Omarm je ogenschijnlijk niet te beheersen woede

4 Dec

angerHet knettert en dondert in je hoofd. Een elektrische stroomversnelling davert door je hele lijf. Je ogen zwellen en puilen uit. Het speeksel spuit uit je mond, je spuugt vuur, je hakkelt. Je zintuigen raken verdoofd en verblind. De motoriek van je armen en benen is onbeheersbaar geworden. Alles schokt en trekt. En schiet in de afweer, op zoek naar wapens. Slaan en schoppen is onbewust een optie geworden. Het gif moet er uit, aan alle kanten, uit alle gaten. Woede!

Pas als de golf van adrenaline is afgenomen, gaat het verstand werken. Wat is er gebeurd? Wat heeft jou zo diep geraakt waardoor je de controle over jezelf verloor? Waarom werd je gek?

Er zijn uiteenlopende psychologische verklaringen voor, onderzocht door vele wetenschappers van naam en faam en door bijna even zoveel anderen geanalyseerd en beschreven. Komt het (domweg) voort uit het temperament? Ook een verklaring. Maar ook: de woede zou zijn oorsprong vinden in ons vroegste leven. Daar was er niet de aandacht, erkenning, waardering en liefde waar we zo’n behoefte aan hadden. Onbewust herkent ons gevoel wat we toen gemist hebben. Diep van binnen worden we geraakt, als waren we nog een kind dat niet krijgt wat het hebben wil.

boze trumpVoelden we maar meteen waar en hoe we geraakt worden. Dat kan een woede-uitbarsting voorkomen. Ik heb geprobeerd me te laten raken en meteen te voelen dat ik geraakt word. Dan voel je de pijn meteen, hoe pijnlijk dat ook is. De ander, degene die jou raakt, zou dan direct kunnen begrijpen wat er met jou aan de hand is. Dat het jouw pijn is en niet per definitie de schuld van degene die de pijn veroorzaakt. Het is moeilijk. Omdat je afweer automatisch aan de slag gaat en de raarste dingen met je gedrag doet. Je kunt het leren herkennen, maar we zijn mensen – de een nog gevoeliger dan de ander.

Ik heb in therapeutische sessies woede de vrije loop mogen laten. Op een kussen slaan, met een mattenklopper op een matras beuken of hard tegen de therapeut schreeuwen tot het bloed in mijn ogen stond, het spuug uit mijn mond spoot en ik uitgeput in huilen uitbarstte. Dat kan helpen, zeker even. Andere psychiaters en psychologen spreken dat tegen, omdat het de woede juist zou aanwakkeren. Wie het weet, mag het zeggen.

De zenboeddhistische leraar Thich Nhat Hành schreef er (in 2003) een inspirerend boek over: Anger (‘Omarm je woede, emoties kalmeren met milde aandacht’). Hij verwijst naar de Boeddha die 2500 jaar geleden ontdekte dat de meeste vormen van lijden en ontevredenheid zijn terug te voeren tot drie oorzaken: verkeerde opvattingen, obsessieve verlangens en woede. Woede is een van de krachtigste, maar ook een van de moeilijkste emoties om mee om te gaan. Eén moment van woede kan zowel voor onszelf als voor anderen noodlottig zijn.

Hij nodigt uit aandachtig met boosheid om te gaan. Hij stelt dat woede uiteindelijk neerkomt op een intense vorm van lijden en dat het onze verantwoordelijkheid is dat te verlichten, niet door verstorende emoties te bestrijden of te onderdrukken, noch door ze onbegrensd te uiten, maar door onze basishouding door middel van aandacht te veranderen. Diep luisteren.

thich

Uit zijn boek ‘Omarm je woede’: ,,Als er iets fysiek met ons mis is – met onze darmen, onze maag of onze lever – dienen we de kwaal te verzorgen. We masseren wat, nemen een kruik en doen al het mogelijke om de aangedane plek goed te verzorgen. Net als onze organen is woede een deel van ons. Dus als we kwaad zijn moeten we terugkeren tot onszelf en goed voor onze woede zorgen. We kunnen niet gewoon zeggen: ‘Ga weg, woede, je moet weggaan, ik wil je niet’. Als je maagpijn hebt, zeg je ook niet: ‘Ga weg, ik wil je niet’. Nee, je zorgt er goed voor totdat de pijn over is. Op dezelfde wijze moeten we woede omarmen en er goed voor zorgen. We herkennen en erkennen de woede als zodanig en glimlachen. De energie die ons daartoe in staat stelt is ware aandacht, aandachtig lopen en aandachtig ademen.’’

Hij noemt het lijden en raadt aan tegen degene op wie je kwaad bent te zeggen: ‘Ik ben kwaad op je. Ik lijd.’ Laat weten wat je voelt, ook als je kwaad bent. Misschien, aldus Thich Nhat Hành (92 jaar oud intussen), ben je nog zó kwaad dat je er niet toe in staat bent, beoefen dan aandachtig ademen en het aandachtig buiten lopen. ,,Mocht dat niet helpen, schrijf het dan op. Schrijf een vredesboodschap. Voeg toe dat je vastbesloten bent dingen te veranderen. Dat zal de ander vertrouwen en respect inboezemen. Ik doe mijn best betekent dat je de belofte terug te keren tot jezelf om je woede te verzorgen nakomt en serieus neemt.’’

Of het lukt, weet ik niet. Of woede voorkomen kan worden evenmin. Slechts heel weinigen zullen kunnen uitgroeien tot een geduldige, aandachtig luisterende en observerende, glimlachende, minzame, vreedzame boeddhistische monnik. Maar het is te proberen. Al is het alleen maar om jezelf en de ander niet te beschadigen.

De auteur is vriend van de Shambhala-sanga Leiden.

Deze column is in iets verkorte versie gepubliceerd op de wintereditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Heeft u last van yips? Wat is dat dan? En hoe kom je ervanaf?

29 Nov

tiger_yips

Zomaar een vraag op de golfbaan. Of ik nog weleens een artikel over golf schrijf. Ja, was mijn antwoord, over yips. Yips? De drie andere mannen in mijn flight keken elkaar aan. Hoe laag hun handicap ook was, ze hadden er nooit van gehoord laat staan last van gehad. Ja, de bal vloog weleens de baan uit, een korte putt werd zomaar gemist, een chip mislukte volledig en meer van die dingen die elke golfer overkomen. Maar dat zal wel met de grip, de stand of de swing te maken hebben – of gewoon met concentratie. De schouders ophalen en doorspelen: It’s all in the game. Of: dat is nu de charme van golf dan wel de ergernis.

Yips, zeg maar een spontane en onverklaarbare motorische uitval bij sporters, lijkt meer op een kleine, onschuldige aandoening. Het is sowieso maar sport. Toch: je zult maar aan de top staan, er een titel mee verspelen, je geld ermee moeten verdienen. En niet alleen in golf, in vrijwel alle sporten gaan spelers door de grond als het verschijnsel zich (en niet voor de eerste maal) voordoet. Tot tranen geroerd zijn ze. Er zijn zelfs sporters die er ten einde raad helemaal mee stoppen. Ook schrijvers en musici worden erdoor gehinderd.

Yips belemmeren niet alleen golfers. Om maar enkele varianten te noemen: honkbal (sasseritis), cricket (yips), darten (darteritis), biljarten (keuitis), schieten (flinching), boogschieten (target panic), hardlopen (runner’s dystonia), schaatsen (zwabbervoet), tennis (serving yips). En dan zijn er basketballers, voetballers, handballers en zo verder. Namen van golfers die er last van hadden en/of ervan zijn hersteld: Padraig Harrington, Keegan Bradley, Sergio Garcia, Ben Hogan, Tom Watson, Ernie Els, Bernhard Langer (vier keer, maar wel overwonnen), Sam Sneed, Hank Haney, Tiger Woods en Tommy Armour, de Schot die begin vorige eeuw triomfen (drie majors) vierde en zo’n vijftig jaar geleden de term yips voor het eerst beschreef in zijn boekje ‘ABC’s of Golf’.

ErikvanWensen1

Erik van Wensen (Foto Viviane Simone Vegter)

Yips zijn kleine, onwillekeurige schokken in de armen, die onder het golfen en vooral tijdens het putten optreden, waardoor de bal vaak volledig verkeerd geraakt wordt. Yips is een neurologisch fenomeen. Het is een taakspecifieke bewegingsstoornis, wat wil zeggen dat deze bewegingsstoornis zich alleen of vooral voordoet tijdens een specifieke taak, in dit geval tijdens putten bij golf. De neurologische classificatie van deze bewegingsstoornis is een focale, taakspecifieke dystonie. Zo lezen we op de website van Erik van Wensen, de Dutch Yips Study (https://www.dutchyipsstudy.nl/)

Van Wensen (neuroloog aan het Gelre Ziekenhuis in Apeldoorn, verwoed golfer [handicap 7] en gehinderd door yips) bestudeert al ruim vijf jaar nauwgezet het verschijnsel. De unieke combinatie neuroloog/golfer/yipper) heeft ertoe geleid dat hij zich fanatiek voorgenomen heeft (nu nog als hobby naast zijn werk) een methode te ontwikkelen om het ‘probleem’ op te lossen. Niet helemaal los daarvan telt mee dat zijn vader ook yips had. ,,Bij mijzelf ontdekte ik een jaar of vijftien geleden, op hole 1 van de Rosendaelsche, dat ik yips had. Opeens ging er een schok door mijn arm. Op een YouTube-filmpje is dat goed te zien. Het ziet er bijna overdreven uit. Op de begrafenis van mijn vader in 2009 heb ik in een toespraak beloofd dat ik die yips zou gaan oplossen.’’

Samen met collega-neuroloog en tevens specialist bewegingsstoornissen aan het Radboudumc in Nijmegen, Bart van de Warrenburg, ontwikkelde hij de 1e Dutch Yips Study, om mede aan de hand van een enquête onder alle leden van de Rosendaelsche Golfclub meer over het voorkomen van yips onder golfers te weten te komen. ,,Ieder lid kan zich aanmelden én de golfers die menen yips te hebben. Ik wil ze dan te zijner tijd filmen, want ik wil het graag, evenals een onafhankelijke neuroloog, nauwkeurig kunnen analyseren. Eigenlijk is het ook goed te zien. Het is meer dan choken, dat is wellicht de meest lichte vorm van yips. Het is ernstiger. Er ontstaat kortsluiting in je hersens, in de frontale cortex. Je kunt er van alles op verzinnen, maar vooralsnog is de juiste geneeswijze niet gevonden. Ik denk dat de kans dat ik het vind groter is dan van andere onderzoekers of wetenschappers, omdat ik zowel neuroloog, golfer als yipper ben.’’

Van Wensen heeft zich voorgenomen in de komende tien jaar elk jaar een van zijn Dutch Yips Studies af te ronden. Vooralsnog heeft hij als oplossing enkele opties: EMDR (eye movement desensitisation and reprocessing), een methode waarbij een psychiater of een psycholoog bewegingen van de ogen koppelt aan een bepaalde angst en die een andere lading geeft; cognitieve gedragstherapie, met hypnose; of injecties met botulinetoxine A. Maar dat moet allemaal nog goed onderzocht worden, weet Van Wensen.

Verschillende golfers vertelden hem dat ze van hun yips probeerden af te komen door gebruik van o.a. bètablokkers om de hartslag en bloeddruk te verlagen, door gebruik van slaap- en kalmeringsmiddelen. En zelfs acupunctuur is geprobeerd. Dat bleek niet goed te werken. Mogelijk kan hij via functionele MRI-scans in de frontale cortex het nodige vinden, maar dat is toekomst.

Inmiddels heeft hij vier golfers samen met psychiater Pieter-Jan Bogaard behandeld met EMDR. Hij is in hoopvolle afwachting van de resultaten die hij samen met zijn collega in 2019 hoopt te publiceren in een wetenschappelijk tijdschrift. Los daarvan zijn er andere mogelijkheden, zoals verandering van de grip of een langere putter (voorbeelden van ervaren pro’s zijn vaak te zien). Maar zelfs dat leidt niet altijd tot de gewenste genezing. Van Wensen wil graag, indien gewenst, met teaching pro’s samen optrekken bij het verhelpen van het yips-probleem. Ook zij moeten het kunnen zien. Hij schat in dat 5 procent van de 400.000 golfers in Nederland last heeft van yips, dus 20.000.

Yips bij golf is als onderwerp vaak taboe. Zo schrijft Van Wensen samen met collega-neuroloog Van de Warrenburg in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Vooral topsporters hebben het er liever niet over, uit angst voor ‘besmetting’: ze zijn bang het zelf ook te krijgen met als gevolg daarvan verminderde prestaties. Maar als ze eenmaal zijn aangedaan, gaan ze uitvoerig op zoek naar oplossingen. Onder artsen is yips echter niet bekend en de behandelingsmethoden zijn nog beperkt.

Van Wensen vermoedt dat er meer aan de hand is dan stress. Verstijving of verkramping komen vanzelfsprekend voor. Ze hebben een functie, wellicht als een beschermend mechanisme. Mogelijk hebben negatieve ervaringen invloed en nestelen die zich in het geheugen cq brein. Genetische erfenis is eveneens goed mogelijk, zoals hij concludeert uit het feit dat ook zijn vader (maar ook in andere gevallen) yips kreeg.

Van Wensen (48) begon op zijn vijftiende met golfen. Vijftien later ervoer hij voor het eerst de hinderlijke schok in zijn rechter onderarm bij de lange putts op het moment van contact tussen bal en putter. Later kreeg hij ook dergelijke schokken bij korte putts en vervolgens ook bij zijn afslagen. Naarmate de wedstrijdspanning toenam, kreeg hij er meer last van. Door de druk van zijn arm af te halen en vrijwel alleen nog met links te putten kon hij de schokken nagenoeg volledig voorkomen.

Veel golfers hebben niet door dat ze yips hebben (nog los van het feit dat ze een beperkte techniek hebben of de techniek vergeten). Van Wensen refereert aan Jan Dorrestein, lang Nederlands meest prominente speler en nog altijd teaching pro op de Rosendaelsche. ,,Als hij niet de yips had gehad of ervan af was geholpen dan was hij een nog groter golfspeler geworden.’’

Van Wensen richt zich vooral op golfers, omdat hij zelf golft. Maar ook andere yips-lijders heeft hij leren kennen. Zoals een biljarter die hij heeft behandeld. En verder hoopt hij met zijn onderzoeken de circa 800 à 900 neurologen die Nederland telt, te bereiken. Maar ook huisartsen en sportartsen. Zoals zijn collega-neuroloog Cees Jansen van ziekenhuis De Gelderse Vallei in Ede, die zich vooral met de ‘focale taak-specifiek dystonieën’ onder musici bezighoudt: pianisten zoals in de 19e eeuw Robert Schumann, die plotseling controleverlies aan zijn rechterhand bij het piano spelen ontdekte. En blazers die niet meer konden blazen, de lippen sluiten zich niet meer op het mondstuk. ,,Wie weet wat we van elkaar kunnen leren.’’

Van Jansen, die een speciaal spreekuur heeft voor musici met vermoede neurologische klachten, vernam Van Wensen: perfectionisten zijn extra ontvankelijk voor dystonie – en dat zijn beroepsmusici vrijwel zonder uitzondering. Op functionele MRI-scans is, aldus Jansen, te zien dat bij mensen met dystonie de gebieden in de hersenschors die de activiteiten van de verschillende vingers aansturen, in elkaar overlopen. De ‘bedrading’ die de signalen van de vingers verwerkt, is als het ware verstrikt geraakt. Dat uit zich in onwillekeurige en ongewenste bewegingen: een vorm van spasticiteit. Sommige onderzoekers denken dat dystonie de natuurlijke grens van de vingervlugheid markeert.

erikvanwensen2

Erik van Wensen (Foto Viviane Simone Vegter)

Erik van Wensen gaat ambitieus door met zijn onderzoek. Niet alleen om een vaak nog onbewust probleem te helpen oplossen, maar ook om van zijn eigen yips af te komen. Maar pas als allerlaatste der yippers. Yips heeft veel mensen het plezier in hun sport en spel ontnomen en mogelijk veel carrières van talenten in de knop gebroken. Dat houdt hem doorlopend en serieus bezig.

Dit artikel is gepubliceerd in Golfers Magazine 8, oktober/november 2018

Mark, mijn liefste collega, vriend en dwarsdenker

28 Nov
Marks feestje

Foto Vincent Mentzel

Dinsdag 27 november is in alle vroegte mijn oud-collega en vriend Mark Hoogstad (48) overleden. Aan die verschrikkelijke ziekte, waarvan hij nog geen jaar geleden de onheilstijding kreeg. Mark was niet alleen de meest talentvolle collega, van wie ik (onder bepaalde voorwaarden) ook diens chef mocht zijn, maar hij was vooral de liefste. Wij begrepen elkaar als gelijkgestemden. ‘Wij hebben hetzelfde karakter’, zei Mark vaak. Dus(?) hadden we weleens laaiende ruzie – en als rechtgeaarde emotievolle mannetjes niet alleen met elkaar. Eerst was ik voor hem een oudere, ervaren collega bij de sportredactie van NRC, min of meer zijn mentor, vervolgens zijn chef.

Het was nooit saai. De emoties gierden vaak door de sportredactie. Dan probeerde die reusachtig grote Mark hakkelend, zwetend en amechtig aan zijn sjekkie trekkend mij te overtuigen dat ik toch ‘echt eens die andere collega’s’ tot de orde moest roepen. ‘Grijp in, Guuske’, riep hij dan om vervolgens uit te barsten in een door een hoge stem versterkte gierende lachbui.

Eens heb ik hem uit de sportvergadering gestuurd, omdat ik vond dat hij zich kinderlijk en nogal overdreven miskend gedroeg. ‘Jij behandelt mij als een kind, dat doe je niet. Ik ben geen kínd’, schreeuwde hij korte tijd later via de telefoon tegen mij. Ik hoor zijn hartekreten nog galmen in mijn auto. Op de achtergrond schreeuwde een jong kind. Waarna ik Mark hoorde krijsen, het bleek tegen zijn toen nog heel jonge dochtertje: ‘Hou je kop Floor!’ De volgende dag vloog hij me liefdevol om de hals, gaf me een zoen en zei: ‘Wil je dat nooit meer doen, Guuske! Ik hoop dat je ervan geleerd hebt.’

En zo waren er vaak botsingen op de meest rumoerige en emotionele redactie van NRC Handelsblad, tot grote verontwaardiging (afkeer?) van de rest van de redactie. Maar altijd was er een happy end. Je hoefde alleen maar te kijken naar die arrogante glimlach van Mark (wat kon hij arrogant zijn!) en je wist dat het goed was. Je voelde dan dat hij het naar zijn zin had.

Mark op zijn laatste feestje met oud-collega’s van NRC, een maand geleden, omringd door vlnr Hans Klippus, Guus van Holland en Henk Stouwdam
(Foto Vincent Mentzel)

Ik koesterde zijn talent. Want Maarten Hendrik Hoogstad (zoals hij zich graag voorstelde) was niet alleen een ‘diepgraver’ met een brede blik, maar ook een begenadigd schrijver, soms nogal archaïsch – zeker een purist. Ik adviseerde hem daarom regelmatig zijn horizon te verruimen liever nog te verplaatsen en zich niet uitsluitend of vooral te richten op hockey (‘NRC is een hockeykrant, grote vriend’) en zwemmen, (vaak ook fanatiek rugby en tennis [winst Richard Krajicek op Wimbledon], soms boksen en ijshockey). Hoe nauwgezet hij die sporten ook volgde, hij zou veel meer en belangrijkere onderwerpen kunnen aanpakken, zo vertrouwde ik hem toe – en ik was niet de enige.

Uiteindelijk koos hij voor de redactie binnenland (waar hij onderwijs kreeg toegewezen – niks voor Mark dus), ten slotte als Rotterdam-verslaggever en (mede door de verhuizing van de redactie uit ‘zijn’ Rotterdam naar Amsterdam, waar Mark zich fel tegen verzette, én gevoed door weer zo’n heftig gevoel van miskenning) vervolgens voor het AD/Rotterdams Dagblad in zijn woonplaats Rotterdam. Daar kreeg hij als verslaggever en commentator van de Rotterdamse politiek eindelijk de erkenning waarnaar hij altijd bijna obsessief verlangde. Totdat hij ook daar misnoegd vertrok.

Mark (‘Ik heb een onwaarschijnlijk talent voor rancune’) haalde zijn revanche met zijn opzienbarende boek over de Rotterdamse politiek (‘Rotterdam, stad van twee snelheden’) en verdiende daarmee een maand geleden de Persprijs Rotterdam, die hij eerder tot zijn grote ongenoegen was misgelopen. Wat een erkenning dan toch op de valreep!

Wij zijn elkaar nooit het oog verloren. Zo gaat dat met mannen die elkaar een warm hart toedragen. Maar het leven zonder Mark is niet meer wat het geweest is.

Joop Hueting ontkende veel effecten van doping

19 Nov

hueting_je

Zou er nog iemand nog weten dat de vorige week op 91-jarige leeftijd overleden prof. dr. Joop Hueting (hij werd bekend als klokkenluider van de gewelddadige Nederlandse invloed in Indië) veelvuldig onderzoek deed naar het effect van doping, zoals amfetaminen, coffeïne, ACTH, anabole steroïden et cetera?

Hij deed dat in de jaren zeventig en tachtig onder meer met de vorig jaar overleden Hein Verbruggen, die als wielersportleider krampachtig op zoek was naar een manier om het gebruik van dope tegen te gaan, én met een aantal zeer bekende Nederlandse wielrenners (vooral van de PDM-ploeg onder leiding van Jan Gisbers die graag de grenzen op zocht, zo vertelde hij mij weleens).

Dat moest, begreep ik van Verbruggen toen hij mij daarover nogal vermanend onderhield naar aanleiding van een citaat van PDM-renner Peter Stevenhaagen in een door mij gepubliceerd interview in De Volkskrant, geheim blijven voordat er ‘indianenverhalen’ verschenen. ‘Guus, begrijp je dat dan niet!?’ Dat begreep ik onmiddellijk. Dat maakte Verbruggen verdacht, meende ik in eerste aanleg ook. Zó woedend kon toch geen mens tegen mij (of over mijn artikel) zijn?

Mijn primaire afweer kwam boven. Bijna tegelijkertijd openbaarde zich de nuance in mijn mening over doping – en wilde ik Verbruggen leren begrijpen. Wat is er hier aan de hand. Waarom? Waarom die woede? Wat nog te doen om doping te voorkomen of te bestraffen? Voorlichting? Ontkenning? Verbruggen zocht en vond de vreemdste uitwegen, die nogal tot wat agressie en aanvallen jegens zijn gedrag leidden. Hij moest wat, tot aan zijn dood (voorjaar 2017) toe.

‘Guus, wat vind jij? Mensen doen alles om zich te verbeteren en zichzelf te bevestigen. Wat moet ik dan, als wereldsportleider? Als de man die weet hoe mensen zich moeten gedragen. Wat doen ze? Wat willen ze? Ik doe mee, ik buig mee, ik wil begrijpen en toch moet ik spelregels, zelfs straffen, verzinnen om de sport gezond te laten verlopen en populair te houden. Sterker: om iedereen te vriend te houden. Alle partijen, iedereen heeft zijn behoeftes. Net zoals jij en ik’.

Zo liet hij zich ontvallen een paar maanden voor zijn dood. Het was een indringende, moeizame sessie, tussen een man die de dood zag naderen en een man die (zo had Verbruggen in de loop van onze vriendschap begrepen) altijd zoekende was, van taoïsme tot boeddhisme, van doping tot niet-doping. ‘Ik probeer iedereen zijn mening en belangen te respecteren. Wat kun je meer?’

En toen dronk Hein een half jaar voor zijn dood zijn glas Cola Light leeg. Op de Veluwe, vlak voor mij, aan de andere kant van de tafel. Het was mooi en verhelderend. Joop Hueting kwam nog ter sprake. Tja, zei Hein, ook een man die zijn weg probeerde te vinden tussen het gelijk en het ongelijk.

Onder de kop ‘Doping bestaat niet’ had Hueting jaren eerder al in een interview met De Volkskrant voor nogal wat commotie in de sportwereld gezorgd. Hij (hoogleraar experimentele psychologie in Brussel) onderzocht onder meer de effecten van amfetamine en ACTH (een soort neurotransmitter, althans met een soortgelijke werking) en zag daarvan geen effect bij beroepswielrenners. Hueting werd daarin min of meer gesteund door Harm Kuipers.

Ik heb nooit meer iets (op een serieuze verwijzing na van de goed ingevoerde en zich verdiepende Vlaamse sportjournalist Hans Vandeweghe in zijn boek ‘Wie gelooft de renners nog?’) van dit onderzoek vernomen, laat staan dat er in de talrijke necrologieën van Hueting aan werd gerefereerd. Ik noem het niet noemen van Hueting door alle media als belangrijke dopingonderzoeker een omissie. Want Hueting beweerde nogal wat in het kader van de opwinding over doping. Binnenkort dan maar in een boek. Het boek komt er aan, zo vernam ik van mensen die de materie deskundig en wél van nabij volgen.

Hier liggen de wortels van boerenzoon Hennie Kuiper

1 Okt


Het stinkt, zouden stedelingen mogelijk zeggen. Ja, het ruikt hier naar koeien, veevoer, stront, boeren, naar alles wat je in de stad niet ruikt. Ik vind het heerlijk. Niet alleen omdat het aan mijn jeugd bij vriendjes op de boerderij doet denken, maar ook omdat het voor mij pure en gezonde lucht is.

Het is de lucht van Hennie Kuiper, de boerenzoon die hier in Noord-Deurningen opgroeide, en van hieruit op zijn fiets stapte en zich daarop uitleefde totdat hij tussen 1973 en 1988 een wereldberoemde wielrenner werd die zowat alle klassiekers won, olympisch- en wereldkampioen werd en tweemaal tweede in het eindklassement van de Tour de France.

Het is hier, op Erve Kuiper, waar de blosjes op de wangen van Hennie tot volle glorie kwamen. Hij een haatliefde-verhouding met modder, storm, wind, regen, zonnebrand en andere ontberingen kreeg en zijn vaak bewonderde strijdlust ontwikkelde.


Hier in het museum word ik teruggeworpen naar mijn belevenissen als wielerverslaggever met deze te allen tijde toegankelijke sportman. Mogelijk voelde ik mij aangetrokken tot mensen uit deze regio, mensen en sportlieden, zoals wielrenners die strijd tot het uiterste bedreven en daar geen verklaring voor hadden: het is zoals het is, ik ben zoals ik ben, normaal, niks bijzonders.

Terwijl ik de lucht van koeien, stront, veevoer of ingekuild gras inadem, herbeleef ik in een stoel tegenover een beeldscherm de overwinningen en krachtige inspanningen van Hennie Kuiper. Ik was bijna vergeten dat hij zo verschrikkelijk hard kon fietsen, alles deed om te winnen en dan ook won. Ik zag de grote renners van weleer spartelen en zweten met Kuiper aan hun wiel. En dan die vreugde-uitbarstingen als hij als eerste (meestal na een indrukwekkende solo) over de eindstreep kwam.

In de onvolprezen biografie ‘Hennie Kuiper Kampioen Wilskracht’ (van de hand van Joop Holthausen, Jacob Bergsma en Björn Kuiper) is veel te lezen en te bekijken. Maar hier, op Hennie Kuiper Native, komt het allemaal weer echt tot leven. Niet alleen de foto’s, de knipsels en knipselboeken en andere relikwieën, maar ook zijn trainingsrondjes zijn hier te zien. Ik werd er stil van, trilde weer van emotie en beleefde – even – met zijn oude vriend en dorps- en streekgenoot oud-wielrenner Herman Snoeijink de tijd waarin Hennie Kuiper de wereld veroverde.

Ik maakte geen aantekeningen, waaruit ik later thuis zou kunnen putten om mijn verhaal over het bezoek aan Erve Kuiper te kunnen schrijven. Ik beleefde het moment. Toch: was Hennie er maar bij geweest. Een beetje hakkelend, een beetje blozend, een beetje glunderend, een beetje verontschuldigend maar toch wel een beetje trots vertellend over toen en waarom zó en waarom niet zó. Ik dacht dat ik hem niet nodig had, toen mij de aanwezigheid van Kuiper werd aangeboden. Nee, laat maar, ik weet het wel. Maar toch, er had een extra dimensie aan toe gevoegd kunnen worden. Deze kampioen van de wilskracht in hoogst eigen persoon naast alle foto’s, knipsels, borden, boeken en prijzen.


Buiten speelden kinderen, zoals Hennie er waarschijnlijk ook had gespeeld voordat hij er met de fiets op uittrok. De boerenlucht prikkelde mijn neus. Het zou wat voor de stedelingen zijn hier eens naartoe te gaan en te leren hoe het er op een boerderij aan toe gaat, waarom en hoe boeren werken, waarom het er zo ‘stinkt’, hoe Hennie Kuiper is opgegroeid en waarom hij zo goed is geworden en eenvoudig is gebleven. Zoals het een boerenzoon betaamt.

Dit stukje is (samen met observaties van Herman Snoeijink en Theo de Rooij) gepubliceerd in het herfstnummer van Zilver Magazine, het blad voor de Twentse 65-plusser.
Zie ook http://www.ervekuiper.nl

Een vijand werd uiteindelijk toch mijn leermeester

31 Aug

Het was alsof ik tegenover een vriend ging zitten. Ik had hem met een warme handdruk begroet als vriend, als geest- en zielsverwant, als een man waarbij ik me veilig zou voelen. Op mijn gemak, niets te duchten, samen in een warm bad ervaringen en gedachten uitwisselen.

Maar het samenzijn liep anders. De man was anders. Hij gedroeg zich anders, praatte anders, at en dronk anders en deed dingen die ik liever niet deed. Hij was direct, in mijn beleving lomp, dacht heel anders dan ik, stelde plannen voor die ik niet in mijn hoofd zou halen. ‘Kom op, Guus’, brulde hij, ‘gewoon doen, gezellig samen, geen gezeik aan je kop. Niet moeilijk doen en je hebt plezier in je leven’. Hij vergat erbij te zeggen dat hij zó in het leven stond en op die manier plezier beleefde.

Hij zei het op een toon die mij niet beviel. Niet mijn toon, niet mijn smaak. Ik had het gevoel dat hij niet wist wat mijn verlangens waren, wie ik was en hoe ik over het leven dacht. Sterker:  ik werd diep geraakt, overweldigd door het idee dat hij wel wist wat ik zou willen of nodig had. Hij begreep mij niet. Helemaal niet, écht niet. Maar ik lachte vriendelijk. Totdat mijn vrouw ingreep en (mij kennende) zei: ‘Ik weet niet of Guus dat wel leuk vindt.’ ‘Nou én’, hoorde ik de man antwoorden.

Ik probeerde het dreigende probleem (het verschil in smaak en inzicht) te verdringen en lachte verlegen. Ik wilde geen strijd, geen discussie. Ik wilde hem niet veroordelen om zijn impulsieve, voor mij wat kortzichtige gedrag. Laten we het gezellig houden. Ik bevroor, zo voelde ik later. Ik liet hem begaan. Van binnen voelde ik me echter opstandig worden. Ik werd steeds bozer, maar uitte dat niet. Bang misschien. Dat hij boos zou worden, omdat hij zich niet gehoord voelde, daarom mij zou afwijzen en zelfs agressief zou worden?

Toen we afscheid hadden genomen, werd ik steeds bozer. Wat een lomperik! Met zo’n man wilde ik echt niets meer te maken hebben. Met hem wilde ik nooit vrienden worden. Hij was totaal anders, hij begreep mij niet, hij voelde niet zoals ik, hij ervoer het leven niet zoals ik. Misschien dacht hij ook zo over mij. Misschien ook niet. Zo kortzichtig was hij vast wel, getuige het gedrag dat mij met afschuw vervulde.

Uit de buurt van hem – en van zulke mensen – blijven. Dat nam ik mij voor. Maar de pijn die ik door de ontmoeting met hem had gevoeld, ebde weg. De vragen die mij bezighielden omtrent mijn kwetsbaarheid en afkeer kregen een antwoord door mijn door het boeddhisme geleerde inzichten. Deze man was anders, zoals iedereen anders is dan ik. Zo herinnerde ik mij. Ik kan hem proberen te overtuigen van mijn gelijk, bijvoorbeeld dat mijn levenshouding en gedrag de enige juiste zijn, maar ik kan hem ook nemen zoals hij is. Naar hem kijken en luisteren, hem observeren en dan – zonder angst, zonder te bevriezen – concluderen dat hij is zoals hij is, doet zoals hij doet. Misschien dat acceptatie mij (en hem) meer oplevert dan afwijzing.

Op mijn trainingen in mijn sangha heb ik kunnen leren dat boeddhisten geloven dat in iedereen iets zit dat goed en zuiver is. Dat we alleen alle emotionele bagger die verhindert dat die kwaliteiten boven komen drijven, moeten verwijderen. Want in iedereen schuilt de ‘boeddhanatuur’.

Het mooie van bovenstaand voortschrijdend inzicht vind ik dat de man die mijn vijand werd, mij wat heeft geleerd. Een man die ik verafschuwde en afwees zette mij onbewust aan het denken. Een vijand werd mijn leermeester. Hij raakte mij en ik kon voelen waar hij mij raakte. Dat was niet zijn schuld dan wel zijn verdienste. Dat was mijn kwetsbaarheid. Misschien kunnen die man en ik wat mij betreft dan toch als vrienden verder gaan. Samen, zonder veroordeling.

Guus van Holland is vriend van Shambhala Leiden

Deze column is gepubliceerd op de herfsteditie van de website: http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

 

Hein de Kort: ‘Als golfers in mijn tekening hun frustratie herkennen is het goed’

14 Aug

Je moet wel zelf gegolft hebben om het intense gevoel van goed-of-fout-gedaan te kunnen uitbeelden. Hein de Kort (61), door vele bladen (zoals Golfers Magazine) een veelgevraagd cartoonist, kent die ervaringen maar al te goed. Al zo’n 25 jaar beleeft hij de emoties die iedere golfer – van Dustin Johnson en Jason Day tot Tiger Woods en Joost Luiten – heeft beleefd en nog beleeft.

Zie de strips van Hein en je herkent het golfgevoel. It’s a mental game, wordt vaak beweerd. Maar dat geldt voor bijna elke sport. Hoewel? Hein de Kort vertelt graag over zijn frustraties, niet alleen over mislukte slagen, chips en putts maar ook over stokken die niet voldoen, te kort of te lang zijn. Over grips, slechte greens, wind, diepe roughs, over altijd maar moeten lessen.

‘Want je wilt toch altijd beter worden, laat staan dat je wilt winnen en punten scoren, je handicap omlaag brengen. Tjonge, wat een gedoe!’ Het is alsof Hein zich wil verontschuldigen voor wat hij doet, tekent en uitbeeldt. Hij kijkt naar buiten, vanuit het café naar het drukbezochte Amsterdamse terras en probeert te relativeren. ‘Het is maar golf, een spelletje. Je slaat tegen een bal, maar dat lukt niet zoals je dat zou willen’, weet hij. ‘Golf? Waar heb je het over? Ik heb vroeger gevoetbald, totdat mijn knieën het begaven, eerst mijn ene knie op mijn achttiende, een paar jaar later op mijn 23ste, de andere. Dan kun je het niet meer, hoe graag je ook wilt. Je lichaam geeft aan dat je toch echt niet meer kunt sporten. En dan is er gelukkig nog golf.’

Op de velden van AMVJ in Amsterdam leerde hij een beetje golfen. Met die voetbal- en hockeyvelden waar lijnen, doelpalen en dug-outs  je kunnen afleiden van je focus. Er is geen dug-out, er is geen doel en er zijn geen doelpalen, er is alleen de bal en die moet naar de hole – daar heel ver weg. Dat weet hij intussen. Maar toch, doe het maar, zeker als beginneling.

hein de kort

Foto Ronald Speijer

Daar, op de voetbalvelden van AMVJ, begon Hein met golf. ‘De eerste slag met een driver – nota bene – was geweldig. Dan wil je nog een keer. Meer en nog meer! Het lukte. Hein zag het en voelde dat er meer te halen was. ‘Lessen, beter worden. Net als met mijn gitaar, altijd maar lessen om beter te worden. Dit te kunnen, zoals grootheden en de echte talenten. Ik moet gewoon les hebben en beter worden. Dat was het en dat is het nog steeds, een beetje.’

Hij was écht verslaafd, bekent Hein. Wie herkent dat niet? ‘Alles in mijn leven stemde ik af op golf. Ook mijn werk. Dan maar een dag niet tekenen en de grappenmaker uithangen. Vooral golfen en steeds beter willen golfen. Na AMVJ, bij Olympus, op Almere en weer Olympus, competitie spelen, golfreisjes naar Schotland en Spanje. Spelen om geld, om een fles wijn, en nog meer van die gekkigheid. Ik had zelfs een handicap van -6, nu weer -13,5. Tja, je wordt wat ouder, slaat minder ver, het lichaam draait niet meer zo soepel en de drive om te scoren wordt wat minder.’

Hij zou zomaar een handvol anekdotes kunnen vertellen, alleen om maar duidelijk te maken hoe hij golf gedurende 25 jaar heeft beleefd. Of gewoon om dit interview te spekken, want misschien vindt Hein dat hij iets te onverschillig over golf heeft gesproken – zo gretig leek hij namelijk ook weer niet bij de afspraak.

Zijn tekeningen en strips vertellen meer dan genoeg over zijn beleving op de golfbaan en daarna op het terras of aan de bar. Zoals het een kunstenaar betaamt. Losersgedrag, excuses, snoeven, rotzooien met de scorekaart. Alles wat golfers doen om hun spel te verheffen en hun (onsportieve) gedrag te verklaren, weet Hein de Kort in één tekening neer te zetten. Soms cynisch, meestal realistisch en zeker komisch. Kijk ernaar en je herkent de situatie.

Zoals die Schot die hij elke dag op een Schotse baan na een golfsessie in de bar tegenkwam en altijd dronken was. ‘What is more important than winning in golf.’ Tja, zeg het maar. ‘Ik heb tot mijn 23ste gevoetbald, tot mijn knieën het begaven. Dat ging ook om winnen. Maar golfen? Nooit gedacht, nog veel erger, eigenlijk,’

Hij was net geconfronteerd met de geneugten van golf, het spel, de spelers en de cultuur of hij bood zich aan als striptekenaar bij Jan Kees van der Velden, toenmalig hoofdredacteur van Golfjournaal. ‘Ik was in Schotland en maakte daar op de baan en daarbuiten dingen mee, die ik moest en zou uittekenen. Ik stuurde ze op. Maar Jan Kees vond ze te heftig… Zeg het maar. Ze zijn nooit gepubliceerd. Kennelijk zag hij wel wat in mijn tekeningen. Ik mocht tekeningen maken voor het Jeugdjournaal. Dat sprak me wel aan, de jeugd over golfen: geen tijd, ver buiten de stad of het dorp, saai. Daar kon ik wel wat mee. En later natuurlijk voor de serie De Glazen Bol en andere strips voor Golfers Magazine.’

Zijn golfwereld werd groter, vooral omdat hij het zelf deed en intens beleefde, als verliezer en af en toe als winnaar. Hij deed tekeningen voor Fox Sports, voetbal dus, maar merkte dat hij de affiniteit met voetbal was verloren omdat hij niet meer voetbalde. ‘O jee, die speler was allang vertrokken bij Manchester United, had ik niet bijgehouden omdat mij het nieuws niet meer boeide. Dat is toch anders als je zelf nog bezig bent. Ik volg niet alles op golfgebied, maar ik ken mensen en ik weet wat ze kunnen. Ik let erop. Ik kijk en weet dat ik het zo moet doen. Natuurlijk kan ik dat niet. Maar het is mijn kunst om dat uit te beelden in een tekening: kijk mij eens goed zijn – of juist niet.’

Als je met golfers praat, van welk allooi dan ook, gaat het vooral over gemiste kansen. Voetballers kunnen er ook wat van, of wielrenners. Die wedstrijden staan (onuitwisbaar) in hun geheugen gegrift. Hein de Kort kan alle ervaringen uitbeelden, in woord en tekening. ‘Het is bijzonder dat golfers urenlang na een rondje nog bezig zijn met wat ze is overkomen. Golfen een sociale bezigheid? Mooi, maar het is wel  de afleiding van het dagelijkse werk die in beslag neemt. Gelukkig dat er nog zoiets is als golf. Wat moet je anders, als het werk te veel van je in beslag neemt?’

Ach, werk. Hij doet wat hem wordt gevraagd en wat hem invalt – voor elk medium. Mogelijk zelfs naar wat hem raakt tijdens dit interview in een café waar mensen zoeken naar geluk en liefde – in welke vorm dan ook. Als na ons onderhoud Hein weer op avontuur gaat, vraag ik me af wat hij gaat doen. Tekenen en beschrijven wat wij hebben gedaan? Waarom dit gesprek? Of gewoon golfen om het leven te aanvaarden zoals het is.

Hein de Kort kan tevreden zijn met wat hij doet. Wat hij niet zegt, tekent hij. Ieder zijn manier om te leven. Hij doet wat hij kan en wil doen. Zie zijn tekeningen, strips en herken jezelf – of leer ervan. Hij herkent het: ‘Een goede slag per dag is het  mooiste wat kunt bereiken. Dat kun je, wees dus tevreden. Niet dus!’’

Of het KLM Open hem interesseert? Wanneer? O, half september. Ja, hij was  er twee keer. Zoals ieder golfer er graag is, gewoon van dichtbij zien hoe die toppers het doen. Het was in Hilversum. ‘Dan kijk je naar die toppers, hoe ver ze slaan en hoe. Dat kan ik ook, denk ik dan. Laat ik maar daar maar eens tekening over maken. Mijn wanhoop, mijn leven. Tekenen is een goede uitlaatklep. Als mensen, golfers dus, zich erin herkennen is het goed.’

Dit interview is gepubliceerd in Golfers Magazine 6, augustus 2018

%d bloggers liken dit: