Ben de Graaf (86): ‘De kritische benadering zie ik niet meer’

23 nov

Van 1963 tot 1996 zat Ben de Graaf bij Sport op de Volkskrant, 26 jaar als chef. Beroemd om zijn eigen, uitgesproken mening, tegen autosport en boksen. Destijds wilde hij al de buitenspelregel bij het voetbal afschaffen. Dat wil hij nu nóg. Guus van Holland (ex-Volkskrant/ex-NRC) zocht hem op.

Ben de Graaf voor zijn tuinhuisje, waarin zijn biljarttafel staat. Daar speelt hij nog regelmatig op (als de energie het hem toestaat).
Foto Jacques de Jong

Als we bij de deur staan om afscheid te nemen, wil Ben de Graaf (86 jaar, waarvan 60 jaar getrouwd met Thea) nog even kwijt dat hij het toch wel jammer vindt dat Nieuw-Zeeland in de halve finale van het WK cricket van Pakistan heeft verloren. ‘Ik ben eigenlijk altijd een beetje voor Nieuw-Zeeland.’ Cricket. Ben (van 1963 tot 1996 op de sportredactie van de Volkskrant) kan het niet nalaten over een van zijn favoriete sporten te praten. Uren kan hij ernaar kijken op de BBC.

Uren zou hij kunnen praten over cricket, maar zeker over biljarten, zijn andere favoriete sport. Hij speelt nog steeds in het biljartzaaltje achter zijn huis. Het gaat niet meer zo soepel, bekent hij. Geen energie meer, legt hij uit. ‘Biljarten is niet alleen een kwestie van techniek en concentratie, maar ook van energie.’

Zo werd hij laatst gebeld door coryfee Dick Jaspers die hem wilde uitleggen waarom hij een partij tijdens het Wereldbekertoernooi in Veghel (waar Ben op uitnodiging ook aanwezig was) had verloren. ‘Een paar simpele driehoekjes waren bij Jaspers mislukt. Dick wilde mij vertellen dat het kwam door vermoeidheid. Dat begreep ik meteen. Als je door vermoeidheid geen concentratie meer kan opbrengen en dus geen energie meer hebt, kan het mis gaan. Jaspers had wel een half uur nodig om het uit te leggen en zich tegenover mij te verontschuldigen.’

Op de schoorsteenmantel staat een kolossale beker, de Ben Bokaal. Ben grinnikt en verklaart dat het de hoofdprijs is voor het familietoernooitje dat jaarlijks wordt gespeeld in zijn biljartzaaltje. ‘Allemaal kinderen en kleinkinderen, en een oude vriend, die eraan meedoen. De laatste keer won mijn kleinzoon Jelle. Een aardig talent, zeker’, zegt Ben zoals hij dat altijd heeft gedaan. Als hij iets goed vindt, volstaat hij met het woord ‘aardig.’

Beweer nooit dat hij niets om voetbal geeft. Dat doet hij wél, hij heeft zelf op amateurniveau gevoetbald en speelde in het redactie-elftal van de Volkskrant. Als sportverslaggever wilde hij zijn taak serieus nemen. ‘Een journalist hoort zijn eigen observatie te volgen. Niet als liefhebber meegaan met wat de coach en de spelers vinden. Dan volg je niet meer je eigen weg. Ik schreef altijd op wat ik dacht en zag. Dat liet ik me niet afnemen door anderen. Ik begreep waarom coaches en spelers mij te kritisch vonden, maar daar had ik geen boodschap aan. Ik zat niet op de perstribune met een Oranjeshirt aan, ik was een objectieve observator met een eigen mening.’

In 1981 was ondergetekende naast Ben aanwezig bij de wedstrijd Frankrijk-Nederland in het Parc des Princes, Parijs. Frankrijk won met 2-0. Ben zat naast me, trok aan zijn pijp (hij rookt nog steeds pijp) en zei als hij Six, Tigana en Platini een bal technisch volmaakt met de borst zag controleren en vervolgens speels zag passen: ‘Kijk, jongen, dat is nou voetbal.’ Nederlandse media zeurden de volgende dag over de verkeerde opstelling van Krol bij een vrije trap, Ben liet in zijn verslag blijken waarvan hij had genoten en waar Nederland tekortschoot. ‘s Nachts reden we naar huis in zijn auto. Ben had klassieke muziek op zijn autoradio staan, rookte zijn pijp en vertelde waarom hij van Franse voetballers hield, en van de Frans cultuur. Hij bleek een echte liefhebber.

Ben beklimt zijn stokpaardje: ‘Geen letter in de Volkskrant over cricket, wat toch een wereldsport is. Geen letter over biljarten. Alleen maar paginagrote verhalen over voetbal. Tja, het is een wereldsport. Maar geen kritisch woord. Die Willem Vissers kan wel aardig schrijven, zeker. Maar dan gaat hij een boek schrijven over Van Gaal. Die man zal wel een goede coach zijn, maar volg hem dan kritisch. Dat zie ik niet. Dan ben je niet goed bezig als journalist.’

Ben de Graaf is weinig veranderd. Hij wil niet mee met deze tijd, waarin kijkcijfers en groei van abonnees volgens hem doorslaggevend zijn. ‘Wat ik dertig of veertig jaar geleden al schreef, zou ik zo willen herhalen. Wat de huidige voetballichting doet, is een slecht voorbeeld voor de jeugd. Gaan vallen alsof de speler bijna dood is, dat wordt steeds erger. Ik schreef over het afschaffen van de buitenspelspelregel, wat ze in het hockey wel hebben gedaan. Ze hebben nog niet eens niet over de gevolgen nagedacht. ‘Zoiets als twee scheidsrechters – ieder een helft, want anders is het spel niet meer te volgen – dat opperde ik dertig, veertig jaar geleden al. Moet ik het dan nog een keer opschrijven? Het helpt niet. Maar laat de jongere generatie dat dan doen. Nee, die schrijven vol begrip over een wedstrijd en hebben een heerlijke wedstrijd gezien. Verder niks.’

Kritisch als altijd volgt hij zijn eigen krant. ‘Ik lees zes kranten maar de Volkskrant is nog steeds de beste.’ Hij maakt zich niet langer druk over wat gepubliceerd wordt. Maar toch: ‘De krant zit in een glijdende schaal van kritiekloosheid. Daar moet die Pieter Klok toch ingrijpen: dit wil ik, zo moet er geschreven worden. Niet alleen over sport, maar zeker ook over politiek. Afstand bewaren, niet partijdig zijn. Dat is de kunst. ‘Over kunst gesproken. Wat een onzin. Ik geef toe dat ik geen kunstgek ben. Maar waar gaat het over? Net als met die columns. Te veel, verhaaltjes kan iedereen schrijven. Maar schrijf iets waarover je mensen kunt laten nadenken. Dat is de functie van een columnist.’

Terug naar de Sport, waaraan hij toch 26 jaar leiding heeft gegeven. ‘Mijn sportredactie had mensen als Hans van Wissen, Frans Ensink, Frans van Schoonderwalt, Ronald ten Brink en Guus van Holland. Niet alleen waren we kritisch, maar vooral realistisch. Durf zo te zijn, dat vind ik nou zo mooi. Volg je eigen weg, ga niet meedoen met het populisme.’

Ben ging in tegen de publieke opinie, zeker wat betreft het Nederlands elftal. Hoe zat het met bedreigingen? ‘Weinig last van gehad. Behalve bij het WK 1974 in Duitsland, toen de spelers mij in het zwembad gooiden. Ik had geschreven dat Nederland tegen Brazilië wel erg hard speelde, maar ze wonnen wel. Dat vooral is me kwalijk genomen. Hard? Het was smerig. Maar nee, dat mocht ik niet schrijven. Ik moest meedoen met de sfeer die in Nederland heerste: we hebben van Brazilië gewonnen, daar ging het om. Ik kreeg van toenmalig hoofdredacteur Jan van der Pluijm wat betreft mijn journalistieke invulling te weinig steun tegenover het KNVB-bestuur. Die mensen wilden dat ik Oranje steunde. Waarom deed ik dat dan niet? Ik sta er nog steeds achter wat ik toen schreef, maar dat chauvinisme telde zwaarder.’ Nooit bedreigingen, weet Ben. ‘Af en toe een ingezonden brief. De hoofdredactie maakte er geen probleem van. Pluijm vond het wel goed, iemand met een eigen mening is goed voor de krant. Bovendien staat het wel deftig als je bedreigd wordt.’

‘Ik heb geen vrienden, hoogstens kennissen.’ Dat klinkt eenzaam, vooral omdat hij zegt altijd zijn eigen weg te zijn gegaan, en dat nog steeds lijkt te doen. ‘Ik houd niet van Ajax bijvoorbeeld. Ik heb altijd iets tegen Amsterdammers gehad – met hun grote mond van ik ben de beste. Ik houd van nederigheid. Doe gewoon, blijf realistisch. Als ik naar voetbal kijk, is het PSV.’

En dan de verhalen over autoracen, Formule 1 en Max Verstappen die tegenwoordig paginagroot in ‘zijn’ Volkskrant staan. Tijdens zijn aanwezigheid op de Sport van de Volkskrant las je er bijna niets over. Maar nu, Ben: ‘Gemotoriseerde sport is geen sport. Dat met die Verstappen is een hype. Puur chauvinisme. Straks als hij weg is, lees je er niks meer over.’

Boksen is ook geen sport. Elkaar lichamelijk beschadigen of de hersens inslaan, vind ik geen sport. Maar als ze daarover willen schrijven, akkoord. Ze doen maar.’

‘Sport is de bron van veel ellende’, vindt Ben. ‘Vooral voor de jeugd, daar begint het.’

En dan nog even bij het afscheid aan de deur over het WK in Qatar: ‘Voetbal gaat om geld. Dat weten we toch. Iedereen slikt het, alles wat er gebeurt. Waarom zou ik nog waarschuwen? Ik ben er klaar mee.’

Dit interview is onlangs gepubliceerd in de Volksknar, digitale krant voor gepensioneerde Volkskrantmedewerkers.

Waarom gaan topsport en boeddhisme niet samen?

2 nov

Of sport en boeddhisme samengaan? Het is een vraag die kan leiden tot veel discussies. Wat is tegenwoordig belangrijker, sport of het naleven van boeddhistische voorschriften? Helaas, maar dat zegt mijn gevoel, lijkt het erop dat sport nog altijd – of steeds meer – aan de winnende hand is. Dat vind ik een pijnlijke ontwikkeling, zeker gezien de toename van de interesse voor topsport – en alle uitwassen die daartoe behoren, zoals verruwing, corruptie, vandalisme en fraude.

Minder schuldig, maar even minder boeddhistisch zou men trots, liegen, begeerte, vernedering en streling van het ego kunnen noemen. Of kwaad (negatief) spreken over anderen, wat steeds meer in zwang raakt – zeker in de op kijk- en luistercijfers beluste audiovisuele media. Veel mag zeker niet, vooral wanneer wij proberen te leven volgens de voorschriften van welke stroming van boeddhisme dan ook. Maar dat laten wij liever over aan Justitie en tuchtcommissies.

Los van genoemde gedragingen is mindfulness in de begeleiding van topsporters aan een opmars begonnen. Het is een moderne versie van meditatie, zoals dat vanuit het boeddhisme wordt beoefend. Het betekent niet meer en niet minder dan rust in je hoofd brengen, concentreren en focussen. Vrijwel alle topsportcoaches en topsporttalenten bedienen zich ervan, met als resultaat vaak triomfen en medailles. Al ligt de nadruk bij mindfulness op het proces en niet op instant-succes c.q.-resultaat. Wie niet beter, sneller of hoger kan probeert zich daar bij neer te leggen – dat zou gedurende het trainingsproces gebleken moeten zijn.

Weinig topsporters zullen toegeven dat zij (eigenlijk) op een boeddhistische manier sport bedrijven: ‘Zo zweverig ben ik niet.’ Dan zouden ze tevens moeten bekennen dat hun levenshouding in strijd is met wat boeddhisme (het ‘edele achtvoudige pad’) van hun vraagt. Geen begeerte, geen verlangen naar eeuwige roem, glorie en erkenning: niet trainen om kampioen te worden of een medaille te halen. Wanneer je dat nalaat heb je geen succes – en succes daar draait het toch om?

De mens in het algemeen is overigens bij voortduring bezig zijn verlangens te bevredigen. Het besef van dit verlangen doet steeds als een gevoel van gemis aan. En dat betekent lijden, véél lijden. Bijna niemand wil lijden. Zo ongeveer drukt Jan de Leeuw het uit. De Leeuw was docent aan de opleiding SPECO en Johan Cruyff Academy van Fontys van de Economische Hogeschool Tilburg, en doceerde onder meer sportbusiness en ethiek.

Hij schreef over mindfulness in 2016 toen dit zijn intrede deed vooral door middel van de Academie voor Mindfulness in Sport. Men zoekt, weet De Leeuw, naar middelen om dat lijden te vermijden. Dus zoekt men naar amusement (entertainment, verduidelijkte een boeddhistische leraar mij eens tijdens een stilteretraite), zoals genot van voedsel, alcohol, drugs, seks, muziek, sport, televisie – afleiding dus. Of naar pijnstillers.

Pas op, sport wordt per definitie niet afgewezen. Zo waarschuwt Paul van der Velde, hoogleraar Aziatische religies zoals hindoeïsme en boeddhisme aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Maar dan sport en niet prestatiesport. Hij weet uit verschillende overleveringsgeschriften dat ook de Boeddha (wat men ook over hem fantaseren wil) zich fysiek probeerde te harden. Sportieve oefeningen (zowaar in wedstrijdvorm) leidden bij hem door worstelen, boogschieten en paardrijden of cricket tot rugpijnen en ander fysiek ongemak. Maar topsport (een manier om een ander te overwinnen, dus beter en sterker te zijn) is volgens Van der Velde niet bekend uit de tijd waarin de Boeddha heeft geleefd.

‘Het is maar net wat je mindset is’, zegt Van der Velde die graag kritisch kijkt naar wat boeddhisme in relatie tot sport behelst (lees zijn boek In de huid van de Boeddha). ‘Het is wat je lichaam aankan. Daar moet je het mee doen. Meer wensen lijdt tot schade, mogelijk meer dan jij of je lichaam aankan. Dat is de uitdaging. Het is jouw keus om te voelen wat er met je gebeurt wanneer je je overgeeft aan uitdagingen zoals fysieke inspanningen.’

Net als Van der Velde kijkt De Leeuw naar de voor- en nadelen van fysieke inspanning. ‘Wat is je zingeving? Waar houdt verdwazing op?’ De Leeuw verwijst naar zijn eigen jeugd. ‘Er zijn reserves geweest tegen bijvoorbeeld sport op zondag. Waar kies je voor? Zondagmiddag hadden wij als katholieken het lof, de aanbidding van onze god. Maar tegelijkertijd werd er ook gevoetbald. Dat is een lastige keus geweest.’ En dan wil hij ook kijken naar volkeren waar boeddhisme als belangrijk wordt ervaren. ‘Waarom zijn bepaalde Aziatische landen, zoals Indonesië, Thailand, Sri Lanka, India, Bhutan en andere minder in kwaliteit van topsport. Heeft dat te maken met hun boeddhistische invloed?’

Een belangrijke factor in mijn interesse voor boeddhisme was de manier waarop de meest succesvolle sportcoach van de afgelopen jaren, basketbalcoach Phil Jackson (hij won met de Chicago Bulls zes wereldtitels en met de LA Lakers vijf) te werk ging. Jackson werd The Zenmaster genoemd, mede omdat hij volgens boeddhistische weg zijn teams begeleidde. Jackson legt in een van zijn boeken ‘Sacred Hoops, Spiritual Lessons of a Hardwood Warrior’ uit hoe hij zijn team (met sterspeler Michael Jordan) leerde mediteren in een speciaal daarvoor ingerichte ruimte in het trainingscentrum. Wierookstokjes werden gebruikt om zijn sterspelers te leren begrijpen waar meditatie toe kan leiden. Zoals (zelf)beheersing, samenwerking, samen een doel te bereiken. Niet alleen door het uitzonderlijke talent van topscorer Michael Jordan, maar door samenwerking: zoiets als de lamme helpt de blinde (wat hij bijvoorbeeld doceerde door de spelers onder andere The Wizard of Oz te laten lezen).

Phil Jackson, The Zenmaster

Jackson leerde ook van de boeken en leringen van Shunryu Suzuki, zijn Zenmeester. Ik had hem tijdens onze ontmoetingen graag gevraagd wat hij (of Suzuki) vond van vernederen. Zo vaak hebben Jackson en zijn spelers van de Bulls en de Lakers tegenstanders immers ‘vernederd’. Helaas, is hij mij het antwoord schuldig gebleven. Mogelijk is hij stil blijven staan bij: hoe winnen wij? Dat is zijn goed recht, maar toch vind ik dat mijn vraag op een bevredigend antwoord wacht. Jackson (77, in retraite) laat mij vooralsnog in het ongewisse.

Het blijft daarom gissen naar wat boeddhistisch georiënteerde prestatiesporters beweegt om de beste te worden. Zijn ze er wel? Of houden ze zich liever afzijdig van die cultuur? We kennen wel de bekende bokster Lucia Rijker en de ex-voetballer Roberto Baggio, beiden boeddhist volgens de (Japanse) traditie Nychirin. Ze zijn volgers van Soka Gakkai, een traditie die ervan uitgaat het beste uit jezelf te halen, mede door meditatie en chanten. Leden van SGI beoefenen de leer van Nichiren Daishonin, een priester die in 1222 in Japan werd geboren. Hij onderwees dat het reciteren van Nam Myo-Ho Renge Kyo, de titel en essentie van de Lotussoetra, de beoefening is die mensen in staat stelt verlichting te bereiken. ‘Een van de grote doelen van het boeddhisme is dat alle levende wezens gelukkig worden en dat de mens zich bewust wordt van de onschendbaarheid en respectwaardigheid van het leven zelf’.

Zo kan het verschillende kanten op. Waarin ik zou kunnen geloven doet mij twijfelen. Wat ik zeker besef is dat boeddhisme nog ver verwijderd is van wat wij mensen willen bereiken. Paul van der Velde zegt dat ook, meen ik: ‘Er is nog een lange weg te gaan’. Wat hij precies bedoelt weet ik niet. Mogelijk gaat het om competitie. Waarom zouden we doorgaan met de strijd om de beste te zijn, in wat dan ook? Omdat dit in de mens zit?

Dit artikel is gepubliceerd in het Boeddhistisch Dagblad van 2 november 2022

Bescheiden man die als keeper nauwelijks te passeren was

9 sep
Piet Schrijvers

Soms als ik over de Stationsstraat in Ermelo fietste zag ik hem op een terras zitten. Naast zijn vrouw. De ene keer achter een kop koffie, de andere keer achter een biertje, een enkele keer ook met een dikke sigaar in zijn mond. Onmiskenbaar Piet Schrijvers. Pontificaal vooraan, zodat iedereen hem kon zien en hij alles en iedereen kon zien. Dat dacht ik.

Dan aarzelde ik: zal ik nu naar hem toegaan en hem een hand geven? Ik deed het nooit. Waarom niet? Omdat ik dat te opdringerig vind, omdat ik te verlegen ben en omdat ik als journalist nooit zo intiem (dichtbij) met een sporter heb willen en kúnnen zijn. Bovendien zou hij me nooit gekend of herkend hebben. Zo bedacht ik, als excuus.

En dan was er nog een pijnlijke herinnering aan deze robuuste doelman. Eens stapte ik stoer op hem af, omdat ik vond dat het moest als eigenwijze, nieuwsgierige journalist. Zojuist had het gerucht de ronde gedaan dat de terugspeelbal op de keeper zou worden afgeschaft. De doelman zou de bal niet langer met de handen mogen raken na een terugspeelbal van een ploegmaat. Piet zat aan de bar van het spelershome van het voormalige Ajax-stadion De Meer. Ik tikte hem op de schouder en vroeg of ik hem wat mocht vragen. Dat mocht. Ik wilde weten wat hij als doelman van de nieuwe spelregel vond. Piet keek me niet eens aan, nam een slok van zijn koffie en zei bars: ‘Dat interesseert me geen barst. We zien wel.’

Geschrokken van dit barse antwoord, bedankte ik hem snel en sloop weg. Ik begreep dat Schrijvers niet zo blij zou zijn zodra de nieuwe regel werd ingevoerd, zo goed was hij als doelman ook weer niet met zijn voeten. Er zou dan zeker een moeilijke tijd voor hem aanbreken, zo meende ik.

Piet Schrijvers stond juist bekend als een ‘een hele lieve man’. Zo begreep ik later van medespelers en van mensen die hem kenden. Dat hij snauwend een antwoord op mijn (toch relevante?) vraag gaf, zal met zijn onzekerheid te maken hebben gehad of met het feit wie die rare snoeshaan was die hem die vraag stelde. Mogelijk was het zijn eigen verlegenheid. Ruwe bolster, blanke pit. En: twee verlegen mensen die elkaar aftastten, de een snauwend, de ander trillend van de zenuwen.

Toegegeven, ik was niet zo’n bewonderaar van Piet Schrijvers als keeper. Maar hij was toch ‘een grote meneer’? Jan van Beveren, Pim Doesburg, Nico van Zoghel en anderen spraken me meer aan. Bij FC Twente was hij naar mijn inschatting (ondanks zijn kolossale gewicht) nog een fantastische doelman, maar eenmaal bij Ajax en het Nederlands elftal begon me dat schreeuwende blok beton toch tegen te staan – hoe goed hij ook was.

Piet Schrijvers

Een mooi afscheid werd hem nauwelijks gegund. Maar Piet klaagde nooit. Hij ging naar PEC Zwolle, waarmee hij degradeerde en waar hij misprijzend ‘Het Lek van PEC’ en ‘De Bolle van Zwolle’ zou worden genoemd. Piet had niet het bravoure van een echte, grote keeper. Hij ging ook niet prat op zijn carrière. In zijn biografie las ik dat hij zich bij FC Twente meer op zijn plaats had gevoeld dan bij Ajax. In Enschede was hij, zoals de meeste spelers, semiprof en werkte hij naast het voetballen bij een betoncentrale. Mensen zoals hijzelf. Alleen miste hij daar de grote prijzen, zoals dat later bij Ajax (waar de spelers een grotere mond hadden) wel het geval was.

Pas veel later, zeker nu hij dood is (hij werd 75 jaar), besefte ik dat ‘De Beer van de Meer’ (hij schijnt meer dan 100 kilo te hebben gewogen) gewoon een verlegen man was die in het doel en zeker op het voetbalveld buiten zichzelf trad. Daar was hij De Man die elke aanvaller angst inboezemde en bijna niet te passeren was.

Nog zie ik hem zitten op het terras. Een grote, logge man die daar anoniem zat te zijn. Ik had hem op z’n minst één keer moeten begroeten, hem een hand had moeten geven en dan had moeten zeggen: ‘Jij bent toch Piet Schrijvers? Wat was jij een geweldige keeper, man. Fijn, dat ik jou hier tref. Het ga je goed, Piet. Geniet van de zon, van je vrouw Cathy en van je drankje.’

Echt vrij leven, zonder houvast

30 aug

Al bij het betreden van De Kieftskamp in Vorden, werd ik geconfronteerd met mijn ego. Onzeker als ik doorgaans ben, stond ik op de drempel naar mijn zoveelste avontuur: een driedaagse retraite met een dertigtal onbekende mensen over Wijsheid in emotie, naar aanleiding van het boek van Han de Wit. Ik keek op bij de ingang en zag een auto naderen. Een man stapte uit en riep: ‘Ha, Guus!’. Meteen was mijn onzekerheid voorbij. Ik werd herkend, nota bene door de leraar van deze retraite, de acharya (leraar) Han de Wit.

Mijn voortwoekerende egocentrisme kreeg door de begroeting van de belangrijkste man van de komende driedaagse met vreemde mensen opnieuw gestalte. Ik kon niet meer stuk, ík werd herkend. Mocht ik niet herkend zijn geweest, dan zou mijn onzekerheid mogelijk nog even voortgeduurd hebben. Wat Han de Wit ook bewogen heeft om mij luidkeels te begroeten, ik voelde mij in ieder geval bevestigd in mijn bestaan. Ik kon doorgaan.

Ik wist nog niet precies dat de komende drie dagen in het teken zouden staan van egocentrisme en wat dat teweeg brengt in mijn perceptie van het leven: levensangst. Ik kon mede dankzij de warme begroeting van de gastvrouw in alle rust mijn verblijf op de zolderverdieping opzoeken en maakte mij vertrouwd met de situatie voor de volgende ontmoetingen. Wat kon mij gebeuren?

Han de Wit

De volgende ochtend probeerde De Wit duidelijk te maken (zoals hij in zijn boek Wijsheid in emotie beschrijft) wat egocentrisme met ons doet. Hij wees ons er op herhaaldelijk te mediteren, waardoor wij al doende tot meer inzicht zouden kunnen komen over onszelf ons gedrag en onze angsten – gedreven door egocentrisme. Shamathameditatie (aandachtsmeditatie), je richten op de ademhaling, kan daarbij helpen. De adem als ankerpunt, zodra we met onze gedachten op de loop dreigen te gaan dienen we ons weer op de adem te richten. Dat begreep ik. Ik mediteerde dus zoals ik gewend was en nam (voelde) mijn anker, de adem, als mijn houvast.

Bij de volgende gelegenheid wilde De Wit dat we ons meer open stelden (niet meer de adem als ankerpunt, vooral geen ankerpunt, gewoon je zintuigen openen voor alles wat binnenkomt en dat weer laten passeren – vipassameditatie of inzichtmeditatie). Dat ging redelijk goed, maar toen we buiten waren voor een vrije stiltewandeling, voelde ik me eenzaam en alleen worden. Diep van binnen hoorde ik schreeuwen: ‘Dit kan ik niet, ik kan niet tegen vrijheid, ik heb een anker nodig! Adem of wat dan ook. Ik kan niet zonder houvast, iets of iemand waar ik op kan rekenen als ik het niet meer weet.’

Bij het persoonlijke interview met De Wit vertelde ik over mijn ervaring, mijn angst voor vrijheid en behoefte aan een anker. Han adviseerde mij om daar tijdens mijn dagelijkse meditatie op te oefenen. Hij refereerde aan mijn talent voor creativiteit en meende dat ik die angst voor het onbekende van mij af kon gooien en ‘gewoon’ te doen wat mij spontaan inviel. Dat ik volgens hem werd bevangen door de angst om afgewezen te worden, zou ik kunnen verbeteren door veel te mediteren: gewoon zitten en loslaten.

Suzanne Prysor Jones

De volgende dag leerde de Schotse (shastri) lerares Suzanne Prysor Jones ons Tonglen. Letterlijk vanuit het Tibetaans met je adem het sombere, het zwarte inhaleren om vervolgens met je adem het frisse en positieve uit te ademen. Ik deed het met overgave, maar merkte dat mijn borst zich wapende, opzette, zodra ik me probeerde over te geven aan het onbekende. Het voelde alsof ik mijn borstkas als schild gebruikte. Ik kreeg vreselijke pijn in mijn rug, werd agressief naar Suzanne, had haar willen uitschelden en vertelde dat aan mijn buurvrouw en toegewezen gesprekspartner die mijn reactie niet helemaal begreep. Was het misschien toch mijn afweer?

Ik ging verzitten, zocht een andere plaats, een bankje achterin, maar was daar evenmin in staat mijn ongemakkelijke houding te verbeteren. Dat we naar buiten mochten om in stilte vrijuit te wandelen, voelde als opluchting. Terwijl ik mijn schoenen aantrok, kwam De Wit naar me toe. Hij had mijn worsteling van afstand mogelijk geobserveerd en streelde mij over mijn rug en zei: ‘Gaat het een beetje, Guus?’ Weer voelde ik de herkenning en de troost. Ik antwoordde iets; ik weet niet meer wat, maar Han was al verdwenen.

Ik zocht naar mijn gesprekspartner, om te vertellen wat ik had doorgemaakt. Tevergeefs.

Was het dan toch mijn afweer, weerstand of welk verdedigingsmechanisme ook, die mij de pijn in mijn rug bezorgden? Waarom kon (of wilde) ik mij niet verplaatsen in de pijn die mij bezighield of de pijn die anderen hadden? Ik wilde er niet aan, ik kon me niet verplaatsen in anderen. Zou dat het zijn?

Op de laatste ochtend zei De Wit dat iedereen pijn heeft, lijdt aan wat dan ook. ‘Kijk en zie in anderen hun lijden.’ Ik kon dat me nauwelijks voorstellen. Ik heb pijn, ík lijd, ík probeer mezelf te ontdoen van dat lijden. Met dat egocentrisme waaraan ik schijnbaar lijd doe ik niet alleen anderen maar zeker ook mezelf tekort. Dat voelde ik als nooit tevoren. Onzekerder maar overtuigd van mijn beperking ging ik naar huis. Ik was niet meer mezelf, degene die ik dacht te zijn. Als ik dagen later De Wits boek lees, weet ik: meditatie kan me helpen, door elke dag (of met grote regelmaat) te gaan zitten, kom ik tot het besef dat er meer is dan ik, dan mezelf. Er is meer dan me bezighouden met mezelf.

Nu oefen ik elke morgen. Mogelijk kom ik daardoor tot een nieuw inzicht. Meer of minder ik, minder egocentrisme, meer bezig zijn met anderen, meer inzicht in mezelf. Minder weerstand, meer mezelf onthullen. Meer vrijheid.

De auteur is bestuurslid van Shambhala Leiden

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Hoeveel geld kost een zege in de Tour de France?

13 jul

Laatst las ik dat een echte Tour-racefiets minimaal 10.000 euro kost – tussen de 10.000 en 15.000 euro. Dat deed bij mij de vraag rijzen wat het hele budget van een Tour-ploeg zou kunnen zijn. Ergens rond de miljard euro, hoorde ik een verslaggever van het Belgische tv-programma Sporza zeggen over de nieuwe ploeg van Patrick Lefevere en kopman Remco Evenepoel: Lotto/Quick-Step etc. Dat is heel veel geld, zeker als je het vergelijkt met de budgets van ’s werelds rijkste voetbalclubs.

Daar kijken we dus elke dag naar, in de Tour de France, naar renners die worden gesponsord door grote bedrijven/banken en Arabische sponsors. Renners die niet voor niets ‘hun klote’ afdraaien om de ploeg aan een Tourzege dan wel een etappe of een of ander klassement te helpen winnen. Nog los van de wedstrijdorganisatie die veel geld nodig heeft om een dergelijk evenement te organiseren.

Terug naar de wielersport. Wat zou een goede ploeg kosten? Wat kost een kopman, wat kosten knechten, enzovoort? Dan moeten ze wel over een sponsor en co-sponsors beschikken die heel veel geld uittrekt. Voor bijvoorbeeld fietsen (op z’n minst een paar per renner), voor ander materiaal, voor kleding (voor en na de koers), voor voeding, voor auto’s, bussen, trainingskampen, laboratoria, computerinzichten (via universiteiten), voor al die renners, ploegleiders, mécaniciens, verzorgers, trainers, artsen en ploegleiders. Van alles wil de ploeg het beste, meest geavanceerd. Nietwaar? Want ze moeten wel winnen of in ieder geval veel prijzengeld binnenhalen. Zonder veel publiciteit heeft een ploeg geen bestaansrecht. Wijlen ploegleider Peter Post zei het al: ‘Publiciteit is publiciteit. Als ze maar over je lullen. Beter dat men over je fiets lult dan over je lul fietst.’ En zo voort.

Heel vroeger werd in een voorbeschouwing nog wel eens een artikel gepubliceerd met inkomsten en uitgaven van een Tour-organisatie, laat staan wat een ploeg met renners kost. Die informatie ontgaat mij nu, kennelijk omdat mij en andere Tour-volgers het belang daarvan ontgaat. Wij willen koers (strijd), wat het ook kost, welke financiële belangen er ook spelen. En geldt dat ook niet voor voetbalclubs en die autoraces? Dat de rijksten vaak winnen. Als het maar spannend is, vinden wij (een crash of een valpartij raakt ons diep).Terwijl we toch zeker menen te weten dat de rijkste bijna altijd wint. Of het nu Real Madrid, Barcelona, Manchester City, Paris St. Germain, dan wel de autoracers met de beste en snelste motoren zijn of Jumbo-Visma dan wel UAE of Ineos Grenadiers is.

De Tourorganisatie moet daarnaast ook over veel geld beschikken. Een stad die de start of finish wil, moet daarvoor heel veel geld betalen – dat is op zich al een wedstrijd. De organisatie moet geldprijzen ter beschikking stellen, voor ritzeges, klassementen, leiderstruien, auto’s en meer. Ze betaalt hotelkosten voor de ploegen, en dan nog de reiskosten. Ze sluit contracten af met media, zoals tv-kanalen. Want wie deelgenoot wil zijn en de supporter wil bedienen, moet betalen.

Dus als we vandaag of morgen weer naar de televisie kijken en de strijd om de gele trui zien losbarsten, zouden we ons kunnen afvragen wat voor kapitaal daarmee gemoeid is. Dat doen we liever niet. We maken en vereren helden, bestempelen (opportunistisch als we zijn) helden van de ene op de andere dag als verliezers en berichten daarover in de media en denken nauwelijks welke belangen er daadwerkelijk meespelen – vooral financiële belangen.

Dan komen we uit bij de reden waarom wielerwedstrijden worden georganiseerd. Vooral in de beginfase waren kranten (media) mede-organisator. Hoe meer er over heldendom, winst en verlies werd geschreven, hoe meer belangstelling er voor de wedstrijden ontstond. En zo is het nog steeds. Ik hoor commentatoren en analisten moord en brand schreeuwen als een renner uitblinkt. En ik hoor ze op min of meer dezelfde toon uitroepen dat een renner (toch een mens, hoe bijzonder ook) niet aan de verwachtingen beantwoordt. En dan de reclame voor mooie landstreken, als toeristische attractie. Ook een verdienmodel.

Het is meeleven met renners en ploegen, liefst gevoed door de media vanuit een chauvinistische invalshoek. Steeds meer media dringen ons chauvinisme op, trap er niet in. Commentatoren en analisten worden ingehuurd om hun inzichten prijs te geven. Wat ze ook zeggen, het wordt gevreten. Speculaties voeren de boventoon, omdat het gespreksstof oplevert. Het leidt tot felle discussies, eigenlijk nietszeggend. Kennelijk is er niets anders om je in te verdiepen. Liever niet.

Ik schrijf dit omdat ik jarenlang sportverslaggever ben geweest, waarvan ik ruim 15 jaar de wielersport zoals de Tour de France van nabij als verslaggever heb gevolgd. Ik kijk en volg het nu op de televisie en in de kranten met meer afstand, zonder me helemaal los te kunnen maken van de wedstrijdspanning. Want ik (ook ik) vind het echt nog vaak opwindend, net zoals vroeger. Het is en blijft verleidelijk om erin mee te gaan en een favoriet te kiezen.

Toch mis ik tussendoor steeds meer bepaalde overdenkingen. Zoals het waarom van deze wedstrijd, de financiële ongelijkheid en de waarde van de menselijke factor van de deelnemende sporters. De deelnemers, met welk talent ze ook zijn geschapen, zijn sowieso mensen. En ook: helden rijden niet op een fiets, helden zijn mensen die anderen helpen en geen mensen die op persoonlijke eer of die van hun ploeg (dat is ook geld verdienen) uit zijn.

Mijn vragen gelden dan ook de financiële ongelijkheid (wat kost de ene ploeg, wat de andere), de menselijke factor en waarom dergelijke evenementen worden georganiseerd. ‘Waarom nu, als de zomer begint en niet in de winter?’, vroeg iemand die niets van de Tour, de organisatie en dergelijk sportgedoe begreep laat staan van het fenomeen topsport. ‘Ach’, antwoordde ik. ‘Het is zomer, mensen hebben niets te doen, ze zijn toe aan een verzetje. En dat beseffen organisatoren en sponsors maar al te goed.’ Dus, was het antwoord, wordt straks de finale van de Champions League in de zomer gespeeld. Mijn tegenwerping: ‘Als het maar wat oplevert. Daarom is de Sportzomer bedacht.’

Ik vond het leuk dat een vrijwel onbekende Sloveen de afgelopen twee jaar de Tour won. Een onbekende Sloveen? Alsof de organisatie daar baat bij had. Een kennis stelde toen voor dat ik het bericht lanceerde dat de sponsor van de winnaar, een oliesjeik, de gedoodverfde winnaar een immens bedrag toe heeft gezegd om niet winnen. Provocatief deed ik dat vervolgens. De reacties waren meestal opzienbarend en soms zelfs angstaanjagend, zoals: ‘Hoe durf je te suggereren dat geld invloed heeft op het eindresultaat?’ Ik beweer niet dat dat zo is, maar waarom zou het niet kunnen? Wie rijdt er op de beste fiets? Wie heeft de beste arts? Wie geeft het meeste geld uit om de Tour te winnen?

We weten het toch: De wortel van alle kwaad is geldzucht. Of het nu een Bijbelse uitdrukking is of niet, ik zie het zeker terug in de commerciële sport. Alles draait om geld en begeerte.

Alle mannen hebben toch ook een zachte kant?

28 jun

Alle mannen hebben een zachte kant, naast hun harde kant. Ze willen het niet weten, is mijn indruk. Of ze zijn bang hun zachte kant te tonen. Een vorm van angst om door de mand te vallen. Mannen behoren immers stoer en sterk te zijn, toch? Mannetjesputters die kunnen scoren, winnen. Die de beste zijn – waar en wanneer dan ook. Kijk mij eens, zo slaan ze zichzelf op hun (getatoeëerde) borst.

Mogelijk laten ze hun zachte kant wel zien tegenover hun vrouw (’s avonds in bed), hun (kleine) kinderen en/of hun huisdieren. Of wanneer ze niet in een groep (van mannen) verkeren, maar alleen zijn met een ander. Dan zijn ze anders, hoeven ze zich niet te bewijzen als telg van het zogenaamd sterke geslacht. Dan kunnen ze ook iets van zichzelf laten zien, dat ze wel degelijk liefde in zich dragen.

If you want to be a champion, you have to look like a champion. Zo verkondigde judokampioen en sportbestuurder Anton Geesink vaak. Dat vond ik destijds een mooie uitspraak. Zeker omdat ik het voor mij zag zodra kandidaat-kampioenen – wel of niet geïnspireerd door sportpsychologen of hun gedreven coaches – zich als een onoverwinnelijke man gingen gedragen. Zoals Geesink.

Ik herinner me een sportman die voor belangrijke wedstrijden een koptelefoon opzette met opzwepende muziek (The eye of the tiger) die van hem een ‘gevaarlijke’ Rambo maakte. Toegegeven, het kwam wat koddig over, vooral omdat ik wist dat hij eigenlijk een lieve jongen was die nog geen vlieg kwaad zou doen. Het hielp de aardige en lieve kampioen dus niet. Hij kreeg vervolgens een coach toegewezen die hem groter, sterker en vooral stoerder moest maken. Wat ook niet hielp. Hij was nu eenmaal en bleef een zachtaardige jongen

Het valt mij steeds meer op dat veel mannen hun zachte kant camoufleren door uitbundig te schreeuwen en/of hun scores aan de grote klok te hangen. Mogelijk vindt die observatie haar oorzaak in het feit dat ik zelf juist mijn stoere kant wil afgooien en mij meer wil toeleggen op mijn zachte, meer menselijke, oprechte zelf. Die andere, stoere mannen, vormen voor mij een spiegel. Zo wil ik niet langer zijn. Ik wil toegeven dat ik soms zwak ben, niet in staat ben om (altijd) te scoren. Gewoon een man met beperkingen ben, niet kan winnen en niet per se hoeft te winnen.

Mijn observaties gaan soms zo ver dat ik andere mannen meen te zien worstelen met hun ego. Ik weet niet of ze worstelen. Dat zou ik hen kunnen vragen: ‘Heb jij dat nou ook? Dat je niet zo sterk bent als je je voordoet.’ Maar ik durf het nauwelijks. Bang om uitgelachen, afgewezen te worden. ‘Mietje, watje, slapjanus’ of zoiets.

In boeddhistische kringen lukt me die confrontatie beter. Het is alsof ik me daar juist thuis voel omdat mensen (mannen) daar ook echt willen én kunnen zijn. Meditaties geven mij ook steeds meer het gevoel wie ik echt ben en wat ik echt voel. En mogelijk heeft dat bij boeddhistische lotgenoten dezelfde uitwerking.

Sinds mijn stilteretraite van twee weken in april is mijn worsteling (met het daaraan gekoppelde chagrijn, de vijandigheid, de afgunst, het ongeduld, de afwijzing en de afkeer) toegenomen. Daar werd mij geadviseerd mezelf te zijn, dat alles was ik deed en zei gepermitteerd was. Ik hoefde niet de schijn op te houden. Ik hoefde niet sterk en stoer te zijn en niet bij de collectieve meditaties op de eerste rij te zitten om te laten zien hoe goed ik kon mediteren. ‘Ga achteraan zitten, desnoods op een stoel als je pijn in je rug en schouders hebt.’

Het doet me denken aan een hardloopwedstrijd waarvoor ik me had ingeschreven. Per ongeluk startte ik op een voor mij te lange afstand. Daardoor was ik al snel de laatste van de groep deelnemers. Een EHBO-man op de fiets meldde zich veiligheidshalve bij mij en stelde zich voor met naam en toenaam. Wat mij toen verder allemaal ten deel viel, ook van de toeschouwers! Bij mijn aankomst als laatste werd ik verwelkomd door luid claxonnerende automobilisten en hard applaudisserende mensen. Het voelde alsof ik had gewonnen, hoewel ik toch ‘de zwakste’ en de ‘laatste’ was. Wat een ontdekking!

Ik vertelde dat verhaal aan verschillende vrienden (mannen). De antwoorden waren heel verschillend, van ‘wat stom van je en ‘lachwekkend’ tot ‘leuk hè’. Ik vertel het ook nu met enige trots. ‘Inderdaad, ik ben niet zo goed en sterk, en dat voelt niet slecht’. Blijft de vraag waarom veel mannen nog altijd mannetjesputters willen zijn. Is het conditionering (mannen behoren groot, sterk en stoer te zijn)? Of is het de angst om zwak te zijn? Ik blijf het me afvragen. En misschien durf ik dat toch eens van man tot man te vragen. Wie weet durven mannen zich oprecht te gedragen.

Deze column verschijnt binnenkort op de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Hoe vind ik mijn eigen weg – en niet die van anderen?

2 mei
Kersenbloesem

Een merel trippelt over het gras dat bezaaid ligt met fleurige kersenbloesem. Hij kijkt mij aan en lijkt zich af te vragen wat ik daar op die stoel doe. Na een minuut trippelt hij verder, de gevallen bloesemblaadjes die onlangs nog aan de boom vastzaten, omzeilend. Mogelijk is hij gerustgesteld omdat ik naar zijn idee niets kwaads in de zin heb. Hij laat mij met rust, geeft mij de gelegenheid te doen en te denken wat ik wil.

Het is een observatie die mij doet denken aan de reactie van een boeddhist op mijn vorige column Terug naar het echte gevoel, over mijn ervaringen in de dathün in Dechen Chöling. In de reactie werd ik gecomplimenteerd, maar werd mij er vervolgens wel op gewezen dat ik – in de waan dat alles wat ik deed en dacht goed én niet slecht was – niet de maatstaf zou worden voor mijn reactie op het gedrag van anderen. Pas op, zei hij, dat je wat anderen doen en denken niet afkeurt omdat jij hebt geleerd dat jouw gedrag goed is en niet slecht.

Mij wentelend in mijn toegenomen zelfvertrouwen, merkte ik dat het niet aan mij lag als anderen mij niet begrepen. Zij waren dom of zaten niet op mijn level. Ik hoefde niet te veranderen, zij moesten veranderen. Mijn smaak, mijn mening was heilig. Die moesten anderen maar overnemen. Dat anderen er anders over dachten, was dom en kortzichtig. Zo meende ik. Eigenlijk was dat al jaren zo: ik was de verstandigste, de heilige, et cetera.

Mogelijk dat ik me daarom zo vaak eenzaam heb gevoeld. Iedereen moest zijn zoals ik: zo denken, zo voelen en dezelfde smaak en mening hebben. Als een wereldverbeteraar: de wereld moest zijn zoals ik het wilde. Mijn mening, mijn smaak en gedachten deden ertoe. Die van anderen niet.

Een halve eeuw geleden zat ik tegenover mijn eerste psychotherapeut te klagen dat niemand (geen enkele vrouw) aan mijn favoriete beeld beantwoordde. Hoe hij of zij dan zijn moest, vroeg Yde (zoals hij heette). Nou, gewoon, zoals ik, antwoordde ik kort. Het begrip perfect noemde ik nog net niet. Want zo perfect als ik was vast en zeker niemand.

Yde

Op zijn begrafenis kwam ik zijn ex-vrouw tegen. Zij wist het, van mijn eisen, en vroeg: ‘Ben je gelukkig?’ Ik begreep wat zij bedoelde, en bekende: ‘Mmm, maar niet volmáákt gelukkig.’ Het was alsof ik duidelijk wilde maken dat ik met minder genoegen had genomen. Zij zei mij te begrijpen en voegde eraan toe: ‘Zo was Yde ook, hij verlangde naar het perfecte leven maar vond het niet. Daarom vond hij jou ook zo aandoenlijk en daarom wilde hij juist dat jij op zijn begrafenis was. Hij begreep jou echt. Uiteindelijk begreep hij ook waarom wij uit elkaar gingen.’

Yde was mijn beste leermeester. Toch wist hij mij er niet van te doordringen dat het leven van een mens eenzaam (alleen zijn) is en dat er altijd andere mensen, andere meningen, andere gevoelens en andere smaken bestaan.

Na een van de sessies zei Yde: ‘We moeten nu stoppen.’ ‘Maar’, antwoordde ik, ‘ik heb een uur lang niets gezegd’. ‘Nee’, zei Yde, ‘klopt. Het is goed, maak je geen zorgen. Zo doe jij dat nu eenmaal.’

Yde was in vele opzichten mijn leermeester. Hij vertelde over zijn experimenten met drugs – en met vrouwen. Dat was zijn zoektocht. Nooit vond hij wat hij zocht. Zoals ik. Tastend naar het onbestemde, wist een van mijn vrienden mij te typeren. Yde belde mij later weleens op, ik hem. En ik vroeg hem om raad als ik van werkgever wilde veranderen. Zijn advies was altijd: ‘Laat je niet door anderen gek maken. Doe wat je zelf wilt. Het is zo moeilijk jongen, ik weet het: jij bent jij, ik ben ik. Maar de keus is altijd aan jou.’

Yde stierf blind. Hij ging wandelen met mensen die hem de weg wezen. Het was niet zijn weg, het was een weg die anderen voor hem uitzochten. Vlak voor zijn dood, kreeg ik een (gedicteerd) briefje van hem: ‘Ik kan mijn weg niet meer vinden. Jij wel.’

Het boeddhisme helpt me op weg. Het pad dat zegt: elke weg is goed. Maar, zo besef ik steeds meer door te mediteren, die weg is alleen voor mij goed. Welke weg een ander kiest, is zijn weg. Op welk level hij of zij ook leeft, over welk intelligentieniveau hij ook beschikt, welk gevoel, smaak of opvoeding hij ook heeft ontwikkeld. Niemand is zoals ik. Als anderen schreeuwen en kwetsen om hun mening kracht bij te zetten, hoef ik dat niet te doen. Laat ze doen, denken wat ze willen. Wat ik wil is genoegen nemen met mijzelf.

Ik ben als die merel die over mijn met kersenbloesem bezaaide gras trippelt. Ook ik kijk even en wacht op het gevoel dat zodra het veilig is ik mijn eigen gang kan gaan. Ik probeer op mijn eigen manier (verlegen of mijzelf overschreeuwend) verder te trippelen. Een moeilijke weg, dat wel.

Terug naar het echte gevoel

13 apr
De grote vijver bij Dechen Chöling, gegraven in de vorm van een hart

Wat kunnen mensen veel te verwerken hebben wanneer zij onder ogen zien hoe zij in de loop van hun leven zijn gevormd. Hoe zij op de wereld kwamen, hoe hun ouders hen verwelkomden, hoe zij zijn opgevoed, hoe hun omgeving reageerde, hoe onderwijzers en onderwijzeressen, leraren en leraressen, geliefden, collega’s, chefs, vrienden en vriendinnen meenden hun verlangens te moeten uiten.

Al deze invloedrijke factoren kwamen voorbij tijdens mijn (halve) Dathün, een stilteretraite van twee weken in Dechen Chöling, het Europese Shambhala-boeddhistisch centrum in Frankrijk. Stil, zonder afleiding, zittend en wandelend mediteren, luisteren naar de leraar, yoga-oefeningen, geconcentreerd eten en drinken (geen alcohol), kringgesprekken, evaluatie-interviews, geen radio, geen televisie, geen niet-boeddhistische boeken, geen kranten of andere (sociale) media, geen seks; alles om niet af te dwalen van het echte gevoel. Vooral om het oorspronkelijke (verdrongen) gevoel te leren kennen.

Eerder had ik enkele jaren geleden al twee keer ter plekke een stilteretraite van een week ondergaan. Het was nu veel zwaarder, echt confronterend. Zeer waarschijnlijk ook voor alle 12 deelnemers, uit Frankrijk, Duitsland, Zwitserland, Ierland, Schotland, Brazilië en Nederland; ik meende te zien hoe de mannen en vrouwen net als ik tegen en met zichzelf vochten. Al bij mijn eerste gesprek met de Frans-Canadese leraar Simon werd duidelijk dat ik (te veel) mijn best deed. Ik zat op de voorste rij op mijn kussen, recht tegenover de leraar, mijn rug recht. Ik kreeg pijn in mijn rug (nooit in tien jaar heb ik dat tijdens mijn dagelijkse meditatie gehad). Ik zat onrustig en voelde dat ik gezien wilde worden.

Waarom, vroeg Simon, ga je niet op de laatste rij zitten en – als er behoefte is – op een stoel? Maar had ik niet zojuist ontdekt hoe mijn leven was verlopen, waarom ik zo bezig was geweest? Ik was zowaar opgelucht: nieuw inzicht. Waarom dan anders? Gewoon: wees vriendelijk voor jezelf, pijnig je niet. Aldus Simon.

Bij het volgende gesprek (met de Franse assistent-lerares Françoise) vertelde ik trots dat ik nieuw inzicht had verworven. Mooi, dat ik dat voelde, dat mag. Zei zij. Een paar dagen later bleken de nieuwe inzichten uit te zijn gebleven. Ik was weliswaar op een stoel achteraan gaan zitten. Maar het was saai geworden, er gebeurde niets, ik voelde niets. De oude, lieftallige Françoise glimlachte en antwoordde in Frans-klinkend Engels: ‘Welcome to the club.’

Ik zag in dat ik de eerste twee dagen op zoek was geweest en juist daardoor iets had ontdekt; dat wilde ik voortzetten. ‘Laat komen wat komt’, zei Françoise, ‘ga niet op zoek, verveel je, doe niet je best. Doe wat bij je past: alles is goed, niets is fout. Pijnig je niet. Angst voor straf is niet nodig’.

Dat laatste had Simon in het begin van de retraite al gezegd: alles is goed, niets is fout. Toch had ik gedaan wat ik meende dat van mij werd verwacht, zoals ik dat mijn hele leven had gedaan – anders deugde ik immers niet en zou ik vast en zeker straf krijgen. Of ik deed juist het omgekeerde, uit een uit wanhoop ontstane rebellie, en ging zo op zoek naar bevestiging. Die ik dan nota bene kreeg. Zo ontstond verwarring: maar wie was ik werkelijk?

Het chateau

Zo worstelde ik verder. Ik stond op van mijn kussen wanneer ik mij ongemakkelijk voelde, verdween naar mijn kamer, dook in bed en voelde me eenzaam, verlaten en vooral wanhopig. Ik verborg mijn hoofd in mijn handen en was ten einde raad – tot huilens toe.

Ik sloeg maaltijden (ontbijt, lunch en diner) over omdat de oryoki (Japanse zen-methode, mindfull eten, genoeg is genoeg) mij te ingewikkeld was en ik daarvan in de stress schoot. Dat zag de oude Franse assistent-leraar Henry (met staartje), zonder een oordeel te vellen. Hij bood me trainingen aan, maar liet me verder met rust: als het niet gaat dan gaat het niet, als je het niet wilt dan is het ook goed.

Ik werd nergens toe gedwongen, wat ik ook deed, het was mijn gedrag – en ik werd niet bestraft. Daarvan leerde ik, zo moeilijk ik het altijd had gehad als anderen wat van mij verlangden: ik mocht nu zijn wie ik was.

Zo worstelde ik twee weken lang. Een keer wandelde ik in mijn eentje de natuur in, zag meer dan ik ooit gezien heb en nam tegen de regels (want afleiding) mijn iPhone mee om foto’s te maken. Tot mijn verbazing en vreugde zag ik twee keer een zwemmende bever (mogelijk zag ik een muskusrat aan voor een bever). Ik belde tegen de voorschriften een keer naar huis om mijn ervaring te delen, eigenlijk om bevestiging te krijgen. Zoals na mijn ervaring met de 16-jarige Ierse jongen die voor mij zat te mediteren en plotseling begon te huilen. Even later zag ik hem buiten de meditatiehal omhelsd worden door zijn vader. Wat een jaloezie maakte zich toen van mij meester, wat een emotie! Het was zwaar, in mijn eentje, zoekend naar wie ik echt ben en wat ik echt voel.

Na afloop van de retraite vertoefde ik een dag in de grote stad, Limoges, en raakte daar nog meer in de war. Om nog maar te zwijgen van mijn kortstondige verblijf de volgende dag in Parijs. Dit was de grote wereld met al zijn geconditioneerde gedrag. Ik werd keihard geconfronteerd met wat de samenleving van ons verlangt, wat mensen doen, hoe zij eruit zien. Mensen doen wat zij opgedrongen krijgen. Ze weten niet beter dan dat het zo hoort. Wie vertelt hen dat het ook anders kan. Zonder daarvoor gestraft te worden.

Deze column is in licht verkorte vorm op de website Vrienden van het Boeddhisme gepubliceerd: https://vriendenvanboeddhisme.nl/

‘Het is onze tragedie. Het zijn onze helden’

5 feb

In 2008 bezocht ik als verslaggever de herdenking van de ramp die in 1958 plaats had in München: the Munich Air Disaster. Daarbij kwamen acht spelers en vijftien bestuursleden en journalisten om het leven. ‘Heb je gehoord hoe al die mensen The Flowers of Manchester zongen?’

Matt Busby ligt in een ziekenhuis van München aan het zuurstof, enkele dagen na de ramp

Mannen en vrouwen van middelbare leeftijd knielden neer voor Old Trafford, het stadion van voetbalclub Manchester United. Ze legden bloemen, foto’s en vlaggen voor het monument ter nagedachtenis aan de Munich Air Disaster. Hun kinderen en kleinkinderen spreidden sjaals van Manchester United uit over de bloemenzee. Fans van nu schreeuwden het hart uit hun lijf: United will never die. Oude en jonge mensen troostten elkaar. Ze waren met duizenden, ze huilden om het verdriet dat hun club vijftig jaar geleden is aangedaan. United blijven ze, voor eeuwig. Lief en leed gaan altijd samen bij deze voetbalclub.

Keep the flag flying’, zei manager Matt Busby vijftig jaar geleden tegen zijn assistent Jimmy Murphy, terwijl hij in een ziekenhuis van München vocht tegen de dood. Busby zou zijn strijd winnen, net als Manchester United. Tien jaar na de vliegramp van 6 februari 1958 die acht spelers van de club, en nog eens 15 bestuursleden en journalisten het leven benam, won United de Europa Cup.

Nu is United een van de rijkste en beste clubs ter wereld. Met de Schotse manager Alex Ferguson die alles doet wat zijn illustere Schotse voorganger Busby, die in 1994 overleed, ook deed. Hij is keihard en menselijk tegelijk. Want alles wat voetballers op Old Trafford laten zien moet een hommage zijn aan die mensen op de tribune: het volk dat hunkert naar saamhorigheid, identiteit. Wie de duizenden woensdag zag huilen en schreeuwen, begrijpt waarom Ferguson net als Busby en Murphy, net als de overlevenden Bobby Charlton, Harry Gregg, Bill Foulkes, Kenny Morgans en Bill Scanlon, net als de hedendaagse idolen Ryan Giggs, Cristiano Ronaldo en Wayne Rooney, zoveel onderdrukte emoties losmaken. Dit is meer dan voetbal, dit is een geloofsovertuiging.

De clubpastoor van United John Boyers, die de twee uur durende herdenkingsdienst op Old Trafford leidde, zegt verheugd te zijn dat zoveel mensen geloven in het goede dat voetbal teweegbrengt. „Ik ben hier om mensen te steunen, maar ik kan niet op tegen wat de club en haar voetballers bewerkstelligen. Ik ben hier omdat ik van mensen hou, omdat ik mensen wil steunen in hun geloof in een club. Voetbal brengt mensen tot goed en helaas ook tot kwaad. Het is een wereld waar emoties, zoals verdrongen agressie, twijfel en hoop elkaar vinden.”

The scoreboard at Old Trafford, Manchester United remembering the players who lost their lives in the
Munich Air Disaster on February 6th 1958 (Photo by Matthew Ashton/AMA/AMA/Corbis via Getty Images)

In de kroeg aan de Matt Busby Lane, een paar honderd meter van Old Trafford, doen de fans Ian, Peter en Mark onder het genot van heel veel bier verwoede pogingen het United-gevoel te verwoorden. Ze weten alles van United. Ze zetten zich af tegen de vercommercialisering van de club, maar ‘for United we stand‘. Mark is al sinds hij in maart 1958 werd geboren als vanzelfsprekend fan. Zijn moeder was beheerder van de eerste souvenirshop, een houten keet. Zijn grootvader verkocht programmaboekjes. Zijn oom was lid van The Spinners, die The Flowers of Manchester beroemd maakten, een lied over de acht ‘Busby Babes’ die het leven lieten bij de ramp . Zijn hele familie is United. Hij heeft zijn eigen United-weblog. Hij huilde en zong tijdens de ceremonie, te midden van duizenden fans. Hij dronk zich ’s avonds te pletter. Maar hij leeft nog. Omdat hij van United is. ‘Ik leef voor de club en voor voetbal, en dat doet mijn hele familie.’

En dan is er het verhaal van Bobby Charlton, die de ramp overleefde. Hij won met United in 1968 de Europa Cup en werd in 1966 wereldkampioen met Engeland. Hij zat tijdens de dienst naast doelman Harry Gregg en Albert Scanlon. Charlton liet niet na zijn bewondering uit te spreken voor de beste speler van United destijds, Duncan Edwards, die twee weken na de ramp op 21-jarige leeftijd overleed. En hij is niet de enige die beweert dat Edwards in de sporen van Pelé had kunnen treden, als beste voetballer aller tijden. Daags na de ceremonie zegt Sir Bobby: ‘Edwards was verdediger, middenvelder, aanvaller en regisseur tegelijk. Hij was links en rechts, hij was hard en had de beste tackles. Hij scoorde en gaf passes die nog niemand had gezien. Duncan was danser en arbeider tegelijk. Hij zou nu een held zijn geweest, meer dan ik, of George Best, of wie dan ook. Maar hij ging dood. Dat is waar ik over nadenk en verdriet over heb met mijn vrouw. Mensen die op jonge leeftijd doodgaan en nog zoveel hadden kunnen betekenen. De gemiddelde leeftijd van de jongens van toen was 23 jaar. Ik heb met spelers van nu, zoals Rooney, daarover gesproken. Jongen, weet wie je bent en doe wat je moet doen. Wayne luisterde naar mij. Hij was er ook tijdens de ceremonie, samen met Ryan Giggs, Paul Scholes en Gary Neville. Echte United-jongens.’

Harry Gregg

De Noord-Ier Harry Gregg was doelman destijds. Nog altijd wordt hij emotioneel wanneer hij aan de ramp denkt – en dat doet hij elke dag. „Nu zijn er psychologen om je te helpen. Toen moest je zelf je weg vinden.” Hij herinnert zich hoe het vliegtuig in de sneeuwstorm bij de derde poging om op te stijgen neerstortte. Hij hoorde piloot James Thain schreeuwen dat het misging. Gregg hielp bij de pogingen mensen te redden, keerde telkens terug naar het wrak op zoek naar overlevenden.

De doelman redde een zwangere Joegoslavische vrouw en haar dochter, die net als de voetballers op doorreis waren van Belgrado naar Manchester. Afgelopen week was op een BBC-documentaire te zien hoe Gregg de vrouw voor het eerst sinds 6 februari 1958 terugzag, samen met haar zoon die twee maanden later werd geboren. En weer huilde Harry Gregg.

Gezagvoerder James Thain kreeg van de Duitse autoriteiten de schuld. Hij zou tijdens de tussenlanding de vleugels van de tweemotorige Elizabethan niet van ijs hebben willen ontdoen. Daardoor zou om 15.04 uur het vliegtuig zijn neergestort. Stephen Morrin, luchtvaarthistoricus, beweert in zijn boek The Munich Air Disaster, dat twee maanden geleden na speurwerk van twee jaar verscheen, het tegendeel. Morrin nu: ‘Dat was niet zijn verantwoordelijkheid. Thain had geen schuld. Maar hij heeft de schuld gekregen, ook van United. De man heeft zijn hele leven, totdat hij in 1975 overleed, daaronder geleden. Ik heb met zijn zoon en zijn dochter gesproken, met Gregg gesproken. Thain heeft net as Gregg mensen gered. Hij was niet de schuldige, hij was juist een held.’ Gregg verzorgde het voorwoord in het boek dat Morrin schreef.

Morrin verwijt United ook dat de club te weinig waardering heeft gehad voor de assistent van Busby, Jimmy Murphy. ‘Hij heeft de club bij elkaar gehouden. Zonder Murphy was United niet groot geworden. Dat verwijt ik de leiders, en Matt Busby. Pas tien jaar geleden, toen Murphy overleed, kreeg hij enige waardering.’ Zijn boek wordt niet verkocht in de United-shop. Het onderzoek en de lezing van Morrin, die een Unitedfan is, wordt niet gewaardeerd. Toch was hij woensdag bij de herdenkingsdienst, samen met Thains dochter. ‘Omdat ik fan ben en goed contact heb met een van de bestuursleden mocht ik er bij zijn. Maar eigenlijk ben ik persona non grata. Waar een grote club klein in kan zijn.’

Matt Busby met zijn vrouw

Manchester United mag dan veel vrienden hebben, vijanden heeft de club ook. Dat bleek woensdag op Wembley. Voor de wedstrijd Engeland-Zwitserland zou een minuut stilte worden gehouden ter nagedachtenis aan de ramp. Tijdens de stilte draaiden een paar honderd Engelse supporters hun rug naar het veld, anderen begonnen te fluiten en te schreeuwen. De stilte werd ingekort tot twintig seconden. Gevreesd wordt dat morgen voor de derby van Manchester United tegen aartsvijand Manchester City hetzelfde gebeurt. Manager Sven-Göran Eriksson van City heeft de supporters opgeroepen zich keurig te gedragen ter ere van United.

Bobby Charlton en Harry Gregg in 2020, kort daarop overleed de oud-doelman

United-fan Mark Ryddel voelt dat er afgunst heerst. ‘United is te groot voor Engeland. Anderen denken dat United de ramp misbruikt. Dat United de herdenking opblaast in de media. Alsof het een marketingproduct is. De club kan het niet helpen dat er zo’n tragedie is geweest. Acht voetballers kwamen om. Manchester was jarenlang in een shock. Zie die mensen voor het monument, zij léven voor United.’

Zijn zwijgzame vriend Ian spreekt na uren drinken zijn eerste woorden: „Waarom is de stadionklok stil blijven staan op 15.04 uur? Heb je gehoord hoe die mensen vanmiddag The Flowers of Manchester zongen? Het is onze tragedie. Het zijn onze helden. Die neemt niemand ons af.

Dit verslag stond een paar dagen later dan de herdenking op Old Trafford in NRC Handelsblad

Basje de Ruiter was een van de jongens van de Laar

27 jan

Vrijdag 21 januari is Bas de Ruiter (75) overleden. Hij was de man van Eef de Ruiter-Borgers die we allemaal wel kennen als jarenlange hulp in de kantine en de bestuurskamer. Bas was al geruime tijd ziek. Hij voetbalde ooit bij de Voetbalvereniging Bennekom.

De dood van Basje de Ruiter roept bij mij heel veel herinneringen op aan mijn jeugd. Ik was pakweg 11 of 12 jaar toen ik aan competitievoetbal mocht gaan doen. Zo was dat nog in de jaren zestig. Ik was een van de ouderen van de jongens die dankzij Evert Beukhof, vader van een van de jongens, lid mocht worden van VV Bennekom, zodat we op het terrein aan de Laarweg konden voetballen. Omdat ik ouder was, mocht ik al vrij snel deel uitmaken van een junioren-competitie-elftal. Ik kreeg mijn wedstrijdkaart in de brievenbus waarop stond dat ik zaterdag midvoor stond in de uitwedstrijd tegen CHRC. Elftalleider Bertus van Reemst, als straatveger een gemeenteambtenaar, kwam de kaart persoonlijk afgeven op mijn huisadres. En dat bleef hij nog lang doen.

We verloren tegen CHRC met 11-0. Ik raakte geen bal, echt niet, vooral omdat ik eenzaam op een eiland in de ‘spits’ stond. Bertus gaf me na afloop een schouderklopje en mompelde: ‘Goegespeuld jochie.’ Met dat compliment op zak fietste ik met de andere jongens terug naar huis, van Heelsum naar Bennekom.

Ik kan me weinig van de wedstrijd herinneren. Alleen de namen van de jongens weet ik nog. Jongens waar ik tegenop keek, ze waren sowieso twee of drie jaar ouder. Basje stond geloof ik toen op doel. Verder speelden onder anderen mee zijn tweelingbroer Tonnie, Jan Jansen, Jan Bongers, Rini (Krekel en/of Kriel) Welgraven, Gerrit (Kromme Gaart) de Ruiter, Dirk (Rooie Kers) Kerseboom, Bertje (van de) Hoef en Hillie Schoester (zoon van een zus van Bas de Ruiter). Het waren allemaal jongens van de Laar; ze zaten op de ambachtsschool of werkten al als schilder, timmerman, metselaar, loodgieter, in het bos of waar dan ook, of gewoon als losarbeider – werk was er altijd wel. Ik kwam uit ‘het dorp’ en zat op het Christelijk Streeklyceum, dus werd ik ‘het studentje’ genoemd, een vreemde eend in de bijt. En dat voelde ik meteen. Zo werkte die chemie: Guusje? Dat studentje.

Ze scholden vaak op elkaar, konden goed schoppen en de meesten ook goed zuipen. En wat ze verder deden, begreep ik echt niet. Echte jongens van de Laor. Dat was niet het milieu wat ik (als christelijk opgevoede jongen) gewend was. Maar ik paste me aan, en misschien wel omdat ik aardig kon voetballen. En eigenlijk waren het beste jongens, echt waar – als je maar vriendelijk bleef en luisterde.

Vooral Basje, Tonnie, Hillie en Bertus van Reemst deden er alles aan om mij te helpen. Ik ben dankbaar dat ik die jongens en die tijd heb meegemaakt. Zo was de Laar, zo leerde ik mensen en hun achtergrond kennen. Mijn vader kende de mannen van de Laar uit zijn jeugd, omdat de meeste mannen voor zijn pleegvader Ruth van den Hul (een houttransporteur en -handelaar) in het bos hadden gewerkt. Hij zei: ‘Pas maar op, ze zijn gevaarlijk als ze een slok op hebben. Dan gaan ze vechten.’ Daar stond nu juist de Bennekomse voetbalclub om bekend: vechten, vloeken en schelden.

Ik herinner me dat de hele familie van een van de jongens met een paar kratten bier achter het doel ging zitten en naar verloop van tijd begon te schelden en ruzie te zoeken. Een andere keer moesten we naar de medische keuring op het ziekenhuis in Wageningen. Nadat Hillie door een vrouwelijke arts door middel van een latje van zijn stijve pik werd afgeholpen, werd door dezelfde arts Lucas de Ruiter (Snuutje) naar huis gestuurd omdat in zijn witte onderbroek nog sporen van poep en pies te zien waren. Ik had een schone onderbroek aan (een witte, alle jongens hadden een witte onderbroek), ik werd goedgekeurd.

Ik paste me aan, lachte me rot en voetbalde keurig mee. De voorzitter (Aart van Veldhuijsen) had een uitwisseling met een Duitse club georganiseerd. In Bennekom logeerden de Duitsers bij ons, in Bochum logeerden wij bij die Duitse jongens – ik bij Lothar. Ik leerde er bier drinken en ging in Bochum met onze leiders Chris Buunk, Joop Janssen en Bart (of Bert) Roosenboom (‘Roosje’) naar de hoeren kijken. Dat was een hele nieuwe wereld voor mij, de wereld van de Laar, de wereld van de arbeidersclub en haar gewoonten.

Na een jaar of twee kwamen de jonge jongens met wie ik me destijds had aangemeld over naar Junioren Jong, de jongens van Evert Beukhof: Rini Beukhof zijn zoon, Otto Veldhuizen, Bartje Roseboom, Martin Jacobs, Leo van Ginkel, Gertje en Bennie Bouwman, Teusje Vermeer, Leendert Welgraven, Keesje Lieftink, Wimpie den Hartog, mijn broertje Dick en zo voort. Bertus van Reemst en Evert Beukhof werden onze leiders en we werden jaar in jaar uit kampioen.

Bas en Tonnie speelden toen al in Junioren Oud, net als Hillie Schoester, Jan Jansen, Jan Bongers, Dirk Kerseboom, Rini Welgraven. Bas werd jeugdleider, scheidsrechter en later grensrechter. Hoe hij de kost verdiende wist ik niet; hij was ook broodbezorger geweest, vernam ik. En hij werkte op de Postbank, de ING of zoiets. Via zijn vrouw Eefje hoorde ik dat hij later als gids in het bos (het Nauurcentrum) in Ede werkte en later ziek werd. De laatste keer dat ik hem zag was op het jubileumfeest van 50-jarig Bennekom: Bas was moe en groette me met een kleine lach: ‘Hoi, Guusje’.

Hillie en Jan Jansen haalden het eerste elftal, net als Otto, Bart, Martin en ik. Hillie was altijd het grootste talent, Rini Welgraven was ongrijpbaar en onpeilbaar als voetballer. Beiden stierven jong, net als Dirk (of was het Derk?) Kerseboom, ieder op hun eigen manier.

De club groeide. Er kwamen meer leden en dus meer elftallen. Vooral de jeugd groeide. Meer jongens van buiten de Laar werden lid, vooral door het missiewerk van Evert Beukhof. Laatst kwam ik in een vuilcontainer op de Eikelhof een diploma tegen van Evert Beukhof, met foto. Daarop stond dat hij erelid was of lid van verdienste – dat weet ik niet meer. Wat een onuitwisbare schande voor de historie en de ontwikkeling van de club, riep ik.

Nog altijd denk ik terug aan de begintijd van club die binnenkort 70 jaar bestaat. Aan de tijd aan de Laarweg, aan Arend van den Heuvel (materiaalman, elftalcommissielid en bestuurder). Aan Hillie, aan Gerrit de Ruiter, aan alle De Ruiters (Opa De Ruiter, Bas sr., Teus, Bas jr., Tonnie, Wim, Dik, Dirk, Lucas, Blom), de Van de Weerds (Jan, Onno, Willem en Hugo), de Welgravens (Geurt, Rini, Leendert, Henk), aan de familie Kerseboom. Hoe een arbeidersclub uitgroeide tot een grote club voor heel het wereldse Bennekom.

Nog altijd hoor ik verhalen van leeftijdgenoten die vertelden dat ze geen lid mochten worden van die club aan de Laar, omdat ze niet op de Laar woonden – ze werden geweigerd of mochten niet van hun ouders. Wie niet aan Platanenweg of -laan, de Esdoornlaan, de Meidoornlaan, de Korenlaan, de Berkenlaan of de Laarweg woonde, hoorde niet op die club thuis. Daar woonden de stoere mannen die vochten, voetbalden en zopen, bijvoorbeeld omdat ze geen (‘fatsoenlijk’) werk hadden en veel te weinig verdienden.

Dat is de historie van VV Bennekom, opgericht in 1954. Daar heb ik veel van het leven geleerd. Van Bas en Tonnie, van Gerrit, Kers, Jan, Jan en Hillie, en van de Lieftinks en van de vele Rozenbooms. Ik kom ze nog weleens tegen, in Bennekom, (op Facebook of waar dan ook). Ik vind het fijn dat ze mij nog willen kennen. Ik ken die mannen nog steeds, natuurlijk. Ik groet ze, praat met ze en denk: wat fijn dat ik jullie heb gekend en dat ik jullie nog ken. Vandaar dat ik de altijd lieve en zwijgzame Bas in ere houd.

Van anderen de schuld geven leer ik helemaal niets

25 jan
Sakyong Mipham

Gisteravond bezocht ik weer een meditatiesessie op mijn boeddhistisch centrum. Ik was in de war na een meningsverschil thuis over wat ik doe en nalaat als leerling-boeddhist. Het Edele Achtvoudige Pad (de leefregels waaraan een boeddhist zich zou moeten houden om verlicht te raken) was ter sprake gekomen, zoals het onthouden van het spreken van lasterende taal (over anderen). De verwijten kwamen hard aan: ik voelde mij gekwetst en afgewezen

Op het meditatiekussen draaide mijn verwarde geest door. Het lukte mij geen greep te krijgen op wat mij had geraakt en verward. Mogelijk hoopte en verwachtte ik te veel van mijn meditatie. De kwetsing en verwarring bleef maar doordraaien. Verwarring omdat ik juist die dag het hoofdstuk ‘Niets de schuld geven’ in Meester over je eigen leven van Sakyong Mipham had gelezen.

Wat deed ik dan fout? Wat deed zij fout? Na afloop van de meditatie ontspon zich een gesprek met andere deelnemers; er waren twee gasten, een voormalig student van Varamitra (Boeddhistisch Centrum Haaglanden, BCH) en een voormalig student van Thich Nhat Hanh (Leven in Aandacht). Ik merkte dat ik enkele keren een opmerking maakte die werd hersteld door een ander, of zelfs gecorrigeerd. Een van de gesprekspartners zei dat wij allemaal elkaars leraren waren. Waar je door geraakt, gekwetst of verward raakte, zou jou ter lering kunnen dienen. Zo begreep ik weer eens. En ik dacht vervolgens aan ‘niets of niemand de schuld geven’.

Daarmee keerde ik terug naar huis; met de bedoeling mij inschikkelijk, vreedzaam én verdraagzaam op te stellen. Het was gewoon hoop op een herstel van de relationele verwarring en onmin. Mijn goede bedoelingen waren niet nodig. We vonden elkaar, zonder een woord van excuses te zeggen. Dat voelde fijn. Mogelijk door wederzijds begrip.

Thich Nath Hanh

Waarschijnlijk ben ik bang iets fout te doen of te zeggen. Bang voor straf, bang voor een verwijt dan wel een kwetsing. Dat leerde ik dit keer van de voor mij ongemakkelijke confrontaties. Zoals ik ook dankbaar ben voor de opmerkingen en de houdingen van de deelnemers na afloop van de meditatie. Mij werd niets kwalijk genomen, ik werd niet bestraffend toegesproken en hoefde mij van niemand te verontschuldigen. Ik had iets gezegd en gedaan wat op dat moment was gebeurd. Dat was ik, zoals ik mij voelde en deed. Niets meer en niets minder. Dat kan. Volgens welke boeddhistische stroming dan ook.

Zo leerde ik vriendelijker voor mijzelf te zijn en de mening en visie van anderen een plaats te geven. Een meningsverschil kan leiden tot vijandigheid, van de schuld zoeken bij een ander leer ik helemaal niets. Ik zoek liever de aanleiding tot mijn verwarring in mijzelf. Dat kan pijnlijk zijn maar ook verhelderend.

Meditatie en studie (vooral het lezen van boeken van en over boeddhistische leringen) helpen mij op weg. Zulke ervaringen als gisteren zijn er om te leren, zo heb ik begrepen. Ik ben niet perfect, mijn leraren en dierbare personen evenmin. Niemand is perfect. We kunnen van elkaar leren zodra wij ervoor open staan. Verwarring kan leiden tot duidelijkheid, zoals angst tot lafheid. Eerlijk proberen te zijn, weten waarom je iets doet of zegt, leidt mogelijk tot meer begrip. Een ander is een ander, zijn of haar drijfveren zijn anders dan de mijne. Ik probeer er rekening mee te houden, zeker na verwarrende ervaringen.

Fijn was het om weer eens een bezoek te kunnen brengen aan mijn boeddhistisch centrum. Met elkaar mediteren en met elkaar over onze kennis, gevoelens en beleving te kunnen praten. Ik heb het idee dat ik bijna niet zonder kan.  

De auteur is bestuurslid van Shambhala Leiden.

Deze column is onlangs verschenen op de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Uiteindelijk komt het allemaal best goed, Willem

9 jan

Dit stuk schreef ik vier jaar geleden

Beste Willem,

Er ging een golf van herkenning door mij heen toen ik op Facebook las dat jij je oude maatje André Gieling had gesproken over jouw probleem met je prostaat. Jij en André deden er nogal luchtig over. Want ja, het komt bij veel mannen boven de vijftig, zestig en zeventig voor. Ik las over de 35 dagelijkse bestralingen die jou te wachten stonden, de mogelijke noodzaak van een hormoonkuur en dat het allemaal wel goed zou komen. Ik las het verhaal en dacht: hij dus ook – net als ik.

Kort daarop besloot je het verhaal over je ziekte zelf openbaar te maken. Eerst in het Algemeen Dagblad, waarin jouw veel gelezen column altijd staat. Zodat niemand meer iets hoefde te vragen. Toch?

Tjonge, Willem van Hanegem dus ook. Waarom ook niet? Jij bent een man van gevorderde leeftijd (73) en behoort tot de risicogroep. Die ziekte heeft niets met je levenswandel te maken, zoals veel topsport bedrijven of dat je een paar sigaretjes te veel hebt opgestoken. Of dat je te veel hebt geneukt. Of dat je vroeger met afgezakte kousen voetbalde. Er zijn veel mensen die denken dat je kanker krijgt omdat je ‘verkeerd’ (niet gezond) geleefd hebt. Dat kan best zijn, maar mij is door waarschijnlijk dezelfde urologen of oncologen die jij in het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis in Amsterdam hebt gesproken, te verstaan gegeven dat het doorgaans met pech te maken heeft.

Ik (69) interviewde vorig jaar een Nederlandse oncoloog, Manon Huizing, die in Antwerpen succesvol werk verricht (en vooral goed is in psychische nazorg), en ook zij zei al: ‘Pech!’ Driekwart jaar later bleek ze zelf borstkanker te hebben. Ze liet meteen beide borsten verwijderen. Lees haar indrukwekkende boek ‘Passie voor de patiënt, werken met kanker’ (Willems Uitgevers). Bij mij werd rond die tijd een kwaadaardige kankercel in mijn prostaat gevonden.

Aanleg, genen, ouderdom, stress, milieuvervuiling – het zal wel. Doe het er maar mee, Willem, net als ik en al die andere oudere mannen die ik het afgelopen half jaar zag lopen en liggen in het ziekenhuis.

Gewoon even je PSA laten meten als je boven de 50 bent en je weet waar je aan toe bent. Veel mannen laten het niet doen. Waarom? Angst, niet willen weten? (Of omdat de huisarts het nog niet nodig vindt). Tja, en dan kun je te laat zijn. Ik heb het wel laten doen en jij dus ook. Bij een verhoging extra controleren of een scan cq echo laten maken. En dan zoeken naar de juiste vorm van genezing. Ik stond voor de keus: zeven weken elke dag een korte bestraling eventueel met een hormoonkuur van een half jaar of maar meteen de hele prostaat weghalen. Ik wilde geen hormoonkuur, ik ben geen wielrenner of Lionel Messi. Dan maar een hoge stem….. Ik koos voor het laatste, geen dagelijkse bestraling, geen hormoonkuur. Dan zou ik binnen een dag of drie thuis zijn en rustig van de ingreep kunnen herstellen.

Ik schrok in eerste instantie. Jij geloof ik niet. Schijnbaar ben je wat nuchterder, gewoon omdat je zo bent (?) en vooral als voetballer wel meer grote oorlogen hebt uitgevochten. Zo kende ik je ook als voetballer: hard als het moest, niet bang voor een paar schoppen of klappen. En schoppen en klappen heb je veel gehad, heb ik vaak gezien. En je kon ook uitdelen, want dat hoorde erbij. Je was geen heilige, hoe goed (soms geniaal) je ook kon voetballen. De Kromme was een bikkel. Die kon wel tegen een stootje, die was supergezond, kanker zou hij nooit krijgen. Of misschien longkanker zoals Johan Cruijff, ook een heilige met menselijke eigenschappen. Zoals zoveel helden van toen.

Ik geloof zeker dat jij van die kanker geneest. Ik ben er ook van genezen, al heb ik een andere weg gekozen, die van de totale verwijdering van mijn prostaat. Dat vonden de specialisten raadzaam omdat het kankercelletje op een gevaarlijke plaats zat en er uitzaaiing dreigde. De operatie verliep naar wens, maar wat daarna gebeurde was verschrikkelijk. Bloed- en urinelekkages, helse pijn in mijn nieren, rug, buik en onderlichaam. Dat hadden de urologen nog nooit meegemaakt. Ik bleef twee maanden in het ziekenhuis en mocht uiteindelijk met zes slangen in mijn buik plus een katheter naar huis. Vaak dacht ik: had ik maar voor de bestralingen gekozen. Maar nu is het toch bijna over en hoogstwaarschijnlijk voorbij. Het laatste bloedonderzoek was positief – geruststellend dus. Nou ja….

De media zullen jouw proces wel volgen. Voordat je het weet staat er straks een fotograaf voor de ingang van het Antoni van Leeuwenhoek om jou te vereeuwigen met een stralende glimlach of met een gezicht waarop geen emotie valt af te lezen. Zo, even een elleboogje geïncasseerd: wie doet mij wat?! Wat er dan ontbreekt is dat sigaretje dat je vroeger zo gauw opstak. Ik herinner me nog een uitspraak van jou over het vak sportpsychologie tijdens je opleiding tot trainer betaald voetbal: ‘Het enige wat ik ervan opgestoken heb is een sigaret….’

Laat je niet gek maken, Willem. Luister naar je lichaam en trek aan de bel wanneer het genezingsproces niet snel genoeg en naar wens verloopt. Of klaag bij je vrouw. Zij helpen je wel, iedereen in dat ziekenhuis. Dat heb ik tenminste ervaren. Als mijn vrouw zei ‘wacht nou even met hulp vragen’, dan stond ik al naast mijn bed te schreeuwen – angsthaas als ik ben. Dat moet jij ook doen, Willem, gewoon zeggen dat het je niet bevalt en zeker dat je je zorgen maakt. Die mensen helpen je graag. En zeker niet alleen omdat je Willem van Hanegem heet. Kom op zeg. Die mensen die mij geholpen hebben – en ik heb ze uitgescholden als ik ’s nachts geen slaappil meer kreeg – verdienen bewondering. Ze zijn goed in hulp omdat ze graag mensen helpen. En niet omdat ze er zoveel geld aan verdienen.

Straks, als de bestralingen achter de rug zijn en je mogelijk nog een hormoonkuurtje krijgt (ik zou het maar doen als ik jou was), zeg jij eerlijk (zoals ik je denk te kennen) dat het weleens spannend was. En dat je emotioneel werd als mensen met je meeleefden. Gewoon: de voortdurende vraag of het allemaal goed komt. Ja, dat zeiden ze ook tegen mij als ik weer eens lag te lijden: ‘Uiteindelijk komt het allemaal goed.’ En dan keek ik sceptisch in de mooie ogen van die mooie jonge vrouw (dat was toch mooi meegenomen) die mij had geopereerd.

Het is net golfen. Dat hebben we ook gemeen, als zal jij vast en zeker een lagere handicap hebben – elke dag op de golfbaan? Als je vanaf de tee een prachtige, verre bal slaat ben je er nog niet. Op de green moet het gebeuren, dan moet die putt erin en gaat het altijd mis. Slag voor slag, Willem, bestraling na bestraling. Langzaam maar zeker, met geduld. En lopen ze voor de voeten, dan geef je ze toch een elleboogje, of ze nu Johan Neeskens heten of een van die nare Schotten van Celtic is in de Europa Cup-finale van 1970. Een hole-in-one is geluk, zoals prostaatkanker gewoon pech is.

Ik ben er gelukkig van af, althans dat zeggen de bloedonderzoeken. Mijn prostaat is er niet meer – ergens in een laboratorium waarschijnlijk. Erecties zullen niet meer voorkomen, of zelden – als God het nog wil. Willem, het komt uiteindelijk allemaal goed. Zoveel bestralingen (35 gedurende zeven weken) zijn er niet voor niets. Maak je niet druk, blijf die Utrechter van Velox, laat je niet omver kegelen en maak af en toe een diepe buiging voor de mensen die je willen helpen. Dat heeft mij geholpen. En dat helpt jou ook, dat weet ik zeker. Houd me op de hoogte – of niet. Sterkte!

Guus

PS Met dank aan het inspirerende advies van Raf Willems

https://www.thuisarts.nl/prostaatonderzoek/ik-wil-weten-of-onderzoek-naar-prostaatkanker-zinvol

https://keuzehulpen.thuisarts.nl/testen-op-prostaatkanker/wel-niet-testen-bij-100-man-is

https://keuzehulpen.thuisarts.nl/testen-op-prostaatkanker

Liever vriend met mijn medemens dan vijand

29 dec

 

Op het kruispunt is het als vanouds druk. Daarom geef ik mijn ogen de kost zodra ik een van de zebrapaden nader. Als ik veilig ben overgestoken zie ik aan de andere kant van de weg enig tumult. Een bejaarde vrouw is met haar fiets gevallen. Ik zie een scooter waarvan de berijdster zich over de ongelukkige vrouw ontfermt. Ik zie een vrouw uit haar auto stappen en dat zij haar auto zomaar op het kruispunt laat staan. Van afstand aanschouw ik het tafereel en beraad mij of ik moet helpen. Het gaat goed. Ik loop langzaam door. Met een glimlach.

Gelukkig is er hulp genoeg, bedenk ik mij. De vrouwen helpen de gevallen vrouw op de been en gaan vervolgens ieders huns weegs. Mensen die elkaar helpen, wat mooi!

Ik ben blij verrast en kan met blij gemoed op weg naar huis. Zo blij verrast ben ik dat ik mijn vreugde thuis wil delen. Dat doe ik dan ook. Mijn vrouw vindt hetgeen wat ik vertel ook verheugend. Inderdaad, dat zien wij niet vaak.

Ik zou kunnen wennen aan de boze gezichten van de mijns inziens egoïstische mensen die mij passeren of in de supermarkt met hun winkelwagentje tegen mij oplopen. Maar dat lukt nauwelijks.

Ik loop mij graag te ergeren, trek liefst ook een chagrijnig gezicht en zou mijn winkelwagentje ook als wapen willen gebruiken. Lekker boosaardig een ander in de weg zitten, als revanche op hun ogenschijnlijk vijandige gedrag: ‘Ik ben eerst, dit is mijn territorium, weg met jullie!’

Sinds ik het boekje ‘Boeddhisme in het dagelijks leven, op weg naar innerlijke vrede’ van Chöje Lama Yeshe Losal Rinpoche heb gelezen, probeer ik me geduldiger en vooral vriendelijker te gedragen. En dat lukt, hoeveel moeite het mij ook kost.

Lama Losal Rinpoche Yeshe, onder andere abt van het klooster en Tibetaans Kagyu centrum Samye Ling in Schotland, vertelt dat ik anderen niet moet proberen te veranderen maar dat ik alleen door van mijn kant geduld en vooral vriendelijkheid te tonen en uit te stralen boze mensen zou kunnen veranderen.

Hoewel ik graag anderen wil zeggen dat zij verkeerd bezig zijn, in de hoop dat zij dan mij op mijn wenken bedienen en lief en vriendelijk zijn, begrijp ik dat het juist aan mij (mijn gebrek aan ‘wijsheid’) ligt dat ik mij vaak zo stoor aan andermans gedrag. Mogelijk en hopelijk kan ik door mijn eigen gedrag (vooral geduld en vriendelijkheid) anderen op een idee kan brengen hetzelfde te doen. Bovendien kan ik herhalen (als een mantra) dat anderen niet zo negatief zijn als ze zich voordoen.

Regelmatig mediteren kan daarbij helpen, vertelt de Lama. Al lezende raakte ik overtuigd van zijn adviezen, die zowaar ook waarschuwingen behelzen als ‘mocht het je niet lukken, probeer dan de gevreesde mensen te mijden’.

Dat laatste is moeilijk, juist omdat de wereld steeds drukker wordt en de massa steeds groter – dus ook het ongeduld, de haast en het gebrek aan begrip voor elkaar. Ik ervaar de onvermijdelijke toename van de drukte en de bevolking als lastiger om mee om te gaan. Zeker nu iedereen voelt dat het leven en de levensmiddelen uit zijn handen wordt gerukt. De begeerte lijkt eerder toe dan af te nemen. ‘Ik wil dit, ik wil dat, ik moet gelukkig zijn, dus moet ik zoveel mogelijk geluk kópen – wat het ook is.’

Dat materie ofwel hebbedingetjes zoethoudertjes zijn, dringt nauwelijks door tot de samenleving. Minder willen hebben dan wel bezitten is een proces van gewenning. Daarom mediteer ik vaak, in de hoop te ervaren wat schaarste met mensen doet.

Mogelijk werd ik daardoor ook emotioneel toen ik zag dat er mensen waren die een gevallen vrouw overeind hielpen. Waarom niet mensen helpen als zij in de supermarkt om wat voor reden dan ook niet snel genoeg hun levensbehoeften kunnen grijpen? Ik voel waarom mensen gehaast zijn. Zij willen nu eenmaal krijgen waar zij behoefte aan hebben. ‘Laat ze’, denk ik dan, ‘gaat u gang. Ik heb de tijd’. En wanneer ik te laat kom, ben ik te laat. Ruzie maken is dan overbodig. Liever vriend met de medemens dan vijand. Liever lachen dan boos worden.

De auteur is bestuurslid van Shambhala Leiden. Hij was ruim 35 jaar (sport)journalist, eerst voor De Volkskrant, vervolgens voor NRC Handelsblad en is sinds 2011 met pensioen.

Deze column is gepubliceerd op de wintereditie van http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Zoveel behoefte aan liefde kan een mens hebben

2 okt

Soms zou ik wel naar mijn moeder willen kruipen om in haar armen te gaan liggen – als ze me nog kon ontvangen. Troost willen krijgen zonder dat haar te hoeven vragen. ‘Streel mij, zoen mij, zeg mij dat ik de liefste van de wereld ben en dat je mij altijd en overal zult steunen en beschermen. Gewoon als iemand die mij onvoorwaardelijk liefheeft, mij beschermt, mij nooit afvalt, nooit tegenspreekt of bekritiseert.’

Zoveel behoefte aan liefde kan een mens hebben. Dat hij zich nooit alleen voelt in deze ogenschijnlijk vijandiger wordende wereld. Niet bang hoeven te zijn voor anderen die jou kwaad aankijken of jou negeren alsof jij niet bestaat. Anderen die zich van jou afwenden omdat zij zelf niet gezien willen worden, in zichzelf gekeerd, worstelend met hun eigen zorgen. Zorgen om hun eigen conflicten, die van hun kinderen, hun broers en zussen, hun partner, hun angsten, gezondheid en de wereld om hen heen of ver weg in een andere wereld waar het naar verluid gebruikelijk is elkaar het leven zuur te maken.

Jarenlang heb ik gedacht dat mensen die boos keken of hun gezicht afwendden, iets tegen mij hadden. Ik was de boeman, de kwade genius, in mij school het kwaad. Mensen wilden niet in mijn nabijheid verkeren omdat ik boosaardig was en de wereld wilde vernietigen. Zo meende ik. Dan reageerde ik even vijandig en schold diep van binnen die anderen uit: wegwezen, jullie deugen niet, trouwens de hele wereld deugt niet.

Ik heb mijn houding naar anderen en de wereld willen veranderen. Mensen vrolijk benaderen, hen met een glimlach begroeten, naar hen te zwaaien, positief te zijn. Daar was ik zelf wel verheugd over, maar veel anderen bleven er stoïcijns onder of bleven mij negeren dan wel mij boos aankijken. Totdat ik besefte dat mijn vriendelijke toenadering niet tot het gewenste resultaat leidde. Mensen bleven vaak vijandig kijken: wat een rare idioot is dat nu weer om mij lachend te begroeten, alsof het zo leuk is om te leven!

Voortvloeiend uit mijn boeddhistische levenshouding, gevoed door veelvuldige meditaties, besef ik dat ik mij weinig moet aantrekken van wat anderen zeggen of doen. Laat zij in hun sop gaar koken, laat zij boos kijken, laat zij mij negeren. Ik kan hen niet echt helpen, zij moeten zichzelf redden. Ik kan hen alleen bemoedigen door vriendelijk te zijn, hen te accepteren zoals zij zijn en liefde te geven – onvoorwaardelijke liefde.

Ramses Shaffy

‘Laat me’, zong Ramses Shaffy. ‘Laat mij m’n gang maar gaan’. Dat lied lieten we horen op mijn moeders begrafenis. Bijna als een noodkreet, zo klonk het. Shaffy deed (waarschijnlijk) wat hij liefst deed: de liefde bedrijven, zich vol gieten met alcohol, zingen, bidden, lachen, werken, huilen en bewonderen; gewoon wat hij zelf wilde, niet gestoord door wat anderen van hem verlangden. Is dat niet wat wij ook willen? Vriendelijk begroet worden, onvoorwaardelijke liefde krijgen van wie dan ook, aandacht krijgen voor wie werkelijk zijn. Dat we bestaan met al onze sores en eigenaardigheden – zoals we zijn, er uit zien en doen.

Het is moeilijk aardig zijn tegen iedereen; anderen proberen te accepteren, zoals ik mij zelf probeer te accepteren. Mijn boeddhistische leraar adviseerde mij me niet door anderen te laten beïnvloeden; niet door hun benadering, niet door hun oogopslag, de toon van hun stem – of wat dan ook. ‘Wees je zelf, red je zelf, je moeder zal je niet redden, je moet het allemaal zelf doen. Kijk naar jezelf: wees vriendelijk voor jezelf, wees vriendelijk voor anderen en je zult zien dat je tevreden wordt. Liefde’, zo zei hij, ‘komt uit je zelf, niet uit anderen. Jij bent de liefde!’

Alsof ik de Boeddha zelf ben. Maar, wie weet? Een boeddhanatuur moet ik toch wel hebben. Net als iedereen.

Deze column is gepubliceerd in het herfstnummer van de website http://www.Vriendenvanboeddhisme.nl

Guus van Holland is bestuurslid van Shambhala Leiden. Hij was ruim 35 jaar (sport)journalist, eerst sinds 1976 voor De Volkskrant, vervolgens sinds 1988 voor NRC Handelsblad en is vanaf 2011 met pensioen.

Zonder voetbal biedt het leven kennelijk veel te weinig

9 jun

Het feest is al begonnen. Ze konden niet wachten. Al zo lang in quarantaine, het werd weer eens tijd voor een feestje. Maakt niet uit waarvoor, als de vlag maar uit kan, de hoedjes weer op kunnen, de juichcapes weer om de schouders kunnen en de polonaise met de Snollebollekes kan beginnen. Oranje, er is maar één kleur die vanaf nu bestaat. Wel of niet zonder vaccinatieprik, er gaat gefeest worden.

Of Oranje nu presteert of niet, de gedwongen rustpauze als gevolg van dat zogenaamde virus heeft lang genoeg geduurd. De mondkapjes kunnen weg, er kan weer omhelsd worden en zelfs gezoend. Wat anderhalve meter? Wat een maximaal aantal personen in de huiskamer? Wat niet in het stadion om te juichen en de polonaise te lopen?

We doen het thuis wel, want Jumbo doet met ons mee, samen met ons nationale troetelkind Frank Lammers. Sterker nog: zij van Jumbo maken ons enthousiast. Niet alleen om ons met z’n allen in Oranje te hullen, maar ook om zoveel mogelijk bij de winkels van de familie Van Eerd inkopen te doen. ‘Wie wil meeleven, moet daarvoor betalen. Dat is toch normaal!’, is de argumentatie.

Voetbal heeft het even zonder competitie – en nog erger zonder publiek – moeten doen, maar meer moeten we niet van ons geliefde spelletje eisen. Zonder voetbal kunnen we niet leven.

Het is zoals Bill Shankly, een nogal succesvol manager van FC Liverpool in de jaren zeventig van de vorige eeuw, zei:

‘Some people say that football is a matter of life and death. I assure you it is more serious than that’. 

De vertaling lijkt me overbodig: voetbal beheerst ons leven.

Ongeveer van gelijke strekking was het bericht dat ik las over de reden waarom Brazilië de Copa América (het EK van Zuid-Amerika) heeft overgenomen van Colombia. Dat laatste land weigerde de organisatie van het toernooi wegens de gespannen politieke situatie. Vervolgens stond de regering van Argentinië de organisatie niet toe omdat het coronavirus niet onder controle bleek. Brazilië hapte toe, onder leiding van president Bolsonaro (eerst een corona-ontkenner, toen zelfs zelf besmet met corona). Brood en Spelen, dat dus. Voetbal is het zuurstof voor al die mensen die onder corona lijden – en dat zijn er heel veel in dat land.

Voetbal staat niet alleen boven de wet. Voetbal kan mensen redden, mensen die in ademnood verkeren, mensen die de dood in de ogen hebben gekeken, mensen die niets anders in hun leven hebben dan gebrek aan levenslust, verlies van zin in leven, saaiheid, honger en armoede. Voetbal lijkt alles te bieden wat een mens in zijn leven denkt te missen.

Hoe slecht en saai een voetbalwedstrijd ook is, zonder de spanning of er verloren of gewonnen wordt, kan een mens schijnbaar niet leven. Lees de (opportunistische) reacties op de sociale media er op na en u ziet wat voetbal met mensen doet. Zodra een wedstrijd of vooral een resultaat niet aan de verlangens voldoet, vliegen de oordelen en scheldkanonnades je om de oren op Facebook en Twitter.

Van afstand volg ik de reacties op de verrichtingen van Oranje. Ik voel me niet (meer) betrokken bij prestaties en wanprestaties van welk team, welke spelers en trainers dan ook. Ik sla de kranten er niet meer op na. Ik weet het al: de verslaggevers doen mee en laten hun emoties de vrije loop. Zelfs oefenwedstrijden (oefenen is dat toch?) worden beschreven als zijnde belangrijke wedstrijden, met daaraan verbonden de conclusies. Zoals de lezer dat graag leest.

Geen enkele verslaggever, geen enkel medium (krant, radio en televisie) neemt afstand of slaat het evenement over. Waarom niet een kort stukje als: ‘Het Nederlands elftal heeft gisteren een oefenwedstrijd gespeeld tegen die en die. De bondscoach experimenteerde met een systeem, aanvallend of verdedigend en wisselde daarom die en die’. Nee, zelfs de meest doorgewinterde verslaggever of analist ‘gaat los’. En zo wordt de lezer op zijn wenken (emoties) bediend.

Stel dat een medium de oefenwedstrijd afdoet met een kort bericht, dan wordt het medium niet meer serieus genomen. Kijkcijfers en abonnees doen er immers het meest toe. Er moet gescoord worden. Een wedstrijd overslaan kost abonnees en kijkcijfers, Jumbo veel klanten en Frank Lammers inkomsten.

Ik heb de werkelijkheid nooit willen zien. Ik zie nu wat er gebeurt wanneer en waarom mensen sport nodig hebben. Ik trek me terug na 35 jaar topsport gevolgd te hebben (en dus heb ik ook meegedaan aan de marketing van sport). Mij zal het worst zijn wat ‘onze’ Oranje-jongens presteren. Ik voel nog wel met ze mee. Ze staan onder grote druk. Ze moeten als mens presteren, anders wordt hen verweten niet te voldoen aan wat de cliënt (de kijker, de lezer, de sponsor, de bond, de overheid) verlangt.

Ik volg het op afstand, probeer van andere dingen te genieten zoals de werkelijke zin van mijn leven. Mediteren, me in mijzelf keren en in me laten opkomen waarom ik dit entertainment met zoveel enthousiasme als journalist heb uitgedragen. Sport voedt mijn zucht naar spanning (als een thrill seeker), maar ik wil er vanaf. En ik leer door meditatie, boeddhisme en de zoektocht naar mijn échte zelf dat sport niet meer dan afleiding is. Ik ben jarenlang afgeleid, ik heb de werkelijkheid nooit willen zien. Ik zie nu wat er gebeurt wanneer en waarom mensen sport nodig hebben. 

Jumbo, de marketeers en de sportbonden zullen dat vast begrijpen. Ze leven ervan. Ik niet meer.

Dit artikel is gepubliceerd op http://www.Sportknowhowxl.nl

Guus van Holland (1948) is een vooraanstaande (gepensioneerde) Nederlandse sportjournalist. Hij werkte tientallen jaren voor de Volkskrant (van 1976 tot 1988) en NRC Handelsblad (van 1988 tot 2011), voor deze laatste krant ook als chef-sport (van 2000 tot 2005). Hij versloeg vele malen de Tour de France, alle wielerklassiekers, het WK voetbal, tien Champions-Leaguefinales en verschillende Winterspelen, en schreef over diverse sporten alsmede over doping, sportpsychologie en andere sportwetenschappelijke onderwerpen. Op GuusvanHolland.com publiceert hij zijn ‘columns over het leven, van sport tot boeddhisme en andersom’.

Genieten van de intense vreugde van een ander

23 mei

Als ik mijn buurjongetje van vijf jaar hoor huilen en zie stampvoeten, herinnert mij dat aan vroeger, toen ik zelf een kind was. Meermalen ben ik geïrriteerd geraakt door dat rood aanlopende buurjongetje en riep dan: ‘Kan dat kind zijn bek niet houden? Ik word gek van dat geschreeuw.’ ‘Slechte opvoeding’ en meer vooroordelen, maakten zich van mij meester.

Langzaam maar zeker begint het mij te dagen. Zijn gedrag deed mij denken aan mijn vroege jeugd. Of zelfs aan mijn eigen, weliswaar vaak op mijn leeftijd steeds minder opspelende, furieuze opwinding. Stampvoeten kan ik nog steeds goed, huilen gaat mij steeds minder goed af. Als ik mijn zin niet krijg – of ik er nu recht op heb of niet. Herkennen doe ik dat gedrag ook soms bij anderen. Ze stampvoeten niet, maar ze worden boos en gaan schreeuwen.

Waar is mijn moeder die zegt: ‘Krijg je je zin weer niet, jongen?’ Dan wel: ‘Als je door blijft zeuren en boos blijft, stuur ik je naar bed. Want ik denk dat je moe bent. Kom, ik breng je wel naar bed’, of iets dergelijks. Zoals een moeder dat kan zeggen tegen haar kind. Maar dat zegt je vrouw of je man natuurlijk niet tegen jou als volwassene. Sterker: ik vrees dat de ware betekenis van mijn boosheid of ingehouden stampvoeten nauwelijks tot haar doordringt. Je bent gewoon boos en onuitstaanbaar. ‘Ga weg, flikker op of houd je mond.’ Dat is min of meer wat je terugkrijgt, toch?

Liefst had ik dat mijn partner me in de armen nam, zoals mijn moeder dat soms placht te doen. ‘Kom maar hier, lieverd. Het gaat niet zoals je wilt, hè? Vervelend voor je, jongetje. Maar het kan nu eenmaal niet. Het is gevaarlijk. Bovendien kun je niet alles willen, hoeveel ik ook van je houd. Kom, dan krijg je een kus. Huil maar lekker door, jochie.’ Heerlijk, toch?

Ik begrijp dat buurjongetje steeds beter. Misschien komt hij aandacht te kort, misschien heeft hij er last van dat zijn oudere broertje ook of mogelijk méér aandacht krijgt. Of zijn ouders dat zouden begrijpen, weet ik niet. Het is maar mijn interpretatie, mijn invulling, gevoed door mijn herinnering. Misschien heeft hij last van iets anders, iets lichamelijks of geestelijks. Je weet nooit waarom kinderen (of gewoon: mensen) in een bepaalde stemming raken. Wisten we dat maar.

Een uur later (terug van de winkel) zie ik datzelfde buurjongetje na zijn huil- en zeurpartij op de stoep met water en zand knoeien. Blubber dus. Hij ziet er nogal besmeurd uit en wrijft nog eens door het zand en het vele water dat zijn moeder heeft gespoten om de tuinstoelen schoon te maken. In het voorbijgaan neem ik me voor niets negatiefs te zeggen over zijn geknoei. Ik volsta met: ‘Wat een mooi kasteel heb jij gemaakt, en er ligt zelfs een gracht met water omheen!’ Hij straalt, ik zie het aan hem. Zijn broertje zegt nog: ‘Ik ook. Kijk!’ Ik kijk om en lach hem toe. Hij moet (wil) ook een compliment krijgen.

Tevreden loop ik door. Ik hoor het eerste kind tegen zijn moeder schreeuwen: ‘De buurman vindt het mooi wat ik heb gemaakt.’ Moeder antwoordt: ‘Ja, leuk hè? Je mag nog tien minuten spelen, dan gaan we eten. En dan lekker naar bed.’ ‘Is goed, mamma.’

Wat een genot!

Ik heb deze middag twee dingen geleerd. De ‘boeddhistische’ theorie die mij zegt dat je niet kunt weten wat een ander bezielt om zich op een bepaalde manier te gedragen, zag ik in de praktijk gebracht. Aangevuld met mijn positieve benadering ten aanzien van een ander (dat buurjongetje). Ik bestrafte hem niet, ik bezorgde hem geen schuldgevoel, hoewel ik wel zijn (te) ijverig met water alles schoonspuitende moeder had willen veroordelen. Ik probeerde hem te tonen dat ik genoot van zijn intense vreugde om met zand en water te knoeien.

Het buurjongetje heb ik ’s avonds niet horen huilen en zeuren, laat staan stampvoeten. Hopelijk omdat hij nagenoot van mijn positieve oordeel en daarom zonder tegenzin zijn bordje heeft leeggegeten en rustig is gaan slapen. Wat zal hij dan lekker hebben geslapen! Nou ja, dat neem ik maar al te graag aan…

Zeker weten wat er in zijn hoofd en dat van anderen omgaat, zal ik nauwelijks of eigenlijk nooit kunnen begrijpen. Ik interpreteer of projecteer gewoon. Ik word gevoed door mijn herinnering en mijn zelfreflectie: wat zal ik doen als ik een ander in nood zie of hoor, waarmee kan ik helpen? Denken aan mijn eigen nood en mijn eigen verlangens. In alles lijken we op elkaar: dezelfde nood, dezelfde verlangens, soms ook dezelfde pijn. Houd van een ander zoals je houdt van jezelf. Is dat het?

Guus van Holland is bestuurslid van Shambhala Leiden. Hij was ruim 35 jaar (sport)journalist, eerst voor De Volkskrant, vervolgens voor NRC Handelsblad en is sinds 2011 met pensioen.

Deze column is gepubliceerd op de Lente-editie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

De hoofdprijs die eigenlijk niet voor mij bedoeld was

19 mrt
Claude Brasseur

Prognostieken heb ik geleerd te waarderen in de Tour de France van 1979, mijn eerste volledige Tour na een driedaagse in 1978 als leerschool. Er werd van mij als volger/journalist verwacht dat ik elke morgen een geel briefje invulde met daarop mijn voorspelling van de eerste vijf renners van de dagetappe. Dat briefje kon ik bemachtigen door ‘Piet Pernod’, een man met een pet en een sierlijke snor, aan te klampen dan wel een van zijn assistenten. Hoe Piet Pernod echt heette ben ik nooit te weten gekomen, gewoon een rijzige man die van de Tour-directie namens sponsor Pernod Ricard en Longines de pronostique mocht verzorgen.

De eerste keer dat ik meedeed, was het meteen raak. Ik had de uitslag (de eerste vijf) als enige bijna goed voorspeld (Gerrie Knetemann won de proloog in Fleurance, vóór de Noor Knut Knudsen) en mij viel aldus de eerste prijs ten deel. Een beroemde Franse (film)acteur, Claude Brasseur, overhandigde mij een fles Pernod en nog iets onbestemds. Dat was een paar dagen later in het casino van Pau. Zeker een reden voor mij om elke ochtend vóór het begin van de etappe een geel briefje bij Piet Pernod te halen en dat in te vullen.

Omdat ik zowat elke dag de uitslag bijna goed voorspelde bleef ik hoog ik het algemeen klassement staan, naast coryfeeën op dat gebied en oude getrouwe deelnemers én winnaars als Pierre Chany (eminent auteur voor organisatiekrant l’Equipe), Roger Bastide (van mede-organisator Le Parisien), Serge Lang (prominente verslaggever voor allerhande Zwitserse kranten), Walter Grimm (ook een Zwitser), Robert Janssens (Belgische verslaggever voor Het Laatste Nieuws), Jean Nelissen (Nederlandse verslaggever), Rino Negri en Dante Ronchi (Italianen), vooral bestuursleden van de internationale associatie van wielerjournalisten (AIJC) en andere oud-gedienden. Maar ook jonge, vooral Franse, verslaggevers. Kortom, als debutant wist ik gelijke tred te houden met gerenommeerde kenners en winnaars van de Pronostique Pernod/Longines. En dat klassement stond elke dag in een van de Franse organisatie-kranten. Hoe trots kon je je voelen!

Waar andere voorspellers al snel ten einde raad hun toevlucht zochten in dagprijzen, voelde ik langzaam aan dat ik winnaar van het klassement kon worden. Ik won tussendoor ook nog weleens een dagprijs, een vaantje of nota bene een fles Pernod dan wel een stevige handdruk van Piet Pernod.

Ik bleef boven in het klassement staan en dreigde in Parijs op het podium te komen, én met foto in een van de organiserende kranten, l’Equipe en Le Parisien.

Serge Lang

In Dijon, na een tijdrit op de voorlaatste dag, werd ik echt nerveus. Nederlandse collega’s verhoogden de druk op mij en meenden dat ik zowaar kansrijk was tegen de anciens die jaar in jaar uit de hoofdprijzen mochten verdelen. Ik holde op die late zaterdagmiddag, na de tijdrit, vanuit mijn persruimte (een pit op het autocircuit) en ging op zoek naar Piet Pernod. Onderweg liep ik de boomlange, forse gestalte van Serge Lang tegen het lijf en schreeuwde hem toe, wijzend naar het gele briefje in zijn hand: ‘Hé wat is dat, nu pas inleveren, de tijdrit is al afgelopen, te laat? Zo doe jij dat dus. Vuilspeler (in mijn beste Frans)’.

Lang reageerde verbouwereerd. Hij stond tweede achter mij (ik was de klassementsleider) en liet me spontaan zijn gele briefje zien. Het was zowaar het briefje met de voorspelling voor de laatste rit, met finish op de Champs Elysées. In een oogwenk zag ik zijn uitslag. Hij voorspelde dat zijn landgenoot en sprinter Gilbert Glaus zou winnen. Ik noteerde dezelfde uitslag als Lang. Dan kon hij tenminste niet beter scoren, dus van mij winnen. Ik leverde mijn briefje in, wetende dat ik dezelfde uitslag als Lang voorspelde. Geen vuiltje aan de lucht, toch?

Bernard Hinault won de etappe, omdat hij medevluchter Joop Zoetemelk in een sprint á deux versloeg – het circus was compleet. Op grote afstand won Didi Thurau de sprint van het peloton. Glaus en de andere door Lang en mij voorspelde sprinters waren nergens te bekennen. Kortom, ik werd dus ‘gewoon’ winnaar van het klassement Pernod/Longines.

Onder aanvoering van mijn beste supporters Jean Nelissen (sigaar in zijn mond) en een andere Nederlandse collega liepen wij naar Piet Pernod om mijn hoofdprijs af te halen. Piet schudde zijn hoofd en zei dat er eerst nog zorgvuldig moest worden gerekend en dat hij rekening moest houden met eventuele protesten, van wie dan ook.

Een paar uur na de finish kwam Piet de perszaal (een tent op de Champs Elysées) binnen. De enige journalisten die er nog zaten waren Nederlanders en een enkele buitenlander die wel wat anders te doen had dan naar Piet Pernod te luisteren

Maar goed. Piet maakte bekend dat ik (monsieur Guus van Holland) in het algemeen klassement als eerste was geëindigd. En monsieur Serge Lang als tweede. Onder luid applaus van het vijftal nog aanwezige Nederlandse journalisten overhandigde Piet mij de hoofdprijzen: een fles Pernod, een ‘gouden’ horloge van Longines en vier Louis d’Ors. Ik hield de prijzen omhoog en dat werd met een bijzondere ‘bravóó’ van onder meer Jean Nelissen en Mart Smeets begroet. “Wij Nederlanders’ hadden gewonnen van de Franse anciens.

Ik droeg het (dure) horloge met trots. Na enige maanden stond hij stil. Nieuwe batterijtjes kregen geen plaats omdat het horloge niet meer was open te krijgen. Ik heb hem nog wel, evenals de gouden munten die volgens een verzamelaar in totaal nog geen honderd euro waard zijn. De fles is ooit leeggedronken. We hebben toen een toost uitgebracht op Piet Pernod en de Tour de France die ik nog vijftien keer zou volgen zonder dat begeerlijke gele briefje.

Doe waar je bang voor bent

19 jan

Angst is een slechte raadgever. Dat weet iedereen zo langzamerhand wel. Sterker: ik ben het steeds meer gaan ervaren. Dan was ik weer eens ondergedoken, had ik mijn handen voor mijn gezicht geslagen, wilde ik mezelf onzichtbaar maken, gebruikte ik drugs en alcohol, deed ik fanatiek aan sport, keek ik veel naar televisie en films, las ik me suf aan boeken en kranten, dompelde ik me onder in muziek dan wel songteksten – zo benevelde ik mezelf of zocht ik afleiding. Entertainment, zo omschreef de Engelse boeddhistische leraar het tijdens mijn stilteretraite in Frankrijk. Zo onttrok ik me aan de (harde) werkelijkheid. Dat wordt ook wel vermijdingsgedrag genoemd.

Of me dat wat wezenlijks heeft opgeleverd? Ja, toch wel, ik was er even niet voor de buitenwereld. Ik hoefde me niet openlijk te schamen, niet te tonen dat ik bang was om af te gaan en minder sterk was dan anderen mogelijk dachten.

Want, mensen, zie toch hoe sterk ik ben!

Maar zo sterk ben ik helemaal niet. Ik ben eigenlijk zo bang als een wezel. Bijna gedurende mijn hele leven heb ik me echter kunnen vermannen. Met de borst vooruit trad ik ogenschijnlijk onbevreesd de wereld met al z’n mogelijke vijanden tegemoet. Vaak brutaal en overmoedig, alsof mij niets kon gebeuren, als een puber wiens prefrontale cortex nog niet voldoende is ontwikkeld.

Dat hielp vaak. Mensen deinsden achteruit, kropen in hun schulp of gaven zelfs zomaar hun ziel aan mij bloot.

In werkelijkheid trilde ik diep van binnen, en probeerde ik met een glimlach en alle vriendelijkheid die ik kon tonen de ander mild te stemmen om zo zijn of haar zachte kant te kunnen raken. Opgelucht was ik als de gedurfde ontmoeting achter de rug was, blij was ik dat ik toch maar het hart van die ander had kunnen laten smelten.

Dat moet heel veel energie hebben gekost. Niet mezelf te durven zijn, niet mijn angst en nervositeit tonen.

Totdat ik na veel meditaties en therapeutische gesprekken ontdekte dat ik in werkelijkheid juist heel bang was geweest en in wezen nog ben. Ik ben bang, niet zomaar bang maar vaak doodsbang.

Om mezelf te zijn. Wie dat ook is. Nou, eigenlijk dat kleine jongetje dat trillend als een rietje een grote mond opzet en zich sterker voordoet dan hij is.

Ik mocht van jongs af aan mezelf niet zijn, me niet laten kennen, niet zwak zijn, niet huilen, gewoon niet mijn ware emoties tonen. Dat jongetje hoorde voor de duivel niet bang te zijn: hij kon alles, hij was een échte man.

Kurt Cobain

Onlangs kwam ik een tekst tegen van Kurt Cobain (rockzanger van Nirvana die in 1994 op 27-jarige leeftijd een einde aan zijn leven maakte). It’s better to be hated for what you are, than to be loved for what you’re not. Hij was een idool, een held, een rolmodel. Maar dat wilde hij niet of kon hij niet waarmaken. Hij was in werkelijkheid een stille, teruggetrokken jongen die kon uitschreeuwen wat hij ergens van vond, in zijn songteksten zijn hart liet spreken, maar in werkelijkheid allerminst een durfal was. Mogelijk werd zijn wezensvreemde gedrag nog (negatief) beïnvloed door zijn heroïneverslaving alsmede zijn ADHD-achtergrond én het feit dat zijn ouders scheidden toen hij pas negen jaar was.

Ik maakte kennis met het boek van Pema Chödrön: ‘Waar je bang voor bent’. Dat werd mijn leidraad, hoe moeilijk haar adviezen ook zijn waar te maken. Letterlijk schreef deze boeddhistische non dat te doen waar je bang voor bent juist de manier is om je angst te overwinnen. Pema laat zien hoe het leven, met al zijn tegenslagen, geleefd kan worden. Maar, dat vraagt wel veel moed en mededogen.

Pema Chödrön

Ik probeer me door haar adviezen te laten leiden. Als ik bang bent, probeer ik niet langer mijn gezicht af te wenden, duik ik niet onder, loop ik niet weg of zet ik een masker op waarop mijn grootst mogelijke vriendelijkheid staat geboetseerd of benevel ik me met alcohol en drugs dan wel andere vormen van entertainment.

Ik ga trillend van de zenuwen de confrontatie aan, kijk in de muil van de bedreigende, brullende leeuw en onderga wat mij overkomt. Dat ben ik écht.

Ik voel me er beter door. Zo toon ik ware moed. En zo te zien merkt de ander dat op. Bovendien blijkt de confrontatie lang niet zo erg als ik onder de deken vreesde. Ik leer zo mezelf te zijn. Het is de ontdekking van mijn ware zelf. Althans, ik ben op weg mijn ware zelf te ontdekken. Bang of niet. Dit ben ík.

De auteur is bestuurslid van Shambhala Leiden

Deze column is gepubliceerd op de wintereditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Maradona koopt in Saloniki een briljanten ring

26 nov

In september 1988 ging ik voor NRC Handelsblad naar Thessaloniki (Griekenland) voor de UEFA-Cupwedstrijd PAOK – Napoli. Bij PAOK was sinds kort Rinus Israel trainer, bij Napoli speelde Diego Maradona. Ik mocht Israel interviewen samen met Lex Muller van het AD, Leo Verheul van VI en VI-fotograaf (wijlen) Robert Collette. En natuurlijk kon ik dan Maradona zien spelen – misschien wel ontmoeten.

Ik had in Thessaloniki een kamer gereserveerd in het luxe hotel Makedonia Palace, aan het water, de Golf van Thessaloniki. Dat Napoli er met Italiaanse journalisten zou logeren, was me nog niet bekend. De wedstrijd zou op donderdag worden gespeeld.

Nadat ik mij op mijn kamer had geïnstalleerd, besloot ik met de lift naar beneden te gaan om een kijkje te nemen in de lounge waar waarschijnlijk wel een bar was en mogelijk enkele winkeltjes. Toen ik de lift uitstapte werd ik overweldigd door een enorme mensenmassa. Italianen, dat hoorde ik meteen. (Op woensdagavond hadden wij een afspraak met Israel, in het hotel waar PAOK verbleef.)

Ik was nog niet uitgestapt of achter mij ging een andere liftdeur op. De mensenmassa stortte zich onmiddellijk op het mannetje dat uit de lift kwam. ‘Diego, Diego, Diego’, riepen ze in koor. Hé, was dat niet Diego Maradona? Ja, dus.

Maradona glimlachte en wandelde in trainingspak als een kleine vorst door de volle lounge, fluisterde iets in het oor van een of andere medespeler in trainingspak en schuifelde met de borst vooruit naar een winkeltje in een hoek. Het was zo’n souvenirwinkeltje waar je ook héle dure sieraden en horloges kon kopen. Maradona liep naar binnen, sloot de deur achter zich en liet het peloton achtervolgers buiten staan.

Na een paar minuten zagen we (ik was nieuwsgierig aangesloten) Maradona met een winkeljuffrouw binnen bij de etalage staan en naar een paar ringen wijzen. De achtervolgers die het tafereel van buiten door het etalageraam aanschouwden, adviseerden de kleine ring te kopen, totdat hij een schitterende met diamanten versierde ring omhoog hield. Si, si, si, sei grande, riep het peloton in koor.

Maradona liet het kleinood inpakken in een doosje en met een strik versieren. Trots lachend, het doosje met strik omhooghoudend, wandelde hij vervolgens door de lounge. Achter hem zong het peloton dansend, springend en klappend met de handen ‘Ho visto Maradona, o mamamama, lo sai perché mi batte corazon, ho visto Maradona, o mamamama’. Maradona zweeg en lachte slechts. Schielijk schoot hij tenslotte de lift in.

Laat op de avond zag ik hem weer in levende lijve. Tegen een uur of tien was ik opgestegen naar het restaurant op de hoogste verdieping van mijn hotel voor zo’n heerlijke Griekse maaltijd plus (natuurlijk) Griekse wijn. Er was bijna niemand. Ik ging alleen aan een tafeltje zitten. In een hoek zat een gezelschap van een man of tien gezamenlijk te eten en luidkeels te praten. Een van de mannen zag mij alleen zitten en zwaaide naar me met de bedoeling mij aan hun tafel te krijgen.

Ik gehoorzaamde en voegde mij bij het gezelschap. De man maakte een stoel vrij en zette mij recht tegenover Diego Armando Maradona, nota bene! De man stelde ons aan elkaar voor, waarop ik opstond en Maradona een hand gaf. Maradona lachte, reikte mij zijn hand, zei iets en liep weg. De rest van het gezelschap riep hem nog na, maar Maradona was al verdwenen. Zonder te groeten.

Het werd nog gezellig en laat aan tafel, met al die Spaans sprekende mannen aan de Griekse wijn, ouzo en metaxa. De man naast me verontschuldigde zich voor de verdwijning van de VIP en zei iets van dat Maradona nog moest voetballen. Of ik dat wist én begreep?

De volgende avond begaf ik me naar het Toumba-stadion. Daar ontmoette ik ver voor de wedstrijd Lex Muller, Leo Verheul, Robert Collette en Rinus Israel (die geen Grieks sprak maar met steun van een Duits sprekende Griekse hulptrainer, de tactiek doornam). Op het veld was Maradona met zijn medespelers aan zijn show begonnen. In het al volle stadion (met bijna 30.000 toeschouwers een échte Griekse heksenketel) genoot het temperamentvolle volk van de trucjes van de Argentijn en de vele aanwezige Italianen zongen hem toe.

Maradona zwaaide – als een kind genietend van alle opgeëiste aandacht – naar de toeschouwers, terwijl hij de bal achteloos van zijn voet naar zijn dijbeen, zijn enkel, zijn wreef, zijn borst, zijn nek, zijn hoofd en zijn rug liet stuiten, zoals hij dat als 12-jarig jongetje al in de pauze van een wedstrijd van zijn club Argentinos Juniors voor een vol stadion had gedaan.

Onder luid applaus en euforisch gezang verliet Maradona vlak voor het begin van de wedstrijd zwaaiend het veld. De wedstrijd eindigde in 1-1. Na een prachtige pass van Maradona scoorde de Braziliaan Careca 0-1. Napoli plaatste zich door het gelijkspel dankzij de eerdere 2-0 zege in het San Paolo-stadion van Napels voor de volgende ronde. In mei van deze UEFA Cup-editie zou Napoli de bekerfinale van VfB Stuttgart winnen, dankzij doelpunten van Careca en Maradona.

Maradona liet zich na afloop van de wedstrijd niet meer zien. Hij en het achtervolgende peloton waren na de wedstrijd ook niet meer in het Makedonia Plaza te vinden. Ze waren rechtstreeks naar huis gevlogen. Maradona met zijn briljanten ring voor zijn toenmalige vrouw Claudia Villafane.

Zuchten van de ziel: Neil Young, Running Dry

25 nov

Dezer dagen vertoef ik in een min of meer grote stilte, midden in het Veluwse bos. Dichtbij waar ik geboren ben. Geen lawaaiig verkeer, geen drukke buren, geen zoemende snelwegen – alleen zoemende bijen en hommels, én tjilpende vogels. Om aan deze betrekkelijke stilte te wennen en mezelf nog meer tot rust en inzichten te brengen, ga ik halverwege de ochtend op een stoel zitten met mijn gezicht naar de zon en mediteer ik ongeveer twintig minuten.

Tussen de geluiden van de natuur hoor ik mijn ademhaling in mijn neusgaten op en neer gaan en voel ik als het ware de stilte door mijn lichaam stromen. Totdat een gong op mijn iPhone aankondigt dat ik mag stoppen. Zo mediteer je, heb ik in de loop der jaren begrepen.

Toen mij het verzoek van oud-collega wielerverslaggever Guido Bindels bereikte om mijn favoriete muziek door de jaren heen te onthullen, wist ik spontaan waaraan ik aandacht kon besteden. Ik herinnerde mij meteen een van de eerste elpees die ik kocht. Ik wist nog exact de platenwinkel, zo’n winkel met nog luistercabines, aan de Stadsbrink in Wageningen. De plaat werd op mijn verzoek achter de toonbank op een draaitafel gelegd waarna mij de juiste luistercabine werd gewezen. Daar zette ik dan de koptelefoon op en hoorde ik onverwachte geluiden: snerpende, vaak plukkende gitaren, een hoge stem, zelfs een viool – dat alles begeleid door uiterst trage rock, zeg maar een slome ritmesectie.

Ik had de plaat niet gekozen omdat hij mij was aanbevolen door een vriend of door een recensent in Oor, Muziek Express, Muziek Parade, Tuney Tunes of een of ander popmuziekblad. Het was de hoes die mij aansprak en ook wel een beetje de titel van de plaat, én de naam van de begeleidingsgroep. Een jonge man met lang sluik haar en een open hangende geruite houthakkersbloes stond met zijn linker hand tegen een boom geleund, aan zijn voeten zat een klein hondje met gespitste oren.

Ik wist bij God niet wat voor een muziek er op de plaat stond. Maar al vanaf het eerste nummer, Cinnamon Girl, was ik verkocht en wist ik dat ik ongeveer 20 gulden zou moeten neertellen aan meneer Pols van de platenwinkel. Ik beluisterde nog een paar nummers en werd steeds gekker op de muziek, de stem en de teksten, laat staan de gitaar en het trage gebonk van de ritmesectie.

Thuis draaide ik de plaat weer, en nog een keer. Weer, weer, steeds maar weer. Uiteindelijk kende ik alle teksten uit mijn hoofd en wist ik welke tonen en noten elkaar zouden opvolgen. Niemand kende die plaat, dit was mijn gouden plaat en zou het jarenlang blijven.

Maar nee hoor, er was nog een bekende die de plaat kende. In de kleedkamer van de voetbalclub hoorde ik Peter de Weijer, een voetbalmaatje wiens muzieksmaak ik wel een beetje kende, een nummer van dezelfde elpee onder de douche neuriën. Ik vroeg hem ernaar en hij antwoordde dat hij die plaat had geruild met zijn zwager die op zijn beurt wel eens de door Peter inmiddels grijs gedraaide Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band wilde horen. Was dit toeval? Allemaal in de ban van Neil Young?

Neil Young, ik had nog nooit van de man gehoord. Ik wist ook niet dat dit al zijn tweede elpee was en dat hij eerder in onder andere Buffalo Springfield had gespeeld en dat hij uit Canada kwam.

Van de ene plaat van Neil Percival Young kwam de andere. De teksten spraken mij aan, in welke stijl de nummers ook werden gezongen, welke gitaarspel hij ook liet horen. Zijn stem werd steeds hoger en nasaler – voor mijn vrouw was hij een janker.

Het was alsof Young mijn leven aanvoelde. Drugsgebruik, eenzaamheid, hoop, wanhoop, verlossing, meisjes. In tijden van liefdesverdriet kwam hij met teksten aan die op mijn emoties sloegen. Zo kon ik dankzij hem liefdesverdriet verwerken. Hij deed en voelde wat ik deed en voelde. Elke plaat en elke song weer.

Tot op de dag van vandaag draai ik (nu op CD of Spotify) al zijn platen. Laatst was ik weer (met mijn zoon Robin) op een concert van hem en speelde hij met een groepje jonge muzikanten in een andere, min of meer nieuwe stijl de oude nummers.

Ik wilde altijd alles van hem weten, zijn biografieën vrat ik, over zijn vrouwen, kinderen, scheidingen, afkomst, stichtingen en oproepen om staatslieden (met name Donald Trump) te boycotten wilde ik alles weten. Neil (hij had als kind diabetes en polio, en is sinds zijn twaalfde zoon van gescheiden ouders) is een paar jaar ouder dan ik en leeft en denkt tussen alle optredens en concerten door nog als een oude hippie – over vereenzelviging gesproken.

Laatst zag ik weer een aangrijpende documentaire over het leven van Crosby, Stills, Nash & Young, de legendarische groep waarin hij speelde, dan weer meedeed en dan er weer uitstapte – zo eigenzinnig is Neil altijd gebleven.

Op mijn meditatiestoel op het grasveldje in de zon herinnerde ik mij die aankoop van ruim 50 jaar geleden in Wageningen. Het was nu stil, op wat tjilpende vogels en ritselende bladeren na. Tegen een boom aan de rand van mijn tuintje zag in gedachten een man staan, aan zijn voeten een hondje met gespitste oortjes. Ik sprak tegen hem, de man die ik meende te zien vanuit mijn meditatieblik en zei tegen hem: ‘Everybody knows this in nowhere! Isn’t it?

De denkbeeldige man zei iets terug en ik meende hem te horen zeggen: Yeah, The losing end, Running Dry, Cinnamon Girl, Round & Round, Cowgirl in the Sand, Down by the River en vanzelfsprekend Everybody knows this is nowhere. Ik miste alleen het bonkende geluid van de mannen van zijn begeleidingsband Crazy Horse, van wie ik eens achterop mijn blauwe Volkswagen Kever (mijn eerste auto) een sticker van Ferrari (wist ik veel) had geplakt: crazy horse. Een steigerend paard, genoemd naar de Indiaanse krijgsleider van de Lakota, Tashunka Witko.

Crazy Horse, 1972

Dat de Crazy Horse zich in mijn verbeelding deze ochtend niet liet horen, was niet erg. Maar ik had toch wel hier in deze stilte van mijn bos graag en vooral de viool gehoord van Bobby Notkoff. Die kon ik er helaas niet bij bedenken. Running dry, zo mooi, zo gevoelig, zo ontroerend. Nooit heeft mij een nummer zo geraakt, alleen al door Bobby Notkoff. Met zang van Neil Young. Man, wat een weelde in het bos van Nowhere.

Dit verhaal is verschenen in de bundel Zuchten van de Ziel. Toen het coronavirus uitbrak ging oud-collega Guido Bindels met zijn meervoudig beperkte dochter Brigitte in quarantaine en begon hij Zuchten van de Ziel. Elke avond een muziekclip en een verhaal. Omdat de thuisisolatie maar voort bleef duren vroeg Bindels gastschrijvers. Meer dan 100 afleveringen maakten ze samen. Het leverde een bijzonder tijdsbeeld op, met zeer persoonlijke verhalen van bekende en onbekendere Nederlanders. In deze bundeling staan de beste, ontroerendste en herkenbaarste verhalen van bekende en onbekendere Nederlanders, die daarmee een inkijkje geven in hun gevoelslevens.

Op de bijbehorende website is de muziek zelf te horen en zijn de clips te zien: zuchtenvandeziel.nl

%d bloggers liken dit: