gebundeld moeten worden om een en ander tot klaarheid te brengen, zo niet op te lossen. Er was weinig belangstelling. De sportjournalisten zitten kennelijk liever op de perstribune van een of andere arena elders in de wereld en houden de score bij. Terwijl intussen de liefhebber aan de televisie zit en hetzelfde ziet en kan beoordelen.

Journalistenforum: vlnr onafhankelijk journalist Jens Weinreich (Duitsland), journalist Umaid Wasim (Pakistaans dagblad Dawn), onafhankelijk journalist Laura Robinson en Lars Werge (voorzitter Deense sportjournalistenbond). Foto: Thomas Søndergaard

Het journalistenforum op Play the Game: vlnr onafhankelijk journalist Jens Weinreich (Duitsland), journalist Umaid Wasim (Pakistaanse dagblad Dawn), onafhankelijk journalist Laura Robinson en Lars Werge (voorzitter Deense sportjournalistenbond). Foto: Thomas Søndergaard

De grote meerderheid van de sportjournalisten in Aarhus was zelfstandig en onafhankelijk, niet afhankelijk van wat hun hoofdredactie wil. Journalisten die op eigen initiatief en eigen kosten onderzoek doen. Bekende fenomenen zijn de Duitser Jens Weinreich en de Brit Andrew Jennings. Beiden zijn, vooral door hun onafhankelijke status, hoofdverantwoordelijk voor het blootleggen van de corruptiepraktijken binnen IOC en FIFA. Verder zijn de Canadese journalisten Declan Hill (matchfixing), Laura Robinson (seksuele intimidatie en machtswellust van bestuurders) en de Duitser Hajo Seppelt (doping in Russische atletiek) journalisten die geheel op eigen initiatief en vaak op eigen kosten de misstanden in de sportwereld aantonen en zich kwetsbaar opstellen. En zo zijn er (gelukkig) meer.

Ze krijgen in hun drang naar onderzoek en onthulling steeds meer navolging, vooral in Duitsland, Engeland, Noord- en Zuid-Amerika en de Scandinavische landen. En langzaam ook in Nederland. Ook bij de traditionele media. Bij sommige media dringt het besef door dat er meer aandacht gevraagd wordt voor de achtergronden van de sport, met name de negatieve achtergronden. Niet alleen het scorebord, maar ook wat zich achter het scorebord afspeelt – welke invloeden spelen een doorslaggevende rol.

Foto: Thomas Søndergaard/Play the Game.

Foto: Thomas Søndergaard/Play the Game.

Henrik Brandt is tegenwoordig directielid van Play the Game. Hij was eens sportverslaggever van Jyllands Posten, een Deense krant. Tien jaar geleden gaf hij op Play the Game een lezing over wat de redactie van zijn krant over sport zou schrijven. Niet alleen ‘scorebordjournalistiek’, niet alleen wedstrijdverslagen over voetbal en handbal. Juist meer achtergrond, meer over waarom sport er toe doet, waarom mensen naar voetbal kijken, wat bestuurders doen en waarom, over breedtesport. Waarom doen mensen aan sport? ,,Zodat ook de vrouw van de voetballiefhebber in sport geïnteresseerd raakt”, vermoedde Brandt. ,,Ik kreeg een paar redacteuren mee, de rest wilde alleen naar het stadion voor de wedstrijd. Het project is mislukt. De hoofdredactie die aanvankelijk wel iets in ons plan zag, koos toch voor de wedstrijdverslagen en interviews met sporters. Nu sla ik de sportpagina’s over. Ik ben blij dat ik er geen deel meer van uitmaak. Daarom ben ik nu bij Play the Game. Kranten gaan voor populisme en commercie. Ik sta nog steeds achter mijn plan, om meer over achtergronden te schrijven. Vandaar dit congres. Maar het is een zware strijd.”

Laura Robinson, onafhankelijk sportjournalist en oud-wielrenster, deed jarenlang onderzoek naar de praktijken van de organisator van de Winterspelen van Vancouver (2010), John Furlong. Hij mishandelde als leraar kinderen van Indiaanse (First Nations) afkomst, hij loog over zijn verleden als sporter. Ze publiceerde verhalen in Canadese kranten, maar Furlong vocht terug. Robinson had geen geld om het proces tegen haar te winnen. Twee jaar geleden werd ze vlak voor haar presentatie op Play the Game geïntimideerd door een brief van Furlongs juristen. Play the Game liet Robinson toch haar lezing geven. Ze kreeg steun van de Deense organisatie, zoals iedere journalist die met soortgelijke onderzoekjournalistiek komt. Jens Sejer Andersen, de directeur, geeft onderzoeksjournalistiek de ruimte.

Robinson gaat door, met beperkte middelen. ,,Sport gaat niet alleen over de mensen op het podium, maar juist over de mensen die niet op het podium staan. Niet het verhaal op persconferenties, voor of na een wedstrijd. Maar het verhaal daar achter”, aldus de oud-wielrenster. Ze kreeg tijdens de discussie bijval van een Engelse journalist: ,,Sportjournalisten werken vanuit het idee dat ze onderdeel zijn van de sport, het team en de spelers. Ze vergeten dat ze buitenstaander moeten zijn en gewoon van afstand verslag moeten doen.”

En zo schoven de meningen over de ware vorm van sportjournalistiek langs elkaar. Fascinerend om te horen hoe verslaggeving over sport zich ontwikkelt. Een Deense sportjournalist meende: “Sportjournalisten kunnen niet schrijven. Ze schrijven voor mensen die niet kunnen lezen.” Die arrogantie gaat mogelijk te ver.

Het geeft wel aan hoe de sportjournalistiek in een spagaat is beland. Hoe sport te benaderen? Hoe erover te schrijven? Is er wel beleid in zake sportjournalistiek? Hebben hoofdredacties wel door dat er meer is dan scorebordjournalistiek, beïnvloed door commercie? Tijden veranderen. Sport is meer dan de belangrijkste zaak van het leven geworden. Hoe je het ook wendt of keert. Op het Deense congres lagen de verklaringen om over na te denken. De journalistiek kan veel onthullen, meent Laura Robinson, maar het merendeel is of niet geïnteresseerd of krijgt niet de gelegenheid (en het geld) van de hoofdredactie om zijn werk te doen. ,,Nu doen wij, onafhankelijke journalisten het werk. Wij hebben de tijd, maar wij hebben geen geld. Dat is onze strijd. Vaak ondankbaar, veel tegenwerking en vijandigheid. Maar wel een strijd die wat oplevert, getuige de onthullingen van de laatste tijd rond doping, match fixing en de FIFA. Dat is allemaal begonnen bij de journalistiek.”

De vraag: waar ligt de grens tussen amusementsjournalistiek en onderzoeksjournalistiek? Recensies of achtergronden. Wat willen de lezers? In Aarhus werd die vraag gesteld. Een congres over de waarde van sportjournalistiek als inspiratiebron. Play the Game gaat door, elke twee jaar. Niet alleen in Denemarken, maar hopelijk ook in andere landen waar sport en dus sportjournalistiek wordt bedreven. Als de sportjournalisten niet naar Play the Game komt, dan komt Play the Game wel naar de sportjournalisten.

Dit aan de datum aangepaste artikel werd eerder gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

Wat is dit voor waanzin

13 Dec

guusvanholland

Hoe doe je verslag van de waanzin van de Tour? Meegaan met de journalistieke mores of afvragen waarom dit gebeurt met mensen? Dilemma’s van een Tourverslaggever.

Tour zwaar
Gefascineerd door zoveel ellende, onrecht en mensenschennis keek ik toe hoe de Zwitser Uli Sutter besmeurd met stof, modder en bloed in 1979 na een Tour-etappe over het middenterrein van de wielerbaan van Roubaix slofte. Zijn fiets achter zich aan slepend. Hij zocht. Nee, hij zocht niet. Hij was verdoofd en verdwaasd, hij doolde.

Op zijn shirt was nog net te zien tot welke ploeg hij behoorde: TI-Raleigh. Hij was de kopman, nota bene, van dit alom bewonderde team onder leiding van de beste zakenman onder de ploegleiders, Peter Post. Mijn afschuw sloeg om in woede. Dat wielrenners zichzelf dit aandoen. Dat wielrenners zich als reclamezuilen laten gebruiken door organisatoren als Jacques Goddet en Félix Lévitan! Beulen zijn het, die directeuren.

Romeinse taferelen speelden…

View original post 1.530 woorden meer

Boeddhistisch sport beleven

13 Aug

Een sportzomer zoals die zich de afgelopen maanden aan mij ontvouwde, heeft mij veel energie gekost. Het was een voortdurende strijd tussen afkeer en overgave. Met terugkerende vragen als: wat gebeurt er toch met mij, wat en waarom raakt het mij zo, waarom reageer ik zo, wat doet mij soms zo afkeren, waarom ben ik tegen die en voor die ander?

Zijn dat vragen die opkomen bij een mens die graag boeddhist wil zijn omdat het jachtige leven hem vermoeit? Gespannen toezien hoe op leven en dood wordt gejaagd op onbegrensde euforie en onherroepelijk succes. Is dat wat mediteren (als observeren van gewaarwordingen) en contempleren (als op zoek gaan naar gewaarwordingen) oplevert na weer zo’n opwindende reportage?

Ik voelde dat mijn lichaam, en zeker mijn geest, mij een onaangenaam gevoel bezorgde. Spanning die leidde tot rusteloosheid. Soms durfde ik niet te kijken. En als ik dan toch keek, maakte zich aanvankelijk bevriezing van mijn zenuwgestel meester. Eigenlijk bevroor ik mezelf eerst. Ik sprak mezelf toe: blijf rustig, er gebeurt niets ernstigs, laat het maar komen, het gaat toch weer weg. Of dan hoorde ik toch weer een stemmetje: toe maar, leef maar mee, het mag, laat je gaan, het voelt echt fijn erbij te horen.

Zo werd de sportzomer een worsteling. Bij de ene sport meer dan bij de andere, al naar mate commentatoren en media de grenzen van opwinding opzochten of overschreden. Analyses beluisterde en las ik al snel niet meer. Op het televisietoestel zette ik het volume uit. Niet meer dat mijns inziens overbodige, mij te subjectieve commentaar. Ik zag het bij de meeste sporten zelf wel, ik kon zelf wel oordelen. Ik wilde het op mijn manier ondergaan. Met de zintuigen die alleen mij toebehoren.

Ik onderging het allemaal. Bezag de taferelen, de jacht en de strijd in betrekkelijke stilte – vaak was ik alleen. Observatie vanuit een uitkijktoren onder een blauwe hemel, geen wolkje te zien. Met een panoramische blik, of helikopterview, die mij meer (iets anders) kon vertellen over het spel en de jachtpartijen op het beeldscherm dan met toegevoegde mededelingen of commentaren. Wat ik zag en beleefde, was alleen van mij.

Ik liet me verrassen, kon me verwonderen, liet het begaan – al bleef het verlangen naar meer aanwezig, zoals naar een fraai doelpunt of een oogstrelende actie bij voetbal, een demarrage of sprint bij wielrennen, een ongekende slag bij golf en tennis, een oogstrelende als een gazelle lopende atlete. Daarom kijk ik immers naar sport, ben ik er door gefascineerd: iets te zien dat mij nog niet eerder is opgevallen, dat me raakt. Wat ik ook graag had willen kunnen. Ja, begeerte. Ondergaan met een verlangen naar nieuwe inzichten en vergezichten vanuit mijn eigen uitkijktoren – in dit geval mijn bank.

Mindful observeren. Zo benoem ik de wijze waarop ik naar sport heb proberen te kijken. Waarop ik sport heb proberen te ondergaan of beleven. Het geeft een nieuwe dimensie aan mijn observaties. Een nieuw geestverruimend middel. Anders zien en horen, anders beleven.

Het herinnert me aan een ervaring met mijn jeugdvriend Marius die in een tuinhuisje naast het woonhuis van zijn broer leefde. We luisterden vaak samen naar muziek. Vaak onder het genot van een waterpijpje hasj om de muziek een andere (extra, mogelijke diepere) dimensie te geven. We gaven ons over aan de muziek. Ook weer op een andere manier luisteren. Op een avond kwam ik weer bij hem op bezoek. Hij had een plaat opstaan. Ik merkte dat de langspeelplaat te langzaam draaide: langzamer dan 33 toeren. Mogelijk door slijtage aan zijn platenspeler. Ik maakte daarover een opmerking, waarop Marius met een mysterieuze glimlach zei: ‘Ja, het is wat anders. Mooi hè?’

Nadat we een uurtje zwijgend hadden geluisterd naar de ‘nieuwe plaat’, keek Marius me bloedserieus aan. ‘Ik weet wat boeddhisme is’, zei hij. Ik had weleens van boeddhisme gehoord, waarschijnlijk op school bij het vak Godsdienst, maar ik had me er nooit vragen bij gesteld. ‘Dit is boeddhisme’, zei hij. ‘Deze gewaarwording.’ En hij gaf een verklaring. Zo naar muziek luisteren, op een andere manier luisteren. Gewoon door de snelheid te verminderen of te verhogen. Ineens liep de platenspeler langzamer, zomaar. Dat gebeurt, zomaar. Eigenlijk iets ondergaan dat niet gebruikelijk is. Iets op een manier ondergaan die je niet is aangeleerd of opgedrongen omdat het moet.

Wat dat nu met boeddhisme te maken heeft, begreep ik niet. Zijn theorie had toch niets met geloven of met religie te maken. ‘Juist wel’, vond Marius. ‘Je gelooft in wat je ziet, hoort of ruikt, wat je beleeft. Je gelooft niet in wat je hebt van horen zeggen. Je vindt het niet mooi, omdat anderen zeggen dat het mooi is. Je vindt het helemaal alleen zelf mooi. Boeddhisme is het ontwikkelen van je eigen geest.’

Zoiets zei hij. En hij haalde er Allan Ginsberg bij, schrijver/dichter en al in de jaren vijftig vertegenwoordiger van de Beat Generation, een homoseksueel (getrouwd met een man), een man die ‘afweek’ door ‘obsceen’ gedrag. Bevriend met Jack Kerouac – en beïnvloed door William Blake (‘The road of excess leads to the palace of wisdom…You never know what is enough until you know what is more than enough’), zoals ook Jim Morrison van The Doors dat was. Ginsberg was in die tijd (eind jaren zestig) al geïnteresseerd in boeddhisme. Later zou hij boeddhist worden. Ginsberg, niet Marius. Want die overleed op jonge leeftijd, mede omdat hij in het ontwikkelen van zijn eigen geest te ver ging.

Marius had evenals Ginsberg een sterke drang om de grenzen van zijn bewustzijn te verkennen, maar kon het niet lang aan. Opmerkelijk dat Chögyam Trungpa Rinpoche, de vader van mijn (shambhala-)boeddhistische leraar Sakyong Mipham, in de jaren zeventig bevriend bleek te zijn geweest met Ginsberg en andere Amerikaanse dichters. Maar dat terzijde.

Allen Ginsberg (links) met Shögyam Trungpa Rinpoche

Allen Ginsberg (links) met Chögyam Trungpa Rinpoche

Marius was geen sporter. Ik herinner me alleen dat hij in een tarzanbroekje in het zwembad verscheen en later vrienden kreeg die iets met oosterse vechtsporten deden. Hij schijnt wel even in een juniorenelftal gevoetbald te hebben. Voetbal volgde hij zeker, vooral de lokale profclub. Hij vond het leuk dat ik een fanatieke voetballer was die het zelfs tot het eerste elftal van mijn plaatselijke club schopte. Hij kwam een keer kijken en zei toen: ‘Goh, jij kunt goed voetballen. Hoe doe je dat toch?’ Dan lachte hij een beetje cynisch.

Dat ik sportverslaggever werd heeft hem niet verbaasd. Verbazing, nee. Hij vroeg zich alleen dingen af. Geen oordeel. ‘Hoe doe je dat dan? Wat doe je dan? Ga je gewoon kijken en schrijf je dan op wat je gezien hebt? Lijkt me leuk. Schrijven wat je gezien hebt. Niet schrijven wat anderen gezien hebben en ervan vinden. Dat zo’n beroep bestaat, sportverslaggever.’

Maar vooral recensent, antwoordde ik. Zoals er ook muziekverslaggevers zijn, literatuur- en kunstverslaggevers. Zij brengen verslag uit van wat zij beluisterd, gelezen en gezien hebben. Verslaggevers die hun eigen inzicht raadplegen en dat op schrift stellen. Zij schrijven net zoals ik dat bij voorkeur doe een recensie, met een analyse en interpretatie – een subjectieve beoordeling dus.

Ik had graag met Marius de afgelopen sportzomer beleefd. Niet gestoord door de stem van een verslaggever die ons opgewonden deelgenoot maakt van zijn kennis en visie. In stilte (zelf) iets ondergaan op een manier die je niet is aangeleerd of wordt opgedrongen. Kijken naar sport alsof je mediteert, alsof je gewaarwordingen slechts observeert, zonder oordeel. Het biedt iets anders, iets nieuws. En het geeft (mij) rust. Marius zou zeggen: ‘Mooi hé? Boeddhistisch naar sport kijken.’

Guus van Holland is vriend van de Shambhala-sangha in Leiden

Deze kwartaalcolumn verschijnt binnenkort op de website van de Vrienden van het Boeddhisme: http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/

Door sport heb ik boeddhisme leren kennen

23 Mrt

Deze column staat in verkorte vorm op de voorjaarsuitgave (2014) van de website van De Vrienden van het Boeddhisme: http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/

Er woedde een strijd in mij, zeker als mens die beroepshalve over sport schreef. Vanwaar toch die fascinatie voor strijd, competitie, rivaliteit en vaak daaruit voortvloeiende animositeit? Dat de één beter is dan de ander. Dat ik beter wilde zijn dan een ander. En dus ook niet minder wilde zijn. Dat gevoel werd naarmate ik ouder werd en er meer over schreef steeds heviger – onaangenamer ook.

Aanvankelijk ging ik de drijfveren van mensen onderzoeken, in het bijzonder van mensen die wedstrijdsport bedreven. Interview na interview schreef ik. Niet alleen met topsporters maar ook met sportpsychologen, sportsociologen en sportfilosofen. Denkers. Dieper en dieper. Tja, het was the survival of the fittest. Zo was het nu eenmaal.

Zo’n 35 jaar geleden zei mijn eerste psychische hulpverlener, ‘spiritueel psychotherapeut’ Yde Lansen: ‘Guus, je denkt dat je in interviews op zoek bent naar de drijfveer in anderen. Maar je bent op zoek naar jezelf. Anderen zullen niet begrijpen wat je zoekt in hen. Zij kunnen jouw verhaal niet vertellen. Dat moet je zelf doen.’ Terzijde: in 1992 verscheen van Yde Lansen (samen met zijn ex-vrouw Mieke Bello het boek ‘Je gaat niet zomaar dood’ en in 1997 ‘De verstopte mens; hoe de goden en ons goddelijke lichaam weer zichtbaar kunnen worden’.

De zoektocht stemde maar niet tot tevredenheid, tot vrede met mezelf. Het leek inderdaad om mijn eigen zucht naar strijd te gaan. Wat ik om mij heen zag was projectie. Het was een nogal vermoeiend proces, uitputtend zelfs. Was er dan echt geen vreedzamer leven, elders?

Boeddhisme dan maar. Daar moest ik me in verdiepen. Had ik niet vaak verlangd naar een verblijf in een klooster? Rust en vrede, overal. Was ik niet eens bijna toegetreden tot de volgelingen van Bhagwan Shree Rajneesh, en sannyasin geworden? Ik las en herlas zijn boek: ‘Mijn weg de weg van de witte wolk’. Nee, geen volledige overgave aan een goeroe. Niet naar Poona. Niet in oranje over straat. Geen uniform. Ik wil wel autonomie.

Het leven voelde niet goed. De fascinatie voor sport was vaak ook een last. Ik leidde een dubbelleven.

Phil Jackson


Phil Jackson

Toeval kon het niet zijn dat ik begin jaren negentig bij een reportage over sportbeleving in de Verenigde Staten werd geconfronteerd met Phil Jackson, basketbalcoach van de Chicago Bulls, wereldkampioenen, het team van een van de beste sporters aller tijden, Michael Jordan. Een ‘sportspiritueel’ familielid, Frank Heckman, met Steven de Bie schrijver van ‘De Reis van de Held’ (de basis van de Nederlandse olympische sportsuccessen in de laatste jaren), wees mij bij mijn bezoek aan Chicago op het boek Sacred Hoops, Spiritual lessons of a hardwood warrior. Het was geschreven door Phil Jackson.

Het boek was een openbaring. Een sportcoach die spelers liet kennismaken met Indiaanse rituelen, sprookjes liet lezen als The Wizard of Oz (over de goeden en de kwaden), die vertelde over zenboeddhisme en hun leerde mediteren. Jackson, zoon van ouders die beiden dominee waren van de Pinkstergemeente, had als jonge student en basketbalspeler marihuana gerookt en lsd gebruikt. Niet ter vermaak, beweerde hij, maar om zijn perceptie te doorgronden. Hij had zich verdiept in politicologie, sociologie, filosofie en antropologie, en werd geraakt door de wijsheden van zenleraar Shunryu Suzuki, wiens lezingen hij regelmatig bezocht.

jordan
De Amerikaanse media noemden Jackson met een mengeling van cynisme en verwondering The Zenmaster. Hij liet mannen met een groot ego, zoals sterspeler Michael Jordan, ervaren hoe het voelde wanneer zij zich met anderen vergeleken. Jordan mocht dan met meer talent zijn gezegend, met anderen zou hij nog beter presteren. Jordan leerde dat hij zich niet beter en groter moest voelen dan zijn medespelers. Ieder zijn eigen talent. ‘Door de meditatiesessies van Jackson heb ik mezelf in relatie tot anderen leren zien. Ik werd er een betere speler door,’ gaf Jordan later toe.

De boeken van Jackson boden mij het inzicht dat wedstrijdsport en boeddhisme niet met elkaar hoeven te botsen. Dat ze kunnen samengaan, zelfs verhelderend en versterkend kunnen werken. Ik kon verder met mijn zoektocht. Ik probeerde te mediteren, las meer boeddhistische boeken – van alle stromingen. Toch bleef die verdomde strijd en competitie mij belasten. Ik moest en zou winnen, de beste zijn. Het leidde tot alweer een burn out.

Deelname aan een weekeinde Dharma Art met de Amerikaanse Shambhala-leraar David Schneider leidde tot nieuw inzicht. Toen Schneider de aanwezigen vroeg iets te vertellen over zichzelf en over het doel van hun deelname, durfde ik openlijk te zeggen dat ik sportjournalist was en moeite had met competitie. Naast me hoorde ik een vrouw diep zuchten. Was dat een teken van afwijzing?

In de theepauze vroeg Schneider mij of ik wist dat die dag het Nederlands voetbalelftal een belangrijke wedstrijd moest spelen. En of ik de uitslag wist. Wat? Deze boeddhist was in voetbal geïnteresseerd? Ik rende naar buiten, zette de autoradio aan en wachtte tot ik de tussenstand hoorde. Teruggekeerd kon ik Schneider melden dat Nederland met 1-0 voorstond. En zo kon het gesprek over sport en boeddhisme verder gaan. Terwijl anderen zich bogen over de mogelijkheden van een verlichte samenleving.

Mijn fascinatie voor competitie leek niet ongepast. Jaren later stuurde ik Schneider een email met een vraag over boeddhisme en strijd. Ik wilde er een verhaal over schrijven, misschien wel een boek. Schneiders antwoord was kort maar krachtig. ‘Je moest eens weten hoeveel strijd de Boeddha heeft moeten leveren.’

Roberto-Baggio-01
Topsporters die een boeddhistische levenswijze volgen, zijn dun gezaaid. Ik ken Tiger Woods en zijn worstelingen. En de Nederlandse boksster Lucia Rijker, de voormalige Italiaanse stervoetballer Roberto Baggio (zie foto boven) en golfer Joost Steenkamer, allen volgelingen van het Nichiren Daishonin-boeddhisme. Baggio was in de jaren tachtig een van de mooiste voetballers ter wereld. Een zachtaardige, technisch begaafde speler die voor het Italiaanse nationale elftal uitkwam. Voetballer naar mijn hart. Hij droeg zijn lange krullen in een paardenstaart. Ze noemden hem ‘Il Divin Codino’, de goddelijke paardenstaart, mede omdat hij vaak over boeddhisme sprak.

baggio
Ook door de vele blessures (allergisch voor pijnstillers) die hij als voetballer opliep, ging hij op zoek naar de zachte kant van het leven. Hij maakte kennis met het Nichiren-boeddhisme. Baggio werd aanhanger van Soka Gakkai, een Japans boeddhistische organisatie die zich inzet voor vrede, cultuur en onderwijs. In 2010 kreeg hij van het Nobelprijscomité voor de vrede de Peace Summit Award (op de foto naast Aung San Suu Kyi) http://www.dailymail.co.uk/news/article-1328024/Italian-footballer-Roberto-Baggio-honoured-peace-award-Burma-democracy-efforts.html, voor zijn wereldwijde inzet. Op zijn website niets actueels over voetbal, maar wel vooral beelden van hem omringd door mensen (kinderen) die hij wil helpen en heeft geholpen, en van hem in meditatie.

Niet dat sport Baggio niet meer boeit. Maar zijn strijd is voorbij. Twee jaar geleden legde hij zijn functie als technisch directeur bij de Italiaanse voetbalbond na twee jaar neer. Zijn doel om in samenwerking met de ook door boeddhisme geïnspireerde bondscoach Cesare Prandelli creatief voetbal te bevorderen en de jeugd enthousiast te maken voor het voetbal als spel en bron van plezier, was tot mislukken gedoemd. Baggio en Prandelli (beiden afkomstig van de voetbalclub Fiorentina) stonden aan de basis van het nieuwe positivisme in het Italiaanse voetbal. Maar nadat de Italiaanse bond Baggio’s vernieuwingsplan had genegeerd, besloot Baggio zijn liefde voor mensen elders in praktijk te brengen. Hij wilde niet meer winnen, hij wilde delen. In harmonie leven met anderen, niet meer in wedijver.

running
Mijn leraar is Sakyong Mipham, zoon van Chögyam Trungpa Rinpoche die het Shambhala-boeddhisme in het Westen verspreidde. Sakyong is een sportman. Hij was een fervent boogschutter en ruiter, en speelt golf. Hij heeft ervaren dat naast meditatie en zelfstudie ook lichaamsbeweging zijn geest verrijkt. Onlangs verscheen van hem het boek Running with the mind of meditation, waarin hij als fanatiek marathonloper de overeenkomsten tussen hardlopen en meditatie uitlegt.

Mede dankzij hem kom ik nu dagelijks op het kussen mezelf tegen. Ik adem, voel, beleef en zie de strijd in en tegen mezelf. Langzaam wordt de strijd minder. Misschien is het de woede die milder wordt, het verongelijkte gevoel dat ik niet beter ben dan anderen – ook niet minder. Ik hoef niet altijd meer de beste te zijn. Winnen is niet langer noodzakelijk. Het is de kunst van het loslaten die ik me probeer eigen te maken. Dat is zwaar. Misschien vecht ik (nog) te veel. Strijd zit ingebakken. Strijd kan, maar ik wil toch weer te graag winnen – al is het van mezelf.

sakyong-running-shoes
In ‘Meester over je eigen leven’ schrijft Sakyong Mipham: ‘Wedijver stelt ons niet in staat te bereiken wat we willen. Hij geeft ons alleen maar de prikkel om winst te behalen ten koste van anderen. We zijn zo goed als we zijn, en anderen omlaaghalen maakt het er voor ons niet beter op’.

Die woorden helpen me verder. Wat als sport, strijd en competitie mij nooit een rusteloos gevoel hadden gegeven, mij niet hadden uitgeput en soms ziek gemaakt? Dan had ik mogelijk nooit de lessen gekregen van Phil Jackson, David Schneider, Roberto Baggio en Sakyong Mipham. Door sport heb ik boeddhisme leren kennen.

Guus van Holland was 35 jaar sportjournalist voor de Volkskrant en NRC Handelsblad. Sinds enkele jaren is hij vriend van de Shambhala-sangha Leiden.

http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/2014/column.html

%d bloggers liken dit: