Frank Vandenbroucke: Een wielerfenomeen zonder thuis

7 aug

Enkele uren nadat bekend was geworden dat Frank Vandenbroucke was overleden, schreef ik op 13 oktober 2009 dit artikel in NRC Handelsblad. Binnenkort wordt een film in de Nederlandse bioscopen vertoond, gemaakt door Koen Mortier, Engel (Un Ange), waarvan het verhaal veel gelijkenis vertoont met de ondergang van VDB. De film is gebaseerd op het boek ‘Monoloog van iemand die het gewoon werd tegen zichzelf te praten’ van Dimitri Verhulst

Vandenbroucke

Alle Belgen konden van hem houden, als van een god. Frank Vandenbroucke heeft ervan genoten, zijn leven lang. Maar hij heeft er ook onder geleden. Hij was niet zomaar een sportman, niet zomaar een wielrenner, niet zomaar een mens. Wat was hij dan wel? Eén ding wist hij zeker: „Ik ben God niet.”

Gisteravond bereikte de onheilstijding België: Frank Vandenbroucke was na een samenzijn met een prostituee dood aangetroffen in een hotelkamer in Senegal. Hij zou zijn overleden aan de gevolgen van een longembolie. Zijn moeder nam de telefoon op, zag dat het haar zoon was, maar kreeg een andere renner in Senegal aan de lijn. „Het is waar”, verklaarde ze later, „we zijn onze Frank voorgoed kwijt.”

Het noodlot dat de 34-jarige Belg bijna zijn hele leven heeft achtervolgd, had nu echt en genadeloos toegeslagen. Een sporttalent dat het met wielrennen doorbloede België voortdurend in verwarring bracht, was dood. Hij werd zoals zoveel talentvolle wielrenners vereenzelvigd met Eddy Merckx, de almachtige die in de jaren zestig en zeventig alle wielerkoersen ter wereld won.

Vandenbroucke, geboren in het Waalse Moeskroen, had niet het talent van Merckx, niemand zal ooit het talent van Merckx evenaren. Dat is het noodlot van alle talentvolle Belgische renners.

Maar zoals Vandenbroucke in het jaar 1999 reed, dat deed denken aan Merckx. Sterker: hij reed mooier, hij was eleganter, hij was één met zijn fiets. Hij glom van onoverwinnelijkheid. Bij de start van Luik-Bastenaken-Luik liet hij trots zijn fiets zien, het nieuwste model, met gouden spaken. Hij had zijn haren gebleekt en zijn gezicht ingesmeerd met ‘bruin-zonder-zon’.

Zo laat een sportman die gaat winnen zich zien. Niemand zou hem die dag verslaan. Hij trok op La Redoute ten aanval, op de plaats die hij had voorspeld, schudde zijn concurrent Bartoli van zich af en won.

Frank

Er waren van die dagen dat Vandenbroucke over uitzonderlijke gaven kon beschikken. In de etappe van de Ronde van Spanje naar Avila, de vestingstad boven op een berg, gleed hij op een enorm verzet weg van het peloton en won, zoals alleen Vandenbroucke kon winnen. De avond ervoor was hij nog even naar zijn nieuwe vriendin gegaan om de liefde te bedrijven. Dat kon.

In dat ‘wonderjaar’ had hij wereldkampioen moeten worden. Maar hij werd het niet, hij brak zijn pols. Hij had ook slechte dagen – veel zelfs.

Hij nam doping – veel zelfs – maar werd nooit betrapt. Hij gebruikte cocaïne, amfetamines, alcohol, vreemdsoortige kruiden – vaak zelfs – om zich te ontdoen van de pijn van het dagelijks leven en liet zich adviseren door een dubieuze paardendokter. Hij nam antidepressiva om zijn extreme gevoelens af te vlakken. Hij ondernam twee zelfmoordpogingen, werd tweemaal opgenomen in een psychiatrische kliniek. Hij bedreigde z’n tweede vrouw met de dood. Plotseling kon hij van een engel in een duivel veranderen.

Ik-ben-God-niet

In zijn lijf school oerkracht, in zijn hoofd huisde de duivel. Een jaar geleden, kort na het verschijnen van zijn autobiografie ‘Ik ben God niet’, toonde hij zich zeer openhartig in een interview in het Centrum van de Ronde van Vlaanderen in Oudenaarde met oud-wielerjournalist en directeur van het Centrum, Rik van Walleghem. Hij straalde weer, hij glimlachte lief en vredig, hij zou terugkeren op de fiets en weer zoals vroeger winnen. In de zaal geloofden de toehoorders hem op zijn woord. De engel Vandenbroucke was weer bezig harten te veroveren, ook mijn hart.

Waar ging het dan mis? Vandenbroucke praatte zacht. Toen hij vier jaar was ging het mis, zei hij. Hij werd door een auto aangereden: dijbeenbreuk, drie maanden ziekenhuis. Nooit meer zou hij van die pijn worden verlost. Maar hij won wel, want hij wilde altijd winnen. „Ik had als junior alles gewonnen. De mensen zetten een kroontje op mijn hoofd en knielden voor mij. En ik zat daar op mijn wolk. Alle deuren gingen voor mij open. Ik kan het de mensen van de pers en de fans niet kwalijk nemen. Ik was niet opgevoed om dat te hanteren. Wie wel? Ik ben een emotioneel mens. Ik voel alles intens. En ik was óók geweldig.”

Hij had eens in Italië op het vliegveld gestaan en niet geweten waar hij heen moest. Hij was weliswaar een geweldige wielrenner, maar hij had geen thuis. Hij probeerde er een einde aan te maken. Waarom? „Waarom? Dat doe je gewoon en dan ben je dood of niet. Ik ben vaak depressief geweest, net als mijn vader. Dagen kan ik niks, en dan kan ik weer alles, dan wil ik alles, dan versla ik ook iedereen.’’

Verward als hij was kon hij zich in de laatste jaren in geen enkele ploeg handhaven. Dan was er een mysterieuze blessure of ziekte, dan was hij onvindbaar – zelfs voor zijn tweede vrouw Sarah.

De wielerbestuurders waren hem liever kwijt. Voor een renner met een schadelijk imago is geen plaats.

‘VDB’ trainde weer als bezeten, reed op de modernste fiets en liet zich in amateurkoersen natuurlijk van zijn mooiste kant zien. Volgend seizoen zou hij weer zijn uitzonderlijke klasse tonen. Hij zou zeker weer stralen.

Dat werd hem door alle Belgen gegund.

 

 

Boeddhisme gaf psycholoog Han de Wit wél antwoorden

23 jul

Han F. de Wit is een van de bekendste Nederlandse boeddhistische leraren, een geliefd spreker en veelgelezen schrijver over boeddhistische spiritualiteit. Hij is opgeleid door de vermaarde Tibetaanse dharmaleraar Chögyam Trungpa en auteur van onder meer de bestseller ‘De Verborgen Bloei: Over de psychologische achtergronden van spiritualiteit’

Han-de-Wit-tv-kijk-op-2016-bodhitv

Han de Wit (Foto Boeddhistisch Dagblad)

Je wist maar nooit, zo meende de leergierige De Wit (nu 75 jaar) in zijn zoektocht naar diepere lagen van de menselijke geest. Bij de psychologie, die hem in zijn middelbare schooltijd meer dan de daar verplichte leerstof in haar greep had gekregen, hield het op waar De Wit juist meer verwachtte.

Tijdens zijn strandwandelingen, bijvoorbeeld, meende hij een verschil in beleving te zien. De ene keer voelde hij vrijheid, kijkend naar hoe de meeuwen boven het strand en de duinen vlogen. De andere keer voelde hij eenzaamheid en leken de meeuwen zich anders te gedragen, zwevend op de telkens veranderende heersende thermiek. ‘Dat heeft vast met de psyche te maken, die elke keer anders is’,  vermoedde de jonge levenskunstenaar. ‘Waarom lees en leer ik daar niets over in de psychologie?’

Nu, veertig jaar later, weet de boeddhistische leraar (Acharya) en grondlegger van de contemplatieve psychologie Han de Wit, dat psychologie destijds over behaviorisme ging, over menselijk gedrag. ‘Omdat je niet in andermans hoofd kan kijken onderzoekt deze gedragspsychologie wat je bij mensen kan observeren. De onderzoeker en zijn object zijn dan onafhankelijk van elkaar. Dat is nodig voor betrouwbaar onderzoek. Als je je eigen geest wilt onderzoeken is dat niet zo, dus zijn ook de resultaten niet betrouwbaar, niet objectief, zo dacht men. Dat ging dus niet over de individuele beleving. Terwijl ik toch aan het strand elke keer iets anders had beleefd. Ik dacht: je kan je gedachten waarnemen en je kan over je waarnemingen denken. Dat zijn dus duidelijk twee verschillende zaken, die wel onafhankelijk van elkaar zijn. Dan moet onderzoek van je eigen geest toch mogelijk zijn.’

Laten we voorop stellen dat De Wit niet de eerste en enige was die ‘verder’ dacht dan de toen heersende opvattingen over de psychologie. Hij verwijst naar Wilhelm Wundt, in de negentiende eeuw een van de grondleggers van de experimentele psychologie. Een Duitse filosoof, fysioloog en psycholoog. ‘Hij kreeg destijds geen voet aan de grond, vooral omdat hij geen effectieve methode had kunnen vinden om de beweging van je eigen geest waar te nemen. Anderen zeiden daarom: stop er maar mee, onzin. Daar kwam nog bij dat religie, laat staan spiritualiteit in de wetenschap van die tijd, taboe was.’

Maar Han liet zich niet uit het veld slaan en besloot buiten de gebaande paden van de psychologie op onderzoek uit te gaan. Au Bout du Monde, zo heette het winkeltje in Amsterdam, waar je als wetenschapper niet hoorde te komen maar waar psycholoog Han de Wit begin jaren zeventig toch eens ging neuzen – eigenwijs als hij was.

Te midden van boeken over Ufo’s, macrobiotiek, bewustzijnsverruiming en andere ongrijpbare verschijnselen waar vooral hippies belang in stelden, vond de jonge De Wit een paar boekjes over boeddhisme, waaronder Cutting through spiritual materialism (jaren later vertaald als ‘Spiritueel materialisme doorsnijden’) van ene Chögyam Trungpa Rinpoche, een Tibetaans boeddhistische leraar die in 1959 zijn land ontvluchtte, in Engeland kunst, filosofie en vergelijkende godsdienstwetenschappen studeerde, in Schotland een klooster begon en uiteindelijk in Amerika de Shambhala-stroming stichtte, boeddhisme gestoeld op Westerse beleving.

De Wit werd meteen geraakt door het boek van Trungpa. Hij besefte dat boeddhistische meditatie de vorm van onderzoek was waar hij naar op zoek was. Hij schreef een brief naar Trungpa, die intussen in Amerika was beland. Open, zoals hij was, werd hem gedurende deze periode van bezinning en ontdekking tijdens een bezoek aan Nederland van de Gyalwa Karmapa (hoofd van de Tibetaanse Karma Kagyü-stroming) door een van diens monniken een methode (meditatie) aangereikt.

‘Hij tekende een Tibetaanse letter A op een papiertje en raadde me aan dat op een muur te plakken, er tegenover te gaan zitten en daar mijn aandacht op te richten: zodra je merkt dat je in gedachten bent geraakt richt je je aandacht weer op die letter. Het was niet anders dan wat ik later leerde: je aandacht op de adem te richten. Dat ging ik doen. En wat ik langzaamaan ervoer, was dat ik op het moment van wakker worden uit de bevangenheid van mijn gedachten, deze gedachten scherper begon te zien. Dat leverde mij een steeds helderder inzicht op: ik leerde de beweging van mijn gedachtewereld kennen, ik leerde mijn geest kennen. Het maakte voor mij het verschil: in gedachten zijn en in gedachten zien. Het was een bijzondere gewaarwording, en meer dan de studie psychologie mij verschafte.’

handewit-243x300

Foto Shambhala Nederland

Vanaf pakweg 1974 legde De Wit zich toe op meditatie, zelfonderzoek, wat de officiële psychologie hem niet kon leren. Zitten, je bewust worden van de stroom van gedachten en ontdekken waarom en hoe diep je geloof hecht aan de gedachten, waardoor je bent geworden wie je denkt dat je bent.

Trungpa-w.-Vajra-Naropa-70s-web-e1506199624853

Chögyam Trungpa Rinpoche

Eén hoofdstuk in het boek van Trungpa sloeg hij liever over: de goeroe. ‘Dat was niet voor mij. Ik ben geen volger. Dat is voor mensen die een vader zoeken. Toch wilde ik wel meer weten van Trungpa, de man die mij geraakt had. Ik schreef hem een brief. Een paar maanden later kwam het antwoord: hij wilde wel met mij werken als ik naar Amerika kwam.’

Han onderhandelde met zijn werkgever, de Universiteit van Amsterdam, en ging naar de Verenigde Staten van Amerika voor een ontmoeting met Trungpa. In New York. Hij schrok toen hij de man ontmoette. ‘Hij deed me denken aan een pad. Hij was dik, en ook nog half verlamd geraakt door een verkeersongeluk in Schotland, waar hij een feestwinkel, nota bene, was binnengereden. Hij kon nauwelijks praten, hees, met een hoge stem. Kortom, geen man van wie ik dacht wijsheid te ontvangen. Hij vond het raadzaam dat ik naar Karmê Chöling in Vermont zou gaan. Ik ging om daar verder onderzoek te doen, in de vorm van intensieve meditatie en studie.’

Alles wat op dat gebied door dit centrum geboden werd, deed Han. Onderzoek, studie, mediteren, de ene keer een week, de andere keer een maand. Een paar keer in de anderhalf jaar dat hij daar vertoefde kwam Trungpa op bezoek. Dan was er gelegenheid om een individueel onderhoud met hem te vragen. Dat deed Han, zoals iedereen daar. Maar hij kreeg zo’n onderhoud steeds maar niet, anderen wel. Dan deed hij maar een week van mediatie, of een maand, en verdere studie van de boeddhistische leer, alles wat het programma aanbood. ‘Ik deed dat niet om een voorbeeldige leerling te zijn, maar omdat ik daar nu eenmaal toch was en mijn tijd zo goed mogelijk wilde benutten, in afwachting tot hij, zoals beloofd, met mij zou gaan werken.’

Uiteindelijk was zijn onderzoek in Amerika voorbij en moest hij besluiten of hij terug zou gaan naar zijn werkplek aan de universiteit. Omdat hij al die tijd geen onderhoud met Trungpa had gekregen, wist hij niet goed wat te doen. Mede omdat ‘Amsterdam’ weleens wilde weten waar het aan toe was, meldde hij zich bij Trungpa. Bij de laatste gelegenheid dat hij Trungpa in Karmê Chöling kon zien, kwam hij hem tegen op de trap en vroeg hem wat te doen. ‘Hij lachte, stompte me speels in mijn maag en zei: ‘It was a jolly good show, too bad you were so greedy. Now go back to your country and make people sit and teach them the Dharma, the Hinayana, the Mahayana and so on.’ Al die tijd had hij mij, zo voelde dat toen, laten bungelen, maar ik deed natuurlijk in feite precies wat hij wilde dat ik deed. Dat was dus wat hij bedoelde met ‘met mij werken’. En de jaren daarna kon ik altijd met hem spreken als ik daarom verzocht.’

poetry Trungpa

Trungpa leest een gedicht voor, naast hem de dichters Allen Ginsberg en William S. Burroughs

De Wit ging terug naar Nederland, met zes matrassen en zes zitkussens in geel en rood, en opende op advies van Trungpa een meditatiecentrum in zijn huis in Amsterdam-Zuid; iedereen was er welkom. Dankzij een beetje reclame breidde het gezelschap zich uit en de missie die Trungpa wilde uitdragen kwam op die manier in Nederland terecht – een op de westerse cultuur gebaseerde vorm van Tibetaans boeddhisme. Dat leidde tot de Shambhala-centra die we nu in Nederland hebben.

Wat Han zo aansprak in Trungpa, was dat hij zich als een ‘normaal’ mens gedroeg. Hij meende zijn veronderstelde heiligheid af te moeten leggen door letterlijk en figuurlijk zijn monnikspij uit te trekken en zich te kleden zoals zijn leerlingen: hier ben ik, net zoals jullie. ‘De leraar moet het leven leiden van zijn leerlingen. Als hij dat doet kan hij dichtbij hen komen, hun verwarring, geestelijke blindheid en hardvochtigheid goed zien en helpen die te transformeren tot wijsheid, inzicht en compassie.’

Dat was ook wat De Wit fascineerde: ‘Trungpa en zijn boeddhistische onderricht waren recht voor z’n raap, er was niets heilig aan hem. Sterker nog: de levensstijl van seks, drank en rock ’n roll deelde hij met zijn eerste hippiestudenten. Privacy had hij niet en vond hij voor zichzelf ook niet belangrijk. Zijn leerlingen kwamen bij hem thuis tot in zijn slaapkamer, dronken met hem en vrouwen die dat wilden deelden het bed met hem. Het waren de jaren zeventig, er was vrijheid. Hij keek niet neer op de mensen die naar hem luisterden en zijn visie op het leven wilden delen.’

Zijn zoon Sakyong Mipham, die Trungpa opvolgde na zijn dood, is nu omstreden omdat is uitgekomen hoe hij in zijn jongere jaren omging met vrouwen en drank en hoe hij en de mensen om hem heen dat vele jaren verborgen hebben gehouden. ‘Anders dan zijn vader, die in een andere tijd leefde – zonder de me too-discussie – heeft de Sakyong zich juist van de buitenwereld afgeschermd. En anders dan zijn vader, is hij introvert en van nature verlegen. Trungpa was extravert, open en nieuwsgierig naar alles en had geen privéleven: iedereen wist wat hij deed en dat hij van een borrel hield. Hij creëerde een soort hofhouding waarin zijn studenten wat meer konden doen dan zo’n beetje om hem heen hangen. Je kon als je dat wilde, op die manier deel uitmaken van zijn leven thuis door voor hem en zijn vrouw te koken, huishoudelijke dingen te doen of de hond uit te laten. De Sakyong is zijn hofhouding toch anders gaan gebruiken, zoals velen dachten om zijn privéleven met zijn vrouw en kinderen te beschermen. Maar dat er in het verleden, voordat hij trouwde, achter die bescherming iets school, wist ik niet. Dat wist alleen zijn naaste hofhouding. En toen dat, nu jaren later, toch bekend werd, heeft dat de Shambhala-gemeenschap diep geschokt en verward.’

Want hoe verhouden de Sakyong’s menszijn en zijn leraarschap zich tot elkaar? De Wit haalt een regel van Benedictus, algemeen beschouwd als de vader van het christelijke kloosterleven aan: ‘Doe wat de abt zegt, niet wat hij doet.’ Dat wil zeggen: wat ik als abt te vertellen heb, is misschien niet altijd wat ik zelf doe. Hoe zien we dat? Als een chirurg mij opereert, kan het best zijn dat hij zich in zijn privéleven misdraagt, maar hij maakt mij wel weer gezond. Dat de Sakyong een briljant leraar is, staat niet alleen voor mij buiten kijf. Maar dat betekent niet dat ik wangedrag tegen dat feit wegschrap.’

De Wit hoedt zich – als een boeddhist – voor een zwart-wit oordeel. ‘Ik kan niet zeggen dat mij niet misbruik van mijn positie als boeddhistisch leraar had kunnen overkomen. Want makkelijk is het niet om met zo’n positie je verstand er altijd bij te houden. Het is ook een kwestie van hormonen. Iedere man of vrouw is anders. Laat ik het zo zeggen: ik ben er gelukkig misschien te schijterig voor. Of eigenlijk: het leed zou te groot zijn voor mij en voor de mensen die vertrouwen in mij stellen als spiritueel leraar. Los daarvan ben ik in de veertig jaar van mijn leraarschap niet zo vaak als Trungpa of de Sakyong in de gelegenheid geweest.’

Het zit hem meer in de relatie leraar-leerling, meent Han de Wit. ‘Kijk je als leerling tegen de leraar op, bewonder je hem, zie je hem als een volmaakt mens, als heilige en is alleen een volmaakt mens goed genoeg voor jou als (niet-volmaakte) leerling, dan vraag je om moeilijkheden. En als je alleen een leraar wilt die spiritueel gelijk is aan jou, dan valt er niets te leren.’

Die visie op leraarschap is wat hem zo aanspreekt in het Shambhala-boeddhisme zoals Trungpa dat wilde uitdragen. Met liefde, altijd weer die liefde, keert hij terug naar Trungpa, de man die hem de weg heeft gewezen. Pas op, hij zal diens zoon Sakyong niet afwijzen. Maar het was Trungpa, die hem in New York ontving, naar hem luisterde, hem liet bungelen en daarna opdroeg om een meditatiecentrum in Nederland te beginnen.

Han de Wit is in de twaalf jaar dat Trungpa zijn spirituele mentor is geweest ook Trungpa’s kusung (verzorger) geweest. Omdat Trungpa vanwege zijn lichamelijke beperkingen hulp behoefde. Wat hem daarbij steeds opviel was Trungpa’s meditatieve gedrag, dat hij overigens ook bij de Sakyong opmerkte. ‘Kijken om te zien hoe iemand iets doet, kan zoveel uitdrukken. Dat zegt zoveel over een mens. Zelfs in zijn enorme lichamelijke beperktheid zag ik hoe Trungpa een kopje opnam, het naar zijn mond bracht en dronk. Dat heb ik trouwens ook bij de Sakyong gezien. Ze zitten als een rots, stevig en doordrongen van wat ze doen, maar tegelijk zacht en gevoelig. Meditatief, zoiets. Dat is een vorm van Dharma-onderricht die me steeds weer laat zien waar het pad van de Boeddha uiteindelijk om gaat. Dat vind ik prachtig en vervult me met vreugde.’

Han F. de Wit is een van de bekendste Nederlandse boeddhistische leraren, een geliefd spreker en veelgelezen schrijver over boeddhistische spiritualiteit. Hij is opgeleid door de vermaarde Tibetaanse dharmaleraar Chögyam Trungpa en auteur van onder meer de bestseller ‘De Verborgen Bloei: Over de psychologische achtergronden van spiritualiteit’ (Ten Have, 2010, 13e druk) en ‘De Lotus en de Roos: Boeddhisme in dialoog met psychologie, godsdienst en ethiek’ (Ten Have, 2016, 7e, geheel herziene druk), ‘Het open veld van de ervaring. De Boeddha over inzicht, compassie en levensgeluk’ (Ten Have, 2009, 2e druk). ‘Wijsheid in emotie’ (Ten Have 2014, 2e druk). Zijn meest recente boek is ‘Boeddhisme voor denkers, dat hij samen schreef met Jeroen Hopster (Ten Have, 2014). Hij is als Acharya verbonden aan Shambhala International.

Guus van Holland is vriend van Shambhala Leiden

Dit interview is gepubliceerd op de zomereditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Mediteren en schrijven zonder doel, dat moet mogelijk zijn

17 jul

Boeddha Speuld

Ga gewoon zitten en schrijf, hoor ik een stemmetje in mijn hoofd. Dan zie ik wel wat er komt, mogelijk iets recht uit mijn hart. Gewoon wat op dit moment in mij leeft. Zoiets als de twijfels of ik wel een bijzonder, lezenswaardig, stukje ga schrijven dan wel volslagen onzin.

Het is als de manier waarop ik zou moeten mediteren. Niet gaan zitten met verwachtingen, hopend iets te ontdekken in mijn hoofd, mijn hart of waar ook in mijn lichaam dat ik niet eerder heb ervaren. Zitten (schrijvend of mediterend) zonder een echt doel. Voetballen zonder een doelpunt te hoeven maken. Er alleen maar zijn en zien wat ervan komt.

Zoals het mij al een decennium vrijwel dagelijks tijdens mijn meditatiezitting vergaat, zo verging het mij bijna een halve eeuw als beroepsschrijver (dan wel schrijvend journalist). Een handeling met een doel, in de hoop aan (bepaalde) verwachtingen te beantwoorden of toch zeker er profijt van te trekken – zodat op z’n minst mijn ego groter wordt.

Deze overeenkomst komt in mij op, terwijl ik ben nu begonnen met schrijven. Gaan zitten alsof je begint met mediteren en schrijf. Zie maar wat er opkomt. Focus op je vingers die (onbewust of bewust) letters op het toetsenbord raken. Laat woorden zich aandienen zoals gedachten tijdens het mediteren. Laat ze komen, zonder er verder over na te denken. Ze zijn gekomen en staan nu zomaar op het beeldscherm, gestuurd door impuls.

Was het maar als schrijver (schrijvende journalist) zo’n feest geweest. Ik heb het idee dat ik heel vaak heb geschreven met een doel. Om te voldoen aan verwachtingen van de hoofdredacteur, de chef, de lezers en anderen. Of iets anders te schrijven: ik doe lekker niet wat anderen willen. Maar ook dat is dus met een doel.

Zo is het mij ongeveer net zo met mediteren vergaan. Ik bedoel dan de overeenkomst met verwachtingen en hoop op respons. Niet dat ik anderen wilde plezieren of provoceren, maar het op een kussen gaan zitten met een doel. Al die jaren was ik bezig aan mijn meditatie te sleutelen. Dan weer las ik dat het zo moest, dan weer zus. Of ik luisterde naar de adviezen van ervaren boeddhisten en meditatie-instructeurs: zit zus, zit zo, zit comfortabel, focus op je adem, laat gedachten komen en gaan, zit zonder doel en zie wat er gebeurt. Of, de mooiste die ik ooit las, van wijlen mijn leraar Chögyam Trungpa Ripoche: verveel je!

Het lukte maar niet.

Dan las of hoorde ik weer van anderen dat ze wél veranderingen bij zichzelf hadden waargenomen. Waakzamer, rustiger, geduldiger, vriendelijker of weet ik wat voor vrediger stemming. Ze zagen meer of iets wat ze nog niet eerder hadden waargenomen. Hadden zij dan (wél) een doel voor ogen gehad? Nee, ze waren gewoon gaan zitten, nauwelijks langer of vaker dan ik. Ze hadden gewoon ervaren wat er (bij toeval?) in hen op was gekomen, wat hun was toebedeeld.

test ricard

Mathieu Ricard ondergaat testen in het Max Planck Instituut in Leipzig

Ik wist het al: hersens zijn flexibel. Hersencellen verbinden zich met elkaar door training; synapsen vinden elkaar door ‘beoefening’, zoals dat in boeddhisme wordt genoemd. Kortom: je kunt veranderen door meditatie. Mathieu Ricard, een boeddhistische monnik en rechterhand van de Dalai Lama, die al meer dan veertig jaar intens mediteert, onderging testen aan het Max Planck Instituut in Leipzig onder leiding van directeur Sociale Neurowetenschappen Tania Singer. En daaruit bleek dat wel degelijk verandering is opgetreden en dat tijdens meditatie of bepaalde gedachten (zoals altruïsme) iets gebeurt in de hersens. En niet alleen bij hem. Meer monniken en mensen die al enige tijd mediteren, overkomt hetzelfde. Lees bijvoorbeeld twee recente boeken: ‘Het no-nonsense meditatieboek – over hoe bewust zijn je mentale en fysieke gezondheid kan versterken’ van neuroloog Steven Laureys (met medewerking van Mathieu Ricard) en ‘Een kleine meditatiegids’ van zenboeddhist Tom Hannes.

Misschien zijn ze gewoon gaan zitten, zonder doel. Misschien niet. Maar, wat moet ik nou? Misschien ben ik toch iets veranderd, maar merk ik er te weinig van – minder dan ik verwachtte (begeerte?). Wel denk ik meer te voelen.

Er is meer dan ik jarenlang heb gevoeld, meer dan de bovenlaag, meer dan ik ooit heb toe willen geven. Dat er meer is dan de buitenkant. Van binnen huist een mens die lang verborgen is gebleven. Kwetsbaarheid, onzekerheid en angst. De vrees om afgewezen te worden, dat mijn stukjes ondermaats of onzinnig gevonden worden. De vrees voor de realiteit. Door meditatie en spontaan geschreven stukjes leer ik de realiteit zien. Dit ben ik echt, helemaal, van onder tot boven, van buiten en van binnen. Een écht mens.

De auteur is vriend van Shambhala Leiden

Deze column is gepubliceerd op de zomereditie van de website van het Vrienden van het Boeddhisme (http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/)

Frans: een streng, doch vaderlijk gezelligheidsdier

8 jul
Frans fiets

Tekening: Waldemar Post

Frans van Schoonderwalt was niet zomaar een aardige collega, hij was álleraardigst. En streng. Zonder een bazige, eigenwijze onderwijzer te worden. Tot in het café toe sprak hij mij toe over foutjes in mijn taalgebruik, mijn inschattingen, zijn visie op de materie, ons redactiebeleid, het gedrag van andere collega’s en zijn eigen ervaringen. Frans was als een vader, vanaf 1976 toen ik tot de sportredactie van de Volkskrant mocht behoren.

Frans was er sinds 1969, nadat hij in 1962 bij het Eindhovens Dagblad was begonnen. Een Brabander (die niet ouder werd dan 76 jaar), met een hart voor PSV (zoals zijn vader en Philips-werknemer) én een groot hart voor wielrenners. Het kon niet anders dan dat ik ook over wielrennen ging schrijven (eerst als leerschool de amateurs), hoewel voetbal vanwege mijn achtergrond als voormalig getalenteerd voetballer mijn voorkeur had. Toen Frans in 1978 bekend maakte dat hij over een jaar ging stoppen als wielerverslaggever en niet meer de Tour de France zou doen, vooral omdat hij in 1980 de Olympische Spelen in Moskou wilde verslaan (vanwege zijn kennis van de Russische taal) en omdat de Tour-drukte hem teveel werd, werd ik bijna als vanzelfsprekend zijn opvolger – zo onervaren ik nog was. Maar Frans zou me over de eerste obstakels loodsen. De Tour verslaan was immers, zo leerde hij, de zwaarste reportage die je als sportjournalist kon doen. Nou, dat heb ik geweten.

Met Frans zou ik na mijn vertrek naar NRC Handelsblad in 1988 vrienden blijven. Tot aan zijn overlijden (op 2 juli) toe. Niet omdat wij de wielersport een warm hart toe droegen, gewoon omdat wij elkaar (en veel andere wielerverslaggevers) lagen en ik graag in zijn nabijheid en van zijn hele lieve vrouw José wilde blijven verkeren. Hij stond me bij in mijn moeilijkste momenten (scheidingen, ziektes, onenigheid met collega’s en andere nare gebeurtenissen) en bleef me volgen toen ik voor NRC schreef. Hij bleef betrokken, ook bij mijn privébesognes. Daarom vonden we elkaar altijd weer. We stonden waar dan ook bier te drinken, gewoon zoals we gewend waren vanaf het eerste uur van onze vriendschap.

Frans, Peter ea

Oude Tourkameraden. Vlnr boven: Joop Holthausen, Peter Heerkens, Guus van Holland en Peter Ouwerkerk. Onder: Frans van Schoonderwalt

Vandaar dat ik graag mijn herinneringen aan Frans beschreef op de afscheidspagina die de Volkskrant in oktober 2003 voor hem samenstelde. Frans zou nooit meer uit mijn leven verdwijnen. De vriendschap en collegialiteit die we vanaf 1976 opbouwden, tijdens gezamenlijke reportages (toch nog drie á vier keer samen in de Tour – hij als verslaggever van de feiten, ik als beschouwer) bijna intiem uitbouwden, zouden nooit meer verloren gaan. Alsmede de herinnering aan die bevlogen collega’s van sportredactie: Ben de Graaf, Hans van Wissen, Theo Nolens, Frans Ensink, Henk Wehberg, Poul Annema, Ab Schreijnders, Martien Schurink, Cees Zoon, Ronald ten Brink, Joep Verdonck. Vandaar ook dat ik mijn herinnering, gepubliceerd op de afscheidspagina van Frans, (gedeeltelijk) herhaal:

‘Geboend en geschrobd, glimmend en gloeiend, de haren scherp gekamd zat Frans ’s morgens aan het redactiebureau, alsof hij niets meer wist van de vorige avond. Vol plichtsbesef zat hij dan kaarsrecht achter de schrijfmachine, het ene velletje na het andere vol te tikken, het ene klusje na het andere te klaren. Nog ver voordat de krant zou moeten zakken, had Frans de sportpagina al vol, zeker het voorwerk voor de avondredacteur verricht. Omdat dat nu eenmaal moest.

‘Geen dranklucht meer, slechts lichte sporen van vermoeidheid, nauwelijks een herinnering aan de vorige avond in café Hesp, waar ik door Frans zo vaderlijk was ingewijd in de rituelen van het langdurig en zinvol bier drinken. Niet dat hij ’s morgens niet meer wilde weten wat gebeurd was of wat hij gedaan had – laat staan wat ik gedaan of gezegd had. Frans was gewoon ’s avonds laat een kereltje en ’s morgens vroeg een kerel.

‘Eén pilsje? Zo vroeg hij tegen vijf uur, als het werk geknipt en geschoren was. Natuurlijk, Frans! Het werden er meer dan één. Zodat hij tegen achten de telefooncel (…) instapte om José te melden dat het ‘ietsje’ later werd. Het werd altijd ‘ietsje’ later. Want Frans hield van gezelligheid, van bomen over de krant en vooral over wielrennen – samen met luisterende collega’s als Piet van Seeters en Harry Lockefeer, Henk Huurdeman, Han van Gessel, Joop van Schie, Maria Hendriks, Willem Beusekamp, Jan van Capel, Cor Groeneweg, Nico Goebert, Kees Bastianen, Peter van Bueren, Victor Lebesque, Jos Klaassen, Willem Ellenbroek, Cees Zoon, Ronald ten Brink, Joep Verdonck, Gijs van den Heuvel en al die andere Hesp-klanten van de Volkskrant.

‘Hij was een strenge, maar gezellige leermeester. Een romanticus die van verhalen (vooral over wielrenners) hield. Tot in de nachtlokalen en avondlijke terrassen van Frankrijk toe, waar hij tijdens de Tour de France altijd actief en opbeurend was – óók een vader. Hij was gelukkig wanneer hij thuis op zijn verjaardagsfeest diep in de nacht Neerlands Hoop in Bange Dagen door de huiskamer liet schallen of wanneer hij Paverotti bij herhaling toe de hoge C liet galmen. Frans was een gezelligheidsdier dat kon stralen van geluk als een fruits de mer van drie plateaus hoog voor zijn neus verscheen. En doping? Ach kom, is er dan niets anders om over te praten en bij te drinken? Geen speculaties, asjeblieft, mensen beschadig je niet. Alleen de waarheid, alleen de feiten.

‘Frans kon boos reageren wanneer ‘bevriende’ renners hebben een loer hadden gedraaid. Zoals op de avond toen hij een heroïsch verslag van Michel Pollentier kon versnipperen, omdat de Belg naar later op de avond bleek de dopingcontroleurs had ‘geflikt’ (het beruchte peertje). Zijn tweede stuk getuigde van woede, zo kritisch was hij geworden. Waarop onze collega en oud-Tourverslaggever Theo Nolens aan het bureau mompelde: ‘Frans heeft zich door zijn emoties laten leiden, hij voelt zich bekocht.’

‘Een misverstand, want Frans liet zich (bijna) altijd door zijn emoties leiden, door zijn liefde voor wielrenners – ook voor andere sporters. Hij ging uit van de goedheid van de mens. En dat op een redactie die het in die periode als haar taak beschouwde juist van het slechte in de mens uit te gaan. Hoe hield Frans dat toch vol?

‘Frans hield van literatuur en meesters in de taal – vooral Vlaamse en Russische. Prachtige interviews heeft hij gemaakt. Van die ik met hem samen mocht doen waren de hoogtepunten het paginagrote gesprek in het Vlaams met Lomme Driessens, de legendarische Belgische ploegleider (‘Ge kunt van mij geen koers kopen die ik kan winnen. Maar ik kon wel een koers verkopen die ik niet kon winnen. Dat is de kunst’), dat met Walter, Willie en Eddy Planckaert en dat met bokser Rudi Koopmans (jawel, een bokser in de Volkskrant). De laatste weliswaar in Het Vervolg, met als kop ‘Heb jij weleens een rammel voor je kop gehad’; het gevolg van een kritische vraag van mij; Frans was niet zo kritisch, eerder empathisch. Frans wist mensen voor zich in te nemen. Hij straalde vertrouwen uit en hij kon het opschrijven als geen ander. Hij was een bevlogen en meesterlijk journalist.

‘Toen (in 1988) gingen onze wegen uit elkaar. Alsof ik afstand nam van mijn vader. Zo verwoordde Frans dat ook: ‘Je moet nu alleen verder.’ Frans is nog altijd dichtbij. Bij zowat elk woord dat ik tik, voel ik me bekeken door hem. Dat Frans van Schoonderwalt geen journalist is bij de Volkskrant is onvoorstelbaar. Misschien schrijf ik nog eens een boek over hem: ‘Over mensen die iets betekenen’.’

Tourverslaggevers

Reünie van Tourverslaggevers van de Volkskrant, medio jaren negentig. Vlnr boven: Guus van Holland, Jan Verdonck, Frans van Schoonderwalt en Jan de Vries. Onder vlnr: Jaap Visser, Bert Wagendorp en Bart Jungmann.

Dat eventuele boek van mij, ga ik nu verder, zal nooit zo goed worden als de boeken die Frans heeft geschreven. Een tiental, over wielrennen, doping, reizen, literatuur, opera en meer. Zo goed, zo zorgvuldig als Frans schreef, zal ik nooit kunnen schrijven. Hij was een sieraad als schrijver en vooral als mens. Ik zal hem zeker missen, meer dan welke collega die ik heb gekend. Gewoon: een fijn mens om gekend te hebben. Een strenge doch empathische leraar van het leven.

Proost, Frans!

Deze herinnering is gepubliceerd op 8 juli 2019 in de Volksknar, (digitaal) clubblad van het Genootschap van Ouwe Knarren van de Volkskrant. Verder met bijdragen van Ben de Graaf, Nell Westerlaken, Willem Kuipers en Haro Hielkema.

https://drive.google.com/file/d/1JPcDE1iEdElFj8GK4Sa1Pt_NaA9JjZPz/view?fbclid=IwAR1hgvYZK3Kjok-JgE6I55p5Hw6BF00LPxWVPOVh1fcjJmIhFr69oiGam5o

‘Die dag drong het tot mij door dat voetbal waanzin is’

10 mei
Neal Scirea

Liverpool-aanvoerder Phil Neal (links), de Zwitserse scheidsrechter André Daina (midden) en Juventus-aanvoerder Gaetano Scirea (rechts) vóór de aftrap van de Europa-Cupfinale van 1985.

Dit telefonische interview had ik voor NRC Handelsblad tien jaar na het Heizeldrama met de Liverpool-aanvoerder van destijds, Phil Neal. Een dag later nam ik ruim acht maanden van rust, afstand en bezinning die me kort daarvoor door mijn huisarts was voorgeschreven.

Op woensdagavond 29 mei 1985 vonden 39 voetbalsupporters bij de Europa-Cupfinale tussen Juventus en Liverpool de dood. Dronken Engelsen vertrapten de Italiaanse fans in vak Z. Phil Neal was aanvoerder van Liverpool. Hij moest zijn verslagen spelers zeggen dat ze ondanks de doden moesten voetballen. ‘Iedereen is gestraft, maar niet de man die het stadion heeft uitgekozen.’

29 mei 1995. Vandaag brengt Phil Neal een bos bloemen mee voor zijn vrouw en vanavond gaat hij met haar in hun favoriete restaurant in Liverpool eten. Zoals elk jaar op 29 mei, wanneer de Neals hun trouwdag gedenken. Zoals elk jaar zullen ze vanavond terugdenken aan die woensdagavond 29 mei in 1985. ‘Soms heb ik er maanden lang niet aan gedacht. Gewoon omdat ik geen tijd heb, omdat het leven maar doorgaat, omdat ik mijn werk heb en omdat voetbal alles doet vergeten. Maar op mijn trouwdag dringt het altijd weer tot me door. Die avond in Brussel heeft mij getekend. Die avond is tot mij doorgedrongen wat voor een waanzin voetbal veroorzaakt, dat voetbal waanzin is.’

Phil Neal was op die avond, tijdens de avond van de finale van de Europa Cup tussen Liverpool en Juventus, rechtsback en aanvoerder van de Engelse kampioen. Al jaren was hij aanvoerder van het beste Europese elftal van de jaren tachtig. Voor de vijfde maal zou hij die avond een Europa-Cup-finale spelen. Een mijlpaal waar de toen 34-jarige Neal naar uitzag omdat weinig andere voetballers hem dat in Europa zouden kunnen nazeggen. Het werd een zwarte avond: ‘Ik kan me niet herinneren dat ik in de wedstrijd een bal heb geraakt.’

Het is eigenlijk geen avond om te gedenken, vindt Neal. ‘Niet voor Liverpool. Omdat Liverpool-fans een fout hebben gemaakt. Omdat er alleen Juventus-fans zijn gestorven, en dat was de schuld van dronken Liverpool-fans. Aan zulke fouten wordt men in Liverpool niet graag herinnerd. Wij waren niet de slachtoffers, maar de Italianen. Nu u er naar vraagt, begint mijn hoofd weer te tollen. Nu word ik weer kwaad, zoals ik jarenlang kwaad geweest ben, midden in de nacht, kwaad op iedereen. Alleen maar omdat er nog iemand rondloopt die dàt stadion heeft uitgekozen om er een Europa-Cupfinale te spelen. Het is een schande, dat die man, die instantie, de UEFA of wie dan ook dat heeft kunnen doen en nooit schuld heeft bekend.’

Neal hakkelt een beetje aan de telefoon, hij zoekt naar de juiste woorden. ‘Ergens in mijn hoofd is een helse jacht gaande. Ik weet die spanning weg te drukken, maar als mij er naar gevraagd wordt begint het weer te spoken. Een rechter heeft Liverpool-fans gestraft, een officier van de Belgische politie en de secretaris van de Belgische bond. Liverpool is geschorst, alle Engelse clubs zijn verbannen. Maar wie heeft het lef gehad dat stadion, dat atletiekstadion wat geen voetbalstadion was, wat een ruïne was te kiezen? Er is één man van de UEFA, de secretaris, Bangerter, die een lichte straf heeft gehad. Maar hij kan toch nooit de verantwoordelijke man zijn geweest. Zo is de voetbalwereld. De fans krijgen altijd de schuld. Maar dat soort mannen loopt lachend het stadion uit.’

Tien weken geleden werd Neal ontslagen als manager van Coventry City. Het was een vervelende dag, het regende en zijn vrouw was ziek. Maar het nerveuze voetballeven kan hem niet meer verontrusten. Nadat hij in december 1985, een half jaar na het Heizel-drama werd afgedankt als voetballer bij Liverpool, was hij zesenhalf jaar speler-manager bij Bolton Wanderers. Het was een leuke tijd: in de derde divisie, geen spanning, tussen leuke mensen. Hij heeft een zoon, die in het tweede elftal van Liverpool speelt. ‘Ik ben trots op hem. Want hij is ontdekt en een paar jaar geleden naar Liverpool gehaald door Kenny Dalglish. En als ik Kenny zie, denk ik aan Heizel. Kenny wist als enige speler op die avond in Brussel dat hij de volgende dag de nieuwe manager van Liverpool zou worden. Van het nieuwe Liverpool. Kenny is door een hel gegaan. Kenny, die nooit iets zegt, die nooit zijn gevoel toont, Kenny die nu met Blackburn Rovers kampioen is geworden, Kenny is een diep teleurgesteld mens. Maar hij wil nooit dat het om hem gaat. It’s always the lads.’

Dalglish verlaat Heizel

Kenny Dalglish verlaat het veld van Heizel

Wie het echte voetballeven wil doorgronden, zegt Neal, moet Dalglish aan het praten krijgen. ‘In 1971 was hij als speler van Celtic getuige van de dood van 66 supporters in het Ibrox Park in Glasgow, in 1985 was hij als speler van Liverpool getuige van 39 doden in het Heizel-stadion en in 1989 was hij als speler-manager van Liverpool getuige van 96 doden in het Hillsborough-stadion van Sheffield. Ik heb zelden meegemaakt dat iemand zo betrokken is bij de opvang van de Liverpool-supporters na Hillsborough als Kenny. Kenny stapte een paar jaar later plotseling op als manager. Niemand heeft geweten waarom. Hij had last van zijn hart, van hyperventilatie, van spanning, werd gezegd. Maar Kenny is wel terug in het voetbal. Ik denk dat ik weet waarom.’

Phil Neal schreef in 1986 het boek Life at the Kop, waarin hij vertelt hoe hij elf jaar lang heeft gevoetbald onder het immense lawaai van de supporters op de Kop-tribune van Anfield. Wie zijn boek heeft gelezen, wie ooit onder de poort van het Liverpool-stadion is doorgelopen, waarboven in gietijzeren letters staat geschreven You’ll Never Walk Alone, wie de marmeren gedenksteen ernaast heeft gezien ter nagedachtenis aan het Hillsborough-drama, die begrijpt dat er maar één club is waar voetbal meer dan sport is.

Neal wil het indringende relaas van Heizel dat hij in zijn boek deed, liever niet herhalen. ‘Lees het nog maar eens. Ik wil er liever niet aan herinnerd worden. De wedstrijd was trouwens een farce. Vanaf het moment dat we wisten dat de wedstrijd door zou gaan, wisten we dat maar één ploeg kon winnen. Maar ik kan het nooit bewijzen. Toen Whelan in de eerste helft duidelijk onderuit gehaald werd in het strafschopgebied, wilde scheidsrechter Daina niets van een strafschop weten. Maar toen Gillespie vijf meter buiten het strafschopgebied Boniek neerlegde, gaf de scheidsrechter een penalty, waaruit Platini het enige doelpunt zou maken.’

Neal weet niet wie de beslissing heeft genomen de wedstrijd door te laten gaan. Dat Daina vond dat de finale beter gespeeld kon worden, omdat anders de situatie nog meer uit de hand zou lopen, vindt hij een begrijpelijke beslissing. ‘Een waanzinnige beslissing weliswaar, maar er was geen alternatief. Toen ik als aanvoerder uit de kleedkamer werd geroepen om het besluit van de UEFA over het doorgaan van de wedstrijd te horen, was ik verbijsterd. Maar ik wist dat er geen uitweg was, hoewel er al zo’n dertig doden waren gevallen. Ik kwam terug in de kleedkamer, waar alle spelers met hun hoofd in hun handen hingen. Ze wisten het, ze wisten alleen nog niet wie er dood waren, Italianen of Liverpoolfans. Ik zag Sammy Lee zitten, een echte Liverpool-jongen die jarenlang zelf op de Kop had gestaan. Hij huilde, hij schaamde zich voor wat Liverpool overkwam. Niemand wilde voetballen, niemand wilde nog het veld op. Ze zaten daar en ze zeiden niets, Sammy huilde en Kenny keek uit het raam van de kleedkamer, waar hij kon zien hoe brancards af en aan werden gedragen. Kenny zweeg, zoals iedereen.’

Juventus-aanvoerder Gaetano Scirea en Phil Neal werden gevraagd naar de omroepkamer te komen om een tekst voor te lezen. Neal: “Onderweg begreep ik dat de Juventus-spelers wilden dat de wedstrijd werd afgelast. Ik liep de tribune op en werd geraakt door allerlei voorwerpen die Italiaanse fans naar mijn hoofd gooiden. Ik werd bespuwd, er werd geschreeuwd. Ik verstond het niet, maar ik begreep het wel. Nooit heb ik me zo ellendig gevoeld. Ik had het gedaan, ik had Juventus-fans vermoord, ik was er een van Liverpool.”

Toen Neal voor de microfoon stond, keek hij op en zag aan de overkant wat er van vak Z was overgebleven. ‘Een slagveld. Het was oorlog. Een man duwde mij een papier in de hand en zei dat ik dat moest voorlezen. Ik las dat de wedstrijd zou doorgaan en dat wanneer na vijf minuten de toeschouwers nog steeds niet rustig waren geworden, de scheidsrechter de wedstrijd zou staken. Ik zei tegen de man dat ik dit nooit van mijn leven zou voorlezen, ik wilde mijn eigen woorden kiezen. Ik weet niet meer wat ik heb gezegd, maar het was een algemene oproep tot gezondheid en kalmte. Wat moest ik anders zeggen?’

Dat Platini juichte nadat hij de strafschop had benut en dat Juventus een ereronde maakte met de beker, wordt jaren na het Heizel-drama nog een schande genoemd. Neal vindt het ‘geen teken van een heldere geest’. Maar wat moest Platini anders? De beker weigeren? ‘Weglopen en tegen de UEFA zeggen: fuck you? Iedereen die in die waanzin iets moest doen, deed vreemd. Niemand kon je die dag iets verwijten. Alleen die man die het in zijn hoofd had gehaald dat stadion aan te wijzen. Die man moet worden opgespoord. UEFA-voorzitter Jacques George? Ik weet het niet.’

De 64-jarige Joe Fagan was in Brussel voor de laatste maal manager van Liverpool. De volgende dag zou hij worden opgevolgd door Dalglish. Neal ondersteunde de huilende man bij aankomst op Speke Airport in Liverpool. ‘Hij had de Europa Cup nog eenmaal naar Liverpool willen brengen. Maar het mocht niet. Teleurgesteld keerde hij terug. Teleurgesteld in voetbal, teleurgesteld in zijn Liverpool-fans. Zes weken lang heb ik met niemand buiten mijn familie gesproken. Mijn vrouw nam de telefoon op. Ik heb zes weken lang slecht geslapen. In de kranten las ik dat Grobbelaar en ik met voetbal waren gestopt. Dat kon niet: ik ben geen vluchter. Later begreep ik dat Bruce dat verhaal had verkocht. Ik was niet eens kwaad op hem. Ik wilde nog één ding: de klap verwerken en weer kampioen worden met Liverpool.’

Maar Neal kwam weinig meer aan spelen toe. De nieuwe speler-manager Kenny Dalglish ontnam hem zijn aanvoerdersband en stelde hem nauwelijks meer op. ‘Ik was 34, ik voelde dat mijn tijd was gekomen. Ik nam het Kenny niet kwalijk. Kenny moest het beste elftal opstellen. De verkilling had toegeslagen. Een mens als Kenny moest als manager zakelijk zijn. In december 1985 ben ik gestopt. Ik kreeg een afscheidswedstrijd, wat vage toezeggingen en een vrije transfer. De voorzitter durfde me niet in mijn ogen te kijken. Toen Liverpool in mei weer kampioen werd, stuurde Kenny mij de kampioensmedaille. Omdat ik veertien wedstrijden had gespeeld, ik had er recht op.’

Phil Neal (44) wordt zelden gevraagd naar zijn ervaringen. Dezer dagen wel, in praatprogramma’s van de BBC-radio bijvoorbeeld. Maar het liefst verdringt hij zijn herinneringen. ‘Ik heb een videotheek met banden van alle belangrijke wedstrijden van Liverpool. Ook de finale van 1985. Ik heb er nooit naar gekeken. Ik zal er ook nooit naar kijken. Ik zou me weer schamen, ik zou weer verdriet hebben, ik zou kwaad worden. Ik wil van voetbal genieten, ik wil er geen verdriet van hebben. Ik weet nu dat we in een wereld vol waanzin leven. Morgen stort misschien een stadion in. En overmorgen voetballen ze overal weer verder. Zo denken wij in Liverpool. Ik kom uit Northampton, maar ik ben in Liverpool blijven wonen. Niet bij de mensen die Liverpool regeren, alleen dicht bij de fans die Liverpool in hun hart dragen.’

Het is goed, niets is echt fout

15 apr
Dralahall2

De meditatieruimte

Dit was bij mijn eerste lezing tijdens de stilte-retraite van een week in een Frans buitenverblijf niet wat ik ervan verwachtte. Omringd door veertien Fransen, een Belgische, een Engelse en een Moldaviër, keek ik vanaf mijn kussen in de meditatieruimte verwonderd naar de Engelse boeddhistische leraar, een ogenschijnlijk wijze man. Weifelend stak hij met een lucifer de kaarsen en een wierookstokje op de schrijn aan, keek vragend om naar de Duitse hoofdleraar in de zaal, zittend op de eerste rij. Hij fronste zijn wenkbrauwen, schudde verontschuldigend met een glimlach zijn hoofd en stak onzeker nog een kaars aan. Is het zo goed?

De leraar wist het niet zeker! Mogelijk was hij vergeten hoe de ceremonie precies in zijn werk ging. En dat na al die jaren van studie, meditatie en vele eerdere ceremoniën. Hij boog met het wierookstokje tussen zijn handen naar de schrijn, ging zitten, nodigde met een hoofdknikje ons uit ook te gaan zitten en bleef bijna een minuut stil alvorens hij met zachte stem aan zijn lezing begon. Hij sprak over het nut van stilte, over wat in ons hoofd opkomt en weer weggaat, over gedachten, over de ademstroom, over gevoel en prikkels, en over identiteit. Het was allemaal goed, niets was echt fout. Wat er gebeurde, wat je voelde en wat je hoorde, was van jou – van niemand anders.

Hij keek ons aan en vroeg om vragen. Een man vroeg hoe hij zijn identiteit kon breken, kennelijk was hij er niet tevreden over. De leraar antwoordde met zachte stem en sloot af met de opmerking: ‘Hoe, dat is aan jou.’ Dat antwoord had de man niet verwacht – ik evenmin.

Met stijgende verwondering volgde ik zijn gedrag. Bij een van de volgende vragen zweeg hij. Hij keek de zaal in, wachtte op een antwoord van een van de aanwezigen en gaf er toen zelf een. Wat hij zei is me ontgaan. Alleen zijn slotzin bleef hangen. ‘Slaat dat ergens op?’, riposteerde hij. Mensen lachten. Want eigenlijk gaf de wijze leraar daarmee te kennen dat hij ook niet zeker was of zijn antwoord hout sneed.

Mijn verwondering sloeg om in bewondering. Ik weet het, dat is geen boeddhistische benadering. Maar ik voelde een vorm van identificatie. Als deze vriendelijke, wijze man onzeker, kwetsbaar en niet-wetend is, dan zou ik dat ook willen zijn. Ik hoef dus niet zeker te zijn van wat ik denk, hoor, zie en voel.

Bijna altijd heb ik in mijn leven gedacht dat ik zeker van mezelf moet zijn, dat ik gelijk heb, dat ik weet hoe het zit, dat ik wijs ben, veel geleerd en gestudeerd heb. Alleen dan ben ik goed, op zijn minst de moeite waard, dan pas heb ik bestaansrecht. Dat is wat ik in mijn jeugd, op school en van mijn ouders heb geleerd: laat zien wat je kunt – en vooral niet wat je niet kunt. Zorg dat je de beste bent, dat je wint, op school, in sport en meer. Minder dan anderen zijn is niet goed. Verliezen is een gebrek. Met een gebrek ben je niet perfect en sterker: dan hoor je er niet bij.

Sid1

Mijn leraar

Op een dag kwam de leraar buiten naast me op een bankje zitten. Hij vroeg hoe het met mij ging. Ik antwoordde dat ik met vragen zat, problemen ook. Hij zei ‘ok, dat kan’, meer niet. Toen ik hem om een oordeel vroeg over de verhalen die ons bereikten over het wangedrag van (onze) Shambhala-leider Sakyong Mipham, hield hij zich op de vlakte en zei: ‘Dat had mij ook kunnen overkomen.’ Ik had willen horen of hij dat goed keurde of afkeurde. Hij liet het in het midden. ‘Ik heb hem ontmoet. Maar wie ben ik om te oordelen?’ Zo sloot hij af.

Zo keerde ik na week van stilte, meditatie, bezinning en vriendelijkheid opgelucht en verrijkt terug naar huis. Nu besefte ik dat onzekerheid, kwetsbaarheid, onwetendheid en de mindere zijn goed noch fout is. Soms ril ik nog en word ik nerveus als ik iets niet zeker weet. Oei, wat zal mij gebeuren? Het is een kwestie van oefenen in zijn wie je bent, wat je voelt, hoort en ziet. Niets is zeker, niemand is zeker, ook ik niet. Identificatie met winnaars mag, identificatie met verliezers mag ook – daar is niks mis mee.

Guus van Holland is vriend van de Shambhala-sangha in Leiden

Deze column is gepubliceerd op de voorjaarseditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

 

Een hele week zwijgen en mediteren in een ver paradijs

13 mrt
IMG_0252

Het chateau van Dechen Chöling

De hoosbuien die eind februari mijn auto op de Franse wegen troffen, voorspelden stormen en donderslagen tijdens de stilteretraite die ik een week zou ondergaan in Dechen Chöling, het centrum van de boeddhistische gemeenschap Shambhala, 20 kilometer buiten Limoges. Mij wachtten zware dagen en nachten, mogelijk gevuld met eenzaamheid, depressies, angststoornissen, psychoses en andere neurotische verrassingen. Zo was mij verteld. Maar je kunt er wel altijd mee stoppen. Zo was mij ook gezegd. Dan maar terug naar huis, over dezelfde lange Franse wegen. Dan maar teleurgesteld in mijn veronderstelde mentale kracht.

Het was stil op de zondagmiddag dat ik aankwam. Ik liep wat rond over het immense verlaten terrein, langs de vele gebouwen. Ik keek hier en daar naar binnen, zoals bij het hoofdgebouw, het chateau. Niemand. Uiteindelijk meldde ik me in het bureau, waar een jonge man met paardenstaart me begroette, inschreef en de toegezegde eenpersoonskamer wees. Dat werd een kamertje in Garden’s House. Tenslotte verbleef en sliep ik – bevreesd voor riskante ontmoetingen – liever alleen in mijn toevluchtsoord.

IMG_0182

Mijn kamertje

Bij de avondmaaltijd trof ik een twintigtal andere deelnemers aan de stilteweek en een paar vaste bewoners. Allemaal Fransen, vermoedde ik. Ze babbelden honderduit. Ik zweeg, omdat ik ze nauwelijks verstond, en richtte me op de vegetarische gerechten, die me zowaar heel goed smaakten. Vervolgens werden we verwacht in de meditatieruimte, waar de leraren Sid Liddall (een Engelsman) en Ute Reinhart (een Duits-Franse), en hun assistenten Benjamin Moreau (een Fransman) en Klára Vlkova (een Tsjechische), ons begroetten en inwijdden in het programma van de komende week. We zaten allemaal op een kussen en luisterden naar onze leraren op het podium van de schrijn.

Van ’s morgens negen uur tot ’s avonds negen uur zouden we mediteren – zittend (minimaal drie uur per dag) en wandelend. Verder reciteren (in het Frans of Engels) en luisteren naar lezingen. En eten, drinken (water, vele soorten thee of koffie), rusten, slapen en zwijgen. Altijd zouden we (vanaf maandagmorgen) moeten zwijgen. Geen entertainment, zoals Sid het noemde. Geen afleiding, geen vermaak, geen iPhone, geen computer, geen muziek, geen leesstof (alleen over boeddhisme en meditatie), geen contact met de buitenwereld. Stilte, zodat je alleen met jezelf bent en alles wat in je opkomt (wat je voelt, hoort, ziet en ruikt) zelf moet verwerken.

Na een stille nacht, meldde ik me om acht uur aan het ontbijt. Zwijgend, net als de anderen. Om negen uur begon de eerste meditatiesessie van twintig minuten, gevolgd door een korte lezing van een van de leraren, over de kracht van stilte en over de techniek van mediteren, vooral de houding en over alleen met jezelf zijn. Zittend op mijn kussen keek ik soms stiekem naast me of zelfs achter me. Naast mij zag ik vrouwen, achter mij enkele mannen. Ik hoorde ze kuchen en amechtig snuiven. Ik richtte me op mijn adem, zag allerlei gedachten in mijn hoofd voorbijkomen, ik probeerde ze weg te duwen. Tevergeefs, want ze kwamen terug, onophoudelijk en onstuitbaar. Het werd een gevecht. Net zoals thuis op mijn eigen kussen. Wat nu? Hoe kwam ik hier weg?

IMG_0245

Sid Liddall, mijn leraar

Sid en Ute hielden ons tijdens hun lezingen bij de les (vertaald door tolk Benjamin). Laat de gedachten komen, laat ze gaan, volg je adem, tot diep in je lichaam. Verdring niets, laat je niet afleiden. Dit ben jij, alleen jij. Ik wist het wel, maar toch trap ik er telkens weer in en ga ik op zoek naar iets anders – waar, wat of met wie dan ook. We werden uitgenodigd voor een stiltewandeling buiten. We liepen in een rij achter Sid aan. Ik sloot de rij. Dit wilde ik niet. Slaafs volgen, slaafs stilstaan, slaafs achter de leider aan en doen wat hij doet. Ik voelde me ongemakkelijk en hield afstand van de groep.

Bij de evaluatie (waarin ik was ingedeeld bij een groep met enkele Engels sprekende deelnemers) vertelde ik dat ik niet in een rij achter de leraar aan wilde lopen. Dat had ik al als kind toen ik lid was van de gymnastiekvereniging. Ik zei dat ik me een foto van toen herinnerde. Liever niet in een rij, liever niet met de groep meedoen. Autonoom zijn, in mijn eentje – dan maar eenzaam en alleen. Sid knikte, zonder oordeel. Dat was mijn ervaring. Zo was het voor mij, alleen voor mij.

IMG_0236

De meditatieruimte, de Drala Hall

Na de laatste zitmeditatie van de dag, ’s avonds tussen acht en negen, werd ons gevraagd de volgende morgen om zeven uur, al vóór het ontbijt, naar de meditatieruimte te komen om met Benjamin lichamelijke oefeningen te doen. Akkoord, dan maar meteen naar bed. Ik viel snel in slaap, hoorde buiten nog even onbestemde geluiden, maar droomde al snel weg. Wat stilte niet me je doet!

De (vroege) ochtendsessie onder leiding van Benjamin bleek niet aan mij besteed. Hij vroeg met Franse liedjes mee te zingen en zwaai-, draai- en zwierbewegingen te maken met armen en benen. Ik zong niet mee en probeerde wat mee te bewegen. Maar nee, dit zou ik de volgende ochtenden toch echt mijden als de pest. Gewoon uitslapen tot het ontbijt, zo nam ik me voor. Wat geschiedde.

Ogenschijnlijk had niemand me de volgende ochtend gemist. Iedereen zweeg en probeerde zich in zichzelf te keren. Alleen mijn buurvrouw naast mijn kussen zwaaide met een lachend gezicht naar me. Wat een verwelkoming! De zitmeditatie verliep volgens het oude recept. Worstelend met gedachten en adem. Voordat we uitgenodigd werden buiten een loopmeditatie te doen, zei Sid dat we ditmaal ons eigen weg mochten kiezen en ,,dat Guus dat wel plezierig zou kunnen vinden”.

IMG_0186

Het dagelijkse programma van de stilteretraite

Het advies was te kijken, te voelen en te ruiken wat je ervoer. Niet associëren, gewoon in het moment zijn. Het werd een bijzondere wandeling, alleen met je eigen zintuigen, zonder referentiekader. Alles wat ik ervoer op het weidse landgoed was nieuw én verrassend. Ik werd nauwelijks afgeleid. Ik voelde me niet schuldig niet deel uit te maken van een groep of achter een leider aan te lopen. Dit was ik helemaal zelf.

Zo verging het mij de komende dagen ook. Ik was alleen met anderen, zittend en wandelend. Ik mocht doen wat ik wilde. Dat werd me ook telkens verteld: ,,Doe wat je wilt, als je niet wilt doe je het niet”. Mediteren ging steeds beter. En ik zweeg, net als de anderen, zag ‘dingen’ die ik mogelijk anders nooit zou hebben gezien. Ik sliep diep, vanaf half tien tot acht uur, en droomde heftig.

Op donderdagmiddag ging het mis. Tijdens de yoga-sessie werd ik overvallen door een enorme angstaanval. Ik hield het niet meer, rende naar mijn kamer en slikte een angstremmer. Eenmaal terug in de groep werd ik rustig, sneller dan de medicatie kon werken. Waarom weet ik niet? Afleiding? Ademhaling? Omdat ik mezelf opende en kwetsbaar werd? Niemand reageerde op mijn vlucht. Het mocht. De volgende meditatiesessie en de avondmaaltijd verliepen zonder problemen. Het was goed zo.

IMG_0198

Uitzicht vanuit het chateau

Voordat ik naar bed ging, werd ik bevangen door verschrikkelijke fantasieën. Een gebeurtenis van nota bene veertig jaar geleden greep me bij de keel en leidde me naar een onverwachte onweerstaanbare hel. Zo zou ik nooit kunnen slapen. Het zou een helse nacht kunnen worden. Ik greep naar afleiding (een angstremmer), mijn hoofd kwam tot rust, waardoor ik langzaam maar zeker in slaap viel. Fout? Ik weet het niet. De volgende ochtend werd ik kalm en uitgerust wakker, klaar voor de volgende meditaties en confrontaties. Maar de vraag bleef hangen: waarom nu, na veertig jaar? Had ik het trauma destijds dan niet echt verwerkt, niet voldoende doorleefd? Had ik me destijds te veel overgegeven aan afleidingen om de pijn niet te voelen? Daar is geen antwoord op, wist ik.

Ute Reinhart, mijn lerares

’s Middags zou ik een evaluatiegesprek hebben met Sid. Ik had een analyse opgebouwd over het proces van mijn leven en besloot dat (trots) aan de leraar te vertellen. Eenmaal tegenover hem in de zonnige tuin, begon ik te vertellen. Sid luisterde aandachtig. Zoveel aandacht had ik nog nooit gehad. Ik bleef maar door ratelen, overtuigd van het belang van mijn nieuwe inzicht. Eindelijk iemand die goed en vooral aandachtig luistert, en me onafgebroken aankijkt.

Toen ik klaar was, keek Sid me aan en zei: ‘Maar dat is niet de bedoeling van deze retraite. Analyseren doe je maar ergens anders, bij je therapeut. Dit is geen therapie. Het enige wat je hier doet is ademhalen, bij meditatie je adem voelen, aandacht geven aan je adem. Niets anders.’ Verrast, niet eens teleurgesteld, maar vastberaden besloot ik mijn meditaties anders te gaan doen. Zo zat ik de komende uren op mijn kussen. Ik voelde me bevrijd. Dit voelde beter.

Ik wijdde me vol aandacht aan de theepauze, die ik dagelijks diende voor te bereiden en af te sluiten. De rest van de retraite verliep vredig. Ik voelde meer, ik voelde me meer verbonden met mezelf én met de anderen. Het werd een heerlijk slot, met aan het eind van de week openhartige uitwisselingen en een bijzondere slotavond met gezang, het voorlezen van gedichten, champagne, wijn en ander vermaak. Zo kon ik afscheid nemen van mijn stilteweek in Dechen Chöling en vriendelijk terugkeren naar de vast weer lawaaiige, agressieve en brutale wereld.

IMG_0196

Het chateau

Ik verlang nog elke dag terug naar die week in het Franse land, terug naar de mensen, terug naar de vriendelijkheid van mezelf en de andere deelnemers, terug naar de leraren en hun assistenten die zonder oordeel naar me keken en luisterden. Ik kon en mocht helemaal mezelf zijn. Ik voelde me verrijkt met meer inzichten.

Hoe nu verder? De stilte omarmen en verder mediteren? Hopend op een verrijking van mijn leven. Of zal ik me moeten neerleggen bij de realiteit, met wie en wat ik werkelijk ben, met alles wat ik voel, hoor, zie en denk?

 

%d bloggers liken dit: