Voelen dat er meer is dan het monotone dagelijks leven

7 Jun

Floodlights

Uit april 2016, over Instinct

Wanneer ik ’s avonds een dorp passeer word ik altijd getroffen door lichtbundels, die ergens boven de huizen schijnen. Aangetrokken als door een magneet voel ik het: daar is een sportpark. Ik kan de lichtbundels in de verte niet negeren. Zo vergaat het mij ook wanneer ik in een vliegtuig zit en me klaar moet maken voor de landing. Zwevend door de lucht zoek ik onbewust naar een stadion. Ik zie lichtmasten, ik zie ronde gebouwen met een gat erin: ja, dat is een stadion! Van welke club zou hij zijn? En dan speur ik mijn herinneringen af. Ja, inderdaad dat moet dát stadion zijn.

Hoewel ik mij steeds meer afwend van voetbal in het bijzonder en sport in het algemeen, krijg ik die aantrekkingskracht na 40 jaar sportjournalistiek niet uit mijn systeem. Noem het mijn instinct, mijn zesde zintuig, voelen dat er iets is, dat het mij iets oplevert wat ik vroeger zo innig heb beleefd. Vroeger was het vooral nieuws, nu nog steeds dat er wordt gesport.

Een stadion oefent aantrekkingskracht uit. Het is een plaats waar mensen met elkaar willen zijn om samen te geloven in het aanstaande geluk. ‘Wat hebben de mensen nog naast dat voetbal?’, vroeg predikant en (Ajax)voetballiefhebber Klaas Vos zich laatst in de Volkskrant af. ‘Niks. Dat is eng. Net als mensen die de hele week alleen de kerk hebben. Dat wordt ook van niemand gevraagd. Neem eens een break in de tijd, door even op te houden. Neem ruimte voor de leegte.’

Leegte schept ruimte, biedt openingen. Maar mogelijk is het de ruimte die mensen angst inboezemt. Liever houden ze zich vast aan amusement, aan sport en dan vooral aan voetbal. De Groningse mediasocioloog Peter Hofstede zei: ‘Aan de voetbalgekte kun je zien hoe huiveringwekkend het vacuüm is waarin de mensheid verzeild is geraakt. De verbondenheid met collectiviteiten die vroeger hun eigen normen en waarden hadden en een stempel zetten op de manier van leven is zeer gering geworden. Niettemin moet er een formule zijn waardoor je kunt belijden dat je toch ergens bij hoort, want anders ben je nergens.’

Samen toekijken, genieten, schelden, lijden. Als het niet in een stadion is, dan in een café met een ultragroot beeldscherm of thuis met de knop ‘stadionvolume’ voluit. Bij voorkeur samen, ondergedompeld in de anonimiteit van het collectief. Daarin kun je sneller en heviger je emoties uiten dan in het normale leven. Je als individu uiten maakt je kwetsbaar. Voordat je het weet heb je een knal voor je kop.

Gumbrecht

Hans Ulrich Gumbrecht

Misschien is het wel instinct dat ons naar een stadion drijft. De Duits-Amerikaanse filosoof/socioloog Hans Ulrich Gumbrecht schrijft in Lof van de Sport: ‘Waar het in de sport om gaat, is dat je erbij bent op het moment dat het gebeurt, het feitelijke moment dat in jouw directe aanwezigheid bepaalde lichamelijke vormen ontstaan.’ Als er zoveel aandacht naar sport uitgaat moet ik er wel bij zijn om mee te tellen.

Mijn dilemma als sportliefhebber ontstond toen mij als sportjournalist werd verweten dat ik ‘dom’ en ‘onnozel’ was omdat ik schreef over sport. Aan de ene kant was er mijn liefde voor sport, aan de andere kant was er die aandrift bij de ‘wijze’ mensen te horen. De mensen die vanuit hun intellect meenden dat je je niet met aardse activiteiten als sport dient bezig te houden. Je moest studeren, professor worden in de ‘hogere’ wetenschappen.

Waar wilde ik bij horen? Ik weet het nog steeds niet. Mijn dilemma heeft me ertoe gebracht dat ik mij voor de achtergronden van sport ben gaan interesseren. Waartoe dient sport? Zo raakte ik in een stadion vol duizelingwekkende emoties vaak het spoor bijster. Ik kon niet meer als individu genieten van wat ik zag en voelde. Ik voelde me overmand door de eenzijdige smaak en de blinde verafgoding – nog los van het geweld en geluid dat over mij heen kwam. Ik werd steeds angstiger, bang voor de oerdriften die rondom mij loskwamen. Meermalen heb ik in tranen een stadion verlaten.

Ik ben bang geworden voor mijn instinct. Ik wil zo graag genieten van het leven, van de dingen die aan emoties raken, maar ik doe het liever in mijn eentje. In stilte. Dan heb ik van niemand last. Niemand die mijn genot in twijfel trekt. Niemand die het mij kwalijk neemt als ik huil om een overwinning, een nederlaag, een actie die mij diep raakt.

Langzaam begin ik te begrijpen waarom mensen door sport worden geraakt. Vooral waarom ze fanatiek worden in hun honger naar de ultieme gelukbeleving. Het is hun instinct. Hun zesde zintuig. Ze voelen dat er meer is dan hun monotone dagelijks leven. Zonder sport dreigt leegte, geen houvast. Zie maar eens te leven in leegte. Een leven in volmaakte vrijheid. Dat is moeilijker dan je denkt, zeker als er een dag zonder sport is.

Geplaatst op http://www.800woorden.nl/instinct op 1 april 2016.

Zwijg, open je, luister naar de stilte en voel: laat je raken

3 Jun

forestGedrieën liepen we ’s nachts het bos in, mijn vriend Marius, zijn hond en ik. Het was stil. Alleen ik babbelde wat. Waarom? Angst? Of gewoon omdat samen wandelen niet gezellig is als je niet met elkaar praat. Hier en daar hoorde ik wat ritselen, dat wel. Maar ik was toch meer met mezelf bezig, met mijn gebabbel.

Onverwacht stond mijn vriend, die al die tijd had gezwegen, stil. Hij trok aan zijn sigaretje en zei: ‘Hoor!’ Hij stak zijn wijsvinger op. Ik hield mijn adem in. Hij ook. De hond stopte met hijgen, deed zijn bek dicht en keek zijn baasje aan. We wachtten een minuut of twee. Ik luisterde. Ik hoorde wind. Een licht suizend geluid. Niets bijzonders.

Maar toch. Het was geluid. Geluid waar ik zelden bij stilsta. Mijn vriend wees mij er op dat er nooit echte stilte is – ook als ik niets denk te horen. Mogelijk omdat ik geen oor heb voor kleine, mogelijk onbetekenende geluiden. Maar ze zijn er wel, als ik er maar voor open staat. En betekenis hebben ze zeker. Dat vergeet ik weleens.

Ik meldde me jaren later aan voor een stiltewandeling in het Amsterdamse Bos. We zouden onder leiding van twee ervaren stiltewandelaars, Lisette Sevens en Thomas van Kleef, samen met nog enkele andere mensen een paar uur zwijgend met elkaar wandelen.

In het begin was het vermakelijk. Mijn vrouw en ik keken elkaar aan en konden nauwelijks een lach onderdrukken. Het zwijgen viel ons met de minuut zwaarder. Het begon hevig te regenen. Boven ons hoofd vlogen vliegtuigen laag af en aan, van en naar het nabije Schiphol. Daar viel wat over te zeggen, maar we bleven zwijgend doorwandelen.

Soms kregen we een korte pauze, waarin we onze ervaringen mochten delen. Hoe het beviel. Waarom niet? Waarom wel? We passeerden een gedenkteken, het Dachaumonument, bleven staan en keken zwijgend naar de opschriften en namen. Ik ontdekte een fout, wilde dat met de anderen delen, maar deed er het zwijgen toe. Hoe moeilijk was dat? Hoe moeilijk was het sowieso te zwijgen op een plek die sterke emoties opwekt?

We wandelden door, zwijgend. De regen viel met bakken uit de hemel. Boven ons hoorden we het lawaai van vliegtuigen. Het leek wel oorlog. Mogelijk omdat we zwegen kwamen het lawaai en de neerplenzende regen harder aan dan gewoonlijk, als we wel met elkaar praten. Ik weet het niet. Zo voelde het wel. Toch hoorden we uiteindelijk het lawaai niet meer. Gewenning? Ik weet het niet. Wat ik me herinner is dat mijn vrouw na afloop van de wandeling begon te huilen. Het bezoekje aan het Dachaumonument had haar geraakt. De ontroering had ze ingeslikt en pas enige tijd later kunnen uiten. Ook dat kan stilte met je doen.

Intussen ben ik gewend geraakt aan stilte. Aan samen de stilte ervaren en het gevoel niet hardop met elkaar te delen. Ik mediteer samen met anderen in stilte. Ik wandel samen met anderen in stilte. En elke keer ervaar ik dat stilte me dichter bij mezelf brengt. Ik hoor niet alleen méér, ik voel wat het met me doet. Hoe en waar het me raakt. Niet dat praten met anderen niet aangenaam is, maar alleen zijn met mezelf, mijn gevoel alleen met mezelf te delen, dus niet te uiten (naar buiten gooien) geeft me meer inzicht in wie ik ben en wat ik voel.

Is dat wat mijn vriend Marius me destijds wilde leren? Hij is overleden. Ik kan het hem niet meer vragen. Laat staan hem te danken voor wat hij mij wilde duidelijk maken: praat nou eens niet, luister gewoon. En voel, laat je raken!

Guus van Holland is vriend van de sangha Shambhala Leiden

Deze enigszins bewerkte column is gepubliceerd in de zomereditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Joost Steenkamer wil alleen nog als een kunstenaar golfen

29 Apr
Joost

Foto: Golfers Magazine

Joost Steenkamer is net terug van een driedaagse retraite in Drenthe, met tien andere mannen én een sjamaan. Het kruid dat hij daar kreeg aangereikt en in de vorm van thee tot zich nam, gloeit na in zijn systeem. Gisteren voelde hij het effect nog nadrukkelijk: ‘Ik was heel erg in het hier en nu. Geen afleiding, gewoon dit. En niet ook dat. Het is als met meditatie. Je kunt gaan zweven, dromen en hopen. Maar je kunt ook zitten, met je ogen open en gewoon kijken naar wat er is. En dat is gewoon goed. De boog kan niet altijd gespannen zijn, ook in de wedstrijd niet.’

Het gesprek zou over golf moeten gaan. En daar gaat het ook over, maar dan dieper, analytischer, hartgrondiger, kwetsbaarder en menselijker. Elke zenuw krijgt aandacht. Het gaat niet zomaar over het spel, techniek, de talrijke toernooioverwinningen die Steenkamer behaalde, over zijn eenmalige deelname aan het Britse Open (in 1997) of over zijn uitzonderlijke golftalent dat hij niet heeft kunnen waarmaken. Over de bunkerblues, de klaagzang van iedere golfer. Als Joost Steenkamer zijn hart lucht en zijn hersens en zijn ziel de vrije loop laat, besef je niet alleen dat golf ‘best een heftig spelletje’ is, maar dat het meer kan doen met een gedreven speler dan wordt verondersteld. The rise and fall zoals die van Tiger Woods en al die andere golftalenten kent veel ervaringsdeskundigen.

JK2

De kunstwerken van Joost Steenkamer

Buiten, in zijn tuin, hangt boven een schutting aan een overhangende boom een netje. Ongeveer tien meter daarvoor liggen balletjes op een matje klaar om geslagen te worden. Het stilleven staat symbool voor het proces dat Joost Steenkamer doormaakt. Buiten lonkt het verleden, binnen praat een zoekende man van 51 jaar over het heden, het waarom van aanwezig zijn, over de verleidingen en over zichzelf vinden. Het boekje ‘Bedankt voor het Spelen – over inspiratie, gemoedstoestand en succes’ dat hij in 2009 schreef, blijkt een opmaat voor zijn worsteling die hij hier en nu probeert te verklaren. Het is alsof golf hem de ogen (zijn hart en zijn hoofd) heeft geopend. Er is altijd meer! Maar waarom toch?

Soma (een ayurvedisch stofje in het kruid dat hij van de sjamaan kreeg aangereikt) leert je dingen, zegt Steenkamer. ‘Het haalt iets bij je weg, bij je pijnappelklier. Klieren hebben veel invloed op je waarneming en het bewustzijnsniveau. De waarneming wordt scherper. Die laat je dingen zien. Zoals de vrouwelijke kracht die in je huist, naast je mannelijke kracht. Aanvaard wat in je zit of er niet in zit. Het dient zich wel aan, je hoeft het niet na te streven. Zoals: kom op, nog eens 25 jaar golfen, tot je met pensioen gaat, wie weet ga je nog beter een bal slaan. Niet dus. De vraag is gewoon: wat wil jij? Net als met die slang met kundaliniyoga, die wil niet voortdurend zijn kop opsteken, die wil ook weleens gaan liggen. Die wil terug naar zijn oorspronkelijke energie. Omdat hij dat wil, terug liggen. Het is vooral doen wat je leuk vindt. Al is het niks.’

Nee, golfen was niet écht leuk. Het was een worsteling, een gevecht met en tegen zichzelf. Wie zijn boek leest huivert of vindt herkenning. Van sportpsycholoog Jan Huijbers, meridiaantherapeut Wouter Abraham, taoïsme, tai chi, kung fu, hatha yoga tot NLP (Neuro Linguïstisch Programmeren), SW (Systemisch Werken), OGW (Oplossingsgericht Werken), nichiren daishonin-boeddhisme en sjamanen. In al die methoden is hij bedreven geraakt – hij volgde onder andere een opleiding als Hatha Yoga Teacher en heeft een diploma in Sports NLP-Hypnosis Psychology. Maar hij is niet bedreven genoeg. Wat huist toch in zijn ziel? Waar treft hij zijn ware ik, de slang in zichzelf die zijn kop opsteekt en weer gaat liggen als hij dat zelf wil?

Altijd al was hij geïnteresseerd in Indiërs. Hun vormen van zoeken. ‘Allemaal via het centreren, het openen van de holte in je wervelkolom. Daar zit voor mij je core. Je stuitje, contact met de aarde, tot voorbij je fontanel. Als baby staat je fontanel open, maar bij ons westerlingen groeit hij dicht. Met dat medicijn, het soma, kwam ik dingen tegen. Zoals, dat ik ooit was gevallen op mijn stuitje. En dat er dan iets kan gebeuren waardoor je energie niet verder kan groeien. Daar kwam ik achter in die trance, tijdens de retraite. Het was me aangeraden door Bouke de Boer, oprichter van het trainingsinstituut NLP. Hij wist dat het wel iets voor mij was. De sjamaan vertelde over de vijfde dimensie. We moeten voorbij het oordelen, gewoon zelf voelen.’

JK1

Kunstwerken van Joost Steenkamer

Op een gegeven moment gaat het lichaam iets vertellen, weet Joost Steenkamer. ‘Ik heb het Brits Open gespeeld, 15 keer het KLM Open en wat Nederlandse toernooitjes gewonnen. Allemaal leuk en aardig. Maar ik heb de lat vrij hoog gelegd. Ik heb op mijn 47ste niet gehaald wat ik wou, en ik ben nu 51. Ik heb het niet gehaald op die manier. Maar ik weet: er zit nog een major-overwinning in mij, bij de seniors. Ok dus, wat ga je daarvoor doen? Mijn techniek was altijd kansloos, kut. Ik heb alleen op wilskracht gegolfd. Sommigen noemen het werkgolf. Het was niet mooi. Die bal moest en zou in zo min mogelijk slagen in de hole. Maar die batterij loopt zo wel langzaam leeg. Omdat je eigenlijk alleen maar werkt.’

Steenkamer wipt van zijn ene bil op zijn andere. Zijn handen vertellen een verhaal, zijn mond staat niet stil: onrust, het moet eruit, hij moet en zal het overbrengen. ‘Begrijp je dat? Gelukkig, je herkent het.’

Zo vertelt Steenkamer dat hij werd gevraagd als coach voor de Nederlandse Golf Federatie. Steenkamer deed het tien jaar. Maar ja: traditie, golf zoals het hoort, begaanbare paden. Het was niet wat hij diep van binnen wilde. Misschien de Senior Tour, maar dat kon pas na zijn vijftigste. Hoe overbrug je die periode? Er kwam maar niks.

Joost ging mediteren. Hij kwam in contact met het nichiren daichonin-boeddhisme, waar enkele andere (ex-)topsporters ook in belandden, zoals vechtsportster Lucia Rijker en voetballer Robert Baggio. Voortdurend chanten, zoals: namu myöhö rengekyö. Een harde manier van boeddhisme beoefenen, vindt Steenkamer. ‘Er kwam via Facebook een oude vriend op mijn pad, met wie ik in Amerika had gestudeerd. Ik leerde daardoor veel van wat sport betreft: in plaats van dat we eerst met onze voeten over de lat gaan, gaan we me ons hoofd over de lat.’

Steenkamer realiseerde zich dat hij als mens geen machine is. Het is altijd een gok. Hij herinnert zich enkele lezingen op De Haagsche, De Kennemer, De Rosendaelsche en andere golfclubs. ‘Ik stond daar te vertellen dat geen impact hetzelfde is, dat je er honderden keren acht uur per dag op kunt oefenen, dat elke pro of coach je vertelt hoe het moet, maar dat ik in 25 jaar professioneel golf nooit vertrouwen heb kunnen krijgen in welke blauwdruk dan ook. Elke pro zegt iets, het is bij iedereen anders. Het slaat allemaal nergens op. Niemand reageerde, het was doodstil. Dat is toch niet erg beleefd naar een gastspreker? Eén collega kwam naar me toe en zei: Dit is dus het einde van coachen. Ja, antwoordde ik, misschien.’

Hij wist het niet meer. ‘Ik kwam in een burn out terecht. Ik ben echt ziek geweest. Zwaar depressief. Ik kon helemaal niks meer. Overal een branderig gevoel. Ik zat hier op de bank naar tv-series te kijken. Dat zegt mijn dochter, ik weet er niks meer van. Ik was lam en blind, bevroren. Ik kon geen kant meer op. Ik was gewoon leeg, zwart leeg. Wel eng. Geobsedeerd door de dood, ook door een neef die zelfmoord pleegde. Ik zat in een hele lage energie. Ik zei tegen mezelf: zeg ja tegen dat verhaal in je hoofd en je lichaam, ga er dieper in. Het werd steeds enger. Ik kon niet meer slapen. Dat heeft anderhalf jaar geduurd, tot mijn 51ste. Toen kwam het bij me op: ik ga nog één keer proberen me te plaatsen voor de Senior Tour. Dat was drie maanden geleden. Ik moest toch ergens geld mee verdienen. Op de PGA Holland Tour kun je geen boterham verdienen. Er waren vijf plaatsen voor 250 gasten. Het was in Portugal, ik ging met Alan Saddington. Na zes rondjes moest ik op de laatste hole een hole-in-one halen om mijn kaart te halen. Mislukte. Eigenlijk zei het universum: nee, je zit niet in het veld, jij hebt geen bestaansrecht, jij kunt geen toernooien spelen. Dan maar terug naar de Challenge Tour? Kom op zeg. Dat heeft nooit goed gevoeld. Steeds maar met een sponsor lopen. Je geeft het geld alleen maar terug. Nee, niet doen. Dat wordt een kwelling.’

Hij en Saddington zaten in Portugal op het terras naast de achttiende hole te kijken naar al die binnenkomers. ‘Alan zei: je moet ervan houden. Tachtig procent van je tijd ben je jezelf aan het martelen. Zo is het. Je moet een autist zijn, schizofreen. Het is 90 procent shit. De slagen gaan niet zoals je wilt. Ik zag laatst Phil Mickelson winnen, voor mij een goeroe. Vijf jaar niks winnen en dan ineens weer wel. Veel mensen zijn dromers: je wilt winnen. Dat is je ego. Ik dacht: wat doe ik hier nou, een beetje tegen een balletje slaan, wat is de toegevoegde waarde? Helemaal naar Portugal, je neemt je caddie mee, verblijft daar in een mooi huis. Waarom, voor wie, voor je gezin, voor de samenleving?’

Zijn ervaringen lopen door elkaar, de verwarringen over zijn nabije verleden zijn nauwelijks te overzien. Nergens was er licht. Iemand vroeg hem of hij les wilde geven. ‘Wat nou? Ik? Ik was zo nerveus bij die eerste les, man, man. Ik stond te trillen als een rietje. Ik had nul grounding, maar niemand zag het aan me. Mensen zeiden dat ik het zo goed deed. Het deed me niks, helemaal niks. Ik was niemand. Dit was zeker Ik niet.’

Steenkamer meldde zich bij uitzendbureau Randstad en kwam daar een vrouw tegen die de oud-hockeysters Sylvia Karres en Arlette van der Meulen goed kende. Zij beheren het instituut De Sportmaatschappij, waar oud-sporters kunnen leren hoe ze na hun sportieve carrière (verder) kunnen leven. Hij werd uitgenodigd voor een workshop. En daar zei een gepensioneerd headhunter, zelf een golfer die vaak van Steenkamer had gehoord: Joost, je bent een ambachtsman. ‘Ambacht? Inderdaad, ik was vaak met mijn handen bezig, ik klooide veel en graag aan mijn clubs. Dat vond ik altijd leuker dan het golfen zelf. Langzaam begon het kwartje te vallen. Tijdens mijn zoektocht had ik door Kung Fu al kennis gemaakt met de elementen water, hout, metaal, vuur en aarde. Zou dat echt in me zitten? Mijn handen moesten leven, niet mijn hoofd.’

JK3

Een kunstwerk van Joost Steenkamer

Hij ging schilderen, verfwerk eigenlijk, binnen en buiten. ‘Als je een goede schilder wilt zijn moet je ook met hout kunnen werken, je moet je ondergrond kennen: metaal, kunststof, daar kun je heel erg in verdiepen.’ Zo ontstond zijn eenmansbedrijfje ‘De Swingende Kwast’. Verdiende hij tenminste nog zijn boterham.

Nog steeds doet hij dat graag. Maar er is meer. Binnen in hem ontdekte hij zijn creativiteit, dingen die hij echt leuk vond. Kunst maken dus, zich uitdrukken, zijn gevoel uitbeelden. Hans van de Bovenkamp, een 85-jarige sculptor die in de Verenigde Staten woont, liet hem een kunstwerk van steen zien met de tekst: What you seek is seeking you. Dat was het dus. Kunst maken, helemaal vanuit jezelf werken. Kunst zocht en vond Joost Steenkamer.

Hij kan niet wachten om zijn nieuwe levensinvulling te tonen. Boven heeft hij zijn kamertje. Daar staat en hangt zijn kunst, klaar en niet klaar – er kan altijd wat bij of af. Kunst en boeddhisme, daar ligt nu zijn passie. ‘Soms heb ik een klus. Leuk om dat te doen en ik verdien er geld mee. En af en toe geef ik nog les. Ik kon coach worden. Ik ben in gesprek gegaan en kwam er achter dat daar mijn hart niet ligt. De chemistry is er niet meer. Als je iets in opdracht doet, kan het zo zijn dat het eigenlijk niet meer leuk is. Het moet vanuit je hart komen.’

Dit interview is gepubliceerd in het mei-nummer van Golfers Magazine

Oud-wielrenner Leo Peelen: Kijk dan papa, wat ik nog kan!

21 Apr

Bijna dertig jaar geleden, in september 1988, veroverde hij op de Olympische Spelen als baanwielrenner op het onderdeel puntenkoers een zilveren medaille. Een glorieuze loopbaan lag voor de 20-jarige sportman in het verschiet. Het liep anders. Vijf jaar later stopte hij ermee. Succes en roem konden hem gestolen worden. Het was niet zijn keuze geweest: zo hard mogelijk fietsen om sneller te zijn dan anderen.

Een paar weken geleden, op vrijdag 24 maart 2017, stierf Leo Peelen. Hij was pas 48 jaar. Na een fietsclinic op de wielerbaan van Apeldoorn, waar hij jongeren op de fiets leerde racen, werd hij onwel. Hevig zwetend strompelde hij de baan af, nam in het sportcafe een drankje en zocht vervolgens naar het toilet. Pas uren later misten ze hem. Zijn auto stond op het verder verlaten parkeerterrein. Op het afgesloten toilet vonden ze hem: dood. Vier jaar had de in gewicht toegenomen sportman van weleer niet op een wielerbaan gefietst, zo lachte hij nog kort voor zijn dood. Hij besloot weer eens lekker voluit te gaan, één rondje maar, 250 meter. Mogelijk werd de overmoedige explosie van de kampioen van weleer hem fataal.

Een vriendelijke reus. Ontspannen, altijd anderen bemoedigend toesprekend. Een lieve man die al op jonge leeftijd meende dat hij wist hij wilde, hard fietsen. Maar nauwelijks was hij zijn adolescentie ontgroeid of hij wilde niet meer harder dan anderen fietsen. Al snel besefte hij dat het succes waar anderen hem om bewonderden, niet zijn succes was.

Een jaar na de olympische glorie, een tweede plaats die aanvoelde als een triomf, werd hij derde op de wereldkampioenschappen in Lyon. Maar ergens in zijn hoofd had Leo al een stemmetje gehoord dat hij er niet voluit voor was gegaan. ,,Alsof ik onbewust een excuus inbouwde voor als ik niet zou winnen.’’

In psychologische termen kan dit fenomeen self-handicapping worden genoemd. Uit een gevoel van faalangst excuses inbouwen om achteraf te kunnen verklaren waarom je hebt verloren. Of dat het geval was bij Peelen, wist hij toen nog niet. Een vorm van afweer was het zeker. ,,Mijn lijf en geest protesteerden. Onbewust deed ik een test: kijken hoe mensen reageren als ik niet win. Ik had iets bereikt, zilver in Seoul, en dat had me niet gegeven waar ik van droomde. Ik ben gestopt. Ik voelde dat topsport – een medaille, een plaats bij de wereldtop – mij niet zou geven waar ik als jongetje naar had verlangd.’’

Verlangen. Het begrip is gevallen. Dat was ook voor mij de reden geweest voor een gesprek met Leo Peelen, ruim twee jaar geleden. In een kort interview op de radio had hij iets van zijn proces verteld. Mijn vrouw hoorde het aan en meende iets te herkennen in wat mij al jaren dwarszat, resulterend in een paar burn-outs, uiteindelijk zelfs in een vervroegd pensioen. Wie wilde zo graag dat ik succesvol was? Ikzelf? Wie dan wel? Was het mijn vader? Ben ik wel mijn eigen weg gegaan?

Het gesprek schiep verwarring. Ik kon het niet opbrengen zijn verhaal op te schrijven. Te confronterend. Dit zou dus ook mijn verhaal kunnen zijn.

Leo vertelde me dat hij na zijn sportsuccessen op een dwaalspoor was beland. Tastend naar het onbestemde. Zeg maar: het zwarte gat. Waarom had hij zo hard moeten fietsen, harder dan anderen? Wat wilde hij daarmee bereiken? Ineens voelde hij dat de waardering voor hem als méns niet gold. Geen succesvol wielrenner, dan ook geen goed mens. Geen succes, geen aandacht, dan ook geen bestaansrecht. Twee (!) huwelijken, met twee kinderen, hielden het niet uit. Wat was er met hem gebeurd? Na een zoektocht van jaren legde een jonge vrouw (Froukje), met wie hij zijn leed en verwarring durfde te delen, een boek op tafel: ‘De herontdekking van het ware zelf’ van Ingeborg Bosch, een psychotherapeute die een methode (Past Reality Integration) had ontwikkeld die je terugvoert naar je jeugd, naar de manier waarop je ouders je hebben geconditioneerd.

Het was voor Leo een openbaring, die hij nu iedereen (vooral verwarde topsporters die tijdens en na hun loopbaan de oorzaak van hun opgedrongen drijfveer durven ontdekken) toewenste. Hij voelde in therapiesessies de pijn van vroeger. Zijn vader, een fanatiek wielrenner, ging altijd fietsen met zijn broer. Hij kreeg wél aandacht, Leo niet. Toen ontdekte Leo: als ik nou ga fietsen, geeft mijn vader mij (ook) aandacht. En als ik heel hard fiets, krijg ik de meeste aandacht. ,,Ik deed het gewoon om gezien te worden door mijn vader. Mijn vader moest me zien. Alles heb ik gedaan om gezien te worden door de mensen die mij dierbaar zijn. Doen we dat niet allemaal? Gezien worden door mensen die symbool staan voor je ouders? En wat als je ouders er niet meer zijn. Of als mensen je niet meer zien staan. Dan voel je je in de steek gelaten. Dan moet je het zelf doen, zonder de symbolische ouders. Eenzaam en alleen voel je je dan. Sterker: je zoekt naar ouders die er niet zijn. Je denkt volwassen te zijn. Maar je moet het zelf doen. En dat kun je niet. Dan val je om. Wat nu?’’

leo

Leo Peelen recent

Het volgende gesprek, een jaar later kort na de Olympische Spelen van 2016, verliep voor mij beter. Met zijn vriendin Froukje zaten we urenlang op een Arnhems terras. Na een jaar PRI-therapie was mij veel duidelijk geworden, zeker ook over mijn eigen proces. Ik had mij intussen ook laten voeden door reacties van de winnaars en verliezers – vooral op de Olympische Spelen. Bijna vanzelfsprekend kwam het proces van turner Yuri van Gelder aan de orde – en niet in de laatste plaats zijn verbanning uit de olympische ploeg. Wat dreef hem al vanaf zijn jongste jeugd om groot en sterk te worden? Een olympische medaille te veroveren als grootste trofee. Wie waren zijn ouders? Wat wilde hij (tegenover hen) bewijzen? Uit wat voor milieu komt hij? Wil hij aantonen dat hij meer is dan de ‘minderwaardige’ en vooral kleine jongen?

We kwamen er niet uit omdat we Yuri en zijn achtergrond te weinig kenden én hem niet bij wilden veroordelen. ,,Hopelijk krijgt die jongen de juiste begeleiding om ervan te doordrongen te worden waarom hij zo is geworden en waarom hij buitensporig gedrag is gaan vertonen. Verslavingsgedrag, verslaafd aan aandacht en euforie? Ik heb wel een vermoeden en zou hem daarom mogelijk kunnen helpen met mijn PRI-therapie-ervaring. Maar dat is vooralsnog niet aan mij’’, zei Peelen in augustus vorig jaar.

Leo Peelen werd ook geraakt door een uitlating van zwemster Ranomi Kromowidjojo: ‘Ik hoop dat mijn ouders nog één keer trots op mij kunnen zijn.’ Voor wie heeft ze al die jaren gezommen? Voor zichzelf of voor haar ouders die haar altijd gesteund hebben, sterker misschien: aangemoedigd? En dan verliest ze, althans ze wint niet. ,,Stelt ze dan haar ouders teleur of zichzelf? Hoe gaan haar ouders daar mee om? Dat is mijn vraag. Vanzelfsprekend zullen ze haar niets verwijten. Maar misschien voelt ze haar nederlaag wel als een schuld. Ik heb het voor mijn ouders gedaan. Heb ik het wel voor mezelf gedaan? Dat zijn grote vragen.’’

Dat gevoel van verplichting om je ouders te plezieren, kan verregaande gevolgen hebben. In het Amerikaanse tijdschrift Sports Illustrated werd al in 2003 in het artikel (Prisoners of depression) gewag gemaakt van winnaars die na hun triomf in een diepe depressie raakten, tot aan zelfmoord toe. Winnaars die op het erepodium geen emotie vertoonden, bevroren, niet beseffend waarom ze daar stonden. Mogelijk omdat hun ouders (soms onbewust) die prestatie hadden geëist. Dat bleek, zo vertelt het artikel, uit psychiatrische onderzoeken met betrokken sporters. De jacht op goud kent meer slachtoffers dan bekend wordt, mede uit overwegingen van privacy en medische beroepsgeheim – ook in Nederland.

Leo Peelen en ik stuurden elkaar berichtjes wanneer weer een topsporter herkenbaar gedrag vertoonde. We kwamen op oud-tenniskampioen Andre Agassi die in 2009 in zijn autobiografie Open schreef dat hij tennis haatte al vanaf hij op zijn derde jaar door zijn vader de tennisbaan werd opgestuurd. Al vóór zijn geboorte stond voor zijn vader vast dat Andre de beste van de wereld zou worden. Na 22 jaar en 22 miljoen slagen met zijn racket kreeg zijn vader gelijk. Agassi had Wimbledon gewonnen. Maar hijzelf wist zich geen raad met zijn gevoelens. Hij had nooit de kans gekregen zijn eigen levensvervulling te kiezen. Hoewel miljoenen fans hem adoreerden, haatte hij tennis. ‘Ik heb altijd gespeeld om mijn vader te plezieren.’ Andre had vaak willen stoppen, maar durfde dat niet tegen zijn vader te zeggen. ‘Iedereen was thuis blij als ik won, want dan was mijn vader te genieten. Tennis werd mijn vijand.’

Toch kampte Agassi met gevoelens van loyaliteit. ‘De inzet was hoog, omdat mijn vader liet blijken dat ik zijn laatste en beste hoop op succes was. Het leverde plichtsbesef op (…) Het is onredelijk van een kind te verwachten dat hij kan omgaan met zulke complexe emoties.’ Andre had geluk (mede dankzij Steffi Graf, de Duitse tenniskampioene, op wie hij verliefd werd ook omdat zij aanvoelde wat hij doormaakte) dat hij rond zijn 27ste een eigen identiteit ontwikkelde na een diepe identiteitscrisis waarin hij zijn toevlucht vond in harddrugs (onder andere cocaïne).

Golffenomeen Tiger Woods werd door zijn vader Earl The chosen one genoemd. De kleine Eldrick (koosnaam Tiger) moest en zou een kampioen worden, vooral de eerste zwárte golfkampioen. Tiger kreeg op zijn derde een golfclub in zijn handen en sloeg er al gauw – tot grote bewondering van vooral zijn vader – mee als een kampioen. Earl (een oud-vietnamstrijder), de man die zijn zoon van jongs af aan had gemaand te doen wat zijn vader hem adviseerde, overleed in 2006. Tiger was al een beetje in verwarring door zijn roem, scheidde van zijn vrouw, maar stortte na de dood van zijn vader echt ineen. Nog altijd weet hij de weg niet. Hij (nu 41) valt van de ene mentale crisis en lichamelijke blessure in de andere, mogelijk ook omdat hij in zijn poging terug te keren aan de top boven zijn ‘natuurlijke’ krachten gaat.

De Deense winnaar van de Tour de France van 1996, Bjarne Riis, bekende eerst dat hij gedurende zijn wielerloopbaan veel doping had gebruikt, zeker tijdens zijn triomf in 1996, en vervolgens dat hij na zijn bekentenissen (en onthullingen van de renners die hij als ploegleider onder zich had) in een zware depressie was beland. Toen hij in 2007 was afgekickt van zijn hang naar overdrive, overleed zijn vader en kort daarna zijn moeder.  Hij vertelde op de Deense tv-zender DR1: ‘Ik heb een enorme bagage vanaf mijn jeugd meegevoerd. Ik had altijd het gevoel dat ik iets moest bewijzen. Ik moest winnen, ten koste van alles. Daarin ben ik te ver gegaan. Ik ben door een zwaar proces gegaan toen ik weer clean was. Ik voel me nu normaal, volwassen. Zelfstandig. Maar ik voel de drang nog steeds, om paranoia van te worden.’

In de (niet-geautoriseerde) autobiografie Max van de alom bewierookte Nederlandse autocoureur Max Verstappen, stelt de auteur André Hoogeboom: ‘Als het succes van Max Verstappen op enigerlei wijze te herleiden is, dan wel op de invloed van pa Jos.’ Oud-coureur Jan Lammers: ‘Als Jos een groentewinkel had gehad, was Max nu groenteboer geworden.’ Max was 15 toen hij in Italië in kansrijke positie door een ‘kamikazeactie’ een kart in elkaar reed. Met tranen in zijn ogen wachtte hij de reactie van zijn vader af. Die zei dat hij niet met hem wilde praten. ‘Je hebt de race verpest en ik ben er doodziek van.’ Zeven dagen wisselde hij geen woord met zijn puberzoon. Dat mag wreed klinken, veel vaders zouden zich er diep voor schamen, maar precies daar is de basis gelegd voor Maxmania, de kilometerslange Verstappenfiles en in alle media luid bejubelde successen.

Vanuit zijn ervaringen als topsporter met een achtergrond en de herkenning bij bovenstaande voorbeelden, gaf Leo Peelen lezingen en trainingen aan ouders van jonge wielrenners. De Koninklijke Nederlandse Wielren Unie en zijn club RETO uit Arnhem gaven hem daarvoor de gelegenheid, mede omdat hij al acht jaar bekend was met de therapie PRI en daarvoor een opleiding als therapeut volgde. ,,Het gaat bij alles om bewustwording. Als een moeder zegt: ‘Ik heb mijn dochter gezegd dat ze altijd vooraan moet rijden om valpartijen te vermijden’ vraag ik: waarom? Als ze dan valt is het dus de schuld van de moeder. Dus laat haar vallen en zichzelf helpen. Als er dan een vader in de zaal zegt: ‘Dat gelul hoef ik niet te horen’. Dan zeg ik: ‘Ontkenning van behoeften. Je wilt wat van je zoon, vraag jezelf af. Dan zeg ik waarom je dat van je zoon wilt. Projectie, trots, iets wat jezelf niet hebt bereikt. Waarom leg je je kind iets op? Dat kan heel subtiel zijn. Je ziet hem verliezen en laat hem in zijn verdriet. Je ziet hem winnen en dan ga je uit je dak. Dat maakt afhankelijk.’’

Leo Peelen keek graag naar zijn dochter en zoon, die basketbalt. ,,Dan zit ik te kijken en mijn zoon scoort. Mijn buurvrouw op de tribune zegt dan: ‘moet je niet juichen?’ Nee, want ik juich ook als hij niet scoort. Dat klinkt obsessief, maar ik probeer te voelen dat een zoon die scoort niet zaligmakend is, voor hem en voor mij. Ik ben altijd trots op mijn zoon, niet alleen als hij scoort. Dat weet hij intussen.’’

Tijdens zijn lezingen vertelde Peelen zijn verhaal, over de hoop dat hij met zijn prestaties iets (een beloning, iets maatschappelijks, voortdurende waardering) zou krijgen. Over de wil om zichzelf te blijven bewijzen. Nooit zou het genoeg zijn. Nooit zou krijgen wat hij in zijn jeugd heeft gemist, de waardering van zijn vader. Dat wordt in PRI ‘oude pijn’ genoemd, de oude realiteit. Gevoegd bij de angst dat je ‘het’ nooit zult krijgen. Maar als volwassen mens kun je het niet meer voor je vader doen, je doet het voor jezelf. Je kunt het zelf. ,,Weet je dat ik pas 15 jaar na Seoul de zilveren medaille op mijn cv heb durven plaatsen.’’

Hij begreep ouders wel: je hebt alles over voor je kinderen. ,,Maar onbewust kun je ze sturen naar iets wat niet bij hen past.’’ En ook: ,,Een topsporter gelooft niet in therapie, liever niet, want dat zou duiden op ziek zijn. En een topsporter is niet ziek, een topsporter is kerngezond. Dat is het beeld wat in stand wordt gehouden, zeker ook door de sportbestuurders en de overheid. Kijk onze topsporters eens het toonbeeld van volmaaktheid en gezondheid zijn. Daarom moet in de preventieve sfeer iets gebeuren. Lezingen, cursussen en ouderavonden bij de clubs en bonden. En ook op scholen zijn speciale PRI-bijeenkomsten. Wat verwacht u als ouder van uw kinderen? Gunt u ze vrijheid zichzelf te ontwikkelen? Gelukkig zijn er veel kampioenen en medaillewinnaars die plezier beleven aan hun sport en mogelijk daarom zo goed zijn geworden. Maar toch, als straks het plezier ophoudt en de successen uitblijven, wat dan? Wie vangt de gevallen helden dan op?’’

Leo Peelen was een ervaringsdeskundige, een leermeester voor talenten en hun ouders. Voor mij. Nu hij er niet meer is, rijst de vraag wie zijn boodschap overneemt en verder uitdraagt. Dat topsporters, hoe zeer ook aanbeden en bewierookt door hun omgeving en de overweldigende media, beseffen dat ze hun eigen identiteit durven vinden. Zoek naar je ware zelf en laat je niet verblinden door blinkend eremetaal en applaus, dat stilvalt zodra je geen succesvol sportmens meer bent.

Zie ook: Website PRI

Dit artikel is in april 2017 gepubliceerd in Argus, een tweewekelijkse krant geschreven door gepensioneerde journalisten. Lees ook: http://www.argusvrienden.nl/

Beperkte sportmensen verdienen meer aandacht

19 Mrt


Ik heb geen seconde gezien van de Paralympische Winterspelen in PyeongChang, die – zo bleek mij – het afgelopen weekeinde eindigden. Ik vraag me af wie er wél heeft gekeken. Het zou me verbazen wanneer de kijkcijfers hoog zijn geweest. Of ligt het aan mij? Ben ik alleen geïnteresseerd in bijzondere prestaties van perfecte dan wel kerngezonde mensen? Zoals veel mensen om mij heen.

Ik zie eigenlijk liever natuurtalenten die alles uit hun uitzonderlijk mooie, atletische lichaam en sterk ontwikkelde geest weten te halen. Geconditioneerd als ik ben (door mijn opvoeding, mijn omgeving en de grote media) dat vooral de bewondering voor de geweldige mens belangrijk is. Zo moet je ook zijn, zo goed moet je later ook worden, alleen een 10 telt op school – dus ook met sport. Met mensen met een zesjesmentaliteit valt niets te beginnen: zwakkelingen, losers. Alleen winnaars tellen mee. Nietwaar?

Vooral de volmaakte mens krijgt waardering. Perfectionisme wordt verlangd. ‘Plusklassen op de basisschool, overvolle gymnasia en speciale programma’s voor superslimme studenten’, zo lees ik in Sir Edmund, de wetenschapsbijlage van ‘De Volkskrant’, ‘de verfoeide zesjescultuur in het onderwijs heeft plaatsgemaakt voor een strijd om hoge cijfers. Maakt dat jongeren ziek van perfectionisme?’

Ook in de sport viert het streven naar perfectionisme hoogtij. Citius, altius, fortius (sneller, hoger, sterker) heet immers het olympische credo. Wie niet wint, heeft niet voldaan aan de verwachtingen. Wie niet van nature sterk en snel genoeg is, ziet zich gauw gedwongen naar middelen te grijpen zoals geavanceerde trainingsmethoden, betere technologie, meer geld, riskante medicijnen en zo meer. Doping in welke vorm dan ook is eenvoudigweg (over)compensatie. Zonder winst geen glorie, geen medaille, geen heldendom, minder media-aandacht, minder kijkcijfers.

In het boek van het voormalige grote Nederlandse golftalent, Joost Steenkamer, ‘Bedankt voor het Spelen’, las ik zijn worsteling om de perfecte golfer te worden. Met behulp van sportpsychologen, meridiaan-therapeuten, goeroes, sjamanen, meditatie- en ademhalingstechnieken, (nichiren daichonin)boeddhisme, taoïsme, de natuur, NLP, Familieopstellingen, Kung Fu- en Tai Chi-meesters probeerde hij amechtig zo goed te worden als Tiger Woods eens was – of gewoon een constant harmonieus mens. Dat lukte hem niet. Het is zoals het is. Zo vertelde hij (52), net terug van een retraite met een sjamaan: What you seek is seeking you. Het lichaam kan alleen waarvoor het bedoeld is, de geest doet alleen wat ze kan – en dat is beperkter dan je verlangt. Het komt zoals het komt.

Ik las in ‘Der Spiegel’ het verhaal van de 33-jarige Duitse 104-voudige voetbalinternational Per Mertesacker die nu, vlak voor zijn afscheid, bekent dat hij voor een wedstrijd na al die jaren nog steeds veel last van misselijkheid heeft, door de druk waar profvoetballers mee te maken krijgen. Wanneer hij eenmaal zijn positie op het veld heeft ingenomen, krijgt hij er last van. ‘De misselijkheid komt vier à vijf seconden voor de aftrap. Elke keer opnieuw. Mijn maag keert zich om en ik krijg het gevoel dat ik moet overgeven. Dan moet ik zo hard slikken dat ik tranen in mijn ogen krijg en bijna moet huilen.’ Hij heeft het, net als veel voetballers, nooit willen toegeven. Van zijn vrienden pleegde doelman Robert Enke (hij was ook international) als gevolg van voortdurende depressies in 2009 zelfmoord. Lees: ‘Een al te kort leven’, de biografie van Enke geschreven door Ronald Reng. Tegenover sportpsychologen in dienst van zijn club zweeg Mertesacker (stoer of bang) altijd over zijn tekortkomingen.

Zo heeft ieder mens zijn beperkingen, ook de sportende mens – zelfs de topsporter. En toch verkeren wij in de waan dat de topsprinters, toprenners, topspringers, topzwemmers, topschaatsers, topturners en topvoetballers door God uit het ‘juiste’ hout zijn gesneden. Dat het geen gewone mensen zijn, maar supermensen, droommensen, bevoorrechte mensen. Modellen zoals onophoudelijk in reclames aan ons worden getoond: zo moet u zijn, zo perfect kunt u worden! Zoals Lionel Messi moet onze zoon kunnen voetballen! Zoveel geld als Messi moet onze zoon verdienen! Onze zoon moet perfecter zijn dan Messi, nog beter, nog talentvoller. Hij moet een alleswinnaar zijn!

Bibian Mentel


Eigenlijk zou ik meer geraakt moeten worden door de verhalen over de strijd die deelnemers aan de Paralympische Spelen hebben moeten voeren om aandacht te verwerven – liefst medailles te halen. Dat word ik nu pas, nu de Paralympische Winterspelen voorbij zijn. Zoals door het gevecht van Bibian Mentel, de Nederlandse parasnowboardster die tweemaal de afgelopen weken een gouden medaille won nadat ze negen keer van kanker was hersteld. De verhalen van zitskiër Jeroen Kampschreur, de parasnowboarders Lisa Bunschoten en Chris Vos, en zitskiester Linda van Impelen. En de gevechten die alle anderen met een ernstige beperking (onvolmaaktheid) hebben moeten leveren. Hun veerkracht, hoe ze hebben geleerd positief in het leven te blijven staan, wat hen dat oplevert naast een medaille of überhaupt deelname aan een kampioenschap of Olympische Spelen.


Zomaar (toeval?) werd ik geraakt (what you seek is seeking you?) door een interview in ‘NRC Handelsblad’ met beroepswielrenner Brian Kamstra voorafgaand aan Milaan-Sanremo. Hij lijdt aan diabetes. Sterker: hij rijdt in een Amerikaanse ploeg met alleen maar diabetespatiënten, Team Novo Nordisk. Alle deelnemende renners van de ploeg voltooiden afgelopen zaterdag Milaan-Sanremo, de snelste werd 65ste, de Spanjaard David Lozano, 2 minuut 23 achter de Italiaanse winnaar Vincenzo Nibali. Dat verhaal had ik graag in een van onze kranten gelezen. Ik las het op de website van Novo Nordisk, ver weg van de mainstream-media.

Topsport biedt meer dan perfectie. Vooral veerkracht, optimisme en omgaan met beperkingen werken inspirerend. Niet alleen de supertalenten verdienen aandacht ook de met zichzelf worstelende sportmensen. Juist aan hen kunnen we ons het beste spiegelen. Voor mij is vooral de mens die worstelt en (weer) bovenkomt een held. Ik neem me voor de gehandicapte (dan wel de beperkte of onvolmaakte) sporter intenser te volgen. Leerzaam.

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

Moet ik mijzelf dan afzonderen of laten inmetselen?

6 Mrt


Vanuit mijn nederige bosverblijf zie ik mezen, merels, gaaien, duiven en andere vogels mijn zaadcontainer bestormen. Ze zijn met velen. Durven ze wel met z’n allen!

Meer sympathie gaat uit naar de bonte specht, die alleen en onverstoorbaar zoveel mogelijk graantjes probeert mee te pikken. Alleen is maar alleen, maar hij doet het toch maar, die durfal. Geobsedeerd volg ik zijn obsessie: pikken, eten en doen zonder zich (ogenschijnlijk) iets van anderen aan te trekken.

Zo zou ik het ook willen kunnen. Dingen doen en zeggen, leven zonder me gestoord te voelen door mensen om mij heen. Niet ogen in mijn rug voelen prikken, niet bang zijn voor anderen – vooral hun oordeel. Angst en schuldgevoel maken zich in meer of mindere mate van mij meester wanneer ik iets doe of zeg.

Paranoïde ben ik niet. Maar ik kan vrij bang zijn voor een oordeel. Dat ervaar ik gauw als een afwijzing: ‘Zo doe je dat toch niet, dat is toch raar, zo kun je niet opgevoed zijn, doe normaal!’ Als ik dat niet daadwerkelijk hoor of voel, dan is er wel een stemmetje in mijn hoofd die mijn gedrag beoordeelt, sterker: afkeurt.

In boeddhistische boeken (of boeken over boeddhisme) word ik geconfronteerd met heremieten die zich in afzondering aanleren naar zichzelf (en hun lichaam) te luisteren. Na jaren van meditatie en contemplatie in een grot of boven op een berg met summiere levensbehoeften vertoefd te hebben dalen zij af naar de samenleving, waar iedereen elkaar tot gekte drijft in de jacht op succes en geluk, en worden zij verwelkomd als heiligen, verlicht. Zij worden aanbeden, want zij hebben het in zich alleen met zichzelf vrede te vinden – zo wordt aangenomen.

Vanzelfsprekend hebben zij zich veel moeite moeten getroosten om in deze veronderstelde staat van verlichting te geraken. Alleen, op jezelf kunnen leven zonder toegeven aan verleidingen, begeertes kunnen weerstaan, jaloezie en competitie kunnen vermijden; ze doorzien als een strijd met het telkens opspelende ego en dat opgeven.

Ik herken die strijd. Vrijwel alles staat in dienst van mijn ego. Wat ik doe, denk en voel wordt gevoed door mijn omgeving. Bij mij wel. Ik wil onafhankelijk kunnen zijn, autonoom: wat mij beweegt behoort aan mij en aan niemand anders.

Moet ik om dat te bereiken me afzonderen in een grot (of zelfs ingemetseld), jaren alleen op een berg in de Himalaya wonen? Daar uren verblijven in meditatie en contemplatie? Moet ik alleen mezelf voelen en alleen mezelf beleven, met alleen mijn lijf, adem, pijnen en oprispingen als gezelschap; de omgeving, de natuur en de hemel als mijn enige bondgenoten?

Ik zou me eenzaam voelen – en dat wil ik niet. Dan maar een ego dat wordt geleid door invloeden van buiten, van mijn naasten met wie ik het goed wil kunnen vinden. Dan storen ze me maar in mijn comfortzone, dan schudden ze me maar wakker: ‘Kom op Guus, je bent niet alleen op de wereld, doe eens mee met ons’. Ik heb het nodig om wakker te blijven, mijn vijanden als bewakers te zien, zodat ik niet inslaap en denk dat er maar één op de wereld is en dat ‘ik’ dat ben.

Meedoen, niet alleen op jezelf leven en voor jezelf zorgen, zo suist het voortdurend door mijn hoofd. ‘Stop eens met alleen voor jezelf op te komen!’ Het is mijn dilemma – en mogelijk dat van vele andere mensen. Mijn ego is me heilig. Hoewel ik ervaar hoeveel lijden dat veroorzaakt. Anderen moeten mij even lief zijn, vind ik. Hoe doe je dat? Kiezen: jezelf minder maken en de ander meer. Misschien dat heremieten, monniken, lama’s en boeddhistische boeken mij daarbij kunnen helpen.

Ik hoop het, want mijn gulzigheid (begeerte) wordt op de proef gesteld. Ik wil het voortdurende geluk vinden – hoe en waar dan ook. Liever niet in een grot boven op een berg, los van de levensbehoeften die mij vaak een voldaan gevoel geven. Ik wil hier kunnen leven, tussen mijn geliefden, vrienden en mijn vijanden.

Guus van Holland is vriend van Shambhala Leiden

Deze column is gepubliceerd op de voorjaarseditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Niemand kan mannetje Akwasi tegenhouden

10 Feb

Foto-Facebook-Akwasi-FrimpongBijna acht jaar geleden sprak ik asielzoeker Akwasi Frimpong voor de derde en voorlopig laatste keer voor NRC Handelsblad. Hij moest en zou als Nederlander naar de Olympische Spelen, als sprinter. Dat lukte niet. Maar hij kreeg uiteindelijk na een zwaar gevecht met de autoriteiten een verblijfsvergunning. Nu start hij  op de Winterspelen voor zijn geboorteland Ghana op het onderdeel skeleton. Een jonge man om van te houden.

Studeren, hardlopen en bidden. In je eentje vechten tegen botte ambtenaren. Akwasi Frimpong deed het jarenlang en won. Volgens de theorie van het konijn.

Door Guus van Holland. 24 september 2010. Daar staat hij weer, bij de ingang van het Utrechtse theater. Akwasi Frimpong, het fors gebouwde mannetje met de eeuwige grijns. Hartelijk en dankbaar als altijd. Trots op wat hij na jarenlang vechten tegen de Nederlandse autoriteiten heeft bereikt. En nog altijd blakend van strijdlust.

Moe van het vechten? Natuurlijk niet. Akwasi, 24 jaar, geboren in Ghana, getogen in Amsterdam Zuidoost, studerend in de Verenigde Staten, atleet en sinds twee jaar Nederlander, zit het vechten in het bloed. Als hij niet met vechten bezig is, dan droomt hij. In 2012 wil hij naar de Olympische Spelen, als sprinter. Niemand houdt hem tegen, nooit heeft iemand hem tegen kunnen houden.

Soms wordt Akwasi ’s nachts wakker. Dan zijn de demonen weer bezig zijn dromen te verstoren. Dan komt de woede boven. Hoe autoriteiten als destijds minister Rita Verdonck hem telkens weer botweg geen verblijfsvergunning gaven. Pas als hij terugdenkt aan de mensen die hem hebben geholpen, aan vrienden, artsen, juristen, journalisten en aan atletiektrainer en jongerenbegeleider Sammy Monsels, burgemeester Job Cohen, NOC*NSF-voorzitter Erica Terpstra en Johan Cruijff, pas dan kan hij verder dromen.

Daar gaat ‘De Theorie van het Konijn’ over, een documentaire van Rinske Bosch en Nicole Batteké, die gisteren op het Nederlands Film Festival zijn première beleefde. Als de voorstelling voorbij is, staan bij op z’n minst de helft van het publiek de tranen in de ogen. De slotscène, waarin Akwasi naar de Verenigde Staten vertrekt en afscheid neemt van zijn vriendin, zijn schoonfamilie en zijn ‘tweede vader’ Sammy Monsels is hartverscheurend. Akwasi gaat studeren en trainen aan de Utah Valley University. Hij bekwaamt zich in Business management en communication, waarvoor hij de basis legde aan het Johan Cruijff College.

Akwasi huilt niet, zoals de anderen in de zaal. Hij huilt alleen ’s nachts, als hij zijn strijd tegen de autoriteiten die hem niet wilde begrijpen herbeleeft. Nu staat hij zonder een spoor van emotie een verklaring voor te lezen, waarin immense dankbaarheid de boventoon voert. Hij vertelt over nieuwe uitdagingen, over motivatielezingen die hij mag houden in de Verenigde Staten en Engeland. Over zijn jeugd. Drie jaar was hij pas toen hij in Ghana werd achtergelaten bij zijn oma. Vijf jaar later haalde zijn moeder hem naar Nederland.

Het eindeloze gevecht begon. Hij werd ontdekt als hardlooptalent door de Surinaamse oud-sprintkampioen Monsels bij schoolwedstrijdjes in de Bijlmer én werd nationaal jeugdkampioen. Hij werd model-leerling van het Johan Cruijff College en kreeg in 2007 de International Johan Cruyff Award, als beste student. Maar die wapenfeiten waren jarenlang niet voldoende om hem het Nederlanderschap te verstrekken.

Meeslepend zijn de beelden waarop de geëmotioneerde Johan Cruijff hem de oorkonde overhandigt én een shirt van het Nederlands elftal met nummer 14 en de naam Akwasi op de rugzijde. Zo wordt de kijker meegenomen in de ongelijke strijd van een jonge Ghanees, hard studerend, hard lopend en hardnekkig biddend om asiel te krijgen. Hoe Monsels hem opving, zoals de 57-jarige Surinamer heel veel kansarme kinderen in de Bijlmer in de armen sloot.

Zeven jaar lang volgden Rinske Bosch en Nicole Batteké het mannetje dat iedereen te vriend wilde hebben. Maar wanneer moesten de opnamen stoppen, wanneer was de film klaar? Het gevecht zou toch nooit worden gewonnen. Maar Akwasi won, in 2007 kreeg hij een verblijfsvergunning. Bij de officiële uitreiking in Amsterdam zong hij het Wilhelmus, samen met zijn vriendin Kimberly.

akwasi-frimpong2Vechten verleert hij nooit meer. Dat heeft hij van zijn oma geleerd, als jongetje. En van Monsels, die hem over de theorie van het konijn vertelde. „Zie jezelf als een konijn in een kooi tussen allemaal leeuwen, wil je overleven dan zal je altijd optimaal geconcentreerd moeten zijn.”

Akwasi roept elke dag deze levensles op. Toch blijft zijn hoofd vol zitten met trauma’s, zoals Monsels in de film vertelt: „Als je hoofd niet vrij is, kun je niet optimaal presteren als hardloper. Er is een blokkade. Die moet weg. Maar hoe?” Monsels praat vaak met zijn ‘pleegkind’ over de verwerking van de pijn in zijn jonge jaren. „Maar dertien jaar vechten tegen botte ambtenaren verwerk je als jongetje niet gauw.”

Akwasi praat na de voorstelling over tegenkrachten die hem juist sterker hebben gemaakt. Hij wil een rolmodel zijn, een voorbeeld voor andere jongeren. Dat geluk maakbaar is. „Ik voel me fantastisch. Ik wist niet dat dat gevoel ook bestond. Morgen sta ik in Londen en vertel ik mensen hoe je kunt vechten tegen mensen die je niet willen begrijpen. Mijn gevecht is echt nog niet voorbij. Ik voel me er zelfs fijn bij. Ik behoor al tot de beste sprinters van Nederland, nu nog de Olympische Spelen. Dan is mijn droom verwezenlijkt en kan ik iedereen laten meedelen in mijn vreugde.”

Eerdere verhalen en interviews met Akwasi Frimpong van mij in NRC Handelsblad:

https://www.nrc.nl/nieuws/2005/02/05/respect-discipline-en-doorzettingsvermogen-3403382-a229259?utm_source=SIM&utm_medium=email&utm_campaign=nboverig&utm_content=&utm_term=20180210

https://www.nrc.nl/nieuws/2007/12/22/studeren-bidden-sporten-voor-asiel-11457243-a371840

%d bloggers liken dit: