Tag Archives: sportenstrategie

Het laboratorium van de Tour

29 Jun

 

americas-top-cyclist-entering-the-tour-de-france-has-been-using-a-portable-brain-stimulator-to-try-to-gain-an-edge-and-he-says-it-actually-works

De Amerikaan Andrew Talansky traint met zijn Halo Neuroscience koptelefoon

De euforie is gedempt, het feestgedruis verstomd. De Ronde van Italië is al een maand voorbij. Tom Dumoulin is weer even onder de stervelingen, mogelijk – en voor velen hopelijk – op weg naar een nieuwe piekervaring. We kunnen ons als wielerliefhebbers opmaken voor een volgende spannende episode in de wielersport van 2017, de Tour de France. Welk drama wordt ons dit keer voorgeschoteld? Zonder Dumoulin, zonder Nederlandse favorieten.

We kennen ze wel, de favorieten: de Engelsman Chris Froome, de Australiër Richie Porte, de Colombianen Nairo Quintana, Esteban Chaves en Rigoberto Uran, de Italiaan Fabio Áru, de Spanjaard Alberto Contador, de Fransen Romain Bardet en Thibaut Pinot en meer. Maar kennen we hun fysieke en mentale conditie? Van hun talent zijn we doordrongen, maar wat kunnen ze meer dan een ander in de drie belangrijkste wielerweken van het jaar, in de Tour de France? Hoe je het ook wendt of keert het hoogtepunt van het wielerseizoen.

Wat voor krachten hebben ze de afgelopen maanden opgedaan, op verre hoogtestages, in windtunnels en laboratoria? Hebben ze nieuwe trainingsmethoden aangewend, hun voedselpatroon aangepast, hun gewicht bijgesteld, hun spieren versterkt, hun longinhoud vergroot, hun bloed verrijkt, hun fietsen in een nieuwe vorm gegoten, hun kleding beter gestroomlijnd (streepje of bobbeltje meer hier en daar), hun voedingssuppletie veranderd, andere gelletjes gekregen, een nieuw nog niet verboden (of te vinden) pepmiddel in hun lijf.

,,Het is oneerlijk verdeeld in de maatschappij”, verzuchtte Gerrie Knetemann, de wereldkampioen van 1978, eens in een interview terwijl hij naar het nachtkastje keek waar naast filosofisch getint leesvoer ook sprookjesboeken lagen. Hij had die dag de longen uit zijn lijf geperst, zag na de massage nog dikke aderen over zijn benen lopen en herinnerde zich een lotgenoot die vele minuten eerder over de eindstreep was gekomen en er nog fris en vrolijk uitzag. ,,Wat moet ik nou beginnen tegen die anderen die veel sneller een berg oprijden? Ik heb daar de benen niet voor, niet de longen en misschien wel niet het hart. Ieder zijn eigen talent. Ik de mijne. Nou, het is harken, hoor, als je minder talent hebt. Links en rechts een slimmigheidje, een beetje bluffen en je redt het weleens. Maar het is niet eerlijk. Het zou leuker zijn als iedereen gelijk was, gelijke kansen had. Maar ja, zo heeft God het niet gewild en de directeur van de Tour de France zeker niet.”

Topsport is een ongelijke strijd, de ene strijder is beter toegerust, ouder, jonger, wijzer, sterker, genetisch bevoorrecht of beschikt over een grotere ‘motor’ – laat staan een snellere fiets. En toch wordt het aanwenden van medische suppletie verboden genoemd en niet het gebruik van andere middelen zoals beter materiaal (ovale tandwielen), technologie (wattage- en hartslagmeters, gps, transponders), elektronica en mentaal versterkende methoden (een slimmere ploegleider, sportpsychologie, antidepressiva, pijnstillers, opwekkende kruiden/olie, acupunctuur).

Als Max Verstappen in een betere auto (een ander merk) stapt, reageert niemand kritisch. Het volk zal bij winst juichen en hem huldigen als een van de beste Nederlandse sportmannen (atleten) aller tijden.

Als Tom Dumoulin in het heetst van de strijd moet poepen, wordt dat niet alleen onprofessioneel maar zowaar menselijk genoemd. Wanneer een renner tijdens of na de koers moet braken, wordt dat als een gebrek aan goede voeding beschouwd. Wanneer de een de ander kan bijhouden, wordt dat de menselijke maat genoemd. Wie sterker is dan een ander wordt al gauw argwanend gevolgd – zeker als het onverwacht is. Wat heeft die nu weer in zijn lijf gespoten? Zeker als het een buitenlander is. Dat is toch niet ‘normaal’.

Van immer alerte wielerjournalisten wordt verwacht dat ze met een kritische blik vooral de buitenlandse concurrentie volgen. Wat van buiten komt roept argwaan op. Gebruik van verboden middelen en methoden dient aangetoond te worden, is doorgaans de algemene opinie. Wat niet mag, dat mag niet. Het volkstribunaal zal oordelen wat menselijk is en wat niet. De journalist zal er (misschien wel tegen zijn zin) naar moeten luisteren – of weigert en volgt zijn eigen weg.

Nieuwsgierig kijk ik uit naar de komende Tour de France. Laat daar geen misverstand over bestaan. Ik volgde zelf als journalist zestien keer de Tour en heb zowel verwachte als onverwachte ontwikkelingen (rampzalige valpartijen, plotselinge soms onverklaarbare ziektes, dopingdrama’s en even onvoorspelbare als ondoorgrondelijke combines) meegemaakt. Vandaar dat de kans op mijn verbazing klein is. Hoezeer ik ook naar opwinding verlang. Ongelijke strijd wekt mijn nieuwsgierigheid. Je weet nooit wat mensen doen (de mens is even kwetsbaar als veranderlijk, van de ene seconde op de andere), zeker als de klimatologische omstandigheden onvoorzien zijn en de wegen naar de finish bezaaid zijn met onvoorziene steenslag en andere obstakels die niet door de wetenschap berekend kunnen worden.

Hoe zal bijvoorbeeld de Amerikaan Andrew Talansky zich houden in de afmattende wedstrijd van drie weken? De renner van de ploeg Cannondale-Drapac werd al eens tiende en elfde in de Tour de France, vijfde in de Ronde van Spanje en won in 2014 de Dauphiné Libéré. Hij geldt als kandidaat voor een plaats bij de eerste tien. Zeker nu hij zich gesteund weet door een nieuw (niet verboden) middel: een draagbare hersenstimulator. Talansky maakt in navolging van spelers uit het American Football, het Amerikaanse honkbal, Amerikaanse mariniers en enkele Amerikaanse olympiërs, sinds december vorig jaar gebruik van Halo Neuroscience, neurowetenschappelijke technologie. Hij traint via een Halo Sport app op zijn smartphone met een koptelefoon, luistert intussen naar muziek en voelt door lichte sensaties in zijn hoofd dat zijn hersens (elektrische) prikkels naar zijn spieren sturen. Na de sessie gloeit zijn hoofd nog even door. Vaak gebruikt hij ‘het middel’ ongeveer twintig minuten (gemiddeld 3 à 4 keer per week) en traint hij met de nagloeiende effecten een uur door. Volgens Talansky maakt hij inderdaad vorderingen en voelt hij zich sterker geworden. De 28-jarige Amerikaan hoopt dat met name tijdens de komende tijdritten in de Tour aan te tonen.

europlasticity, zo wordt de methode genoemd. De hersenen (de mindset) zijn elastisch en kunnen veranderd worden door oefening. Zo weet ik bijvoorbeeld dankzij mijn eigen ervaringen met allerhande vormen van psychotherapie en ‘alternatieve’ geneeswijzen. Of lees een eerdere bijdrage op mijn weblog:  ‘Muhammad Ali en de kracht van de grote mond’ https://guusvanholland.com/2016/06/10/muhammad-ali-en-de-kracht-van-de-grote-mond/ (de kracht van intentie, noemt wetenschapsjournaliste Lynn McTaggart de in Canada en de Verenigde Staten beproefde methode EMG – electromiografie).

Ook Talansky’s Franse ploeggenoot Pierre Rolland maakt er gebruik van. Of het allemaal tot het gewenste resultaat leidt, is nog maar de vraag. Duidelijk is dat de wetenschap nog veel in petto heeft om topsporters te ondersteunen. Veel van wat al wordt aangewend, is nog geheim – niet alleen van medische stimulantia. Wielrenners (en hun wetenschappelijke begeleiders) zullen niet nalaten zo snel mogelijk te zoeken naar nieuwe wegen om beter te kunnen presteren. Als het niet door middel van een pilletje of een gelletje is, een injectie of een infuus, een hoogtestage of een bloedzak, een electrode hier en een electrode daar, dan wel door nieuw materiaal en nieuwe technologie.

De vraag is wat voor mens straks de Tour de France wint. De wielrenner met aan perfectie grenzende menselijke eigenschappen, de meeste aanleg (een natuurtalent?) of de wielrenner met de meest geavanceerde materialen en technologische hulpmiddelen. De tijden dat wielrenners op pure menselijke kracht (soms versterkt door een hallucinerende pil of toverdrank) onmenselijke verzetten trapten, hun lekke bandjes zelf plakten, defecten aan hun ijzeren fiets zelf repareerden, zelf hun voeding samenstelden, zonder helm reden, een wollen trui droege en als menselijk wrak de eindstreep bereikten, zijn al een eeuwigheid voorbij. Op weg naar oneindige roem, glorie en gele trui is Tourrenners niets te gek. Dromen van een Tourzege stopt nooit.

Dit artikel is gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

Wanneer stopt bewondering voor Peter Sagan?

3 Mrt

Bewondering kan zomaar omslaan in verzadiging. Dan is het arsenaal aan superlatieven leeg en zijn zelfs de kenners niet meer tot een verklaring in staat. Wat nog te zeggen? Wat nog te schrijven na weer een groots vertoon van talent? Waar radio- en televisiecommentatoren zich nog konden uiten in clichématige kreten van verwondering en verbazing, zwegen de schrijvers van de dagbladen daags na de eerste Noord-Europese wielerklassiekers de Omloop Het Nieuwsblad en Brussel-Kuurne opvallend over de krachtexplosies van Peter Sagan.

Wat nu weer? Hoe moet dit nu weer verklaard worden? Nee, niet weer een lofzang op Sagans buitengewone escapades, zo hoorden de verslaggevers het strenge stemmetje in hun hoofd. Dan maar een afwijkend verhaal over de wedstrijd of over de andere deelnemers. Het zijn terugkerende dilemma’s in de sportjournalistiek zodra de suprematie van een sporter of sportploeg het punt van verzadiging heeft bereikt. Wanneer mogelijk alle verklaringen zijn gebruikt valt de analyse stil.

Indrukwekkend en verhelderend was het verhaal van Dennis Meinema dat daags vóór de openingsklassieker in NRC Handelsblad verscheen: ‘In het land van Peter Sagan’. Familie, jeugdvrienden, trainers en trainingsmaatjes uit Sagans geboorteplaats Zilina vertelden wat voor een type mens Peter Sagan was. Maar dan nog leek het niet de ultieme verklaring van het uitzonderlijke talent. Er zou meer moeten zijn.

Zijn het zijn onaangepaste gedrag, zijn rare uiterlijk, zijn moeilijk te begrijpen gebruik van de Engelse taal die hem ongrijpbaar maken? Zeker, dat telt mee. Een opvallende rare verwilderde man (geen prototype van een topsportersuiterlijk) uit een land waar wielrennen nauwelijks wordt bedreven, een man die zich niet aangepast wil gedragen en die de clown mag uithangen (mogelijk uit marketingoverwegingen) is gewoon een vreemde snuiter. Alles wat hij doet wordt gedoogd. Sterker, om hem wordt vooral gelachen.

Zoveel winnen en dan nog gek doen, wie zal het hem kwalijk nemen? Wanneer hij straks niet meer wint, zal zijn gedrag worden gebruikt om hem te bekritiseren. Maar wanneer zijn triomftochten aanhouden zal zonder twijfel een analist opstaan die verder gaat zoeken. Zoals het een journalist betaamt, toch?

Wie weet komt er iemand op het idee achter het masker en het clowneske gedrag te gaan zoeken. Er moet toch iets zijn wat tegen de afspraken van sportief gedrag indruist. Als het niet extreme lichaamsbouw of buitensporig gedrag is, dan toch zeker voedings- en medicatiepatronen. Zoals is het toch vaak gegaan met sporters die ver boven de rest uitstaken? En niet alleen bij Russen, andere Oost-Europeanen, Chinezen en ander vreemd volk, zeg maar sporters die niet werden vrijgepleit uit chauvinistische motieven.

Een nog niet ontdekt motortje in de fiets, waar de Zwitserse renner Fabian Cancellara mee werd lastig gevallen, bloedversterkers of -verversers dan wel domweg een hart- of spierversterkende chip in het lichaam. Alles is mogelijk zolang er nog niet afdoende op kan worden gecontroleerd. Verwondering kan zomaar overslaan in scepsis. En voordat je het weet wordt elk nog niet vertoonde gedraging of prestatie uitvergroot en argwanend geanalyseerd.

Jaren geleden gingen plotseling steeds meer renners met stofbrillen rijden, oogbeschermers zoals die door motorcrossers werden gedragen. De ene renner verklaarde dat de wegen steeds stoffiger werden, de ander had (gewoon) last van geïrriteerde ogen. Van de ene op de andere dag hadden steeds meer renners last van geïrriteerde ogen. Inderdaad, bloeddoorlopen ogen. Tja, die stof. Sportbrillenfabrikanten zagen er wel brood in en sloten contracten af met renners – winstgevend voor beide partijen. Totdat een sportarts uit de school klapte en mij verklaarde dat die oogirritaties het gevolg waren van het toenemende gebruik van corticosteroïden onder renners. Er zou een besmettelijk virus heersen…. Wat natuurlijk werd ontkend door renners en verzorgers. De oogirritaties verdwenen even plotseling als ze waren ontstaan, de brillen bleven en werden steeds beter en zijn nu onmisbaar.

Vreemd gedrag vraagt om onderzoek. Zo ging Peter Sagan onmiddellijk na de Omloop Het Nieuwsblad naar het toilet. Vreemd, zo meende een Belgische tv-verslaggever. Sagan pareerde de sceptische opmerking broodnuchter dat ieder mens weleens naar het toilet gin wanneer dat nodig is. Een dag later, na Brussel-Kuurne, propte winnaar Sagan zijn mond vol met gummibeertjes die door een van zijn verzorgers in een zak werden aangereikt. Vreemd, nog nooit gezien, toch?

gummibeertjes
Een Belgische journalist ging gelukkig op zoek onderzoek en ontdekte via een diëtist die onder meer de Belgische nationale voetbalploeg en de wielerploeg van QuickStep (Tom Boonen, Niki Terpstra) begeleidt dat de snoepjes koolhydraten bevatten die leiden tot snel lichaamsherstel. Veel renners krijgen na afloop een eiwitshake aangevuld met gummibeertjes en een cola. In de massagekamers zijn er volgens de diëtist ook steeds snacks voorzien, zoals een smoothie op basis van magere Griekse yoghurt en fruit bijvoorbeeld. Weer eens wat anders dan speciale (mogelijk omstreden) preparaten zoals voedingssupplementen.

Zo kun je weleens wat leren van journalisten die op onderzoek uitgaan. Maar dan nog weten we niet helemaal wat Peter Sagan zo extreem en langdurig een geweldige wielrenner maakt. Misschien is hij gewoon extreem en langdurig goed. Misschien vragen we ons over een paar maanden af waar Sagan is gebleven. Misschien blijft scepsis de wielersport achtervolgen. Misschien zwijgen de wielercommentatoren liever na al die onthullingen en beschuldigingen en zijn ze op zoek naar nieuwe superlatieven om uitblinkende wielrenners op een voetstuk te zetten. Vooral wielrennen blijft een sport vol geheimen.

Deze column is gepubliceerd op http://www.sportenstrategie.nl

Heeft Tiger Woods zijn duivels al ontbonden?

30 Nov

Morgen, donderdag 1 december, maakt Tiger Woods zijn rentree in een toernooi na 470 dagen van afwezigheid. Hij maakt zijn opwachting op de Hero World Challenge, een toernooi op de Bahama’s waarvoor de beste achttien golfspelers ter wereld zijn uitgenodigd. Woods zegt er aan toe te zijn. ,,Ik kan alle slagen maken die ik wil. Ik heb alles onder controle. Het was een slimme zet mijn rentree uit te stellen. Ik was er mentaal nog niet klaar voor en beheerste nog niet alle slagen.” Afgelopen maandag, drie dagen voor het begin van het toernooi, probeerde hij de golfliefhebbers én de organisatie gerust te stellen: ,,Ik sloeg ze goed vandaag.”

Heel lang is het geduld van de golfliefhebbers op de proef gesteld. Reikhalzend kijken ze daarom uit naar zijn eerste slagen. Woods kon ondanks al zijn fysieke en psychische onzekerheden niet wegblijven van het toernooi dat mede door de Tiger Woods Foundation wordt georganiseerd.

Foto: Sportsinsights.com

Foto: Sportsinsights.com

De vraag is ook hoe lang hij blessurevrij blijft na jarenlange problemen met zijn knieën (vier operaties) en rug (ook enkele operaties). Er zijn kenners die zeggen dat Woods zijn swing moet aanpassen: ,,Als je je rug blesseert, dan vertelt je lichaam je dat je zo niet kunt bewegen. Tiger moet zijn swing aanpassen. Als hij zo blijft swingen als vroeger, dan raakt hij opnieuw geblesseerd.”

In een artikel op golfdigest.com vertelde Woods dat hij op 40-jarige leeftijd (hij wordt 30 december 41) veel tijd nodig heeft om soepel en fit aan een ronde te beginnen: ,,Ik mis de dagen dat je naar de eerste tee liep en je een bal 270 meter wegsloeg. Je moet nu je spieren activeren. Ik was in de fitness met Justin Rose. Hij is 36 nu en ook hij heeft anderhalf uur nodig voordat hij ballen kan slaan.”

Zo zijn er meer verklaringen die de golfliefhebbers sinds jaar en dag bezighouden. Nog geen anderhalve maand geleden zorgde de Amerikaan andermaal voor grote ongerustheid. Zou hij nog ooit terugkeren? En, zo ja hoe?

‘See Phil. Daily tickets only $30’. Zo probeerde begin oktober de organisatie van het Safeway Open op haar website golfliefhebbers naar het toernooi op Silverado Resort in Napa, Californië, te lokken. Eerder stond er nog ‘See Tiger. Daily Tickets only $30’. Of nu de vijfvoudige major-winnaar Phil Mickelson de publiekstrekker is of de veertienvoudige major-winnaar en legende Tiger Woods maakt nogal een verschil.

Drie dagen nadat Woods zijn terugkeer in een golftoernooi aankondigde, rekende de organisatie van het Safeway Open nog op 30 tot 40 procent meer toeschouwers dan in voorgaande edities zonder Tiger. Alle golfliefhebbers willen Tiger zien. Of hij het nog kan na ruim veertien maanden afwezigheid. Zal hij nog net zo goed worden als vroeger, vóór zijn blessures en voordat hij de controle op zijn leven verloor – volgens ingewijden na de dood van zijn vader in 2006? Kan hij nog echt op jacht naar het major-record van Jack Nicklaus, die er achttien won.

De organisatie van de Safeway Open kreeg schadeclaims, mensen die kaartjes voor Tiger kochten wilden hun geld terug. Leuk hoor, die Mickelson voor 30 dollar, maar ze wilden Tiger zien, hem zien swingen, chippen en pitchen, zoals niemand vóór hem en na hem heeft gedaan. Gokkantoren voelden zich benadeeld. Tiger zou terugkomen en hoe! Berichten van spelers die met hem oefenden en enkele holes met hem liepen, voorspelden sensatie. Jesper Parnevik, met wie Woods al lang bevriend is, zei tegen Golf Channel: ,,Over comebacks kun je nooit zeker zijn, maar iets zegt me dat zijn comeback spectaculair zal worden.”

Een week voor het toernooi wees niets op een uitstel van Woods’ terugkeer. Hij had begin oktober als assistant captain van het Amerikaanse team inspiratie opgedaan tijdens de Ryder Cup, voelde zich thuis tussen de spelers met wie hij zo vaak optrok en verklaarde zich zowel lichamelijk als geestelijk goed genoeg om het toernooi te spelen. Maar ineens was daar drie dagen voor het begin van het toernooi die afmelding en verklaring op zijn website: ‘Alles is goed, maar zijn spel is nog te kwetsbaar’.

Mensen die Woods menen te kennen, zeiden dat ze de afmelding voelden aankomen. Tiger moet geschrokken zijn van de hype in de media rond zijn terugkeer, vooral alle drukte en analyses op Golf Channel. Zoals: ‘Oeps, daar gaan we weer. Waar raak ik in verzeild? Ik wil die drukte en die druk niet meer. Ik blijf lekker thuis, breng mijn kinderen naar school en houd me met mijn restaurant bezig. Alles is beter dan weer te moeten scoren en te worden beoordeeld.’

Het leven kan zo mooi en vredig zijn, als je niet telkens wordt beoordeeld op je scores. Golfen op een groot toernooi doe je niet voor je plezier als je zo groot, geprezen en verguisd bent als Tiger Woods. Elke slag wordt beoordeeld, elke prestatie. Daar kan een mens genoeg van krijgen.

Het is een duivels dilemma. In een indrukwekkend verhaal op de website van ESPN beschreef Wright Thompson in april van dit jaar tot in detail de lijdensweg die Woods door de dood van zijn vader in 2006 heeft doorlopen. Hoe hij stuurloos verder moest zonder zijn anker, de man die hij bewonderde, die hij wilde evenaren, wiens leven een voorbeeld voor hem was, de man van wie hij op zijn derde jaar moest leren golfen. Hij was zijn vader. ‘Woods’, schrijft Thompson, ‘ging op zoek naar iets dat hij nooit zou vinden.’ Vrouwen, die net als bij zijn vader altijd al op zijn pad waren gekomen, waren er bij tientallen, maar niet één gaf hem rust. Tijdens slapeloze nachten gaf hij zich over aan onmenselijke kracht- en gevechtstrainingen (CQD). Niemand was er nog om hem in zijn leven te steunen, te stimuleren en te helpen, zoals zijn vader. Met het boeddhisme, dat hij van zijn Thaise moeder (gescheiden van zijn vader) had geleerd, kon hij ook niet verder. Hij was de weg kwijt.

Begin 2012 baarde al het boek van zijn voormalige coach Hank Haney (The Big Miss: My Years Coaching Tiger Woods) opzien. Woods zou tijdens lezingen en trainingen op militaire bases gezegd hebben dat hij overwoog te stoppen met golf en Navy SEAL te worden, omdat dat altijd zijn droom was geweest. Woods en zijn management haastten zich om deze verhalen in het boek te ontkennen.

Tiger Woods op de schietbaan van Navy Seals in San Diego. Foto: Wikimedia/CC/Keith Allison

Tiger Woods op de schietbaan van Navy Seals in San Diego. Foto: Wikimedia/CC/Keith Allison

In de longread van Wright Thompson, afgelopen april, bevestigen bronnen bij de Navy SEALs dat Woods inderdaad talrijke zware trainingen heeft gevolgd: hoe te schieten en te doden, hoe gebouwen te ontruimen, uit vliegtuigen te springen en onder water te vechten. Een trainingsmaat zegt: ‘Hij hield van de anonimiteit van een uniform dragen en lid te zijn van een team. Hij was heel serieus. Als hij het twee jaar had volgehouden, zou hij gestopt zijn met golfen. Geen twijfel.’

Nog altijd worstelt Woods met zijn status. Aan de ene kant was hij graag de verlegen jongen gebleven die veel las. Over hoe te leven met een vader die in Vietnam had gestreden en in zijn hart altijd militair was gebleven, hoe om te gaan met zijn talent voor golfen? Aan de andere kant is hij graag de beste in golf. Hij werd er miljonair door, met alle privileges.

Wie door zijn vader The Chosen One wordt genoemd, voorbestemd om de beste golfer ter wereld te worden en vooral om de wereld (als zwarte sportman) te veranderen, draagt een zware last. Wat heeft hij te verliezen? Zijn status. Wat te winnen? Zijn ware zelf, een man die graag golft en niet bang is om te verliezen.

Of hij de ware zelf heeft gevonden, zal moeten blijken. Of hij weer zo magistraal kan golfen, zal de tijd leren. Misschien de komende dagen al.

Dit artikel is gepubliceerd op de website van Sport en Strategie en verscheen eerder in een niet geactualiseerde versie op 13 oktober in NRC Handelsblad

De Klassieker, over trauma’s en andere (mooie) emoties

25 Okt

Opgezweept door alle verhalen, interviews en aankondigingen besloot ik me zondagmiddag mee te laten slepen door de sfeer in De Klassieker. Ik had die stemming in mijn beroepsmatige leven al vaak meegemaakt, met goede en slechte ervaringen. Spannend waren de wedstrijden voor mij altijd, of ze nu in De Kuip, De Meer, het Olympisch Stadion of in de Arena werden gespeeld. Ik was er altijd neutraal getuige van, want ik ben van Ajax noch Feyenoord supporter. Mijn kippenvel was anders dan van de supporters in het stadion, maar mijn zintuigen stonden wel degelijk open en trilden zodra mijn zenuwen geprikkeld werden.

foto-editie_vincent_mentzel_kleiner

Foto Vincent Mentzel

De Klassieker wordt het duel tussen Feyenoord en Ajax genoemd. Vooral omdat het een klassiek ‘gevecht’ tussen Rotterdam en Amsterdam is. Met klassieke voorbeschouwingen, klassieke interviews en klassieke stemmingmakerij. De Klassieker heeft wat betreft sfeer en beladenheid veel weg van een derby, een wedstrijd tussen rivalen uit dezelfde stad of dezelfde streek. Wedstrijden die geladen worden door de media, de supporters en de betrokken spelers en trainers.

Ik heb er veel meegemaakt, clubderby’s, in binnen- en buitenland, in kleine dorpen en grote steden. En altijd hing er een magische zindering in de lucht. Bij de Derby della Madonnina (Milan-Internazionale), bij Flu-Fla (Fluminense-Flamengo in Rio de Janeiro), El Clásico (Real Madrid-Barcelona), de Old Firm (Rangers-Celtic in Glasgow, afgelopen weekend nog gespeeld), Kitalar Arasi Derbi (Derby van de Continenten tussen Fenerbahce en Galatasaray in Istanbul) en de Ruhrpott- of Kohlenpottderby tussen Borussia Dortmund en Schalke. Wat had ik graag andere derby’s meegemaakt, zoals Al Ahly-Al Zamalek in Caïro, Boca Juniors-River Plate (El Superclasico) in Buenos Aires en FC Dundee-Dundee United (Ne’erday Dundee). Het spelpeil is nauwelijks van belang: het gaat om de sfeer.

Ik geef toe: de sfeer had niet altijd een gezonde uitwerking op mijn kwetsbare geestelijk gestel. Ik was gefascineerd, bloednerveus; diep van binnen was ik eigenlijk bang, al vanaf het stadion in zicht kwam. Zingende, schreeuwende en agressieve supporters. Duizenden mensen die honger en dorst hadden naar iets dat ze op gewone dagen niet kregen – en dat luidkeels lieten blijken. Vóór een van die Klassiekers werd mij (als verslaggever) buiten het stadion (De Kuip, De Meer, het Olympisch Stadion of de Arena) vaak op brute toon gevraagd door opgewonden (én al beschonken) supporters voor welke club ik was. Dat geen enkele club mijn voorkeur had, durfde ik niet te zeggen. Ik durfde eigenlijk niets te zeggen. Ik peilde eerst met welke supporters ik te maken had en mompelde dan de naam van de club voor wie zij duidelijk door het vuur gingen. Dan werd ik op mijn schouders geslagen en kreeg een slok bier aangeboden. Wat een uit angst geboren, huichelachtig compromis niet oplevert.

Bestuurders en trainers van de betreffende clubs waren meestal even opgewonden en riepen mij voor en vooral na de wedstrijd intimiderend ter verantwoording, omdat ik in hun ogen niet de ‘juiste’ partij koos. Zo heeft de voorzitter van een van die clubs me eens streng aangekeken en – op z’n zachtst gezegd – gemaand toch vooral bij mijzelf na te gaan waar ik mee bezig was. Anders zou het gevolgen kunnen hebben voor mijn status. Inderdaad, enige tijd later was ik niet welkom in een vliegtuig waarin de club met spelers, trainers, bestuurders, sponsors en andere verslaggevers naar een belangrijke buitenlandse uitwedstrijd reisde. De voorzitter van die andere club zond mij een brief met zeer dreigende taal. Hoe ver kun je gaan als verantwoordelijke van een grote voetbalclub?

Van supporters verwachtte ik dit soort gedrag, maar niet van bestuurders van naam en faam, ogenschijnlijk onkreukbare, chique heren. Had ik het dan zo bont gemaakt? Nee, hoor, ik was gewoon neutraal en liet me niet meeslepen door chauvinisme en ander supportersgedrag. Maar voetbal raakt diepe emoties, zo heb ik ervaren, zelfs bij achtenswaardige bestuurders.

Scheld- en dreigbrieven, later haatmails, heb ik in honderdvoud ontvangen na mijn verslagen van De Klassieker. Ik had de ‘juiste’ partij moeten kiezen. Hilarisch was een brief van een Rotterdamse advocaat (dat stond in het briefhoofd) die mij een stoeptegel van de Coolsingel naar mijn hoofd zou komen slingeren, als ik niet gauw zou stoppen met mijn (‘vijandige’) manier van verslaggeving. Het was allerminst een anonieme brief. Ik ben er nog mee naar mijn hoofdredactie gelopen. Antwoord: ‘Voetbal maakt mensen gek, dat weet je toch. Laat gaan!’

Mede daarom en daarop volgende nare ervaringen met gedrag in de voetbalwereld kom ik nooit meer in een voetbalstadion. De sfeer maakt mij bang en roept traumatische ervaringen op. Vandaar dat ik zondag ook niet naar De Kuip ben gegaan (als ik al een kaartje had kunnen bemachtigen). Ik bestelde bij Fox Sports één wedstrijd (bijna 8 euro), vroeg mijn zoon hoe ik dat moest instellen en nestelde me op de bank. Kom maar op, na al die opgewonden stukken in de kranten en op andere media, en al die voorbeschouwingen. Misschien zat er wel een column in. Over de historie van De Klassieker, het belang, de sfeer, de spanning, oogstrelende acties en prachtige doelpunten. Wat ik ben toch echt een liefhebber van voetbal.

Zoals ik schreef over een klassieker of een derby: het spelpeil is nauwelijks van belang. Het gaat om de spanning en de beladenheid, die zonder twijfel voor spelers en trainers (laat staan supporters in het stadion) voelbaar is. Je zult er maar staan, als speler, opgefokt door iedereen in je omgeving. Kun je dan nog een bal goed raken, vooral als je voor het doel staat en hem maar voor het inschieten hebt? Mis je, dan wek je de frustratie en woede van je hele omgeving. Scoor je, dan ben je een held, voor eeuwig een held omdat je in De Klassieker hebt gescoord en ‘dus’ hebt uitgeblonken. Dan staat de volgende dag je naam met foto in alle kranten, dan ben je een talent dat zonder twijfel nog een grote toekomst tegemoet gaat.

Zo verging het Kasper Dolberg, een Deense spits van Ajax die drie weken geleden 19 jaar is geworden. Eén doelpunt, even koelbloedig als magistraal – dat zeker. Maar meer bijzonders heb ik (althans zondag) nauwelijks van hem gezien. Toch stond een dag later in àlle kranten een eerbetoon aan het veronderstelde grote talent van Dolberg. ‘Grote toekomst’, ‘alweer een Deens talent’, ‘én zo verlegen’ en meer. Is dat wat een doelpunt in De Klassieker met je doet? Is dat waar voetbalhunkering over gaat? Opoortunistische heldenverering.

Ik was veel meer onder de indruk van een pass van zijn ploeggenoot Hakim Ziyech, kort nadat deze de doel treffende Dolberg al van een subtiele assist had voorzien. Maar die tweede pass!  Zo scherp, zo strak over het gras en effectvol remmend, zo achteloos met de buitenkant van zijn voet. Zo precies op maat was die pass voor de voeten van (weer) Dolberg, die er dit keer niets uithaalde. Ik schoot overeind vanuit mijn liggende positie en kraaide tegen mijn zoon: ‘Zag je dat? Wat een traptechniek!’ Zo zien we dat toch zelden meer in het Nederlandse voetbal? Ik trilde van emotie. ‘Totale gekte in de wreef’, schreef Hugo Camps zaterdag al in NRC Handelsblad over dit échte grote talent.

Mocht ik nog beroepshalve voetbal hebben gevolgd, dan zou ik alleen mijn belevingen met Ziyechs bewegingen en voetenwerk hebben beschreven. Vaak en heel lang werd de Marokkaan in bedwang gehouden en overtroefd door zijn landgenoot Karim El Ahmadi, maar even los van zijn horzel gaf hij een beslissende pass en daarna een nog mooiere (die niet in een doelpunt resulteerde). Dat is talent, dat is virtuositeit, dat is waar ik het liefst naar kijk als ik voetbal wil zien.

Dat heb ik toch maar meegekregen van de Klassieker in de Kuip. Ver van het gewoel en gejoel, ver van de hunkering en de agressie in het stadion, ver van door emoties overmande spelers, trainers en bestuurders, ver van hun clichématige reacties. Ik lag op de bank, in de hoop te kunnen genieten van een beladen wedstrijd en kreeg zowaar tranen in mijn ogen van die weliswaar sporadische maar oogstrelende acties van Ziyech. En ik hoefde als neutrale toeschouwer voor niemand bang te zijn. Dat verheugde me nog het meest.

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

De meest indringende vraag heeft geen antwoord

20 Aug

Wat bezielt mensen? Wat gaat er door ze heen? Wat voelen ze als ze verloren hebben, wat als ze gewonnen hebben? Wat ging er fout? Wat maakt ze zo bijzonder? We willen het zo graag weten, of liever begrijpen? Hoe is het om topsporter te zijn? Vertel eens, asjeblieft, leg het me uit. Hier, voor de microfoon en de camera. Kijk in de camera en zeg het, asjeblieft, de mensen thuis willen het écht weten.

Het kan nieuwsgierigheid zijn of empathie dan wel een poging tot vereenzelviging met de sporter die zojuist alles uit zijn lichamelijke én geestelijke vermogens heeft gehaald om te schitteren. Waarom? Altijd die vraag: waarom? Het is de vraag die altijd op de lippen van sportverslaggevers brandt: ‘Wat ging er door je heen?’ Het mag dan wel een lachwekkend cliché zijn geworden, het is de meest prangende vraag. Niet alleen voor de verslaggever, maar hoogst waarschijnlijk ook voor de toeschouwers.

Ik heb door de jaren heen geleerd (mede door jarenlange intensieve therapieën en boeddhistische trainingen) dat we nooit zullen en kunnen begrijpen wat de ander denkt. Ieder zijn eigen beleving, zijn eigen perceptie en zijn eigen emoties. Als sportverslaggever heb ik altijd geprobeerd te doorgronden wat de sporter (die ander dus) doormaakt. Mogelijk als een vorm van projectie. Voelt hij ook wat ik bij deze overwinning of nederlaag voel? Of voelt hij iets anders? Dat wilde ik echt weten. Niet beseffend dat ik een totaal ander mens ben – wel of niet bekend met topsportbeleving. Meestal keek de sporter me dan aan met ogen vol onbegrip.

Ik zag tv-verslaggevers informeren naar het echte, diepe gevoel van Dafne Schippers, Ranomi Kromiwidjojo, Tom Dumoulin, Epke Zonderland, Yuri van Gelder, hockeysters, wielrenners, handbalsters en andere olympische sporters na hun ‘nederlagen’. Ik zag (in mijn perceptie) de wanhoop, het verdriet dan wel de onverschilligheid (bevriezing) in hun houding. Ze wilden weg uit deze ongemakkelijke situatie. ‘Je gaat me toch niet vragen wat ik echt voel? Alsof ik al weet wat ik voel. Mag ik het even laten bezinken? Er is iets met me gebeurd, maar ik weet nog niet wat? Ik weet nog niet wat me raakt en waar en waarom het me raakt. Kom op, laat me met rust. Rot op! Heeft een mens dan nooit recht op verwerking, op privacy?’

 Maar de tv-verslaggever ging door en door. ‘Kom op, jongen, vraag door, de mensen thuis willen het weten’, zo zou het in zijn oor getoeterd kunnen zijn door de regisseur. En hij ging maar door, totdat de sporter het zat was, nog even wat andere verslaggevers van de kranten plichtmatig te woord stond, om vervolgens de kleedkamer kort en klein te slaan. Of zoals ik zelf eens een voetbalschoen door de ruit van de kleedkamer gooide. Uit frustratie, omdat ik na de wedstrijd weer eens geschorst zou worden. Een bestuurslid had me streng aangekeken, en daar ging ik: los!

Begeerte en teleurstelling zijn vijanden van elkaar, zeker bij topsporters – jonge mensen nog – die jarenlang dag in dag uit op de toppen van hun tenen hebben gelopen.

Kent u dat? Jarenlang energie stoppen in het grote doel, op de rand van een burn out en dan uiteindelijk falen – domweg niet winnen. Dan ga je los, dan komt je ware temperament boven dat je al die jaren verborgen hebt kunnen (moeten) houden. Dan worden alle ketens ontbonden en wil je iedereen voor zijn bek slaan. Omdat een verslaggever in je gevoelsleven zit te graven. ‘Mag ik even tot mezelf komen? Of gewoon met mijn trainer en psycholoog of mijn vriend en familie een en ander verwerken: wat en wie ben ik nu nog?’

Bijna veertig jaar geleden was ik getuige van een ijshockeywedstrijd (om de Europa Cup) tussen Heerenveen Flyers en de Duitse club SC Riessersee. Na nog geen vijf minuten werd Heerenveen-center Jack de Heer uit het veld gestuurd na een doelbewuste provocatie van een Duitser. Wij verslaggevers hoorden later van Jacks vriendin dat hij de kleedkamer kort en klein had geslagen. Toen kwam Jack binnen in de kantine van het oude Thialf. De rust zelf. ‘Hi Jack, alles okay?’ Jack, een Nederlandse Canadees,  glimlachte zei: ‘Wat gaat jou dat aan? I’m okay, and you?’ Een maand later vertelde hij: ‘Ik heb alles in de locker-room aan puin proberen te slaan. Maar dat begrijp jij niet. Jij hebt niet op dat ijs gestaan. Wat weet jij daar van? Heb jij ooit ijshockey gespeeld? Nee, so fuck off.’

Ik wilde hem begrijpen. Waarom? Wat is er gebeurd? Jack zei: ‘Ik ben ik, ik heb in mijn leven alles gedaan om een goede ijshockeyer te worden. Jij niet. Jij hebt misschien alles gedaan om een goede verslaggever te worden. Dat zijn twee verschillende werelden, twee verschillende mensen. Ik respecteer jou om je nieuwsgierigheid, maar het is zoals het is: we zijn allemaal mensen, iedereen is verschillend.’

In de jaren tachtig stond ik aan de finish van een Franse wielerkoers met collega’s te wachten op Johan van der Velde, die in een bergetappe een half uur na de winnaar was binnengekomen. Ik vroeg: Wat is dat nou?’ Johan was kapot. Zijn ogen spuwden vuur. ‘Hedde gij welles met oew klote op ‘n fiets gezeten? Flikker op.’ Johan en ik zouden vrienden worden, ik heb zijn lijdensweg en opstanding van nabij gevolgd en zie hem nog steeds en denk dan: weet je nog Johan? Hij weet het nog.

Die emoties respecteer ik als medemens, of ik nu het wel of niet begrijp. Ik heb geleerd mensen op die vreselijke momenten met rust te laten. Veel voetballers én trainers hebben mediatrainingen gehad. Hoe diplomatiek te reageren op indringende vragen. Het is hun afweer tegen mogelijk vijandige infiltraties van verslaggevers en slecht verwoorde emoties. Mede daarom ben ik voetbalverslagen gaan schrijven zonder quotes van spelers en trainers. Ik observeerde en schreef wat ik zag en erbij voelde (in mijn perceptie). In interviews probeerde ik er later op terug te komen. In de hoop toch iets van de ziel in de voetballer te begrijpen. Soms lukte dat, soms niet. Veel voetballers, maar ook andere sporters blijven op hun hoede. Dat begrijp ik. Wat wil die man van me? Zo denken ze. Wat doet hij met wat ik zeg?

Wat ontlenen we aan de beleving van mensen die topsport tot het belangrijkste in hun nog jonge leven hebben gemaakt? Dat de Dafne’s, Ranomi’s, Epke’s, Yuri’s en Tom’s en al die anderen hun eigen invulling aan het proces tussen leven en dood geven, dat wil ik graag horen. Maar als ze dat niet willen of kunnen, houdt het op. Vaak denk ik aan de grote verscheidenheid aan topsporters die ik heb geprobeerd zieleroerselen te ontfutselen. Joop Zoetemelk vroeg ik tientallen keren naar wat hij voelde, vooral op weg naar Parijs in 1980, in de Tour die hij zou winnen. Dan keek hij mij aan en zei: ‘Pfff, ja, pfff.’ Of Dennis Bergkamp: ‘Nou ja. Ik deed het gewoon.’ Of Jan Raas: ‘Ik zeg lekker niks, maak er maar wat van.’ Of Gerrie Knetemann: ‘Wie heeft jou gestuurd? Mijn psychiater?’ Of Bernard Hinault: ‘Vous pensez que je te raconte mes sentiments? Non, non.’ Of Henk Lubberding, na een hele middag op zijn boerderij: ‘Guus, ik vertrouw je, dat weet je.’ Of Michael Jordan, na een intiem nachtelijk onderonsje in de locker-room van Chicago Stadium: ‘You’re a nice guy. Holland? Great. Let’s be friends.’ Of Paul Gascoigne, na een wedstrijd in Foggia, Italië: ‘Love you. Kiss.’

Anderen ontfutselde ik meer, maar ik probeerde de grenzen van privacy en fatsoen te respecteren. ‘Wees gerust, ik schrijf het niet op. Ik wil niet ranzig zijn. Sorry, dat ik je dit hebt laten vertellen.’

Michael Jordan

Michael Jordan

Indrukwekkende sportmensen die veel hebben gewonnen en veel hebben meegemaakt. Ik heb ze zien schitteren en falen. Ik genoot van hun bijzondere vaardigheden en hun lichaamstaal die veel verried. Als ze de kunst verstonden hun gevoel in woorden uit te drukken was dat meegenomen. Hun talent toonden ze op het veld, in de wedstrijd. Daar waren ze zichzelf. Ze spraken met hun voeten, met hun lichamelijke talent.

Het schijnt steeds meer nodig te zijn dat talenten ook nog helder hun talent kunnen verklaren, laat staan hun gevoelsleven publiekelijk analyseren. Mochten ze dat willen, dan laten ze dat wel blijken. Maar verder: ik wou dat ze met rust gelaten werden, laat ze doen waar ze goed in zijn en plezier aan beleven. Of pijn lijden. Ik hoef dat spitten in de ziel van een sportman niet. Je begrijpt hem toch niet. Hij is een ander.

Deze column is in verkorte vorm gepubliceerd op http://www.sportenstrategie.nl

Olympisch goud en de schijn van heiligheid

9 Aug

Terwijl ze daar levenloos in de goot lag, haar lichaam over een betonnen rand gevouwen, sprong ik op vanuit mijn comfortabele positie en riep: ‘Help haar! Wie helpt haar?’ Mijn huisgenoten slaakten kreten van schrik en ontzetting. De Belgische televisie-commentatoren schreeuwden iets van gelijke orde. Ontzetting alom. Maar wat nu?

De wedstrijd ging door. Natuurlijk ging de race door. Wie haalt het nu in zijn hoofd om een olympische race, de alles verdringende jacht op goud, stop te zetten? The games must go on. De achtervolgers schoten voorbij, vanuit hun ooghoeken hebben ze haar zeker zien liggen. De latere winnares herinnerde zich nog haar aarzeling. Daar lag haar vriendin. Dood? Wat nu? Doorgaan? Een andere achtervolger sprak haar moed in: ‘We rijden door, we doen het voor haar.’ Motoren en auto’s met mannen en vrouwen die plichtsgetrouw hun werk bleven doen, schoten eveneens in blinde vaart voorbij. Er lag iemand levenloos, mogelijk zelfs op sterven. Niemand stopte.

Totale eenzaamheid. Is dat de samenleving van nu?

De man op de motor die schuin achter haar reed, voerde een cameraman mee. Door deze mannen zag ik wat er gebeurde. Zagen zij het ook? Op een amateurfilmpje zag ik later dat de motor tweehonderd meter verder even aarzelde (de remlichten gloeiden), maar uiteindelijk toch doorreed, door de volgende bocht. Iedereen reed door. De amateurfilmer hoorde ik ‘oei’ roepen, terwijl hij opgewonden doorfilmde. Waarom eigenlijk? Ik hoorde het lawaai van een helikopter en van een blaffende hond. Honden ruiken instinctief onraad. Na ruim twee minuten kwam een man aanrennen die even verder zowaar van zijn motor was gestapt. Vervolgens kwamen de eerste hulpverleners in actie. De race ging door. De ploeggenote van de ongelukkige vrouw in de goot in het donkere bos won, het goud was voor haar. Het was haar gegund. Zou God dan toch bestaan?

Er circuleert op internet een filmpje waarop verstandelijk gehandicapte kinderen een hardloopwedstrijd houden. Halverwege de race valt een van de kinderen. De anderen reageren geschokt, draaien zich om, helpen de ongelukkige deelnemer op en hollen vervolgens de handen ineengeslagen samen over de finish. Samen juichend. De ouders op de tribune juichen en huilen. Zo mooi kan verbroedering zijn.

In een ver verleden heeft mogelijk een ethische olympische code bestaan die van deelnemers aan sportwedstrijden vooral medemenselijkheid vroeg. Geen onmenselijke competitie. Zoiets als: er is meer dan goud, er is meer in het leven dan winnen van een ander, verliezers verdienen ook aandacht. Of: samen sporten is het leukst. Deelnemen is belangrijker dan winnen!

Goed dat er weer Olympische Spelen zijn, vooral dat ze maximale aandacht krijgen. Dan kunnen we weer aanschouwen hoe hard topsport is, onmenselijk vooral. Dan worden we geconfronteerd met die geobsedeerde jacht op medailles en titels. Achter de eindstreep ligt ogenschijnlijk het paradijs, daar wacht het eeuwige geluk – voor wie zich het goud opeist wel te verstaan. Een Nederlandse televisie-commentator schijnt na het zien van de gruwelijke val in zijn verwarring gezegd te hebben: ‘Oh, oh, daar gaat olympisch goud.’ Tja, sport doet rare dingen met mensen.

Bijna veertig jaar geleden stond ik als debutant met een tiental verslaggevers aan de finish van een etappe in de Tour de France te wachten op een ver achtergebleven Nederlandse renner. Toen hij eindelijk over de eindstreep kwam gekronkeld en door een verzorger en zijn ploegleider was opgevangen, viel hij neer tegen een caravan van de medische dienst. Als aasgieren doken mijn collega’s op de uitgeputte, doodzieke, kotsende renner, terwijl een verzorger alles in het werk stelde om de renner te helpen. Amechtig en ongeduldig werden vragen afgevuurd op de jonge renner die verdoofd uit zijn ogen keek. Observaties en onbestemde geluiden werden op bloknoten beschreven. Camera’s klikten onophoudelijk, genadeloos. Beroepsdeformatie alom. Ik draaide me om, liep weg en riep: ‘Laat die jongen godverdomme me rust.’ Ik hoorde nog: ‘Dit is je beroep, Guus. Of kies een ander beroep.’

Ik bleef mijn beroep nog tientallen jaren uitoefenen. Ik zag winnaars en verliezers, juichende mensen huilen, wielrenners in een diep ravijn liggen en sporters naar hun gebroken been en gewonde hoofd grijpen. Ik bezocht ontredderde topsporters in ziekenhuizen en andere klinieken, of na hun carrière, ontheemd en verlangend naar de tijd dat goud en glorie nog voor het grijpen lag. Topsport is hard, meedogenloos, begreep ik. Topsport verhardt mensen, steeds meer, zo heb ik ervaren.

Nog een voorbeeld. Eens stond ik op een Pyreneeëntop met twee collega’s weer te wachten op een achtergebleven Nederlandse wielrenner. We hadden hem beneden in de berm zien zitten, met zijn broek omlaag, hij was ziek en aan de diarree. Toen hij boven kwam, plantte hij huilend zijn met poep besmeurde fiets tegen onze auto. Hij sloeg vloekend en tierend met zijn vuisten om zich heen en schopte tegen onze auto. De collega’s maakten aantekeningen en foto’s, en vroegen hoe het met hem ging. Ik keek stil en beschaamd toe en zei toen: ‘Stop ermee, jongen, je bent doodziek. Doorgaan heeft geen zin meer.’ Hij staakte de strijd en stapte huilend in een ambulance. Hij had verloren.

Laatst in deze verdwazende sportzomer vol niet te stuiten babbelaars op televisie en radio, hoorde ik oud-wielrenner Karsten Kroon zijn ervaringen delen. Hij had vele botbreuken en andere fysieke en psychische ellende overleefd. Wat hem nog het meest uit evenwicht had gebracht, was de confrontatie met zichzelf nadat hij gestopt was met topsport. Hij was in een zwart gat gevallen. Hij wist niet meer wie hij was en hoe hij zich moest gedragen – zeg maar op de been moest blijven. Zijn vrouw verliet hem, een relatie was onmogelijk geworden. Hij had maar één focus gehad: wielrennen, verder geen gezeur. Wielrenners zijn stoer, ze staan op na een zware val, likken hun wonden en gaan door alsof ze geen pijn hebben. Ze hebben hun gevoel uitgeschakeld, merkte Kroon op. Wielrenners huilen niet. Collega’s als Michael Boogerd noemden hem destijds een huilebalk, omdat hij toch af en toe zijn emoties toonde. Nu kan Kroon weer echt huilen. Hij laat zijn emoties komen en gaan. Hij voelt zich weer mens.

Staan we op de brug naar ontmenselijking in de sport? Dat sporters pijn hebben, huilen van geluk of ontzetting, geeft aan dat ze nog mensen zijn en kunnen voelen. Nog wel. Maar nog even en de aanjagers van topsport verlangen dat alle emoties worden uitgebannen. Het verstand moet op nul. Robots dreigen ze te worden. Op z’n minst mensen die nog maar één ding voor ogen hebben in hun leven: goud! En iedereen eromheen doet mee. Verblind door de jacht op eeuwige glorie. Wanneer stopt de race? Wie stapt af, biedt de medemens hulp en laat het goud liggen? Het is immers slechts een talisman, niet meer dan een schijn van heiligheid.

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

De Tour, Sky en Froome: fascinerend in alle facetten

26 Jul

Met een bloedstollende massasprint werd afgelopen zondag de Tour de France afgesloten. Zoals het mij als sport- en wielervolger het liefst is. Ik was langzaam onbewust(?) wakker geworden na mijn nogal vermoeiende middagloopje in de warmte, in de hoop dat het laatste half uur mij zou brengen waarnaar ik verlangde. De slotkilometers op de Champs Elysées brachten het wedstrijdverloop dat mij al jaren bekend is. Uitlooppogingen van renners die een massale aankomst wilden voorkomen, lekke banden van favoriete sprinters en amechtige pogingen van uitgemergelde renners om tot de eindstreep erbij te blijven. Niets nieuws, maar toch weer spannend. Mijn vrouw, die tot dan toe weinig had meegekregen van de Tour, leefde volop mee.

(AP Photo/Christophe Ena)

(AP Photo/Christophe Ena)

Zo ongeveer, in die stemming, heb ik de Tour de afgelopen weken gevolgd. Bijna niets nieuws, toch bijna altijd spannend. Gewoon, zoals ik sinds 1978 beroepsmatig mijn eerste Tour volgde en de laatste jaren als ervarings- en verslavingsdeskundige. Niet verwend, allerminst volgevreten, gewoon benieuwd naar wat zich dit keer zou aandienen. Misschien meldde zich wel een nieuwe held, een nieuwe klimmer en nieuwe sprinter, zowaar een nieuwe eindwinnaar, zag ik nieuwe strategieën, nieuwe technologieën, ongekende taferelen en nog niet vertoonde drama’s. Misschien kwam er niets nieuws. Misschien bleef de Tour gewoon de Tour, met alle mogelijke ontwikkelingen die een aanslag kunnen doen op mijn natuurlijke hartritme.

Met een mengeling van verbazing, aanvaarding en nieuwsgierigheid las en hoorde ik de kritische commentaren, in de kranten, op de radio en de televisie en onvermijdelijk op de sociale media. Men wilde nog meer. Meer strijd, meer aanvallen, meer beklimmingen, meer afdalingen, meer tijdritten, meer demarrages, meer Nederlandse triomfen, meer sensatie, meer chaos en rumoer. Er werden vergelijkingen gemaakt met de Ronde van Italië en de Ronde van Spanje. Wat is er veel gepraat. Het was niks of het moest anders. In elke spelonk werd wel een ‘analyticus’ gevonden die oeverloos kan analyseren. Urenlang analyseren, of mensen er nu verstand van hebben of niet. Zonder publieke analyse kan geen sport meer worden bedreven.

In deze krankzinnige doorgedraaide maatschappij wordt al snel iets als saai gekwalificeerd. Twee tellen geen sensatie en we zappen weg. Zo las ik een reactie van een ook al verbouwereerde collega. Zeuren over niet genoeg, vervlakking en verandering duidt naar mijn idee op innerlijke onvrede. Of dan toch maar weer doping toestaan, zoveel mogelijk liefst – vallen er tenminste doden.

Mensen willen altijd meer, dat is mij intussen bekend. De begeerte is grenzeloos geworden. Als ze geen mooier huis willen, een mooiere auto, een groter televisiescherm of een snellere (duurdere) fiets, dan is het wel een sportheld die onoverwinnelijk is. Liefst een uit eigen land, als de ultieme vorm van sportbegeerte. Is die sportheld een buitenlander dan is het oordeel gauw minachtend. Hij zal wel doping nemen, hij zal wel meer geld hebben, hij zal wel meer hebben dan ‘wij’ hebben. Of hij is te saai om een held te zijn.

joop-zoetmelk
Ik heb Joop Zoetemelk, Bernard Hinault, Laurent Fignon, Greg LeMond, Stephen Roche, Pedro Delgado en Miguel Indurain van nabij de Tour zien winnen. Saai was wat betreft uitstraling misschien vooral de Nederlander Zoetemelk, die in 1980 door de furieuze Raleighploeg (Jan Raas, Gerrie Knetemann, Henk Lubberding, Cees Priem, Johan van der Velde en vooral ploegleider Post) moest worden opgezweept om toch op z’n minst één keer (en dan vooral voor de ploeg en de sponsor) de Tour te winnen.

In zijn spoor als ‘saaie’ wielrenner komt de buitenlander (want Spanjaard) Miguel Indurain in aanmerking, maar die won de Tour wel vijf keer. Saai is naar mijn smaak geen enkele Tour en geen enkele winnaar. Het is niet meer dan de angst voor voorspelbaarheid, dat robotten de wedstrijd gaan domineren. Dat de spanning niet groot genoeg is om ons uit de dagelijkse (saaie) sleur te bevrijden. De organisatoren voelen die mengeling van angst en behoefte aan, en handelen er vanzelfsprekend uit commerciële motieven naar. Het parcours wordt elk jaar zodanig veranderd in de hoop dat het koersverloop minder voorspelbaar wordt. Liefst nóg slopender voor de favorieten. Niet weer dezelfde winnaar, niet wéér Chris Froome. Hij wordt al zo saai gevonden, niet mediageniek vooral.

Wat de organisatoren ook voor de afgelopen Tour hadden bedacht, Froome won toch weer. En hoe! Op momenten dat niemand hem verwachtte (in een afdaling, in een waaier met de allerminst saaie Peter Sagan) sloeg de Brit toe, zijn concurrenten in vertwijfeling achterlatend. Dat was een ongekend staaltje topsport. Froome had meer dan voorheen de beschikking over een ploeg die hem tot in de hoogste graad van perfectie van dienst was. Is dat saai?

In het verleden genoot zelfs de grote Merckx de steun van plichtsgetrouwe knechten in zijn ploeg, Molteni. Lance Armstrong dwong bij US Postal en Discovery Channel zijn ploeggenoten tot het uiterste – chantage en ontslag waren zijn machtsmiddelen. Zoetemelk werd gered door Raas, Knetemann, Lubberding en vooral Van der Velde (ongeveer zoals Wout Poels nu bij Froome deed). In dat jaar, 1980, was ik getuige van elf overwinningen (exclusief eindoverwinning) van Raleigh, de ploeg van Zoetemelk. Ik hoorde en las nergens het begrip saai. Hoewel de grote favoriet, de Fransman Bernard Hinault, toch na drie etappezeges na afloop van de twaalfde etappe in de gele trui de strijd staakte. Niemand viel Zoetemelk daarna nog aan. Als stonede kraaien volgden de concurrenten zijn spoor, zo schreef ik destijds in de Volkskrant tot woede van veel abonnees. Met tienduizenden tegelijk waren Hollanders naar Parijs gereisd om de ‘saaie’ Zoetemelk (in gezelschap van premier Dries van Agt) toe te juichen en er de polonaise te lopen.

Saai? Het is niet meer dan ver doorgevoerde ploegdiscipline. Wie niet meewerkt, verdient niets of wordt ontslagen. Zo was het ook bij Raleigh. De perfectie die Armstrong zichzelf en zijn ploeg oplegde mag dan naar de achtergrond zijn gedrongen door de ophef over gebruik van onreglementaire medicatie, ze lijkt veel op de werkwijze van Sky. De Britse ploeg beschikt over bijna alle middelen die een wielerploeg ten dienst kunnen staan. Wetenschappelijke kennis (technologie, training, materiaal, sportpsychologie en vooral voeding), afkomstig uit alle sporten, vooral mogelijk gemaakt door het kolossale budget (35 miljoen euro) – dat dan weer wel. Het enige oneerlijke aan de methode van Team Sky is mogelijk het surplus aan financiële middelen.

Te grote dominantie wordt als saai ervaren. Het is maar wat je onder saai verstaat. Zoetemelk zei nooit iets opzienbarends, los van zijn legendarische credo ‘Parijs is nog ver’. Miguel Indurain zat bewegingloos op zijn fiets, zijn gezicht toonde geen emotie, zijn benen maalden zoals ze maalden.Toen hij uiteindelijk na vijf Tour-overwinningen instortte, was iedereen verrast. Indurain was indrukwekkend, omdat hij ogenschijnlijk zonder emotie en zonder spierkracht won. Dat is fascinerend. Zo zie ik ook de overwinning van Team Sky met Froome, fascinerend in alle facetten. Hoe komt dat toch? En waarom missen we dat bij andere ploegen én wielrenners? Geen geld genoeg? Geen goed beleid? Geen ploegdiscipline? Dat zijn vragen die me bezig houden.

Het zijn dezelfde vragen die andere fenomenen in de sport opwerpen. Waarom was mijn idool voor het leven Michael Jordan zo indrukwekkend goed, en waarom wonnen Muhammad Ali, Pelé, Fausto Coppi, Eddy Merckx, Bernard Hinault, Johan Cruijff, Diego Maradona, Carl Lewis en Tiger Woods, en winnen Lionel Messi, Dafne Schippers en Epke Zonderland? Mogelijk een combinatie van talent (fysiek, maar ook en vooral mentaal), gedrevenheid, trainingsmethoden, perfectie en begeleiding. Of is het gewoon de natuurlijke aanleg (de genetische erfenis?) die doorslaggevend is?

Uitgemergeld en uitgeput rolden de overgebleven renners zondag over de laatste finishstreep. Nog magerder dan bij de start. Nog magerder dan vroeger toen voedingsmethoden en fysieke voorbereiding nog onderontwikkeld waren. Eindelijk was de langdurige stress voorbij. Wat doet drie weken stress met Tour-renners? De spanning om niet te verliezen en niet te vallen. De angst dat het getrainde lichaam op het belangrijkste moment niet voldoet. De angst dat het (bewust) graatmagere lijf de vederlichte fiets niet in evenwicht kan houden. En de angst om niet veroordeeld te worden door de menigte en de media.

De Belgische tv-commentator José De Cauwer zei dat hem was opgevallen dat renners elkaar na de finish in Parijs feliciteerden. Bijzonder, aldus de man die zelf vier keer de Tour uitreed (een keer gaf hij de strijd op). Die observatie zegt (mij) veel over wat de renners de afgelopen drie weken hebben doorgemaakt. En dan nog verlangen de wielerliefhebbers meer. What you see is what you get.

Dit artikel is in verkorte vorm gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

%d bloggers liken dit: