De meest indringende vraag heeft geen antwoord

20 Aug

Wat bezielt mensen? Wat gaat er door ze heen? Wat voelen ze als ze verloren hebben, wat als ze gewonnen hebben? Wat ging er fout? Wat maakt ze zo bijzonder? We willen het zo graag weten, of liever begrijpen? Hoe is het om topsporter te zijn? Vertel eens, asjeblieft, leg het me uit. Hier, voor de microfoon en de camera. Kijk in de camera en zeg het, asjeblieft, de mensen thuis willen het écht weten.

Het kan nieuwsgierigheid zijn of empathie dan wel een poging tot vereenzelviging met de sporter die zojuist alles uit zijn lichamelijke én geestelijke vermogens heeft gehaald om te schitteren. Waarom? Altijd die vraag: waarom? Het is de vraag die altijd op de lippen van sportverslaggevers brandt: ‘Wat ging er door je heen?’ Het mag dan wel een lachwekkend cliché zijn geworden, het is de meest prangende vraag. Niet alleen voor de verslaggever, maar hoogst waarschijnlijk ook voor de toeschouwers.

Ik heb door de jaren heen geleerd (mede door jarenlange intensieve therapieën en boeddhistische trainingen) dat we nooit zullen en kunnen begrijpen wat de ander denkt. Ieder zijn eigen beleving, zijn eigen perceptie en zijn eigen emoties. Als sportverslaggever heb ik altijd geprobeerd te doorgronden wat de sporter (die ander dus) doormaakt. Mogelijk als een vorm van projectie. Voelt hij ook wat ik bij deze overwinning of nederlaag voel? Of voelt hij iets anders? Dat wilde ik echt weten. Niet beseffend dat ik een totaal ander mens ben – wel of niet bekend met topsportbeleving. Meestal keek de sporter me dan aan met ogen vol onbegrip.

Ik zag tv-verslaggevers informeren naar het echte, diepe gevoel van Dafne Schippers, Ranomi Kromiwidjojo, Tom Dumoulin, Epke Zonderland, Yuri van Gelder, hockeysters, wielrenners, handbalsters en andere olympische sporters na hun ‘nederlagen’. Ik zag (in mijn perceptie) de wanhoop, het verdriet dan wel de onverschilligheid (bevriezing) in hun houding. Ze wilden weg uit deze ongemakkelijke situatie. ‘Je gaat me toch niet vragen wat ik echt voel? Alsof ik al weet wat ik voel. Mag ik het even laten bezinken? Er is iets met me gebeurd, maar ik weet nog niet wat? Ik weet nog niet wat me raakt en waar en waarom het me raakt. Kom op, laat me met rust. Rot op! Heeft een mens dan nooit recht op verwerking, op privacy?’

 Maar de tv-verslaggever ging door en door. ‘Kom op, jongen, vraag door, de mensen thuis willen het weten’, zo zou het in zijn oor getoeterd kunnen zijn door de regisseur. En hij ging maar door, totdat de sporter het zat was, nog even wat andere verslaggevers van de kranten plichtmatig te woord stond, om vervolgens de kleedkamer kort en klein te slaan. Of zoals ik zelf eens een voetbalschoen door de ruit van de kleedkamer gooide. Uit frustratie, omdat ik na de wedstrijd weer eens geschorst zou worden. Een bestuurslid had me streng aangekeken, en daar ging ik: los!

Begeerte en teleurstelling zijn vijanden van elkaar, zeker bij topsporters – jonge mensen nog – die jarenlang dag in dag uit op de toppen van hun tenen hebben gelopen.

Kent u dat? Jarenlang energie stoppen in het grote doel, op de rand van een burn out en dan uiteindelijk falen – domweg niet winnen. Dan ga je los, dan komt je ware temperament boven dat je al die jaren verborgen hebt kunnen (moeten) houden. Dan worden alle ketens ontbonden en wil je iedereen voor zijn bek slaan. Omdat een verslaggever in je gevoelsleven zit te graven. ‘Mag ik even tot mezelf komen? Of gewoon met mijn trainer en psycholoog of mijn vriend en familie een en ander verwerken: wat en wie ben ik nu nog?’

Bijna veertig jaar geleden was ik getuige van een ijshockeywedstrijd (om de Europa Cup) tussen Heerenveen Flyers en de Duitse club SC Riessersee. Na nog geen vijf minuten werd Heerenveen-center Jack de Heer uit het veld gestuurd na een doelbewuste provocatie van een Duitser. Wij verslaggevers hoorden later van Jacks vriendin dat hij de kleedkamer kort en klein had geslagen. Toen kwam Jack binnen in de kantine van het oude Thialf. De rust zelf. ‘Hi Jack, alles okay?’ Jack, een Nederlandse Canadees,  glimlachte zei: ‘Wat gaat jou dat aan? I’m okay, and you?’ Een maand later vertelde hij: ‘Ik heb alles in de locker-room aan puin proberen te slaan. Maar dat begrijp jij niet. Jij hebt niet op dat ijs gestaan. Wat weet jij daar van? Heb jij ooit ijshockey gespeeld? Nee, so fuck off.’

Ik wilde hem begrijpen. Waarom? Wat is er gebeurd? Jack zei: ‘Ik ben ik, ik heb in mijn leven alles gedaan om een goede ijshockeyer te worden. Jij niet. Jij hebt misschien alles gedaan om een goede verslaggever te worden. Dat zijn twee verschillende werelden, twee verschillende mensen. Ik respecteer jou om je nieuwsgierigheid, maar het is zoals het is: we zijn allemaal mensen, iedereen is verschillend.’

In de jaren tachtig stond ik aan de finish van een Franse wielerkoers met collega’s te wachten op Johan van der Velde, die in een bergetappe een half uur na de winnaar was binnengekomen. Ik vroeg: Wat is dat nou?’ Johan was kapot. Zijn ogen spuwden vuur. ‘Hedde gij welles met oew klote op ‘n fiets gezeten? Flikker op.’ Johan en ik zouden vrienden worden, ik heb zijn lijdensweg en opstanding van nabij gevolgd en zie hem nog steeds en denk dan: weet je nog Johan? Hij weet het nog.

Die emoties respecteer ik als medemens, of ik nu het wel of niet begrijp. Ik heb geleerd mensen op die vreselijke momenten met rust te laten. Veel voetballers én trainers hebben mediatrainingen gehad. Hoe diplomatiek te reageren op indringende vragen. Het is hun afweer tegen mogelijk vijandige infiltraties van verslaggevers en slecht verwoorde emoties. Mede daarom ben ik voetbalverslagen gaan schrijven zonder quotes van spelers en trainers. Ik observeerde en schreef wat ik zag en erbij voelde (in mijn perceptie). In interviews probeerde ik er later op terug te komen. In de hoop toch iets van de ziel in de voetballer te begrijpen. Soms lukte dat, soms niet. Veel voetballers, maar ook andere sporters blijven op hun hoede. Dat begrijp ik. Wat wil die man van me? Zo denken ze. Wat doet hij met wat ik zeg?

Wat ontlenen we aan de beleving van mensen die topsport tot het belangrijkste in hun nog jonge leven hebben gemaakt? Dat de Dafne’s, Ranomi’s, Epke’s, Yuri’s en Tom’s en al die anderen hun eigen invulling aan het proces tussen leven en dood geven, dat wil ik graag horen. Maar als ze dat niet willen of kunnen, houdt het op. Vaak denk ik aan de grote verscheidenheid aan topsporters die ik heb geprobeerd zieleroerselen te ontfutselen. Joop Zoetemelk vroeg ik tientallen keren naar wat hij voelde, vooral op weg naar Parijs in 1980, in de Tour die hij zou winnen. Dan keek hij mij aan en zei: ‘Pfff, ja, pfff.’ Of Dennis Bergkamp: ‘Nou ja. Ik deed het gewoon.’ Of Jan Raas: ‘Ik zeg lekker niks, maak er maar wat van.’ Of Gerrie Knetemann: ‘Wie heeft jou gestuurd? Mijn psychiater?’ Of Bernard Hinault: ‘Vous pensez que je te raconte mes sentiments? Non, non.’ Of Henk Lubberding, na een hele middag op zijn boerderij: ‘Guus, ik vertrouw je, dat weet je.’ Of Michael Jordan, na een intiem nachtelijk onderonsje in de locker-room van Chicago Stadium: ‘You’re a nice guy. Holland? Great. Let’s be friends.’ Of Paul Gascoigne, na een wedstrijd in Foggia, Italië: ‘Love you. Kiss.’

Anderen ontfutselde ik meer, maar ik probeerde de grenzen van privacy en fatsoen te respecteren. ‘Wees gerust, ik schrijf het niet op. Ik wil niet ranzig zijn. Sorry, dat ik je dit hebt laten vertellen.’

Michael Jordan

Michael Jordan

Indrukwekkende sportmensen die veel hebben gewonnen en veel hebben meegemaakt. Ik heb ze zien schitteren en falen. Ik genoot van hun bijzondere vaardigheden en hun lichaamstaal die veel verried. Als ze de kunst verstonden hun gevoel in woorden uit te drukken was dat meegenomen. Hun talent toonden ze op het veld, in de wedstrijd. Daar waren ze zichzelf. Ze spraken met hun voeten, met hun lichamelijke talent.

Het schijnt steeds meer nodig te zijn dat talenten ook nog helder hun talent kunnen verklaren, laat staan hun gevoelsleven publiekelijk analyseren. Mochten ze dat willen, dan laten ze dat wel blijken. Maar verder: ik wou dat ze met rust gelaten werden, laat ze doen waar ze goed in zijn en plezier aan beleven. Of pijn lijden. Ik hoef dat spitten in de ziel van een sportman niet. Je begrijpt hem toch niet. Hij is een ander.

Deze column is in verkorte vorm gepubliceerd op http://www.sportenstrategie.nl

Het gedrag van olympiërs zegt mogelijk veel over onszelf

13 Aug

Menselijke drama’s zijn er in vele vormen geweest in de eerste week van de Olympische Spelen.Sporters die vielen op momenten dat de spanning steeg, sporters die plotseling niet in de gewenste topvorm verkeerden, sporters wier materiaal het begaf, juryleden die in de hete olympische sfeer arbitraire beslissingen namen en sporters die zich om menselijke redenen niet aan de afspraken konden houden en daarom werden uitgesloten van deelname. Wat willen mensen die naar topamusement kijken nog meer?

Opgewonden, hijgerig, overspannen en verward is gereageerd op de zenuwslopende jacht naar medailles. Niet in de laatste plaats door de media die graag duidelijk maken hoe intens betrokken ze zijn bij de gladiatoren in de olympische arena’s. Wie enige afstand bewaart en emotieloos op de gevechten reageert komt van een andere planeet en wordt bij voorkeur niet serieus genomen. Verondersteld wordt dat deze dissonant niet begrijpt dat het toch echt allemaal om goud draait.

Emoties laaiden hoog op. Voor de een kan het nooit genoeg zijn. Het zijn de thrillseekers die verslaafd zijn aan adrenaline en andere euforieversterkende stoffen dan wel hormonen, mogelijk bang voor de stilte en de ontspanning, bang voor de kennismaking met de rusteloosheid in zichzelf. Een ander wordt gefascineerd door wat op blinkend goud en eeuwige glorie gerichte jonge sporters bezielt en vooral door waar ze onder hoogspanning toe in staat zijn. Hoe krijgen ze dat toch voor elkaar? Wat hebben ze moeten doen om deze prestaties te verrichten? Hoeveel uren per dag, per week en per jaar? Jarenlang hebben ze moeten trainen om in Rio de Janeiro te mogen zijn en dan te tonen wat ze als mens allemaal kunnen.

Mijn vrees dat deze jonge sportmensen gecomputeriseerd en al bijna gerobotiseeerd aan de Olympische Spelen zijn begonnen (zoals ik op 6 augustus in NRC Handelsblad schreef: ‘Zo goed als een machine’), is vooralsnog gelogenstraft. Vanzelfsprekend staat de topsport op het punt te verwetenschappelijken, maar naar wat ik de afgelopen week ervoer is het merendeel van de olympiërs nog van vlees en bloed, nog even fysiek en psychisch kwetsbaar als u en ik. Uitgezonderd de helden die perfect presteerden en de jongens en meisjes die tot ongekende grote hoogten en snelheden reikten. Waar is een mens nog toe in staat? Waar ligt de grens van de fysieke en psychische mogelijkheden?

Die vragen zijn niet van vandaag of gisteren. Het is inherent aan de sport sinds ze werd bedacht om wat voor reden dan ook. Iedereen is gefixeerd op het oprekken van grenzen. De olympische beweging meent daar paal en perk aan te stellen door een ‘ethische’ grens te trekken. Om maar een voorbeeld te noemen: medische middelen die de natuurlijke aanleg van het lichaam geweld aan doen, dus stimuleren, zijn niet toegestaan. Met als argument dat ze schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid (alsof topsport met al zijn obsessies en lichaam verstorende gedragingen gezond is). En dat het de competitie vervalst. Iedereen gelijke kansen, zoiets. U en ik hebben dezelfde vader en moeder, we zijn uit hetzelfde hout (vlees en bloed) gesneden, we komen uit hetzelfde land, we beschikken over hetzelfde geld, hetzelfde materiaal, dezelfde begeleiding, dezelfde wetenschappers, dezelfde sportpsychologen en we zijn opgegroeid in dezelfde cultuur. Ja, toch? Of zijn we allemaal gelijk, zijn we allemaal geboren met gelijke kansen?

Ik zag de rugbyers van Fiji in de finale van het olympisch toernooi de Engelse tegenstanders ‘vermorzelen’. Allemaal donkere mannen, van een eilandengroep met nog geen miljoen inwoners, die de Engelsen op atletisch talent op alle fronten aftroefden. Ik zag de vreugde en de ontlading na hun triomf en dacht: welke wetenschappelijke begeleiding hebben deze ‘natuurlijke’ mannen gehad? Of hadden ze baat bij voodoo, een of andere grote god dan wel een stimulerend kruid. Het zal toch niet de doping zijn die door de olympische beweging wordt verboden of hun afkomst, cultuur en genetische aanleg – mensen van Fiji hebben iets wat wij (of de Engelsen) niet hebben? Een bepaald gen waarover anderen niet kunnen beschikken misschien.

Ongeveer tegelijkertijd zag ik mannen zwemmen. Groot, stoer, vastberaden, gespierd, scherp, afgetraind zoals dat heet. Mijn zoon zei nog: ‘Hoe krijg je zo’n lichaam?’ We zagen gespierde borst-, schouder- en bovenarmpartijen zoals vroeger zwemmer en tarzankloon Johnny Weissmüller ze als vrijwel enige had. Het testosteron spatte er vanaf. Maar tegelijkertijd viel mij op dat alle zwemmers geen borsthaar hadden. Gladgeschoren? Aerodynamisch dus. Zwemgigant Pieter van den Hoogenband dankte veel van zijn snelheid aan zijn borstpartij, omdat deze de vorm van een catamaran had. Mooi meegenomen, toch? Hij was een man met talent met daarnaast een enorm doorzettingsvermogen en een positieve inslag. Maar die gladgeschoren borstpartij? Je zou het zomaar stimulerend (doping) kunnen noemen.

In mijn nieuwsgierigheid naar omgaan met leven, beland ik voortdurend in boeddhistische visies. Een van mijn inspiratiebronnen is Pema Chödrön, een boeddhistische lerares die ik graag raadpleeg bij mijn vragen. In haar boek Waar je bang voor bent, vind ik in mijn zoektocht de passage ‘Proberen onszelf beter te maken helpt niet. Dat gaat uit van strijd en jezelf kleineren.’ Dus, wie meer wil zijn dan hij is, verloochent zichzelf, wie hij werkelijk is.

Nadat ik het had voorgelezen zei mijn zoon: ‘Ja, waarom moet ik zijn zoals die mannen die goud winnen? Word ik veroordeeld omdat ik niet zo ben, niet hun talent heb en niet zo ben opgevoed zoals zij? Wie niet is zoals de winnaars, deugt niet. Die krijgt geen aandacht. Alleen wie goud wint, krijgt aandacht als rolmodel.’ Hij wees me op het nummer Warsaw van Them Crooked Vultures, en zong vervolgens met luide stem over zijn dilemma die in zijn beleving extreem verkeerd en daarom ontwrichtend wordt uitgedragen door de media, de geobsedeerde jacht op goud en zilver: ‘It’s all medals and trophies, trophies and medals. All before the race has been run.

We kwamen onvermijdelijk bij Yuri van Gelder uit. Een man met spieren die buitenproportioneel (onmenselijk?) zijn gegroeid door jarenlange intensieve training. Hij wilde een uitzonderlijk mens zijn. Anders en beter dan anderen – zeker niet minder dan anderen. Kijk mij eens, wie ik ben en wat ik allemaal kan. Ik ben Yuri, ik ben een man. Ik wil aandacht. Als je het niet ziet, dan zal ik het nog één keer laten zien. De hele wereld zag het. Maar het was niet genoeg. Nooit was het genoeg. Nooit zal het genoeg zijn. Hij wil en moet laten zien dat hij bestaat. Desnoods met behulp van geestverruimende middelen die hem op z’n minst boven zichzelf kunnen uittillen. Topsport, medailles en titels kunnen daartoe ook bijdragen. Maar het is nooit genoeg. Nooit meer.

Het gevecht van Yuri zou mensen aan het denken moeten zetten. Waarom Yuri en die andere sportmensen willen triomferen. Is er een gat in zichzelf die zij moeten opvullen? Herkent iemand de strijd die Yuri voert? Ik moet nu veel denken aan Paul Gascoigne, al enige jaren (tevergeefs) in een ontwenningskliniek verblijvend en nooit meer de mens die we van hem willen zien. Ik volg zijn twitter-berichten die hij vrijwel dagelijks rondstuurt. Zoiets als deze: ‘Morning all have a lovely wkend thinking of YOUS all lots of hugs GAZZA I’ll read your tweets and get back to all love&hugs GAZZA 😘👅😜xx’ Het is een onophoudelijke tragedie.

Sport biedt drama, mensen die het wel en ook niet redden. Sport is waar we over na moeten denken. Omdat het veel over ons zelf zegt.

Deze column is gepubliceerd op http://www.sportenstrategie.nl

Olympisch goud en de schijn van heiligheid

9 Aug

Terwijl ze daar levenloos in de goot lag, haar lichaam over een betonnen rand gevouwen, sprong ik op vanuit mijn comfortabele positie en riep: ‘Help haar! Wie helpt haar?’ Mijn huisgenoten slaakten kreten van schrik en ontzetting. De Belgische televisie-commentatoren schreeuwden iets van gelijke orde. Ontzetting alom. Maar wat nu?

De wedstrijd ging door. Natuurlijk ging de race door. Wie haalt het nu in zijn hoofd om een olympische race, de alles verdringende jacht op goud, stop te zetten? The games must go on. De achtervolgers schoten voorbij, vanuit hun ooghoeken hebben ze haar zeker zien liggen. De latere winnares herinnerde zich nog haar aarzeling. Daar lag haar vriendin. Dood? Wat nu? Doorgaan? Een andere achtervolger sprak haar moed in: ‘We rijden door, we doen het voor haar.’ Motoren en auto’s met mannen en vrouwen die plichtsgetrouw hun werk bleven doen, schoten eveneens in blinde vaart voorbij. Er lag iemand levenloos, mogelijk zelfs op sterven. Niemand stopte.

Totale eenzaamheid. Is dat de samenleving van nu?

De man op de motor die schuin achter haar reed, voerde een cameraman mee. Door deze mannen zag ik wat er gebeurde. Zagen zij het ook? Op een amateurfilmpje zag ik later dat de motor tweehonderd meter verder even aarzelde (de remlichten gloeiden), maar uiteindelijk toch doorreed, door de volgende bocht. Iedereen reed door. De amateurfilmer hoorde ik ‘oei’ roepen, terwijl hij opgewonden doorfilmde. Waarom eigenlijk? Ik hoorde het lawaai van een helikopter en van een blaffende hond. Honden ruiken instinctief onraad. Na ruim twee minuten kwam een man aanrennen die even verder zowaar van zijn motor was gestapt. Vervolgens kwamen de eerste hulpverleners in actie. De race ging door. De ploeggenote van de ongelukkige vrouw in de goot in het donkere bos won, het goud was voor haar. Het was haar gegund. Zou God dan toch bestaan?

Er circuleert op internet een filmpje waarop verstandelijk gehandicapte kinderen een hardloopwedstrijd houden. Halverwege de race valt een van de kinderen. De anderen reageren geschokt, draaien zich om, helpen de ongelukkige deelnemer op en hollen vervolgens de handen ineengeslagen samen over de finish. Samen juichend. De ouders op de tribune juichen en huilen. Zo mooi kan verbroedering zijn.

In een ver verleden heeft mogelijk een ethische olympische code bestaan die van deelnemers aan sportwedstrijden vooral medemenselijkheid vroeg. Geen onmenselijke competitie. Zoiets als: er is meer dan goud, er is meer in het leven dan winnen van een ander, verliezers verdienen ook aandacht. Of: samen sporten is het leukst. Deelnemen is belangrijker dan winnen!

Goed dat er weer Olympische Spelen zijn, vooral dat ze maximale aandacht krijgen. Dan kunnen we weer aanschouwen hoe hard topsport is, onmenselijk vooral. Dan worden we geconfronteerd met die geobsedeerde jacht op medailles en titels. Achter de eindstreep ligt ogenschijnlijk het paradijs, daar wacht het eeuwige geluk – voor wie zich het goud opeist wel te verstaan. Een Nederlandse televisie-commentator schijnt na het zien van de gruwelijke val in zijn verwarring gezegd te hebben: ‘Oh, oh, daar gaat het goud.’ Tja, sport doet rare dingen met mensen.

Bijna veertig jaar geleden stond ik als debutant met een tiental verslaggevers aan de finish van een etappe in de Tour de France te wachten op een ver achtergebleven Nederlandse renner. Toen hij eindelijk over de eindstreep kwam gekronkeld en door een verzorger en zijn ploegleider was opgevangen, viel hij neer tegen een caravan van de medische dienst. Als aasgieren doken mijn collega’s op de uitgeputte, doodzieke, kotsende renner, terwijl een verzorger alles in het werk stelde om de renner te helpen. Amechtig en ongeduldig werden vragen afgevuurd op de jonge renner die verdoofd uit zijn ogen keek. Observaties en onbestemde geluiden werden op bloknoten geschreven. Camera’s klikten onophoudelijk, genadeloos. Beroepsdeformatie alom. Ik draaide me om, liep weg en riep: ‘Laat die jongen godverdomme me rust.’ Ik hoorde nog: ‘Dit is je beroep, Guus. Of kies een ander beroep.’

Ik bleef mijn beroep nog tientallen jaren uitoefenen. Ik zag winnaars en verliezers, juichende mensen huilen, wielrenners in een diep ravijn liggen en sporters naar hun gebroken been en gewonde hoofd grijpen. Ik bezocht ontredderde topsporters in ziekenhuizen en andere klinieken, of na hun carrière, ontheemd en verlangend naar de tijd dat goud en glorie nog voor het grijpen lag. Topsport is hard, meedogenloos, begreep ik. Topsport verhardt mensen, steeds meer, zo heb ik ervaren.

Nog een voorbeeld. Eens stond ik op een Pyreneeëntop met twee collega’s weer te wachten op een achtergebleven Nederlandse wielrenner. We hadden hem beneden in de berm zien zitten, met zijn broek omlaag, hij was ziek en aan de diarree. Toen hij boven kwam, plantte hij huilend zijn met poep besmeurde fiets tegen onze auto. Hij sloeg vloekend en tierend met zijn vuisten om zich heen en schopte tegen onze auto. De collega’s maakten aantekeningen en foto’s, en vroegen hoe het met hem ging. Ik keek stil en beschaamd toe en zei toen: ‘Stop ermee, jongen, je bent doodziek. Doorgaan heeft geen zin meer.’ Hij staakte de strijd en stapte huilend in een ambulance. Hij had verloren.

Laatst in deze verdwazende sportzomer vol niet te stuiten babbelaars op televisie en radio, hoorde ik oud-wielrenner Karsten Kroon zijn ervaringen delen. Hij had vele botbreuken en andere fysieke en psychische ellende overleefd. Wat hem nog het meest uit evenwicht had gebracht, was de confrontatie met zichzelf nadat hij gestopt was met topsport. Hij was in een zwart gat gevallen. Hij wist niet meer wie hij was en hoe hij zich moest gedragen – zeg maar op de been moest blijven. Zijn vrouw verliet hem, een relatie was onmogelijk geworden. Hij had maar één focus gehad: wielrennen, verder geen gezeur. Wielrenners zijn stoer, ze staan op na een zware val, likken hun wonden en gaan door alsof ze geen pijn hebben. Ze hebben hun gevoel uitgeschakeld, merkte Kroon op. Wielrenners huilen niet. Collega’s als Michael Boogerd noemden hem destijds een huilebalk, omdat hij toch af en toe zijn emoties toonde. Nu kan Kroon weer echt huilen. Hij laat zijn emoties komen en gaan. Hij voelt zich weer mens.

Staan we op de brug naar ontmenselijking in de sport? Dat sporters pijn hebben, huilen van geluk of ontzetting, geeft aan dat ze nog mensen zijn en kunnen voelen. Nog wel. Maar nog even en de aanjagers van topsport verlangen dat alle emoties worden uitgebannen. Het verstand moet op nul. Robots dreigen ze te worden. Op z’n minst mensen die nog maar één ding voor ogen hebben in hun leven: goud! En iedereen eromheen doet mee. Verblind door de jacht op eeuwige glorie. Wanneer stopt de race? Wie stapt af, biedt de medemens hulp en laat het goud liggen? Het is immers slechts een talisman, niet meer dan een schijn van heiligheid.

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

Door Flow: Visualiseer het droomdoelpunt

5 Aug

Hoe zou je het begrip flow het beste kunnen omschrijven? Die gemoedstoestand waarin een mens volledig opgaat in zijn of haar bezigheden, zoals dat ruim veertig jaar geleden is verklaard door de Amerikaans/Hongaarse psycholoog Mihaly Czikszentmihalyi. Die stroom waarin je (onbewust) wordt meegevoerd. Luister naar Marc Lammers, voormalig hockeycoach van onder meer het Nederlandse vrouwenteam, het Spaanse vrouwenteam en recent het Belgisch mannenteam. Hoor zijn woordenstroom wanneer hij probeert uit te leggen wat flow is en vooral hoe je dat oproept. Volledig gefocust op wat hij wil zeggen, opgaand in de visie waarin hij gevoed door tal van ervaringen is gaan geloven.


Bevlogen, zo zou je zijn gemoedstoestand ook kunnen noemen. Bijna euforisch in het nu zijn. Opgetild worden door de overtuiging dat het goed is wat hij doet en zegt. Een half jaar geleden bracht Lammers samen met organisatiespecialist Ton Hendrickx het boekje ‘Flow, van goed naar goud’ uit. Een leidraad voor teams, zoals de hockeyteams die Lammers gedurende twintig jaar met succes heeft gecoacht. Hoe teams in een flow kunnen komen, hoe samen (hand in hand, zij aan zij) op weg te gaan naar het gezamenlijke doel. Hoe samen werken, samen spelen en samen trainen.

Iedereen kent het gevoel, alsof alles vanzelf gaat. Ineens blijken alle handelingen als door een voorgeprogrammeerde computer gestuurd te worden. Alsof een mannetje in je hoofd aan de touwtjes trekt. Nee, dan ben je zelf. Zoals je dat zelf door veel oefenen, dromen en praten hebt leren doen. Met als begeleider de coach, de man (of vrouw) die de nog onbekende vaardigheden heeft opgeroepen. ,,Hij heeft het gereedschap aangereikt. Hij heeft de vragen gesteld. Hij heeft iedereen de kans gegeven om te dromen van het doel. Het droomdoel. Hoe denk je dat je bereiken? Hoe denken jullie dat te bereiken? Spreek je uit. Durf te dromen’’, legt Lammers uit. ,,De coach geeft vertrouwen.’’

In het boek wordt de Griekse filosoof Epictetus aangehaald: ‘Iedereen wist dat het niet kon. Totdat er iemand kwam die dat niet wist’. Zorg dat ambitie voorstelbaar is. Lammers noemt het ‘positief visualiseren’. Zo bevrijdde hij eens het eerste mannenteam van Den Bosch van het degradatiespook. Hij liet de spelers een ‘collectieve ambitie’ ontwikkelen. Wat is er nodig om voor je team een collectieve ambitie te bepalen, zonder naar het scorebord te kijken? 1. Geef antwoord op de vraag: waarom. 2. Maak de ambitie voorstelbaar. 3. Zorg voor de ultieme uitdaging. 4. Ga dingen doen, in plaats van uitdenken. 5. Creëer automatismen. 6. Visualiseer het succes en de route daarheen. En: ‘Kan niet’ en ‘hebben we al eens geprobeerd’ en andere dooddoeners worden niet geaccepteerd.

Iedereen praat mee, iedereen heeft een idee. Niemand is meer of beter dan de ander, iedereen is zichzelf. ,,De eigenaar van het idee loopt het hardst’’, weet Lammers. ,,30 Procent onthoudt wat er gezegd wordt, 70 procent onthoudt wat hijzelf heeft gezegd. Dat geeft de coach aan, hij geeft vertrouwen. Hij vraagt de speler wat hij wil, hoe hij het wil en hoe hij dat denkt te realiseren. Laat de spelers trainen waar zij goed in zijn. Vraag hoe hij denkt beter te functioneren. Gooi dat in de groep en laat ze daar met elkaar over praten. Visualiseer, laat het filmpje zien hoe het eerder is gegaan. Hoe het goed is gegaan. Niet hoe het niet goed is gegaan. De camera liegt nooit. Dit is wat jullie kunnen. Als het fout is gegaan, stel dan de vraag: hoe doen we het beter?’’

Om in een flow te komen, eensgezind te zijn, maak je afspraken. Drinken we bier na een wedstrijd of niet? Wanneer dan wel? Wanneer niet – of nooit? Lammers maakte dat met de Belgische nationale ploeg mee. ,,De cultuur was daar ‘een biertje na afloop’, maar past dat wel bij topsport? Ik stelde de vraag en vroeg wat de spelers van een andere cultuur vonden. Het werd unaniem geen bier. Dan is dat de afspraak. Iedereen in de pers maakte zich druk over de hoed en de sjaal die Memphis Depay bij Manchester United droeg of de dure auto waarmee hij naar het trainingsveld kwam. Als Louis van Gaal zulk gedrag vooraf met de spelers heeft besproken, is er niets aan de hand. Tenzij er afspraken over te excentrieke kleding en gedrag buiten de club zijn gemaakt, dan is de speler in overtreding en kan dat in de groep besproken worden. Neem de rol van Romario bij PSV. Buitenstaanders meenden dat Romario te weinig deed in de wedstrijd of op de training. Mogelijk mocht hij doen wat hij wilde, áls hij maar scoorde. Dat was de gezamenlijke afspraak. Het klinkt simpel: hoe willen jullie het, wat willen jullie? Iedereen heeft een stem.’’

Belangrijk is dat spelers accepteren dat iedereen anders is. Iedereen zijn eigenschap, ieder zijn kwaliteit. Dan is het de kunst elkaar aan te vullen. De minpunten moeten door anderen gecompenseerd worden. Lammers verwijst naar Lionel Messi, de uitblinker bij Barcelona. ,,Stel dat Barcelona elf Messi’s zou kunnen opstellen, dan zou dat niet leiden tot een beter team. Want Messi heeft, als gevolg van zijn spel, ijverige middenvelders en verdedigers nodig, die ervoor zorgen dat zijn team in balbezit komt. Ballen afpakken is niet de kern-kwaliteit van Messi.’’

Van nature wil iedereen eigen baas zijn, weet Lammers. ,,Je zou bijna zeggen: daarom zijn er zoveel ZZP’ers. Dan ben je je eigen baas. Zo is het in een team ook vaak in het begin. Mensen willen best veranderen, maar niet veranderd worden. Ze willen zeggenschap over hun rol. Vraag dus als coach wat ze willen, hoe ze zichzelf zien, hoe ze aangespeeld willen worden. Dat kun je visualiseren, het beeld oproepen. Zo? Of zo? Dan ontstaat vanzelf verandering. Je ziet het pas als je het doorhebt.’’

Lammers verwijst graag naar het bedrijfsleven. ,,Je krijgt vast weleens emails van een bedrijf, waarmee je net zaken hebt gedaan. Dat noemen ze klanttevredenheidsonderzoek. Aangetoond is dat medewerkerstevredenheidonderzoek meer oplevert. Hoe bevalt het werk? Wat vind je van je collega’s? Wat vind je van je baas? In de Japanse bedrijfscultuur heeft iedereen een stem, niet de baas. Dat is dwars tegen de hiërarchie in. Daar is een omslag gemaakt, omdat voorheen volgens Japanse traditie iedereen zich onderwierp aan de baas, aan de leider. Dat gaf veel burnouts.’’

Hij noemt als voorbeeld Toyota, hoe het concern een van de wereldmarktleiders werd in de auto-industrie. Dagelijks feed forward. A daily stand up, een dagelijks overleg van een paar minuten waar de komende dag de puntjes op de i moeten worden gezet. ,,In feed forward zit een opbouwende werking, verbetering en waardering zijn het gevolg. Waar feed back het vertrouwen en de veiligheid binnen een team kan schaden, zorgt feed forward juist voor een toename.’’ In het boek schrijft hij: ‘Bij Den Bosch speelden we ’s zondags onze competitiewedstrijd en de daarop volgende dinsdag zaten we bij elkaar voor de feed forward. We hadden verloren van Bloemendaal, wat moesten we doen om te gaan winnen van Hurley? Dus niet: we hadden verloren van Bloemendaal en wat was er allemaal fout gegaan?’’

Te midden van alle voorwaarden om in een flow-staat te komen spelen vertrouwen en veiligheid een belangrijke rol. Lammers: ,,Sociale veiligheid en veiligheid om te handelen zijn in de zoektocht naar teamflow vooral beïnvloedbaar door leidinggevenden. Ik weet dat de coach, de directeur, de manager daar een hele actieve rol in kan vervullen. Want naast risico is ook (negatieve) kritiek een groot gevaar voor veiligheid. En juist die kritiek moeten teamleiders bewaken.’’

Boven alles staat lol, plezier. ,,Lol’’, vindt Lammers, ,,is een direct gevolg van veiligheid in handelen. Bij het Belgische nationale team creëerden we onze veiligheid bij ons publiek door plezier met ze te maken. Handtekeningensessies met de jongste fans. En bij het EK in België gingen we voorafgaand aan onze wedstrijden steevast via het stadion naar de kleedkamer. Voor de tribunes langs, achter de reclameborden. Het publiek genoot ervan en de basis van de loyale steun tijdens de komende wedstrijd was gelegd. Eerst durfden de spelers dat niet. De spelers vonden het uiteindelijk ook heel lollig. Ze konden nog even zwaaien naar familie en bekenden, voordat de focus definitief naar de wedstrijd moest worden gebracht.’’

De laatste anekdote roept het beeld van een aangename sfeer op. Spelers die zich veilig voelen en gesteund. Samen met de toeschouwers die zich een deel voelen van het team dat gaat spelen. Zo werkt het ook met het meezingen bij volksliederen. Samen met de toeschouwers. Het is alsof je als speler in een warm bad zit. Niets kan je nog gebeuren. Het is de flow die kan leiden tot het gewenste resultaat. Voordat je het weet is de wedstrijd afgelopen. Zo snel is het voorbij. Het zijn de uitvloeisels en geneugten van flow, zo meeslepend, uitvoerig én gedetailleerd beschreven in ‘Flow, van goed naar goud’.

Dit artikel is gepubliceerd in de olympische editie van NLcoach

De Tour, Sky en Froome: fascinerend in alle facetten

26 Jul

Met een bloedstollende massasprint werd afgelopen zondag de Tour de France afgesloten. Zoals het mij als sport- en wielervolger het liefst is. Ik was langzaam onbewust(?) wakker geworden na mijn nogal vermoeiende middagloopje in de warmte, in de hoop dat het laatste half uur mij zou brengen waarnaar ik verlangde. De slotkilometers op de Champs Elysées brachten het wedstrijdverloop dat mij al jaren bekend is. Uitlooppogingen van renners die een massale aankomst wilden voorkomen, lekke banden van favoriete sprinters en amechtige pogingen van uitgemergelde renners om tot de eindstreep erbij te blijven. Niets nieuws, maar toch weer spannend. Mijn vrouw, die tot dan toe weinig had meegekregen van de Tour, leefde volop mee.

(AP Photo/Christophe Ena)

(AP Photo/Christophe Ena)

Zo ongeveer, in die stemming, heb ik de Tour de afgelopen weken gevolgd. Bijna niets nieuws, toch bijna altijd spannend. Gewoon, zoals ik sinds 1978 beroepsmatig mijn eerste Tour volgde en de laatste jaren als ervarings- en verslavingsdeskundige. Niet verwend, allerminst volgevreten, gewoon benieuwd naar wat zich dit keer zou aandienen. Misschien meldde zich wel een nieuwe held, een nieuwe klimmer en nieuwe sprinter, zowaar een nieuwe eindwinnaar, zag ik nieuwe strategieën, nieuwe technologieën, ongekende taferelen en nog niet vertoonde drama’s. Misschien kwam er niets nieuws. Misschien bleef de Tour gewoon de Tour, met alle mogelijke ontwikkelingen die een aanslag kunnen doen op mijn natuurlijke hartritme.

Met een mengeling van verbazing, aanvaarding en nieuwsgierigheid las en hoorde ik de kritische commentaren, in de kranten, op de radio en de televisie en onvermijdelijk op de sociale media. Men wilde nog meer. Meer strijd, meer aanvallen, meer beklimmingen, meer afdalingen, meer tijdritten, meer demarrages, meer Nederlandse triomfen, meer sensatie, meer chaos en rumoer. Er werden vergelijkingen gemaakt met de Ronde van Italië en de Ronde van Spanje. Wat is er veel gepraat. Het was niks of het moest anders. In elke spelonk werd wel een ‘analyticus’ gevonden die oeverloos kan analyseren. Urenlang analyseren, of mensen er nu verstand van hebben of niet. Zonder publieke analyse kan geen sport meer worden bedreven.

In deze krankzinnige doorgedraaide maatschappij wordt al snel iets als saai gekwalificeerd. Twee tellen geen sensatie en we zappen weg. Zo las ik een reactie van een ook al verbouwereerde collega. Zeuren over niet genoeg, vervlakking en verandering duidt naar mijn idee op innerlijke onvrede. Of dan toch maar weer doping toestaan, zoveel mogelijk liefst – vallen er tenminste doden.

Mensen willen altijd meer, dat is mij intussen bekend. De begeerte is grenzeloos geworden. Als ze geen mooier huis willen, een mooiere auto, een groter televisiescherm of een snellere (duurdere) fiets, dan is het wel een sportheld die onoverwinnelijk is. Liefst een uit eigen land, als de ultieme vorm van sportbegeerte. Is die sportheld een buitenlander dan is het oordeel gauw minachtend. Hij zal wel doping nemen, hij zal wel meer geld hebben, hij zal wel meer hebben dan ‘wij’ hebben. Of hij is te saai om een held te zijn.

joop-zoetmelk
Ik heb Joop Zoetemelk, Bernard Hinault, Laurent Fignon, Greg LeMond, Stephen Roche, Pedro Delgado en Miguel Indurain van nabij de Tour zien winnen. Saai was wat betreft uitstraling misschien vooral de Nederlander Zoetemelk, die in 1980 door de furieuze Raleighploeg (Jan Raas, Gerrie Knetemann, Henk Lubberding, Cees Priem, Johan van der Velde en vooral ploegleider Post) moest worden opgezweept om toch op z’n minst één keer (en dan vooral voor de ploeg en de sponsor) de Tour te winnen.

In zijn spoor als ‘saaie’ wielrenner komt de buitenlander (want Spanjaard) Miguel Indurain in aanmerking, maar die won de Tour wel vijf keer. Saai is naar mijn smaak geen enkele Tour en geen enkele winnaar. Het is niet meer dan de angst voor voorspelbaarheid, dat robotten de wedstrijd gaan domineren. Dat de spanning niet groot genoeg is om ons uit de dagelijkse (saaie) sleur te bevrijden. De organisatoren voelen die mengeling van angst en behoefte aan, en handelen er vanzelfsprekend uit commerciële motieven naar. Het parcours wordt elk jaar zodanig veranderd in de hoop dat het koersverloop minder voorspelbaar wordt. Liefst nóg slopender voor de favorieten. Niet weer dezelfde winnaar, niet wéér Chris Froome. Hij wordt al zo saai gevonden, niet mediageniek vooral.

Wat de organisatoren ook voor de afgelopen Tour hadden bedacht, Froome won toch weer. En hoe! Op momenten dat niemand hem verwachtte (in een afdaling, in een waaier met de allerminst saaie Peter Sagan) sloeg de Brit toe, zijn concurrenten in vertwijfeling achterlatend. Dat was een ongekend staaltje topsport. Froome had meer dan voorheen de beschikking over een ploeg die hem tot in de hoogste graad van perfectie van dienst was. Is dat saai?

In het verleden genoot zelfs de grote Merckx de steun van plichtsgetrouwe knechten in zijn ploeg, Molteni. Lance Armstrong dwong bij US Postal en Discovery Channel zijn ploeggenoten tot het uiterste – chantage en ontslag waren zijn machtsmiddelen. Zoetemelk werd gered door Raas, Knetemann, Lubberding en vooral Van der Velde (ongeveer zoals Wout Poels nu bij Froome deed). In dat jaar, 1980, was ik getuige van elf overwinningen (exclusief eindoverwinning) van Raleigh, de ploeg van Zoetemelk. Ik hoorde en las nergens het begrip saai. Hoewel de grote favoriet, de Fransman Bernard Hinault, toch na drie etappezeges na afloop van de twaalfde etappe in de gele trui de strijd staakte. Niemand viel Zoetemelk daarna nog aan. Als stonede kraaien volgden de concurrenten zijn spoor, zo schreef ik destijds in de Volkskrant tot woede van veel abonnees. Met tienduizenden tegelijk waren Hollanders naar Parijs gereisd om de ‘saaie’ Zoetemelk (in gezelschap van premier Dries van Agt) toe te juichen en er de polonaise te lopen.

Saai? Het is niet meer dan ver doorgevoerde ploegdiscipline. Wie niet meewerkt, verdient niets of wordt ontslagen. Zo was het ook bij Raleigh. De perfectie die Armstrong zichzelf en zijn ploeg oplegde mag dan naar de achtergrond zijn gedrongen door de ophef over gebruik van onreglementaire medicatie, ze lijkt veel op de werkwijze van Sky. De Britse ploeg beschikt over bijna alle middelen die een wielerploeg ten dienst kunnen staan. Wetenschappelijke kennis (technologie, training, materiaal, sportpsychologie en vooral voeding), afkomstig uit alle sporten, vooral mogelijk gemaakt door het kolossale budget (35 miljoen euro) – dat dan weer wel. Het enige oneerlijke aan de methode van Team Sky is mogelijk het surplus aan financiële middelen.

Te grote dominantie wordt als saai ervaren. Het is maar wat je onder saai verstaat. Zoetemelk zei nooit iets opzienbarends, los van zijn legendarische credo ‘Parijs is nog ver’. Miguel Indurain zat bewegingloos op zijn fiets, zijn gezicht toonde geen emotie, zijn benen maalden zoals ze maalden.Toen hij uiteindelijk na vijf Tour-overwinningen instortte, was iedereen verrast. Indurain was indrukwekkend, omdat hij ogenschijnlijk zonder emotie en zonder spierkracht won. Dat is fascinerend. Zo zie ik ook de overwinning van Team Sky met Froome, fascinerend in alle facetten. Hoe komt dat toch? En waarom missen we dat bij andere ploegen én wielrenners? Geen geld genoeg? Geen goed beleid? Geen ploegdiscipline? Dat zijn vragen die me bezig houden.

Het zijn dezelfde vragen die andere fenomenen in de sport opwerpen. Waarom was mijn idool voor het leven Michael Jordan zo indrukwekkend goed, en waarom wonnen Muhammad Ali, Pelé, Fausto Coppi, Eddy Merckx, Bernard Hinault, Johan Cruijff, Diego Maradona, Carl Lewis en Tiger Woods, en winnen Lionel Messi, Dafne Schippers en Epke Zonderland? Mogelijk een combinatie van talent (fysiek, maar ook en vooral mentaal), gedrevenheid, trainingsmethoden, perfectie en begeleiding. Of is het gewoon de natuurlijke aanleg (de genetische erfenis?) die doorslaggevend is?

Uitgemergeld en uitgeput rolden de overgebleven renners zondag over de laatste finishstreep. Nog magerder dan bij de start. Nog magerder dan vroeger toen voedingsmethoden en fysieke voorbereiding nog onderontwikkeld waren. Eindelijk was de langdurige stress voorbij. Wat doet drie weken stress met Tour-renners? De spanning om niet te verliezen en niet te vallen. De angst dat het getrainde lichaam op het belangrijkste moment niet voldoet. De angst dat het (bewust) graatmagere lijf de vederlichte fiets niet in evenwicht kan houden. En de angst om niet veroordeeld te worden door de menigte en de media.

De Belgische tv-commentator José De Cauwer zei dat hem was opgevallen dat renners elkaar na de finish in Parijs feliciteerden. Bijzonder, aldus de man die zelf vier keer de Tour uitreed (een keer gaf hij de strijd op). Die observatie zegt (mij) veel over wat de renners de afgelopen drie weken hebben doorgemaakt. En dan nog verlangen de wielerliefhebbers meer. What you see is what you get.

Dit artikel is in verkorte vorm gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

Door golf leert schaatsster Carien Kleibeuker beter met tegenslagen omgaan

16 Jul

Even een weekendje thuis, tussen twee trainingskampen door, betekent niet meteen stilzitten. Zelfs niet voor een schaatsster in de zomer. Dus wordt er even op zondag gefietst om de spieren soepel te houden. Fris, vrolijk en ontspannen zet langeafstandsschaatsster Carien Kleibeuker zich na haar ochtendlijke fietstraining de tuin naast haar man Robert Schoonhoven, golfprofessional op de Noord-Nederlandse Golf&Country Club, nabij Groningen. Gewoon een gesprekje over schaatsen en golfen. Of er overeenkomsten zijn, dan wel verschillen. Die zijn er zeker, zo blijkt.

Foto Anneke Hymmen

Foto Anneke Hymmen


Ze kennen elkaar van de golfbaan, sinds een jaar of tien, van een feestje na een golfclinic op de golfbaan van Heerenveen, hier om de hoek. Carien was (tijdelijk) gestopt met schaatsen, Robert gaf al jaren golfles. Ze had zichzelf met schaatsen over de kop gejaagd, los van andere dingen die haar destijds dwars zaten. Snel overstuur, snel moe, alleen maar bezig zich overeind te houden in het schaatsteam, het anderen in haar leven naar de zin te maken en vooral niet te doen wat ze zelf wilde. Overtraind, kun je zoiets noemen. Te veel willen, geen grenzen kennen, altijd maar doorgaan. Doodongelukkig werd ze ervan. En eenzaam, zeker als er niets om je heen is waar je nog plezier aan beleeft.

Het is nu eenmaal een karaktertrek, probeert Carien. ,,Ik ben geen vechter, maar ik geef niet zo gauw op’’, verduidelijkt ze aan het einde van het gesprek. Ze kijkt naar Robert. Hij glimlacht, alsof hij het bij haar herkent. Klopt. ,,Ik kan met golfen slecht spelen, maar die bal moet er wel in.’’ Het is een herinnering aan de twee jaar waarin ze competitie speelde. ,,Al was ik dan de laatste die nog moest putten, die bal moest erin.’’

Toch moest golf plaatsmaken voor schaatsen. ,,Golfen was leuk en ontspannend. Maar ik miste het hijgen. Ik miste de inspanning. Niet uren over de baan slenteren en af en toe een bal slaan. Ik was naast een baan als fysiotherapeute inmiddels trainer van een marathonteam geworden. Ik dacht een keer: laat ik eens mijn schaatspak aantrekken en meerijden. Dan ging gemakkelijk. Ik voelde me weer ontspannen. Niets hoefde. Zo kreeg ik het plezier in schaatsen terug. En schaatsen, die beweging, die slagen, dat zwieren en doorgaan tot het uiterste, is toch mijn ding. Ik voel me daar toch het beste bij. Met alle successen tot gevolg.’’

Nu golft ze hooguit nog één keer per jaar, op afspraak met Robert. Die knikt begrijpend. ,,Ze zou wel willen. Maar ze heeft er gewoon geen tijd voor. En schaatsen gaat bij haar voor. Als zij niet beweegt en niet een uitdaging heeft om zichzelf beter te maken dan wordt ze ongelukkig en is ze niet de leukste persoon om mee samen te leven.’’

Carien heeft de overeenkomsten tussen schaatsen en golf zeker ervaren. Misschien heeft ze er wel van geleerd. Zeker. ,,Door golf dacht ik dat ik nerveus was. Focussen is zo ongelooflijk belangrijk. En de rust, de ademhaling voelen. Slag voor slag, net als bij schaatsen. Als je niet in je slag komt bij schaatsen, moet je niet gaan vechten om die slag terug te krijgen. Die komt vanzelf, of die komt niet. Je weet wat je kunt. Zo is het ook met golf. Als het niet gaat, gaat het misschien de volgende hole weer wel. Een andere overeenkomst is, dat het een individuele sport is. Je moet het helemaal alleen doen. Je hebt getraind en geoefend, je weet wat je kan. Gewoon doen en er voor gaan.’’

In haar tweede schaatscarrière trainde Carien nota bene harder dan in haar eerste. ,,Er is iets met me gebeurd. Of ben ik ouder en meer ervaren geworden. Of kan ik beter met tegenslagen omgaan. Dat laatste kan zeker. Ik weet hoe goed ik was en ben in schaatsen. Ik hoef niets te forceren. Ik herken de grenzen. Door golf kun je leren beter met tegenslagen om te gaan. Want het is natuurlijk best een confronterend spelletje. Je kunt moeilijk na vier mindere holes de stokken in de tas gooien en weglopen, zeker niet als je zoals ik in een team speelde.’’

En, zo benadrukt Carien, ze kan nu beter dan vroeger relativeren. Haar liefde voor Robert en hun dochtertje zal daartoe zeker hebben bijgedragen. ,,Vertrouwen hebben in de mensen om je heen, in je trainer, je begeleiders en in wat je allemaal aankan. Zelfvertrouwen en rust. Ik ben nog steeds niet klaar net sport. Ik wil echt nog steeds beter worden. Dat zit in mij. Dus ook niet de moed laten zakken, als het even niet loopt, de tijden wat tegenvallen. De buitenwereld en de media staan gauw klaar met hun oordelen als de tijden nog niet goed zijn. Maar ik weet wat ik kan en wat er in me zit.’’ Straks als ze uitgeschaatst is, gaat ze vast en zeker weer meer golfen, zegt ze bijna als troost tegen Robert.

Vorige maand nog heeft ze voor het laatst gegolfd. Te weinig, weet ze, om vorderingen te maken. Een lagere handicap zit er zeker in. Hoe hoog of laag die nu is, moet ze aan Robert vragen. ,,Handicap 17. Of 18, Robert?” Ach, laat maar. Even niet belangrijk. Eerst schaatsen, volgende week weer een trainingskamp in de Ardennen en dan in de verre toekomst op weg naar Pyeongchang, de Winterspelen van 2018. En dan, wie weet, weer golfen. Maar: ,,Als ik golf wil ik wel dat ik het goed doe.’’

———————————————————————-
Carien Kleibeuker (ROTTERDAM, 1978) is een Nederlandse schaatsster die uitkomt op zowel de langebaan als op de marathons. Ze is gespecialiseerd in de lange afstanden, vooral de 5.000 meter. Op die afstand won ze op Olympische Winterspelen van Sotsji in 2014 de bronzen medaille. Na het seizoen 2006/2007 had ze besloten te stoppen met schaatsen, als gevolg van een burn out. Ze koos voor een loopbaan als fysiotherapeute. In 2010 keerde ze terug als marathonschaatsster. In 2012/2013 won ze de Dick van Gangelen Trofee en werd ze uitgeroepen tot Marathonschaatsster van het Jaar. In 2013 keerde ze na zeven jaar terug op de langebaan. Op het Olympisch kwalificatietoernooi won ze de 5.000 meter voor Ireen Wüst. Een jaar later won ze olympisch brons. Het werelduurrecord staat sinds december 2015 op haar naam met 40 kilometer en 569,68 meter.

Dit interview is gepubliceerd in GolfersMagazine nr.5 in de serie ‘Mijn nieuwe sport’
Eerder verschenen: Roeister Femke Dekker, atlete Olga Commandeur, scheidsrechter Mario van der Ende, hockeyster José Poelmans, waterpoloër Marc van Belkum, wielrenner Erik Breukink, voetbaltrainer Barry Hughes, autocoureur Gijs van Lennep en voetballer Kenneth Perez

Alleen bij voetbal komen zoveel oerdriften boven

12 Jul

portugal
Hoor het voetbalvolk morren. Het moppert en kankert in koor met het merendeel van de professionele commentatoren. Niets was goed aan de wedstrijden om het Europese kampioenschap, zo viel overal te beluisteren te lezen. Er werd te weinig aangevallen en te weinig gescoord. Spelers die niet aan de hooggespannen verwachtingen voldeden werden neergezet als mislukkelingen, volgevreten vedetten, luie geldwolven. Spelers die te hard speelden of te grove overtredingen maakten werden tot misdadigers gedegradeerd. Of zelfs eencelligen genoemd – pijnlijker kun je een medemens niet diskwalificeren.

Ik ben meer geschrokken van de toon en de taal die de laatste weken vanuit alle hoeken van de voetbalsamenleving is gebruikt om het ongenoegen aangaande het amusementskarakter kenbaar te maken, dan van het vertoonde spel der titelkandidaten. Maar mogelijk ben ik vergeten dat voetbal altijd al sinds het ontstaan het slechtste in de mens heeft wakker geschud. In geen enkele sport komen oerdriften zo snel boven als bij voetbal. Zelfs in keiharde mannensporten als ijshockey, rugby en Australian Rules football is het minder. Misschien vergeet ik boksen, maar die sport wordt niet zo massaal beleefd als voetbal en draagt nauwelijks bij tot agressie op social media of tot geweld op straat.

Los van mijn eigen fascinatie voor sport, strijd en spanning in het algemeen en sinds mijn jeugd voetbal in het bijzonder (ik ben dankzij mijn open, nieuwsgierige en vrijwel onpartijdige instelling tijdens het EK aan mijn trekken gekomen), moet de negatieve response de voetballeiders toch tot nadenken stemmen. Willen zij het voetbalvolk aan zich blijven binden, dan zal er een signaal moeten uitgaan naar bestuurders, coaches en spelers. Zoals er nu gevoetbald wordt in titeltoernooien, wekt weerzin op bij de mensen die van voetbal houden, mensen die voetbal nodig hebben om hun leven zin te geven. Hoe dus tegemoet komen aan de wensen van het volk?

Het merendeel van het voetbalvolk wil niet zien dat beroepsvoetballers, zoals op het EK, er alles aan doen om te triomferen. Zij hebben zich onder leiding van gekwalificeerde coaches, fysiotherapeuten, psychologen, wetenschappers en misschien wel wiskundigen met ziel en zaligheid voorbereid op het titeltoernooi. Niet alleen de fysieke belasting, maar mogelijk vooral de psychische belasting weegt het zwaarst. Een speler die niet laat zien waartoe hij in staat is, is verdoemd. Zo beseft hij. Een speler die in het heetst van de strijd zijn zinnen verliest, wordt aan de hoogste boom gehangen of eenvoudigweg tot een ‘eencellige’ gediskwalificeerd. Velen vergeten dat er een zware druk op de schouders van potentiële kampioenen ligt. IJslanders, Ieren, Noord-Ieren, Welshmen hebben niets te verliezen. Die doen lekker waar ze zin in hebben, het volk staat toch wel achter wat ze doen – meezingen (wel of niet stomdronken) kun je ook zien als een vorm van onverschilligheid. Maar helden en kampioenen daarentegen hebben iets te verliezen. Iets? Hun waardigheid, hun trots voor wat ze hebben gedaan om in deze arena te mogen staan.

Dat het merendeel van het voetbalvolk niet begrijpt dat hun helden ook mensen zijn, mensen die niet alleen dankzij hun talent maar vooral door zware inspanning en training goed zijn geworden in hun vak, is de schuld van vele sportjournalisten. Zij moeten duidelijk maken in hun verhalen en betogen dat een held niet zomaar een held is. Dat die held van vandaag een mens is, en dus morgen kan bezwijken onder de druk van kampioen moeten zijn – altijd en eeuwig. Veel sportjournalisten (we kennen de populistische media) schreeuwen het hardst als een nieuwe held is geboren. Maar het zou zo informatief zijn te melden dat deze held een mens is, met al zijn karaktertrekken en nukken, en morgen mogelijk faalt – gewoon iets doet wat elk mens overkomt: fouten maken.

Ik heb veel geleerd van het afgelopen Europees kampioenschap voetbal. Ten eerste waren er de leerzame technisch-tactische analyses op de Belgische televisie van onder anderen Frankie Vanderelst, Wesley Sonck, Imke Courtois, Jan Ceulemans, Geert de Vlieger en Youri Mulder met als advocaat van de duivel Jan Mulder. Wat een tegenstelling met wat op de Nederlandse televisie met betrekking tot het EK voetbal werd gezegd, ondanks de aanwezigheid van Co Adriaanse. Ten tweede waren er de kortzichtige reacties en commentaren op het spelniveau die mij echt diep in mijn sporthart en liefde voor gedreven voetbaltalenten troffen. Negativisme vierde hoogtij. De nuance was zoek. Het was zwart-wit. Zoals ik ook buiten de sportsamenleving bespeur. Wie niet wint is een verliezer. Wegwezen dus!

Met toenemende belangstelling en bewondering volgde ik in Trouw de columns van Henk Hoijtink over het EK. Vanzelfsprekend moest ik lezen wat Willem Vissers in de Volkskrant schreef, wat Sjoerd Mossou in het AD beleefde en wat de NRC-jongelingen Fabian van der Poll en Bart Hinke door hun nieuwsgierigheid aan kennis hadden verzameld en opgeschreven. Hoijtink hield bijvoorbeeld de Belgische frustratie realistisch in het oog en bespeurde een ongenuanceerde aanval (gebaseerd op te grote betrokkenheid) op het beleid van bondscoach Marc Wilmots. Nuchterheid en realisme kunnen verhelderend werken.

Hoijtink wist het spel van de Portugezen, vooral van Ronaldo en Pepe (ja, de uitblinkende verdediger die is bestempeld als eencellig, alsof hij een beperkt dier is) goed te doorgronden. Een titeltoernooi levert niet per definitie de beste winnaar op. De kampioen speelt niet per definitie het beste voetbal. De kampioen heeft het titeltoernooi gewonnen. Niet meer en niet minder. Ik noem zelf in die context het WK van 1974. Toch? Voetbal is geen spel meer, hoezeer coaches en spelers dat om een of andere reden steeds maar melden. Als ik om me heen luister en lees, weet ik beter. Voetbal is een meer dan een spel, een overlevingsstrijd tussen stammen (een gepacificeerde stammenstrijd), die mensen raakt, heel diep.

We weten toch allemaal wat de legendarisch manager van Liverpool Bill Shankly zei: ‘Some people believe football is a matter of life and death, I am very disappointed with that attitude. I can assure you it is much, much more important than that.’

Wielrennen, atletiek, ijshockey, autoracen, motorracen, zwemmen, rugby, hardlopen, hockey, zeilen, golfen, roeien, turnen, volleybal, basketbal, boksen. Noem meer sporten die tot de verbeelding spreken, zeker als nationalisme in het spel is. Maar voetbal, dat wordt toch anders, vooral dieper beleefd. Je laat je er door meeslepen of je wend je er van af omdat zo intens en vurig is. Het is niet alleen de honger naar doelpunten, naar aanvallend spel, naar schitterende individualisten, naar alles wat verrast en bewonderd kan worden, het is wat elke jongen wil – worden als Lionel Messi en Cristiano Ronaldo.

Sport in het algemeen en voetbal in het bijzonder is een vorm van theater, uitgevoerd door excellente artiesten die zich hebben voorbereid op de mooiste voorstelling die zij zich ooit (in hun jongste jeugd) hebben gewenst. Daarom genoot ik van het theater van Ronaldo. Hij zong voor de finale het volkslied met gesloten ogen, een tiental minuten later huilde hij van de pijn, waarschijnlijk vooral van de angst dat hij het einde van de finale, zijn verlangde triomf niet zou kunnen beleven. Een jongensdroom werd hardvochtig (mogelijk beraamd) verstoord door een brute actie van een Franse voetballer

Ronaldo is voor mij de belichaming van wat jongens willen bereiken: de top, de absolute top. Alles heeft hij sinds zijn getormenteerde jeugd om de beste te worden ervoor gedaan. Dat hij zich gedraagt, zoals hij zich gedraagt, is voor mij geen bezwaar. Hij doet wat hij wil doen, op zijn manier, tegen alle winden en meningen in. Hij huilde na de finale omdat hij en zijn vrienden toch wonnen. Is het daar niet om te doen in de sport en in het leven? Winnen.

Vloeken en schelden, zoals de afgelopen weken in overvloed is gedaan, is eenvoudigweg primaire afweer. Het is gewoon boos zijn omdat je niet krijgt wat je hebben wilt. Een heel toernooi meeleven met Ronaldo (hem observeren en proberen te begrijpen), doet je inzien waarom je wilt hebben wat je hart begeert. Voetbal maakt meer los dan je wilt zien. Ronaldo is het symbool van de begeerte die iedereen in zich draagt. Daarom was de titel van Portugal zo hartveroverend. Niet meer en niet minder.

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 3.387 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: