Alle mannen hebben toch ook een zachte kant?

28 jun

Alle mannen hebben een zachte kant, naast hun harde kant. Ze willen het niet weten, is mijn indruk. Of ze zijn bang hun zachte kant te tonen. Een vorm van angst om door de mand te vallen. Mannen behoren immers stoer en sterk te zijn, toch? Mannetjesputters die kunnen scoren, winnen. Die de beste zijn – waar en wanneer dan ook. Kijk mij eens, zo slaan ze zichzelf op hun (getatoeëerde) borst.

Mogelijk laten ze hun zachte kant wel zien tegenover hun vrouw (’s avonds in bed), hun (kleine) kinderen en/of hun huisdieren. Of wanneer ze niet in een groep (van mannen) verkeren, maar alleen zijn met een ander. Dan zijn ze anders, hoeven ze zich niet te bewijzen als telg van het zogenaamd sterke geslacht. Dan kunnen ze ook iets van zichzelf laten zien, dat ze wel degelijk liefde in zich dragen.

If you want to be a champion, you have to look like a champion. Zo verkondigde judokampioen en sportbestuurder Anton Geesink vaak. Dat vond ik destijds een mooie uitspraak. Zeker omdat ik het voor mij zag zodra kandidaat-kampioenen – wel of niet geïnspireerd door sportpsychologen of hun gedreven coaches – zich als een onoverwinnelijke man gingen gedragen. Zoals Geesink.

Ik herinner me een sportman die voor belangrijke wedstrijden een koptelefoon opzette met opzwepende muziek (The eye of the tiger) die van hem een ‘gevaarlijke’ Rambo maakte. Toegegeven, het kwam wat koddig over, vooral omdat ik wist dat hij eigenlijk een lieve jongen was die nog geen vlieg kwaad zou doen. Het hielp de aardige en lieve kampioen dus niet. Hij kreeg vervolgens een coach toegewezen die hem groter, sterker en vooral stoerder moest maken. Wat ook niet hielp. Hij was nu eenmaal en bleef een zachtaardige jongen

Het valt mij steeds meer op dat veel mannen hun zachte kant camoufleren door uitbundig te schreeuwen en/of hun scores aan de grote klok te hangen. Mogelijk vindt die observatie haar oorzaak in het feit dat ik zelf juist mijn stoere kant wil afgooien en mij meer wil toeleggen op mijn zachte, meer menselijke, oprechte zelf. Die andere, stoere mannen, vormen voor mij een spiegel. Zo wil ik niet langer zijn. Ik wil toegeven dat ik soms zwak ben, niet in staat ben om (altijd) te scoren. Gewoon een man met beperkingen ben, niet kan winnen en niet per se hoeft te winnen.

Mijn observaties gaan soms zo ver dat ik andere mannen meen te zien worstelen met hun ego. Ik weet niet of ze worstelen. Dat zou ik hen kunnen vragen: ‘Heb jij dat nou ook? Dat je niet zo sterk bent als je je voordoet.’ Maar ik durf het nauwelijks. Bang om uitgelachen, afgewezen te worden. ‘Mietje, watje, slapjanus’ of zoiets.

In boeddhistische kringen lukt me die confrontatie beter. Het is alsof ik me daar juist thuis voel omdat mensen (mannen) daar ook echt willen én kunnen zijn. Meditaties geven mij ook steeds meer het gevoel wie ik echt ben en wat ik echt voel. En mogelijk heeft dat bij boeddhistische lotgenoten dezelfde uitwerking.

Sinds mijn stilteretraite van twee weken in april is mijn worsteling (met het daaraan gekoppelde chagrijn, de vijandigheid, de afgunst, het ongeduld, de afwijzing en de afkeer) toegenomen. Daar werd mij geadviseerd mezelf te zijn, dat alles was ik deed en zei gepermitteerd was. Ik hoefde niet de schijn op te houden. Ik hoefde niet sterk en stoer te zijn en niet bij de collectieve meditaties op de eerste rij te zitten om te laten zien hoe goed ik kon mediteren. ‘Ga achteraan zitten, desnoods op een stoel als je pijn in je rug en schouders hebt.’

Het doet me denken aan een hardloopwedstrijd waarvoor ik me had ingeschreven. Per ongeluk startte ik op een voor mij te lange afstand. Daardoor was ik al snel de laatste van de groep deelnemers. Een EHBO-man op de fiets meldde zich veiligheidshalve bij mij en stelde zich voor met naam en toenaam. Wat mij toen verder allemaal ten deel viel, ook van de toeschouwers! Bij mijn aankomst als laatste werd ik verwelkomd door luid claxonnerende automobilisten en hard applaudisserende mensen. Het voelde alsof ik had gewonnen, hoewel ik toch ‘de zwakste’ en de ‘laatste’ was. Wat een ontdekking!

Ik vertelde dat verhaal aan verschillende vrienden (mannen). De antwoorden waren heel verschillend, van ‘wat stom van je en ‘lachwekkend’ tot ‘leuk hè’. Ik vertel het ook nu met enige trots. ‘Inderdaad, ik ben niet zo goed en sterk, en dat voelt niet slecht’. Blijft de vraag waarom veel mannen nog altijd mannetjesputters willen zijn. Is het conditionering (mannen behoren groot, sterk en stoer te zijn)? Of is het de angst om zwak te zijn? Ik blijf het me afvragen. En misschien durf ik dat toch eens van man tot man te vragen. Wie weet durven mannen zich oprecht te gedragen.

Deze column verschijnt binnenkort op de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Hoe vind ik mijn eigen weg – en niet die van anderen?

2 mei
Kersenbloesem

Een merel trippelt over het gras dat bezaaid ligt met fleurige kersenbloesem. Hij kijkt mij aan en lijkt zich af te vragen wat ik daar op die stoel doe. Na een minuut trippelt hij verder, de gevallen bloesemblaadjes die onlangs nog aan de boom vastzaten, omzeilend. Mogelijk is hij gerustgesteld omdat ik naar zijn idee niets kwaads in de zin heb. Hij laat mij met rust, geeft mij de gelegenheid te doen en te denken wat ik wil.

Het is een observatie die mij doet denken aan de reactie van een boeddhist op mijn vorige column Terug naar het echte gevoel, over mijn ervaringen in de dathün in Dechen Chöling. In de reactie werd ik gecomplimenteerd, maar werd mij er vervolgens wel op gewezen dat ik – in de waan dat alles wat ik deed en dacht goed én niet slecht was – niet de maatstaf zou worden voor mijn reactie op het gedrag van anderen. Pas op, zei hij, dat je wat anderen doen en denken niet afkeurt omdat jij hebt geleerd dat jouw gedrag goed is en niet slecht.

Mij wentelend in mijn toegenomen zelfvertrouwen, merkte ik dat het niet aan mij lag als anderen mij niet begrepen. Zij waren dom of zaten niet op mijn level. Ik hoefde niet te veranderen, zij moesten veranderen. Mijn smaak, mijn mening was heilig. Die moesten anderen maar overnemen. Dat anderen er anders over dachten, was dom en kortzichtig. Zo meende ik. Eigenlijk was dat al jaren zo: ik was de verstandigste, de heilige, et cetera.

Mogelijk dat ik me daarom zo vaak eenzaam heb gevoeld. Iedereen moest zijn zoals ik: zo denken, zo voelen en dezelfde smaak en mening hebben. Als een wereldverbeteraar: de wereld moest zijn zoals ik het wilde. Mijn mening, mijn smaak en gedachten deden ertoe. Die van anderen niet.

Een halve eeuw geleden zat ik tegenover mijn eerste psychotherapeut te klagen dat niemand (geen enkele vrouw) aan mijn favoriete beeld beantwoordde. Hoe hij of zij dan zijn moest, vroeg Yde (zoals hij heette). Nou, gewoon, zoals ik, antwoordde ik kort. Het begrip perfect noemde ik nog net niet. Want zo perfect als ik was vast en zeker niemand.

Yde

Op zijn begrafenis kwam ik zijn ex-vrouw tegen. Zij wist het, van mijn eisen, en vroeg: ‘Ben je gelukkig?’ Ik begreep wat zij bedoelde, en bekende: ‘Mmm, maar niet volmáákt gelukkig.’ Het was alsof ik duidelijk wilde maken dat ik met minder genoegen had genomen. Zij zei mij te begrijpen en voegde eraan toe: ‘Zo was Yde ook, hij verlangde naar het perfecte leven maar vond het niet. Daarom vond hij jou ook zo aandoenlijk en daarom wilde hij juist dat jij op zijn begrafenis was. Hij begreep jou echt. Uiteindelijk begreep hij ook waarom wij uit elkaar gingen.’

Yde was mijn beste leermeester. Toch wist hij mij er niet van te doordringen dat het leven van een mens eenzaam (alleen zijn) is en dat er altijd andere mensen, andere meningen, andere gevoelens en andere smaken bestaan.

Na een van de sessies zei Yde: ‘We moeten nu stoppen.’ ‘Maar’, antwoordde ik, ‘ik heb een uur lang niets gezegd’. ‘Nee’, zei Yde, ‘klopt. Het is goed, maak je geen zorgen. Zo doe jij dat nu eenmaal.’

Yde was in vele opzichten mijn leermeester. Hij vertelde over zijn experimenten met drugs – en met vrouwen. Dat was zijn zoektocht. Nooit vond hij wat hij zocht. Zoals ik. Tastend naar het onbestemde, wist een van mijn vrienden mij te typeren. Yde belde mij later weleens op, ik hem. En ik vroeg hem om raad als ik van werkgever wilde veranderen. Zijn advies was altijd: ‘Laat je niet door anderen gek maken. Doe wat je zelf wilt. Het is zo moeilijk jongen, ik weet het: jij bent jij, ik ben ik. Maar de keus is altijd aan jou.’

Yde stierf blind. Hij ging wandelen met mensen die hem de weg wezen. Het was niet zijn weg, het was een weg die anderen voor hem uitzochten. Vlak voor zijn dood, kreeg ik een (gedicteerd) briefje van hem: ‘Ik kan mijn weg niet meer vinden. Jij wel.’

Het boeddhisme helpt me op weg. Het pad dat zegt: elke weg is goed. Maar, zo besef ik steeds meer door te mediteren, die weg is alleen voor mij goed. Welke weg een ander kiest, is zijn weg. Op welk level hij of zij ook leeft, over welk intelligentieniveau hij ook beschikt, welk gevoel, smaak of opvoeding hij ook heeft ontwikkeld. Niemand is zoals ik. Als anderen schreeuwen en kwetsen om hun mening kracht bij te zetten, hoef ik dat niet te doen. Laat ze doen, denken wat ze willen. Wat ik wil is genoegen nemen met mijzelf.

Ik ben als die merel die over mijn met kersenbloesem bezaaide gras trippelt. Ook ik kijk even en wacht op het gevoel dat zodra het veilig is ik mijn eigen gang kan gaan. Ik probeer op mijn eigen manier (verlegen of mijzelf overschreeuwend) verder te trippelen. Een moeilijke weg, dat wel.

Terug naar het echte gevoel

13 apr
De grote vijver bij Dechen Chöling, gegraven in de vorm van een hart

Wat kunnen mensen veel te verwerken hebben wanneer zij onder ogen zien hoe zij in de loop van hun leven zijn gevormd. Hoe zij op de wereld kwamen, hoe hun ouders hen verwelkomden, hoe zij zijn opgevoed, hoe hun omgeving reageerde, hoe onderwijzers en onderwijzeressen, leraren en leraressen, geliefden, collega’s, chefs, vrienden en vriendinnen meenden hun verlangens te moeten uiten.

Al deze invloedrijke factoren kwamen voorbij tijdens mijn (halve) Dathün, een stilteretraite van twee weken in Dechen Chöling, het Europese Shambhala-boeddhistisch centrum in Frankrijk. Stil, zonder afleiding, zittend en wandelend mediteren, luisteren naar de leraar, yoga-oefeningen, geconcentreerd eten en drinken (geen alcohol), kringgesprekken, evaluatie-interviews, geen radio, geen televisie, geen niet-boeddhistische boeken, geen kranten of andere (sociale) media, geen seks; alles om niet af te dwalen van het echte gevoel. Vooral om het oorspronkelijke (verdrongen) gevoel te leren kennen.

Eerder had ik enkele jaren geleden al twee keer ter plekke een stilteretraite van een week ondergaan. Het was nu veel zwaarder, echt confronterend. Zeer waarschijnlijk ook voor alle 12 deelnemers, uit Frankrijk, Duitsland, Zwitserland, Ierland, Schotland, Brazilië en Nederland; ik meende te zien hoe de mannen en vrouwen net als ik tegen en met zichzelf vochten. Al bij mijn eerste gesprek met de Frans-Canadese leraar Simon werd duidelijk dat ik (te veel) mijn best deed. Ik zat op de voorste rij op mijn kussen, recht tegenover de leraar, mijn rug recht. Ik kreeg pijn in mijn rug (nooit in tien jaar heb ik dat tijdens mijn dagelijkse meditatie gehad). Ik zat onrustig en voelde dat ik gezien wilde worden.

Waarom, vroeg Simon, ga je niet op de laatste rij zitten en – als er behoefte is – op een stoel? Maar had ik niet zojuist ontdekt hoe mijn leven was verlopen, waarom ik zo bezig was geweest? Ik was zowaar opgelucht: nieuw inzicht. Waarom dan anders? Gewoon: wees vriendelijk voor jezelf, pijnig je niet. Aldus Simon.

Bij het volgende gesprek (met de Franse assistent-lerares Françoise) vertelde ik trots dat ik nieuw inzicht had verworven. Mooi, dat ik dat voelde, dat mag. Zei zij. Een paar dagen later bleken de nieuwe inzichten uit te zijn gebleven. Ik was weliswaar op een stoel achteraan gaan zitten. Maar het was saai geworden, er gebeurde niets, ik voelde niets. De oude, lieftallige Françoise glimlachte en antwoordde in Frans-klinkend Engels: ‘Welcome to the club.’

Ik zag in dat ik de eerste twee dagen op zoek was geweest en juist daardoor iets had ontdekt; dat wilde ik voortzetten. ‘Laat komen wat komt’, zei Françoise, ‘ga niet op zoek, verveel je, doe niet je best. Doe wat bij je past: alles is goed, niets is fout. Pijnig je niet. Angst voor straf is niet nodig’.

Dat laatste had Simon in het begin van de retraite al gezegd: alles is goed, niets is fout. Toch had ik gedaan wat ik meende dat van mij werd verwacht, zoals ik dat mijn hele leven had gedaan – anders deugde ik immers niet en zou ik vast en zeker straf krijgen. Of ik deed juist het omgekeerde, uit een uit wanhoop ontstane rebellie, en ging zo op zoek naar bevestiging. Die ik dan nota bene kreeg. Zo ontstond verwarring: maar wie was ik werkelijk?

Het chateau

Zo worstelde ik verder. Ik stond op van mijn kussen wanneer ik mij ongemakkelijk voelde, verdween naar mijn kamer, dook in bed en voelde me eenzaam, verlaten en vooral wanhopig. Ik verborg mijn hoofd in mijn handen en was ten einde raad – tot huilens toe.

Ik sloeg maaltijden (ontbijt, lunch en diner) over omdat de oryoki (Japanse zen-methode, mindfull eten, genoeg is genoeg) mij te ingewikkeld was en ik daarvan in de stress schoot. Dat zag de oude Franse assistent-leraar Henry (met staartje), zonder een oordeel te vellen. Hij bood me trainingen aan, maar liet me verder met rust: als het niet gaat dan gaat het niet, als je het niet wilt dan is het ook goed.

Ik werd nergens toe gedwongen, wat ik ook deed, het was mijn gedrag – en ik werd niet bestraft. Daarvan leerde ik, zo moeilijk ik het altijd had gehad als anderen wat van mij verlangden: ik mocht nu zijn wie ik was.

Zo worstelde ik twee weken lang. Een keer wandelde ik in mijn eentje de natuur in, zag meer dan ik ooit gezien heb en nam tegen de regels (want afleiding) mijn iPhone mee om foto’s te maken. Tot mijn verbazing en vreugde zag ik twee keer een zwemmende bever (mogelijk zag ik een muskusrat aan voor een bever). Ik belde tegen de voorschriften een keer naar huis om mijn ervaring te delen, eigenlijk om bevestiging te krijgen. Zoals na mijn ervaring met de 16-jarige Ierse jongen die voor mij zat te mediteren en plotseling begon te huilen. Even later zag ik hem buiten de meditatiehal omhelsd worden door zijn vader. Wat een jaloezie maakte zich toen van mij meester, wat een emotie! Het was zwaar, in mijn eentje, zoekend naar wie ik echt ben en wat ik echt voel.

Na afloop van de retraite vertoefde ik een dag in de grote stad, Limoges, en raakte daar nog meer in de war. Om nog maar te zwijgen van mijn kortstondige verblijf de volgende dag in Parijs. Dit was de grote wereld met al zijn geconditioneerde gedrag. Ik werd keihard geconfronteerd met wat de samenleving van ons verlangt, wat mensen doen, hoe zij eruit zien. Mensen doen wat zij opgedrongen krijgen. Ze weten niet beter dan dat het zo hoort. Wie vertelt hen dat het ook anders kan. Zonder daarvoor gestraft te worden.

Deze column is in licht verkorte vorm op de website Vrienden van het Boeddhisme gepubliceerd: https://vriendenvanboeddhisme.nl/

‘Het is onze tragedie. Het zijn onze helden’

5 feb

In 2008 bezocht ik als verslaggever de herdenking van de ramp die in 1958 plaats had in München: the Munich Air Disaster. Daarbij kwamen acht spelers en vijftien bestuursleden en journalisten om het leven. ‘Heb je gehoord hoe al die mensen The Flowers of Manchester zongen?’

Matt Busby ligt in een ziekenhuis van München aan het zuurstof, enkele dagen na de ramp

Mannen en vrouwen van middelbare leeftijd knielden neer voor Old Trafford, het stadion van voetbalclub Manchester United. Ze legden bloemen, foto’s en vlaggen voor het monument ter nagedachtenis aan de Munich Air Disaster. Hun kinderen en kleinkinderen spreidden sjaals van Manchester United uit over de bloemenzee. Fans van nu schreeuwden het hart uit hun lijf: United will never die. Oude en jonge mensen troostten elkaar. Ze waren met duizenden, ze huilden om het verdriet dat hun club vijftig jaar geleden is aangedaan. United blijven ze, voor eeuwig. Lief en leed gaan altijd samen bij deze voetbalclub.

Keep the flag flying’, zei manager Matt Busby vijftig jaar geleden tegen zijn assistent Jimmy Murphy, terwijl hij in een ziekenhuis van München vocht tegen de dood. Busby zou zijn strijd winnen, net als Manchester United. Tien jaar na de vliegramp van 6 februari 1958 die acht spelers van de club, en nog eens 15 bestuursleden en journalisten het leven benam, won United de Europa Cup.

Nu is United een van de rijkste en beste clubs ter wereld. Met de Schotse manager Alex Ferguson die alles doet wat zijn illustere Schotse voorganger Busby, die in 1994 overleed, ook deed. Hij is keihard en menselijk tegelijk. Want alles wat voetballers op Old Trafford laten zien moet een hommage zijn aan die mensen op de tribune: het volk dat hunkert naar saamhorigheid, identiteit. Wie de duizenden woensdag zag huilen en schreeuwen, begrijpt waarom Ferguson net als Busby en Murphy, net als de overlevenden Bobby Charlton, Harry Gregg, Bill Foulkes, Kenny Morgans en Bill Scanlon, net als de hedendaagse idolen Ryan Giggs, Cristiano Ronaldo en Wayne Rooney, zoveel onderdrukte emoties losmaken. Dit is meer dan voetbal, dit is een geloofsovertuiging.

De clubpastoor van United John Boyers, die de twee uur durende herdenkingsdienst op Old Trafford leidde, zegt verheugd te zijn dat zoveel mensen geloven in het goede dat voetbal teweegbrengt. „Ik ben hier om mensen te steunen, maar ik kan niet op tegen wat de club en haar voetballers bewerkstelligen. Ik ben hier omdat ik van mensen hou, omdat ik mensen wil steunen in hun geloof in een club. Voetbal brengt mensen tot goed en helaas ook tot kwaad. Het is een wereld waar emoties, zoals verdrongen agressie, twijfel en hoop elkaar vinden.”

The scoreboard at Old Trafford, Manchester United remembering the players who lost their lives in the
Munich Air Disaster on February 6th 1958 (Photo by Matthew Ashton/AMA/AMA/Corbis via Getty Images)

In de kroeg aan de Matt Busby Lane, een paar honderd meter van Old Trafford, doen de fans Ian, Peter en Mark onder het genot van heel veel bier verwoede pogingen het United-gevoel te verwoorden. Ze weten alles van United. Ze zetten zich af tegen de vercommercialisering van de club, maar ‘for United we stand‘. Mark is al sinds hij in maart 1958 werd geboren als vanzelfsprekend fan. Zijn moeder was beheerder van de eerste souvenirshop, een houten keet. Zijn grootvader verkocht programmaboekjes. Zijn oom was lid van The Spinners, die The Flowers of Manchester beroemd maakten, een lied over de acht ‘Busby Babes’ die het leven lieten bij de ramp . Zijn hele familie is United. Hij heeft zijn eigen United-weblog. Hij huilde en zong tijdens de ceremonie, te midden van duizenden fans. Hij dronk zich ’s avonds te pletter. Maar hij leeft nog. Omdat hij van United is. ‘Ik leef voor de club en voor voetbal, en dat doet mijn hele familie.’

En dan is er het verhaal van Bobby Charlton, die de ramp overleefde. Hij won met United in 1968 de Europa Cup en werd in 1966 wereldkampioen met Engeland. Hij zat tijdens de dienst naast doelman Harry Gregg en Albert Scanlon. Charlton liet niet na zijn bewondering uit te spreken voor de beste speler van United destijds, Duncan Edwards, die twee weken na de ramp op 21-jarige leeftijd overleed. En hij is niet de enige die beweert dat Edwards in de sporen van Pelé had kunnen treden, als beste voetballer aller tijden. Daags na de ceremonie zegt Sir Bobby: ‘Edwards was verdediger, middenvelder, aanvaller en regisseur tegelijk. Hij was links en rechts, hij was hard en had de beste tackles. Hij scoorde en gaf passes die nog niemand had gezien. Duncan was danser en arbeider tegelijk. Hij zou nu een held zijn geweest, meer dan ik, of George Best, of wie dan ook. Maar hij ging dood. Dat is waar ik over nadenk en verdriet over heb met mijn vrouw. Mensen die op jonge leeftijd doodgaan en nog zoveel hadden kunnen betekenen. De gemiddelde leeftijd van de jongens van toen was 23 jaar. Ik heb met spelers van nu, zoals Rooney, daarover gesproken. Jongen, weet wie je bent en doe wat je moet doen. Wayne luisterde naar mij. Hij was er ook tijdens de ceremonie, samen met Ryan Giggs, Paul Scholes en Gary Neville. Echte United-jongens.’

Harry Gregg

De Noord-Ier Harry Gregg was doelman destijds. Nog altijd wordt hij emotioneel wanneer hij aan de ramp denkt – en dat doet hij elke dag. „Nu zijn er psychologen om je te helpen. Toen moest je zelf je weg vinden.” Hij herinnert zich hoe het vliegtuig in de sneeuwstorm bij de derde poging om op te stijgen neerstortte. Hij hoorde piloot James Thain schreeuwen dat het misging. Gregg hielp bij de pogingen mensen te redden, keerde telkens terug naar het wrak op zoek naar overlevenden.

De doelman redde een zwangere Joegoslavische vrouw en haar dochter, die net als de voetballers op doorreis waren van Belgrado naar Manchester. Afgelopen week was op een BBC-documentaire te zien hoe Gregg de vrouw voor het eerst sinds 6 februari 1958 terugzag, samen met haar zoon die twee maanden later werd geboren. En weer huilde Harry Gregg.

Gezagvoerder James Thain kreeg van de Duitse autoriteiten de schuld. Hij zou tijdens de tussenlanding de vleugels van de tweemotorige Elizabethan niet van ijs hebben willen ontdoen. Daardoor zou om 15.04 uur het vliegtuig zijn neergestort. Stephen Morrin, luchtvaarthistoricus, beweert in zijn boek The Munich Air Disaster, dat twee maanden geleden na speurwerk van twee jaar verscheen, het tegendeel. Morrin nu: ‘Dat was niet zijn verantwoordelijkheid. Thain had geen schuld. Maar hij heeft de schuld gekregen, ook van United. De man heeft zijn hele leven, totdat hij in 1975 overleed, daaronder geleden. Ik heb met zijn zoon en zijn dochter gesproken, met Gregg gesproken. Thain heeft net as Gregg mensen gered. Hij was niet de schuldige, hij was juist een held.’ Gregg verzorgde het voorwoord in het boek dat Morrin schreef.

Morrin verwijt United ook dat de club te weinig waardering heeft gehad voor de assistent van Busby, Jimmy Murphy. ‘Hij heeft de club bij elkaar gehouden. Zonder Murphy was United niet groot geworden. Dat verwijt ik de leiders, en Matt Busby. Pas tien jaar geleden, toen Murphy overleed, kreeg hij enige waardering.’ Zijn boek wordt niet verkocht in de United-shop. Het onderzoek en de lezing van Morrin, die een Unitedfan is, wordt niet gewaardeerd. Toch was hij woensdag bij de herdenkingsdienst, samen met Thains dochter. ‘Omdat ik fan ben en goed contact heb met een van de bestuursleden mocht ik er bij zijn. Maar eigenlijk ben ik persona non grata. Waar een grote club klein in kan zijn.’

Matt Busby met zijn vrouw

Manchester United mag dan veel vrienden hebben, vijanden heeft de club ook. Dat bleek woensdag op Wembley. Voor de wedstrijd Engeland-Zwitserland zou een minuut stilte worden gehouden ter nagedachtenis aan de ramp. Tijdens de stilte draaiden een paar honderd Engelse supporters hun rug naar het veld, anderen begonnen te fluiten en te schreeuwen. De stilte werd ingekort tot twintig seconden. Gevreesd wordt dat morgen voor de derby van Manchester United tegen aartsvijand Manchester City hetzelfde gebeurt. Manager Sven-Göran Eriksson van City heeft de supporters opgeroepen zich keurig te gedragen ter ere van United.

Bobby Charlton en Harry Gregg in 2020, kort daarop overleed de oud-doelman

United-fan Mark Ryddel voelt dat er afgunst heerst. ‘United is te groot voor Engeland. Anderen denken dat United de ramp misbruikt. Dat United de herdenking opblaast in de media. Alsof het een marketingproduct is. De club kan het niet helpen dat er zo’n tragedie is geweest. Acht voetballers kwamen om. Manchester was jarenlang in een shock. Zie die mensen voor het monument, zij léven voor United.’

Zijn zwijgzame vriend Ian spreekt na uren drinken zijn eerste woorden: „Waarom is de stadionklok stil blijven staan op 15.04 uur? Heb je gehoord hoe die mensen vanmiddag The Flowers of Manchester zongen? Het is onze tragedie. Het zijn onze helden. Die neemt niemand ons af.

Dit verslag stond een paar dagen later dan de herdenking op Old Trafford in NRC Handelsblad

Basje de Ruiter was een van de jongens van de Laar

27 jan

Vrijdag 21 januari is Bas de Ruiter (75) overleden. Hij was de man van Eef de Ruiter-Borgers die we allemaal wel kennen als jarenlange hulp in de kantine en de bestuurskamer. Bas was al geruime tijd ziek. Hij voetbalde ooit bij de Voetbalvereniging Bennekom.

De dood van Basje de Ruiter roept bij mij heel veel herinneringen op aan mijn jeugd. Ik was pakweg 11 of 12 jaar toen ik aan competitievoetbal mocht gaan doen. Zo was dat nog in de jaren zestig. Ik was een van de ouderen van de jongens die dankzij Evert Beukhof, vader van een van de jongens, lid mocht worden van VV Bennekom, zodat we op het terrein aan de Laarweg konden voetballen. Omdat ik ouder was, mocht ik al vrij snel deel uitmaken van een junioren-competitie-elftal. Ik kreeg mijn wedstrijdkaart in de brievenbus waarop stond dat ik zaterdag midvoor stond in de uitwedstrijd tegen CHRC. Elftalleider Bertus van Reemst, als straatveger een gemeenteambtenaar, kwam de kaart persoonlijk afgeven op mijn huisadres. En dat bleef hij nog lang doen.

We verloren tegen CHRC met 11-0. Ik raakte geen bal, echt niet, vooral omdat ik eenzaam op een eiland in de ‘spits’ stond. Bertus gaf me na afloop een schouderklopje en mompelde: ‘Goegespeuld jochie.’ Met dat compliment op zak fietste ik met de andere jongens terug naar huis, van Heelsum naar Bennekom.

Ik kan me weinig van de wedstrijd herinneren. Alleen de namen van de jongens weet ik nog. Jongens waar ik tegenop keek, ze waren sowieso twee of drie jaar ouder. Basje stond geloof ik toen op doel. Verder speelden onder anderen mee zijn tweelingbroer Tonnie, Jan Jansen, Jan Bongers, Rini (Krekel en/of Kriel) Welgraven, Gerrit (Kromme Gaart) de Ruiter, Dirk (Rooie Kers) Kerseboom, Bertje (van de) Hoef en Hillie Schoester (zoon van een zus van Bas de Ruiter). Het waren allemaal jongens van de Laar; ze zaten op de ambachtsschool of werkten al als schilder, timmerman, metselaar, loodgieter, in het bos of waar dan ook, of gewoon als losarbeider – werk was er altijd wel. Ik kwam uit ‘het dorp’ en zat op het Christelijk Streeklyceum, dus werd ik ‘het studentje’ genoemd, een vreemde eend in de bijt. En dat voelde ik meteen. Zo werkte die chemie: Guusje? Dat studentje.

Ze scholden vaak op elkaar, konden goed schoppen en de meesten ook goed zuipen. En wat ze verder deden, begreep ik echt niet. Echte jongens van de Laor. Dat was niet het milieu wat ik (als christelijk opgevoede jongen) gewend was. Maar ik paste me aan, en misschien wel omdat ik aardig kon voetballen. En eigenlijk waren het beste jongens, echt waar – als je maar vriendelijk bleef en luisterde.

Vooral Basje, Tonnie, Hillie en Bertus van Reemst deden er alles aan om mij te helpen. Ik ben dankbaar dat ik die jongens en die tijd heb meegemaakt. Zo was de Laar, zo leerde ik mensen en hun achtergrond kennen. Mijn vader kende de mannen van de Laar uit zijn jeugd, omdat de meeste mannen voor zijn pleegvader Ruth van den Hul (een houttransporteur en -handelaar) in het bos hadden gewerkt. Hij zei: ‘Pas maar op, ze zijn gevaarlijk als ze een slok op hebben. Dan gaan ze vechten.’ Daar stond nu juist de Bennekomse voetbalclub om bekend: vechten, vloeken en schelden.

Ik herinner me dat de hele familie van een van de jongens met een paar kratten bier achter het doel ging zitten en naar verloop van tijd begon te schelden en ruzie te zoeken. Een andere keer moesten we naar de medische keuring op het ziekenhuis in Wageningen. Nadat Hillie door een vrouwelijke arts door middel van een latje van zijn stijve pik werd afgeholpen, werd door dezelfde arts Lucas de Ruiter (Snuutje) naar huis gestuurd omdat in zijn witte onderbroek nog sporen van poep en pies te zien waren. Ik had een schone onderbroek aan (een witte, alle jongens hadden een witte onderbroek), ik werd goedgekeurd.

Ik paste me aan, lachte me rot en voetbalde keurig mee. De voorzitter (Aart van Veldhuijsen) had een uitwisseling met een Duitse club georganiseerd. In Bennekom logeerden de Duitsers bij ons, in Bochum logeerden wij bij die Duitse jongens – ik bij Lothar. Ik leerde er bier drinken en ging in Bochum met onze leiders Chris Buunk, Joop Janssen en Bart (of Bert) Roosenboom (‘Roosje’) naar de hoeren kijken. Dat was een hele nieuwe wereld voor mij, de wereld van de Laar, de wereld van de arbeidersclub en haar gewoonten.

Na een jaar of twee kwamen de jonge jongens met wie ik me destijds had aangemeld over naar Junioren Jong, de jongens van Evert Beukhof: Rini Beukhof zijn zoon, Otto Veldhuizen, Bartje Roseboom, Martin Jacobs, Leo van Ginkel, Gertje en Bennie Bouwman, Teusje Vermeer, Leendert Welgraven, Keesje Lieftink, Wimpie den Hartog, mijn broertje Dick en zo voort. Bertus van Reemst en Evert Beukhof werden onze leiders en we werden jaar in jaar uit kampioen.

Bas en Tonnie speelden toen al in Junioren Oud, net als Hillie Schoester, Jan Jansen, Jan Bongers, Dirk Kerseboom, Rini Welgraven. Bas werd jeugdleider, scheidsrechter en later grensrechter. Hoe hij de kost verdiende wist ik niet; hij was ook broodbezorger geweest, vernam ik. En hij werkte op de Postbank, de ING of zoiets. Via zijn vrouw Eefje hoorde ik dat hij later als gids in het bos (het Nauurcentrum) in Ede werkte en later ziek werd. De laatste keer dat ik hem zag was op het jubileumfeest van 50-jarig Bennekom: Bas was moe en groette me met een kleine lach: ‘Hoi, Guusje’.

Hillie en Jan Jansen haalden het eerste elftal, net als Otto, Bart, Martin en ik. Hillie was altijd het grootste talent, Rini Welgraven was ongrijpbaar en onpeilbaar als voetballer. Beiden stierven jong, net als Dirk (of was het Derk?) Kerseboom, ieder op hun eigen manier.

De club groeide. Er kwamen meer leden en dus meer elftallen. Vooral de jeugd groeide. Meer jongens van buiten de Laar werden lid, vooral door het missiewerk van Evert Beukhof. Laatst kwam ik in een vuilcontainer op de Eikelhof een diploma tegen van Evert Beukhof, met foto. Daarop stond dat hij erelid was of lid van verdienste – dat weet ik niet meer. Wat een onuitwisbare schande voor de historie en de ontwikkeling van de club, riep ik.

Nog altijd denk ik terug aan de begintijd van club die binnenkort 70 jaar bestaat. Aan de tijd aan de Laarweg, aan Arend van den Heuvel (materiaalman, elftalcommissielid en bestuurder). Aan Hillie, aan Gerrit de Ruiter, aan alle De Ruiters (Opa De Ruiter, Bas sr., Teus, Bas jr., Tonnie, Wim, Dik, Dirk, Lucas, Blom), de Van de Weerds (Jan, Onno, Willem en Hugo), de Welgravens (Geurt, Rini, Leendert, Henk), aan de familie Kerseboom. Hoe een arbeidersclub uitgroeide tot een grote club voor heel het wereldse Bennekom.

Nog altijd hoor ik verhalen van leeftijdgenoten die vertelden dat ze geen lid mochten worden van die club aan de Laar, omdat ze niet op de Laar woonden – ze werden geweigerd of mochten niet van hun ouders. Wie niet aan Platanenweg of -laan, de Esdoornlaan, de Meidoornlaan, de Korenlaan, de Berkenlaan of de Laarweg woonde, hoorde niet op die club thuis. Daar woonden de stoere mannen die vochten, voetbalden en zopen, bijvoorbeeld omdat ze geen (‘fatsoenlijk’) werk hadden en veel te weinig verdienden.

Dat is de historie van VV Bennekom, opgericht in 1954. Daar heb ik veel van het leven geleerd. Van Bas en Tonnie, van Gerrit, Kers, Jan, Jan en Hillie, en van de Lieftinks en van de vele Rozenbooms. Ik kom ze nog weleens tegen, in Bennekom, (op Facebook of waar dan ook). Ik vind het fijn dat ze mij nog willen kennen. Ik ken die mannen nog steeds, natuurlijk. Ik groet ze, praat met ze en denk: wat fijn dat ik jullie heb gekend en dat ik jullie nog ken. Vandaar dat ik de altijd lieve en zwijgzame Bas in ere houd.

Van anderen de schuld geven leer ik helemaal niets

25 jan
Sakyong Mipham

Gisteravond bezocht ik weer een meditatiesessie op mijn boeddhistisch centrum. Ik was in de war na een meningsverschil thuis over wat ik doe en nalaat als leerling-boeddhist. Het Edele Achtvoudige Pad (de leefregels waaraan een boeddhist zich zou moeten houden om verlicht te raken) was ter sprake gekomen, zoals het onthouden van het spreken van lasterende taal (over anderen). De verwijten kwamen hard aan: ik voelde mij gekwetst en afgewezen

Op het meditatiekussen draaide mijn verwarde geest door. Het lukte mij geen greep te krijgen op wat mij had geraakt en verward. Mogelijk hoopte en verwachtte ik te veel van mijn meditatie. De kwetsing en verwarring bleef maar doordraaien. Verwarring omdat ik juist die dag het hoofdstuk ‘Niets de schuld geven’ in Meester over je eigen leven van Sakyong Mipham had gelezen.

Wat deed ik dan fout? Wat deed zij fout? Na afloop van de meditatie ontspon zich een gesprek met andere deelnemers; er waren twee gasten, een voormalig student van Varamitra (Boeddhistisch Centrum Haaglanden, BCH) en een voormalig student van Thich Nhat Hanh (Leven in Aandacht). Ik merkte dat ik enkele keren een opmerking maakte die werd hersteld door een ander, of zelfs gecorrigeerd. Een van de gesprekspartners zei dat wij allemaal elkaars leraren waren. Waar je door geraakt, gekwetst of verward raakte, zou jou ter lering kunnen dienen. Zo begreep ik weer eens. En ik dacht vervolgens aan ‘niets of niemand de schuld geven’.

Daarmee keerde ik terug naar huis; met de bedoeling mij inschikkelijk, vreedzaam én verdraagzaam op te stellen. Het was gewoon hoop op een herstel van de relationele verwarring en onmin. Mijn goede bedoelingen waren niet nodig. We vonden elkaar, zonder een woord van excuses te zeggen. Dat voelde fijn. Mogelijk door wederzijds begrip.

Thich Nath Hanh

Waarschijnlijk ben ik bang iets fout te doen of te zeggen. Bang voor straf, bang voor een verwijt dan wel een kwetsing. Dat leerde ik dit keer van de voor mij ongemakkelijke confrontaties. Zoals ik ook dankbaar ben voor de opmerkingen en de houdingen van de deelnemers na afloop van de meditatie. Mij werd niets kwalijk genomen, ik werd niet bestraffend toegesproken en hoefde mij van niemand te verontschuldigen. Ik had iets gezegd en gedaan wat op dat moment was gebeurd. Dat was ik, zoals ik mij voelde en deed. Niets meer en niets minder. Dat kan. Volgens welke boeddhistische stroming dan ook.

Zo leerde ik vriendelijker voor mijzelf te zijn en de mening en visie van anderen een plaats te geven. Een meningsverschil kan leiden tot vijandigheid, van de schuld zoeken bij een ander leer ik helemaal niets. Ik zoek liever de aanleiding tot mijn verwarring in mijzelf. Dat kan pijnlijk zijn maar ook verhelderend.

Meditatie en studie (vooral het lezen van boeken van en over boeddhistische leringen) helpen mij op weg. Zulke ervaringen als gisteren zijn er om te leren, zo heb ik begrepen. Ik ben niet perfect, mijn leraren en dierbare personen evenmin. Niemand is perfect. We kunnen van elkaar leren zodra wij ervoor open staan. Verwarring kan leiden tot duidelijkheid, zoals angst tot lafheid. Eerlijk proberen te zijn, weten waarom je iets doet of zegt, leidt mogelijk tot meer begrip. Een ander is een ander, zijn of haar drijfveren zijn anders dan de mijne. Ik probeer er rekening mee te houden, zeker na verwarrende ervaringen.

Fijn was het om weer eens een bezoek te kunnen brengen aan mijn boeddhistisch centrum. Met elkaar mediteren en met elkaar over onze kennis, gevoelens en beleving te kunnen praten. Ik heb het idee dat ik bijna niet zonder kan.  

De auteur is bestuurslid van Shambhala Leiden.

Deze column is onlangs verschenen op de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Uiteindelijk komt het allemaal best goed, Willem

9 jan

Dit stuk schreef ik vier jaar geleden

Beste Willem,

Er ging een golf van herkenning door mij heen toen ik op Facebook las dat jij je oude maatje André Gieling had gesproken over jouw probleem met je prostaat. Jij en André deden er nogal luchtig over. Want ja, het komt bij veel mannen boven de vijftig, zestig en zeventig voor. Ik las over de 35 dagelijkse bestralingen die jou te wachten stonden, de mogelijke noodzaak van een hormoonkuur en dat het allemaal wel goed zou komen. Ik las het verhaal en dacht: hij dus ook – net als ik.

Kort daarop besloot je het verhaal over je ziekte zelf openbaar te maken. Eerst in het Algemeen Dagblad, waarin jouw veel gelezen column altijd staat. Zodat niemand meer iets hoefde te vragen. Toch?

Tjonge, Willem van Hanegem dus ook. Waarom ook niet? Jij bent een man van gevorderde leeftijd (73) en behoort tot de risicogroep. Die ziekte heeft niets met je levenswandel te maken, zoals veel topsport bedrijven of dat je een paar sigaretjes te veel hebt opgestoken. Of dat je te veel hebt geneukt. Of dat je vroeger met afgezakte kousen voetbalde. Er zijn veel mensen die denken dat je kanker krijgt omdat je ‘verkeerd’ (niet gezond) geleefd hebt. Dat kan best zijn, maar mij is door waarschijnlijk dezelfde urologen of oncologen die jij in het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis in Amsterdam hebt gesproken, te verstaan gegeven dat het doorgaans met pech te maken heeft.

Ik (69) interviewde vorig jaar een Nederlandse oncoloog, Manon Huizing, die in Antwerpen succesvol werk verricht (en vooral goed is in psychische nazorg), en ook zij zei al: ‘Pech!’ Driekwart jaar later bleek ze zelf borstkanker te hebben. Ze liet meteen beide borsten verwijderen. Lees haar indrukwekkende boek ‘Passie voor de patiënt, werken met kanker’ (Willems Uitgevers). Bij mij werd rond die tijd een kwaadaardige kankercel in mijn prostaat gevonden.

Aanleg, genen, ouderdom, stress, milieuvervuiling – het zal wel. Doe het er maar mee, Willem, net als ik en al die andere oudere mannen die ik het afgelopen half jaar zag lopen en liggen in het ziekenhuis.

Gewoon even je PSA laten meten als je boven de 50 bent en je weet waar je aan toe bent. Veel mannen laten het niet doen. Waarom? Angst, niet willen weten? (Of omdat de huisarts het nog niet nodig vindt). Tja, en dan kun je te laat zijn. Ik heb het wel laten doen en jij dus ook. Bij een verhoging extra controleren of een scan cq echo laten maken. En dan zoeken naar de juiste vorm van genezing. Ik stond voor de keus: zeven weken elke dag een korte bestraling eventueel met een hormoonkuur van een half jaar of maar meteen de hele prostaat weghalen. Ik wilde geen hormoonkuur, ik ben geen wielrenner of Lionel Messi. Dan maar een hoge stem….. Ik koos voor het laatste, geen dagelijkse bestraling, geen hormoonkuur. Dan zou ik binnen een dag of drie thuis zijn en rustig van de ingreep kunnen herstellen.

Ik schrok in eerste instantie. Jij geloof ik niet. Schijnbaar ben je wat nuchterder, gewoon omdat je zo bent (?) en vooral als voetballer wel meer grote oorlogen hebt uitgevochten. Zo kende ik je ook als voetballer: hard als het moest, niet bang voor een paar schoppen of klappen. En schoppen en klappen heb je veel gehad, heb ik vaak gezien. En je kon ook uitdelen, want dat hoorde erbij. Je was geen heilige, hoe goed (soms geniaal) je ook kon voetballen. De Kromme was een bikkel. Die kon wel tegen een stootje, die was supergezond, kanker zou hij nooit krijgen. Of misschien longkanker zoals Johan Cruijff, ook een heilige met menselijke eigenschappen. Zoals zoveel helden van toen.

Ik geloof zeker dat jij van die kanker geneest. Ik ben er ook van genezen, al heb ik een andere weg gekozen, die van de totale verwijdering van mijn prostaat. Dat vonden de specialisten raadzaam omdat het kankercelletje op een gevaarlijke plaats zat en er uitzaaiing dreigde. De operatie verliep naar wens, maar wat daarna gebeurde was verschrikkelijk. Bloed- en urinelekkages, helse pijn in mijn nieren, rug, buik en onderlichaam. Dat hadden de urologen nog nooit meegemaakt. Ik bleef twee maanden in het ziekenhuis en mocht uiteindelijk met zes slangen in mijn buik plus een katheter naar huis. Vaak dacht ik: had ik maar voor de bestralingen gekozen. Maar nu is het toch bijna over en hoogstwaarschijnlijk voorbij. Het laatste bloedonderzoek was positief – geruststellend dus. Nou ja….

De media zullen jouw proces wel volgen. Voordat je het weet staat er straks een fotograaf voor de ingang van het Antoni van Leeuwenhoek om jou te vereeuwigen met een stralende glimlach of met een gezicht waarop geen emotie valt af te lezen. Zo, even een elleboogje geïncasseerd: wie doet mij wat?! Wat er dan ontbreekt is dat sigaretje dat je vroeger zo gauw opstak. Ik herinner me nog een uitspraak van jou over het vak sportpsychologie tijdens je opleiding tot trainer betaald voetbal: ‘Het enige wat ik ervan opgestoken heb is een sigaret….’

Laat je niet gek maken, Willem. Luister naar je lichaam en trek aan de bel wanneer het genezingsproces niet snel genoeg en naar wens verloopt. Of klaag bij je vrouw. Zij helpen je wel, iedereen in dat ziekenhuis. Dat heb ik tenminste ervaren. Als mijn vrouw zei ‘wacht nou even met hulp vragen’, dan stond ik al naast mijn bed te schreeuwen – angsthaas als ik ben. Dat moet jij ook doen, Willem, gewoon zeggen dat het je niet bevalt en zeker dat je je zorgen maakt. Die mensen helpen je graag. En zeker niet alleen omdat je Willem van Hanegem heet. Kom op zeg. Die mensen die mij geholpen hebben – en ik heb ze uitgescholden als ik ’s nachts geen slaappil meer kreeg – verdienen bewondering. Ze zijn goed in hulp omdat ze graag mensen helpen. En niet omdat ze er zoveel geld aan verdienen.

Straks, als de bestralingen achter de rug zijn en je mogelijk nog een hormoonkuurtje krijgt (ik zou het maar doen als ik jou was), zeg jij eerlijk (zoals ik je denk te kennen) dat het weleens spannend was. En dat je emotioneel werd als mensen met je meeleefden. Gewoon: de voortdurende vraag of het allemaal goed komt. Ja, dat zeiden ze ook tegen mij als ik weer eens lag te lijden: ‘Uiteindelijk komt het allemaal goed.’ En dan keek ik sceptisch in de mooie ogen van die mooie jonge vrouw (dat was toch mooi meegenomen) die mij had geopereerd.

Het is net golfen. Dat hebben we ook gemeen, als zal jij vast en zeker een lagere handicap hebben – elke dag op de golfbaan? Als je vanaf de tee een prachtige, verre bal slaat ben je er nog niet. Op de green moet het gebeuren, dan moet die putt erin en gaat het altijd mis. Slag voor slag, Willem, bestraling na bestraling. Langzaam maar zeker, met geduld. En lopen ze voor de voeten, dan geef je ze toch een elleboogje, of ze nu Johan Neeskens heten of een van die nare Schotten van Celtic is in de Europa Cup-finale van 1970. Een hole-in-one is geluk, zoals prostaatkanker gewoon pech is.

Ik ben er gelukkig van af, althans dat zeggen de bloedonderzoeken. Mijn prostaat is er niet meer – ergens in een laboratorium waarschijnlijk. Erecties zullen niet meer voorkomen, of zelden – als God het nog wil. Willem, het komt uiteindelijk allemaal goed. Zoveel bestralingen (35 gedurende zeven weken) zijn er niet voor niets. Maak je niet druk, blijf die Utrechter van Velox, laat je niet omver kegelen en maak af en toe een diepe buiging voor de mensen die je willen helpen. Dat heeft mij geholpen. En dat helpt jou ook, dat weet ik zeker. Houd me op de hoogte – of niet. Sterkte!

Guus

PS Met dank aan het inspirerende advies van Raf Willems

https://www.thuisarts.nl/prostaatonderzoek/ik-wil-weten-of-onderzoek-naar-prostaatkanker-zinvol

https://keuzehulpen.thuisarts.nl/testen-op-prostaatkanker/wel-niet-testen-bij-100-man-is

https://keuzehulpen.thuisarts.nl/testen-op-prostaatkanker

Liever vriend met mijn medemens dan vijand

29 dec

 

Op het kruispunt is het als vanouds druk. Daarom geef ik mijn ogen de kost zodra ik een van de zebrapaden nader. Als ik veilig ben overgestoken zie ik aan de andere kant van de weg enig tumult. Een bejaarde vrouw is met haar fiets gevallen. Ik zie een scooter waarvan de berijdster zich over de ongelukkige vrouw ontfermt. Ik zie een vrouw uit haar auto stappen en dat zij haar auto zomaar op het kruispunt laat staan. Van afstand aanschouw ik het tafereel en beraad mij of ik moet helpen. Het gaat goed. Ik loop langzaam door. Met een glimlach.

Gelukkig is er hulp genoeg, bedenk ik mij. De vrouwen helpen de gevallen vrouw op de been en gaan vervolgens ieders huns weegs. Mensen die elkaar helpen, wat mooi!

Ik ben blij verrast en kan met blij gemoed op weg naar huis. Zo blij verrast ben ik dat ik mijn vreugde thuis wil delen. Dat doe ik dan ook. Mijn vrouw vindt hetgeen wat ik vertel ook verheugend. Inderdaad, dat zien wij niet vaak.

Ik zou kunnen wennen aan de boze gezichten van de mijns inziens egoïstische mensen die mij passeren of in de supermarkt met hun winkelwagentje tegen mij oplopen. Maar dat lukt nauwelijks.

Ik loop mij graag te ergeren, trek liefst ook een chagrijnig gezicht en zou mijn winkelwagentje ook als wapen willen gebruiken. Lekker boosaardig een ander in de weg zitten, als revanche op hun ogenschijnlijk vijandige gedrag: ‘Ik ben eerst, dit is mijn territorium, weg met jullie!’

Sinds ik het boekje ‘Boeddhisme in het dagelijks leven, op weg naar innerlijke vrede’ van Chöje Lama Yeshe Losal Rinpoche heb gelezen, probeer ik me geduldiger en vooral vriendelijker te gedragen. En dat lukt, hoeveel moeite het mij ook kost.

Lama Losal Rinpoche Yeshe, onder andere abt van het klooster en Tibetaans Kagyu centrum Samye Ling in Schotland, vertelt dat ik anderen niet moet proberen te veranderen maar dat ik alleen door van mijn kant geduld en vooral vriendelijkheid te tonen en uit te stralen boze mensen zou kunnen veranderen.

Hoewel ik graag anderen wil zeggen dat zij verkeerd bezig zijn, in de hoop dat zij dan mij op mijn wenken bedienen en lief en vriendelijk zijn, begrijp ik dat het juist aan mij (mijn gebrek aan ‘wijsheid’) ligt dat ik mij vaak zo stoor aan andermans gedrag. Mogelijk en hopelijk kan ik door mijn eigen gedrag (vooral geduld en vriendelijkheid) anderen op een idee kan brengen hetzelfde te doen. Bovendien kan ik herhalen (als een mantra) dat anderen niet zo negatief zijn als ze zich voordoen.

Regelmatig mediteren kan daarbij helpen, vertelt de Lama. Al lezende raakte ik overtuigd van zijn adviezen, die zowaar ook waarschuwingen behelzen als ‘mocht het je niet lukken, probeer dan de gevreesde mensen te mijden’.

Dat laatste is moeilijk, juist omdat de wereld steeds drukker wordt en de massa steeds groter – dus ook het ongeduld, de haast en het gebrek aan begrip voor elkaar. Ik ervaar de onvermijdelijke toename van de drukte en de bevolking als lastiger om mee om te gaan. Zeker nu iedereen voelt dat het leven en de levensmiddelen uit zijn handen wordt gerukt. De begeerte lijkt eerder toe dan af te nemen. ‘Ik wil dit, ik wil dat, ik moet gelukkig zijn, dus moet ik zoveel mogelijk geluk kópen – wat het ook is.’

Dat materie ofwel hebbedingetjes zoethoudertje zijn, dringt nauwelijks door tot de samenleving. Minder willen hebben dan wel bezitten is een proces van gewenning. Daarom mediteer ik vaak, in de hoop te ervaren wat schaarste met mensen doet.

Mogelijk werd ik daardoor ook emotioneel toen ik zag dat er mensen waren die een gevallen vrouw overeind hielpen. Waarom niet mensen helpen als zij in de supermarkt om wat voor reden dan ook niet snel genoeg hun levensbehoeften kunnen grijpen? Ik voel waarom mensen gehaast zijn. Zij willen nu eenmaal krijgen waar zij behoefte aan hebben. ‘Laat ze’, denk ik dan, ‘gaat u gang. Ik heb de tijd’. En wanneer ik te laat kom, ben ik te laat. Ruzie maken is dan overbodig. Liever vriend met de medemens dan vijand. Liever lachen dan boos worden.

De auteur is bestuurslid van Shambhala Leiden. Hij was ruim 35 jaar (sport)journalist, eerst voor De Volkskrant, vervolgens voor NRC Handelsblad en is sinds 2011 met pensioen.

Deze column is gepubliceerd op de wintereditie van http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Zoveel behoefte aan liefde kan een mens hebben

2 okt

Soms zou ik wel naar mijn moeder willen kruipen om in haar armen te gaan liggen – als ze me nog kon ontvangen. Troost willen krijgen zonder dat haar te hoeven vragen. ‘Streel mij, zoen mij, zeg mij dat ik de liefste van de wereld ben en dat je mij altijd en overal zult steunen en beschermen. Gewoon als iemand die mij onvoorwaardelijk liefheeft, mij beschermt, mij nooit afvalt, nooit tegenspreekt of bekritiseert.’

Zoveel behoefte aan liefde kan een mens hebben. Dat hij zich nooit alleen voelt in deze ogenschijnlijk vijandiger wordende wereld. Niet bang hoeven te zijn voor anderen die jou kwaad aankijken of jou negeren alsof jij niet bestaat. Anderen die zich van jou afwenden omdat zij zelf niet gezien willen worden, in zichzelf gekeerd, worstelend met hun eigen zorgen. Zorgen om hun eigen conflicten, die van hun kinderen, hun broers en zussen, hun partner, hun angsten, gezondheid en de wereld om hen heen of ver weg in een andere wereld waar het naar verluid gebruikelijk is elkaar het leven zuur te maken.

Jarenlang heb ik gedacht dat mensen die boos keken of hun gezicht afwendden, iets tegen mij hadden. Ik was de boeman, de kwade genius, in mij school het kwaad. Mensen wilden niet in mijn nabijheid verkeren omdat ik boosaardig was en de wereld wilde vernietigen. Zo meende ik. Dan reageerde ik even vijandig en schold diep van binnen die anderen uit: wegwezen, jullie deugen niet, trouwens de hele wereld deugt niet.

Ik heb mijn houding naar anderen en de wereld willen veranderen. Mensen vrolijk benaderen, hen met een glimlach begroeten, naar hen te zwaaien, positief te zijn. Daar was ik zelf wel verheugd over, maar veel anderen bleven er stoïcijns onder of bleven mij negeren dan wel mij boos aankijken. Totdat ik besefte dat mijn vriendelijke toenadering niet tot het gewenste resultaat leidde. Mensen bleven vaak vijandig kijken: wat een rare idioot is dat nu weer om mij lachend te begroeten, alsof het zo leuk is om te leven!

Voortvloeiend uit mijn boeddhistische levenshouding, gevoed door veelvuldige meditaties, besef ik dat ik mij weinig moet aantrekken van wat anderen zeggen of doen. Laat zij in hun sop gaar koken, laat zij boos kijken, laat zij mij negeren. Ik kan hen niet echt helpen, zij moeten zichzelf redden. Ik kan hen alleen bemoedigen door vriendelijk te zijn, hen te accepteren zoals zij zijn en liefde te geven – onvoorwaardelijke liefde.

Ramses Shaffy

‘Laat me’, zong Ramses Shaffy. ‘Laat mij m’n gang maar gaan’. Dat lied lieten we horen op mijn moeders begrafenis. Bijna als een noodkreet, zo klonk het. Shaffy deed (waarschijnlijk) wat hij liefst deed: de liefde bedrijven, zich vol gieten met alcohol, zingen, bidden, lachen, werken, huilen en bewonderen; gewoon wat hij zelf wilde, niet gestoord door wat anderen van hem verlangden. Is dat niet wat wij ook willen? Vriendelijk begroet worden, onvoorwaardelijke liefde krijgen van wie dan ook, aandacht krijgen voor wie werkelijk zijn. Dat we bestaan met al onze sores en eigenaardigheden – zoals we zijn, er uit zien en doen.

Het is moeilijk aardig zijn tegen iedereen; anderen proberen te accepteren, zoals ik mij zelf probeer te accepteren. Mijn boeddhistische leraar adviseerde mij me niet door anderen te laten beïnvloeden; niet door hun benadering, niet door hun oogopslag, de toon van hun stem – of wat dan ook. ‘Wees je zelf, red je zelf, je moeder zal je niet redden, je moet het allemaal zelf doen. Kijk naar jezelf: wees vriendelijk voor jezelf, wees vriendelijk voor anderen en je zult zien dat je tevreden wordt. Liefde’, zo zei hij, ‘komt uit je zelf, niet uit anderen. Jij bent de liefde!’

Alsof ik de Boeddha zelf ben. Maar, wie weet? Een boeddhanatuur moet ik toch wel hebben. Net als iedereen.

Deze column is gepubliceerd in het herfstnummer van de website http://www.Vriendenvanboeddhisme.nl

Guus van Holland is bestuurslid van Shambhala Leiden. Hij was ruim 35 jaar (sport)journalist, eerst sinds 1976 voor De Volkskrant, vervolgens sinds 1988 voor NRC Handelsblad en is vanaf 2011 met pensioen.

Zonder voetbal biedt het leven kennelijk veel te weinig

9 jun

Het feest is al begonnen. Ze konden niet wachten. Al zo lang in quarantaine, het werd weer eens tijd voor een feestje. Maakt niet uit waarvoor, als de vlag maar uit kan, de hoedjes weer op kunnen, de juichcapes weer om de schouders kunnen en de polonaise met de Snollebollekes kan beginnen. Oranje, er is maar één kleur die vanaf nu bestaat. Wel of niet zonder vaccinatieprik, er gaat gefeest worden.

Of Oranje nu presteert of niet, de gedwongen rustpauze als gevolg van dat zogenaamde virus heeft lang genoeg geduurd. De mondkapjes kunnen weg, er kan weer omhelsd worden en zelfs gezoend. Wat anderhalve meter? Wat een maximaal aantal personen in de huiskamer? Wat niet in het stadion om te juichen en de polonaise te lopen?

We doen het thuis wel, want Jumbo doet met ons mee, samen met ons nationale troetelkind Frank Lammers. Sterker nog: zij van Jumbo maken ons enthousiast. Niet alleen om ons met z’n allen in Oranje te hullen, maar ook om zoveel mogelijk bij de winkels van de familie Van Eerd inkopen te doen. ‘Wie wil meeleven, moet daarvoor betalen. Dat is toch normaal!’, is de argumentatie.

Voetbal heeft het even zonder competitie – en nog erger zonder publiek – moeten doen, maar meer moeten we niet van ons geliefde spelletje eisen. Zonder voetbal kunnen we niet leven.

Het is zoals Bill Shankly, een nogal succesvol manager van FC Liverpool in de jaren zeventig van de vorige eeuw, zei:

‘Some people say that football is a matter of life and death. I assure you it is more serious than that’. 

De vertaling lijkt me overbodig: voetbal beheerst ons leven.

Ongeveer van gelijke strekking was het bericht dat ik las over de reden waarom Brazilië de Copa América (het EK van Zuid-Amerika) heeft overgenomen van Colombia. Dat laatste land weigerde de organisatie van het toernooi wegens de gespannen politieke situatie. Vervolgens stond de regering van Argentinië de organisatie niet toe omdat het coronavirus niet onder controle bleek. Brazilië hapte toe, onder leiding van president Bolsonaro (eerst een corona-ontkenner, toen zelfs zelf besmet met corona). Brood en Spelen, dat dus. Voetbal is het zuurstof voor al die mensen die onder corona lijden – en dat zijn er heel veel in dat land.

Voetbal staat niet alleen boven de wet. Voetbal kan mensen redden, mensen die in ademnood verkeren, mensen die de dood in de ogen hebben gekeken, mensen die niets anders in hun leven hebben dan gebrek aan levenslust, verlies van zin in leven, saaiheid, honger en armoede. Voetbal lijkt alles te bieden wat een mens in zijn leven denkt te missen.

Hoe slecht en saai een voetbalwedstrijd ook is, zonder de spanning of er verloren of gewonnen wordt, kan een mens schijnbaar niet leven. Lees de (opportunistische) reacties op de sociale media er op na en u ziet wat voetbal met mensen doet. Zodra een wedstrijd of vooral een resultaat niet aan de verlangens voldoet, vliegen de oordelen en scheldkanonnades je om de oren op Facebook en Twitter.

Van afstand volg ik de reacties op de verrichtingen van Oranje. Ik voel me niet (meer) betrokken bij prestaties en wanprestaties van welk team, welke spelers en trainers dan ook. Ik sla de kranten er niet meer op na. Ik weet het al: de verslaggevers doen mee en laten hun emoties de vrije loop. Zelfs oefenwedstrijden (oefenen is dat toch?) worden beschreven als zijnde belangrijke wedstrijden, met daaraan verbonden de conclusies. Zoals de lezer dat graag leest.

Geen enkele verslaggever, geen enkel medium (krant, radio en televisie) neemt afstand of slaat het evenement over. Waarom niet een kort stukje als: ‘Het Nederlands elftal heeft gisteren een oefenwedstrijd gespeeld tegen die en die. De bondscoach experimenteerde met een systeem, aanvallend of verdedigend en wisselde daarom die en die’. Nee, zelfs de meest doorgewinterde verslaggever of analist ‘gaat los’. En zo wordt de lezer op zijn wenken (emoties) bediend.

Stel dat een medium de oefenwedstrijd afdoet met een kort bericht, dan wordt het medium niet meer serieus genomen. Kijkcijfers en abonnees doen er immers het meest toe. Er moet gescoord worden. Een wedstrijd overslaan kost abonnees en kijkcijfers, Jumbo veel klanten en Frank Lammers inkomsten.

Ik heb de werkelijkheid nooit willen zien. Ik zie nu wat er gebeurt wanneer en waarom mensen sport nodig hebben. Ik trek me terug na 35 jaar topsport gevolgd te hebben (en dus heb ik ook meegedaan aan de marketing van sport). Mij zal het worst zijn wat ‘onze’ Oranje-jongens presteren. Ik voel nog wel met ze mee. Ze staan onder grote druk. Ze moeten als mens presteren, anders wordt hen verweten niet te voldoen aan wat de cliënt (de kijker, de lezer, de sponsor, de bond, de overheid) verlangt.

Ik volg het op afstand, probeer van andere dingen te genieten zoals de werkelijke zin van mijn leven. Mediteren, me in mijzelf keren en in me laten opkomen waarom ik dit entertainment met zoveel enthousiasme als journalist heb uitgedragen. Sport voedt mijn zucht naar spanning (als een thrill seeker), maar ik wil er vanaf. En ik leer door meditatie, boeddhisme en de zoektocht naar mijn échte zelf dat sport niet meer dan afleiding is. Ik ben jarenlang afgeleid, ik heb de werkelijkheid nooit willen zien. Ik zie nu wat er gebeurt wanneer en waarom mensen sport nodig hebben. 

Jumbo, de marketeers en de sportbonden zullen dat vast begrijpen. Ze leven ervan. Ik niet meer.

Dit artikel is gepubliceerd op http://www.Sportknowhowxl.nl

Guus van Holland (1948) is een vooraanstaande (gepensioneerde) Nederlandse sportjournalist. Hij werkte tientallen jaren voor de Volkskrant (van 1976 tot 1988) en NRC Handelsblad (van 1988 tot 2011), voor deze laatste krant ook als chef-sport (van 2000 tot 2005). Hij versloeg vele malen de Tour de France, alle wielerklassiekers, het WK voetbal, tien Champions-Leaguefinales en verschillende Winterspelen, en schreef over diverse sporten alsmede over doping, sportpsychologie en andere sportwetenschappelijke onderwerpen. Op GuusvanHolland.com publiceert hij zijn ‘columns over het leven, van sport tot boeddhisme en andersom’.

Genieten van de intense vreugde van een ander

23 mei

Als ik mijn buurjongetje van vijf jaar hoor huilen en zie stampvoeten, herinnert mij dat aan vroeger, toen ik zelf een kind was. Meermalen ben ik geïrriteerd geraakt door dat rood aanlopende buurjongetje en riep dan: ‘Kan dat kind zijn bek niet houden? Ik word gek van dat geschreeuw.’ ‘Slechte opvoeding’ en meer vooroordelen, maakten zich van mij meester.

Langzaam maar zeker begint het mij te dagen. Zijn gedrag deed mij denken aan mijn vroege jeugd. Of zelfs aan mijn eigen, weliswaar vaak op mijn leeftijd steeds minder opspelende, furieuze opwinding. Stampvoeten kan ik nog steeds goed, huilen gaat mij steeds minder goed af. Als ik mijn zin niet krijg – of ik er nu recht op heb of niet. Herkennen doe ik dat gedrag ook soms bij anderen. Ze stampvoeten niet, maar ze worden boos en gaan schreeuwen.

Waar is mijn moeder die zegt: ‘Krijg je je zin weer niet, jongen?’ Dan wel: ‘Als je door blijft zeuren en boos blijft, stuur ik je naar bed. Want ik denk dat je moe bent. Kom, ik breng je wel naar bed’, of iets dergelijks. Zoals een moeder dat kan zeggen tegen haar kind. Maar dat zegt je vrouw of je man natuurlijk niet tegen jou als volwassene. Sterker: ik vrees dat de ware betekenis van mijn boosheid of ingehouden stampvoeten nauwelijks tot haar doordringt. Je bent gewoon boos en onuitstaanbaar. ‘Ga weg, flikker op of houd je mond.’ Dat is min of meer wat je terugkrijgt, toch?

Liefst had ik dat mijn partner me in de armen nam, zoals mijn moeder dat soms placht te doen. ‘Kom maar hier, lieverd. Het gaat niet zoals je wilt, hè? Vervelend voor je, jongetje. Maar het kan nu eenmaal niet. Het is gevaarlijk. Bovendien kun je niet alles willen, hoeveel ik ook van je houd. Kom, dan krijg je een kus. Huil maar lekker door, jochie.’ Heerlijk, toch?

Ik begrijp dat buurjongetje steeds beter. Misschien komt hij aandacht te kort, misschien heeft hij er last van dat zijn oudere broertje ook of mogelijk méér aandacht krijgt. Of zijn ouders dat zouden begrijpen, weet ik niet. Het is maar mijn interpretatie, mijn invulling, gevoed door mijn herinnering. Misschien heeft hij last van iets anders, iets lichamelijks of geestelijks. Je weet nooit waarom kinderen (of gewoon: mensen) in een bepaalde stemming raken. Wisten we dat maar.

Een uur later (terug van de winkel) zie ik datzelfde buurjongetje na zijn huil- en zeurpartij op de stoep met water en zand knoeien. Blubber dus. Hij ziet er nogal besmeurd uit en wrijft nog eens door het zand en het vele water dat zijn moeder heeft gespoten om de tuinstoelen schoon te maken. In het voorbijgaan neem ik me voor niets negatiefs te zeggen over zijn geknoei. Ik volsta met: ‘Wat een mooi kasteel heb jij gemaakt, en er ligt zelfs een gracht met water omheen!’ Hij straalt, ik zie het aan hem. Zijn broertje zegt nog: ‘Ik ook. Kijk!’ Ik kijk om en lach hem toe. Hij moet (wil) ook een compliment krijgen.

Tevreden loop ik door. Ik hoor het eerste kind tegen zijn moeder schreeuwen: ‘De buurman vindt het mooi wat ik heb gemaakt.’ Moeder antwoordt: ‘Ja, leuk hè? Je mag nog tien minuten spelen, dan gaan we eten. En dan lekker naar bed.’ ‘Is goed, mamma.’

Wat een genot!

Ik heb deze middag twee dingen geleerd. De ‘boeddhistische’ theorie die mij zegt dat je niet kunt weten wat een ander bezielt om zich op een bepaalde manier te gedragen, zag ik in de praktijk gebracht. Aangevuld met mijn positieve benadering ten aanzien van een ander (dat buurjongetje). Ik bestrafte hem niet, ik bezorgde hem geen schuldgevoel, hoewel ik wel zijn (te) ijverig met water alles schoonspuitende moeder had willen veroordelen. Ik probeerde hem te tonen dat ik genoot van zijn intense vreugde om met zand en water te knoeien.

Het buurjongetje heb ik ’s avonds niet horen huilen en zeuren, laat staan stampvoeten. Hopelijk omdat hij nagenoot van mijn positieve oordeel en daarom zonder tegenzin zijn bordje heeft leeggegeten en rustig is gaan slapen. Wat zal hij dan lekker hebben geslapen! Nou ja, dat neem ik maar al te graag aan…

Zeker weten wat er in zijn hoofd en dat van anderen omgaat, zal ik nauwelijks of eigenlijk nooit kunnen begrijpen. Ik interpreteer of projecteer gewoon. Ik word gevoed door mijn herinnering en mijn zelfreflectie: wat zal ik doen als ik een ander in nood zie of hoor, waarmee kan ik helpen? Denken aan mijn eigen nood en mijn eigen verlangens. In alles lijken we op elkaar: dezelfde nood, dezelfde verlangens, soms ook dezelfde pijn. Houd van een ander zoals je houdt van jezelf. Is dat het?

Guus van Holland is bestuurslid van Shambhala Leiden. Hij was ruim 35 jaar (sport)journalist, eerst voor De Volkskrant, vervolgens voor NRC Handelsblad en is sinds 2011 met pensioen.

Deze column is gepubliceerd op de Lente-editie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

De hoofdprijs die eigenlijk niet voor mij bedoeld was

19 mrt
Claude Brasseur

Prognostieken heb ik geleerd te waarderen in de Tour de France van 1979, mijn eerste volledige Tour na een driedaagse in 1978 als leerschool. Er werd van mij als volger/journalist verwacht dat ik elke morgen een geel briefje invulde met daarop mijn voorspelling van de eerste vijf renners van de dagetappe. Dat briefje kon ik bemachtigen door ‘Piet Pernod’, een man met een pet en een sierlijke snor, aan te klampen dan wel een van zijn assistenten. Hoe Piet Pernod echt heette ben ik nooit te weten gekomen, gewoon een rijzige man die van de Tour-directie namens sponsor Pernod Ricard en Longines de pronostique mocht verzorgen.

De eerste keer dat ik meedeed, was het meteen raak. Ik had de uitslag (de eerste vijf) als enige bijna goed voorspeld (Gerrie Knetemann won de proloog in Fleurance, vóór de Noor Knut Knudsen) en mij viel aldus de eerste prijs ten deel. Een beroemde Franse (film)acteur, Claude Brasseur, overhandigde mij een fles Pernod en nog iets onbestemds. Dat was een paar dagen later in het casino van Pau. Zeker een reden voor mij om elke ochtend vóór het begin van de etappe een geel briefje bij Piet Pernod te halen en dat in te vullen.

Omdat ik zowat elke dag de uitslag bijna goed voorspelde bleef ik hoog ik het algemeen klassement staan, naast coryfeeën op dat gebied en oude getrouwe deelnemers én winnaars als Pierre Chany (eminent auteur voor organisatiekrant l’Equipe), Roger Bastide (van mede-organisator Le Parisien), Serge Lang (prominente verslaggever voor allerhande Zwitserse kranten), Walter Grimm (ook een Zwitser), Robert Janssens (Belgische verslaggever voor Het Laatste Nieuws), Jean Nelissen (Nederlandse verslaggever), Rino Negri en Dante Ronchi (Italianen), vooral bestuursleden van de internationale associatie van wielerjournalisten (AIJC) en andere oud-gedienden. Maar ook jonge, vooral Franse, verslaggevers. Kortom, als debutant wist ik gelijke tred te houden met gerenommeerde kenners en winnaars van de Pronostique Pernod/Longines. En dat klassement stond elke dag in een van de Franse organisatie-kranten. Hoe trots kon je je voelen!

Waar andere voorspellers al snel ten einde raad hun toevlucht zochten in dagprijzen, voelde ik langzaam aan dat ik winnaar van het klassement kon worden. Ik won tussendoor ook nog weleens een dagprijs, een vaantje of nota bene een fles Pernod dan wel een stevige handdruk van Piet Pernod.

Ik bleef boven in het klassement staan en dreigde in Parijs op het podium te komen, én met foto in een van de organiserende kranten, l’Equipe en Le Parisien.

Serge Lang

In Dijon, na een tijdrit op de voorlaatste dag, werd ik echt nerveus. Nederlandse collega’s verhoogden de druk op mij en meenden dat ik zowaar kansrijk was tegen de anciens die jaar in jaar uit de hoofdprijzen mochten verdelen. Ik holde op die late zaterdagmiddag, na de tijdrit, vanuit mijn persruimte (een pit op het autocircuit) en ging op zoek naar Piet Pernod. Onderweg liep ik de boomlange, forse gestalte van Serge Lang tegen het lijf en schreeuwde hem toe, wijzend naar het gele briefje in zijn hand: ‘Hé wat is dat, nu pas inleveren, de tijdrit is al afgelopen, te laat? Zo doe jij dat dus. Vuilspeler (in mijn beste Frans)’.

Lang reageerde verbouwereerd. Hij stond tweede achter mij (ik was de klassementsleider) en liet me spontaan zijn gele briefje zien. Het was zowaar het briefje met de voorspelling voor de laatste rit, met finish op de Champs Elysées. In een oogwenk zag ik zijn uitslag. Hij voorspelde dat zijn landgenoot en sprinter Gilbert Glaus zou winnen. Ik noteerde dezelfde uitslag als Lang. Dan kon hij tenminste niet beter scoren, dus van mij winnen. Ik leverde mijn briefje in, wetende dat ik dezelfde uitslag als Lang voorspelde. Geen vuiltje aan de lucht, toch?

Bernard Hinault won de etappe, omdat hij medevluchter Joop Zoetemelk in een sprint á deux versloeg – het circus was compleet. Op grote afstand won Didi Thurau de sprint van het peloton. Glaus en de andere door Lang en mij voorspelde sprinters waren nergens te bekennen. Kortom, ik werd dus ‘gewoon’ winnaar van het klassement Pernod/Longines.

Onder aanvoering van mijn beste supporters Jean Nelissen (sigaar in zijn mond) en een andere Nederlandse collega liepen wij naar Piet Pernod om mijn hoofdprijs af te halen. Piet schudde zijn hoofd en zei dat er eerst nog zorgvuldig moest worden gerekend en dat hij rekening moest houden met eventuele protesten, van wie dan ook.

Een paar uur na de finish kwam Piet de perszaal (een tent op de Champs Elysées) binnen. De enige journalisten die er nog zaten waren Nederlanders en een enkele buitenlander die wel wat anders te doen had dan naar Piet Pernod te luisteren

Maar goed. Piet maakte bekend dat ik (monsieur Guus van Holland) in het algemeen klassement als eerste was geëindigd. En monsieur Serge Lang als tweede. Onder luid applaus van het vijftal nog aanwezige Nederlandse journalisten overhandigde Piet mij de hoofdprijzen: een fles Pernod, een ‘gouden’ horloge van Longines en vier Louis d’Ors. Ik hield de prijzen omhoog en dat werd met een bijzondere ‘bravóó’ van onder meer Jean Nelissen en Mart Smeets begroet. “Wij Nederlanders’ hadden gewonnen van de Franse anciens.

Ik droeg het (dure) horloge met trots. Na enige maanden stond hij stil. Nieuwe batterijtjes kregen geen plaats omdat het horloge niet meer was open te krijgen. Ik heb hem nog wel, evenals de gouden munten die volgens een verzamelaar in totaal nog geen honderd euro waard zijn. De fles is ooit leeggedronken. We hebben toen een toost uitgebracht op Piet Pernod en de Tour de France die ik nog vijftien keer zou volgen zonder dat begeerlijke gele briefje.

Doe waar je bang voor bent

19 jan

Angst is een slechte raadgever. Dat weet iedereen zo langzamerhand wel. Sterker: ik ben het steeds meer gaan ervaren. Dan was ik weer eens ondergedoken, had ik mijn handen voor mijn gezicht geslagen, wilde ik mezelf onzichtbaar maken, gebruikte ik drugs en alcohol, deed ik fanatiek aan sport, keek ik veel naar televisie en films, las ik me suf aan boeken en kranten, dompelde ik me onder in muziek dan wel songteksten – zo benevelde ik mezelf of zocht ik afleiding. Entertainment, zo omschreef de Engelse boeddhistische leraar het tijdens mijn stilteretraite in Frankrijk. Zo onttrok ik me aan de (harde) werkelijkheid. Dat wordt ook wel vermijdingsgedrag genoemd.

Of me dat wat wezenlijks heeft opgeleverd? Ja, toch wel, ik was er even niet voor de buitenwereld. Ik hoefde me niet openlijk te schamen, niet te tonen dat ik bang was om af te gaan en minder sterk was dan anderen mogelijk dachten.

Want, mensen, zie toch hoe sterk ik ben!

Maar zo sterk ben ik helemaal niet. Ik ben eigenlijk zo bang als een wezel. Bijna gedurende mijn hele leven heb ik me echter kunnen vermannen. Met de borst vooruit trad ik ogenschijnlijk onbevreesd de wereld met al z’n mogelijke vijanden tegemoet. Vaak brutaal en overmoedig, alsof mij niets kon gebeuren, als een puber wiens prefrontale cortex nog niet voldoende is ontwikkeld.

Dat hielp vaak. Mensen deinsden achteruit, kropen in hun schulp of gaven zelfs zomaar hun ziel aan mij bloot.

In werkelijkheid trilde ik diep van binnen, en probeerde ik met een glimlach en alle vriendelijkheid die ik kon tonen de ander mild te stemmen om zo zijn of haar zachte kant te kunnen raken. Opgelucht was ik als de gedurfde ontmoeting achter de rug was, blij was ik dat ik toch maar het hart van die ander had kunnen laten smelten.

Dat moet heel veel energie hebben gekost. Niet mezelf te durven zijn, niet mijn angst en nervositeit tonen.

Totdat ik na veel meditaties en therapeutische gesprekken ontdekte dat ik in werkelijkheid juist heel bang was geweest en in wezen nog ben. Ik ben bang, niet zomaar bang maar vaak doodsbang.

Om mezelf te zijn. Wie dat ook is. Nou, eigenlijk dat kleine jongetje dat trillend als een rietje een grote mond opzet en zich sterker voordoet dan hij is.

Ik mocht van jongs af aan mezelf niet zijn, me niet laten kennen, niet zwak zijn, niet huilen, gewoon niet mijn ware emoties tonen. Dat jongetje hoorde voor de duivel niet bang te zijn: hij kon alles, hij was een échte man.

Kurt Cobain

Onlangs kwam ik een tekst tegen van Kurt Cobain (rockzanger van Nirvana die in 1994 op 27-jarige leeftijd een einde aan zijn leven maakte). It’s better to be hated for what you are, than to be loved for what you’re not. Hij was een idool, een held, een rolmodel. Maar dat wilde hij niet of kon hij niet waarmaken. Hij was in werkelijkheid een stille, teruggetrokken jongen die kon uitschreeuwen wat hij ergens van vond, in zijn songteksten zijn hart liet spreken, maar in werkelijkheid allerminst een durfal was. Mogelijk werd zijn wezensvreemde gedrag nog (negatief) beïnvloed door zijn heroïneverslaving alsmede zijn ADHD-achtergrond én het feit dat zijn ouders scheidden toen hij pas negen jaar was.

Ik maakte kennis met het boek van Pema Chödrön: ‘Waar je bang voor bent’. Dat werd mijn leidraad, hoe moeilijk haar adviezen ook zijn waar te maken. Letterlijk schreef deze boeddhistische non dat te doen waar je bang voor bent juist de manier is om je angst te overwinnen. Pema laat zien hoe het leven, met al zijn tegenslagen, geleefd kan worden. Maar, dat vraagt wel veel moed en mededogen.

Pema Chödrön

Ik probeer me door haar adviezen te laten leiden. Als ik bang bent, probeer ik niet langer mijn gezicht af te wenden, duik ik niet onder, loop ik niet weg of zet ik een masker op waarop mijn grootst mogelijke vriendelijkheid staat geboetseerd of benevel ik me met alcohol en drugs dan wel andere vormen van entertainment.

Ik ga trillend van de zenuwen de confrontatie aan, kijk in de muil van de bedreigende, brullende leeuw en onderga wat mij overkomt. Dat ben ik écht.

Ik voel me er beter door. Zo toon ik ware moed. En zo te zien merkt de ander dat op. Bovendien blijkt de confrontatie lang niet zo erg als ik onder de deken vreesde. Ik leer zo mezelf te zijn. Het is de ontdekking van mijn ware zelf. Althans, ik ben op weg mijn ware zelf te ontdekken. Bang of niet. Dit ben ík.

De auteur is bestuurslid van Shambhala Leiden

Deze column is gepubliceerd op de wintereditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Maradona koopt in Saloniki een briljanten ring

26 nov

In september 1988 ging ik voor NRC Handelsblad naar Thessaloniki (Griekenland) voor de UEFA-Cupwedstrijd PAOK – Napoli. Bij PAOK was sinds kort Rinus Israel trainer, bij Napoli speelde Diego Maradona. Ik mocht Israel interviewen samen met Lex Muller van het AD, Leo Verheul van VI en VI-fotograaf (wijlen) Robert Collette. En natuurlijk kon ik dan Maradona zien spelen – misschien wel ontmoeten.

Ik had in Thessaloniki een kamer gereserveerd in het luxe hotel Makedonia Palace, aan het water, de Golf van Thessaloniki. Dat Napoli er met Italiaanse journalisten zou logeren, was me nog niet bekend. De wedstrijd zou op donderdag worden gespeeld.

Nadat ik mij op mijn kamer had geïnstalleerd, besloot ik met de lift naar beneden te gaan om een kijkje te nemen in de lounge waar waarschijnlijk wel een bar was en mogelijk enkele winkeltjes. Toen ik de lift uitstapte werd ik overweldigd door een enorme mensenmassa. Italianen, dat hoorde ik meteen. (Op woensdagavond hadden wij een afspraak met Israel, in het hotel waar PAOK verbleef.)

Ik was nog niet uitgestapt of achter mij ging een andere liftdeur op. De mensenmassa stortte zich onmiddellijk op het mannetje dat uit de lift kwam. ‘Diego, Diego, Diego’, riepen ze in koor. Hé, was dat niet Diego Maradona? Ja, dus.

Maradona glimlachte en wandelde in trainingspak als een kleine vorst door de volle lounge, fluisterde iets in het oor van een of andere medespeler in trainingspak en schuifelde met de borst vooruit naar een winkeltje in een hoek. Het was zo’n souvenirwinkeltje waar je ook héle dure sieraden en horloges kon kopen. Maradona liep naar binnen, sloot de deur achter zich en liet het peloton achtervolgers buiten staan.

Na een paar minuten zagen we (ik was nieuwsgierig aangesloten) Maradona met een winkeljuffrouw binnen bij de etalage staan en naar een paar ringen wijzen. De achtervolgers die het tafereel van buiten door het etalageraam aanschouwden, adviseerden de kleine ring te kopen, totdat hij een schitterende met diamanten versierde ring omhoog hield. Si, si, si, sei grande, riep het peloton in koor.

Maradona liet het kleinood inpakken in een doosje en met een strik versieren. Trots lachend, het doosje met strik omhooghoudend, wandelde hij vervolgens door de lounge. Achter hem zong het peloton dansend, springend en klappend met de handen ‘Ho visto Maradona, o mamamama, lo sai perché mi batte corazon, ho visto Maradona, o mamamama’. Maradona zweeg en lachte slechts. Schielijk schoot hij tenslotte de lift in.

Laat op de avond zag ik hem weer in levende lijve. Tegen een uur of tien was ik opgestegen naar het restaurant op de hoogste verdieping van mijn hotel voor zo’n heerlijke Griekse maaltijd plus (natuurlijk) Griekse wijn. Er was bijna niemand. Ik ging alleen aan een tafeltje zitten. In een hoek zat een gezelschap van een man of tien gezamenlijk te eten en luidkeels te praten. Een van de mannen zag mij alleen zitten en zwaaide naar me met de bedoeling mij aan hun tafel te krijgen.

Ik gehoorzaamde en voegde mij bij het gezelschap. De man maakte een stoel vrij en zette mij recht tegenover Diego Armando Maradona, nota bene! De man stelde ons aan elkaar voor, waarop ik opstond en Maradona een hand gaf. Maradona lachte, reikte mij zijn hand, zei iets en liep weg. De rest van het gezelschap riep hem nog na, maar Maradona was al verdwenen. Zonder te groeten.

Het werd nog gezellig en laat aan tafel, met al die Spaans sprekende mannen aan de Griekse wijn, ouzo en metaxa. De man naast me verontschuldigde zich voor de verdwijning van de VIP en zei iets van dat Maradona nog moest voetballen. Of ik dat wist én begreep?

De volgende avond begaf ik me naar het Toumba-stadion. Daar ontmoette ik ver voor de wedstrijd Lex Muller, Leo Verheul, Robert Collette en Rinus Israel (die geen Grieks sprak maar met steun van een Duits sprekende Griekse hulptrainer, de tactiek doornam). Op het veld was Maradona met zijn medespelers aan zijn show begonnen. In het al volle stadion (met bijna 30.000 toeschouwers een échte Griekse heksenketel) genoot het temperamentvolle volk van de trucjes van de Argentijn en de vele aanwezige Italianen zongen hem toe.

Maradona zwaaide – als een kind genietend van alle opgeëiste aandacht – naar de toeschouwers, terwijl hij de bal achteloos van zijn voet naar zijn dijbeen, zijn enkel, zijn wreef, zijn borst, zijn nek, zijn hoofd en zijn rug liet stuiten, zoals hij dat als 12-jarig jongetje al in de pauze van een wedstrijd van zijn club Argentinos Juniors voor een vol stadion had gedaan.

Onder luid applaus en euforisch gezang verliet Maradona vlak voor het begin van de wedstrijd zwaaiend het veld. De wedstrijd eindigde in 1-1. Na een prachtige pass van Maradona scoorde de Braziliaan Careca 0-1. Napoli plaatste zich door het gelijkspel dankzij de eerdere 2-0 zege in het San Paolo-stadion van Napels voor de volgende ronde. In mei van deze UEFA Cup-editie zou Napoli de bekerfinale van VfB Stuttgart winnen, dankzij doelpunten van Careca en Maradona.

Maradona liet zich na afloop van de wedstrijd niet meer zien. Hij en het achtervolgende peloton waren na de wedstrijd ook niet meer in het Makedonia Plaza te vinden. Ze waren rechtstreeks naar huis gevlogen. Maradona met zijn briljanten ring voor zijn toenmalige vrouw Claudia Villafane of…

Zuchten van de ziel: Neil Young, Running Dry

25 nov

Dezer dagen vertoef ik in een min of meer grote stilte, midden in het Veluwse bos. Dichtbij waar ik geboren ben. Geen lawaaiig verkeer, geen drukke buren, geen zoemende snelwegen – alleen zoemende bijen en hommels, én tjilpende vogels. Om aan deze betrekkelijke stilte te wennen en mezelf nog meer tot rust en inzichten te brengen, ga ik halverwege de ochtend op een stoel zitten met mijn gezicht naar de zon en mediteer ik ongeveer twintig minuten.

Tussen de geluiden van de natuur hoor ik mijn ademhaling in mijn neusgaten op en neer gaan en voel ik als het ware de stilte door mijn lichaam stromen. Totdat een gong op mijn iPhone aankondigt dat ik mag stoppen. Zo mediteer je, heb ik in de loop der jaren begrepen.

Toen mij het verzoek van oud-collega wielerverslaggever Guido Bindels bereikte om mijn favoriete muziek door de jaren heen te onthullen, wist ik spontaan waaraan ik aandacht kon besteden. Ik herinnerde mij meteen een van de eerste elpees die ik kocht. Ik wist nog exact de platenwinkel, zo’n winkel met nog luistercabines, aan de Stadsbrink in Wageningen. De plaat werd op mijn verzoek achter de toonbank op een draaitafel gelegd waarna mij de juiste luistercabine werd gewezen. Daar zette ik dan de koptelefoon op en hoorde ik onverwachte geluiden: snerpende, vaak plukkende gitaren, een hoge stem, zelfs een viool – dat alles begeleid door uiterst trage rock, zeg maar een slome ritmesectie.

Ik had de plaat niet gekozen omdat hij mij was aanbevolen door een vriend of door een recensent in Oor, Muziek Express, Muziek Parade, Tuney Tunes of een of ander popmuziekblad. Het was de hoes die mij aansprak en ook wel een beetje de titel van de plaat, én de naam van de begeleidingsgroep. Een jonge man met lang sluik haar en een open hangende geruite houthakkersbloes stond met zijn linker hand tegen een boom geleund, aan zijn voeten zat een klein hondje met gespitste oren.

Ik wist bij God niet wat voor een muziek er op de plaat stond. Maar al vanaf het eerste nummer, Cinnamon Girl, was ik verkocht en wist ik dat ik ongeveer 20 gulden zou moeten neertellen aan meneer Pols van de platenwinkel. Ik beluisterde nog een paar nummers en werd steeds gekker op de muziek, de stem en de teksten, laat staan de gitaar en het trage gebonk van de ritmesectie.

Thuis draaide ik de plaat weer, en nog een keer. Weer, weer, steeds maar weer. Uiteindelijk kende ik alle teksten uit mijn hoofd en wist ik welke tonen en noten elkaar zouden opvolgen. Niemand kende die plaat, dit was mijn gouden plaat en zou het jarenlang blijven.

Maar nee hoor, er was nog een bekende die de plaat kende. In de kleedkamer van de voetbalclub hoorde ik Peter de Weijer, een voetbalmaatje wiens muzieksmaak ik wel een beetje kende, een nummer van dezelfde elpee onder de douche neuriën. Ik vroeg hem ernaar en hij antwoordde dat hij die plaat had geruild met zijn zwager die op zijn beurt wel eens de door Peter inmiddels grijs gedraaide Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band wilde horen. Was dit toeval? Allemaal in de ban van Neil Young?

Neil Young, ik had nog nooit van de man gehoord. Ik wist ook niet dat dit al zijn tweede elpee was en dat hij eerder in onder andere Buffalo Springfield had gespeeld en dat hij uit Canada kwam.

Van de ene plaat van Neil Percival Young kwam de andere. De teksten spraken mij aan, in welke stijl de nummers ook werden gezongen, welke gitaarspel hij ook liet horen. Zijn stem werd steeds hoger en nasaler – voor mijn vrouw was hij een janker.

Het was alsof Young mijn leven aanvoelde. Drugsgebruik, eenzaamheid, hoop, wanhoop, verlossing, meisjes. In tijden van liefdesverdriet kwam hij met teksten aan die op mijn emoties sloegen. Zo kon ik dankzij hem liefdesverdriet verwerken. Hij deed en voelde wat ik deed en voelde. Elke plaat en elke song weer.

Tot op de dag van vandaag draai ik (nu op CD of Spotify) al zijn platen. Laatst was ik weer (met mijn zoon Robin) op een concert van hem en speelde hij met een groepje jonge muzikanten in een andere, min of meer nieuwe stijl de oude nummers.

Ik wilde altijd alles van hem weten, zijn biografieën vrat ik, over zijn vrouwen, kinderen, scheidingen, afkomst, stichtingen en oproepen om staatslieden (met name Donald Trump) te boycotten wilde ik alles weten. Neil (hij had als kind diabetes en polio, en is sinds zijn twaalfde zoon van gescheiden ouders) is een paar jaar ouder dan ik en leeft en denkt tussen alle optredens en concerten door nog als een oude hippie – over vereenzelviging gesproken.

Laatst zag ik weer een aangrijpende documentaire over het leven van Crosby, Stills, Nash & Young, de legendarische groep waarin hij speelde, dan weer meedeed en dan er weer uitstapte – zo eigenzinnig is Neil altijd gebleven.

Op mijn meditatiestoel op het grasveldje in de zon herinnerde ik mij die aankoop van ruim 50 jaar geleden in Wageningen. Het was nu stil, op wat tjilpende vogels en ritselende bladeren na. Tegen een boom aan de rand van mijn tuintje zag in gedachten een man staan, aan zijn voeten een hondje met gespitste oortjes. Ik sprak tegen hem, de man die ik meende te zien vanuit mijn meditatieblik en zei tegen hem: ‘Everybody knows this in nowhere! Isn’t it?

De denkbeeldige man zei iets terug en ik meende hem te horen zeggen: Yeah, The losing end, Running Dry, Cinnamon Girl, Round & Round, Cowgirl in the Sand, Down by the River en vanzelfsprekend Everybody knows this is nowhere. Ik miste alleen het bonkende geluid van de mannen van zijn begeleidingsband Crazy Horse, van wie ik eens achterop mijn blauwe Volkswagen Kever (mijn eerste auto) een sticker van Ferrari (wist ik veel) had geplakt: crazy horse. Een steigerend paard, genoemd naar de Indiaanse krijgsleider van de Lakota, Tashunka Witko.

Crazy Horse, 1972

Dat de Crazy Horse zich in mijn verbeelding deze ochtend niet liet horen, was niet erg. Maar ik had toch wel hier in deze stilte van mijn bos graag en vooral de viool gehoord van Bobby Notkoff. Die kon ik er helaas niet bij bedenken. Running dry, zo mooi, zo gevoelig, zo ontroerend. Nooit heeft mij een nummer zo geraakt, alleen al door Bobby Notkoff. Met zang van Neil Young. Man, wat een weelde in het bos van Nowhere.

Dit verhaal is verschenen in de bundel Zuchten van de Ziel. Toen het coronavirus uitbrak ging oud-collega Guido Bindels met zijn meervoudig beperkte dochter Brigitte in quarantaine en begon hij Zuchten van de Ziel. Elke avond een muziekclip en een verhaal. Omdat de thuisisolatie maar voort bleef duren vroeg Bindels gastschrijvers. Meer dan 100 afleveringen maakten ze samen. Het leverde een bijzonder tijdsbeeld op, met zeer persoonlijke verhalen van bekende en onbekendere Nederlanders. In deze bundeling staan de beste, ontroerendste en herkenbaarste verhalen van bekende en onbekendere Nederlanders, die daarmee een inkijkje geven in hun gevoelslevens.

Op de bijbehorende website is de muziek zelf te horen en zijn de clips te zien: zuchtenvandeziel.nl

Verwarring is een pad naar duidelijkheid

3 nov
Retraiteoord De Kieftskamp bij Vorden

Een stilteretraite van drie dagen is – zeker voor beginnelingen – erg moeilijk.

Ik ervoer het in een prachtig landhuis nabij Vorden, waar een twintigtal mensen zich had verzameld om te (leren) mediteren en te luisteren naar lezingen van Han de Wit, boeddhistisch leraar en grondlegger van de contemplatieve psychologie. Vooral de vraag waarom we kunnen gaan mediteren was er een die degenen die nooit of zelden hadden gemediteerd, bezighield.

Ikzelf mag me een vrij geroutineerd ‘meditator’ noemen, maar dat wil niet zeggen – nog steeds niet – dat ik niet wil weten wat er met mij kan gebeuren wanneer ik ‘goed’ mediteer, dus de juiste techniek gebruik en ‘het’ allemaal over me heen kan laten gaan.

Het was een leerzame afzondering van de ‘gewone’ wereld, ook omdat er tijdens deze stilteretraite na het avondeten zowaar weer gesproken mocht worden. Dat was ik niet gewend, omdat tijdens vorige retraites in Dechen Chöling (Frankrijk) ik een week lang al die tijd werd geacht te zwijgen en me van echt alles in de buitenwereld af te wenden. Maar nu.

Zomaar ineens stond een man of een vrouw voor mij om met mij te bespreken wat De Wit had verteld. Daar stond ik dan met mijn mond vol tanden, want ik meende toch echt te moeten zwijgen en wat ik had beluisterd alleen zelf te verwerken.

Maar ik paste me aan. Ik kon moeilijk mijn lippen op elkaar blijven houden. Anders zouden anderen mijn zwijgen misschien vreemd of ongepast vinden. Voordat ik het besefte zat ik weer in de gewone wereld, luisterend en luid filosoferend over wat er door mij en ons allen heen was gegaan.

Ik bleef nog wel met een prangende vraag zitten en een verward gevoel.

Uiteindelijk stelde ik die vraag dan na een volgende lezing toch maar aan de leraar. ‘Nu denk ik eindelijk een antwoord op mijn vragen te hebben gevonden en dan zegt u dat ik in een volgend moment – bijvoorbeeld een volgende meditatiesessie – een heel ander antwoord zou kunnen ontdekken. Omdat u zegt dat alles slechts een momentopname is en alles verandert, van seconde tot seconde, van ogenblik tot ogenblik. Wat nu?’, zo probeerde ik mijn verwarring in een vraag te verpakken.

‘Tja’, zei de leraar tegenover mij. ‘Inderdaad’.

Boeddhistisch leraar Han de Wit

Ik blies mijn adem uit, pufte, dacht er even over na en kroop vervolgens weg in teleurstelling. Daar zat ik dan met mijn veronderstelde waarheden. Had ik ‘het’ eindelijk doorzien, zou ‘het’ het volgende moment zo weer anders kunnen zijn in mijn beleving.

Ik heb vaak van het begrip voortschrijdend inzicht gehoord, dat wat je vandaag denkt (zeker) te weten kan morgen veranderd zijn. Maar dit? Zo trots op mezelf was ik geweest als ik vanaf mijn kussen was opgestaan, omdat ik eindelijk de waarheid (mijn eigen pure waarheid) had gevonden door al dat mediteren.

Ik zocht en vond zo een houvast. Zoals ik dat mijn hele leven al had gedaan, zoals eigenlijk iedereen dat doet. Ik moet het zeker weten, ik moet zeker weten dat ik ergens in geloof. In God, een god, in licht, in donker, in blijdschap, in verdriet, in een voetbalclub, een wielrenner, et cetera. En nu blijkt, aldus De Wit, dat er geen houvast is. Sterker: dat je domweg valt als je je nergens aan kunt vasthouden.

The bad news is you are falling through the air, nothing to hang on to, no parachute. The good news is there is no ground.’ Zo citeerde de leraar zijn eerste leraar Chögyam Trungpa Rinpoche, grondlegger van de Tibetaans-boeddhistische traditie Shambhala.

O ja? Eng hoor! Laat je maar vallen, dus. Laat maar gaan!

Verwarring is een pad naar duidelijkheid, heb ik weleens gehoord. Dus na een paar dagen weer thuis in de ‘gewone’ samenleving met al haar verwarrende en rustverstorende prikkels, weet ik dat wat ik nu voel, zie, hoor, ruik en ervaar het volgende moment weer anders kan zijn. Soms maakt dat besef me onzeker, maar soms kan het ook een troost zijn. Niets blijft zoals het nu is. Ik verander, alles om me heen verandert. Niets is zeker.

Waar is toch mijn houvast? Waar kan ik me aan vasthouden? De vraag blijft me bezighouden. Ik blijf verlangen naar een houvast – wie of wat dat ook is.

Guus van Holland is vriend en bestuurslid van Shambhala Leiden

Deze column is gepubliceerd in de herfsteditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Als een helikopter die mijn isoleercel binnendringt

18 aug

poor-man-1440145

Daar zit ik dan in de bus tegenover een man die me op het eerste gezicht niet aanstaat. Hij kijkt me niet aan. Sterker: hij kijkt chagrijnig én langs me heen. Hij wil me niet zien. Wanneer hij eruit moet, staat hij op mijn tenen, zegt niets en loopt onverschillig naar de uitgang. Ik vloek vanbinnen, vind zijn kale kop raar en minacht de tattoos op zijn armen en in zijn nek. ‘Asociale lul’, mompel ik stiekem terwijl hij de bus verlaat. Zo’n man haat ik dus. Zoals ik zoveel mensen die me niet vriendelijk bejegenen haat – of afwijs als medemens.

Zo heb ik dat veel gedaan. Mensen afwijzen die niet hetzelfde zijn als ik. Mensen die niet zo denken. Mensen die naar mijn smaak lelijk zijn of niet goed ruiken, niet in mijn straatje passen. Ze zijn anders, zoals iedereen anders is dan ik. Voordat ik het besefte had ik ze al aan de hoogste boom hangen, bespuwd of uit ‘mijn perfecte wereld’ geschopt.

Zoals ik nu een helikopter boven mijn Veluwse huisje hoor ‘klapwieken’ en mijn rust verstoren. Bijna iedereen is welkom en kan op mijn gastvrijheid rekenen, als hij of zij maar aan mijn wensen tegemoet komt en zeker niet met een helikopter ongewenst mijn isoleercel binnendringt.

Een ander zien en aanvaarden met al zijn gedragingen en eigenschappen. Dat zou ik willen. Omdat het me vrediger stemt. Als ze scheel kijken, tattoos hebben laten zetten, een slecht gebit hebben, een dikke kont, een dikke buik, stinken, kwaad worden, huilen of anderszins hun emoties uiten, zou ik dat moeten dulden. Leven en laten leven, zeiden mijn ouders. Dat heeft moeite gekost. Mijn idee was: laat mij leven, laat mij met rust, jij met je achterlijke gedrag. Jij bederft mijn stemming, jij maakt me bang omdat jij me herinnert aan trauma’s of mijn oude wonden openscheurt. Jij hindert me op mijn zoektocht naar mijn eigen vrede.

Zo worstel ik door en zoek ik naar een manier om anderen te accepteren zoals zij zijn. Al enige jaren reciteer ik bij meditatiesessies mee met de bodhicitta-beoefening. Daarin zeg ik met de anderen dat ik niet alleen mezelf geluk toewens én een leven zonder lijden – en zonder de bron van alle lijden – , maar ook degene van wie ik houd en ook degene die mij heeft gekwetst, zeg maar mijn ergste vijand. Bodhicitta is, zo wordt gezegd, het onzelfzuchtige streven om alle voelende wezens te bevrijden uit samsara (het lijden zoals we dat in het dagelijks leven ervaren), en niet alleen zelf een verlichte Boeddha te worden. Hierdoor wordt het streven naar verlichting boven het persoonlijk eigenbelang uitgetild.

Ik ga maar weer eens zitten en haal adem zoals dat in meditatie effectief is. Ik begreep uit een film over George Harrison (Living in the material world) dat de ex-Beatle elke ochtend bij het krieken van de dag naar het torentje op zijn kasteel klom om te mediteren en zo  een staat van altruïsme (vrijgevigheid) te bereiken. Zo kwam hij er toe zijn geliefde Pattie Boyd te ‘schenken’ aan zijn beste vriend Eric Clapton omdat hij haar niet langer als bezit mocht beschouwen.

Zoals George, of de Boeddha, wil ik zijn. Inspiratiebronnen. Ik zou willen veranderen. Dat is niet gemakkelijk. Wat ik zeker weet is dat niemand is zoals ik. En dat niemand zoals ik zal worden. Ik zou wel Sir George willen zijn of de Boeddha. Maar laat ik stoppen te streven naar het geluk dat anderen ogenschijnlijk hebben bereikt.

Ik ben niet zoals die man in de bus. Ik weet niet eens waarom hij deed zoals hij deed. Hij had zijn eigen problemen, net als ik de mijne. Laat ik hem de volgende keer met rust laten, of vriendelijk bejegenen. Misschien voelt hij zich daardoor beter. Zoals mijn schoonmoeder zei: ‘Wie goed doet, goed ontmoet.’

De auteur is vriend van Shambhala Leiden
Deze column is gepubliceerd in de zomereditie van de website Vrienden van het Boeddhisme: https://vriendenvanboeddhisme.nl/

Het eenzame bestaan van een keeper, doelman of Torhüter

23 jun
petar
                                                     Petar Radenkovic

Elke keer wanneer een voetbaldoelman overlijdt of op z’n minst iets ernstigs overkomt, komt het geheugen in actie. Mannen met sierlijke duiken passeren, mannen in het zwart of in stoere truien, mannen met pet, mannen met stevige, grote knuisten, mannen met wollen handschoenen, soms mannen met kniebeschermers. Zo zette de (plotselinge) dood van een van de beste doellieden van Nederland het hersendeel met herinneringen in beweging. Eddy Pieters Graafland overleed op 28 april jongst leden op 86-jarige leeftijd. Het Nederlandse voetbal heeft weinig betere doellieden gekend.

Herinneringen betreffen Just Göbel, Leo Halle, Gejus van der Meulen, Adri van Male, Frans de Munck, Piet Kraak, Jan van Beveren, Tonnie van Leeuwen, Hans van Breukelen, Ed de Goeij, Piet Schrijvers, Harry Schellekens, Pim Doesburg,  Jan Jongbloed, Edwin van der Sar, Jasper Cillessen, mannen die ieder op hun eigen manier schoten op hun doel konden pareren. De een was degelijk, de ander sierlijk of had veel gevoel voor show. Pieters Graafland, sowieso een bijzondere, min of meer aristocratische naam voor een voetbaldoelman, beschikte over veel talenten. Hij was sierlijk, dook als een panter, kon stompen en mooi de bal vangen – met een atletische sprong (ook wel save genoemd).

Wat ik mij vooral herinner is dat hij zich naar voren wierp, zich met beide handen voor zijn hoofd op de voeten van de aanvaller stortte nog voordat deze had kunnen bedenken hoe hij de doelman kon passeren. De bal was zo al een prooi voor Eddy PG (zoals hij gemakshalve werd genoemd), voordat de scoorlustige aanvaller iets had kunnen bedenken. Het zag er uit als een kamikazeactie. Met gevaar voor hoofdletsel of erger dook Eddy PG op de bal en nam hij de voeten van de aanvaller zo ook vaak mee. Los daarvan was deze keeper (zoals vanuit het Engels afkomstige jargon een doelman wordt genoemd), een sportieve (faire) man zowel in het doel als daarbuiten en zeker ook buiten het voetbalveld.

De kamikazeacties, die deze doelman die zowel voor Ajax als Feyenoord én het Nederlands elftal (liefst 47 maal) speelde, waren mij al opgevallen bij een Servische doelman die voor FC Köln in de Bundesliga speelde. Milutin Soskic, een van de legendes van Partizan Belgrado, de club waar hij eerst naam maakte. Mocht hij nog leven, dan is hij nu 82 jaar. Soskic dook op alles zonder vrees. Zo zag ik op de Duitse televisie, Die Sportschau, met de legendarische moderator Ernst Huberty, fan van FC Köln, en las ik in een boek over diens favoriete club, over Soskic: ‘Der kleine mutige Kamikaze-Flieger stürmte sich mit seinen ollen löchrigen Winterhandschuhen voll ins Getümmel. Er boxte auch schon mal bei einer Faustabwehr neben den Ball, dafür aber den Abwehrspieler und Freund k.o., der mit seinem Kopf statt des Balls dran glauben müsste.’

Soskic was als Torwart (of Torhüter dan wel Tormann) een genot om naar te kijken. Dat was wat mij betreft sowieso het geval als ik naar mijn favoriete sportprogramma keek, op ARD, en ’s avonds laat op ZDF, Das Aktuelle Sportstudio, met Dieter Kürten en Harry Valérien.

Mogelijk deed Eddy PG dat ook, zoals veel Nederlandse voetballiefhebbers. Ik heb het hem nooit kunnen vragen, maar duidelijk is dat het (West-)Duitse voetbal in de jaren vijftig en zestig aantrekkelijker was dan het Nederlandse voetbal. Noem eens namen van Duitse voetballers uit die tijd (Bundesliga, Sportschau) en het geheugen gaat als een dol geworden systeem draaien.

Op de Duitse tv-zenders leerde ik voetbalkeepers kennen, nog even los van mijn Nederlandse favoriet Frans de Munck. Daar zag ik de doelman die voor altijd mijn hart heeft gestolen, Petar Radenkovic (ook al een Serviër). Hij was doelman van TSV München 1860, toen Bayern nog in de tweede Bundesliga speelde. Hij was zeker een showkeeper, maar hij hield de meeste schoten sierlijk en soms voor onmogelijk gehouden uit zijn doel. Hij zweefde evenwijdig aan de bovenlat, zo zag het er uit. Vaak ging hij aan de wandel, ver uit zijn doel, pikte een bal op buiten het strafschopgebied, passeerde dan een paar tegenstanders en gaf ten einde raad een prachtige pass op de aanvallers van zijn elftal. Het publiek hield zijn adem in, maar zijn ongebruikelijke doelmansactie mislukte (bijna) nooit.

Petar, nu 85 jaar, trad op in Das Aktuelle Sportstudio: een olifant schoot op zijn doel, maar Radenkovic redde met een showduik. Petar maakte een plaatje: Bin i Radi, bin i König. Hij schreef een boek met dezelfde titel. Beide heb ik aangeschaft. Hij droeg een zwarte pet, droeg zwarte kleren en witte kousen. Ik maakte een plakboek met knipsels van mijn favoriete elftal TSV München 1860 en vooral met foto’s en berichten over Radi. Helaas verloor de club (Die Löwen) de finale van de UEFA Cup in 1965 op Wembley in Londen tegen West Ham United met 2-0. Radi was in tranen, misschien ik ook wel.

Radi pakte alles, vooral met stijl. Of hij maakte een (onvergeeflijke) blunder. Dan liep hij schuldig met zijn hoofd omlaag door zijn doelgebied te wandelen.

Dat soort keepers heeft mij altijd geboeid. Zelfs of vooral ijshockeykeepers. Of ze nu slachtoffers van hun drang naar show werden, of gewoon weleens een fout konden maken (zoals iedere voetballer of zelfs ieder mens). Keepers lijden een eenzaam bestaan, het zijn loners, Einzelgänger. Sommigen zijn onder dat bestaan bezweken. Ze konden de spanning niet aan of werden naderhand in de kleedkamer door medespelers uitgescholden omdat ze een fout hadden gemaakt.

Ik las het boek van Robert Enke, de doelman van onder meer Hannover ’96, het Duitse elftal en Barcelona die aan depressies leed, daar in het stoere, mannelijk leven van voetballers niet voor uit durfde te komen en uiteindelijk aan de spanningen bezweek of werd ‘afgezeken’ door teamgenoten als ploeggenoot Frank de Boer, en zelfmoord pleegde – hij sprong voor een trein. Lees: ‘Een al te kort leven geschreven’ (Ein allzu kurzes Leben) door biograaf Ronald Reng.

Ach, al die keepers die zichzelf als onpasseerbaar willen (moeten) tonen en dat niet kunnen waarmaken. Mijn jongere broer werd keeper. Hij was geweldig (zeker in de zaal), was atletisch, sierlijk en had ook veel show. Maar omdat hij onder andere weleens een foutje maakte, haalde hij het niet om vaste doelman te worden van ons eerste elftal. De trainer koos voor een degelijke doelman, weinig show, gewoon degelijk, zoals veel Britse keepers waren. Je staat er om een bal tegen te houden, meer hoef je niet te doen. Ik zag Bob Wilson van Arsenal, saai als een koe; Gordon Banks van Leicester City en het Engelse elftal dat in 1966 wereldkampioen werd: saai, maar wel bijna onpasseerbaar. Net als Peter Shilton. In Engeland hadden ze ook Peter Bonetti (net overleden), maar die was te mooi en te goed, en hem overkwam ook weleens een foutje.

lev
                                                 Lev Jasjin

Lev Jasjin wordt algemeen beschouwd als de beste doelman aller tijden. Ik heb hem een paar keer op (zwart-wit)televisie mogen aanschouwen, vooral die keer dat hij in 1963 op Wembley in het Wereldelftal tegen het elftal van de 100-jarige Engelse voetbalbond speelde. Geheel in het zwart, zoals vrijwel altijd, haar strak achterover gekamd en daaronder altijd een pet. De Zwarte Octopus. Groot, lang, stijlvol, acrobatisch, gezegend met snelle reflexen en prachtige zweefduiken, en handen als kolenschoppen. Onverschrokken stortte hij zich op tegenstanders, als hij maar de bal te pakken kreeg. Waardoor hij wel soms een hersenschudding opliep, maar toch doorspeelde.

Hij stond bekend als een penaltykiller. Waarschijnlijk had hij zijn reflexen te danken aan de periode dat hij als ijshockeykeeper speelde voor Dinamo Moskou, de club die hij altijd trouw bleef. En verder zag ik beelden van zijn afscheidswedstrijd in 1971 voor 100.000 toeschouwers in het Lenin-stadion (nu Loezjniki) van Moskou, waarvoor grote voetballers als Pelé, Eusebio en Beckenbauer waren uitgenodigd. Jasjin werd zestig jaar oud, hij overleed aan maagkanker. Nadat eerder een been moest worden geamputeerd, wegens gangreen. Jasjin werd gekozen tot ‘beste doelman van de twintigste eeuw’. Hij had geen show nodig. Hij stopte domweg de meeste ballen die op hem werden afgevuurd en genoot daarvan.

Jean-Marie-Pfaff-de-slechtste-vastgoedhandelaar-van-Belgie
                                           Jean-Marie Pfaff

Jean-Marie Pfaff, een Belgische showdoelman met fantastische reddingen, heeft daarentegen nooit zijn behoefte aan aandacht kunnen onderdrukken. Hij stond in het doel van het Belgische elftal achter een geweldige verdediging met Gerets, Meeuws, Millecamps, Renquin en anderen. Toen vertrok hij zowaar naar Bayern München. Een man met humor en een obsessief gevoel voor aandacht trekken. De eerste keer dat ik hem tegenkwam was na de Ronde van Vlaanderen, in de rij voor een friettent. Hij zag me staan en zag mijn perskaart. ‘Ah wel, u bent van de pers, uit Holland zeker. U kent mij niet? Ik ben Jean-Marie Pfaff. Ik zal u een nieuwtje vertellen. Ik word doelman van AZ, ik heb al een refrigerator en een wasmachine van meneer Molenaar thuis ontvangen. Mooi toch? Dat kunt u in uw gazet plaatsen. Akkoord?’

Een paar jaar later vroeg ik een interview aan met Pfaff. Ik moest me melden bij de fysiotherapeut in Beveren. Daar aangekomen hoorde ik vanuit een belendende kamer: ‘Allez Guus, zijt ge daar? Ik kom zo.’ Vervolgens reed hij mij met zijn witte Bentley door het stadje, vertelde me heel veel, zwaaide naar wandelaars in de winkelstraten (‘u ziet dat ze mij kennen’) en zei tegen een Chinese restauranthouder dat zijn Nederlandse vriend daar vanavond kwam eten, op kosten van Jean-Marie. ”t Is goed zo’.

Na afloop drukte hij mij een visitekaartje in de hand, goud gekleurd, met daarop de tekst Jean-Marie en Carmen Pfaff, plus al (?) zijn telefoonnummers.

Weer een paar jaar verder maakte ik dankzij het visitekaartje een afspraak met hem in Holiday Inn nabij Zaventem, waar het Belgische elftal verbleef. Bij de balie zei bondscoach Guy Thys dat Pfaff niet te spreken was. De spelers moesten rusten. Maar daar kwam Jean-Marie al: ‘Mijn vriend Guus uit Holland. ’t Is goed Guy! Waar gaan we zitten? Allez, we gaan een pint drinken. U bent mijn vriend, dat weet u.’

Eddy PG
                                             Eddy Pieters Graafland

Doelmannen hebben meer dan voetballers hun eigen stijl. Ze zijn anders, anders dan voetballers. Sommigen zijn stil en bescheiden en stoppen gewoon de bal die ze gedwongen zijn te stoppen. Anderen zijn extravert, komen uit hun isolement omdat ze zich mogelijk in dat doel alleen voelen en vragen om aandacht. ‘Kijk mij eens, ik ben ook een mens, ik sta niet voor niets in dat doel. Vraag mij ook eens wat en niet alleen om dat foutje.’

Ik weet niet hoe het Eddy PG is vergaan, als Amsterdammer nota bene, achter verdedigers als Rinus Israel, Theo Laseroms en andere extraverte mannen. Gaf hij die mensen keiharde aanwijzingen, liet hij het allemaal op z’n beloop en greep hij ten einde raad in omdat dat van hem werd gevraagd. Doelmannen, goalkeepers, Torwarts, Torhüter, Tormänner, sluitposten, portieri, laatstemannen, doelwachters. Ach, het zijn allemaal medespelers, een van de elf maar meer dan belangrijk. Dat wist Eddy PG, dat weet ik zeker.

Dit artikel is gepubliceerd in Argus, nummer 81, juni 2020

Ben ik nou zo slim en zijn zij zo dom? Of is er iets anders?

10 mrt
kastanjes
                                                        Kastanjes?
Ik kijk steeds meer op een andere manier tegen dingen aan. Ze zijn niet meer zoals ik gewend was. Een kastanje is niet meer een kastanje, maar een min of meer rond ding met een bruine kleur en een bleek vlekje. Een kastanje? Rond? Bruin? Bleek? Vlekje? Wie zegt dat? Omdat me dat als kleine jongen geleerd is.
 
Dat is bruin, en niet geel. Dat is rond, en niet vierkant. Ik hoor het de juf van de kleuterklas zeggen, en mijn vader en moeder zeiden hetzelfde. Ik begreep dus van jongs af aan welke kleur een ding had en welke vorm. Waarom zou ik dan nog twijfelen? Iedereen zei het, iedereen zei elkaar na – en dan nog de wetenschap. Zo was het dus en niet anders. Zo was het afgesproken.
 
Totdat me bijna twintig jaar geleden tijdens mijn eerste boeddhistisch weekeinde werd gevraagd wat ik zag, toen een kastanje (of zoiets) voor mijn neus werd neergelegd. Mij werd gevraagd er serieus naar te kijken, het te draaien tussen mijn vingers, op mijn hand te leggen en dan een beschrijving te geven van het ‘ding’. ,,Vergeet wat je geleerd hebt”, ,,vergeet wat je weet”, werd mij door de Amerikaanse boeddhistische leraar David Schneider geadviseerd. ,,Beschrijf in je eigen woorden” en ,,ruik, voel en kijk, wat is het volgens jou?”
 
Ik raakte in verwarring, wilde terugvallen op wat mij was geleerd – en hoe ik was geconditioneerd. Wat nu? Ik hoefde niets te zeggen. ,,Houd het voor jezelf, het is wat jij ziet, ruikt en voelt. Dat is waarschijnlijk anders dan wat je buurman ziet, ruikt en voelt. Het is jouw perceptie, helemaal van jou alleen.”
 
Zeker vanaf dat weekeinde zie ik dingen anders. Althans, ik probeer me te verlossen van wat ik word geacht te zien. Omdat mijn opvoeders (en al die ‘papegaaien’ en wetenschappers) me eens hebben verteld hoe het zat, hoe mensen zijn, hoe het leven (en dat van een ander) in elkaar steekt.
 
Het is min of meer anders dan toen ik eens als sportverslaggever stoned of high (hasj, lsd) naar een voetbalwedstrijd zat te kijken en andere acties (bewegingen) zag dan mijn collega’s op de tribune. Ik schreef een verslag en schreef wat mij was opgevallen. Niemand die negatief reageerde. Inderdaad, het was (gewoon) mijn perceptie van de wedstrijd.
 
Later kreeg ik soms van coaches en supporters de wind van voren omdat ik (volkomen clean) niet had beleefd hoe zij wedstrijd hadden beleefd. Ik heb weleens proberen uit te leggen hoe het bij mij werkt en dat ik niet kan (en wil) schrijven vanuit zijn (hun) beleving. Maar ze begrepen het niet. Echt niet! Tja, ben ik nou zo slim en of zijn zij zo dom? Of is er toch iets anders? Verschil in beleving, perspectief?
 
Al mediterend kwam ik tot het besef dat mijn beleving gewoon mijn (eigen) beleving is. Waarom ik ooit ben gaan voetballen en daarover ben gaan schrijven, zou ik willen weten. Mogelijk kom ik daar achter. Mogelijk omdat iedere jongen en vriend het deed. Mogelijk omdat ik erbij wilde horen. Mogelijk omdat ik geliefd wilde zijn, rijk en beroemd. Veel aandacht dus. Maar zover ben ik nog niet. Dat inzicht is me nog niet toegevallen.
 
Mijn worsteling gaat over mijn waarheid tegenover de waarheid die anderen mij (soms onbewust) hebben opgedrongen, want zo voelt het: opgedrongen. Tijdens mijn meditatie voel, ruik en zie ik dingen die bij mij horen. Het is echt verwarrend. Maar ik kan niet meer terug. Zoals mijn boeddhistische leermeesters vertelden in hun boeken en geschriften: ‘Meditatie en boeddhisme scheppen verwarring, niets is meer wat je gewend was. Maar eens kun je verlichting bereiken, vrij van de worsteling, alleen wat jij ziet, ruikt en voelt is van jou.’
 
Zo harkte in de herfst ik de bladeren op mijn grasveldje bijeen. Waarom hark ik, waarom mogen die bladeren (of wat ze ook zijn) niet blijven liggen? Terwijl ik hark, voel ik de opdracht: harken omdat het moet. Maar waarom? Ik lees artikelen waarom je bladeren moet harken en waarom niet. Waarom kinderen willen voetballen. Waarom het klimaat verandert en waarom niet. En altijd kom ik terug bij mijzelf. Wat denk ik, wat voel ik, wat ruik en zie ik? Maar vooral waarom? Een bruin, nat, afgestorven en gevallen blad stelt mij vragen. De herfst zette  aan tot denken. Waarom?
 
Guus van Holland is vriend van Shambhala Leiden
 
 
Deze column is gepubliceerd in de februari-editie 2020 op de website https://vriendenvanboeddhisme.nl/

Guus van Holland kan eindelijk ontspannen lachen

8 feb

Guus was aanwezig bij de opening van De Derde Helft bij RCL (27 nov. – 2019). Daar zag hij voor het eerst in zijn leven ‘live’ een potje walking football. Het plezier viel hem op, de humor, maar ook de energie die erin werd gestoken. Contacten werden uitgewisseld, lijntjes werden gelegd, en het wachten is nu op het officiële debuut van Guus. Guus debuteerde op woensdag 5 februari als gastspreker bij RCL. Dit deed hij vanuit het project De Derde Helft, waarbij activiteiten voor en door ouderen worden georganiseerd in de ‘kantine’. Gewoon praten over zijn carrière als sportjournalist. Anekdotes vertellen.

En anekdotes, die heeft Guus genoeg. Anekdotes over Louis van Gaal, het Ajax van ’95, de Tour de France, Joop Zoetemelk, het journalistieke vak, en het gereformeerde Bennekom. Guus debuteert vandaag officieel op de website van OldStars.nl, en doet exclusief voor OldStars zijn verhaal! 

Geboorteplaats Bennekom, een gereformeerd dorp
‘Ik ben geboren in Bennekom, een christelijk dorp vlakbij Ede. Ik ben ook christelijk opgevoed, gereformeerd. Het mooie was: mijn vader heeft me het christendom min of meer proberen bij te brengen, dus zat ik zondagochtend als kind in de kerk, maar met diezelfde vader fietste ik na de kerk naar de Wageningse Berg, om samen naar Wageningen te kijken. Voetbal kijken op zondag hoorde in Bennekom eigenlijk niet. Toen ik elf/twaalf was heb ik het christelijk geloof wat achter me gelaten. Ik heb nog wel op een christelijk lyceum gezeten, maar dat heb ik ook niet afgemaakt. Daar ging het er erg streng aan toe. Veel over de Bijbel, en heel streng over allerlei dingen. Ik ben blij dat ik daar niet gebleven ben, kon blijven eigenlijk.’

‘Op een gegeven moment heb je geen zin meer om op zondagochtend naar de kerk te gaan. Dan blijf je liever liggen, slaap je liever uit. Mijn ouders besloten toen, met moeite, laat hem maar liggen.’

Invloed van gereformeerd Bennekom op leven
‘Mijn christelijke achtergrond in mijn jeugd heeft toch wel enige invloed gehad op mij denk ik. Ik heb er wel een beetje last van gekregen, in de vorm van een achtervolgingswaan. Ik weet niet precies of het daardoor komt, maar het zou goed kunnen. Als je dit niet doet dan werd je gestraft: een schuldgevoel aanpraten. Als je iets raars deed dan kwamen de ouderlingen aan de deur. En in Bennekom wist meteen het hele dorp het als je op zondag niet in de kerk verscheen. Heel streng was het. Als je dit niet doet, dan kom je niet in de hemel.’

Van gereformeerd naar boeddhist
‘Ik ben er erg gevoelig voor geworden, denk ik. Nu probeer ik boeddhist te worden. Maar ik moet oppassen dat ik niet achter een goeroe aan ga lopen. Je bent er hier veel vrijer in. Het is niet zo dat je ergens voor gestraft wordt. Bij het boeddhisme kan je zelf vrijheid vinden. In plaats van dit mag niet en dit mag wel. Wat is die term ook alweer? Dogma’s. Dogma’s van zo moet het en zo moet het niet. Die kennen ze niet in het boeddhisme. Het is heel moeilijk om zo te leven, maar het bevalt me veel beter dan dat wat ik als kind heb meegemaakt.’

Vrijheidsgevoel
‘Méér vrijheidsgevoel, dat heb ik altijd wel gehad in mijn leven. Ook in mijn voetbaltijd (vv Bennekom 1, red.) Ik had als jongen een baard en heel lang haar, dan word je al gauw als een soort hippie gezien. Ik was erg opstandig tegenover trainers. Ik was wel altijd heel trouw aanwezig, misschien wel meer dan de andere spelers, maar als trainers zeiden je moet dit doen, je moet dat doen, dan dacht ik, waar is dat voor nodig? Maar dat heb ik altijd wel een beetje gehad hoor. Heb altijd wel mijn eigen koers gekozen. Mijn eigen weg.’

‘Toen de eerste sponsor zich aandiende, kreeg je trainingspakken van de sponsor met de naam van de sponsor erop. Toen zei ik, dat doe ik niet. ‘Ja,maar dan krijg je ervoor betaald.’ Nee, dat doe ik niet. Principieel was dat. Ik heb dat altijd wel een beetje in me gehad, mijn eigen weg willen kiezen. In de journalistiek heb ik dat kunnen uitbouwen , of eigenlijk kunnen volhouden. Ik schrijf wat ik zelf wil of vind. Als dan een boze voorzitter op me af kwam, of een boze sponsor, of de Ajax-voorzitter, en vroeg wat heb je nou weer gedaan? Dan zei ik: ik heb niks met je te maken, ik zie een wedstrijd en ik schrijf op wat ik zie. Die vrijheidsdrang, of onafhankelijkheidsdrang, heb ik altijd wel een beetje gehad. Ik wil niet met handen en voeten gebonden zijn aan wie dan ook.’

Begin van carrière
‘In het begin van mijn carrière was dat soms wel moeilijk, omdat dan een chef boven je staat. In de eerste jaren mocht ik naar de Tour de France toe. Toen zei mijn chef: nou, ik weet niet of je daar nog een keer naar toe moet. Ik had zoiets van, wat zullen we nu krijgen, waarom niet?! Mijn chef was heel zwart/wit. Ik schreef niet zoals hij dat wilde. En toen gingen anderen erover stemmen. En die zeiden: nee, dat moet hij zelf weten. Dat was het moment dat ik het zat was om iets voor een ander te doen. Dat werd me ook wel meegegeven. Je moet het op je eigen manier doen. Na twee maanden vroegen mensen me: wat ben jij aan het doen? Ik was compleet veranderd volgens hen. Maar ik was gewoon op mijn eigen manier gaan schrijven, en dat werd erg gewaardeerd, al weet ik niet of mijn chef het waardeerde. Maar gelukkig heb ik het de rest van mijn carrière vol kunnen houden.’

Boze brief van directie Coca Cola Nederland
‘Ik had die vrijheid nodig om gewoon stukken te kunnen tikken. Bijvoorbeeld toen ik in de Tour de France was. Die wielrenners kregen eerst altijd een flesje Perrier, bronwater met prik. En ineens moesten ze Cola gaan drinken, omdat die firma een nieuwe grote sponsor was geworden. Bepaalde wielrenners zeiden toen: ik moet die troep niet. En flikkerden dat blikje weg. Ik schreef dan op dat die wielrenners dat zeiden en deden. En dan schreef ik een beetje ongenuanceerd op dat ze ook gelijk hadden. Waarop dan een brief op hoge poten van de directie van Coca Cola Nederland naar mijn hoofdredacteur werd geschreven, van: dat kan allemaal niet hè?! Ik stond er zelf achter van wat ik schreef. Waarop mijn hoofdredacteur zei, dat regelen we allemaal wel, joh. Die vrijheid van hem had ik nodig. Al had ik het achteraf gezien wel wat genuanceerder kunnen opschrijven.’

Guus Kuiper

Guus bij het shirt van Hennie Kuiper in diens museum

Niet doen wat moet/hoort
‘Ik zet me af tegen mensen die ‘meedoen met wat er moet.’ Zo van: als ik niet schrijf wat een voetballer, wielrenner, voorzitter van Ajax of Feyenoord wil, dan kom ik er niet in. Maar ik dacht: ach, dan kom ik er maar niet meer in. Ik heb vaak genoeg beleefd dat ik door dat onafhankelijkheidsgevoel in voetbalstadions ben geweigerd. Het is ook heel moeilijk, een tweestrijd. Omdat je toch voor je krant een stuk moet schrijven, maar je tegelijkertijd onafhankelijk wilt blijven. Veel mensen vonden mijn stukken ook niet leuk. Ze hebben liever dat je positief bent over dingen, maar ik probeerde toch kritisch te blijven.’

Verstandhouding met Louis van Gaal
‘Zoals ik al zei, met die kritische houding maak je niet alleen maar vrienden. Ik heb ook weleens problemen met Louis van Gaal gehad. Na een Europa-Cupwedstrijd, Ajax verloor toen met 3-0, tegen Parma geloof ik. De thuiswedstrijd wonnen ze toen wel. Die week erop, kon ik hem interviewen. Ik was de eerste die een interview met hem kreeg. Als je met 3-0 verliest, uit bij Parma, dan is dat als Ajax zijnde natuurlijk… Van Gaal zei: ja maar heb je gezien hoe ze voetbalden? Ik zei, ja, maar, nou en? Dan doe jij dat toch ook. Ze verdedigden meer, gingen dan counteren, en kwamen er zo snel uit. Die Italianen hadden toen een fantastische voetballer, Zola, en nog een Colombiaan, Asprilla, die heel snel was. Ze kwamen eruit en scoorden drie keer.’

‘Ik zei: dan doe je dat ook, dan ga je toch ook verdedigend spelen en dan erover heen. Ik snap best dat je aanvallend wilt voetballen, maar dat is soms ook naïef. En toen zei hij heel eerlijk: ja, maar dat kan ik hier niet verkopen. Wij kunnen niet in de Meer verdedigend gaan spelen. Dat pikt het publiek niet. Met Louis kon je een prima gesprek voeren. Gewoon discussiëren. In persconferenties moest je er niet tegenin gaan, want dan werd hij hels. Maar één op één kon je prima met hem praten.’

‘Van Gaal wilde altijd dat wanneer ik het had opgeschreven, dat hij het eerst kon lezen voor de publicatie. Hij had toen eigenlijk maar een paar veranderingen. Overal waar ‘ik’ stond, moest ‘wij’ worden. Dat hij niet die mening had, maar de hele club.’

Europa-Cup finale van ’95
Toen ze ooit een keer de finale wonnen, Ajax, in ’95. Toen deed mijn favoriete speler bij Milan niet mee, Savicevic. Ik zat op de perstribune, toen kwam Tom Egbers, van de NOS kwam naar me toe, hij zei: Savicevic doet niet mee. Oké, dan ga ik weer naar huis, zei ik, en stond op om weg te lopen…’

‘Ajax won toen, door een puntertje van Kluivert. Maar AC Milan had net zo goed 4-0 kunnen winnen. Van der Sar haalde prachtige ballen eruit. Om onverklaarbare redenen, hij was gewoon een erg goede keeper. Tweede helft puntertje van Kluivert en daar bleef het bij. Na afloop vroeg ik van Gaal tijdens de persconferentie of het nog uitmaakte of Savicevic niet mee deed bij Milan. Toen zei hij, wij praten niet over één speler. Ik heb toen geschreven dat Ajax niet zijn beste spel had, en dat het niet de beste wedstrijd was, trouwens van beiden. Het was gewoon saai.’

‘Ik weet nog wel, op de heenweg mocht ik niet mee in het vliegtuig van Ajax, want ik was niet pro Ajax. Dat was een vlucht met de spelers, sponsors, zo’n 25 journalisten en het bestuur. Van Gaal had toen geregeld dat ik niet in dat vliegtuig zat, omdat ik te negatief was over Ajax. Vond hij. Terwijl ik het hele jaar overal mee naar toe was geweest. Ineens moest ik toen in een ander vliegtuig naar Wenen, met verslaggevers die nog nooit bij Ajax waren geweest, laat staan bij een voetbalwedstrijd.’

‘Uiteindelijk mocht ik bij de terugreis wel mee. Dat beschouwde ik als een soort overwinning. Er kwamen toen op de terugvlucht bestuursleden van Ajax naar me toe. Die hun excuses aan mij gingen aanbieden omdat ik niet mee mocht in het vliegtuig. Het is een voorbeeld, vooral vanuit Van Gaal: als je niet voor ons bent dan ben je tegen ons. Terwijl ik gewoon opschrijf wat ik zie.’

Niet door van Gaal in keurslijf te krijgen
‘Ik heb weleens gehoord dat Piet Schrijvers, die werd trainer bij FC Wageningen – een jaartje of halfjaartje heeft dat geduurd – dat alle auto’s van de spelers met hun neus dezelfde kant op moesten staan. Hebben ze in Wageningen gezegd: wat is dit dan, ga jij maar weg. Dat is het idee, dat alle journalisten, volgens Van Gaal, maar voor Ajax moeten zijn. Ik kan me voorstellen dat Van Gaal dat wil. Dat Ajax dat wil. Maar mij krijg je niet in dat keurslijf. Daar ben ik wel tevreden over, dat ze me niet in het keurslijf krijgen. En dat je toch iemand bent waar ze op letten.’

‘Lange tijd later, toen ik al lang niet meer met voetbal bezig was, kwam ik van Gaal nog eens tegen. Liep ik met Louis de trap af. Hij zei: ha Guus, lang niet gezien. Ik zei ja klopt, ik ben tegenwoordig ook coach. Toen was ik chef geworden. Hij was heel vriendelijk. Toen behoorde ik niet meer tot de mensen die hij moest sturen. Het zijn ook best prettige mensen, ook van Gaal, maar vanuit hun functie moeten ze zorgen dat iedereen op hun hand is. Echte vriendschappen heb ik niet opgebouwd in de voetbalwereld.’

kati en Guus

Guus met Katarina Witt

Joop Zoetemelk
‘Ik heb meer met wielrenners banden opgebouwd dan met voetballers. Dat is toch een ander soort mensen. Die renners hebben me wel echt echt belogen. Omdat ze doping gebruikten, en over winnen en verliezen onderhandelden, en dat niet durfden te zeggen. Als ik Joop Zoetemelk tegenkom, dan zegt hij, hé Mark, omdat hij niet meer weet hoe ik heet. Maar met al die mensen kan ik nu heel goed opschieten. Al heb ik toen altijd heel kritisch over wielrennen geschreven en soms ook echt botste met dezelfde mensen.’

‘Die topsportwereld, concurrent van elkaar zijn, ervoer ik ook in de competitie tussen de kranten. Zeker de Telegraaf en de rest. Als zij iets weten, willen ze dat als enige of als eerste weten. Mij interesseert dat niet. Ik schrijf liever een verhaal met nuance erin. Als iemand doping gebruikt als topsporter, dan ben ik niet geïnteresseerd in dat die topsporter dat doet, maar wel in waarom hij of zij dat doet. Die topsporters die staan altijd onder zo’n enorme druk, dat kunnen mensen zich niet voorstellen. Ik heb daar altijd kritisch naar gekeken.’

Terug naar de jeugd in Bennekom
‘Het kritisch naar sport kijken is denk ik ook ontstaan in dat dorp, in Bennekom. Sport was iets heidens in die tijd. Dat je niet mag voetballen op zondag. Misschien heb ik daardoor altijd het idee gehad kritisch naar sport te kijken. Niet naar bewegen. Kijk, bewegen is bewegen. Maar topsport is anders. Ik weet intussen uit ervaring dat topsport niet zo gezond is. Kijk, je kan een gouden medaille halen, of drie, en dan op een gegeven moment op je 35ste ben je klaar. Of je lichaam is kapot, of je bent klaar. Dat sterke verlangen naar iets wat het hoogst haalbare is. Het kost alleen maar pijn, topsport. Je bent alleen maar aan het trainen, en aan het strijden, en alles er voor laten. En dan lukt het niet. En dan ben je op je 35ste klaar en dan moet je stoppen, waar heb je het dan voor gedaan. Of je bent op je 20ste klaar door een blessure. Wat doe je dan, als je daarvoor alles ervoor hebt moeten laten?’

Guus zijn kritische houding richting topsport is opmerkelijk te noemen, vanaf de buitenkant. Omdat hij er zelf altijd over heeft geschreven. Bepaalde zaken in het leven van Guus hebben hem gevormd en doen relativeren. Zijn gereformeerde achtergrond is al genoemd, maar zijn scheiding, twee burn-outs en zijn ernstig ziekbed hebben hier ook zeker invloed op gehad.

‘Ik heb problemen gehad na een relatie die uitging. Toen werd ik redelijk depressief. Je kan dan een uitweg zoeken in drank en drugs. Ik zocht mijn uitweg vooral in boeddhisme. Dat boeddhisme heb ik daarna lang losgelaten en me bijna obsessief op mijn journalistieke werk gestort tot ik alles weer op de rails had. Vlak voor mijn pensioen kwam het boeddhisme weer op mijn pad. Het begon weer te kriebelen. Toch dat verlangen naar een kerk, wel zonder een god, maar toch een bepaalde zoektocht. Een zoektocht met vrijheid, zoals dat in het boeddhisme kan. In die zoektocht zit ik nog steeds.’

OldStars walking football spreekt me veel meer aan dan topsport
‘Ik had een probleem op het eind van mijn carrière, dat ik mijn hele leven over sport had geschreven. Mijn probleem vond ik toch wel, dat ik zo geobsedeerd was door strijd en competitie. Dat ik dat altijd mooi vond. Hoe mensen elkaar verrot schoppen. Dat voelde niet lekker. Je kan beter vriendelijk met elkaar omgaan. Kijk naar walking football. Wat mensen mij vertellen. We gaan anderhalf uur spelen, en dan lekker een kopje koffie met elkaar drinken. Of je nou gewonnen hebt of verloren, dat maakt dan niet meer uit. Dat is veel leuker toch, en past veel meer bij mij, en bij de boeddhistische leer, de dharma.’

Op Guus zijn manier met pensioen  
‘Zeven of acht jaar geleden merkte ik dat ik uitgeblust begon te raken. Zeker van de competitie om goede stukken te schrijven. Kreeg last van mijn hart, hartkloppingen enz. Ik werd zelfs aan mijn hart geopereerd. Toen ik thuiskwam van m’n vakantie in Egypte, heb ik toen onmiddellijk een berichtje gestuurd van: ik ben klaar, ik kom niet meer. Ik weet nog wel dat de toenmalige, nieuwe hoofdredacteur eens tegen me zei: ja maar Cruijff heeft wat geschreven, jij moet daarover een stuk schrijven. Toen zei ik: nou, ik doe het niet. Ja maar het moet. Ik doe het toch niet. En ik was niet bang. Ik zei: ik doe het niet. Iedereen zei: jij moet het doen. Ik zei: ik doe het niet. Anderen waren wel bang en gingen dan ineens schrijven. Ik bleef onafhankelijk. Ze wilden me toch niet kwijt. Toen ben ik gestopt, met pensioen gegaan.’

Daar komt ineens die jongen uit het eerste van Bennekom terug die weigert in het trainingspak van de sponsor te lopen. Die zijn eigen koers vaart. Die op zoek is naar antwoorden op het leven, naar zichzelf, naar rust. Inzichten probeert te vinden in het boeddhisme op vragen als waarom hij op deze aarde is. Bepaalde zaken een plaats kunnen te geven. Het wegzetten van een verlangen, misschien wel naar een verlangen naar erkenning en waardering. Wat ontbrak in de calvinistische gereformeerde jeugd.

OldStars lijkt niet bij toeval op het pad van Guus van Holland te zijn gekomen. Ontspanning, lachen, ouwehoeren, liefde voor het spelletje, voetbalanekdotes delen van vroeger, en gewoon met een bakje koffie in de kantine praten over alles wat een mens bezighoudt. Dat is wat OldStars kenmerkt. Weet Guus nu ook.

Guus wil zelf nog het OldStars walking football toernooi noemen bij RCL Leiderdorp: 8 mei, waarbij veel teams (24?) kunnen meedoen en er geld wordt opgehaald voor KIKA in de strijd tegen kanker. Meer informatie volgt hierover.

Het OldStars team wenst Guus een mooi debuut en een ontspannende OldStarscarrière. Met dezelfde ontspannen glimlach die hij tijdens dit interview geregeld liet zien! 

%d bloggers liken dit: