Tag Archives: Wielrennen

Een tsunami aan sport kan een mens te veel worden

12 Aug

EK atletiekPrijzen, bekers, medailles, oorkondes en titels zijn er te kust en te keur. Geen sportonderdeel of er valt wel een onderscheiding te verdienen. Steeds meer, of het nu een Europees kampioenschap (EK) betreft, een wereldkampioenschap (WK), een olympisch kwalificatietoernooi (OKT), een wereldbeker/worldcup (WC) of weet ik wat meer. Grijpgrage en reikhalzende sporters reizen van hot naar her om er iets te halen dat hun talent voor lichamelijke vaardigheden bevestigt. Langzaam maar zeker neemt die begeerte zelfs pathologische vormen aan.

Ze worden op de voet gevolgd door de media, want overal staan camera’s, microfoons en verslaggevers klaar om vast te leggen of de gewenste prestaties wel worden gehaald – en waarom niet. Het is een nauwelijks te stillen honger naar het hoogste in het bestaan. Daar, daarboven ergens, zal en moet het geluk zich bevinden. Eenmaal in het bezit van een prijs of een titel zal de deur naar het paradijs opengaan, is het vermoeden. Al is het maar voor even, voor een paar dagen, een paar weken of een paar maanden, een paar jaar. Totdat de volgende uitdaging zich aandient, mogelijk met minder succes. Nou, dat zien we dan wel weer.

Even dacht ik dat na Wimbledon, het wereldkampioenschap voetbal en de Tour de France de golf aan sporttoernooien voor kort tot bedaren was gekomen. Een autorace of een hockey- en een golftoernooi dat waarschijnlijk alleen de échte liefhebbers tot de verbeelding spreekt, daargelaten. Het was me ontgaan dat de grootste tsunami nog moest komen. Dat krijg je als je nog leeft in het verleden, waar een zomerpauze tot aan het begin van de voetbalcompetities nog heel gewoon was. Ineens waren daar zeven Europese Kampioenschappen tegelijk, nota bene zes in één stad (Glasgow) en een andere in een andere stad (Berlijn). En tussendoor werden we ook nog vergast op (overgewaardeerde) kwalificatiewedstrijden voor belangrijke voetbaltoernooien tegen internationaal onbeduidende tegenstanders, waarin van Nederlandse clubs werd verwacht dat ze daar in zouden excelleren.

Een en ander zou te maken kunnen hebben met behoeftebevrediging. Intelligente zakenmensen (sportmarketeers) menen daarom dat wij als sportliefhebbers zo veel mogelijk naar sport willen kijken en daarover willen lezen. We zouden eens gaan zoeken naar andere interesses, zoals rust, een boek, een wandeling, de natuur of zélf sporten? Dat mag niet gebeuren…. De marketeers zien financieel gewin en groei van de aantrekkingskracht voor de betreffende sporten. En daar hebben alle sportbonden in hun begeerte naar meer beoefenaars én leden (dus meer subsidie?) wel oren naar.

EK Glasgow

De gezamenlijke Europese Kampioenschappen (European Championships), door veel media gemakshalve Super-EK genoemd, zijn ontsproten uit het brein van mensen die al eerder dit verdienmodel met ‘succes’ hebben geïntroduceerd, zoals de Champions League in het voetbal. Een toernooi waarin overigens uiteindelijk steeds meer de rijkste clubs winnen, waardoor veel voetballiefhebbers afhaken omdat hun eigen, lokale club niet meer kan wedijveren met de multinationals.

Hoezeer ik geïnteresseerd ben in welke sport dan ook, die tsunami voelt als een overtollige maaltijd waarin ik het onderscheid tussen gezond en ongezond niet meer kan zien en voelen. Het risico van te veel vet, te veel suikers, te veel gemanipuleerd voedsel dreigt. Verzadiging steekt de kop op, obesitas ligt op de loer. Ik word te dik, ziek en moet leren het overdadige voedselaanbod te weerstaan en de uitpuilende vakken bij de supermarkten te negeren. Kiezen wordt me te moeilijk. Ik heb het gevoel dat het me allemaal genadeloos en meedogenloos door de strot geduwd krijg, te zwak geworden om nog iets over of áf te slaan.

Mijn immuunsysteem is verstoord geraakt. Ik moet andere wegen en middelen vinden, wil ik niet geconfronteerd worden met een ernstige ziekte waar nog geen geneesmiddel voor gevonden is. Ik moet me afzonderen, wil ik niet aangestoken worden door dit virus. Dus, even geen televisie en radio aan en niet meteen de sportpagina’s opslaan. Weg van de media- en marketingwereld die mij ziek maakt, weg om de andere dingen in mijn leven, mijn geest en mijn lichaam te laten ontplooien. Er is vast veel meer om van te genieten, iets dat mij meer en langdurig kan verrijken

EK zwemmen

Mijn dilemma is dat ik van sport houd, zoals ik van ‘lekker’ eten en drinken (junkfood, vlees, vet, suikers en alcohol) houd. Om me tot de sport te beperken: veel wieleronderdelen fascineren mij, van de meeste atletieknummers kan ik genieten, voetbal kan mij diep raken, turnen, zwemmen en zeker en vooral golfen laten mij niet onberoerd. Niet alleen die sporten zelf, maar ook de uitblinkers (en verliezers) oefenen een grote aantrekkingskracht op mij uit. Hoe sporters omgaan met winst en verlies, boeit mij. In de sportpsychologie verdiep ik mij graag. Maar alsjeblieft, niet alles tegelijk.

Lieve marketeers, bondsbestuurders en media, kan het wat minder? Ik verlies mijn interesse – en mogelijk ik niet alleen. Niet alleen topsport, graag, lieve media. Niet alleen de prestaties (of teleurstellingen) van topsporters, die deelnemers aan die grote, massale evenementen, vastleggen en becommentariëren. Laat dat aan populistische media over – ach ja, brood en spelen. Maar er is meer in de sportwereld dan medailles en titels. Wat is er zo mooi aan sport, waarom doen mensen aan sport – waarom niet? Waarom is sport overal? Dat levert interessante inzichten en verhalen op, weet ik uit ervaring.

De internationale sportkalender raakt vol. Hij wordt voller, steeds voller. Mede daarom ontgaan mij steeds meer wedstrijden en prestaties. Het is mogelijk ook frustrerend voor de betrokken sporters zelf omdat ze door het overtollige aanbod aan sporten minder aandacht krijgen. Want daar doen de meesten het toch voor? Om aandacht te krijgen: kijk mij eens, een titel; zie mij eens goed zijn; kijk mij eens in de hemel zijn; kijk mij eens verdrietig zijn!

Het verzadigingspunt dreigt. Hoe sport ook boeit en mensen tot inzicht en verdieping kan brengen, te veel is te veel. Jaren geleden werd ik in het radioprogramma Kunststof door interviewer Frénk van der Linden gevraagd naar aanleiding van een vraaggesprek over mijn boek ‘Sportportretten op maandag’ een tegeltjeswijsheid te formuleren. Ik schreef op een tegel: ‘Te veel sport is ongezond’. En zo is het voor mij nog steeds. Ik trek me terug of probeer in ieder geval mijn nieuwsgierigheid en inspanningen te doseren. Zoals een topsporter: niet elke dag pieken.

Vanavond maar eens een boek en vroeg naar bed. Want rust in mijn hoofd schijnt echt gezond te zijn. Even geen prikkels. Als er een overwinning of een titel is behaald, lees ik het wel op de sociale media of hoor ik het via de tamtam.

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.SportenStrategie.nl

De zoektocht van Hein Verbruggen

16 Jun

Afgelopen najaar wilde Hein Verbruggen met mij praten. Hij kwam speciaal daarvoor naar de Veluwe waar ik veel in ons vakantiehuisje verblijf. We hebben uren gepraat.

Ik dronk witte wijn, hij Cola Light. We praatten over ons leven, onze jeugd, onze opvoeding, de kerk, ouders, onze relatie, het huwelijk, onze zoons (hij heeft er twee), hoe op te voeden, over macht en het opportunisme van journalisten, hun vooroordelen en aannames, over beeldvorming, over de zin van leven. Over ná het leven.

Hij wilde van mij weten waarom ik zo veel zag in boeddhisme. Daar had hij al veel over gelezen – ook via mijn stukken die ik hem stuurde. Hij sprak over Chinese filosofieën, veel over China, over confucianisme, taoïsme, over filosofische boeken, over Freud, Nietzsche, Martin Luther King, Mandela, Mao, Kissinger, Obama, Chomsky, Machiavelli, Darwin, Plato, Socrates en God, over politiek en de dynamiek tussen mensen. Over De Waarheid….

Over zijn ziekte (ALL-acute lymfatische leukemie) en over kleine kansen. Over mijn psychische problemen en hoe daarmee om te gaan. Over het belang van sport en entertainment, als afleiding van de dagelijkse sleur.

Heel even over hardlopen, wat ik ook veel heb gedaan – Hein liep in 1991 de marathon van New York.

Niet over wielrennen. Nog geen minuut.

We kenden elkaar al veertig jaar. Soms keken wij elkaar die dag zwijgend aan en dan begon hij te lachen, even maar, en zei: ‘Weet je wat het met jou is Guus!?’ (Dat blijft onder ons).

We zouden elkaar snel weer treffen, zo beloofden we elkaar. Hij stuurde me kort daarop per email teksten over boeddhisme, soefisme en filosofie. Wat ik ervan vond. Ik kreeg begin januari ook een nieuwjaarswenskaart per email toegestuurd.

Hij moest nog een paar extra chemokuren verwerken, alvorens hij in de zomer een stamceltransplantatie zou ondergaan. Zo liet hij tussentijds weten. Vóór de ‘transplant’ zouden we elkaar in mei/juni weer treffen, waar ook in Nederland. Dat wilde hij per se.

Intussen ging hij hard achteruit. Ruim twee weken geleden (28 mei) stuurde hij mij een kort mailtje: ‘chemokuren zijn niet voldoende om ziekte te onderdrukken voor een (zware) transplantatie, ik ga nu meedoen aan testen (clinic trials)  in Amsterdam en er dan het beste van hopen, WE houden contact, Hein.’

In de nacht van afgelopen dinsdag op woensdag is hij overleden, zo mailde een collega mij. Hij werd 75 jaar.

Hein Verbruggen was een markant mens met wie ik heel veel heb meegemaakt, gebekvecht en uitgewisseld.

‘Gun het kind vrijheid zichzelf in sport te ontwikkelen’

23 Sep

Twintig jaar was Leo Peelen toen hij op de Olympische Spelen een zilveren medaille op het wieleronderdeel puntenkoers veroverde. Trots en voldaan stond hij daar, één klein stapje onder de top van de Olympus. De top had hij eigenlijk al bereikt. Gewoon, alleen al door daar in Seoul te mogen zijn. Die medaille voelde als een beloning voor zijn jeugdige onbevangenheid. Omringd door de favorieten uit vooral de DDR en de Sovjet-Unie had hij nauwelijks spanning gevoeld. Hij hoefde er maar voor te gaan – én ging. Wat onbevangenheid al niet oplevert.

Leo Peelen keert in 1988 terug uit Seoul met een zilveren medaille

Leo Peelen keert in 1988 terug uit Seoul met een zilveren medaille

Het won de zilveren medaille, maar het voelde als een gouden greep. Nu zouden de deuren naar de hemel voor de jonge renner uit Arnhem opengaan. Hij zou misschien wel voor eeuwig op handen worden gedragen. Dit was waar hij als jongetje van had gedroomd – hij begon op zijn tiende met wielrennen bij RETO in Arnhem. De ultieme beloning: zilver. Een jaar later werd hij nog derde op de wereldkampioenschappen in Lyon. Maar toen had Leo al het gevoel dat hij er niet voluit voor was gegaan. ,,Alsof ik onbewust een excuus inbouwde voor als ik niet zou winnen. Het rommelde in mij. Onbewust een test: kijken hoe mensen reageren als ik niet win. Ik had iets bereikt, zilver in Seoul, en dat had me niet gegeven waar ik van droomde. Vijf jaar na Seoul ben ik gestopt. Ik voelde dat topsport – een medaille, een plaats bij de wereldtop – mij niet zou geven waar ik als jongetje jarenlang naar had verlangd.”

Leo vond zichzelf terug op een dwaalspoor. Tastend naar het onbestemde. Zeg maar: het zwarte gat. Waarom had hij zo hard moeten fietsen, harder dan anderen, wat wilde hij daarmee bereiken? Ineens viel de waardering voor hem als mens weg. Geen succesvol wielrenner, dan ook geen goed mens. Twee huwelijken, met twee kinderen, hield het niet uit. Wat was er met hem gebeurd? Na een zoektocht van jaren legde een jonge vrouw, met wie hij zijn lief en leed durfde te delen, een boek op tafel: ‘De herontdekking van het ware zelf’ van Ingeborg Bosch, een psychotherapeute die een methode (Past Reality Integration) heeft ontwikkeld die je terugvoert naar je jeugd, naar de manier waarop je ouders je hebben geconditioneerd.

leopeeelen

Leo Peelen links op het erepodium, naast winnaar Dan Frost uit Denemarken en rechts Marat Ganejev uit de Sovjet-Unie

Het was voor hem een openbaring, die hij nu iedereen (vooral topsporters die tijdens en na hun loopbaan de oorzaak van hun opgedrongen drijfveer durven ontdekken) toewenst. Leo voelde in de therapiesessies de pijn van vroeger. Zijn vader, een fanatiek wielrenner, ging altijd fietsen met zijn broer. Hij kreeg aandacht, Leo niet. Toen ontdekte Leo: als ik nou ga fietsen, geeft mijn vader mij (ook) aandacht. En als ik nou maar heel hard fiets, krijg ik de meeste aandacht. ,,Ik deed het gewoon om gezien te worden door mijn vader. Mijn vader, mijn ouders, moesten me zien. Alles heb ik gedaan om gezien te worden door de mensen die mij dierbaar zijn. Doen we dat niet allemaal? Gezien willen worden door mensen die symbool staan voor je ouders? En dan zijn je ouders er niet meer. Of mensen zien je niet staan. Dan voel je je in de steek gelaten. Dan moet je het zelf doen, zonder de symbolische ouders. En dat is verwarrend. Sterker: je zoekt naar ouders die er niet zijn. Je bent volwassen. Je moet het zelf doen. En dan val je om, in wanhoop. Wat nu?’’

Ons gesprek, kort na de Olympische Spelen, wordt gevoed door de reacties van zowel winnaars als verliezers. Bijna vanzelfsprekend komt het proces van Yuri van Gelder aan de orde – en niet in de laatste plaats zijn verbanning uit de olympische ploeg. Wat heeft hem al vanaf zijn jongste jeugd gedreven om groot en sterk te worden (een olympische medaille te veroveren als grootste niet te overtreffen trofee)? Wie waren zijn ouders? Wat wilde hij (tegenover hen) bewijzen? Uit wat voor milieu komt hij? Wil hij aantonen dat hij meer is dan de ‘minderwaardige’ en vooral kleine jongen?

van_gelder_yuri_8

Yuri van Gelder (foto Thomas Schreyer)

We komen er niet uit omdat we Yuri en zijn achtergrond te weinig kennen én hem niet willen veroordelen. ,,Hopelijk krijgt die jongen de juiste begeleiding om ervan te doordrongen te worden waarom hij zo is geworden en waarom hij buitensporig gedrag is gaan vertonen. Verslavingsgedrag, verslaafd aan aandacht en euforie? Ik heb wel een vermoeden, en zou hem daarom mogelijk kunnen helpen met mijn PRI-therapie-ervaring. Maar dat is vooralsnog niet aan mij.’’

Leo Peelen werd geraakt door een uitlating van zwemster Ranomi Kromowidjojo: ‘Ik hoop dat mijn ouders nog één keer trots op mij kunnen zijn.’ Voor wie heeft ze al die jaren gezwommen? Zo vraagt Peelen zich af. Voor zichzelf of voor haar ouders die haar altijd gesteund hebben, sterker misschien: aangemoedigd? En dan verliest ze, althans ze wint niet. ,,Stelt ze dan haar ouders teleur of zichzelf? Hoe gaan haar ouders daar mee om? Dat is mijn vraag. Vanzelfsprekend zullen ze haar niets verwijten. Maar misschien voelt ze haar nederlaag wel als een schuld. Ik heb het voor mijn ouders gedaan. Heb ik het ook voor mezelf gedaan? Dat zijn grote vragen.’’

Dat gevoel van verplichting om je ouders te plezieren, kan verregaande gevolgen hebben. In het Amerikaanse tijdschrift Sports Illustrated werd al in 2003 in het artikel (Prisoners of depression) gewag gemaakt van olympische winnaars die na hun triomf in een diepe depressie geraakten tot aan zelfmoord toe. Winnaars die op het erepodium geen emotie vertoonden, bevroren, niet wetend waarom ze daar stonden, mogelijk omdat hun ouders (soms onbewust?) die prestatie geëist hadden. Zo bleek uit psychiatrische onderzoeken met betrokken sporters. De jacht op goud kent meer slachtoffers dan bekend wordt, mede uit overwegingen van privacy en medisch beroepsgeheim.

Vanuit zijn ervaringen als topsporter met een achtergrond, geeft Leo Peelen lezingen en trainingen aan ouders van jonge wielrenners. De Koninklijke Nederlandse Wielren Unie en zijn club RETO uit Arnhem geven hem daarvoor de gelegenheid, mede omdat hij al acht jaar bekend is met de therapie PRI en daarvoor een opleiding als therapeut volgt. ,,Het gaat bij alles om bewustwording. Als een moeder zegt: ‘ik heb mijn dochter gezegd dat ze altijd vooraan moet rijden om valpartijen te vermijden’ vraag ik: waarom? Als ze dan valt is het dus de schuld van de moeder. Dus laat haar vallen en zichzelf helpen. Als er dan een vader in de zaal zegt: ‘Dat gelul hoef ik niet te horen’. Dan zeg ik: ‘Ontkenning van behoeften. Je wilt wat van je zoon, vraag jezelf af waarom je dat van je zoon wilt. Projectie, trots, iets wat jezelf niet hebt bereikt. Waarom leg je je kind iets op? Dat kan kan heel subtiel zijn. Je ziet hem verliezen en laat hem in zijn verdriet. Je ziet hem winnen en dan ga je uit je dak. Dat maakt afhankelijk.’’

Leo Peelen kijkt graag naar zijn dochter en zoon die basketbalt. ,,Dan zit ik te kijken en mijn zoon scoort. Mijn buurvrouw op de tribune zegt dan: ‘Moet je niet juichen?’ Nee, want ik juich ook als hij niet scoort. Dat klinkt obsessief, maar ik probeer te doorgronden dat een zoon die scoort niet zaligmakend is, voor hem en voor mij. Ik ben altijd trots op mijn zoon, niet alleen als hij scoort. Dat weet hij intussen.’’

Tijdens zijn lezingen vertelt Peelen zijn verhaal, over de hoop dat hij met zijn prestaties iets (een beloning, iets maatschappelijks, voortdurende waardering) zou krijgen. Over de wil om zichzelf te blijven bewijzen. Nooit zou het genoeg zijn. Nooit zou hij krijgen wat hij in zijn jeugd heeft gemist, de waardering van zijn vader. Dat wordt in PRI ‘oude pijn’ genoemd, de oude realiteit. Gevoegd bij de angst dat je ‘het’ nooit zult krijgen. Maar als volwassen mens (hij stopte met wielrennen toen hij 25 was en is nu 48 jaar), kun je het niet meer voor je vader doen, je doet het voor jezelf. Je kunt het zelf. ,,Weet je dat ik pas 15 jaar na Seoul de zilveren medaille op mijn cv heb durven plaatsen.’’

Hij begrijpt ouders wel: je hebt alles over voor je kinderen. ,,Maar onbewust kun je ze sturen naar iets wat niet bij hen past.’’ Er komt een verhaal boven van een tennistalent dat van haar ouders naar een peperdure trainingsstage van Nick Bolletieri in Florida mocht, maar op haar zeventiende tegen haar vader en moeder durfde te zeggen: ‘ik stop ermee, ik wil mijn vrijheid.’ Terwijl ze wist hoeveel geld haar ouders in haar hadden geïnvesteerd. Leo vertelt een verhaal over een vader van een wielertalent. Hij ging naar België om de wielersfeer te proeven en dat aan zijn zoon over te brengen. Hij kocht een fiets van 5.000 euro, terwijl zijn zoon daar niet eens om vroeg. De fiets als bindmiddel in de vader-zoon-relatie. Zo gaat dat.

Leo Peelen en ik sturen elkaar voortdurend berichtjes en emails wanneer er weer een (olympische) topsporter typisch gedrag vertoont. Zou dat er weer een zijn? ,,Een topsporter gelooft niet in therapie, liever niet, want dat zou kunnen duiden op ziek zijn. En een topsporter is niet ziek, een topsporter is kerngezond. Dat is nu eenmaal het beeld wat in stand wordt gehouden, zeker ook door de sportbestuurders en de overheid. Kijk onze topsporters eens het toonbeeld van volmaaktheid en gezondheid zijn’’, weet Peelen. ,,Daarom moet in de preventieve sfeer iets gebeuren. Lezingen, cursussen en ouderavonden bij de clubs en bonden. En ook op scholen zijn speciale PRI-bijeenkomsten. Wat verwacht u als ouder van uw kinderen? Gunt u ze vrijheid zichzelf te ontwikkelen? Gelukkig zijn er veel kampioenen en medaillewinnaars die plezier beleven aan hun sport en mogelijk daarom zo goed zijn geworden. Maar toch, als straks het plezier ophoudt en de successen uitblijven, wat dan? Wie vangt de gevallen helden dan op?’’

Dit artikel is gepubliceerd in NLcoach nr 4-2016

%d bloggers liken dit: