Tag Archives: Yuri van Gelder

‘Gun het kind vrijheid zichzelf in sport te ontwikkelen’

23 sep

Twintig jaar was Leo Peelen toen hij op de Olympische Spelen een zilveren medaille op het wieleronderdeel puntenkoers veroverde. Trots en voldaan stond hij daar, één klein stapje onder de top van de Olympus. De top had hij eigenlijk al bereikt. Gewoon, alleen al door daar in Seoul te mogen zijn. Die medaille voelde als een beloning voor zijn jeugdige onbevangenheid. Omringd door de favorieten uit vooral de DDR en de Sovjet-Unie had hij nauwelijks spanning gevoeld. Hij hoefde er maar voor te gaan – én ging. Wat onbevangenheid al niet oplevert.

Leo Peelen keert in 1988 terug uit Seoul met een zilveren medaille

Leo Peelen keert in 1988 terug uit Seoul met een zilveren medaille

Het won de zilveren medaille, maar het voelde als een gouden greep. Nu zouden de deuren naar de hemel voor de jonge renner uit Arnhem opengaan. Hij zou misschien wel voor eeuwig op handen worden gedragen. Dit was waar hij als jongetje van had gedroomd – hij begon op zijn tiende met wielrennen bij RETO in Arnhem. De ultieme beloning: zilver. Een jaar later werd hij nog derde op de wereldkampioenschappen in Lyon. Maar toen had Leo al het gevoel dat hij er niet voluit voor was gegaan. ,,Alsof ik onbewust een excuus inbouwde voor als ik niet zou winnen. Het rommelde in mij. Onbewust een test: kijken hoe mensen reageren als ik niet win. Ik had iets bereikt, zilver in Seoul, en dat had me niet gegeven waar ik van droomde. Vijf jaar na Seoul ben ik gestopt. Ik voelde dat topsport – een medaille, een plaats bij de wereldtop – mij niet zou geven waar ik als jongetje jarenlang naar had verlangd.”

Leo vond zichzelf terug op een dwaalspoor. Tastend naar het onbestemde. Zeg maar: het zwarte gat. Waarom had hij zo hard moeten fietsen, harder dan anderen, wat wilde hij daarmee bereiken? Ineens viel de waardering voor hem als mens weg. Geen succesvol wielrenner, dan ook geen goed mens. Twee huwelijken, met twee kinderen, hield het niet uit. Wat was er met hem gebeurd? Na een zoektocht van jaren legde een jonge vrouw, met wie hij zijn lief en leed durfde te delen, een boek op tafel: ‘De herontdekking van het ware zelf’ van Ingeborg Bosch, een psychotherapeute die een methode (Past Reality Integration) heeft ontwikkeld die je terugvoert naar je jeugd, naar de manier waarop je ouders je hebben geconditioneerd.

leopeeelen

Leo Peelen links op het erepodium, naast winnaar Dan Frost uit Denemarken en rechts Marat Ganejev uit de Sovjet-Unie

Het was voor hem een openbaring, die hij nu iedereen (vooral topsporters die tijdens en na hun loopbaan de oorzaak van hun opgedrongen drijfveer durven ontdekken) toewenst. Leo voelde in de therapiesessies de pijn van vroeger. Zijn vader, een fanatiek wielrenner, ging altijd fietsen met zijn broer. Hij kreeg aandacht, Leo niet. Toen ontdekte Leo: als ik nou ga fietsen, geeft mijn vader mij (ook) aandacht. En als ik nou maar heel hard fiets, krijg ik de meeste aandacht. ,,Ik deed het gewoon om gezien te worden door mijn vader. Mijn vader, mijn ouders, moesten me zien. Alles heb ik gedaan om gezien te worden door de mensen die mij dierbaar zijn. Doen we dat niet allemaal? Gezien willen worden door mensen die symbool staan voor je ouders? En dan zijn je ouders er niet meer. Of mensen zien je niet staan. Dan voel je je in de steek gelaten. Dan moet je het zelf doen, zonder de symbolische ouders. En dat is verwarrend. Sterker: je zoekt naar ouders die er niet zijn. Je bent volwassen. Je moet het zelf doen. En dan val je om, in wanhoop. Wat nu?’’

Ons gesprek, kort na de Olympische Spelen, wordt gevoed door de reacties van zowel winnaars als verliezers. Bijna vanzelfsprekend komt het proces van Yuri van Gelder aan de orde – en niet in de laatste plaats zijn verbanning uit de olympische ploeg. Wat heeft hem al vanaf zijn jongste jeugd gedreven om groot en sterk te worden (een olympische medaille te veroveren als grootste niet te overtreffen trofee)? Wie waren zijn ouders? Wat wilde hij (tegenover hen) bewijzen? Uit wat voor milieu komt hij? Wil hij aantonen dat hij meer is dan de ‘minderwaardige’ en vooral kleine jongen?

van_gelder_yuri_8

Yuri van Gelder (foto Thomas Schreyer)

We komen er niet uit omdat we Yuri en zijn achtergrond te weinig kennen én hem niet willen veroordelen. ,,Hopelijk krijgt die jongen de juiste begeleiding om ervan te doordrongen te worden waarom hij zo is geworden en waarom hij buitensporig gedrag is gaan vertonen. Verslavingsgedrag, verslaafd aan aandacht en euforie? Ik heb wel een vermoeden, en zou hem daarom mogelijk kunnen helpen met mijn PRI-therapie-ervaring. Maar dat is vooralsnog niet aan mij.’’

Leo Peelen werd geraakt door een uitlating van zwemster Ranomi Kromowidjojo: ‘Ik hoop dat mijn ouders nog één keer trots op mij kunnen zijn.’ Voor wie heeft ze al die jaren gezwommen? Zo vraagt Peelen zich af. Voor zichzelf of voor haar ouders die haar altijd gesteund hebben, sterker misschien: aangemoedigd? En dan verliest ze, althans ze wint niet. ,,Stelt ze dan haar ouders teleur of zichzelf? Hoe gaan haar ouders daar mee om? Dat is mijn vraag. Vanzelfsprekend zullen ze haar niets verwijten. Maar misschien voelt ze haar nederlaag wel als een schuld. Ik heb het voor mijn ouders gedaan. Heb ik het ook voor mezelf gedaan? Dat zijn grote vragen.’’

Dat gevoel van verplichting om je ouders te plezieren, kan verregaande gevolgen hebben. In het Amerikaanse tijdschrift Sports Illustrated werd al in 2003 in het artikel (Prisoners of depression) gewag gemaakt van olympische winnaars die na hun triomf in een diepe depressie geraakten tot aan zelfmoord toe. Winnaars die op het erepodium geen emotie vertoonden, bevroren, niet wetend waarom ze daar stonden, mogelijk omdat hun ouders (soms onbewust?) die prestatie geëist hadden. Zo bleek uit psychiatrische onderzoeken met betrokken sporters. De jacht op goud kent meer slachtoffers dan bekend wordt, mede uit overwegingen van privacy en medisch beroepsgeheim.

Vanuit zijn ervaringen als topsporter met een achtergrond, geeft Leo Peelen lezingen en trainingen aan ouders van jonge wielrenners. De Koninklijke Nederlandse Wielren Unie en zijn club RETO uit Arnhem geven hem daarvoor de gelegenheid, mede omdat hij al acht jaar bekend is met de therapie PRI en daarvoor een opleiding als therapeut volgt. ,,Het gaat bij alles om bewustwording. Als een moeder zegt: ‘ik heb mijn dochter gezegd dat ze altijd vooraan moet rijden om valpartijen te vermijden’ vraag ik: waarom? Als ze dan valt is het dus de schuld van de moeder. Dus laat haar vallen en zichzelf helpen. Als er dan een vader in de zaal zegt: ‘Dat gelul hoef ik niet te horen’. Dan zeg ik: ‘Ontkenning van behoeften. Je wilt wat van je zoon, vraag jezelf af waarom je dat van je zoon wilt. Projectie, trots, iets wat jezelf niet hebt bereikt. Waarom leg je je kind iets op? Dat kan kan heel subtiel zijn. Je ziet hem verliezen en laat hem in zijn verdriet. Je ziet hem winnen en dan ga je uit je dak. Dat maakt afhankelijk.’’

Leo Peelen kijkt graag naar zijn dochter en zoon die basketbalt. ,,Dan zit ik te kijken en mijn zoon scoort. Mijn buurvrouw op de tribune zegt dan: ‘Moet je niet juichen?’ Nee, want ik juich ook als hij niet scoort. Dat klinkt obsessief, maar ik probeer te doorgronden dat een zoon die scoort niet zaligmakend is, voor hem en voor mij. Ik ben altijd trots op mijn zoon, niet alleen als hij scoort. Dat weet hij intussen.’’

Tijdens zijn lezingen vertelt Peelen zijn verhaal, over de hoop dat hij met zijn prestaties iets (een beloning, iets maatschappelijks, voortdurende waardering) zou krijgen. Over de wil om zichzelf te blijven bewijzen. Nooit zou het genoeg zijn. Nooit zou hij krijgen wat hij in zijn jeugd heeft gemist, de waardering van zijn vader. Dat wordt in PRI ‘oude pijn’ genoemd, de oude realiteit. Gevoegd bij de angst dat je ‘het’ nooit zult krijgen. Maar als volwassen mens (hij stopte met wielrennen toen hij 25 was en is nu 48 jaar), kun je het niet meer voor je vader doen, je doet het voor jezelf. Je kunt het zelf. ,,Weet je dat ik pas 15 jaar na Seoul de zilveren medaille op mijn cv heb durven plaatsen.’’

Hij begrijpt ouders wel: je hebt alles over voor je kinderen. ,,Maar onbewust kun je ze sturen naar iets wat niet bij hen past.’’ Er komt een verhaal boven van een tennistalent dat van haar ouders naar een peperdure trainingsstage van Nick Bolletieri in Florida mocht, maar op haar zeventiende tegen haar vader en moeder durfde te zeggen: ‘ik stop ermee, ik wil mijn vrijheid.’ Terwijl ze wist hoeveel geld haar ouders in haar hadden geïnvesteerd. Leo vertelt een verhaal over een vader van een wielertalent. Hij ging naar België om de wielersfeer te proeven en dat aan zijn zoon over te brengen. Hij kocht een fiets van 5.000 euro, terwijl zijn zoon daar niet eens om vroeg. De fiets als bindmiddel in de vader-zoon-relatie. Zo gaat dat.

Leo Peelen en ik sturen elkaar voortdurend berichtjes en emails wanneer er weer een (olympische) topsporter typisch gedrag vertoont. Zou dat er weer een zijn? ,,Een topsporter gelooft niet in therapie, liever niet, want dat zou kunnen duiden op ziek zijn. En een topsporter is niet ziek, een topsporter is kerngezond. Dat is nu eenmaal het beeld wat in stand wordt gehouden, zeker ook door de sportbestuurders en de overheid. Kijk onze topsporters eens het toonbeeld van volmaaktheid en gezondheid zijn’’, weet Peelen. ,,Daarom moet in de preventieve sfeer iets gebeuren. Lezingen, cursussen en ouderavonden bij de clubs en bonden. En ook op scholen zijn speciale PRI-bijeenkomsten. Wat verwacht u als ouder van uw kinderen? Gunt u ze vrijheid zichzelf te ontwikkelen? Gelukkig zijn er veel kampioenen en medaillewinnaars die plezier beleven aan hun sport en mogelijk daarom zo goed zijn geworden. Maar toch, als straks het plezier ophoudt en de successen uitblijven, wat dan? Wie vangt de gevallen helden dan op?’’

Dit artikel is gepubliceerd in NLcoach nr 4-2016

Het gedrag van olympiërs zegt mogelijk veel over onszelf

13 aug

Menselijke drama’s zijn er in vele vormen geweest in de eerste week van de Olympische Spelen. Sporters die vielen op momenten dat de spanning steeg, sporters die plotseling niet in de gewenste topvorm verkeerden, sporters wier materiaal het begaf, juryleden die in de hete olympische sfeer arbitraire beslissingen namen en sporters die zich om menselijke redenen niet aan de afspraken konden houden en daarom werden uitgesloten van deelname. Wat willen mensen die naar topamusement kijken nog meer?

Opgewonden, hijgerig, overspannen en verward is gereageerd op de zenuwslopende jacht naar medailles. Niet in de laatste plaats door de media die graag duidelijk maken hoe intens betrokken ze zijn bij de gladiatoren in de olympische arena’s. Wie enige afstand bewaart en emotieloos op de gevechten reageert komt van een andere planeet en wordt bij voorkeur niet serieus genomen. Verondersteld wordt dat deze dissonant niet begrijpt dat het toch echt allemaal om goud draait.

Emoties laaiden hoog op. Voor de een kan het nooit genoeg zijn. Het zijn de thrillseekers die verslaafd zijn aan adrenaline en andere euforieversterkende stoffen dan wel hormonen, mogelijk bang voor de stilte en de ontspanning, bang voor de kennismaking met de rusteloosheid in zichzelf. Een ander wordt gefascineerd door wat op blinkend goud en eeuwige glorie gerichte jonge sporters bezielt en vooral door waar ze onder hoogspanning toe in staat zijn. Hoe krijgen ze dat toch voor elkaar? Wat hebben ze moeten doen om deze prestaties te verrichten? Hoeveel uren per dag, per week en per jaar? Jarenlang hebben ze moeten trainen om in Rio de Janeiro te mogen zijn en dan te tonen wat ze als mens allemaal kunnen.

Mijn vrees dat deze jonge sportmensen gecomputeriseerd en al bijna gerobotiseeerd aan de Olympische Spelen zijn begonnen (zoals ik op 6 augustus in NRC Handelsblad schreef: ‘Zo goed als een machine’), is vooralsnog gelogenstraft. Vanzelfsprekend staat de topsport op het punt te verwetenschappelijken, maar naar wat ik de afgelopen week ervoer is het merendeel van de olympiërs nog van vlees en bloed, nog even fysiek en psychisch kwetsbaar als u en ik. Uitgezonderd de helden die perfect presteerden en de jongens en meisjes die tot ongekende grote hoogten en snelheden reikten. Waar is een mens nog toe in staat? Waar ligt de grens van de fysieke en psychische mogelijkheden?

Die vragen zijn niet van vandaag of gisteren. Het is inherent aan de sport sinds ze werd bedacht om wat voor reden dan ook. Iedereen is gefixeerd op het oprekken van grenzen. De olympische beweging meent daar paal en perk aan te stellen door een ‘ethische’ grens te trekken. Om maar een voorbeeld te noemen: medische middelen die de natuurlijke aanleg van het lichaam geweld aan doen, dus stimuleren, zijn niet toegestaan. Met als argument dat ze schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid (alsof topsport met al zijn obsessies en lichaam verstorende gedragingen gezond is). En dat het de competitie vervalst. Iedereen gelijke kansen, zoiets. U en ik hebben dezelfde vader en moeder, we zijn uit hetzelfde hout (vlees en bloed) gesneden, we komen uit hetzelfde land, we beschikken over hetzelfde geld, hetzelfde materiaal, dezelfde begeleiding, dezelfde wetenschappers, dezelfde sportpsychologen en we zijn opgegroeid in dezelfde cultuur. Ja, toch? Of zijn we allemaal gelijk, zijn we allemaal geboren met gelijke kansen?

Ik zag de rugbyers van Fiji in de finale van het olympisch toernooi de Engelse tegenstanders ‘vermorzelen’. Allemaal donkere mannen, van een eilandengroep met nog geen miljoen inwoners, die de Engelsen op atletisch talent op alle fronten aftroefden. Ik zag de vreugde en de ontlading na hun triomf en dacht: welke wetenschappelijke begeleiding hebben deze ‘natuurlijke’ mannen gehad? Of hadden ze baat bij voodoo, een of andere grote god dan wel een stimulerend kruid. Het zal toch niet de doping zijn die door de olympische beweging wordt verboden of hun afkomst, cultuur en genetische aanleg – mensen van Fiji hebben iets wat wij (of de Engelsen) niet hebben? Een bepaald gen waarover anderen niet kunnen beschikken misschien.

Ongeveer tegelijkertijd zag ik mannen zwemmen. Groot, stoer, vastberaden, gespierd, scherp, afgetraind zoals dat heet. Mijn zoon zei nog: ‘Hoe krijg je zo’n lichaam?’ We zagen gespierde borst-, schouder- en bovenarmpartijen zoals vroeger zwemmer en tarzankloon Johnny Weissmüller ze als vrijwel enige had. Het testosteron spatte er vanaf. Maar tegelijkertijd viel mij op dat alle zwemmers geen borsthaar hadden. Gladgeschoren? Aerodynamisch dus. Zwemgigant Pieter van den Hoogenband dankte veel van zijn snelheid aan zijn borstpartij, omdat deze de vorm van een catamaran had. Mooi meegenomen, toch? Hij was een man met talent met daarnaast een enorm doorzettingsvermogen en een positieve inslag. Maar die gladgeschoren borstpartij? Je zou het zomaar stimulerend (doping) kunnen noemen.

In mijn nieuwsgierigheid naar omgaan met leven, beland ik voortdurend in boeddhistische visies. Een van mijn inspiratiebronnen is Pema Chödrön, een boeddhistische lerares die ik graag raadpleeg bij mijn vragen. In haar boek Waar je bang voor bent, vind ik in mijn zoektocht de passage ‘Proberen onszelf beter te maken helpt niet. Dat gaat uit van strijd en jezelf kleineren.’ Dus, wie meer wil zijn dan hij is, verloochent zichzelf, wie hij werkelijk is.

Nadat ik het had voorgelezen zei mijn zoon: ‘Ja, waarom moet ik zijn zoals die mannen die goud winnen? Word ik veroordeeld omdat ik niet zo ben, niet hun talent heb en niet zo ben opgevoed zoals zij? Wie niet is zoals de winnaars, deugt niet. Die krijgt geen aandacht. Alleen wie goud wint, krijgt aandacht als rolmodel.’ Hij wees me op het nummer Warsaw van Them Crooked Vultures, en zong vervolgens met luide stem over zijn dilemma die in zijn beleving extreem verkeerd en daarom ontwrichtend wordt uitgedragen door de media, de geobsedeerde jacht op goud en zilver: ‘It’s all medals and trophies, trophies and medals. All before the race has been run.

We kwamen onvermijdelijk bij Yuri van Gelder uit. Een man met spieren die buitenproportioneel (onmenselijk?) zijn gegroeid door jarenlange intensieve training. Hij wilde een uitzonderlijk mens zijn. Anders en beter dan anderen – zeker niet minder dan anderen. Kijk mij eens, wie ik ben en wat ik allemaal kan. Ik ben Yuri, ik ben een man. Ik wil aandacht. Als je het niet ziet, dan zal ik het nog één keer laten zien. De hele wereld zag het. Maar het was niet genoeg. Nooit was het genoeg. Nooit zal het genoeg zijn. Hij wil en moet laten zien dat hij bestaat. Desnoods met behulp van geestverruimende middelen die hem op z’n minst boven zichzelf kunnen uittillen. Topsport, medailles en titels kunnen daartoe ook bijdragen. Maar het is nooit genoeg. Nooit meer.

Het gevecht van Yuri zou mensen aan het denken moeten zetten. Waarom Yuri en die andere sportmensen willen triomferen. Is er een gat in zichzelf die zij moeten opvullen? Herkent iemand de strijd die Yuri voert? Ik moet nu veel denken aan Paul Gascoigne, al enige jaren (tevergeefs) in een ontwenningskliniek verblijvend en nooit meer de mens die we van hem willen zien. Ik volg zijn twitter-berichten die hij vrijwel dagelijks rondstuurt. Zoiets als deze: ‘Morning all have a lovely wkend thinking of YOUS all lots of hugs GAZZA I’ll read your tweets and get back to all love&hugs GAZZA 😘👅😜xx’ Het is een onophoudelijke tragedie.

Sport biedt drama, mensen die het wel en ook niet redden. Sport is waar we over na moeten denken. Omdat het veel over ons zelf zegt.

Deze column is gepubliceerd op http://www.sportenstrategie.nl

Soigneur Ruud Bakker was vooral een gever

2 feb

Raleigh Ruud Bakker

Foto Cor Vos

Ruud Bakker, die vandaag op 72-jarige leeftijd aan de gevolgen van een auto-ongeluk overleed, was meer dan een soigneur, meer dan een verzorger van wielrenners, meer dan een masseur, meer dan verstrekker van aansterkende en versterkende middelen. Hij was ook een biechtvader. ,,Vooral een echte gever’’, zegt zoon Reem op de dag dat Bakker (drie dagen na het ongeval) door hersenletsel stierf.

In de tijd (jaren zeventig en tachtig) dat professionele medische en psychologische begeleiding van wielrenners nog aan de handen en het inzicht van soigneurs werden toevertrouwd, zocht Bakker naar de beste middelen om mensen te helpen in hun begeerte naar triomf en glorie. Mede dankzij hem, de al even bevlogen mecanicien Jan le Grand en de perfectionistische ploegleider en organisator Peter Post vierde de wielerploeg Raleigh en later – in mindere mate – Panasonic ongekende triomfen in de wielersport. Jan Raas, Gerben Karstens, Johan van der Velde, Joop Zoetemelk, Hennie Kuiper, Henk Lubberding, Peter Winnen, Cees Priem, Teun van Vliet, Theo de Rooy, José De Cauwer, Leo van Vliet, Eddy Planckaert, Eric Vanderaerden, Gerrie Knetemann, Roy Schuiten, Bert Oosterbosch (de laatste drie zijn overleden) en vele anderen kunnen getuigen.

Zoon Reem verwijst – als eerbetoon aan zijn zojuist overleden vader – naar het fatale ongeluk. ,,Na de botsing is mijn vader uit zijn auto gestapt en naar de automobilist die hem aanreed gelopen om te vragen hoe het met hem ging. Het ging hem niet om zijn eigen leven. Drie dagen later was hij zelf dood. Dat is mijn vader: altijd betrokken bij anderen. Zorgen voor anderen. Kijken en luisteren naar anderen. Ieder moment van de dag. Het was niet zijn beroep, het was compassie met wat mensen doormaken, waarom ze lijden. Mijn vader had al besloten zijn lichaam na zijn dood ter beschikking te stellen van de wetenschap. Doordat het sterfproces te langzaam ging, kan dat niet doorgaan.’’

Ruud Bakker

Eind november 2015, Tilburg: Ruud Bakker (rechts) vertelt anekdotes aan Johan van der Velde en Joop Zoetemelk over de Tour de France van 1980, die Joop won, tijdens de presentatie van het boek De Speer van Rijsbergen door John van Ierland -over het turbulente leven van Van der Velde. (Foto Petra Huysmans Fotografie)

Ruud Bakker wilde mensen begrijpen. Toen ik hem kort geleden weer zag, steunend op een wandelstok (het gevolg van zware operaties aan een lekkende aorta), informeerde hij naar mij. ‘Maar, hoe is het nou met jou?’ Het was eind november ter gelegenheid van de presentatie van een boek over Johan van der Velde, die hij in de jaren tachtig als soigneur begeleidde. Met Johan ging het mis. Doping, euforievergrotende middelen en verkeerde inschatting van menselijke mogelijkheden deden Van der Velde in de gevangenis belanden. Johan was zichzelf kwijt geraakt. Wie was hij eigenlijk nog?

Bakker zocht Johan op in de gevangenis, hield hem op de been toen hij weer vrij kwam en was tijdens de presentatie van het boek ‘De Speer van Rijsbergen’ (geschreven door John van Ierland)  aanwezig om Johan te belonen voor zijn doorzettingsvermogen. Johan was tot tranen geroerd.

Zoon Reem kent meer voorbeelden van het altruïsme van zijn vader. ,,Hij nam het op voor gevallen sporthelden, tot aan zijn dood. Hij was er 24 uur mee bezig. Het was zijn thrill: is er nog iemand die ik hulp kan bieden? Mensen die niet meer wisten hoe verder te leven, na hun sportcarrière, en mensen die zich miskend voelden. Toen wielrenner Bert Pronk overleed, ving hij diens kinderen op. Toen Didi Thurau, de Duitse vedette bij Raleigh, door allerlei toestanden in problemen raakte, nam mijn vader Thurau in huis. Didi was een halve broer van me. Toen Thurau na zijn loopbaan financieel vastliep in zijn makelaardij, ging mijn vader naar Duitsland om hem te helpen.’’

Ruud Bakker nam het op voor judoka Wim Ruska, tweevoudig goudenmedaillewinnaar op de Olympische Spelen van 1972 en tweevoudig wereldkampioen, in 1967 en 1971. Vorig jaar overleed Ruska. Bakker ging op bezoek bij diens weduwe Liza. Vergeefs deed hij pogingen om Ruska alsnog te eren met de Carrièreprijs, de Fanny Blankers-Koenprijs. ,,Het lukte mijn vader niet om Ruska alsnog te laten eren. Ruska had een strafblad en een criminele achtergrond, dat vond NOC*NSF ongepast.  Mijn vader had gevoel voor miskenning en onrecht.”

En zo waren er meer ontheemde helden. Zoals Yuri van Gelder, die zijn toevlucht zocht in euforievergrotende middelen zoals cocaïne, verslaafd aan aandacht was, niet meer wist wie hij was geworden en hoe zijn leven zin te geven. Bakker luisterde naar hem, zoals Ruud voor iedereen een luisterend oor: ‘Hoe gaat het nu met je?’

Ruud Bakker zocht en zocht. Altijd vond hij nieuwe middelen. Zo introduceerde hij vloeibare suikers, een elektrostimulator en ultrasoongeluid. En eendenvet als bescherming van de benen tegen kou en regen. Ruud Bakker vond vast veel meer en diende meer toe dan hij ooit heeft willen vertellen. In de tijd dat hij zoekende was via allerlei wetenschappelijke studies naar de beste en sterkste middelen (én voeding, samen met dr. Wim Saris van de Universiteit van Maastricht) om zijn ‘mannen’ naar uitzonderlijke hoogten te helpen, vond hij ook haptonomie. Bakker merkte dat wielrenners tijdens hun massage een uitlaatklep nodig hadden. Zodra zij werden aangeraakt, gingen zij praten. Haptonomie leerde hem dat aanraking mensen verleidt tot ontboezeming. Mede daarom begon hij na zijn loopbaan als soigneur een praktijk massage en haptonomie.

Ruud Bakker was een grote man. Je kon niet om hem heen. Hij was zeer luid en zeer duidelijk. Na een zware nacht met alcohol stopte hij mij een stevig medicijn toe. De toevoeging was verhelderend, niet bestraffend: ‘Je weet hopelijk waarom ik je deze pil geef.’ Om dan een paar uur later onverwacht te vragen: ‘Hoe gaat het met je?’.

Ruud Bakker, Hagenaar van geboorte, was dertig jaar lang soigneur. Peter Post ontdekte hem en vroeg Bakker met hem een ploeg op te bouwen, dat werd in 1974 Raleigh. Hij was nog even een half jaar (op aandringen van Thurau) in dienst van IJsboerke  in België, maar keerde vol heimwee terug bij Raleigh en bleef Post trouw bij Panasonic. Jan Raas, die in Bakker zijn enige vertrouwensman zag, vroeg hem mee te gaan naar een nieuwe ploeg, Kwantum Hallen. Bakker weigerde, hij bleef bij Post. Aan hem had hij veel te danken. Bakker had nadat Raas zich in zijn Zeeuwse dorp had afgezonderd van de wielersport als een der weinigen nog intens contact met de Zeeuw.

Ruud Bakker was alom aanwezig, groot en luidruchtig als hij was. Een hartelijke man die niet alleen het lijden in de samenleving doorzag maar vooral het lijden in de harde sportwereld. Na zijn zware hartoperaties verhuisde Ruud Bakker van zijn appartement aan de strandboulevard van Scheveningen naar Woerden, om samen met zijn vrouw Til dichter bij zijn zoon Reem en zijn familie te kunnen zijn. Reem heeft in Woerden een chiropractiepraktijk. Zijn andere zoon Thierry is osteopaat.

Ruud Bakker was vooral betrokken bij gevallen helden, zoals Reem verwoordt op de sterfdag van zijn vader. ,,Mijn vader voelde wat mensen bewoog. Hij gaf ze vertrouwen. Je bent wie je bent, zeg het maar. Hij heeft geleerd wat spieren zeggen. En hij heeft geleerd wat mensen drijft, zonder veroordeling. En dat is heel knap in deze tijd.’’

Deze necrologie is op 3 februari 2015 in kortere vorm gepubliceerd in NRC.Next en NRC Handelsblad

Ruud zwaait

Een bijschrift invoeren

%d bloggers liken dit: