Mediteren en schrijven zonder doel, dat moet mogelijk zijn

17 jul

Boeddha Speuld

Ga gewoon zitten en schrijf, hoor ik een stemmetje in mijn hoofd. Dan zie ik wel wat er komt, mogelijk iets recht uit mijn hart. Gewoon wat op dit moment in mij leeft. Zoiets als de twijfels of ik wel een bijzonder, lezenswaardig, stukje ga schrijven dan wel volslagen onzin.

Het is als de manier waarop ik zou moeten mediteren. Niet gaan zitten met verwachtingen, hopend iets te ontdekken in mijn hoofd, mijn hart of waar ook in mijn lichaam dat ik niet eerder heb ervaren. Zitten (schrijvend of mediterend) zonder een echt doel. Voetballen zonder een doelpunt te hoeven maken. Er alleen maar zijn en zien wat ervan komt.

Zoals het mij al een decennium vrijwel dagelijks tijdens mijn meditatiezitting vergaat, zo verging het mij bijna een halve eeuw als beroepsschrijver (dan wel schrijvend journalist). Een handeling met een doel, in de hoop aan (bepaalde) verwachtingen te beantwoorden of toch zeker er profijt van te trekken – zodat op z’n minst mijn ego groter wordt.

Deze overeenkomst komt bij mij boven terwijl ik ben nu begonnen met schrijven. Gaan zitten alsof je begint met mediteren en schrijf. Zie maar wat er opkomt. Focus op je vingers die (onbewust of bewust) letters op het toetsenbord raken. Laat woorden zich aandienen zoals gedachten tijdens het mediteren. Laat ze komen, zonder er verder over na te denken. Ze zijn gekomen en staan nu zomaar op het beeldscherm, gestuurd door impuls.

Was het maar als schrijver (schrijvende journalist) zo’n feest geweest. Ik heb het idee dat ik heel vaak heb geschreven met een doel. Om te voldoen aan verwachtingen van de hoofdredacteur, de chef, de lezers en anderen. Of iets anders te schrijven: ik doe lekker niet wat anderen willen. Maar ook dat is dus met een doel.

Zo is het mij ongeveer net zo met mediteren vergaan. Ik bedoel dan de overeenkomst met verwachtingen en hoop op respons. Niet dat ik anderen wilde plezieren of provoceren, maar het op een kussen gaan zitten met een doel. Al die jaren was ik bezig aan mijn meditatie te sleutelen. Dan weer las ik dat het zo moest, dan weer zus. Of ik luisterde naar de adviezen van ervaren boeddhisten en meditatie-instructeurs: zit zus, zit zo, zit comfortabel, focus op je adem, laat gedachten komen en gaan, zit zonder doel en zie wat er gebeurt. Of, de mooiste die ik ooit las, van wijlen mijn leraar Chögyam Trungpa Ripoche: verveel je!

Het lukte maar niet.

Dan las of hoorde ik weer van anderen dat ze wél veranderingen bij zichzelf hadden waargenomen. Waakzamer, rustiger, geduldiger, vriendelijker of weet ik wat voor vrediger stemming. Ze zagen meer of iets wat ze nog niet eerder hadden waargenomen. Hadden zij dan (wél) een doel voor ogen gehad? Nee, ze waren gewoon gaan zitten, nauwelijks langer of vaker dan ik. Ze hadden gewoon ervaren wat er (bij toeval?) in hen op was gekomen, wat hun was toebedeeld.

test ricard

Mathieu Ricard ondergaat testen in het Max Planck Instituut in Leipzig

Ik wist het al: hersens zijn flexibel. Hersencellen verbinden zich met elkaar door training; synapsen vinden elkaar door ‘beoefening’, zoals dat in boeddhisme wordt genoemd. Kortom: je kunt veranderen door meditatie. Mathieu Ricard, een boeddhistische monnik en rechterhand van de Dalai Lama, die al meer dan veertig jaar intens mediteert, onderging testen aan het Max Planck Instituut in Leipzig onder leiding van directeur Sociale Neurowetenschappen Tania Singer. En daaruit bleek dat wel degelijk verandering is opgetreden en tijdens meditatie of bepaalde gedachten (zoals altruïsme) iets gebeurt in de hersens. En niet alleen bij hem. Meer monniken en mensen die al enige tijd mediteren, overkomt hetzelfde. Lees bijvoorbeeld twee recente boeken: ‘Het no-nonsense meditatieboek – over hoe bewust zijn je mentale en fysieke gezondheid kan versterken’ van neuroloog Steven Laureys (met medewerking van Mathieu Ricard) en ‘Een kleine meditatiegids’ van zenboeddhist Tom Hannes.

Misschien zijn ze gewoon gaan zitten, zonder doel. Misschien niet. Maar, wat moet ik nou? Misschien ben ik toch iets veranderd, maar merk ik er te weinig van – minder dan ik verwachtte (begeerte?). Wel denk ik meer te voelen.

Er is meer dan ik jarenlang heb gevoeld, meer dan de bovenlaag, meer dan ik ooit heb toe willen geven. Dat er meer is dan de buitenkant. Van binnen huist een mens die lang verborgen is gebleven. Kwetsbaarheid, onzekerheid en angst. De vrees om afgewezen te worden, dat mijn stukjes ondermaats of onzinnig gevonden worden. De vrees voor de realiteit. Door meditatie en spontaan geschreven stukjes leer ik de realiteit zien. Dit ben ik echt, helemaal, van onder tot boven, van buiten en van binnen. Een écht mens.

De auteur is vriend van Shambhala Leiden

Deze column is gepubliceerd op de zomereditie van de website van het Vrienden van het Boeddhisme (http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/)

Frans: een streng, doch vaderlijk gezelligheidsdier

8 jul
Frans fiets

Tekening: Waldemar Post

Frans van Schoonderwalt was niet zomaar een aardige collega, hij was álleraardigst. En streng. Zonder een bazige, eigenwijze onderwijzer te worden. Tot in het café toe sprak hij mij toe over foutjes in mijn taalgebruik, mijn inschattingen, zijn visie op de materie, ons redactiebeleid, het gedrag van andere collega’s en zijn eigen ervaringen. Frans was als een vader, vanaf 1976 toen ik tot de sportredactie van de Volkskrant mocht behoren.

Frans was er sinds 1969, nadat hij in 1962 bij het Eindhovens Dagblad was begonnen. Een Brabander (die niet ouder werd dan 76 jaar), met een hart voor PSV (zoals zijn vader en Philips-werknemer) én een groot hart voor wielrenners. Het kon niet anders dan dat ik ook over wielrennen ging schrijven (eerst als leerschool de amateurs), hoewel voetbal vanwege mijn achtergrond als voormalig getalenteerd voetballer mijn voorkeur had. Toen Frans in 1978 bekend maakte dat hij over een jaar ging stoppen als wielerverslaggever en niet meer de Tour de France zou doen, vooral omdat hij in 1980 de Olympische Spelen in Moskou wilde verslaan (vanwege zijn kennis van de Russische taal) en omdat de Tour-drukte hem teveel werd, werd ik bijna als vanzelfsprekend zijn opvolger – zo onervaren ik nog was. Maar Frans zou me over de eerste obstakels loodsen. De Tour verslaan was immers, zo leerde hij, de zwaarste reportage die je als sportjournalist kon doen. Nou, dat heb ik geweten.

Met Frans zou ik na mijn vertrek naar NRC Handelsblad in 1988 vrienden blijven. Tot aan zijn overlijden (op 2 juli) toe. Niet omdat wij de wielersport een warm hart toe droegen, gewoon omdat wij elkaar (en veel andere wielerverslaggevers) lagen en ik graag in zijn nabijheid en van zijn hele lieve vrouw José wilde blijven verkeren. Hij stond me bij in mijn moeilijkste momenten (scheidingen, ziektes, onenigheid met collega’s en andere nare gebeurtenissen) en bleef me volgen toen ik voor NRC schreef. Hij bleef betrokken, ook bij mijn privébesognes. Daarom vonden we elkaar altijd weer. We stonden waar dan ook bier te drinken, gewoon zoals we gewend waren vanaf het eerste uur van onze vriendschap.

Frans, Peter ea

Oude Tourkameraden. Vlnr boven: Joop Holthausen, Peter Heerkens, Guus van Holland en Peter Ouwerkerk. Onder: Frans van Schoonderwalt

Vandaar dat ik graag mijn herinneringen aan Frans beschreef op de afscheidspagina die de Volkskrant in oktober 2003 voor hem samenstelde. Frans zou nooit meer uit mijn leven verdwijnen. De vriendschap en collegialiteit die we vanaf 1976 opbouwden, tijdens gezamenlijke reportages (toch nog drie á vier keer samen in de Tour – hij als verslaggever van de feiten, ik als beschouwer) bijna intiem uitbouwden, zouden nooit meer verloren gaan. Alsmede de herinnering aan die bevlogen collega’s van sportredactie: Ben de Graaf, Hans van Wissen, Theo Nolens, Frans Ensink, Henk Wehberg, Poul Annema, Ab Schreijnders, Martien Schurink, Cees Zoon, Ronald ten Brink, Joep Verdonck. Vandaar ook dat ik mijn herinnering, gepubliceerd op de afscheidspagina van Frans, (gedeeltelijk) herhaal:

‘Geboend en geschrobd, glimmend en gloeiend, de haren scherp gekamd zat Frans ’s morgens aan het redactiebureau, alsof hij niets meer wist van de vorige avond. Vol plichtsbesef zat hij dan kaarsrecht achter de schrijfmachine, het ene velletje na het andere vol te tikken, het ene klusje na het andere te klaren. Nog ver voordat de krant zou moeten zakken, had Frans de sportpagina al vol, zeker het voorwerk voor de avondredacteur verricht. Omdat dat nu eenmaal moest.

‘Geen dranklucht meer, slechts lichte sporen van vermoeidheid, nauwelijks een herinnering aan de vorige avond in café Hesp, waar ik door Frans zo vaderlijk was ingewijd in de rituelen van het langdurig en zinvol bier drinken. Niet dat hij ’s morgens niet meer wilde weten wat gebeurd was of wat hij gedaan had – laat staan wat ik gedaan of gezegd had. Frans was gewoon ’s avonds laat een kereltje en ’s morgens vroeg een kerel.

‘Eén pilsje? Zo vroeg hij tegen vijf uur, als het werk geknipt en geschoren was. Natuurlijk, Frans! Het werden er meer dan één. Zodat hij tegen achten de telefooncel (…) instapte om José te melden dat het ‘ietsje’ later werd. Het werd altijd ‘ietsje’ later. Want Frans hield van gezelligheid, van bomen over de krant en vooral over wielrennen – samen met luisterende collega’s als Piet van Seeters en Harry Lockefeer, Henk Huurdeman, Han van Gessel, Joop van Schie, Maria Hendriks, Willem Beusekamp, Jan van Capel, Cor Groeneweg, Nico Goebert, Kees Bastianen, Peter van Bueren, Victor Lebesque, Jos Klaassen, Willem Ellenbroek, Cees Zoon, Ronald ten Brink, Joep Verdonck, Gijs van den Heuvel en al die andere Hesp-klanten van de Volkskrant.

‘Hij was een strenge, maar gezellige leermeester. Een romanticus die van verhalen (vooral over wielrenners) hield. Tot in de nachtlokalen en avondlijke terrassen van Frankrijk toe, waar hij tijdens de Tour de France altijd actief en opbeurend was – óók een vader. Hij was gelukkig wanneer hij thuis op zijn verjaardagsfeest diep in de nacht Neerlands Hoop in Bange Dagen door de huiskamer liet schallen of wanneer hij Paverotti bij herhaling toe de hoge C liet galmen. Frans was een gezelligheidsdier dat kon stralen van geluk als een fruits de mer van drie plateaus hoog voor zijn neus verscheen. En doping? Ach kom, is er dan niets anders om over te praten en bij te drinken? Geen speculaties, asjeblieft, mensen beschadig je niet. Alleen de waarheid, alleen de feiten.

‘Frans kon boos reageren wanneer ‘bevriende’ renners hebben een loer hadden gedraaid. Zoals op de avond toen hij een heroïsch verslag van Michel Pollentier kon versnipperen, omdat de Belg naar later op de avond bleek de dopingcontroleurs had ‘geflikt’ (het beruchte peertje). Zijn tweede stuk getuigde van woede, zo kritisch was hij geworden. Waarop onze collega en oud-Tourverslaggever Theo Nolens aan het bureau mompelde: ‘Frans heeft zich door zijn emoties laten leiden, hij voelt zich bekocht.’

‘Een misverstand, want Frans liet zich (bijna) altijd door zijn emoties leiden, door zijn liefde voor wielrenners – ook voor andere sporters. Hij ging uit van de goedheid van de mens. En dat op een redactie die het in die periode als haar taak beschouwde juist van het slechte in de mens uit te gaan. Hoe hield Frans dat toch vol?

‘Frans hield van literatuur en meesters in de taal – vooral Vlaamse en Russische. Prachtige interviews heeft hij gemaakt. Van die ik met hem samen mocht doen waren de hoogtepunten het paginagrote gesprek in het Vlaams met Lomme Driessens, de legendarische Belgische ploegleider (‘Ge kunt van mij geen koers kopen die ik kan winnen. Maar ik kon wel een koers verkopen die ik niet kon winnen. Dat is de kunst’), dat met Walter, Willie en Eddy Planckaert en dat met bokser Rudi Koopmans (jawel, een bokser in de Volkskrant). De laatste weliswaar in Het Vervolg, met als kop ‘Heb jij weleens een rammel voor je kop gehad’; het gevolg van een kritische vraag van mij; Frans was niet zo kritisch, eerder empathisch. Frans wist mensen voor zich in te nemen. Hij straalde vertrouwen uit en hij kon het opschrijven als geen ander. Hij was een bevlogen en meesterlijk journalist.

‘Toen (in 1988) gingen onze wegen uit elkaar. Alsof ik afstand nam van mijn vader. Zo verwoordde Frans dat ook: ‘Je moet nu alleen verder.’ Frans is nog altijd dichtbij. Bij zowat elk woord dat ik tik, voel ik me bekeken door hem. Dat Frans van Schoonderwalt geen journalist is bij de Volkskrant is onvoorstelbaar. Misschien schrijf ik nog eens een boek over hem: ‘Over mensen die iets betekenen’.’

Tourverslaggevers

Reünie van Tourverslaggevers van de Volkskrant, medio jaren negentig. Vlnr boven: Guus van Holland, Jan Verdonck, Frans van Schoonderwalt en Jan de Vries. Onder vlnr: Jaap Visser, Bert Wagendorp en Bart Jungmann.

Dat eventuele boek van mij, ga ik nu verder, zal nooit zo goed worden als de boeken die Frans heeft geschreven. Een tiental, over wielrennen, doping, reizen, literatuur, opera en meer. Zo goed, zo zorgvuldig als Frans schreef, zal ik nooit kunnen schrijven. Hij was een sieraad als schrijver en vooral als mens. Ik zal hem zeker missen, meer dan welke collega die ik heb gekend. Gewoon: een fijn mens om gekend te hebben. Een strenge doch empathische leraar van het leven.

Proost, Frans!

Deze herinnering is gepubliceerd op 8 juli 2019 in de Volksknar, (digitaal) clubblad van het Genootschap van Ouwe Knarren van de Volkskrant. Verder met bijdragen van Ben de Graaf, Nell Westerlaken, Willem Kuipers en Haro Hielkema.

https://drive.google.com/file/d/1JPcDE1iEdElFj8GK4Sa1Pt_NaA9JjZPz/view?fbclid=IwAR1hgvYZK3Kjok-JgE6I55p5Hw6BF00LPxWVPOVh1fcjJmIhFr69oiGam5o

‘Die dag drong het tot mij door dat voetbal waanzin is’

10 mei
Neal Scirea

Liverpool-aanvoerder Phil Neal (links), de Zwitserse scheidsrechter André Daina (midden) en Juventus-aanvoerder Gaetano Scirea (rechts) vóór de aftrap van de Europa-Cupfinale van 1985.

Dit telefonische interview had ik voor NRC Handelsblad tien jaar na het Heizeldrama met de Liverpool-aanvoerder van destijds, Phil Neal. Een dag later nam ik ruim acht maanden van rust, afstand en bezinning die me kort daarvoor door mijn huisarts was voorgeschreven.

Op woensdagavond 29 mei 1985 vonden 39 voetbalsupporters bij de Europa-Cupfinale tussen Juventus en Liverpool de dood. Dronken Engelsen vertrapten de Italiaanse fans in vak Z. Phil Neal was aanvoerder van Liverpool. Hij moest zijn verslagen spelers zeggen dat ze ondanks de doden moesten voetballen. ‘Iedereen is gestraft, maar niet de man die het stadion heeft uitgekozen.’

29 mei 1995. Vandaag brengt Phil Neal een bos bloemen mee voor zijn vrouw en vanavond gaat hij met haar in hun favoriete restaurant in Liverpool eten. Zoals elk jaar op 29 mei, wanneer de Neals hun trouwdag gedenken. Zoals elk jaar zullen ze vanavond terugdenken aan die woensdagavond 29 mei in 1985. ‘Soms heb ik er maanden lang niet aan gedacht. Gewoon omdat ik geen tijd heb, omdat het leven maar doorgaat, omdat ik mijn werk heb en omdat voetbal alles doet vergeten. Maar op mijn trouwdag dringt het altijd weer tot me door. Die avond in Brussel heeft mij getekend. Die avond is tot mij doorgedrongen wat voor een waanzin voetbal veroorzaakt, dat voetbal waanzin is.’

Phil Neal was op die avond, tijdens de avond van de finale van de Europa Cup tussen Liverpool en Juventus, rechtsback en aanvoerder van de Engelse kampioen. Al jaren was hij aanvoerder van het beste Europese elftal van de jaren tachtig. Voor de vijfde maal zou hij die avond een Europa-Cup-finale spelen. Een mijlpaal waar de toen 34-jarige Neal naar uitzag omdat weinig andere voetballers hem dat in Europa zouden kunnen nazeggen. Het werd een zwarte avond: ‘Ik kan me niet herinneren dat ik in de wedstrijd een bal heb geraakt.’

Het is eigenlijk geen avond om te gedenken, vindt Neal. ‘Niet voor Liverpool. Omdat Liverpool-fans een fout hebben gemaakt. Omdat er alleen Juventus-fans zijn gestorven, en dat was de schuld van dronken Liverpool-fans. Aan zulke fouten wordt men in Liverpool niet graag herinnerd. Wij waren niet de slachtoffers, maar de Italianen. Nu u er naar vraagt, begint mijn hoofd weer te tollen. Nu word ik weer kwaad, zoals ik jarenlang kwaad geweest ben, midden in de nacht, kwaad op iedereen. Alleen maar omdat er nog iemand rondloopt die dàt stadion heeft uitgekozen om er een Europa-Cupfinale te spelen. Het is een schande, dat die man, die instantie, de UEFA of wie dan ook dat heeft kunnen doen en nooit schuld heeft bekend.’

Neal hakkelt een beetje aan de telefoon, hij zoekt naar de juiste woorden. ‘Ergens in mijn hoofd is een helse jacht gaande. Ik weet die spanning weg te drukken, maar als mij er naar gevraagd wordt begint het weer te spoken. Een rechter heeft Liverpool-fans gestraft, een officier van de Belgische politie en de secretaris van de Belgische bond. Liverpool is geschorst, alle Engelse clubs zijn verbannen. Maar wie heeft het lef gehad dat stadion, dat atletiekstadion wat geen voetbalstadion was, wat een ruïne was te kiezen? Er is één man van de UEFA, de secretaris, Bangerter, die een lichte straf heeft gehad. Maar hij kan toch nooit de verantwoordelijke man zijn geweest. Zo is de voetbalwereld. De fans krijgen altijd de schuld. Maar dat soort mannen loopt lachend het stadion uit.’

Tien weken geleden werd Neal ontslagen als manager van Coventry City. Het was een vervelende dag, het regende en zijn vrouw was ziek. Maar het nerveuze voetballeven kan hem niet meer verontrusten. Nadat hij in december 1985, een half jaar na het Heizel-drama werd afgedankt als voetballer bij Liverpool, was hij zesenhalf jaar speler-manager bij Bolton Wanderers. Het was een leuke tijd: in de derde divisie, geen spanning, tussen leuke mensen. Hij heeft een zoon, die in het tweede elftal van Liverpool speelt. ‘Ik ben trots op hem. Want hij is ontdekt en een paar jaar geleden naar Liverpool gehaald door Kenny Dalglish. En als ik Kenny zie, denk ik aan Heizel. Kenny wist als enige speler op die avond in Brussel dat hij de volgende dag de nieuwe manager van Liverpool zou worden. Van het nieuwe Liverpool. Kenny is door een hel gegaan. Kenny, die nooit iets zegt, die nooit zijn gevoel toont, Kenny die nu met Blackburn Rovers kampioen is geworden, Kenny is een diep teleurgesteld mens. Maar hij wil nooit dat het om hem gaat. It’s always the lads.’

Dalglish verlaat Heizel

Kenny Dalglish verlaat het veld van Heizel

Wie het echte voetballeven wil doorgronden, zegt Neal, moet Dalglish aan het praten krijgen. ‘In 1971 was hij als speler van Celtic getuige van de dood van 66 supporters in het Ibrox Park in Glasgow, in 1985 was hij als speler van Liverpool getuige van 39 doden in het Heizel-stadion en in 1989 was hij als speler-manager van Liverpool getuige van 96 doden in het Hillsborough-stadion van Sheffield. Ik heb zelden meegemaakt dat iemand zo betrokken is bij de opvang van de Liverpool-supporters na Hillsborough als Kenny. Kenny stapte een paar jaar later plotseling op als manager. Niemand heeft geweten waarom. Hij had last van zijn hart, van hyperventilatie, van spanning, werd gezegd. Maar Kenny is wel terug in het voetbal. Ik denk dat ik weet waarom.’

Phil Neal schreef in 1986 het boek Life at the Kop, waarin hij vertelt hoe hij elf jaar lang heeft gevoetbald onder het immense lawaai van de supporters op de Kop-tribune van Anfield. Wie zijn boek heeft gelezen, wie ooit onder de poort van het Liverpool-stadion is doorgelopen, waarboven in gietijzeren letters staat geschreven You’ll Never Walk Alone, wie de marmeren gedenksteen ernaast heeft gezien ter nagedachtenis aan het Hillsborough-drama, die begrijpt dat er maar één club is waar voetbal meer dan sport is.

Neal wil het indringende relaas van Heizel dat hij in zijn boek deed, liever niet herhalen. ‘Lees het nog maar eens. Ik wil er liever niet aan herinnerd worden. De wedstrijd was trouwens een farce. Vanaf het moment dat we wisten dat de wedstrijd door zou gaan, wisten we dat maar één ploeg kon winnen. Maar ik kan het nooit bewijzen. Toen Whelan in de eerste helft duidelijk onderuit gehaald werd in het strafschopgebied, wilde scheidsrechter Daina niets van een strafschop weten. Maar toen Gillespie vijf meter buiten het strafschopgebied Boniek neerlegde, gaf de scheidsrechter een penalty, waaruit Platini het enige doelpunt zou maken.’

Neal weet niet wie de beslissing heeft genomen de wedstrijd door te laten gaan. Dat Daina vond dat de finale beter gespeeld kon worden, omdat anders de situatie nog meer uit de hand zou lopen, vindt hij een begrijpelijke beslissing. ‘Een waanzinnige beslissing weliswaar, maar er was geen alternatief. Toen ik als aanvoerder uit de kleedkamer werd geroepen om het besluit van de UEFA over het doorgaan van de wedstrijd te horen, was ik verbijsterd. Maar ik wist dat er geen uitweg was, hoewel er al zo’n dertig doden waren gevallen. Ik kwam terug in de kleedkamer, waar alle spelers met hun hoofd in hun handen hingen. Ze wisten het, ze wisten alleen nog niet wie er dood waren, Italianen of Liverpoolfans. Ik zag Sammy Lee zitten, een echte Liverpool-jongen die jarenlang zelf op de Kop had gestaan. Hij huilde, hij schaamde zich voor wat Liverpool overkwam. Niemand wilde voetballen, niemand wilde nog het veld op. Ze zaten daar en ze zeiden niets, Sammy huilde en Kenny keek uit het raam van de kleedkamer, waar hij kon zien hoe brancards af en aan werden gedragen. Kenny zweeg, zoals iedereen.’

Juventus-aanvoerder Gaetano Scirea en Phil Neal werden gevraagd naar de omroepkamer te komen om een tekst voor te lezen. Neal: “Onderweg begreep ik dat de Juventus-spelers wilden dat de wedstrijd werd afgelast. Ik liep de tribune op en werd geraakt door allerlei voorwerpen die Italiaanse fans naar mijn hoofd gooiden. Ik werd bespuwd, er werd geschreeuwd. Ik verstond het niet, maar ik begreep het wel. Nooit heb ik me zo ellendig gevoeld. Ik had het gedaan, ik had Juventus-fans vermoord, ik was er een van Liverpool.”

Toen Neal voor de microfoon stond, keek hij op en zag aan de overkant wat er van vak Z was overgebleven. ‘Een slagveld. Het was oorlog. Een man duwde mij een papier in de hand en zei dat ik dat moest voorlezen. Ik las dat de wedstrijd zou doorgaan en dat wanneer na vijf minuten de toeschouwers nog steeds niet rustig waren geworden, de scheidsrechter de wedstrijd zou staken. Ik zei tegen de man dat ik dit nooit van mijn leven zou voorlezen, ik wilde mijn eigen woorden kiezen. Ik weet niet meer wat ik heb gezegd, maar het was een algemene oproep tot gezondheid en kalmte. Wat moest ik anders zeggen?’

Dat Platini juichte nadat hij de strafschop had benut en dat Juventus een ereronde maakte met de beker, wordt jaren na het Heizel-drama nog een schande genoemd. Neal vindt het ‘geen teken van een heldere geest’. Maar wat moest Platini anders? De beker weigeren? ‘Weglopen en tegen de UEFA zeggen: fuck you? Iedereen die in die waanzin iets moest doen, deed vreemd. Niemand kon je die dag iets verwijten. Alleen die man die het in zijn hoofd had gehaald dat stadion aan te wijzen. Die man moet worden opgespoord. UEFA-voorzitter Jacques George? Ik weet het niet.’

De 64-jarige Joe Fagan was in Brussel voor de laatste maal manager van Liverpool. De volgende dag zou hij worden opgevolgd door Dalglish. Neal ondersteunde de huilende man bij aankomst op Speke Airport in Liverpool. ‘Hij had de Europa Cup nog eenmaal naar Liverpool willen brengen. Maar het mocht niet. Teleurgesteld keerde hij terug. Teleurgesteld in voetbal, teleurgesteld in zijn Liverpool-fans. Zes weken lang heb ik met niemand buiten mijn familie gesproken. Mijn vrouw nam de telefoon op. Ik heb zes weken lang slecht geslapen. In de kranten las ik dat Grobbelaar en ik met voetbal waren gestopt. Dat kon niet: ik ben geen vluchter. Later begreep ik dat Bruce dat verhaal had verkocht. Ik was niet eens kwaad op hem. Ik wilde nog één ding: de klap verwerken en weer kampioen worden met Liverpool.’

Maar Neal kwam weinig meer aan spelen toe. De nieuwe speler-manager Kenny Dalglish ontnam hem zijn aanvoerdersband en stelde hem nauwelijks meer op. ‘Ik was 34, ik voelde dat mijn tijd was gekomen. Ik nam het Kenny niet kwalijk. Kenny moest het beste elftal opstellen. De verkilling had toegeslagen. Een mens als Kenny moest als manager zakelijk zijn. In december 1985 ben ik gestopt. Ik kreeg een afscheidswedstrijd, wat vage toezeggingen en een vrije transfer. De voorzitter durfde me niet in mijn ogen te kijken. Toen Liverpool in mei weer kampioen werd, stuurde Kenny mij de kampioensmedaille. Omdat ik veertien wedstrijden had gespeeld, ik had er recht op.’

Phil Neal (44) wordt zelden gevraagd naar zijn ervaringen. Dezer dagen wel, in praatprogramma’s van de BBC-radio bijvoorbeeld. Maar het liefst verdringt hij zijn herinneringen. ‘Ik heb een videotheek met banden van alle belangrijke wedstrijden van Liverpool. Ook de finale van 1985. Ik heb er nooit naar gekeken. Ik zal er ook nooit naar kijken. Ik zou me weer schamen, ik zou weer verdriet hebben, ik zou kwaad worden. Ik wil van voetbal genieten, ik wil er geen verdriet van hebben. Ik weet nu dat we in een wereld vol waanzin leven. Morgen stort misschien een stadion in. En overmorgen voetballen ze overal weer verder. Zo denken wij in Liverpool. Ik kom uit Northampton, maar ik ben in Liverpool blijven wonen. Niet bij de mensen die Liverpool regeren, alleen dicht bij de fans die Liverpool in hun hart dragen.’

Het is goed, niets is echt fout

15 apr
Dralahall2

De meditatieruimte

Dit was bij mijn eerste lezing tijdens de stilte-retraite van een week in een Frans buitenverblijf niet wat ik ervan verwachtte. Omringd door veertien Fransen, een Belgische, een Engelse en een Moldaviër, keek ik vanaf mijn kussen in de meditatieruimte verwonderd naar de Engelse boeddhistische leraar, een ogenschijnlijk wijze man. Weifelend stak hij met een lucifer de kaarsen en een wierookstokje op de schrijn aan, keek vragend om naar de Duitse hoofdleraar in de zaal, fronste zijn wenkbrauwen, schudde verontschuldigend met een glimlach zijn hoofd en stak onzeker nog een kaars aan. Is het zo goed?

De leraar wist het niet zeker! Mogelijk was hij vergeten hoe de ceremonie precies in zijn werk ging. En dat na al die jaren van studie, meditatie en vele eerdere ceremoniën. Hij boog met het wierookstokje tussen zijn handen naar de schrijn, ging zitten, nodigde met een hoofdknikje ons uit ook te gaan zitten en bleef bijna een minuut stil alvorens hij met zachte stem aan zijn lezing begon. Hij sprak over het nut van stilte, over wat in ons hoofd opkomt en weer weggaat, over gedachten, over de ademstroom, over gevoel en prikkels, en over identiteit. Het was allemaal goed, niets was echt fout. Wat er gebeurde, wat je voelde en wat je hoorde, was van jou – van niemand anders.

Hij keek ons aan en vroeg om vragen. Een man vroeg hoe hij zijn identiteit kon breken, kennelijk was hij er niet tevreden over. De leraar antwoordde met zachte stem en sloot af met de opmerking: ‘Hoe, dat is aan jou.’ Dat antwoord had de man niet verwacht – ik evenmin.

Met stijgende verwondering volgde ik zijn gedrag. Bij een van de volgende vragen zweeg hij. Hij keek de zaal in, wachtte op een antwoord van een van de aanwezigen en gaf er toen zelf een. Wat hij zei is me ontgaan. Alleen zijn slotzin bleef hangen. ‘Slaat dat ergens op?’, riposteerde hij. Mensen lachten. Want eigenlijk gaf de wijze leraar daarmee te kennen dat hij ook niet zeker was of zijn antwoord hout sneed.

Mijn verwondering sloeg om in bewondering. Ik weet het, dat is geen boeddhistische benadering. Maar ik voelde een vorm van identificatie. Als deze vriendelijke, wijze man onzeker, kwetsbaar en niet-wetend is, dan zou ik dat ook willen zijn. Ik hoef dus niet zeker te zijn van wat ik denk, hoor, zie en voel.

Bijna altijd heb ik in mijn leven gedacht dat ik zeker van mezelf moet zijn, dat ik gelijk heb, dat ik weet hoe het zit, dat ik wijs ben, veel geleerd en gestudeerd heb. Alleen dan ben ik goed, op zijn minst de moeite waard, dan pas heb ik bestaansrecht. Dat is wat ik in mijn jeugd, op school en van mijn ouders heb geleerd: laat zien wat je kunt – en vooral niet wat je niet kunt. Zorg dat je de beste bent, dat je wint, op school, in sport en meer. Minder dan anderen zijn is niet goed. Verliezen is een gebrek. Met een gebrek ben je niet perfect en hoor je er niet bij.

Sid1

Mijn leraar

Op een dag kwam de leraar buiten naast me op een bankje zitten. Hij vroeg hoe het met mij ging. Ik antwoordde dat ik met vragen zat, problemen ook. Hij zei ‘ok, dat kan’, meer niet. Toen ik hem om een oordeel vroeg over de verhalen die ons bereikten over het wangedrag van (onze) Shambhala-leider Sakyong Mipham, hield hij zich op de vlakte en zei: ‘Dat had mij ook kunnen overkomen.’ Ik had willen horen of hij dat goed keurde of afkeurde. Hij liet het in het midden. ‘Ik heb hem ontmoet. Maar wie ben ik om te oordelen?’ Zo sloot hij af.

Zo keerde ik na week van stilte, meditatie, bezinning en vriendelijkheid opgelucht en verrijkt terug naar huis. Nu besefte ik dat onzekerheid, kwetsbaarheid, onwetendheid en de mindere zijn goed noch fout is. Soms ril ik nog en word ik nerveus als ik iets niet zeker weet. Oei, wat zal mij gebeuren? Het is een kwestie van oefenen in zijn wie je bent, wat je voelt, hoort en ziet. Niets is zeker, niemand is zeker, ook ik niet. Identificatie met winnaars mag, identificatie met verliezers mag ook – daar is niks mis mee.

Guus van Holland is vriend van de Shambhala-sangha in Leiden

Deze column is gepubliceerd op de voorjaarseditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

 

Een hele week zwijgen en mediteren in een ver paradijs

13 mrt
IMG_0252

Het chateau van Dechen Chöling

De hoosbuien die eind februari mijn auto op de Franse wegen troffen, voorspelden stormen en donderslagen tijdens de stilteretraite die ik een week zou ondergaan in Dechen Chöling, het centrum van de boeddhistische gemeenschap Shambhala, 20 kilometer buiten Limoges. Mij wachtten zware dagen en nachten, mogelijk gevuld met eenzaamheid, depressies, angststoornissen, psychoses en andere neurotische verrassingen. Zo was mij verteld. Maar je kunt er wel altijd mee stoppen. Zo was mij ook gezegd. Dan maar terug naar huis, over dezelfde lange Franse wegen. Dan maar teleurgesteld in mijn veronderstelde mentale kracht.

Het was stil op de zondagmiddag dat ik aankwam. Ik liep wat rond over het immense verlaten terrein, langs de vele gebouwen. Ik keek hier en daar naar binnen, zoals bij het hoofdgebouw, het chateau. Niemand. Uiteindelijk meldde ik me in het bureau, waar een jonge man met paardenstaart me begroette, inschreef en de toegezegde eenpersoonskamer wees. Dat werd een kamertje in Garden’s House. Tenslotte verbleef en sliep ik – bevreesd voor riskante ontmoetingen – liever alleen in mijn toevluchtsoord.

IMG_0182

Mijn kamertje

Bij de avondmaaltijd trof ik een twintigtal andere deelnemers aan de stilteweek en een paar vaste bewoners. Allemaal Fransen, vermoedde ik. Ze babbelden honderduit. Ik zweeg, omdat ik ze nauwelijks verstond, en richtte me op de vegetarische gerechten, die me zowaar heel goed smaakten. Vervolgens werden we verwacht in de meditatieruimte, waar de leraren Sid Liddall (een Engelsman) en Ute Reinhart (een Duits-Franse), en hun assistenten Benjamin Moreau (een Fransman) en Klára Vlkova (een Tsjechische), ons begroetten en inwijdden in het programma van de komende week. We zaten allemaal op een kussen en luisterden naar onze leraren op het podium van de schrijn.

Van ’s morgens negen uur tot ’s avonds negen uur zouden we mediteren – zittend (minimaal drie uur per dag) en wandelend. Verder reciteren (in het Frans of Engels) en luisteren naar lezingen. En eten, drinken (water, vele soorten thee of koffie), rusten, slapen en zwijgen. Altijd zouden we (vanaf maandagmorgen) moeten zwijgen. Geen entertainment, zoals Sid het noemde. Geen afleiding, geen vermaak, geen iPhone, geen computer, geen muziek, geen leesstof (alleen over boeddhisme en meditatie), geen contact met de buitenwereld. Stilte, zodat je alleen met jezelf bent en alles wat in je opkomt (wat je voelt, hoort, ziet en ruikt) zelf moet verwerken.

Na een stille nacht, meldde ik me om acht uur aan het ontbijt. Zwijgend, net als de anderen. Om negen uur begon de eerste meditatiesessie van twintig minuten, gevolgd door een korte lezing van een van de leraren, over de kracht van stilte en over de techniek van mediteren, vooral de houding en over alleen met jezelf zijn. Zittend op mijn kussen keek ik soms stiekem naast me of zelfs achter me. Naast mij zag ik vrouwen, achter mij enkele mannen. Ik hoorde ze kuchen en amechtig snuiven. Ik richtte me op mijn adem, zag allerlei gedachten in mijn hoofd voorbijkomen, ik probeerde ze weg te duwen. Tevergeefs, want ze kwamen terug, onophoudelijk en onstuitbaar. Het werd een gevecht. Net zoals thuis op mijn eigen kussen. Wat nu? Hoe kwam ik hier weg?

IMG_0245

Sid Liddall, mijn leraar

Sid en Ute hielden ons tijdens hun lezingen bij de les (vertaald door tolk Benjamin). Laat de gedachten komen, laat ze gaan, volg je adem, tot diep in je lichaam. Verdring niets, laat je niet afleiden. Dit ben jij, alleen jij. Ik wist het wel, maar toch trap ik er telkens weer in en ga ik op zoek naar iets anders – waar, wat of met wie dan ook. We werden uitgenodigd voor een stiltewandeling buiten. We liepen in een rij achter Sid aan. Ik sloot de rij. Dit wilde ik niet. Slaafs volgen, slaafs stilstaan, slaafs achter de leider aan en doen wat hij doet. Ik voelde me ongemakkelijk en hield afstand van de groep.

Bij de evaluatie (waarin ik was ingedeeld bij een groep met enkele Engels sprekende deelnemers) vertelde ik dat ik niet in een rij achter de leraar aan wilde lopen. Dat had ik al als kind toen ik lid was van de gymnastiekvereniging. Ik zei dat ik me een foto van toen herinnerde. Liever niet in een rij, liever niet met de groep meedoen. Autonoom zijn, in mijn eentje – dan maar eenzaam en alleen. Sid knikte, zonder oordeel. Dat was mijn ervaring. Zo was het voor mij, alleen voor mij.

IMG_0236

De meditatieruimte, de Drala Hall

Na de laatste zitmeditatie van de dag, ’s avonds tussen acht en negen, werd ons gevraagd de volgende morgen om zeven uur, al vóór het ontbijt, naar de meditatieruimte te komen om met Benjamin lichamelijke oefeningen te doen. Akkoord, dan maar meteen naar bed. Ik viel snel in slaap, hoorde buiten nog even onbestemde geluiden, maar droomde al snel weg. Wat stilte niet me je doet!

De (vroege) ochtendsessie onder leiding van Benjamin bleek niet aan mij besteed. Hij vroeg met Franse liedjes mee te zingen en zwaai-, draai- en zwierbewegingen te maken met armen en benen. Ik zong niet mee en probeerde wat mee te bewegen. Maar nee, dit zou ik de volgende ochtenden toch echt mijden als de pest. Gewoon uitslapen tot het ontbijt, zo nam ik me voor. Wat geschiedde.

Ogenschijnlijk had niemand me de volgende ochtend gemist. Iedereen zweeg en probeerde zich in zichzelf te keren. Alleen mijn buurvrouw naast mijn kussen zwaaide met een lachend gezicht naar me. Wat een verwelkoming! De zitmeditatie verliep volgens het oude recept. Worstelend met gedachten en adem. Voordat we uitgenodigd werden buiten een loopmeditatie te doen, zei Sid dat we ditmaal ons eigen weg mochten kiezen en ,,dat Guus dat wel plezierig zou kunnen vinden”.

IMG_0186

Het dagelijkse programma van de stilteretraite

Het advies was te kijken, te voelen en te ruiken wat je ervoer. Niet associëren, gewoon in het moment zijn. Het werd een bijzondere wandeling, alleen met je eigen zintuigen, zonder referentiekader. Alles wat ik ervoer op het weidse landgoed was nieuw én verrassend. Ik werd nauwelijks afgeleid. Ik voelde me niet schuldig niet deel uit te maken van een groep of achter een leider aan te lopen. Dit was ik helemaal zelf.

Zo verging het mij de komende dagen ook. Ik was alleen met anderen, zittend en wandelend. Ik mocht doen wat ik wilde. Dat werd me ook telkens verteld: ,,Doe wat je wilt, als je niet wilt doe je het niet”. Mediteren ging steeds beter. En ik zweeg, net als de anderen, zag ‘dingen’ die ik mogelijk anders nooit zou hebben gezien. Ik sliep diep, vanaf half tien tot acht uur, en droomde heftig.

Op donderdagmiddag ging het mis. Tijdens de yoga-sessie werd ik overvallen door een enorme angstaanval. Ik hield het niet meer, rende naar mijn kamer en slikte een angstremmer. Eenmaal terug in de groep werd ik rustig, sneller dan de medicatie kon werken. Waarom weet ik niet? Afleiding? Ademhaling? Omdat ik mezelf opende en kwetsbaar werd? Niemand reageerde op mijn vlucht. Het mocht. De volgende meditatiesessie en de avondmaaltijd verliepen zonder problemen. Het was goed zo.

IMG_0198

Uitzicht vanuit het chateau

Voordat ik naar bed ging, werd ik bevangen door verschrikkelijke fantasieën. Een gebeurtenis van nota bene veertig jaar geleden greep me bij de keel en leidde me naar een onverwachte onweerstaanbare hel. Zo zou ik nooit kunnen slapen. Het zou een helse nacht kunnen worden. Ik greep naar afleiding (een angstremmer), mijn hoofd kwam tot rust, waardoor ik langzaam maar zeker in slaap viel. Fout? Ik weet het niet. De volgende ochtend werd ik kalm en uitgerust wakker, klaar voor de volgende meditaties en confrontaties. Maar de vraag bleef hangen: waarom nu, na veertig jaar? Had ik het trauma destijds dan niet echt verwerkt, niet voldoende doorleefd? Had ik me destijds te veel overgegeven aan afleidingen om de pijn niet te voelen? Daar is geen antwoord op, wist ik.

Ute Reinhart, mijn lerares

’s Middags zou ik een evaluatiegesprek hebben met Sid. Ik had een analyse opgebouwd over het proces van mijn leven en besloot dat (trots) aan de leraar te vertellen. Eenmaal tegenover hem in de zonnige tuin, begon ik te vertellen. Sid luisterde aandachtig. Zoveel aandacht had ik nog nooit gehad. Ik bleef maar door ratelen, overtuigd van het belang van mijn nieuwe inzicht. Eindelijk iemand die goed en vooral aandachtig luistert, en me onafgebroken aankijkt.

Toen ik klaar was, keek Sid me aan en zei: ‘Maar dat is niet de bedoeling van deze retraite. Analyseren doe je maar ergens anders, bij je therapeut. Dit is geen therapie. Het enige wat je hier doet is ademhalen, bij meditatie je adem voelen, aandacht geven aan je adem. Niets anders.’ Verrast, niet eens teleurgesteld, maar vastberaden besloot ik mijn meditaties anders te gaan doen. Zo zat ik de komende uren op mijn kussen. Ik voelde me bevrijd. Dit voelde beter.

Ik wijdde me vol aandacht aan de theepauze, die ik dagelijks diende voor te bereiden en af te sluiten. De rest van de retraite verliep vredig. Ik voelde meer, ik voelde me meer verbonden met mezelf én met de anderen. Het werd een heerlijk slot, met aan het eind van de week openhartige uitwisselingen en een bijzondere slotavond met gezang, het voorlezen van gedichten, champagne, wijn en ander vermaak. Zo kon ik afscheid nemen van mijn stilteweek in Dechen Chöling en vriendelijk terugkeren naar de vast weer lawaaiige, agressieve en brutale wereld.

IMG_0196

Het chateau

Ik verlang nog elke dag terug naar die week in het Franse land, terug naar de mensen, terug naar de vriendelijkheid van mezelf en de andere deelnemers, terug naar de leraren en hun assistenten die zonder oordeel naar me keken en luisterden. Ik kon en mocht helemaal mezelf zijn. Ik voelde me verrijkt met meer inzichten.

Hoe nu verder? De stilte omarmen en verder mediteren? Hopend op een verrijking van mijn leven. Of zal ik me moeten neerleggen bij de realiteit, met wie en wat ik werkelijk ben, met alles wat ik voel, hoor, zie en denk?

 

Omarm je ogenschijnlijk niet te beheersen woede

4 dec

angerHet knettert en dondert in je hoofd. Een elektrische stroomversnelling davert door je hele lijf. Je ogen zwellen en puilen uit. Het speeksel spuit uit je mond, je spuugt vuur, je hakkelt. Je zintuigen raken verdoofd en verblind. De motoriek van je armen en benen is onbeheersbaar geworden. Alles schokt en trekt. En schiet in de afweer, op zoek naar wapens. Slaan en schoppen is onbewust een optie geworden. Het gif moet er uit, aan alle kanten, uit alle gaten. Woede!

Pas als de golf van adrenaline is afgenomen, gaat het verstand werken. Wat is er gebeurd? Wat heeft jou zo diep geraakt waardoor je de controle over jezelf verloor? Waarom werd je gek?

Er zijn uiteenlopende psychologische verklaringen voor, onderzocht door vele wetenschappers van naam en faam en door bijna even zoveel anderen geanalyseerd en beschreven. Komt het (domweg) voort uit het temperament? Ook een verklaring. Maar ook: de woede zou zijn oorsprong vinden in ons vroegste leven. Daar was er niet de aandacht, erkenning, waardering en liefde waar we zo’n behoefte aan hadden. Onbewust herkent ons gevoel wat we toen gemist hebben. Diep van binnen worden we geraakt, als waren we nog een kind dat niet krijgt wat het hebben wil.

boze trumpVoelden we maar meteen waar en hoe we geraakt worden. Dat kan een woede-uitbarsting voorkomen. Ik heb geprobeerd me te laten raken en meteen te voelen dat ik geraakt word. Dan voel je de pijn meteen, hoe pijnlijk dat ook is. De ander, degene die jou raakt, zou dan direct kunnen begrijpen wat er met jou aan de hand is. Dat het jouw pijn is en niet per definitie de schuld van degene die de pijn veroorzaakt. Het is moeilijk. Omdat je afweer automatisch aan de slag gaat en de raarste dingen met je gedrag doet. Je kunt het leren herkennen, maar we zijn mensen – de een nog gevoeliger dan de ander.

Ik heb in therapeutische sessies woede de vrije loop mogen laten. Op een kussen slaan, met een mattenklopper op een matras beuken of hard tegen de therapeut schreeuwen tot het bloed in mijn ogen stond, het spuug uit mijn mond spoot en ik uitgeput in huilen uitbarstte. Dat kan helpen, zeker even. Andere psychiaters en psychologen spreken dat tegen, omdat het de woede juist zou aanwakkeren. Wie het weet, mag het zeggen.

De zenboeddhistische leraar Thich Nhat Hành schreef er (in 2003) een inspirerend boek over: Anger (‘Omarm je woede, emoties kalmeren met milde aandacht’). Hij verwijst naar de Boeddha die 2500 jaar geleden ontdekte dat de meeste vormen van lijden en ontevredenheid zijn terug te voeren tot drie oorzaken: verkeerde opvattingen, obsessieve verlangens en woede. Woede is een van de krachtigste, maar ook een van de moeilijkste emoties om mee om te gaan. Eén moment van woede kan zowel voor onszelf als voor anderen noodlottig zijn.

Hij nodigt uit aandachtig met boosheid om te gaan. Hij stelt dat woede uiteindelijk neerkomt op een intense vorm van lijden en dat het onze verantwoordelijkheid is dat te verlichten, niet door verstorende emoties te bestrijden of te onderdrukken, noch door ze onbegrensd te uiten, maar door onze basishouding door middel van aandacht te veranderen. Diep luisteren.

thich

Uit zijn boek ‘Omarm je woede’: ,,Als er iets fysiek met ons mis is – met onze darmen, onze maag of onze lever – dienen we de kwaal te verzorgen. We masseren wat, nemen een kruik en doen al het mogelijke om de aangedane plek goed te verzorgen. Net als onze organen is woede een deel van ons. Dus als we kwaad zijn moeten we terugkeren tot onszelf en goed voor onze woede zorgen. We kunnen niet gewoon zeggen: ‘Ga weg, woede, je moet weggaan, ik wil je niet’. Als je maagpijn hebt, zeg je ook niet: ‘Ga weg, ik wil je niet’. Nee, je zorgt er goed voor totdat de pijn over is. Op dezelfde wijze moeten we woede omarmen en er goed voor zorgen. We herkennen en erkennen de woede als zodanig en glimlachen. De energie die ons daartoe in staat stelt is ware aandacht, aandachtig lopen en aandachtig ademen.’’

Hij noemt het lijden en raadt aan tegen degene op wie je kwaad bent te zeggen: ‘Ik ben kwaad op je. Ik lijd.’ Laat weten wat je voelt, ook als je kwaad bent. Misschien, aldus Thich Nhat Hành (92 jaar oud intussen), ben je nog zó kwaad dat je er niet toe in staat bent, beoefen dan aandachtig ademen en het aandachtig buiten lopen. ,,Mocht dat niet helpen, schrijf het dan op. Schrijf een vredesboodschap. Voeg toe dat je vastbesloten bent dingen te veranderen. Dat zal de ander vertrouwen en respect inboezemen. Ik doe mijn best betekent dat je de belofte terug te keren tot jezelf om je woede te verzorgen nakomt en serieus neemt.’’

Of het lukt, weet ik niet. Of woede voorkomen kan worden evenmin. Slechts heel weinigen zullen kunnen uitgroeien tot een geduldige, aandachtig luisterende en observerende, glimlachende, minzame, vreedzame boeddhistische monnik. Maar het is te proberen. Al is het alleen maar om jezelf en de ander niet te beschadigen.

De auteur is vriend van de Shambhala-sanga Leiden.

Deze column is in iets verkorte versie gepubliceerd op de wintereditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Heeft u last van yips? Wat is dat dan? En hoe kom je ervanaf?

29 nov

tiger_yips

Zomaar een vraag op de golfbaan. Of ik nog weleens een artikel over golf schrijf. Ja, was mijn antwoord, over yips. Yips? De drie andere mannen in mijn flight keken elkaar aan. Hoe laag hun handicap ook was, ze hadden er nooit van gehoord laat staan last van gehad. Ja, de bal vloog weleens de baan uit, een korte putt werd zomaar gemist, een chip mislukte volledig en meer van die dingen die elke golfer overkomen. Maar dat zal wel met de grip, de stand of de swing te maken hebben – of gewoon met concentratie. De schouders ophalen en doorspelen: It’s all in the game. Of: dat is nu de charme van golf dan wel de ergernis.

Yips, zeg maar een spontane en onverklaarbare motorische uitval bij sporters, lijkt meer op een kleine, onschuldige aandoening. Het is sowieso maar sport. Toch: je zult maar aan de top staan, er een titel mee verspelen, je geld ermee moeten verdienen. En niet alleen in golf, in vrijwel alle sporten gaan spelers door de grond als het verschijnsel zich (en niet voor de eerste maal) voordoet. Tot tranen geroerd zijn ze. Er zijn zelfs sporters die er ten einde raad helemaal mee stoppen. Ook schrijvers en musici worden erdoor gehinderd.

Yips belemmeren niet alleen golfers. Om maar enkele varianten te noemen: honkbal (sasseritis), cricket (yips), darten (darteritis), biljarten (keuitis), schieten (flinching), boogschieten (target panic), hardlopen (runner’s dystonia), schaatsen (zwabbervoet), tennis (serving yips). En dan zijn er basketballers, voetballers, handballers en zo verder. Namen van golfers die er last van hadden en/of ervan zijn hersteld: Padraig Harrington, Keegan Bradley, Sergio Garcia, Ben Hogan, Tom Watson, Ernie Els, Bernhard Langer (vier keer, maar wel overwonnen), Sam Sneed, Hank Haney, Tiger Woods en Tommy Armour, de Schot die begin vorige eeuw triomfen (drie majors) vierde en zo’n vijftig jaar geleden de term yips voor het eerst beschreef in zijn boekje ‘ABC’s of Golf’.

ErikvanWensen1

Erik van Wensen (Foto Viviane Simone Vegter)

Yips zijn kleine, onwillekeurige schokken in de armen, die onder het golfen en vooral tijdens het putten optreden, waardoor de bal vaak volledig verkeerd geraakt wordt. Yips is een neurologisch fenomeen. Het is een taakspecifieke bewegingsstoornis, wat wil zeggen dat deze bewegingsstoornis zich alleen of vooral voordoet tijdens een specifieke taak, in dit geval tijdens putten bij golf. De neurologische classificatie van deze bewegingsstoornis is een focale, taakspecifieke dystonie. Zo lezen we op de website van Erik van Wensen, de Dutch Yips Study (https://www.dutchyipsstudy.nl/)

Van Wensen (neuroloog aan het Gelre Ziekenhuis in Apeldoorn, verwoed golfer [handicap 7] en gehinderd door yips) bestudeert al ruim vijf jaar nauwgezet het verschijnsel. De unieke combinatie neuroloog/golfer/yipper) heeft ertoe geleid dat hij zich fanatiek voorgenomen heeft (nu nog als hobby naast zijn werk) een methode te ontwikkelen om het ‘probleem’ op te lossen. Niet helemaal los daarvan telt mee dat zijn vader ook yips had. ,,Bij mijzelf ontdekte ik een jaar of vijftien geleden, op hole 1 van de Rosendaelsche, dat ik yips had. Opeens ging er een schok door mijn arm. Op een YouTube-filmpje is dat goed te zien. Het ziet er bijna overdreven uit. Op de begrafenis van mijn vader in 2009 heb ik in een toespraak beloofd dat ik die yips zou gaan oplossen.’’

Samen met collega-neuroloog en tevens specialist bewegingsstoornissen aan het Radboudumc in Nijmegen, Bart van de Warrenburg, ontwikkelde hij de 1e Dutch Yips Study, om mede aan de hand van een enquête onder alle leden van de Rosendaelsche Golfclub meer over het voorkomen van yips onder golfers te weten te komen. ,,Ieder lid kan zich aanmelden én de golfers die menen yips te hebben. Ik wil ze dan te zijner tijd filmen, want ik wil het graag, evenals een onafhankelijke neuroloog, nauwkeurig kunnen analyseren. Eigenlijk is het ook goed te zien. Het is meer dan choken, dat is wellicht de meest lichte vorm van yips. Het is ernstiger. Er ontstaat kortsluiting in je hersens, in de frontale cortex. Je kunt er van alles op verzinnen, maar vooralsnog is de juiste geneeswijze niet gevonden. Ik denk dat de kans dat ik het vind groter is dan van andere onderzoekers of wetenschappers, omdat ik zowel neuroloog, golfer als yipper ben.’’

Van Wensen heeft zich voorgenomen in de komende tien jaar elk jaar een van zijn Dutch Yips Studies af te ronden. Vooralsnog heeft hij als oplossing enkele opties: EMDR (eye movement desensitisation and reprocessing), een methode waarbij een psychiater of een psycholoog bewegingen van de ogen koppelt aan een bepaalde angst en die een andere lading geeft; cognitieve gedragstherapie, met hypnose; of injecties met botulinetoxine A. Maar dat moet allemaal nog goed onderzocht worden, weet Van Wensen.

Verschillende golfers vertelden hem dat ze van hun yips probeerden af te komen door gebruik van o.a. bètablokkers om de hartslag en bloeddruk te verlagen, door gebruik van slaap- en kalmeringsmiddelen. En zelfs acupunctuur is geprobeerd. Dat bleek niet goed te werken. Mogelijk kan hij via functionele MRI-scans in de frontale cortex het nodige vinden, maar dat is toekomst.

Inmiddels heeft hij vier golfers samen met psychiater Pieter-Jan Bogaard behandeld met EMDR. Hij is in hoopvolle afwachting van de resultaten die hij samen met zijn collega in 2019 hoopt te publiceren in een wetenschappelijk tijdschrift. Los daarvan zijn er andere mogelijkheden, zoals verandering van de grip of een langere putter (voorbeelden van ervaren pro’s zijn vaak te zien). Maar zelfs dat leidt niet altijd tot de gewenste genezing. Van Wensen wil graag, indien gewenst, met teaching pro’s samen optrekken bij het verhelpen van het yips-probleem. Ook zij moeten het kunnen zien. Hij schat in dat 5 procent van de 400.000 golfers in Nederland last heeft van yips, dus 20.000.

Yips bij golf is als onderwerp vaak taboe. Zo schrijft Van Wensen samen met collega-neuroloog Van de Warrenburg in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Vooral topsporters hebben het er liever niet over, uit angst voor ‘besmetting’: ze zijn bang het zelf ook te krijgen met als gevolg daarvan verminderde prestaties. Maar als ze eenmaal zijn aangedaan, gaan ze uitvoerig op zoek naar oplossingen. Onder artsen is yips echter niet bekend en de behandelingsmethoden zijn nog beperkt.

Van Wensen vermoedt dat er meer aan de hand is dan stress. Verstijving of verkramping komen vanzelfsprekend voor. Ze hebben een functie, wellicht als een beschermend mechanisme. Mogelijk hebben negatieve ervaringen invloed en nestelen die zich in het geheugen cq brein. Genetische erfenis is eveneens goed mogelijk, zoals hij concludeert uit het feit dat ook zijn vader (maar ook in andere gevallen) yips kreeg.

Van Wensen (48) begon op zijn vijftiende met golfen. Vijftien later ervoer hij voor het eerst de hinderlijke schok in zijn rechter onderarm bij de lange putts op het moment van contact tussen bal en putter. Later kreeg hij ook dergelijke schokken bij korte putts en vervolgens ook bij zijn afslagen. Naarmate de wedstrijdspanning toenam, kreeg hij er meer last van. Door de druk van zijn arm af te halen en vrijwel alleen nog met links te putten kon hij de schokken nagenoeg volledig voorkomen.

Veel golfers hebben niet door dat ze yips hebben (nog los van het feit dat ze een beperkte techniek hebben of de techniek vergeten). Van Wensen refereert aan Jan Dorrestein, lang Nederlands meest prominente speler en nog altijd teaching pro op de Rosendaelsche. ,,Als hij niet de yips had gehad of ervan af was geholpen dan was hij een nog groter golfspeler geworden.’’

Van Wensen richt zich vooral op golfers, omdat hij zelf golft. Maar ook andere yips-lijders heeft hij leren kennen. Zoals een biljarter die hij heeft behandeld. En verder hoopt hij met zijn onderzoeken de circa 800 à 900 neurologen die Nederland telt, te bereiken. Maar ook huisartsen en sportartsen. Zoals zijn collega-neuroloog Cees Jansen van ziekenhuis De Gelderse Vallei in Ede, die zich vooral met de ‘focale taak-specifiek dystonieën’ onder musici bezighoudt: pianisten zoals in de 19e eeuw Robert Schumann, die plotseling controleverlies aan zijn rechterhand bij het piano spelen ontdekte. En blazers die niet meer konden blazen, de lippen sluiten zich niet meer op het mondstuk. ,,Wie weet wat we van elkaar kunnen leren.’’

Van Jansen, die een speciaal spreekuur heeft voor musici met vermoede neurologische klachten, vernam Van Wensen: perfectionisten zijn extra ontvankelijk voor dystonie – en dat zijn beroepsmusici vrijwel zonder uitzondering. Op functionele MRI-scans is, aldus Jansen, te zien dat bij mensen met dystonie de gebieden in de hersenschors die de activiteiten van de verschillende vingers aansturen, in elkaar overlopen. De ‘bedrading’ die de signalen van de vingers verwerkt, is als het ware verstrikt geraakt. Dat uit zich in onwillekeurige en ongewenste bewegingen: een vorm van spasticiteit. Sommige onderzoekers denken dat dystonie de natuurlijke grens van de vingervlugheid markeert.

erikvanwensen2

Erik van Wensen (Foto Viviane Simone Vegter)

Erik van Wensen gaat ambitieus door met zijn onderzoek. Niet alleen om een vaak nog onbewust probleem te helpen oplossen, maar ook om van zijn eigen yips af te komen. Maar pas als allerlaatste der yippers. Yips heeft veel mensen het plezier in hun sport en spel ontnomen en mogelijk veel carrières van talenten in de knop gebroken. Dat houdt hem doorlopend en serieus bezig.

Dit artikel is gepubliceerd in Golfers Magazine 8, oktober/november 2018

%d bloggers liken dit: