Tag Archives: hockey

Terug naar Dechen Chöling, vooral om de vriendelijkheid

21 dec

Tijdens een stiltewandeling rondom Dechen Chöling dwarrelde een blad op mijn neus. Ik probeerde er terloops naar te kijken en zag toen vlak voor mij een ander blad dwarrelen. Vervolgens zag ik nog meer bladeren vallen. Ik dacht even na, over van wat voor een boom ze afkomstig waren. Een eik? Of toch een …? Ik wist het zo gauw niet. Dat hoefde ik ook niet. Sterker: het was onbelangrijk wat voor een blad het was. ‘Kijk naar wat je ziet, maar ga gewoon weer verder. Een vogel, een koe, een blad van een boom, een bloem, een tak – neem waar en wandel door’, zo had shastri (leraar) Simon LaHaye ons geadviseerd.

Zo wandelde ik verder, deel uitmakend van een rij van ongeveer tien mensen die achter Simon aanliep. Ik keek niet op of om, zag en hoorde dingen, rook de geur van gras, bomen, bladeren en andere dingen in de natuur waar we doorheen wandelden, maar ik bleef er niet bij stilstaan. Dingen neem je waar en gaan voorbij, dat was waar het om draaide. Ik voelde mijn voeten in mijn schoenen die ik bij elke stap op het bospad of het gras neerzette. Mijn aandacht ging naar de stappen, wat ik waarnam was een bijkomstigheid, mogelijk zelfs een afleiding van het gevoel dat je waarnam in je voetzolen, je enkels, je kuiten, je knieën, je bovenbenen tot aan het frisse briesje dat om je met een muts verwarmde hoofd draaide. Ik voelde wind, kou, frisheid – of zoiets.

Het was heel stil, maar toch hoorde ik iets. Geen muziek, geen motoren en sirenes, wel een koe die loeide toen wij voorbij kwamen, een paard dat hinnikte, een tjilpende vogel, een krijsende vogel, een takje dat brak omdat iemand er over heen liep, en voetstappen. Er kwamen gedachten op. Maar die liet ik voorbijgaan. Toch nam ik waar dat ik de rij bleef volgen. Dat was wel anders in februari van dit jaar, toen ik voor het eerst aan een stilteretraite in Dechen Chöling (het boeddhistisch centrum van Shambhala Europa, in midden Frankrijk) deelnam. Toen wilde ik niet in de rij lopen. Ik wilde uit de rij, niet zoals de anderen ‘slaafs’ achter de leraar aan lopen. Met als gevolg dat de toenmalige leraar voorstelde om na mijn kritische verklaring ‘Guus en de anderen hun eigen weg door de natuur te zoeken’.

Waarom nu wel? En het kostte me geen enkele moeite. Het ging vanzelf (?). Ik voelde me ergens bij horen, de vorige keer wilde ik dat juist niet. Een overwinning? Dat is niet belangrijk. Een verandering? Sowieso.

De ervaringen waren vergeleken met mijn vorige retraite toch al anders. Ik had stilletjes gehoopt op hetzelfde, op dezelfde nieuwe en heftige inzichten, gewoon om weer meer over mijn echte zelf te weten te komen. Simon had me al bij de introductie verteld dat ‘het’ altijd anders is, gewoon omdat niets wat je overkomt de volgende keer hetzelfde zal zijn. Geen ervaring is dezelfde. En niet alleen omdat de stille week (zwijgen tegen iedereen) anders was: de vorige keer was het een Silent Retreat, nu een Silent Mindfull Retreat. Ik had geen rekening gehouden met dat (kleine) verschil. Rekening houden met is sowieso een verkeerde opvatting, leerde Simon ons in deze week. Geen moment is dezelfde, elk moment is verschillend. Dat lijkt zo simpel, maar toch vinden wij (dus ook ik) het moeilijk om te aanvaarden. Ik wil hetzelfde als de vorige keer, net zo lekker, net zo mooi, net zo verrijkend. 

dralahall1Zo werd het in het centrum van Frankrijk toch weer een verrijkende ervaring. Ver van de bewoonde wereld, dus ver van de afleiding, entertainment, zoals computer, televisie, iPhone, internet, alcohol, contact met de buitenwereld, gesprekken over politiek, sport, de kranten, het nieuws, het werk, de gezinsproblemen en zo verder. Alleen met jezelf en een klein beetje met de medecursisten, met wie je sowieso geen verbaal contact mocht hebben – op twee of drie kringgesprekken na en een persoonlijke evaluatie met de leraar op zijn kamer.

s Morgens om zeven uur zaten we al zonder ontbijt op ons kussen twintig minuten te mediteren, deden vervolgens yoga-oefeningen om het lichaam en zijn zintuigen te openen, wandelden in stilte en mediteerden alvorens we konden ontbijten en ons voorbereiden op de ochtendmeditaties, yoga, stiltewandelingen en teachings over in- en uitademen, voelen en je gedachten voorbij laten gaan. Om negen uur ‘s avonds mochten we zwijgend onze gang gaan om dan met een boeddhistisch boek (andere lectuur cq literatuur was niet gewenst) snel in slaap te vallen en te dromen over dingen waar je anders nooit over hebt gedroomd.

simon-lahaye
Simon LaHaye

Ik had moeite met de Franse uitleg van de leraar (de Frans-Canadees Simon LaHaye was al ruim 35 jaar Shambhala-boeddhist en echtgenoot van de lerares die mij vorig jaar begeleidde, de Duitse Ute Reinhart), maar dankzij de vertalingen van François Grimbert en Ninon Stokes konden de oude Canadese krijger Jeremy, de Engelse Cash en ik de aanwijzingen goed volgen. En hoe deelnemers worstelden met pijn in hun rug, schouders en andere ledematen; hoe ik vreselijke pijn tussen mijn schouders kreeg, voor het eerst sinds nota bene tien jaar toen door een psychosomatische fysiotherapeut werd vastgesteld dat die pijn werd veroorzaakt door distress, een neurologische aandoening als gevolg van in de loop der jaren opeengestapelde zenuwen en vooral (werk)stress. Ik vertelde dat ook aan Simon en meende dat ik te lang in mijn leven de verkeerde keuze had gemaakt en daardoor te veel stress ontwikkelde. Simon liet aan het mij, hij was immers geen psychotherapeut of psychiater.

Wat ik besefte, door yoga, eindeloos mediteren en alleen met mezelf zijn, dat ik mezelf kon openen. Zo voelde het. Ik voelde meer, oude pijn, nieuwe pijn, pijn die ik eigenlijk nooit had gevoeld – had durven voelen. Ik voelde de kwetsingen, de bezeerdheid, ik voelde me zowaar heel kwetsbaar na een paar dagen van overgave. Er was niets meer dat me hinderde om kwetsbaar te zijn. Ik had geen afweer meer, ik was wie ik echt was, zonder afweer, zonder afweermechanismen. Zo voelde het althans – en nog steeds.

Nadat ik mijn pijnlijke ervaringen en kwetsbaarheid had gedeeld met de leraar, verdween de volgende dag zomaar en zowaar het ongemak. Ik zat wel weer vooraan, vlak voor de leraar of de umdze (tijdwaarnemer), overtuigd als ik was de meest ervaren meditator te zijn en dus mijn ego wilde laten gelden. Maar dat gevoel van de beste zijn, de meest wijze zijn en de meest ervaren meditator (oei, dat ego weer) liet ik steeds meer varen. Ik zat gewoon op mijn eigen manier, was niet met de anderen bezig, ik mediteerde op mijn eigen manier, en als ik pijn kreeg ging ik anders zitten. Ik deed het op mijn eigen wijze, gewoon: hier ben ik en hier zit ik dan.

Ik had gevraagd naar een kamer voor mij alleen. Dat kon, gelukkig. Daarom was ik vaak alleen, ook wanneer ik met de andere cursisten in meditatie was of ging eten – vegetarisch, dat zeker. Ik voelde me behulpzaam worden, nog los van mijn Rota-taak meehelpen met het huishouden), zoals de vele bussen met verschillende soorten thee klaarzetten en afruimen. Ik deed mee met helpen, zoals ik anderen, ingewijden met name, had zien doen.

Op de dag van Silence d’Or (de dag dat er écht geen woordwisseling plaats mocht vinden), voelde ik me gelukkig, alleen (zoals we allemaal zijn) maar niet eenzaam. Ik deed wat ik deed en ging met een prettig gevoel slapen, zo fijn kan alleenzijn zijn.

DC programmaMensen, cursisten en vrijwillige medewerkers en mensen dier wonen, zag ik steeds vriendelijker worden. Liefde en vriendelijkheid zag ik toenemen. Mensen lachten en keken steeds vriendelijker uit hun ogen. De laatste avond werd gevuld met een diner, vol toespraken en – voor wie het wilde – wijn. Het werd een fijne avond. Simon en Ute zaten naast elkaar, ik zat tussen Fransen en we spraken over het leven. Ik miste Jeremy, mijn Canadese maatje, maar ik kon in het Frans (en een beetje Engels) meepraten over de zin van boeddhisme en hoe we elkaar (de hele samenleving) kunnen helpen; vriendelijk zijn voor iedereen die je maar tegenkomt.

DC landschapOmdat de Franse treinen en vliegtuigen wegens stakingen niet vertrokken, was ik op zondagmorgen vooral aangewezen op de aanwezigheid en bereidwilligheid van de medewerkers van Dechen Chöling. Zo leerde ik Ninon goed kennen, half Engels half Frans. Ze bleef mijn inspanningen om te vertrekken op de voet volgen. Nóg meer dan anderen deden. Ninon omhelsde me bij mijn vertrek, hoewel anderen dat ook deden – zij het wat minder innig. Wat een warmte! Van Ute tot Klára en Sid (de drie die ik al kende van de vorige keer). Wat kan vriendelijk zijn voor elkaar toch fijn zijn, hartverwarmend.

Ik zat in de trein van Limoges terug naar Nederland, samen met Koos de Boer die al jaren in de buurt van Dechen Chöling woont en dus vaak op het centrum komt en werkt. En ik droomde dat alle vriendelijkheid voor altijd blijft bestaan. Ik weet dat alles van voorbijgaande aard is, zoals dat blaadje dat tijdens een stiltewandeling op mijn neus viel en verder naar de grond dwarrelde, maar vriendelijkheid moet altijd blijven bestaan. En dat kan. Ik probeer het nu elke dag, geleerd in het centrum van vriendelijkheid, Dechen Chöling, in het Tibetaans het land van grote gelukzaligheid.

Mark, mijn liefste collega, vriend en dwarsdenker

28 nov
Marks feestje

Foto Vincent Mentzel

Dinsdag 27 november is in alle vroegte mijn oud-collega en vriend Mark Hoogstad (48) overleden. Aan die verschrikkelijke ziekte, waarvan hij nog geen jaar geleden de onheilstijding kreeg. Mark was niet alleen de meest talentvolle collega, van wie ik (onder bepaalde voorwaarden) ook diens chef mocht zijn, maar hij was vooral de liefste. Wij begrepen elkaar als gelijkgestemden. ‘Wij hebben hetzelfde karakter’, zei Mark vaak. Dus(?) hadden we weleens laaiende ruzie – en als rechtgeaarde emotievolle mannetjes niet alleen met elkaar. Eerst was ik voor hem een oudere, ervaren collega bij de sportredactie van NRC, min of meer zijn mentor, vervolgens zijn chef.

Het was nooit saai. De emoties gierden vaak door de sportredactie. Dan probeerde die reusachtig grote Mark hakkelend, zwetend en amechtig aan zijn sjekkie trekkend mij te overtuigen dat ik toch ‘echt eens die andere collega’s’ tot de orde moest roepen. ‘Grijp in, Guuske’, riep hij dan om vervolgens uit te barsten in een door een hoge stem versterkte gierende lachbui.

Eens heb ik hem uit de sportvergadering gestuurd, omdat ik vond dat hij zich kinderlijk en nogal overdreven miskend gedroeg. ‘Jij behandelt mij als een kind, dat doe je niet. Ik ben geen kínd’, schreeuwde hij korte tijd later via de telefoon tegen mij. Ik hoor zijn hartekreten nog galmen in mijn auto. Op de achtergrond schreeuwde een jong kind. Waarna ik Mark hoorde krijsen, het bleek tegen zijn toen nog heel jonge dochtertje: ‘Hou je kop Floor!’ De volgende dag vloog hij me liefdevol om de hals, gaf me een zoen en zei: ‘Wil je dat nooit meer doen, Guuske! Ik hoop dat je ervan geleerd hebt.’

En zo waren er vaak botsingen op de meest rumoerige en emotionele redactie van NRC Handelsblad, tot grote verontwaardiging (afkeer?) van de rest van de redactie. Maar altijd was er een happy end. Je hoefde alleen maar te kijken naar die arrogante glimlach van Mark (wat kon hij arrogant zijn!) en je wist dat het goed was. Je voelde dan dat hij het naar zijn zin had.

Mark op zijn laatste feestje met oud-collega’s van NRC, een maand geleden, omringd door vlnr Hans Klippus, Guus van Holland en Henk Stouwdam
(Foto Vincent Mentzel)

Ik koesterde zijn talent. Want Maarten Hendrik Hoogstad (zoals hij zich graag voorstelde) was niet alleen een ‘diepgraver’ met een brede blik, maar ook een begenadigd schrijver, soms nogal archaïsch – zeker een purist. Ik adviseerde hem daarom regelmatig zijn horizon te verruimen liever nog te verplaatsen en zich niet uitsluitend of vooral te richten op hockey (‘NRC is een hockeykrant, grote vriend’) en zwemmen, (vaak ook fanatiek rugby en tennis [winst Richard Krajicek op Wimbledon], soms boksen en ijshockey). Hoe nauwgezet hij die sporten ook volgde, hij zou veel meer en belangrijkere onderwerpen kunnen aanpakken, zo vertrouwde ik hem toe – en ik was niet de enige.

Uiteindelijk koos hij voor de redactie binnenland (waar hij onderwijs kreeg toegewezen – niks voor Mark dus), ten slotte als Rotterdam-verslaggever en (mede door de verhuizing van de redactie uit ‘zijn’ Rotterdam naar Amsterdam, waar Mark zich fel tegen verzette, én gevoed door weer zo’n heftig gevoel van miskenning) vervolgens voor het AD/Rotterdams Dagblad in zijn woonplaats Rotterdam. Daar kreeg hij als verslaggever en commentator van de Rotterdamse politiek eindelijk de erkenning waarnaar hij altijd bijna obsessief verlangde. Totdat hij ook daar misnoegd vertrok.

Mark (‘Ik heb een onwaarschijnlijk talent voor rancune’) haalde zijn revanche met zijn opzienbarende boek over de Rotterdamse politiek (‘Rotterdam, stad van twee snelheden’) en verdiende daarmee een maand geleden de Persprijs Rotterdam, die hij eerder tot zijn grote ongenoegen was misgelopen. Wat een erkenning dan toch op de valreep!

Wij zijn elkaar nooit het oog verloren. Zo gaat dat met mannen die elkaar een warm hart toedragen. Maar het leven zonder Mark is niet meer wat het geweest is.

Door Flow: Visualiseer het droomdoelpunt

5 aug

Hoe zou je het begrip flow het beste kunnen omschrijven? Die gemoedstoestand waarin een mens volledig opgaat in zijn of haar bezigheden, zoals dat ruim veertig jaar geleden is verklaard door de Amerikaans/Hongaarse psycholoog Mihaly Czikszentmihalyi. Die stroom waarin je (onbewust) wordt meegevoerd. Luister naar Marc Lammers, voormalig hockeycoach van onder meer het Nederlandse vrouwenteam, het Spaanse vrouwenteam en recent het Belgisch mannenteam. Hoor zijn woordenstroom wanneer hij probeert uit te leggen wat flow is en vooral hoe je dat oproept. Volledig gefocust op wat hij wil zeggen, opgaand in de visie waarin hij gevoed door tal van ervaringen is gaan geloven.


Bevlogen, zo zou je zijn gemoedstoestand ook kunnen noemen. Bijna euforisch in het nu zijn. Opgetild worden door de overtuiging dat het goed is wat hij doet en zegt. Een half jaar geleden bracht Lammers samen met organisatiespecialist Ton Hendrickx het boekje ‘Flow, van goed naar goud’ uit. Een leidraad voor teams, zoals de hockeyteams die Lammers gedurende twintig jaar met succes heeft gecoacht. Hoe teams in een flow kunnen komen, hoe samen (hand in hand, zij aan zij) op weg te gaan naar het gezamenlijke doel. Hoe samen werken, samen spelen en samen trainen.

Iedereen kent het gevoel, alsof alles vanzelf gaat. Ineens blijken alle handelingen als door een voorgeprogrammeerde computer gestuurd te worden. Alsof een mannetje in je hoofd aan de touwtjes trekt. Nee, dan ben je zelf. Zoals je dat zelf door veel oefenen, dromen en praten hebt leren doen. Met als begeleider de coach, de man (of vrouw) die de nog onbekende vaardigheden heeft opgeroepen. ,,Hij heeft het gereedschap aangereikt. Hij heeft de vragen gesteld. Hij heeft iedereen de kans gegeven om te dromen van het doel. Het droomdoel. Hoe denk je dat je bereiken? Hoe denken jullie dat te bereiken? Spreek je uit. Durf te dromen’’, legt Lammers uit. ,,De coach geeft vertrouwen.’’

In het boek wordt de Griekse filosoof Epictetus aangehaald: ‘Iedereen wist dat het niet kon. Totdat er iemand kwam die dat niet wist’. Zorg dat ambitie voorstelbaar is. Lammers noemt het ‘positief visualiseren’. Zo bevrijdde hij eens het eerste mannenteam van Den Bosch van het degradatiespook. Hij liet de spelers een ‘collectieve ambitie’ ontwikkelen. Wat is er nodig om voor je team een collectieve ambitie te bepalen, zonder naar het scorebord te kijken? 1. Geef antwoord op de vraag: waarom. 2. Maak de ambitie voorstelbaar. 3. Zorg voor de ultieme uitdaging. 4. Ga dingen doen, in plaats van uitdenken. 5. Creëer automatismen. 6. Visualiseer het succes en de route daarheen. En: ‘Kan niet’ en ‘hebben we al eens geprobeerd’ en andere dooddoeners worden niet geaccepteerd.

Iedereen praat mee, iedereen heeft een idee. Niemand is meer of beter dan de ander, iedereen is zichzelf. ,,De eigenaar van het idee loopt het hardst’’, weet Lammers. ,,30 Procent onthoudt wat er gezegd wordt, 70 procent onthoudt wat hijzelf heeft gezegd. Dat geeft de coach aan, hij geeft vertrouwen. Hij vraagt de speler wat hij wil, hoe hij het wil en hoe hij dat denkt te realiseren. Laat de spelers trainen waar zij goed in zijn. Vraag hoe hij denkt beter te functioneren. Gooi dat in de groep en laat ze daar met elkaar over praten. Visualiseer, laat het filmpje zien hoe het eerder is gegaan. Hoe het goed is gegaan. Niet hoe het niet goed is gegaan. De camera liegt nooit. Dit is wat jullie kunnen. Als het fout is gegaan, stel dan de vraag: hoe doen we het beter?’’

Om in een flow te komen, eensgezind te zijn, maak je afspraken. Drinken we bier na een wedstrijd of niet? Wanneer dan wel? Wanneer niet – of nooit? Lammers maakte dat met de Belgische nationale ploeg mee. ,,De cultuur was daar ‘een biertje na afloop’, maar past dat wel bij topsport? Ik stelde de vraag en vroeg wat de spelers van een andere cultuur vonden. Het werd unaniem geen bier. Dan is dat de afspraak. Iedereen in de pers maakte zich druk over de hoed en de sjaal die Memphis Depay bij Manchester United droeg of de dure auto waarmee hij naar het trainingsveld kwam. Als Louis van Gaal zulk gedrag vooraf met de spelers heeft besproken, is er niets aan de hand. Tenzij er afspraken over te excentrieke kleding en gedrag buiten de club zijn gemaakt, dan is de speler in overtreding en kan dat in de groep besproken worden. Neem de rol van Romario bij PSV. Buitenstaanders meenden dat Romario te weinig deed in de wedstrijd of op de training. Mogelijk mocht hij doen wat hij wilde, áls hij maar scoorde. Dat was de gezamenlijke afspraak. Het klinkt simpel: hoe willen jullie het, wat willen jullie? Iedereen heeft een stem.’’

Belangrijk is dat spelers accepteren dat iedereen anders is. Iedereen zijn eigenschap, ieder zijn kwaliteit. Dan is het de kunst elkaar aan te vullen. De minpunten moeten door anderen gecompenseerd worden. Lammers verwijst naar Lionel Messi, de uitblinker bij Barcelona. ,,Stel dat Barcelona elf Messi’s zou kunnen opstellen, dan zou dat niet leiden tot een beter team. Want Messi heeft, als gevolg van zijn spel, ijverige middenvelders en verdedigers nodig, die ervoor zorgen dat zijn team in balbezit komt. Ballen afpakken is niet de kern-kwaliteit van Messi.’’

Van nature wil iedereen eigen baas zijn, weet Lammers. ,,Je zou bijna zeggen: daarom zijn er zoveel ZZP’ers. Dan ben je je eigen baas. Zo is het in een team ook vaak in het begin. Mensen willen best veranderen, maar niet veranderd worden. Ze willen zeggenschap over hun rol. Vraag dus als coach wat ze willen, hoe ze zichzelf zien, hoe ze aangespeeld willen worden. Dat kun je visualiseren, het beeld oproepen. Zo? Of zo? Dan ontstaat vanzelf verandering. Je ziet het pas als je het doorhebt.’’

Lammers verwijst graag naar het bedrijfsleven. ,,Je krijgt vast weleens emails van een bedrijf, waarmee je net zaken hebt gedaan. Dat noemen ze klanttevredenheidsonderzoek. Aangetoond is dat medewerkerstevredenheidonderzoek meer oplevert. Hoe bevalt het werk? Wat vind je van je collega’s? Wat vind je van je baas? In de Japanse bedrijfscultuur heeft iedereen een stem, niet de baas. Dat is dwars tegen de hiërarchie in. Daar is een omslag gemaakt, omdat voorheen volgens Japanse traditie iedereen zich onderwierp aan de baas, aan de leider. Dat gaf veel burnouts.’’

Hij noemt als voorbeeld Toyota, hoe het concern een van de wereldmarktleiders werd in de auto-industrie. Dagelijks feed forward. A daily stand up, een dagelijks overleg van een paar minuten waar de komende dag de puntjes op de i moeten worden gezet. ,,In feed forward zit een opbouwende werking, verbetering en waardering zijn het gevolg. Waar feed back het vertrouwen en de veiligheid binnen een team kan schaden, zorgt feed forward juist voor een toename.’’ In het boek schrijft hij: ‘Bij Den Bosch speelden we ’s zondags onze competitiewedstrijd en de daarop volgende dinsdag zaten we bij elkaar voor de feed forward. We hadden verloren van Bloemendaal, wat moesten we doen om te gaan winnen van Hurley? Dus niet: we hadden verloren van Bloemendaal en wat was er allemaal fout gegaan?’’

Te midden van alle voorwaarden om in een flow-staat te komen spelen vertrouwen en veiligheid een belangrijke rol. Lammers: ,,Sociale veiligheid en veiligheid om te handelen zijn in de zoektocht naar teamflow vooral beïnvloedbaar door leidinggevenden. Ik weet dat de coach, de directeur, de manager daar een hele actieve rol in kan vervullen. Want naast risico is ook (negatieve) kritiek een groot gevaar voor veiligheid. En juist die kritiek moeten teamleiders bewaken.’’

Boven alles staat lol, plezier. ,,Lol’’, vindt Lammers, ,,is een direct gevolg van veiligheid in handelen. Bij het Belgische nationale team creëerden we onze veiligheid bij ons publiek door plezier met ze te maken. Handtekeningensessies met de jongste fans. En bij het EK in België gingen we voorafgaand aan onze wedstrijden steevast via het stadion naar de kleedkamer. Voor de tribunes langs, achter de reclameborden. Het publiek genoot ervan en de basis van de loyale steun tijdens de komende wedstrijd was gelegd. Eerst durfden de spelers dat niet. De spelers vonden het uiteindelijk ook heel lollig. Ze konden nog even zwaaien naar familie en bekenden, voordat de focus definitief naar de wedstrijd moest worden gebracht.’’

De laatste anekdote roept het beeld van een aangename sfeer op. Spelers die zich veilig voelen en gesteund. Samen met de toeschouwers die zich een deel voelen van het team dat gaat spelen. Zo werkt het ook met het meezingen bij volksliederen. Samen met de toeschouwers. Het is alsof je als speler in een warm bad zit. Niets kan je nog gebeuren. Het is de flow die kan leiden tot het gewenste resultaat. Voordat je het weet is de wedstrijd afgelopen. Zo snel is het voorbij. Het zijn de uitvloeisels en geneugten van flow, zo meeslepend, uitvoerig én gedetailleerd beschreven in ‘Flow, van goed naar goud’.

Dit artikel is gepubliceerd in de olympische editie van NLcoach

De Giro d’Italia is toch vooral sterven in schoonheid

1 jun

Daags na het roze gekleurde weekeinde in Gelderland, drie weken geleden, schreef ik dat ‘de belangstelling in Nederland voor de Giro d’Italia met de dag drastisch zal afnemen en uiteindelijk slechts door pure wielerliefhebbers zal worden gevolgd’. Het is dus anders gelopen. Niet zozeer omdat het koersverloop tot de verbeelding bleef spreken, maar vooral omdat Nederlandse renners aan het front bleven strijden, tot het einde in Turijn toe.

Foto: musement.com

Foto: musement.com

Fascinatie van start tot finish – en zeker niet alleen bij wielerliefhebbers. De Italiaanse organisatoren kunnen vergenoegd in hun handen wrijven. De emoties laaiden hoog op, zoals dat bij de beleving van topsport verwacht wordt. Media, zoals de Nederlandse televisieomroep NOS (NPO) om welke reden ook het wielercircus niet dagelijks op de voet volgden, werden door een groot deel van het volk een gebrek aan betrokkenheid verweten. Andere media maakten gretig ruimte vrij voor reportages, interviews en achtergronden en zetten ander nieuws op minder prominente plaatsen. Zo was het ooit (ruim een eeuw geleden) bedoeld door de handelsgeesten van krantenbedrijven. In het geval van de Ronde van Italië door La Gazzetta dello Sport als antwoord op een autorace die eerder door Corriere della Sera was gelanceerd.

Het is aanhaken op de vraag waarom sport zoveel aantrekkingskracht uitoefent. Vandaag is het voetbal, morgen wielrennen, overmorgen autoracen en tennis, straks turnen, hockey of volleybal, dan weer zwemmen of hardlopen. Zeker wanneer betrokkenheid intieme vormen gaat aannemen, alsof de jongen van de buren of het meisje uit het dorp meedoet. Of wanneer vereenzelviging (met helden) zich aandient. Helden worden in een handomdraai gemaakt – en naar believen even snel afgedankt.

In Lof van de sport schrijft de Duitse socioloog/filosoof Hans Ulrich Gumbrecht: ‘En toch weten we niet (en misschien hoeven we dat helemaal niet te weten) waarom sport kijken zo onweerstaanbaar is en tot onze verbeelding spreekt. Het is letterlijk een fascinatie, dat wil zeggen, iets wat onze blik gevangen houdt, iets wat ons eindeloos blijft boeien zonder dat we weten waarom. Het is deze fascinatie die een transfigurerende werking heeft, want we voelen ons onweerstaanbaar aangetrokken tot verschijnselen waarvoor we normaal gesproken geen waardering kunnen opbrengen, zoals wanstaltig corpulente lijven of wollen mutsen met kleppen.’

Het zijn rationele overpeinzingen die mij in de loop van de afgelopen veertig jaar als sportjournalist bezig hebben gehouden – en nog. Zoals Dino Buzzati in De Ronde van Italië, het boek met kronieken uit de Giro van 1949 in de Corriere della Sera, dat ik in 1986 tijdens mijn eerste Giro als verslaggever als inspirerend geschenk van mijn nieuwe geliefde in mijn koffer vond. Collega Jean Nelissen, die toch alles al over de wielersport  wist en gelezen had, griste het nieuwsgierig van mijn schrijftafel. Om even later luidkeels met de hem typerende dictie voor te lezen (Buzzati schrijft over Gino Bartali): ‘Plotseling, dat weet je, zal de geheimzinnige genius je in de steek laten. Midden in een wedstrijd, onverwacht, zul je je merkwaardig alleen voelen: als een koning in de strijd die zich omkeert om bevelen te geven en bemerkt dat zijn leger er niet meer is, dat het als bij toverslag verdwenen is in het niets. Dat verschrikkelijke moment zal aanbreken. Maar wanneer? Dat weet je niet. Het zou vandaag kunnen zijn.’

Het is jammer dat in de huidige, veelal hitsige commentaren – gebaseerd op te veel betrokkenheid – deze literaire zinsnede niet is teruggehaald of eenvoudigweg niet is herkend (laat staan ooit gelezen) na de val van Steven Kruijswijk in voorlaatste bergetappe van de afgelopen Giro. Historisch besef kan in verhitte momenten een waardevolle bijdrage leveren, zeker in de wielersport die onmiskenbaar in mystieke sferen wordt bedreven. Overvloedige betrokkenheid, zoals de afgelopen weken, kan een verblindende uitwerking hebben en voedt vooral de onderbuik van de naar roem en glorie hunkerende lezers, kijkers en andere volgers. Populisme mag dan bij veel media van commercieel belang zijn, de realiteit is meer waard.

Begin jaren negentig was ik op de perstribune van het toenmalige Chicago Stadium getuige van de indrukwekkende voorstellingen van de Chicago Bulls met de magistrale coach Phil Jackson (uniek door zijn op zen-boeddhisme gebaseerde filosofie) en hun uitblinker Michael Jordan (mijns inziens met Muhammad Ali de beste sportman aller tijden). Toen ik bij een van de weergaloze acties van Jordan een keer opveerde en een juichkreet niet wilde onderdrukken, werd door mijn buurman een hand op mijn schouders gelegd. Hij wees op een bordje bij de ingang van de perstribune met de tekst: ‘No cheering in the pressbox‘. Ik schrok. Zou ik niet beter kunnen afdalen naar de tribune met het ‘gewone’ publiek? De man stelde mij gerust. Hij stelde zich voor: Sam Smith, Chicago Tribune en al jaren Bulls-watcher. Hij was de man wiens boek ik die week gulzig had gelezen: The Jordan Rules. Een meesterlijk, genuanceerd en daarom meeslepend boek over het gedrag van Jordan op de speelvloer en vooral in het trainingscentrum.

No cheering in the pressbox. Het is een regel uit andere tijden, besef ik. Over de Giro lezend, ernaar kijkend en luisterend, werd mij vooral duidelijk dat de verslaggevers, commentatoren en columnisten zich vereenzelvigden met hun favorieten. Was dat geregisseerd, dan wel door de bazen met hun handelsgeest opgedrongen? In het vuur van de strijd laat elke verslaggever zich weleens gaan – hij is immers sportliefhebber. Dat besefte ik terdege. Daarom besloot ik meermalen buitenlandse media te raadplegen om ook de andere (realistische) kant van de medaille te zien.

Drama genoeg in de afgelopen Giro, zoals van een wielerwedstrijd wordt verwacht. Met alle ingrediënten die daarbij horen. De dramatische omwenteling van Nibali’s fysieke en psychische gesteldheid, diens killersinstinct (vandaar diens bijnaam ‘De Haai van de Straat van Messina’, jaren geleden al bedacht door voorzitter Eddy Lanzo van Nibali’s wielerclub in Messina) en de strategie van zijn ploeg. De dramatische omwenteling bij Steven Kruijswijk: de val op het moment dat de strijd ontbrandde. Topsport wordt op details beslist is een aloude wijsheid. Dat bleek eens te meer. En dan was er de dramatische aftocht van de eerste roze truidrager Tom Dumoulin, van wie in de media nooit meer iets is vernomen: de koning is dood, leve de koning.

En tenslotte de dramatische valpartijen, de spannende beklimmingen en ijzingwekkende afdalingen. En als apotheose de innemende lach van de Colombiaan Esteban Chaves, die op de voorlaatste dag zijn leiderspositie moest afstaan en ‘slechts’ derde werd. Zijn commentaar na afloop was mogelijk het mooiste moment van de Giro: over zijn vreugde, zijn toekomst, zijn liefde voor de wielersport en zijn waardering en bewondering voor de winnaar.

Esteban Chaves

Esteban Chaves

Chaves gulle lach deed veel ellende
vergeten. Zoals de sport hoort te zijn. Afleiding van alles wat ons dwars zit en pijnigt.

De Giro is toch vooral sterven in schoonheid.

Deze column in gepubliceerd op de website http://www.Sportenstrategie.nl

‘Als hockeyer kom je met golf altijd uit de rotzooi’ 

10 nov

José Poelmans zegt het nog altijd, wanneer ze haar nieuwe sport met haar oude sport vergelijkt.,,Ik kon mijn fysieke kwaliteiten niet kwijt. Ik was als aanvallende middenvelder in het hockeyteam gewend altijd maar te gaan, te lopen en te organiseren. Dat was heerlijk. Toen ik stopte met internationaal hockeyen en eens ging golfen dacht ik: dit is niks voor mij. Ik kon mijn energie niet kwijt, miste het bewegen. Dat fanatisme in mij stroomde nog steeds, ineens moest ik rustig zijn, stilstaan.”

Ze speelde 86 interlands en werd in 1971 uitgeroepen tot beste hockeyster ter wereld. José Poelmans stopte midden jaren zeventig met tophockey en zocht een andere sport. Ze werd lid op Golfclub De Dommel in St. Michielsgestel en nam golfles. Het kon haar nog niet bekoren. Tijdens een verblijf van een paar jaar op San Jose State University in Californië, waar een golfprogramma was, pakte ze het toch maar weer op. Terug in Nederland besloot ze het GVB te halen. Maar nog steeds vond ze er ‘niks aan’. Hockey en golf waren voor haar totaal verschillende sporten.

Foto: Janus van den Eijnden

Foto: Janus van den Eijnden

Toen (2002) kwam ze in Nuenen (Golfclub De Gulbergen) Eric van Wel tegen, een oud-hockeyer die intussen golfpro was geworden. Hij legde meteen de link tussen hockey en golf. ,,Eric zag wat ik deed als hockeyster. Alleen al mijn swing. Met hockey had ik geleerd dat mijn stick niet boven mijn schouder kwam, want dat mocht niet: sticks. Dus leerde Eric mij een echte backswing. Een hockeyslag is heel anders dan een golfslag. Een hockeyslag doe je ook sterk vanuit je pols, een golfslag juist niet en is een swing, zoals met tennis.”

Dankzij het inzicht van Van Wel voelde ze langzaam maar zeker het sportieve bloed weer stromen. ,,Wennen was het zeker. Hockey is actie en reactie. Golf is rust, focus, concentratie. Elke slag is eigenlijk een strafbal nemen. Ik wist nog hoe dat ging, want bij hockey nam ik ook vaak de strafballen. Concentratie, focus en slaan. In het spel ren je van hot naar haar, een pass kan weleens mis gaan, die kun je dan gemakkelijk herstellen. Bij golf weet je dat elke slag belangrijk is.”

Ze werd fanatiek, zeer fanatiek. Ze werd lid van Golfclub De Gulbergen en aansluitend lid van de Eindhovensche, ging competitie spelen en trok regelmatig met een groepje golfers en pro’s naar het buitenland. Er was zelfs weer het teamgevoel, waaraan ze als hockeyster zo verknocht was. ,,Samen spelen, samen winnen, samen verliezen. Dat vond ik het mooiste aan tophockey: samen lachen, samen huilen. Als je speelt heb je een bepaalde intense beleving van het spel en het team. Dat miste ik het meest in golf. En nog steeds. Gelukkig kan ik in de competitie met golf, als je met een teamgenoot moet samenspelen, dat gevoel weer hebben. Sporten is voor mij toch meer dan het beheersen van techniek en tactiek.”

Hockey was voor haar ‘het einde’. Toch werd golf een waardig opvolger. ,,Focussen, het altijd goed willen doen, willen winnen. Ja, die topsportmentaliteit zit er nu eenmaal in. Het beste uit jezelf halen. Het wordt wat minder. Mijn handicap is rond de 9.5 en omdat niveau te behouden moet ik regelmatig oefenen en spelen. Die drive heb ik nu minder, als ik maar lekker golf en het goed doe. Om dan samen met anderen ervan te genieten en erover na te praten.”

Samen met Din Binkhorst, Frank Molenaar en Taco Hupkens gaf Poelmans (ze is organisatieadviseur) enige jaren coaching in holistic golf. Het waren de ideeën van sociaal psycholoog Binkhorst, samengevat in zijn leerboek ‘Golf, de gouden weg naar de hole’, om golfers de weg te wijzen in mentale vaardigheden. Door middel van routinematige handelingen, zoals ademhaling, positief denken en focussen op de plek waar je de bal wilt laten landen. De methode toonde overeenkomsten met die van de Amerikaan Timothy Gallwey, The Inner Game (naast The Inner Game of golf, ook tennis, skiing, music, work, stress, winning) uit de jaren zeventig. José Poelmans: ,,Onze methode heeft veel golfers geholpen. Gewoon, laat ik het zo zeggen: op het moment van slaan het juiste gevoel vinden.”

Terug naar haar eerste ‘liefde’, hockey. Want daarin heeft ze toch het ware sportgevoel leren kennen: strijd, willen winnen, samen spelen, samen zijn, het sociale leven. ‘Topsport zoals ik dat heb bedreven levert iets positiefs op. Je wilt toch resultaat, daar ga je voor: het beste uit jezelf en je team halen. En: als hockeyer kom je bij het golfen altijd uit de rotzooi. Die polsbeweging die je ooit hebt geleerd kan je helpen. Je ziet het als een golfer de bal uit de rough slaat. Die krachtige beweging. Ik zie meteen als een golfer een hockeyachtergrond heeft. De slag of de swing is anders, maar je ziet het. Ik zie het.’

En dan nog iets: ,,Ik ben natuurlijk als hockeyster opgegroeid met spelen op écht gras. Later speelde ik op kunstgras. Daardoor was het voor mij bij golf moeilijk bij een approach-slag na het balcontact grond/gras te raken. Bij hockey zorgde je er wel voor dat dat niet gebeurde. Beschadiging van het veld en een zeer ongelukkige slag. Menigmaal heb ik daardoor in het begin bij golfen óver de bal geslagen of de bal hopeloos slecht geraakt.”
——————————————————————————————————-
JOSÉ POELMANS (69), geboren in Ravenstein (Noord-Brabant), begon met hockey bij Rapidity Oss, intussen fusieclub MHC Oss, en speelde later bij M.O.P. in Vught. Ze hockeyde 13 jaar in het Nederlands team. Eerst van 1966 tot en met 1976 en later nog in 1980 en 1981. Ze speelde 86 interlands en werd in 1971 uitgeroepen tot beste speelster van de wereld. In 1971 werd Poelmans met Nederland wereldkampioen in Nieuw-Zeeland. In 1974 opnieuw, ditmaal in Frankrijk. Bij haar afscheid van Oranje was ze met 86 interlands Nederlands recordhoudster. Ze was nog even coach van het Nederlands team, als vervanger van de zieke Gijs van Heumen. Ze golft sinds begin jaren tachtig en speelt nu competitie met Golfclub De Pan. José Poelmans is lid van De 144, een vereniging van succesvolle oud-sporters, sportbestuurders en sportjournalisten.

Dit interview is gepubliceerd in GolfersMagazine 9 (november 2015)

%d bloggers liken dit: