Een taboe op psychische problemen bij voetballers

16 feb

depressie

Meer dan een kwart van de actieve profvoetballers kampt met symptomen gerelateerd aan depressies en angsten. Zo stelde de internationale vakbond voor beroepsvoetballers FIFPro een paar maanden geleden na een internationaal onderzoek onder 850 profs en oud-profs. Uit de studie bleek dat actieve spelers die drie of meer zware blessures hadden gehad, in hun loopbaan twee tot vier keer meer kans op psychische problemen hadden dan spelers zonder zware blessures. De symptomen varieerden van sombere buien en angsten tot slaap- en alcoholproblemen.

Het schokkende resultaat is aanleiding voor dr. Vincent Gouttebarge, die is verbonden aan de FIFPro en het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam, verder te gaan met het onderzoek. Hij wil meer aandacht voor mentale problemen, en vooral voor de oorzaken daarvan. Hij en zijn collega prof. dr. Gino Kerkhoffs, ook verbonden aan het AMC, volgden gedurende een jaar voetballers uit elf landen. Opvallend was daarbij dat er nog een groot taboe heerst op mentale problemen en psychische bijstand.

Gouttebarge, een 40-jarige Fransman van geboorte en oud-voetballer bij Auxerre, FC Volendam en FC Omniworld, hoopt dat zijn studie aanleiding vormt voor een preventiebeleid ten aanzien van psychische klachten bij voetballers. ,,In tegenstelling tot wat veel mensen denken heeft het leven van een profvoetballer ook donkere kanten’’, zegt Gouttebarge. In het bezit van een academische graad in Bewegingswetenschappen en Geneeskunde is hij universitair docent bij het AMC en Chief Medical Officer van FIFPro.

Psychologische begeleiding krijgt nog te weinig aandacht bij voetbalclubs, meent Gouttebarge. ,,Wel om spelers te motiveren, beter te laten spelen. Maar veel minder om spelers te helpen wanneer zij in de problemen zijn geraakt door hardnekkige blessures of na langdurig herstel dan wel als een speler wordt teruggeplaatst naar het tweede elftal. Ook niet op de lange termijn wanneer een speler stopt, vrijwillig of niet, met zijn voetbalcarrière. Wij hebben de indruk dat spelers te veel aan hun lot worden overgelaten. Terwijl de druk op voetballers alleen maar toeneemt. De club verlangt altijd meer prestaties, evenals de trainer, de media, de supporters en vooral sponsors. En dan is er nog de druk die een speler zichzelf oplegt: hij wil koste wat kost presteren en laten zien wat hij kan, hoe goed hij is.’’

robert_enke1

Pas wanneer zich een schokkende situatie voordoet, zoals de zelfmoord in 2009 van de Duitse doelman Robert Enke, gaat het alarm af. Vooral toen bleek dat Enke al jaren depressief was (daarbij kwam nog bij de dood van zijn tweejarige dochtertje dat vanaf haar geboorte aan een hartkwaal leed). Enke was in behandeling bij een psychiater en gebruikte antidepressiva. Angst om zijn loopbaan op het spel te zetten en het ouderschap van zijn dochtertje te verliezen, deden hem zijn ziekte geheimhouden voor de buitenwereld en leidde uiteindelijk tot de zelfgekozen dood. De Duitse voetbalbond richtte naar aanleiding van de dood van de 32 jaar geworden Enke de Robert Enke-stichting op, met het doel meer aandacht te schenken aan mentale problemen die voetballers kunnen tegenkomen.

De psychiater van Enke voegde er destijds het misverstand aan toe dat ‘topsporters per definitie gezond zijn en juist daardoor de top bereiken’. Enke, zo gaf hij aan, werd nota bene tijdens zijn depressieve periode geselecteerd voor het Duitse elftal. Dat hij zich kon handhaven was juist een enorme prestatie. Alleen merkte niemand in de voetbalwereld iets van zijn grote problemen of werden ze (zijn fouten en soms afwezig gedrag) genegeerd of afgedaan als ‘zwakte’. Voordat de Robert Enke-stichting werd opgericht was er niemand in de Duitse voetbalwereld die aandacht had voor mentale problemen. ,,Topvoetballers zijn per definitie gezond van geest, is de heersende opvatting, anders zouden zij nooit de top hebben gehaald.”

De voormalige Duitse voetbalinternational (52 maal) Thomas Hitzlsperger en speler van Bayern (jeugd), VfB Stuttgart (Duits kampioen in 2007), Aston Villa, VfL Wolfsburg en Everton bekende twee jaar geleden in een interview met Die Zeit dat hij homoseksueel was. Hij had er nooit met andere voetballers, coaches en zelfs niet met sportpsychologen van zijn club en het nationale elftal over kunnen praten. Hij woonde zelfs enige jaren samen met zijn vriendin – in 2007 zou hij met haar trouwen maar het huwelijk zegde hij af. In 2013, tijdens zijn verblijf bij Everton waar hij zijn loopbaan beëindigde, ontdekte Hitzlsperger hij zijn liefde voor mannen. Hij voelde het al eerder, maar durfde met niemand (ook niet met zijn toekomstige echtgenote) over zijn twijfels te praten. Hij raakte er depressief door, maar de oorzaak hield hij voor zichzelf. Thomas kreeg in Engeland een relatie met een man, die hij kort daarop beëindigde.

Zie hier een interview met hem, een jaar na zijn coming out: http://www.rp-online.de/sport/fussball/thomas-hitzlsperger-ein-jahr-nach-dem-coming-out-aid-1.4846758

Na zijn voetballoopbaan, vlak voor de Winterspelen in 2014 Sotsji,  besloot Hitzlsperger ‘uit de kast’ te komen. Hij had vernomen dat in Rusland een homofobe sfeer heerste en wilde aandacht voor het probleem. Oud-voorzitter Theo Zwanziger van de Duitse voetbalbond DFB en de man die onder anderen het initiatief nam voor de Robert Enke-Stiftung (hulp aan voetballers met depressieve verschijnselen) reageerde geschrokken op de ontboezeming van Hitzlsperger. ,,Wij hadden Thomas kunnen helpen, moeten helpen”, antwoordde hij in Die Zeit. ,,Wij hadden moeten zien waar hij mee worstelde. Maar in de voetbalwereld kijken wij niet naar de zwakte van mensen, alleen naar de kracht. Dat is verkeerd. We moeten beter opletten en als mens naar voetballers kijken, niet naar zogenaamde helden. Het begrip helden wordt in de sportwereld verkeerd gebruikt. Voetballers en sporters zijn geen helden, mensen als Thomas zijn helden. Mensen die in de verdrukking leven en eruit komen.”

Vincent_Gouttebarge-300x145

Vincent Gouttebarge

Vincent Gouttebarge wijst er op dat niet alleen blessures, langdurig niet kunnen spelen en diskwalificatie van talent kunnen leiden tot psychische klachten. ,,Het zijn ook mensen, ze kunnen ook in hun privéleven te maken krijgen met problemen die doorwerken op hun prestaties en mentale gezondheid. Geen mens is immuun voor tegenslagen. Maar er voor uit durven komen dat je ergens mee zit is toegeven aan zwakheid, en dat wordt niet gauw aanvaard in een mannenwereld als die voetballers.’’

In Duitsland ging pas het alarm af toen Enke zich voor de trein gooide, stelt Gouttebarge. In Groot-Brittannië schrok in 2012 de voetbalwereld van de zelfgekozen dood van de 42-jarige bondscoach van Wales Gary Speed en kregen juist daardoor mentale problemen onder voetballers meer aandacht. Speed kampte met privéproblemen, zo bleek later. Én hij had een gesloten karakter – daar begint vaak het probleem. Vervolgens bekende de 35-jarige oud-voorzitter van de Engelse spelersvakbond Clarke Carlisle dat hij zelfmoord had willen plegen door zich voor een vrachtwagen te gooien, als gevolg van jarenlange depressies en alcoholmisbruik. Hij durfde met niemand over zijn problemen over te praten. Niemand zag hem als een mens. Niemand probeerde hem te doorgronden. Hij sloot zichzelf af, hij droeg een masker. Daar was hij goed in, misschien wel uit angst om echt gezien, mogelijk afgewezen te worden.

Mathieu-Bastareaud1

Mathieu Bastareaud

In Frankrijk bekende de 27-jarige rugbyinternational Mathieu Bastareaud vorig jaar in zijn autobiografie Tête Haute dat hij in 2009 had geprobeerd de hand aan zichzelf te slaan. Bastareaud vertelde in zijn boek over zijn getraumatiseerde jeugd, die tot boulimia leidde. Over zijn depressies en zijn alcoholverslaving, die in 2009 tijdens een trip in Nieuw-Zeeland leidde tot een zware val in een hotelkamer waardoor hij zware verwondingen in zijn gezicht opliep. Bastareaud verklaarde tegenover de ploegarts dat hij op straat in elkaar was geslagen, bang dat de echte oorzaak (alcohol en depressie) aan het licht zou komen. De premier van Nieuw-Zeeland verontschuldigde zich bij de rugbyer en de Franse rugbybond en gelastte nota bene een politie-onderzoek.

Bastareaud kon niet langer leven met zijn leugen en met kritiek in de media over zijn ongewenste matige prestaties, en sneed daarom datzelfde jaar zijn polsen door. Medespelers vonden hem en redden zijn leven. Met dank aan een psycholoog bevrijdt Bastareaud zich nu van zijn demonen.

Sportpsychologie was tot voor kort een ondergeschoven kind in de voetbalwereld. Laat staan psychisch consult bij voetballers met (dreigende) problemen. ,,Clubs en trainers, maar dus ook supporters, media en sponsors verlangen altijd naar resultaat. Altijd winst. Dan is het zaak spelers voortdurend in de gaten te houden. Natuurlijk zijn er clubs die dat doen omdat zij verder kijken dan prestaties en ook de speler als mens serieus te nemen.’’

Gouttebarge roemt de manier waarop PSV met de door het overlijden van zijn ouders getraumatiseerde Maxime Lestienne is omgegaan. ,,Maar dat was duidelijk. De meeste problemen blijven helaas te vaak onder de oppervlakte.’’

Gouttebarge wijst als vertegenwoordiger van de internationale spelersvakbond naar landen in Oost-Europa waar het leven als voetballer zeer wankel is. ,,Voetballers weten niet wat hun daar te wachten staat. Van de ene op de andere dag is er geen geld. De FIFPro is daar op gefocust. Er op toezien dat geld alsnog wordt betaald. Maar ook in mijn specialiteit als onderzoeker naar mentale problemen ook hoe spelers ermee omgaan. Van de clubs hoeven ze vaak niets te verwachten als ze in problemen zitten.’’

Dankzij zijn netwerk en contact met vakbonden uit andere sporten (rugby, Gaelic Football, ijshockey, cricket) wil Gouttebarge ook inzichten en data krijgen bij andere beroepssporters. ,,Het mag duidelijk zijn dat er raakvlakken zijn tussen de verschillende sporten. Dat wil ik zoveel mogelijk uitbreiden. We gaan bijvoorbeeld binnenkort kijken naar de invloed op de lange termijn van hersenschuddingen op de mentale gezondheid van topsporters. Ook hebben Kerkhoffs en ik net subsidie gekregen van World Rugby om een internationaal project op te zetten over de relatie tussen fysieke en mentale gezondheid bij actieve toprugbyers in liefst negen landen. Ook de wereldvoetbalfederatie FIFA heeft veel belangstelling voor ons project. Nu we de eerste resultaten van ons onderzoek hebben, kunnen we aan de slag en de organisaties duidelijk maken wat er speelt bij spelers. En dat is veel, getuige de percentages.’’

Van de onderzochte actieve voetballers (in elf landen en drie continenten) speelt 60 procent op het hoogste niveau. Ongeveer dertig procent gaf aan symptomen van mentale problemen te herkennen. Zoals depressief, stress, slaapproblemen en negatief zelfbeeld. Liefst 19 procent vertoont abnormaal gedrag als het gaat om consumptie van alcohol. Roken doet 7 procent en 10 procent is gestresst. Onder de net gestopte voetballers liggen die percentages hoger. Liefst 32 procent vertoont abnormaal gedrag met alcohol, 12 procent rookt of is gaan roken, 15 procent heeft burn-outklachten. In beide groepen hebben de voetballers ook veel problemen met hun eetpatroon.

Gouttebarge vraagt speciale aandacht voor het ‘zwarte gat’ dat gestopte spelers ervaren. ,,We zien dat de structuur uit hun leven verdwijnt en dat ze moeite hebben een plek te vinden in de reguliere maatschappij.”

Stefan Groothuis

Stefan Groothuis

Intussen bestaat ook ook een samenwerking tussen enerzijds de medische staf van NOC*NSF, de atletencommissie en anderzijds Gouttebarge en Kerkhoffs. De sportkoepel beweert al jaren bezig te zijn met het psychisch leed van topsporters (waarbij de grootste discretie in acht wordt genomen), maar nog niet over een gedetailleerd overzicht van maat en getal van psychische klachten te beschikken. Vandaar dat in een videoboodschap Nederlandse topsporters worden uitgenodigd om mee te werken aan onderzoek naar hun mentale welzijn. Ze kunnen drie vragenlijsten elektronisch invullen. Waterpoloster Mieke Cabout en schaatser Stefan Groothuis spelen daarin een belangrijke rol. Cabout hoopt op een zo groot mogelijke respons onder de sporters. Zij doet de masteropleiding Health Sciences in Amsterdam. ,,In het buitenland is de kennis veel omvangrijker. Het mentale welzijn kan een grote bijdrage leveren aan topsportprestaties. En niet alleen tijdens de carrière kan het helpen, maar ook daarna; bij het zogenaamde zwarte gat van pas gestopte sporters”, zei ze voor de NOS-microfoon.

Groothuis, olympisch kampioen op de 1.000 meter in 2014, vertelt in de videoboodschap over zijn depressie in 2011. ,,Door hier nadien open over te zijn kon ik me vrijer bewegen en zowel privé als sportief kreeg ik alles weer op de rit.’’

http://www.trouw.nl/tr/nl/5116/Filosofie/article/detail/4211063/2015/12/20/Stefan-Groothuis-Regel-1-De-vrije-wil-bestaat-niet.dhtml

Gouttebarge hoopt dit jaar op internet een stap te maken in de richting van interventies en oplossingen voor psychische klachten. Een interventie beschikbaar via internet zou voor alle actieve voetballers in de wereld (65.000) kunnen zijn. Daarop kunnen zij zien wat er aan psychische problemen kan spelen. Ze kunnen om raad vragen. ,,We moeten op een vertrouwensbasis met voetballers werken en omgaan. Wat ze niet aan de club of de trainer kwijt kunnen, kunnen ze altijd bij ons doen.’’

Dit artikel is in verkorte versie gepubliceerd in NLcoach, Nummer 1 2016

Soigneur Ruud Bakker was vooral een gever

2 feb
Raleigh Ruud Bakker

Foto Cor Vos

Ruud Bakker, die vandaag op 72-jarige leeftijd aan de gevolgen van een auto-ongeluk overleed, was meer dan een soigneur, meer dan een verzorger van wielrenners, meer dan een masseur, meer dan verstrekker van aansterkende en versterkende middelen. Hij was ook een biechtvader. ,,Vooral een echte gever’’, zegt zoon Reem op de dag dat Bakker (drie dagen na het ongeval) door hersenletsel stierf.

In de tijd (jaren zeventig en tachtig) dat professionele medische en psychologische begeleiding van wielrenners nog aan de handen en het inzicht van soigneurs werden toevertrouwd, zocht Bakker naar de beste middelen om mensen te helpen in hun begeerte naar triomf en glorie. Mede dankzij hem, de al even bevlogen mecanicien Jan le Grand en de perfectionistische ploegleider en organisator Peter Post vierde de wielerploeg Raleigh en later – in mindere mate – Panasonic ongekende triomfen in de wielersport. Jan Raas, Gerben Karstens, Johan van der Velde, Joop Zoetemelk, Hennie Kuiper, Henk Lubberding, Peter Winnen, Cees Priem, Teun van Vliet, Theo de Rooy, José De Cauwer, Leo van Vliet, Eddy Planckaert, Eric Vanderaerden, Gerrie Knetemann, Roy Schuiten, Bert Oosterbosch (de laatste drie zijn overleden) en vele anderen kunnen getuigen.

Zoon Reem verwijst – als eerbetoon aan zijn zojuist overleden vader – naar het fatale ongeluk. ,,Na de botsing is mijn vader uit zijn auto gestapt en naar de automobilist die hem aanreed gelopen om te vragen hoe het met hem ging. Het ging hem niet om zijn eigen leven. Drie dagen later was hij zelf dood. Dat is mijn vader: altijd betrokken bij anderen. Zorgen voor anderen. Kijken en luisteren naar anderen. Ieder moment van de dag. Het was niet zijn beroep, het was compassie met wat mensen doormaken, waarom ze lijden. Mijn vader had al besloten zijn lichaam na zijn dood ter beschikking te stellen van de wetenschap. Doordat het sterfproces te langzaam ging, kan dat niet doorgaan.’’

Ruud Bakker

Eind november 2015, Tilburg: Ruud Bakker (rechts) vertelt anekdotes aan Johan van der Velde en Joop Zoetemelk over de Tour de France van 1980, die Joop won, tijdens de presentatie van het boek De Speer van Rijsbergen door John van Ierland -over het turbulente leven van Van der Velde. (Foto Petra Huysmans Fotografie)

Ruud Bakker wilde mensen begrijpen. Toen ik hem kort geleden weer zag, steunend op een wandelstok (het gevolg van zware operaties aan een lekkende aorta), informeerde hij naar mij: ‘Maar hoe is het nou met jou?’ Het was eind november ter gelegenheid van de presentatie van een boek over Johan van der Velde, die hij in de jaren tachtig als soigneur begeleidde. Met Johan ging het mis. Doping, euforievergrotende middelen en verkeerde inschatting van menselijke mogelijkheden deden Van der Velde in de gevangenis belanden. Johan was zichzelf kwijt geraakt. Wie was hij eigenlijk nog?

Bakker zocht Johan op in de gevangenis, hield hem op de been toen hij weer vrij kwam en was tijdens de presentatie van het boek ‘De Speer van Rijsbergen’ (geschreven door John van Ierland)  aanwezig om Johan te belonen voor zijn doorzettingsvermogen. Johan was tot tranen geroerd.

Zoon Reem kent meer voorbeelden van het altruïsme van zijn vader. ,,Hij nam het op voor gevallen sporthelden, tot aan zijn dood. Hij was er 24 uur mee bezig. Het was zijn thrill: is er nog iemand die ik hulp kan bieden? Mensen die niet meer wisten hoe verder te leven, na hun sportcarrière, en mensen die zich miskend voelden. Toen wielrenner Bert Pronk overleed, ving hij diens kinderen op. Toen Didi Thurau, de Duitse vedette bij Raleigh, door allerlei toestanden in problemen raakte, nam mijn vader Thurau in huis. Didi was een halve broer van me. Toen Thurau na zijn loopbaan financieel vastliep in zijn makelaardij, ging mijn vader naar Duitsland om hem te helpen.’’

Ruud Bakker nam het op voor judoka Wim Ruska, tweevoudig goudenmedaillewinnaar op de Olympische Spelen van 1972 en tweevoudig wereldkampioen, in 1967 en 1971. Vorig jaar overleed Ruska. Bakker ging op bezoek bij diens weduwe Liza. Vergeefs deed hij pogingen om Ruska alsnog te eren met de Carrièreprijs, de Fanny Blankers-Koenprijs. ,,Het lukte mijn vader niet om Ruska alsnog te laten eren. Ruska had een strafblad en een criminele achtergrond, dat vond NOC*NSF ongepast.  Mijn vader had gevoel voor miskenning en onrecht.”

En zo waren er meer ontheemde helden. Zoals Yuri van Gelder, die zijn toevlucht zocht in euforievergrotende middelen zoals cocaïne, verslaafd aan aandacht was, niet meer wist wie hij was geworden en hoe zijn leven zin te geven. Bakker luisterde naar hem, zoals Ruud voor iedereen een luisterend oor: ‘Hoe gaat het nu met je?’

Ruud Bakker zocht en zocht. Altijd vond hij nieuwe middelen. Zo introduceerde hij vloeibare suikers, een elektrostimulator en ultrasoongeluid. En eendenvet als bescherming van de benen tegen kou en regen. Ruud Bakker vond vast veel meer en diende meer toe dan hij ooit heeft willen vertellen. In de tijd dat hij zoekende was via allerlei wetenschappelijke studies naar de beste en sterkste middelen (én voeding, samen met dr. Wim Saris van de Universiteit van Maastricht) om zijn ‘mannen’ naar uitzonderlijke hoogten te helpen, vond hij ook haptonomie. Bakker merkte dat wielrenners tijdens hun massage een uitlaatklep nodig hadden. Zodra zij werden aangeraakt, gingen zij praten. Haptonomie leerde hem dat aanraking mensen verleidt tot ontboezeming. Mede daarom begon hij na zijn loopbaan als soigneur een praktijk massage en haptonomie.

Ruud Bakker was een grote man. Je kon niet om hem heen. Hij was zeer luid en zeer duidelijk. Na een zware nacht met alcohol stopte hij mij een stevig medicijn toe. De toevoeging was verhelderend, niet bestraffend: ‘Je weet hopelijk waarom ik je deze pil geef.’ Om dan een paar uur later onverwacht te vragen: ‘Hoe gaat het met je?’.

Ruud Bakker, Hagenaar van geboorte, was dertig jaar lang soigneur. Peter Post ontdekte hem en vroeg Bakker met hem een ploeg op te bouwen, dat werd in 1974 Raleigh. Hij was nog even een half jaar (op aandringen van Thurau) in dienst van IJsboerke  in België, maar keerde vol heimwee terug bij Raleigh en bleef Post trouw bij Panasonic. Jan Raas, die in Bakker zijn enige vertrouwensman zag, vroeg hem mee te gaan naar een nieuwe ploeg, Kwantum Hallen. Bakker weigerde, hij bleef bij Post. Aan hem had hij veel te danken. Bakker had nadat Raas zich in zijn Zeeuwse dorp had afgezonderd van de wielersport als een der weinigen nog intens contact met de Zeeuw.

Ruud Bakker was alom aanwezig, groot en luidruchtig als hij was. Een hartelijke man die niet alleen het lijden in de samenleving doorzag maar vooral het lijden in de harde sportwereld. Na zijn zware hartoperaties verhuisde Ruud Bakker van zijn appartement aan de strandboulevard van Scheveningen naar Woerden, om samen met zijn vrouw Til dichter bij zijn zoon Reem en zijn familie te kunnen zijn. Reem heeft in Woerden een chiropractiepraktijk. Zijn andere zoon Thierry is osteopaat.

Ruud Bakker was vooral betrokken bij gevallen helden, zoals Reem verwoordt op de sterfdag van zijn vader. ,,Mijn vader voelde wat mensen bewoog. Hij gaf ze vertrouwen. Je bent wie je bent, zeg het maar. Hij heeft geleerd wat spieren zeggen. En hij heeft geleerd wat mensen drijft, zonder veroordeling. En dat is heel knap in deze tijd.’’

Deze necrologie is op 3 februari 2015 in kortere vorm gepubliceerd in NRC.Next en NRC Handelsblad

Ruud zwaait

Een bijschrift invoeren

 

Hoe komen topvoetballers de winter door?

14 jan

De liefhebbers van Nederlands voetbal kijken vast en zeker reikhalzend uit naar komend weekeinde (15 tot en met 17 januari). Dan kunnen zij ijs en weder dienende weer de gang naar het stadion maken en toegeven aan hun verslaving. Hun favoriete teams zijn dan teruggekeerd uit verre, doorgaans zonnige en aangenamer oorden, mogelijk uitgerust en opgeladen met nieuw elan ten einde de competitie succesvol af te ronden en de supporters waar voor hun geld te geven. Het optimisme van spelers, trainers en bestuurders weerklinkt in veel media, overgebracht door specialistische verslaggevers die niets mag ontgaan wat zich in den verre onder de zon afspeelt. Zonder voetbal is geen sportpagina compleet.

Vooral niet stil zitten, is het motto. Wel in beweging blijven en oefenwedstrijden blijven spelen, tegen welke tegenstanders dan ook. Wie als voetballer rondom de feestdagen niet voldoende beweegt en zich laat verleiden door Kerstversnaperingen, riskeert een achterstand op voetballers die wel bewegen en zich ver van huis aan het regime van de trainer moeten blijven onderwerpen. Het heeft veel weg van kuddegedrag. Zeker als men waarneemt dat zelfs amateurclubs naar een zonnig en ver trainingskamp reizen om spieren op spanning te houden en zo nodig de teamgeest te vergroten.

De trainer van de Belgische eersteklasser Westerlo, Bob Peeters, houdt er een aparte mening op na. Zijn team staat laatste in de hoogste klasse van België en beschikt mede daarom over beperkte financiële middelen. Een reis naar het zonnige zuiden kost veel geld. Maar nu de winter mee valt heeft hij een trainingskamp (stil zitten is immers riskant) belegd in eigen land, Knokke. ,,Het vergt wel iets meer mentale weerbaarheid van mijn spelers, maar ze worden er mentaal sterker van. Als je altijd maar gepamperd wordt, ben je misschien niet bereid om te vechten tot de laatste snik. Om toch een een beetje een vakantiegevoel te creëren zijn we naar zee getrokken. Als je even weg bent van je normale habitat kun je je batterijen sneller opladen. En het is goed als teambuilding.’’

In (financiële) nood word je creatief. Het zou andere trainers en hun clubmanagers aan het denken kunnen zetten, zeker in deze tijden van dreigende financiële armoede in steeds groter wordende delen van de voetbalwereld. Maar nee, de clubs blijven geld uitgeven, niet alleen aan spelers, maar ook aan trainingsreisjes, die wel of niet bekostigd worden door suikerooms van vreemde signatuur. Wat is er mis met thuisblijven, een paar weken rust, gewoon als topsporter doorleven? Of missen topvoetballers de discipline om zich te onthouden van gezondheidschadelijke praktijken. Moeten ze ver van huis en haard gestuurd worden om in zowel fysieke als psychische conditie te blijven, moeten ze ver van hun veilige en vooral warme thuisomgeving verblijven om saamhorigheidsgevoel met hun teamgenoten te vergroten? Waarschijnlijk wel. Laat ik het maar bedenkelijk noemen. Van een topsporter verwacht je meer, maar misschien is dat een gedateerde opvatting.

Hoe anders is de houding die in Engeland van een voetballer wordt gevraagd. Als alle andere voetballers in het aan het klimaat onderhevige West-Europa naar het warme zuiden worden gestuurd (of in zaalcompetities moeten schitteren), dienen zij op z’n minst drie keer per week op te draven voor een competitie- of bekerwedstrijd. Het is niet zo zeer de wil van de supporters, hoe graag ze ook dagelijks naar voetbal kijken, maar van de sponsors, met name van de televisiemaatschappijen (zoals Sky) die miljoenen betalen aan voetbalclubs om aan hun verlangens tegemoet te komen. Hoe meer wedstrijden, hoe meer kijkers, hoe meer goals en opwinding hoe meer tv-kijkers.

Wie geld wil verdienen moet voetballen. Wie als club aan de top wil meedoen, of zich wil handhaven, houdt zijn hand op. Wie wil dat zijn land (Engeland, maar ook Duitsland, Spanje, Italië en Nederland) aan de top meedraait, dient geld te krijgen om te investeren in nieuwe spelers en trainers, ten einde mee te kunnen doen in de ratrace om de gunst van de liefhebber. Langzaam dringt het besef door in Engeland dat het immens, intensieve competitierooster tot slachtoffers leidt. Niet alleen de liefhebber raakt verzadigd. De voetballer en de trainer (en de clubs) kunnen niet meer aan de grenzeloze verwachting voldoen. Liefhebbers tonen geen maat meer in hun honger naar voetbal, of welke reden dan ook. Sponsors en televisiemaatschappijen evenmin. Scoren is de maat zonder grenzen.

Tradities, zoals in Engeland waar de Kerstperiode tot het ultieme moment van voetbalprestaties is verheven, verliezen hun menselijke waarde. Louis van Gaal staat onder druk bij Manchester United omdat hij de club niet het aanzien kan geven waar supporters maar vooral de geldschieters (zoals Adidas) recht op menen te hebben. Weer geld, weer een investering, weer een aanval van media die zich laten voeden door het volk – dan wel het volk voeden.

Arsène Wenger zit al decennia vast in het zadel bij Arsenal, maar ook hij vraagt zich ondanks zijn (al aangetoonde) kwaliteiten als trainer met zowel psychologische als fysiologische inzichten waar het mis gaat. De Duitser Jürgen Klopp geldt als een van de meest vooruitstrevende trainers in de voetbalwereld, maar sinds zijn overstap van Borussia Dortmund vorige maand naar Liverpool wordt hij geconfronteerd met tal van blessures bij zijn nieuwe werkgever, ooit een grootmacht in Europa.

Volgens de Nederlandse bewegingswetenschapper Raymond Verheijen (hij werkte veel samen met Guus Hiddink, en was werkzaam bij onder andere Chelsea, Barcelona, Zenit St. Petersburg, Manchester City en Wales) ligt de oorzaak van het toenemende aantal blessures bij Liverpool bij het aanvallende spel dat Klopp, net als bij Borussia, propageert. Van spelers wordt plotseling te veel gevraagd, op trainingen en in wedstrijden. Het zijn inzichten die er toe doen. Verheijen is een voorstander van doseringen, belasten en ontlasten, spanning en ontspanning. Opvallend is dat in een statistiek van clubs in de Premier League het net gepromoveerde Bournemouth lijstaanvoerder is met de meeste blessures. Een team dat zich manhaftig probeert te handhaven. Maar kennelijk wordt er te veel van de spelers gevraagd.

In Engeland beginnen mensen zich zorgen te maken over de invloed van het geld. Supporters kunnen nauwelijks nog een entreekaart betalen, blijven thuis om zich te abonneren op een televisiezender wat ook steeds duurder wordt. En: spelers raken geblesseerd door overbelasting. Ook een signaal voor supporters die elke dag voetballers in actie verwachten. José Mourinho, zojuist ontslagen als coach van Chelsea, verwees naar zijn Portugese landgenoten die nooit meer naar een stadion gaan omdat ze het niet meer kunnen betalen. Tegelijkertijd verwees hij naar zijn eigen inbreng: ,,Als ik niet win, op welke manier dan ook, verliest mijn club supporters.’’

Het dilemma: gaan we naar Zuid-Europa om te herstellen en op te laden voor een nieuwe uitdaging of blijven we (traditioneel) doorspelen omdat de de sponsors en de supporters dat willen? Hebben voetballers nog rechten? Of: wie er voor kiest om profvoetballer te worden moet weten waaraan hij begint.
Deze column is verschenen op de website van http://www.sportenstrategie.nl

2015 herzien

2 jan

De statistieken hulpaapjes van WordPress.com heeft een 2015 jaarlijks rapport voor deze blog voorbereid.

Hier is een fragment:

In de concertzaal in het Sydney Opera House passen 2.700 mensen. Deze blog werd in 2015 ongeveer 12.000 keer bekeken. Als je blog een concert zou zijn in het Sydney Opera House, zou het ongeveer 4 uitverkochte optredens nodig hebben voordat zoveel mensen het zouden zien.

Klik hier om het complete rapport te bekijken.

Golfer Mario van der Ende heeft niets met handicaps

18 dec
Foto Janus van den Eijnden

Foto Janus van den Eijnden

‘Als ik was gaan golfen tijdens mijn scheidsrechtersloopbaan was ik een nóg betere scheidsrechter geweest.’ Mario van der Ende zegt het onomwonden. ‘Golf is een focustraining. Ik had me nog beter kunnen concentreren’, is zijn uitleg. ‘Destijds deed ik met sportpsycholoog Jan Huijbers spelletjes om te leren focussen. Ik denk dat als ik toen had gegolfd het nog beter was gegaan.’

Van der Ende geniet van golf, sinds hij zes jaar geleden tijdens een dienstverband met de Australische voetbalbond in aanraking kwam met golf. ‘Ik ben gek op competitie. Als ik iets doe, wil ik het goed doen. Als ik een spelletje speel, dan wil ik winnen. Als ik straks met mijn oude moeder gaan jokeren, gaat het mes op tafel. Ik speel eerlijk, maar ik kan ook een klootzak zijn. Dat heb ik ook met voetbal. Hard spelen is niet erg, maar niet gemeen.’

Competitie, dat is wat hem drijft. Waarom die Stableford-telling, stelt hij met een provocerende lach. ‘Het lijkt wel een Nederlandse uitvinding. Het is eigenlijk gewoon een compensatie. Kom op zeg, als ik van jou wil winnen, dan zorg je maar dat je goed speelt. Ik heb niks met excuses en handicaps. Dat heeft niks met topsport te maken. Ik heb handicap 20. Dat zal niet gauw lager worden, maar ik wil altijd winnen, van wie dan ook. Ik zal er voor zorgen dat ik win, ook van mezelf.’

Hij speelt weleens alleen, maar dan met twee balletjes. Op het ene balletje staat de M van Mario op het andere de R van de rest. ‘En dan speel ik echt eerlijk. Als je niet eerlijk speelt, kom je jezelf tegen. En je moet jezelf niet in de maling nemen. Als ik tegen een ander speel, mag je best een beetje zuigen. Toen ik vroeger tenniste, deed ik weleens of ik een vuiltje in mijn oog had, gewoon even pesten. Lekker, niks mee. Maar niet vals spelen. Ik houd me aan de regels. En: ik word steeds uitgenodigd. Dan zal ik dus wel eerlijk spelen.’

Van der Ende geniet. Van de ruimte om zich heen, liefst op een baan aan het water. Wat wil je ook als een kind dat dicht bij het strand (Den Haag/Kijkduin) is opgegroeid. Op een bosbaan wordt hij claustrofobisch. ‘ik kan niks zien.’ Mensen om zich heen activeren zijn competitiedrang. ‘In een flight van vier heb ik van niemand last. Iedereen mag kijken wat ik doe, het prikkelt me alleen maar. Ik heb weleens met Klaas Nuninga (oud-Ajacied en oud-international) gegolfd. Hij was leraar van beroep, net als ik. Hij gaf graag tips, wat eigenlijk niet mag. Maar van mij mocht hij. Ik stak er veel van op. Anderen worden er gek van als een tegenspeler wat zegt. Ik geniet. Als scheidsrechter was ik liever in een thuiswedstrijd van Real Madrid met honderdduizend toeschouwers, dan bij RKC met tweeduizend. Ik geniet van aandacht en ik geniet van competitie. Hoe meer prikkels, hoe beter ik me voel.’

Moeite heeft hij met zijn lichamelijke handicap. Dat kan hij in zijn drang om de beste te zijn niet altijd goed verdragen. In 1999 moest een tumor aan rechts onder zijn keel worden weggenomen. De wond werd met 65 hechtingen gedicht. Er is nog een litteken van zijn hals tot onder zijn oksel. Daardoor heeft hij moeite met ‘doorswingen’. ‘Dat scheelt bij de afslag zeker 40 tot 50 meter. Een fysiotherapeut is er wel druk mee bezig geweest om de mobiliteit te vergroten. Tevergeefs. Ik moet ermee leren leven. Op een par 3 durf ik elke competitie aan. Kom maar op! Ik weet nu op de langere holes dat ik met kort spel en putten veel moet goed maken. En dat lukt me goed. En eerlijk, volgens de regels. Het leven is na die zware operatie mij meer waard. Ik geniet en doe dat op een manier die mij en anderen plezier geeft.’

Toen hij eenmaal enthousiast was geraakt door golf, moest en zou hij zo snel mogelijk zijn GVB halen. ‘Ik heb er echt voor geblokt, ik wilde alle regels goed kennen en meteen slagen. De regels kennen, vind ik erg belangrijk. Het zou fijn zijn als voetballers dat ook hadden. En zelfs scheidsrechters. Die moeten eens in de zoveel tijd een test doen. Als ze zeven van de tien vragen goed hebben, zijn ze geslaagd. Dat is toch raar: drie fouten. Geen wonder dat er vaak discussie is bij een overtreding. Iedereen, scheidsrechter en spelers horen de regels te kennen. Zoals het met golf is. Voetbal is verhufterd.’

Golf biedt veel: discipline, rust, etiquette, beweging, respect voor elkaar en sociaal bezig zijn. Zijn enthousiasme is zowat grenzenloos. Hij kijkt naar buiten, ziet een driving range, kijkt om en ziet water. We zitten op Golfbaan Naarderbos. ‘Mooi hé. Ik sta hier weleens over het water te kijken. Ik zou nu zomaar alleen kunnen gaan spelen. Eén tegen één, je weet wel M tegen R. Altijd een tegenstander en ik voel me nooit alleen.’

Hij geniet van de rust, de rustmomenten. Even op adem komen. ‘Om terug te komen op mijn scheidsrechtersloopbaan. Ik was leraar, druk bezet dus en dan tussendoor scheidsrechteren. Dan kun je gestresst aan een wedstrijd beginnen. En als je gestresst bent, kun je je moeilijker concentreren en focussen. Die spelletjes die ik met sportpsycholoog Jan Huijbers deed, hielpen me wel. Hoe kan ik me niet laten afleiden door dingen buiten het spel? Als ik had gegolfd, was me dat nog beter afgegaan. Er zijn wel voetbalscheidsrechters die golfen: Liesveld, Vink en Bossink. Of golf hun helpt, weet ik niet. Maar het zou me niets verbazen.’

Van der Ende herinnert zijn kennismaking met golf, in Australië. Hij wil nog even zijn competitiedrang illustreren. ‘Het was op een clinic. De pro zei me dat ik de bal zo dicht mogelijk bij de vlag moest proberen te slaan. Dat lukte me. Toen ik op de green kwam, zei hij dat de bal nu nog in de hole moest. Toen antwoordde ik: ‘had dat meteen gezegd dan had ik dat meteen gedaan.’ De lach van Mario van der Ende davert door het clubhuis van Naarderbos.

Zijn enthousiasme werkt aanstekelijk: ‘Morgen een rondje lopen?’
—————————————————————————————————–
MARIO VAN DER ENDE (1956) is een Nederlandse oud-voetbalscheidsrechter. Hij floot van 1985 tot 2003 meer dan 600 wedstrijden in het Nederlandse voetbal waaronder vier bekerfinales. Hij was internationaal scheidsrechter van 1900 tot 2002 en leidde 136 internationale duels, onder andere op het EK van 1996 en de WK’s van 1994 en 1998. In 1999 werd hij getroffen door een vorm van keelkanker, waardoor hij zes maanden rust moest nemen en werd geopereerd. Daardoor miste hij de Champions League-finale en het EK voetbal. In 2003 beëindigde hij zijn loopbaan. Van der Ende was leraar Nederlands en Maatschappijleer in het middelbaar- en hogerberoepsonderwijs en werkte bij de voetbalbond KNVB als hoofd scheidsrechterszaken. In 2008 leerde hij in Australië (hij werkte daar als National Referees Technical Director) golfen. Van der Ende speelt voornamelijk op de Golfpark Spandersbosch in Hilversum.

Dit interview is gepubliceerd in GolfersMagazine nr.10 december 2015

Ben ik een boeddhist of toch gewoon een zoekend mens?

2 dec

‘Ben jij nou een boeddhist!’ Het is een terugkerende opmerking die mij als een verwijt in mijn ziel raakt. Alsof ik me als boeddhistische leerling moet verontschuldigen voor wat ik heb gezegd of gedaan. Zoiets als een ander met een andere mening afwijzen. Of als ik mijn emoties (buitensporige woede) de vrije loop laat. Voordat ik heb geprobeerd iets ter verdediging te formuleren, moet ik al aanhoren dat ‘dat mediteren dus ook niks helpt.’ Dat woordje ‘dus’ doet het ’m. Ik ben boeddhist, dus. Ik mediteer, dus.

niets
Ik mag ‘dus’ niet iets doen of zeggen wat – volgens de tegenpartij – tegen de regels van het boeddhisme is. Ik ben ‘dus’ vreedzaam, geduldig, onbevooroordeeld, evenwichtig en vooral de rust zelve. Ik zit toch niet voor niks voortdurend (vrijwel dagelijks) op mijn kussen, lees boeddhistische boeken, verdiep me in boeddhistische lezingen, volg boeddhistische trainingen en plaats teksten op Facebook die ik op mijn scheurkalender met boeddhistische wijsheden lees? Maar dat maakt van mij nog geen boeddhist, laat staan een heilige.

Ik ben ‘slechts’ een mens, niets menselijks is mij vreemd. Ook ik oordeel over boeddhistische leraren die zich aan boeddhistische leerlingen vergrijpen. Ook ik oordeel over burgeroorlogen waarbij boeddhisten geweld niet schuwen. Ook ik denk wel eens dat boeddhistische monniken beter hun handen uit de mouwen kunnen steken in plaats van urenlang mediteren en contempleren om het leven (of dat erna) te kunnen begrijpen.

Alleen al dat ik vermoed me te moeten verantwoorden voor mijn ‘non-boeddhistische’ gedragingen. Dat ik daarom mijn afweermechanismen in werking stel. Dat vind ik lastig. Liever zou ik glimlachen, zoals de boeddha in mijn tuin of die op mijn schrijn. Of zoals ik de Dalai Lama, Thich Nhat Hanh en Sakyong zie doen, doorgaans ogenschijnlijk in alle rust. Maar ja, ik ben Thich Nhat Hanh noch de Dalai Lama, noch Sakyong, noch de Boeddha. Ik ben slechts een zoekend mens.

Boeddhisme spreekt me aan. Het is me aan komen waaien na zowel een mentale als fysieke zoektocht naar de wenselijkheid van leven. Dat maakt me nog geen boeddhist. Ik zou elk moment, onder welke omstandigheden ook, de rust zelve willen zijn, altruïstisch, geduldig en vreedzaam. Levend naar inzichten van de Boeddha, hoe verschillend ook wat betreft interpretatie. Het is niet meer dan een doel: zijn zoals het is, zijn zoals ik ben.

Geloven in fundamentele goedheid, van iedereen. Dat wil ik. Niemand veroordelen om wie hij is om wat hij doet en zegt. Ik las laatst een even treffend maar vooral bemoedigend essay van Rutger Bregman in De Correspondent: ‘Wie goed doet komt nooit in het Journaal – en dat is een groot probleem’. Bregman citeert daarin de Franse boeddhistische monnik Matthieu Ricard uit zijn boek Altruïsme, de kracht van compassie. Een oude Cherokee-indiaan zegt tegen zijn kleinzoon: ‘Er speelt zich een gevecht in mij af. Het is een gruwelijk gevecht tussen twee wolven. De een is slecht, boos, hebzuchtig, jaloers, arrogant en laf. De ander is goed – hij is gelukkig, rustig, liefdevol, aardig, hoopvol, bescheiden, gul, eerlijk en betrouwbaar. Deze wolven vechten ook in jou en in ieder ander persoon.’ De jongen denkt even na en zegt dan: ‘Welke wolf zal winnen?’ De oude Cherokee antwoordt: ‘Diegene die je voedt.’

Ook ík ben gevoed door een wolf, door ouders die mij naar hun eigen inzicht hebben gevoed. Zo is het iedereen vergaan, toch? Dat zie ik als boeddhistisch inzicht: we zijn wie we zijn geworden. Als ik dat eens geduldig kon uitleggen, is er een kans dat mij niets meer wordt verweten. Dan mag ik mezelf zijn. Een mens die niet meer dan benieuwd is naar boeddhistisch leven.
Guus van Holland was sportjournalist bij de Volkskrant en NRC Handelsblad. Hij is vriend van Shambhala Leiden.

Deze column is gepubliceerd in de wintereditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Doping, nationalisme, begeerte én de macht van geld

27 nov

Het heeft er alle schijn van dat de strijd tegen doping verhardt. Er lijkt voor sporters die ‘verboden middelen’ gebruiken geen ontkomen meer aan. De overkoepelende instantie, het Internationaal Olympisch Comité IOC, heeft zich met de steun van het Wereld Anti-Doping Agentschap WADA, voorgenomen hardere methoden aan te wenden ten einde de sport te zuiveren.

Of ze de strijd zal winnen, is zeer de vraag. Doping is van alle tijden, net als de begeerte om goud en eeuwige glorie te bereiken. Altijd zullen mensen, mogelijk aangestuurd door bonden en landen, op zoek zijn naar het hoogste doel. Wie niet wint, is geen held en zal geen plaats krijgen in de Hall of Fame.

Tekening Wren McDonald (NYTimes)

Tekening Wren McDonald (NY Times)

Na de ogenschijnlijke overmeestering van de rottende wielersport, met als grootste vangst zevenvoudig winnaar van de Tour de France Lance Armstrong, volgde de atletiek. Na doortastend onderzoek door de Duitse televisiezender ARD is gebleken dat het Russische ministerie van Sport en de geheime dienst gebruik van doping heeft gestimuleerd. Journalist Hajo Seppelt kreeg tijdens zijn speurtocht medewerking van een oud-werknemer van de Russische dopingautoriteit en diens vrouw, een oud-atlete. Zij meldden zich in 2013 weliswaar bij WADA, maar meenden na een gesprek geen gehoor te vinden bij de functionarissen van het dopingagentschap en klopten daarom vervolgens via een informant aan bij Seppelt en zijn dopingredactie die eerder met succes doping in de Duitse wielersport hielp blootleggen.

hajo-seppelt_ptg2015_soendergaard_500x320

Hajo Seppelt tijdens Play the Game (Foto Thomas Sondergaard)

Het mag geen verbazing wekken als binnenkort meer atleten worden beschuldigd. Verdachtmakingen zijn van alle dag, zeker waar het grensoverschrijdende prestaties betreft. Los daarvan kan politiek een belangrijke rol spelen. Nationalistische motieven om in de sportwereld aanzien te verwerven kennen we nog uit de tijd van de Koude Oorlog en zijn langzaam maar zeker en duidelijk waarneembaar overgenomen door kleinere landen. Wie scoort in de sport telt mee in de grote wereld. Ook Nederland loopt onmiskenbaar mee in deze optocht van hongerigen: winnen – daar gaat het om; medailles – zoveel mogelijk. Meer evenementen ook, in de veronderstelling daarmee het aanzien van het land te kunnen verhogen. Een beetje van wat Rusland (of eerder de DDR, China en de VS) wordt verweten.

Thomas Bach

IOC-voorzitter Thomas Bach

In dat licht moet ook het plan van IOC-voorzitter Thomas Bach worden gezien. De Duitser zei medio oktober dat het IOC in de toekomst dopingcontroles onafhankelijk van sportbonden (en landen) wil laten uitvoeren. Alsof toen al duidelijk was dat het laboratorium van Moskou zich niet aan de regels hield. Opmerkelijk genoeg werd dat idee van Bach in geen enkele krant serieus genomen – hooguit een berichtje van tien regels onderin de sportpagina. Nu de beerput is opengegaan haasten media zich de opgelaaide antidopingstrijd in pagina vullende grote letters te publiceren.

Herman Ram, directeur van de Nederlandse Dopingautoriteit, refereerde eraan tijdens zijn betoog op het congres Play the Game, vorige maand in Aarhus (Denemarken). Het congres dat is bedoeld om kritische journalistiek en onderzoek naar fraude in sport een podium te geven.

Ram noemde het bericht van Bach zelfs revolutionair. ‘Voor sporters dreigender. Mogelijk zal dat de strijd tegen doping nog verder vooruit helpen. Het beeld bestaat nu dat de antidopinggemeenschap een monster is. Maar er werken nog geen 2.500 man. Dat is piepklein in de grote sportwereld.’ Hij gaf aan dat naar schatting 1.750 ‘intentional’ (moedwillige) sporters worden betrapt. Slechts 1% van de controles die worden uitgevoerd. Bij 750 sporters werden vorig jaar verdachte bloed- en urinewaarden waargenomen. Het bewijs dat ze doping gebruikten was niet te leveren. En dan waren er nog de sporen her en der van cannabis of voedingssupplementen die niet als stimulerend middel worden ervaren.

Ram: ‘Wist u dat nu al voor in totaal 300 miljoen dollar aan controles wordt uitgegeven? Ter vergelijking: Lance Armstrong vergaarde in zijn carrière 150 miljoen dollar. Laten we dus in vredesnaam niet doen alsof antidoping een groot, machtig, overgefinancierd orgaan is, dat overal zijn tentakels heeft. We zijn een piepkleine niche binnen een sportwereld waarin miljarden omgaan.’

Wat te doen tegen zoveel onsportiviteit, zoveel fraude, zoveel begeerte om ten koste van alles de beste te zijn? Ram verweerde zich tegen de criticasters die menen dat zijn bureau en WADA te weinig doen, te weinig succes behalen. WADA wordt een tandeloze organisatie genoemd. Hypocriet zelfs. Tja.

Om duidelijk te maken hoe ingewikkeld de strijd is, refereerde Ram aan het onderzoek van de Nederlandse Doping Autoriteit, naar aanleiding van doping bij de Nederlandse wielerploeg Rabo. Daaruit bleek dat er drie groepen waren: 1.renners die geen zin meer hadden in paranoïa; 2.renners die middelen gebruikten die niet op te sporen zijn en 3.renners die zeiden: ‘ik zal altijd gebruiken als ik daar voordeel bij denk te hebben’. Dat type zal dus blijven zoeken naar mogelijkheden en beschikbaarheid, ook als dat meer risico’s of andere nadelen met zich meebrengt.

Michael Rasmussen

Ex-wielrenner Michael Rasmussen

In Aarhus luisterde ex-Raborenner Michael Rasmussen (hij werd in 2007 uit de Tour de France gezet) in de zaal onverstoorbaar mee. De Deen had eerder tijdens het congres luid en duidelijk gezegd dat hij te allen tijde weer doping (epo, bloedtransfusies, groeihormonen) zou gebruiken als hij opnieuw ging wielrennen. Groep 3 dus.

Dat is het beeld wat Ram en andere dopingbestrijders voor zich zien. Maling aan de spelregels! Onverschilligheid in combinatie met ongeneerde begeerte naar het veronderstelde ultieme geluk. Of het nu individuelen zijn die bij hun honger naar triomf, aandacht en geld alle regels negeren of bonden en naties (overheden en gezagsdragers) die in hun begeerte naar imago en macht manipuleren. Het is eenvoudigweg vals spel. Begrijpelijk is dat arme kinderen en in getto’s verpieterende jongens en meisjes alles in het werk willen stellen om materiële rijkdom te verwerven, zoals hun helden dat (met of zonder doping en fraude) doen. Hoe vertel je kinderen dat doping (of omkoping) niet eerlijk is? Het gaat toch om winnen? Maar…

De Canadese jurist Dick Pound (IOC-lid, oprichter en oud-directeur van WADA) waarschuwde in Aarhus dat topsport steeds meer in handen komt van criminelen. ‘Het probleem rond doping is groter dan mensen weten, zelfs vrezen. We hebben het over vals spelen in de sport, waar het om sportiviteit en integriteit gaat. Er gaat steeds meer geld om in sport, het prijzengeld schiet omhoog, de salarissen en premies stijgen, er is groei van criminalisering, van handelaren die rijk willen worden van de sport.’

En hij wees naar de journalisten: ‘Er is werk te doen, sport is van iedereen, maar die mag niet in handen vallen van handelsgeesten, criminelen en machtswellustelingen zoals politici.’ Om na afloop de Duitse journalist Hajo Seppelt als een welkome bondgenoot in zijn armen te sluiten.

Pound, Ram en vele anderen op Play the Game zagen opnieuw in dat de sport de verkeerde kant op gaat. Vandaar ook sinds eind jaren negentig het Deense initiatief voor dit congres. Eerst waren het wielrenners, nu zijn het atleten, straks golfers, zwemmers, schaatsers, basketballers, honkballers, boksers en zeker voetballers (overvloedig, dus ook schadelijk gebruik van pijnstillers) die de grenzen (afspraken) van sportiviteit hebben overschreden.

Hoe verder?

WADA kan de strijd niet (alleen) aan. Het agentschap wil hulp, niet alleen van doortastende journalisten, onderzoekers en wetenschappers, maar ook van de sportbonden en van de politiek. De jacht gaat voort, zeker als het aan de instanties ligt die integriteit en sportiviteit willen bevorderen. Eerlijkheid en transparantie kunnen veel bijdragen. Een beetje minder begeerte naar titels en medailles ook. Maar hoe krijg je dat voor elkaar zolang mensen, naties, politieke systemen en machthebbers elkaar blijven bestrijden?

Usain Bolt

Hardloper Usain Bolt

Meer geld zou een oplossing kunnen zijn om de strijd tegen doping met meer optimisme te kunnen voortzetten. Maar de overkoepelende sportorganisaties IOC, FIFA, UEFA, IAAF, FINA en kleinere bonden blijven onverstoorbaar steeds winstgevender contracten afsluiten met grote sponsoren, multinationals en televisiemaatschappijen. Hardloper Usain Bolt verdient bijvoorbeeld bijna 20 miljoen(!) dollar per jaar. Sponsoren investeren liever in sporters en sportorganisaties dan in bestrijding van het kwaad. De wortel van alle kwaad is geldzucht, wordt wel gezegd. Mogelijk dat het kwaad ook kan worden uitgeroeid door geld. Wat WADA en andere antidoping-instanties ook ondernemen, zonder meer geld en meer bevoegdheden zijn ze kansloos. Tandeloos.

Dit artikel is gepubliceerd in NLcoach 5, december 2015

Sportjournalisten zitten het liefst in het stadion, toch?

15 nov

Sportjournalisten waren drie weken geleden op het congres Play the Game in Aarhus dun gezaaid. Althans de journalisten die een werkgever (krant, week- of maandblad, radio en televisie) vertegenwoordigen. Juist op de plek waar vier dagen en avonden lang de sportwereld met al zijn intriges, corruptie en vals spelende bestuurders en beoefenaren onder de loep werd genomen door onderzoekers, wetenschappers en onafhankelijke onderzoeksjournalisten zou je naar diepere achtergronden zoekende sportschrijvers verwachten.

In het Deense congrescentrum heerste niet de sfeer van een stadion vol duizenden hartstochtelijke supporters. Er was geen finish, er was geen scorebord en er waren geen spelers en trainers die zwetend en hijgend hun emoties de vrije loop lieten. Zou dat de reden van hun afwezigheid zijn geweest?

Er werd gediscussieerd en er werden inzichten uitgewisseld over de dreigende ondergang en de verdwazing van sport. Hoe overkoepelende organisaties, zoals de mondiale voetbalfederatie FIFA maar ook andere sportbonden, worden geleid door mensen die de grenzen van ethiek hebben overschreden. Hoe wedstrijden en toernooien via spelers, scheidsrechters en bestuurders worden gemanipuleerd door gokbedrijven. Hoe doping en geld de afspraken over sportiviteit negatief beïnvloeden.

Maar ook was er aandacht voor het niveau van sportjournalistiek in de wereld. Er werd gediscussieerd over de houdbaarheid van sportjournalistiek. Juist, nu het imago van grote sportfederaties als FIFA, UEFA, IOC, IAAF, maar ook van kleinere federaties zienderogen afbladdert (met juridische processen tot gevolg), zouden de krachten van de sportjournalistengemeenschap gebundeld moeten worden om een en ander tot klaarheid te brengen, zo niet op te lossen. Er was weinig belangstelling. De sportjournalisten zitten kennelijk liever op de perstribune van een of andere arena elders in de wereld en houden de score bij. Terwijl intussen de liefhebber aan de televisie zit en hetzelfde ziet en kan beoordelen.

Journalistenforum: vlnr onafhankelijk journalist Jens Weinreich (Duitsland), journalist Umaid Wasim (Pakistaans dagblad Dawn), onafhankelijk journalist Laura Robinson en Lars Werge (voorzitter Deense sportjournalistenbond). Foto: Thomas Søndergaard

Het journalistenforum op Play the Game: vlnr onafhankelijk journalist Jens Weinreich (Duitsland), journalist Umaid Wasim (Pakistaanse dagblad Dawn), onafhankelijk journalist Laura Robinson en Lars Werge (voorzitter Deense sportjournalistenbond). Foto: Thomas Søndergaard

De grote meerderheid van de sportjournalisten in Aarhus was zelfstandig en onafhankelijk, niet afhankelijk van wat hun hoofdredactie wil. Journalisten die op eigen initiatief en eigen kosten onderzoek doen. Bekende fenomenen zijn de Duitser Jens Weinreich en de Brit Andrew Jennings. Beiden zijn, vooral door hun onafhankelijke status, hoofdverantwoordelijk voor het blootleggen van de corruptiepraktijken binnen IOC en FIFA. Verder zijn de Canadese journalisten Declan Hill (matchfixing), Laura Robinson (seksuele intimidatie en machtswellust van bestuurders) en de Duitser Hajo Seppelt (doping in Russische atletiek) journalisten die geheel op eigen initiatief en vaak op eigen kosten de misstanden in de sportwereld aantonen en zich kwetsbaar opstellen. En zo zijn er (gelukkig) meer.

Ze krijgen in hun drang naar onderzoek en onthulling steeds meer navolging, vooral in Duitsland, Engeland, Noord- en Zuid-Amerika en de Scandinavische landen. En langzaam ook in Nederland. Ook bij de traditionele media. Bij sommige media dringt het besef door dat er meer aandacht gevraagd wordt voor de achtergronden van de sport, met name de negatieve achtergronden. Niet alleen het scorebord, maar ook wat zich achter het scorebord afspeelt – welke invloeden spelen een doorslaggevende rol.

Foto: Thomas Søndergaard/Play the Game.

Foto: Thomas Søndergaard/Play the Game.

Henrik Brandt is tegenwoordig directielid van Play the Game. Hij was eens sportverslaggever van Jyllands Posten, een Deense krant. Tien jaar geleden gaf hij op Play the Game een lezing over wat de redactie van zijn krant over sport zou schrijven. Niet alleen ‘scorebordjournalistiek’, niet alleen wedstrijdverslagen over voetbal en handbal. Juist meer achtergrond, meer over waarom sport er toe doet, waarom mensen naar voetbal kijken, wat bestuurders doen en waarom, over breedtesport. Waarom doen mensen aan sport? ,,Zodat ook de vrouw van de voetballiefhebber in sport geïnteresseerd raakt”, vermoedde Brandt. ,,Ik kreeg een paar redacteuren mee, de rest wilde alleen naar het stadion voor de wedstrijd. Het project is mislukt. De hoofdredactie die aanvankelijk wel iets in ons plan zag, koos toch voor de wedstrijdverslagen en interviews met sporters. Nu sla ik de sportpagina’s over. Ik ben blij dat ik er geen deel meer van uitmaak. Daarom ben ik nu bij Play the Game. Kranten gaan voor populisme en commercie. Ik sta nog steeds achter mijn plan, om meer over achtergronden te schrijven. Vandaar dit congres. Maar het is een zware strijd.”

Laura Robinson, onafhankelijk sportjournalist en oud-wielrenster, deed jarenlang onderzoek naar de praktijken van de organisator van de Winterspelen van Vancouver (2010), John Furlong. Hij mishandelde als leraar kinderen van Indiaanse (First Nations) afkomst, hij loog over zijn verleden als sporter. Ze publiceerde verhalen in Canadese kranten, maar Furlong vocht terug. Robinson had geen geld om het proces tegen haar te winnen. Twee jaar geleden werd ze vlak voor haar presentatie op Play the Game geïntimideerd door een brief van Furlongs juristen. Play the Game liet Robinson toch haar lezing geven. Ze kreeg steun van de Deense organisatie, zoals iedere journalist die met soortgelijke onderzoekjournalistiek komt. Jens Sejer Andersen, de directeur, geeft onderzoeksjournalistiek de ruimte.

Robinson gaat door, met beperkte middelen. ,,Sport gaat niet alleen over de mensen op het podium, maar juist over de mensen die niet op het podium staan. Niet het verhaal op persconferenties, voor of na een wedstrijd. Maar het verhaal daar achter”, aldus de oud-wielrenster. Ze kreeg tijdens de discussie bijval van een Engelse journalist: ,,Sportjournalisten werken vanuit het idee dat ze onderdeel zijn van de sport, het team en de spelers. Ze vergeten dat ze buitenstaander moeten zijn en gewoon van afstand verslag moeten doen.”

En zo schoven de meningen over de ware vorm van sportjournalistiek langs elkaar. Fascinerend om te horen hoe verslaggeving over sport zich ontwikkelt. Een Deense sportjournalist meende: “Sportjournalisten kunnen niet schrijven. Ze schrijven voor mensen die niet kunnen lezen.” Die arrogantie gaat mogelijk te ver.

Het geeft wel aan hoe de sportjournalistiek in een spagaat is beland. Hoe sport te benaderen? Hoe erover te schrijven? Is er wel beleid in zake sportjournalistiek? Hebben hoofdredacties wel door dat er meer is dan scorebordjournalistiek, beïnvloed door commercie? Tijden veranderen. Sport is meer dan de belangrijkste zaak van het leven geworden. Hoe je het ook wendt of keert. Op het Deense congres lagen de verklaringen om over na te denken. De journalistiek kan veel onthullen, meent Laura Robinson, maar het merendeel is of niet geïnteresseerd of krijgt niet de gelegenheid (en het geld) van de hoofdredactie om zijn werk te doen. ,,Nu doen wij, onafhankelijke journalisten het werk. Wij hebben de tijd, maar wij hebben geen geld. Dat is onze strijd. Vaak ondankbaar, veel tegenwerking en vijandigheid. Maar wel een strijd die wat oplevert, getuige de onthullingen van de laatste tijd rond doping, match fixing en de FIFA. Dat is allemaal begonnen bij de journalistiek.”

De vraag: waar ligt de grens tussen amusementsjournalistiek en onderzoeksjournalistiek? Recensies of achtergronden. Wat willen de lezers? In Aarhus werd die vraag gesteld. Een congres over de waarde van sportjournalistiek als inspiratiebron. Play the Game gaat door, elke twee jaar. Niet alleen in Denemarken, maar hopelijk ook in andere landen waar sport en dus sportjournalistiek wordt bedreven. Als de sportjournalisten niet naar Play the Game komt, dan komt Play the Game wel naar de sportjournalisten.

Dit aan de datum aangepaste artikel werd eerder gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

‘Als hockeyer kom je met golf altijd uit de rotzooi’ 

10 nov

José Poelmans zegt het nog altijd, wanneer ze haar nieuwe sport met haar oude sport vergelijkt.,,Ik kon mijn fysieke kwaliteiten niet kwijt. Ik was als aanvallende middenvelder in het hockeyteam gewend altijd maar te gaan, te lopen en te organiseren. Dat was heerlijk. Toen ik stopte met internationaal hockeyen en eens ging golfen dacht ik: dit is niks voor mij. Ik kon mijn energie niet kwijt, miste het bewegen. Dat fanatisme in mij stroomde nog steeds, ineens moest ik rustig zijn, stilstaan.”

Ze speelde 86 interlands en werd in 1971 uitgeroepen tot beste hockeyster ter wereld. José Poelmans stopte midden jaren zeventig met tophockey en zocht een andere sport. Ze werd lid op Golfclub De Dommel in St. Michielsgestel en nam golfles. Het kon haar nog niet bekoren. Tijdens een verblijf van een paar jaar op San Jose State University in Californië, waar een golfprogramma was, pakte ze het toch maar weer op. Terug in Nederland besloot ze het GVB te halen. Maar nog steeds vond ze er ‘niks aan’. Hockey en golf waren voor haar totaal verschillende sporten.

Foto: Janus van den Eijnden

Foto: Janus van den Eijnden

Toen (2002) kwam ze in Nuenen (Golfclub De Gulbergen) Eric van Wel tegen, een oud-hockeyer die intussen golfpro was geworden. Hij legde meteen de link tussen hockey en golf. ,,Eric zag wat ik deed als hockeyster. Alleen al mijn swing. Met hockey had ik geleerd dat mijn stick niet boven mijn schouder kwam, want dat mocht niet: sticks. Dus leerde Eric mij een echte backswing. Een hockeyslag is heel anders dan een golfslag. Een hockeyslag doe je ook sterk vanuit je pols, een golfslag juist niet en is een swing, zoals met tennis.”

Dankzij het inzicht van Van Wel voelde ze langzaam maar zeker het sportieve bloed weer stromen. ,,Wennen was het zeker. Hockey is actie en reactie. Golf is rust, focus, concentratie. Elke slag is eigenlijk een strafbal nemen. Ik wist nog hoe dat ging, want bij hockey nam ik ook vaak de strafballen. Concentratie, focus en slaan. In het spel ren je van hot naar haar, een pass kan weleens mis gaan, die kun je dan gemakkelijk herstellen. Bij golf weet je dat elke slag belangrijk is.”

Ze werd fanatiek, zeer fanatiek. Ze werd lid van Golfclub De Gulbergen en aansluitend lid van de Eindhovensche, ging competitie spelen en trok regelmatig met een groepje golfers en pro’s naar het buitenland. Er was zelfs weer het teamgevoel, waaraan ze als hockeyster zo verknocht was. ,,Samen spelen, samen winnen, samen verliezen. Dat vond ik het mooiste aan tophockey: samen lachen, samen huilen. Als je speelt heb je een bepaalde intense beleving van het spel en het team. Dat miste ik het meest in golf. En nog steeds. Gelukkig kan ik in de competitie met golf, als je met een teamgenoot moet samenspelen, dat gevoel weer hebben. Sporten is voor mij toch meer dan het beheersen van techniek en tactiek.”

Hockey was voor haar ‘het einde’. Toch werd golf een waardig opvolger. ,,Focussen, het altijd goed willen doen, willen winnen. Ja, die topsportmentaliteit zit er nu eenmaal in. Het beste uit jezelf halen. Het wordt wat minder. Mijn handicap is rond de 9.5 en omdat niveau te behouden moet ik regelmatig oefenen en spelen. Die drive heb ik nu minder, als ik maar lekker golf en het goed doe. Om dan samen met anderen ervan te genieten en erover na te praten.”

Samen met Din Binkhorst, Frank Molenaar en Taco Hupkens gaf Poelmans (ze is organisatieadviseur) enige jaren coaching in holistic golf. Het waren de ideeën van sociaal psycholoog Binkhorst, samengevat in zijn leerboek ‘Golf, de gouden weg naar de hole’, om golfers de weg te wijzen in mentale vaardigheden. Door middel van routinematige handelingen, zoals ademhaling, positief denken en focussen op de plek waar je de bal wilt laten landen. De methode toonde overeenkomsten met die van de Amerikaan Timothy Gallwey, The Inner Game (naast The Inner Game of golf, ook tennis, skiing, music, work, stress, winning) uit de jaren zeventig. José Poelmans: ,,Onze methode heeft veel golfers geholpen. Gewoon, laat ik het zo zeggen: op het moment van slaan het juiste gevoel vinden.”

Terug naar haar eerste ‘liefde’, hockey. Want daarin heeft ze toch het ware sportgevoel leren kennen: strijd, willen winnen, samen spelen, samen zijn, het sociale leven. ‘Topsport zoals ik dat heb bedreven levert iets positiefs op. Je wilt toch resultaat, daar ga je voor: het beste uit jezelf en je team halen. En: als hockeyer kom je bij het golfen altijd uit de rotzooi. Die polsbeweging die je ooit hebt geleerd kan je helpen. Je ziet het als een golfer de bal uit de rough slaat. Die krachtige beweging. Ik zie meteen als een golfer een hockeyachtergrond heeft. De slag of de swing is anders, maar je ziet het. Ik zie het.’

En dan nog iets: ,,Ik ben natuurlijk als hockeyster opgegroeid met spelen op écht gras. Later speelde ik op kunstgras. Daardoor was het voor mij bij golf moeilijk bij een approach-slag na het balcontact grond/gras te raken. Bij hockey zorgde je er wel voor dat dat niet gebeurde. Beschadiging van het veld en een zeer ongelukkige slag. Menigmaal heb ik daardoor in het begin bij golfen óver de bal geslagen of de bal hopeloos slecht geraakt.”
——————————————————————————————————-
JOSÉ POELMANS (69), geboren in Ravenstein (Noord-Brabant), begon met hockey bij Rapidity Oss, intussen fusieclub MHC Oss, en speelde later bij M.O.P. in Vught. Ze hockeyde 13 jaar in het Nederlands team. Eerst van 1966 tot en met 1976 en later nog in 1980 en 1981. Ze speelde 86 interlands en werd in 1971 uitgeroepen tot beste speelster van de wereld. In 1971 werd Poelmans met Nederland wereldkampioen in Nieuw-Zeeland. In 1974 opnieuw, ditmaal in Frankrijk. Bij haar afscheid van Oranje was ze met 86 interlands Nederlands recordhoudster. Ze was nog even coach van het Nederlands team, als vervanger van de zieke Gijs van Heumen. Ze golft sinds begin jaren tachtig en speelt nu competitie met Golfclub De Pan. José Poelmans is lid van De 144, een vereniging van succesvolle oud-sporters, sportbestuurders en sportjournalisten.

Dit interview is gepubliceerd in GolfersMagazine 9 (november 2015)

WADA, een muis die brult

27 okt

Vanzelfsprekend is in Aarhus tijdens het congres Play the Game, dat deze week voor de negende keer wordt gehouden, doping een van de belangrijkste thema’s. Naast corruptie op het sportveld en in de bestuurskamers, en naast match fixing, machtsmisbruik en andere vormen van overschrijdingen van regels en ethiek. Herman Ram mocht als directeur van de Nederlandse Dopingautoriteit zitting nemen in een sessie met Dick Pound, voormalig directeur van het werelddopingagentschap WADA. Vorderingen in de strijd tegen doping worden zeker gemaakt, wilde Ram laten weten, in tegenstelling tot wat hier en daar vooral door wetenschappers wordt beweerd.

Herman Ram (foto Thomas Søndergaard/Play the Game) Herman Ram (foto Thomas Sondergaard/Play the Game)

Stuck in the mud or going fast forward, zo noemde Ram zijn presentatie. Liefst 1216 pagina’s regelgeving telt de antidoping-code van WADA. Meer regels zijn er niet nodig, zo goed zit de internationaal gebundelde strijd tegen sporters die door middel van doping vals spelen écht wel in elkaar, probeerde Ram zijn gehoor gerust te stellen. Het is meer de vraag hoe effectief de antidopingstrijd is. Dat moet gemeten worden. En hoe ontmoedigend werkt het antidopingbeleid? Nog meer geld? Er wordt nu al voor in totaal 300 miljoen dollar aan controles uitgegeven. Ter vergelijking: Lance Armstrong vergaarde in zijn carrière 150 miljoen dollar. Daarmee wil Ram aangeven dat je de strijd tegen doping wel in perspectief moet blijven zien. ,,Laten we in vredesnaam niet doen alsof antidoping een grootmachtig, overgefinancierd orgaan is, dat overal zijn tentakels heeft. Welnee, we zijn een piepkleine niche binnen een enorme sportwereld waarin miljarden omgaan.”

Nog meer testen? Ram verwees naar de statistieken, dat er naar schatting 1.750 ‘intentional’ sporters worden betrapt op doping, slechts 1% van het aantal controles dat wordt uitgevoerd. Veel overtreders komen er dus mee weg. Harde cijfers over hoeveel dope er echt wordt gebruikt en wat de reële pakkans is, ontbreken. Ram: ,,In Nederland hebben we de afgelopen jaren enig prevalentie onderzoek gedaan. Daaruit blijkt dat het gebruikspercentage onder Nederlandse topsporters 4.2% is – dat is de beste wetenschappelijke schatting die we op dit moment kunnen geven. Dat is dus vier keer zoveel dan wij ‘vangen’. Het is dus absoluut duidelijk dat een aantal sporters er onbestraft mee weg komt. Is dat vreemd? Dan vraag ik: heb je enig idee van het percentage van het aantal inbraken dat wordt opgelost? Dat is hoger dan 1% maar ook extreem laag.”

Het is nog niet bekend hoeveel sporters precies gebruiken en hoeveel er uiteindelijk betrapt worden. Er is dus nog veel werk te verrichten, aldus Ram. ,,Probleem daarbij is dat je er niet komt door steeds zwaardere maatregelen te nemen, door steeds meer sporters in een biologisch paspoort te stoppen en nog meer data te verzamelen. Daar is gewoon een grens aan, alleen al financieel. Het moet dus op een andere manier en dan kom ik op een volgende vraag: schrikken we af? Die vraag is cruciaal want al die controles moeten er ook toe leiden dat mensen besluiten níet te gebruiken. Dan hoeft het ook helemaal niet erg te zijn als controles maar 1% betrapten opleveren, want die andere 99% hebben ook hun effect.”

In Nederland is onderzoek gedaan naar het afschrikwekkende werking van dopingcontroles, zeker bij wielrenners. Ram: ,,Globaal kun je drie groepen onderscheiden: renners die er zo nerveus van worden dat ze zeiden: ‘Ik slik niet meer, ik had voortdurend het gevoel dat ik tegen de lamp ging lopen. Ik kan daar niet tegen en ben gestopt’. Anderen zeiden: ‘Ik liet me vertellen wat opspoorbaar was en gebruikte wat niet opspoorbaar was. Of ik gebruikte zo weinig dat ik niet gepakt kon worden.’ En dan had je nog het type diehard dat zegt: ‘Ik zal altijd blijven gebruiken als ik daar voordeel bij denk te hebben’. Dat type zal dus altijd blijven zoeken naar mogelijkheden en beschikbaarheid, ook als dat meer risico’s of andere nadelen met zich mee brengt. Dat is het beeld dat globaal naar voren kwam, maar dat ik niet in cijfers kan vatten, want die informatie is er niet.”

En dan is er volgen Ram nog het fenomeen ‘verdacht’. Bij 750 sporters werden vorig jaar verdachte bloed- en urinewaarden waargenomen. Het bewijs dat ze doping gebruikten was niet te leveren. En dan waren er nog de sporen her en der van cannabis of voedingssupplementen, die niet als stimulerend middel worden ervaren. En toevallige sporen in urine en bloed. “Domheid is geen overtreding.” Vandaar zijn roep om nog meer onderzoek.

Dick Pound (Foto Thomas Søndergaard/Play the Game) Dick Pound (Foto Thomas Søndergaard/Play the Game)

Pound stelde zich in zijn eigen voordracht als vanouds weer streng op, zoals de 73-jarige Canadese jurist en lid van het IOC die al sinds hij aan de basis (in 1999) stond van het WADA, gewend is te doen. Hij noemt overtreders van de dopingregels net niet crimineel, al brandt deze kwalificatie hem op zijn lippen. Ook nu weer benadrukte hij dat “het probleem rond doping groter is dan mensen weten, ja, zelfs vrezen. We hebben het wel over vals spelen in sport, waar het om sportiviteit en integriteit gaat. Er gaat steeds meer geld om in sport, het prijzengeld gaat steeds meer omhoog, er is een groei van criminalisering, van criminele organisaties, van handelaren. Daarom moet deze strijd serieus genomen blijven worden.”

Zo serieus dat het IOC van plan is in de toekomst dopingcontroles onafhankelijk van sportbonden te laten uitvoeren. Het WADA moet de verantwoordelijkheid krijgen voor het alle tests wereldwijd. IOC-voorzitter Thomas Bach liet dat vorige week na afloop van een IOC-congres in Lausanne tot verrassing van betrokkenen, zoals Ram, weten. “In het kader van de geloofwaardigheid van de sport en de bescherming van zuivere atleten zou dat een grote stap voorwaarts betekenen”, aldus Bach. Tot dusverre wordt een deel van de dopingcontroles uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van sportbonden en organisatoren van sportwedstrijden.

Ram: ,,Dat noem ik een revolutie in de dopingbestrijding. In de media is dat nieuws in niet meer dan een paar regels in de kortkolom gepubliceerd. Terwijl het groot nieuws is. Het zal nog wel even duren. Maar het betekent wel dat de respectieve internationale sportfederaties zich dan verder kunnen richten op andere zaken. Dat kan ook in de financiële middelen schelen.” De strijd wordt heftiger, gaf Ram na afloop van zijn voordracht toe. “Misschien voor de sporters dreigender. Mogelijk zal dat de strijd tegen doping nog verder vooruit helpen. Het beeld bestaat nu dat de antidopinggemeenschap een monster is. Er werken nog geen 2.500 man. Dat is piepklein in de grote sportwereld. Ik reken de controleurs niet mee, de vrijwilligers en onbetaalde functionarissen.”

Ram in zijn toelichting op zijn voordracht: ,,Iedereen roept zo makkelijk dat het allemaal niets is, dat het anders moet, maar niemand die de moeite neemt naar de feiten te kijken en al helemaal niemand komt met een behoorlijk alternatief. Dus wilde ik duidelijk maken waar we na vijftien jaar wereldwijd antidopingbeleid, want zolang bestaat WADA, nu eigenlijk staan. En dan is mijn conclusie dat we met relatief beperkte middelen ten aanzien van het probleem waartegen we geacht worden iets te doen, best veel bereikt hebben. We gaan eerder snel vooruit dan dat we in de modder zijn blijven steken.”

Of het niet een idee is om sporters die ‘clean’ hebben gewonnen een extra prijs te geven, werd vanuit de zaal door een vertegenwoordiger van een cricketbond geopperd. Meteen na afloop zeggen: ‘ik ben clean’. Leuk, maar….. Pound: “Het is jammer dat het begrip klokkenluider zo’n negatieve klank heeft gekregen. Het is juist positief dat sporters hun ervaringen met doping delen. Dat helpt de sport vooruit.”

Dit is de eerste aflevering van een serie over het Play the Game Congres in het Deense Aarhus, waar Sport&Strategie deze week exclusief verslag van doet. Tijdens dit congres komen alle grote thema’s uit de sport als doping, bestuur en management en matchfixing voorbij. Meer informatie over dit congres op PlaytheGame.org

Waterpoloër Marc van Belkum golft nu en hoe!

9 okt
Foto: Janus van den Eijnden

Foto: Janus van den Eijnden

Twintig jaar geleden heeft hij zijn zwembroek verbrand. Het water krijg je de meervoudige waterpolo-international écht nooit meer in. ‘Als ik een zwembad binnenkom word ik al misselijk van de chloorlucht.’

Marc van Belkum trekt er in de bestuurskamer van de knusse Oegstgeester Golfclub een vies gezicht bij. Wat wil je ook als je tussen je tiende en 28ste tien tot elf keer in de week trainde, hier in het zwembad of ervoor naar Papendal heen en terug naar Oegstgeest moest? Hij is er helemaal klaar mee.

Maar hij is en blijft een fanatieke sporter. Met dezelfde overgave golft Van Belkum sinds een jaar of vijftien. Alles wat er in zit, eruit halen. Dat heeft hij met zwemmen en waterpolo gedaan, dat doet hij nu met golf. Op z’n minst twee keer in de week een rondje op zijn thuisbaan in Oegstgeest, competitie met het ANWB-team en zeker op 35 grote banen per jaar. ‘Golf is, hoe zeg je dat? Een virus, ja.’

Hij vertelt over zijn kennismaking met golf, 15 jaar geleden. Tijdens een weekje in Vaals wilde hij weleens naar een golfclinic in de buurt. ‘Ik vond het maar niks, dat golf, met die kakkers in hun ruitbroek. Maar nadat ik twee à drie ballen geslagen had, was ik verkocht. Echt hélemaal verkocht. Ik heb de clinic ook afgemaakt. Ik vond het zo lekker om iets nieuws te leren. Toen ik thuis kwam heb ik meteen een golf-setje geleend en ben ik naar een driving range gegaan. En daar ben ik eigenlijk nooit meer weggeweest. Alles wat erin zit, eruit halen. Alweer, ja. Zo ben ik.’

Na een paar maanden zelf ‘klootviolen’, besloot hij les te nemen. Binnen drie maanden had hij zijn GVB gehaald. ‘Ik merkte dat ik balgevoel had, aanleg voor golf zeker. Ik weet wat een bal doet of het nu grote waterpolobal is of een golfbal is. Maar ik sloeg veel te hard, mijn swingsnelheid was veel te hoog. Het heeft wel een paar jaar geduurd voordat ik de kracht uit mijn slagen kreeg. In het begin deed ik nog geen 2 à 3 maanden met mijn handschoen, dan was hij al versleten. Nu kan ik er twee jaar mee doen. Ik knijp steeds minder hard. En je wordt ouder, misschien ga je daarom rustiger slaan.’

Marc van Belkum geeft toe dat hij het in waterpolo van zijn inzet moest hebben. ‘Ik moest hard trainen, en blijven trainen. Dat wilde ik ook, ik wilde de top halen. En die heb ik gehaald, tot aan de Olympische Spelen in 1992 in Barcelona. Datzelfde heb ik nu met golf. Ik zit nu op handicap 7, maar dat moet wel 4 of 5 worden. Dus veel tijd en energie erin steken. Als ik niet regelmatig oefen, gaat mijn handicap omhoog. Ik merk het meteen als ik een tijdje minder speel en oefen. Ik woon hier vlak bij de baan. Dus als ik even tijd heb, ga ik wat chippen en putten. Je vergeet ook meteen alle sores, je bent alleen met jezelf en dat spel bezig.’

Zoveel lange jaren speelde hij waterpolo in Leiden, Italië en Oegstgeest. Zoveel jaren maakte hij deel uit van een team, was hij afhankelijk van anderen. Uiteindelijk was hij er klaar mee, met het afhankelijk zijn van je medespelers – en andersom. ‘Je geeft elkaar de schuld, scheldt elkaar uit als het niet loopt. Dat hoort er ook bij, weet ik. Niks mis mee, maar dit is anders. Je kijkt bij elke slag in de spiegel.’

Maar hij golft toch wel in competitieverband. Dat is toch heel anders. ‘Toen ik in een lager team waterpolo speelde, kwamen er bij een uitwedstrijd zes of zeven spelers opdagen, had je soms te weinig mensen. En bij een thuiswedsrijd zestien. En dan kon niet iedereen spelen. Daar werd ik gek van. Nu heb ik eigenlijk alleen met mezelf te maken. En je speelt toch altijd tegen je zelf. De baan is je grootste tegenstander. En die zegt niks terug, dat is ook zo erg. Een tegenstander die zwijgt en je als het ware uitlacht als je een slechte bal hebt gespeeld.’

Leuk vindt Marc het als hij met vreemden (via internet) heeft afgesproken. ‘Je geeft die mensen een hand, kijkt elkaar aan, je slaat, je kijkt in het begin even wat ze kunnen en daarna ben je alles vergeten. Na een paar holes loop je zomaar met een paar vreemden te ouwehoeren. Ik heb zolang ik golf nog niet met een flight gespeeld die niet leuk was.’

Er zijn veel golfers die nerveus zijn als ze een bal moeten slaan. Is mijn grip goed, mijn stand, mijn hoofd? Heb ik de goede stok? Marc van Belkum kan zich dat heus wel voorstellen. ‘Ik ben niet nerveus. Ik weet wat ik moet doen, hoe ik het moet doen. Ik heb alleen wedstrijdspanning. Daar heb ik jaren ervaring mee. Dat vind ik juist lekker. Doen wat je moet doen en dan zien wat er gebeurt. Vertrouwen hebben in wat je doet en waar je mee bezig bent. Soms gaat het goed, soms niet. Lekkere spanning dus.’
—————————————————————————————————-
MARC VAN BELKUM (Leiden, 27 januari 1965) is een voormalige waterpolospeler. Hij komt uit een waterpolo-familie. Zijn broer Stan en zijn nichtje Iefke speelden ook met veel succes en triomfen waterpolo. Alle drie namen deel aan de Olympische Spelen. Marc in 1992 in Barcelona. Hij begon zijn carrière bij De Zijl-LGB uit Leiden. Daarnaast kwam hij uit voor Nereus Zaandam en Vivax Oegstgeest. Hij speelde ook één jaar in Italië, bij Camogli uit Genua. Marc van Belkum speelde 254 interlands.

Dit interview is gepubliceerd in GolfersMagazine 8 in de serie ‘Mijn nieuwe sport’. Eerder verschenen in deze serie Femke Dekker (ex-roeister), Robert Eenhoorn (ex-honkballer), Kristie Boogert (ex-tennisster), Kenneth Perez (ex-voetballer), Gijs van Lennep (ex-autocoureur), Barry Hughes (ex-voetbalcoach) en Erik Breukink (ex-wielrenner)

Michel Platini was eens Le Champion des Champions

8 okt

Dit portret verscheen zaterdag 3 oktober in NRC Handelsblad

Door Guus van Holland en Peter Vermaas
‘Michel Platini beweegt als schaatser op het ijs. Met het toppunt van elegantie verplaatst hij zich over het veld, de bal vormt voor hem geen enkel probleem. Met de borst vooruit en het hoofd omhoog beschermt hij door een lichte buiging de bal. Alles wat hij doet schijnt hem gemakkelijk en eenvoudig af te gaan.’

Het is de opmaat voor een hagiografisch boekje uit 1978: Michel Platini, Le Champion des Champions, met veel foto’s en korte teksten. Het werd uitgegeven naar aanleiding van de uitverkiezing door sportdagblad l’Equipe van de nauwelijks 23-jarige speler tot Frans sportman van het jaar in 1977. De tekst is van Roger Piantoni, de Franse oud-international (hij werd op het WK van 1958 met Frankrijk derde), die net als Platini bij FC Nancy debuteerde.

Platini werd eind jaren zeventig een grote toekomst voorspeld, en niet alleen door Piantoni. In het boekje staan indrukwekkende foto’s van zijn alom geprezen balvoering en van trainingen waarin hij langdurig oefent op vrije trappen, met poppen als muur. De Fransen, wier bewondering voor artistieke voetballers (Kopa, Piantoni, Platini, Tigana, Six, Giresse, Rocheteau, Henry, Cantona, Zidane) altijd de boventoon voert, raakten verblind door Platini’s présence.

Verblind zijn ze nog steeds. ‘Le Roi Michel’ is soeverein en onaantastbaar. Nog voor hij zichzelf deze week had kunnen verweren tegen beschuldigingen van corruptie in de zaak tegen Sepp Blatter en andere FIFA-bestuurders, trokken media en politiek in eigen land een haast onneembare verdedigingsmuur op.

Niet veel grote spelers slaagden erin om na hun actieve carrière een bijna even gloedrijk bestaan op te bouwen als bestuurder. Platini, sinds 2007 voorzitter van de Europese voetbalfederatie UEFA en nu de belangrijkste kandidaat om Blatter op te volgen bij de FIFA, lukte dat wel. Maar ‘gemakkelijk en eenvoudig’, om met Piantoni te spreken, is het niet meer. Blatter, die hij vorig jaar weigerde te steunen voor een nieuwe termijn, dreigt hem mee te slepen in zijn val.

Jaren trokken ze samen op: Blatter is voor Platini „bij toerbeurt bondgenoot, mentor, rivaal en voortaan beste vijand” resumeerde Le Monde onlangs. De voormalige Franse bondscoach, drievoudig Europees voetballer van het jaar en tweevoudig beste voetballer aller tijden, moet zich bij de Zwitserse justitie verantwoorden voor een bedrag van 1,8 miljoen euro dat de FIFA in 2011 naar hem overmaakte. Was dat fraude? Steekpenningen? Volgens Platini zelf ging het louter om een vergoeding voor zijn rol als technisch adviseur van Blatter, tussen 1999 en 2002.

Platini is „rustig” onder de aantijgingen, zei de chef sport van de Franse publieke radio, Jacques Vendroux, over zijn vriend als ware hij zijn woordvoerder. „Hij weet vanaf de dag dat hij Blatter opriep om zich terug te trekken als kandidaat dat hij, tussen aanhalingstekens, in een oorlog verzeild zou raken. Dat is heel moeilijk voor Michel”, aldus zijn analyse op France Info. En de twee miljoen? „Neem van mij aan dat hij geen nieuw zwembad of een badkamer heeft laten bouwen, geen nieuwe auto heeft gekocht of reizen heeft gemaakt”, zei Vendroux op tv-zender TF1. „Het gaat om kosten die te maken hadden met voetbalmissies.”

Zelfs de Franse politiek nam het meteen voor hem op. „We hebben geluk dat we iemand als Michel Platini hebben”, verklaarde premier Manuel Valls prompt na de eerste berichten uit Zwitserland. „Hij is een groot sportman geweest en is een groot sportbestuurder. Ik heb volledig vertrouwen in hem.”

Het was Platini die het een paar maanden eerder voor Valls had moeten opnemen toen de premier, groot fan van Barcelona, voor veel geld een regeringsvliegtuig naar de finale van de Champions League in Berlijn had genomen en daardoor in problemen kwam. Volgens Platini waren er in de aanloop naar het EK van volgend jaar belangrijke sportzaken te bespreken. Valls aanwezigheid was gewenst.

Het tekent Platini’s lenigheid en aanhoudende kwaliteiten als tacticus. Net zo makkelijk als op het veld bewoog en de regie op het veld in handen hield, lijkt hij zich nu in de duistere gangen van de macht van het mondiale voetbal een weg te vinden. In de politiek, in de media en onder voetbalbestuurders heeft hij op de juiste plaatsen steunpilaren die altijd weer van pas kunnen komen.

Politici, van links en van rechts, willen met hem gezien worden. Oud-president Nicolas Sarkozy zette zijn vriend zelfs in om de Franse economie aan te zwengelen, onthulden journalisten van France Football in 2013. In ruil voor investeringen zou hij Qatar beloofd hebben zijn vriend voor het WK 2022 te laten stemmen. Platini heeft erkend dat er bij zijn omstreden stem voor de Golfstaat „politieke druk” was, maar hij staat nog achter zijn keuze. Dat zijn zoon drie maanden na de stemming een baan kreeg in de Golfstaat, heeft volgens hem geen enkele relatie. Maar de affaire was het eerste echte vlekje op de loopbaan van Platini als bestuurder.

De kleinzoon van een na de Eerste Wereldoorlog uit Italië naar Frankrijk uitgeweken metselaar begon, nadat hij werd afgewezen bij Metz, zijn profcarrière bij FC Nancy, de club waar vader Aldo ook had gespeeld. Daarna volgden St. Etienne en Juventus.

Onder zijn leiding regen deze clubs nationale titels aaneen. De ‘aanvallende middenvelder’ of ‘binnenspeler’ dicteerde het spel, geregisseerd à la Johan Cruijff met weidse gebaren en luide aanwijzingen: bal aan een touwtje, wijzen en schreeuwen, om dan een meedogenloze pass te geven. Vaak scoorde hij zelf, alsof het normaal was – achteloos, bijvoorbeeld uit een vrije trap.

Zoals in 1984, toen Frankrijk Europees kampioen werd door in de finale met 2-0 te winnen van Spanje. De eerste goal was een vrije trap van Platini, Bruno Bellone maakte de tweede, maar aanvoerder Platini werd topscorer van het toernooi met negen doelpunten.

platini zwemt
Platini maakte Frankrijk Europees kampioen, op zijn manier, techniek parend aan inzicht – dominerend en regisserend. Het elftal speelde aan de hand van Platini. Zelfs coach Michel Hidalgo moest zijn oren laten hangen naar de ideeën van Platini. Trots, blij en met zichzelf ingenomen kreeg hij als aanvoerder de trofee.

De Franse voetballiefhebber, maar eigenlijk iedereen die voor het onmetelijke Franse chauvinisme vatbaar was, was in de ban van Michel Platini. Oud-ploeggenoten zoals Didier Six en Jean Tigana hebben wel gezegd dat Platini zichzelf onschendbaar ging voelen.

„Michel had gouden voeten, daar kon hij alles mee. Hij was aimabel, maar hij wilde toch te graag dominant zijn”, zei Six, toen hij in zijn nadagen voor Stuttgart speelde, in het Duitse blad Kicker. „Hij had het talent om te genieten van wie hij was en wat hij bij mensen bereikte. Hij straalde uit dat hij aantrekkelijk was. Een mooie man, die mooi voetbalde en mooi scoorde. Alles was mooi aan hem.”

Zijn achilleshiel als speler zou het Heizeldrama worden. In de aanloop van de Europa Cup-finale van Juventus tegen Liverpool in 1985 vielen in het gedrang en de gevechten op de tribunes van het stadion in Brussel 39 Italiaanse doden. Het was een macabere voorstelling waarin Platini geen aangename rol in speelde. Dankzij een discutabele strafschop werd Juventus winnaar. Platini nam de penalty en benutte hem. Hij juichte. Na afloop van de wedstrijd maakte Juventus een ereronde door het stadion dat in een slagveld was veranderd.

„Het was geen teken van een heldere geest”, zei Phil Neal, destijds aanvoerder van Liverpool, tien jaar later in een interview met deze krant. „Maar wat moest Platini anders? De beker weigeren? Iedereen die in die waanzin iets moest doen, deed vreemd. Niemand kon je die dag iets verwijten.” (http://www.nrc.nl/handelsblad/van/1995/mei/29/die-dag-drong-het-tot-mij-door-dat-voetbal-waanzin-7269118). Zo vond ook Platini later in zijn antwoord op het drama. „Het hoofd stond stil, ik moest scoren. Waarom? Ik weet het niet.” Nooit meer wilde hij naar het stadion terug.

Twee jaar na ‘Heizel’ stopte Platini als voetballer. Hij was 32, en „moe, doodmoe van voetbal en de verplichtingen”. Ruim een jaar later werd hij bondscoach van Frankrijk. Hoewel Frankrijk onder zijn leiding zeer succesvol en vrijwel onoverwinnelijk was, werd de favoriete nationale Franse ploeg op het EK van 1992 vroegtijdig uitgeschakeld. Platini nam ontslag. Intussen leidde hij, op aangeven van de Franse president Mitterrand, de succesvolle lobby om het WK van 1998 naar Frankrijk te halen.

Het waren deze eerste stappen in de nieuwe wereld van het voetbalbestuur, die tot zijn samenwerking met Blatter bij de FIFA zouden leiden. Daar is hij veranderd. „Wat Michel als speler en trainer weigerde, heeft hij geaccepteerd als bestuurder: zich geduldig tonen, luisteren”, zei vriend en journalist Gérard Ernault onlangs in Le Monde. „Michel heeft begrepen dat bij hem een dimensie van reflectie, van compromis ontbrak: alles wat hij op school niet geleerd had.”

Die kwaliteiten zal hij nog hard nodig hebben. Michel Platini kent de schoonheid van voetbal. En getuige het Heizeldrama heeft hij een killersinstinct. Scoren vanuit kansloze positie is hem als geen ander toevertrouwd. Kan iemand hem nog ten val brengen?

Peter Sagan en de opluchting in de wielerwereld

30 sep
Wereldkampioen Peter Sagan omringd door zijn twee enige Slowaakse ploeggenoten en zijn vriendin Katarina

Wereldkampioen Peter Sagan omringd door zijn twee enige Slowaakse ploeggenoten (zijn broer Juraj en Michael Kolar) en zijn vriendin Katarina Smolkova

Getuige de verslagen en analyses van het afgelopen wereldkampioenschap op de weg in het Amerikaanse Richmond hebben de wielerjournalisten hun arbeidsvreugde teruggevonden. Hun stemming heeft dezelfde blije kleur als die van de mensen die door de jaren heen de wielersport door dik en dun hebben gevolgd. Zie de reacties op de sociale media. Wielrennen gaat weer over wielrennen. De koers is weer de koers.

Ik heb het begrip doping nog niet gelezen. Evenmin het begrip omkoping, dat nooit valt uit te sluiten in een commerciële topsport waar meer belangen het  wedstrijdverloop en de uitslag kunnen beïnvloeden. De wereldkampioen bij de profs, de Slowaak Peter Sagan, krijgt overal lof toegezwaaid. Alleen al door zijn indrukwekkende ‘panache’, die op de laatste klim begon, in elke volgende bocht door zijn stuurmanskunst meer allure kreeg en resulteerde in een niet eens uitbundige finish. En dan zijn verrassende politieke statement, dat de vluchtelingencrisis en het drama in Syrië serieus genomen moeten worden. Hij sprak zijn hoop uit dat de wereld ten goede verandert, dat mensen elkaar niet vijandig moeten bejegenen. Het leven is daarvoor te waardevol. Zoiets wilde hij benadrukken.

Het is weer eens wat anders dan zegevierende sporters en scorende voetballers geprogrammeerd en met tegenzin hun clichématige succesverhaal horen stamelen en pruttelen. Sagans verklaring klonk spontaan, als een sporter die weet dat sport kan bijdragen tot verbroedering. Een goedlachse jonge man (25), die beseft dat hij op een podium staat en daar de wereld kan vertellen wie hij is en hoe hij denkt. De ene keer met een kwinkslag, de andere keer met een serieuze blik. Hoe slecht hij zich ook in het Engels kan uitdrukken, hij zegt wat hij zeggen wil.

Her en der is geschreven dat een wereldkampioen als Peter Sagan een zegen voor de wielersport is. Een renner die het publiek niet alleen hoogwaardige sport biedt, maar ook vermaak. Juist na alle chaos en rumoer, veroorzaakt door dopingonthullingen en -bekentenissen, werd nog niet zo lang geleden de banvloek over de wielersport uitgesproken. Sponsors trokken hun handen af van de wielersport om niet vereenzelvigd te worden met aanstootgevende uitstraling. In veel mediakringen (onder leiding van angstige hoofdredacteuren) werd zelfs aangedrongen de wielersport met nog meer scepsis te benaderen, of dan toch zeker zuiniger met positieve beoordelingen om te gaan. In navolging van de Duitse televisiezender ARD viel hier en daar nota bene het woord Boycot.

De wielersport was verrot. Dat ook andere sporten (zoals vooral voetbal) bloot staan aan ‘verrotting’, veroorzaakt door commercie, spelverruwing, grenzenloze begeerte en andere ‘hogere’ belangen, heeft zelden geleid tot soortgelijke scepsis. De voetbalstadions lopen nog steeds vol, de media-aandacht wordt eerder groter dan kleiner. Terwijl toch van een structurele ontmanteling van sportiviteit, eerlijke uitgangspunten en gelijkwaardige strijd kan worden gesproken.

Of de wielersport gezond is en op sportieve gronden wordt bedreven, is niet duidelijk. De kans dat binnenkort weer een al jaren durend etterend kwaadaardig gezwel wordt ontdekt, is niet uit te sluiten. Waar aan het einde van de wedstrijd triomf en eeuwige glorie (en materiële rijkdom) wachten, ligt immers het kwaad op de loer. Ook Peter Sagan is een mens die aan verleidingen bloot staat, hoe zeer zijn oproep tot meer menselijkheid en vrede ook gemeend is.

Getuige de reacties en commentaren in zowel traditionele als sociale media heeft de wielersport zich ontdaan van het kwaad. In Duitsland en Nederland doet de aanwas van winnaars, talent en aansprekende renners het enthousiasme nog meer toenemen. De Nederlandse supporters hebben weer favorieten om te bewonderen en te koesteren. Na de massale verering van het nieuwe fenomeen Tom Dumoulin in de Ronde van Spanje, volgde de verwachting (ook in de media) dat een Nederlandse renner voor het eerst na 30 jaar (Joop Zoetemelk in 1985) wereldkampioen kon worden.

Als antwoord lieten de Nederlandse renners zich gedurende de zes uur lange race in Richmond onophoudelijk van hun meest aanvallende kant zien. Kijk, hier zijn we dan, de favorieten! Overmoed en naïviteit, gevoed door hoop. Zowel in de Nederlandse ploeg als in de huiskamers en op de perstribune en commentaarposities. Alsof aanvallen in een wielerkoers de beste verdediging is. Vraag het Sagan, die zich tot twee kilometer voor de eindstreep anoniem ophield tussen zijn twee (!) volslagen onbekende Slowaakse ploegmaten en met één ultieme aanval de Nederlanders bedankte voor hun slopende, onbezonnen sleepwerk.

Maar Nederland sprak een woordje mee. Daar ging het om, bij de wielervolgers. Op het beeldscherm was de toonaangevende kleur oranje. De Nederlandse bondscoach Johan Lammerts was dus trots. En de Nederlandse wielerliefhebbers en journalisten met hem. De hoop, waarop sport is gegrondvest, giert weer door de wielersport in het algemeen en door de Nederlandse wielersport in het bijzonder. Het was de toon die niet alleen de Nederlandse media zetten, maar ook de buitenlandse. Waarschijnlijk was het eerder de opluchting dat wielrennen niet langer verrot is, maar weer leeft.

We hoeven het even niet meer over doping en andere vormen van vals spel te hebben. Zonder vooroordeel naar sport kijken, zonder scepsis, zonder argwaan, zonder een bittere nasmaak, zonder insinuaties, zonder kritische en suggestieve tonen in de media en zonder zuinige complimenten. Is dat wat we willen? Is dat wat sponsors willen? Is dat waar sport voor bedoeld is? Gezonde sport in een verziekte samenleving, dat zou mooi zijn.

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

Over het pad van altruïsme, samen met Matthieu Ricard

26 sep

ricard kinderen

Dit artikel van mij is gepubliceerd in de (Engelstalige) zomereditie van The Optimist.

Ik liep voorbij een bloemenstal en dacht: waarom niet? Mijn vrouw en ik hadden een heftige ruzie gehad. Die hadden we weliswaar uitgepraat, maar nog steeds voel ik de pijn die ik haar heb aangedaan. Ook voel ik mijn eigen gekwetstheid door mijn lijf gieren. Ik wil weer dat de liefde overheerst. Ik hou van haar. Dat wil ik tonen. Zou een bos tulpen helpen? Ja, gele, de kleur van vergeving en verbondenheid. Ik koop een stevige bos.

Maar op weg naar huis, naar haar, voel ik tweeslachtigheid. Doe ik dit nu écht om haar pijn te verzachten? Of – en daarom verkeer ik in dubio zodra ik iets wil geven – doe ik het misschien voor mezelf? Doe ik het om míjn pijn te verzachten? Om haar mild jegens mij te stemmen?

Verdorie. Doe ik het nou wéér? Zet ik mezelf weer op de eerste plaats? Draait het weer om mij?

Ik vrees van wel. Ik wil natuurlijk dat ze niet meer kwaad op mij is. Waarom zet ik háár niet op de eerste plaats? Ik kan toch gewoon van mijn liefde getuigen? Gewoon, mijn liefde geven. Gewoon dóen, gewoon vrijgevig zijn. Eens alleen aan haar denken. Aan haar en aan anderen.

Het zijn dagelijks terugkerende dilemma’s. Dat geldt onmogelijk alleen voor mijzelf. Mensen die onbaatzuchtig geven, tel ik weinig. Ze zijn er heus wel, de Florence Nightingales en Moeder Teresas, die geven zonder iets terug te verlangen. De vrijwillige verplegers en verzorgers, die zichzelf kunnen wegcijferen ten voordele van hun naasten, zonder er iets voor terug te krijgen. Die iets van zichzelf geven: hun liefde en troost, hun medeleven. Gewoon uit liefde voor de anderen. Naastenliefde. Geen rekening openen. Nooit om een terugbetaling vragen.

Ik wou dat ik zo was. Dus niet voortdurend: ‘kijk eens hoe goed ik ben’. Ook niet steeds eerst aan mezelf denken, niet steeds mezelf horen praten, over mijzelf. Maar ook eens luisteren en benieuwd zijn naar wat anderen te zeggen hebben.

Het is nog een hele kunst, altruïsme, ofwel onbaatzuchtig handelen. Of zoals de Franse filosoof en grondlegger van het positivisme, Auguste Comte (1798-1857), altruïsme het interpreteerde: ‘Uitschakeling van egoïstische verlangens en egocentrisme’ en ‘een leven dat gewijd is aan het welzijn van anderen.’

Matthieu Ricard

Op de kaft staat Altruïsme: De kracht van compassie. De auteur is Matthieu Ricard, een 68-jarige Franse boeddhistische monnik. Egocentrisme is het grootste probleem van onze tijd, stelt hij. Alles draait om het ego, om het zelf, om zelfgenoegzaamheid, vooral om bezit. Niet omdat mensen zo worden geboren, maar omdat het hen wordt geleerd door hun ouders en hun omgeving. Wie mee wil in deze harde wereld, heeft als individu de plicht voor zichzelf op te komen.

Ricard verstaat onder altruïsme (of compassie) het verlangen om het geluk van anderen te bevorderen en diens lijden te verlichten. Meevoelen met het lijden van een ander. Hij heeft na jaren van onderzoek (onder meer door gesprekken met denkers, wetenschappers en economen) ontdekt dat altruïsme de sleutel is tot de oplossing van de crises die we momenteel doormaken: sociale, economische en ecologische crises.

We moeten, aldus Ricard, het aandurven altruïsme op scholen te presenteren als een kostbaar instrument, waarmee kinderen hun natuurlijke potentieel tot vriendelijkheid en samenwerking kunnen realiseren. We moeten durven verklaren dat de economie niet alleen maar genoegen mag nemen met de stem van de rede en met louter eigen belang, maar dat ze ook naar de stem van de zorgzaamheid moet luisteren. Serieus rekening houden met het lot van toekomstige generaties. Hoe kunnen we invloed uitoefenen op de tabaksindustrie, de farmaceutische en chemische industrie, de land- en tuinbouw, de klimaatdiscussie? Zodat we het antropoceen, het heersende tijdperk waarin de kwaliteit van onze planeet fundamenteel aangetast dreigt te worden door menselijk wanbeheer, kunnen keren.

Altruïstische liefde is, zo meent Ricard, de beste waarborg voor een vervuld en zinvol leven, een leven waarin we werken aan het geluk van anderen en proberen hun lijden te verlichten. Hij citeert Albert Schweitzer (arts, filosoof, theoloog en medisch zendeling uit de vorige eeuw): ‘Alle echt gelukkige mensen die ik heb gekend, hadden geleerd hoe ze anderen van dienst moesten zijn.’

In zijn boek raakt Ricard aan mijn ervaringen en vooral aan de confrontaties met mezelf. Sinds een jaar of drie leer ik in alle ernst en vol overgave voor boeddhist, bij voorkeur de op westerse belevingen gebaseerde variant Shambhala. Nu ik dagelijks mediteer en contempleer, voel ik wat aan mij schort. Ik ben vooral met mezelf bezig geweest. Wat anderen doen, hoe anderen hun leven leiden, anderen lijden: het is vaak aan mij voorbijgegaan. En dat doet mij pijn.

Met Matthieu Ricard maakte ik eerder kennis. Hij schreef ‘De monnik en de filosoof’. Daarin ging hij de dialoog aan met zijn vader, Jean-François Revel, een vermaard filosoof. Het boek handelt onder meer over verschillen in beleving tussen naastenliefde in het Westen en in het Oosten, over onderwijssystemen en opvoeding. Ricard beweert bijvoorbeeld: ‘Het woord mededogen wekt in het Westen nogal eens de indruk dat het om een neerbuigend medelijden gaat, om een meewarigheid die een afstandelijke houding aanduidt ten opzichte van degene die lijdt. Maar het Tibetaans nyingje, dat vertaald wordt met mededogen, betekent letterlijk ‘de heer van het hart’, dus hij die over onze gedachten moet regeren. Dat is wat anders dan wij in het Westen beleven.’

Zijn recente boek gaat verder. Het spreekt me aan. Ik wíl graag helpen, zonder aan mijzelf te denken. Dat ego van mij – en trouwens ook dat van anderen – mag best eens minder groot zijn. Met bijna negenhonderd pagina’s moet in dit boek voldoende staan om van te leren.

Ook wat de persoonlijke levenswandel betreft, is Ricard een leermeester. Toen hij 25 jaar was, trok hij naar de Himalaya. Hij was in aanraking gekomen met oosterse wijsheden. Dat lag niet erg voor de hand. Hij leefde in weelde. Hij had intellectuele en kunstzinnige ouders, met tal van gelijkgestemde kennissen, van wie hij veel opstak. En hij maakte carrière. Als gepromoveerd moleculair bioloog werkte hij op het Pasteurinstituut samen met de Nobelprijswinnaar voor de Geneeskunde, François Jacob.

Maar er zat hem iets dwars. Er is iets, maar wát? Daarin herken ik iets. Maar Ricard legde zich er niet bij neer. In de Himalaya kwam hij dankzij boeddhistische leermeesters, urenlange meditaties en studies tot nieuwe inzichten.

Veertig jaar woont hij nu in de Himalaya, in het Shechenklooster in Kathmandu, de hoofdstad van Nepal. Tot teleurstelling van zijn in 2006 overleden vader zette Ricard zich met zijn aangetoonde talenten na zijn vertrek uit het Westen niet meer in voor de moleculaire biologie. Ricard riposteerde in De monnik en de filosoof dat hij andere prioriteiten heeft leren kennen. ‘Ik had steeds meer het gevoel dat ik de mogelijkheden van een mensenleven niet echt benutte, dat het leven me dag na dag door de vingers glipte.’ Hij treedt regelmatig op als tolk voor de dalai lama. Nu reist hij de wereld rond om zijn missie uit te dragen.

Ricard beheert een stichting, waarmee hij ongeveer 25 duizend kinderen helpt. Hij doneert een miljoen dollar per jaar aan hulpbehoevende scholen, ziekenhuizen, kloosters en filosofische instellingen in Tibet, India en Nepal. Het geld komt uit opbrengsten van zijn boeken en wereldwijde sponsorwervingen en lezingen. ‘Zonder die jaren van isolatie, waarin ik mijn geest trainde,’ zei hij in een interview in dagblad Trouw, ‘was ik daar niet toe in staat geweest.’

In de Himalaya – waar hij vijf jaar in geïsoleerde meditatie doorbracht – ontmoette Ricard vooral mensen die veel minder met zichzelf bezig zijn. Dat waren niet alleen leermeesters, maar ook ‘gewone’ stervelingen. Van borstklopperij en ijdelheid is weinig sprake bij traditionele volkeren. Hij zag een vorm van vriendelijkheid die ver afstond van het antisociale gedrag in Parijs, het stadse gepronk met onszelf. Met ons Zelf. Met onze ego’s.

Wat als we dat gedrag hier in het Westen leren? Wat als we onze persoonlijkheid meer naar de achtergrond drukken? Als we ons egocentrisme uitschakelden en een leven leiden dat gewijd is aan het welzijn van anderen?

Het is een helse opgave ons ego los te laten. Alleen al eerst in twijfel durven trekken dat mensen van nature géén egoïsten zijn, maar wel degelijk gericht op samenwerking. Samenwerken leidt immers tot meer resultaat dan alleen werken. Door iets samen te doen, kweek je saamhorigheid, krijg je vrienden. Zonder vrienden is maar alleen, nietwaar? De mens is een sociaal dier.

Wielrenner Eddy Merckx

Eens was Eddy Merckx een begenadigd wielrenner. Hij kon winnen wanneer en waar hij maar wilde. Dat deed hij, bijna 20 jaar lang. Andere wielrenners misgunde hij overwinningen, omdat er voor Merckx maar een was die telde: Eddy Merckx. Alles draaide om hem, het uitverkoren supertalent. Zijn ego, dus.

Zo móet het wel zijn geweest. Want Merckx sloot zich af van anderen. Hij vermeed journalisten. Hij had geen oog voor anderen. De beste wielrenner ooit, zo wisten we allemaal, was een onverbeterlijke egoïst. Getuige ook zijn bijnaam: De Kannibaal.

Maar in een terugblik op zijn leven, uitgezonden op de Belgische televisiezender Canvas (december 2014, in de serie Karakters) toonde zich een heel andere Eddy Merckx. Na fysieke aftakeling, ziektes en hartoperaties vertelde de Belg, nu 70 jaar, waarom hij als welvarend constructeur van racefietsen vooral de mannen in dienst nam die hem in zijn loopbaan als succesvol wielrenner ‘gedienstig’ hadden bijgestaan. Die mannen waren na hun sportleven in een zwart gat gevallen. Zonder fiets, doel, kopman, zonder leider, zo bleek, was hun leven zinloos, uitzichtloos en stuurloos geworden.

Merckx herkende het leed. Het zwarte gat na zijn vroeg afgebroken carrière was immens diep. ‘Een wielrenner die stopt, is de eenzaamste man ter wereld.’ De onoverwinnelijke sportman die jarenlang in een cocon had geleefd, zijn emoties had verborgen en had gezwegen omdat hij de buitenwereld (tegenstanders, ploeggenoten, journalisten, supporters) niet vertrouwde, bleek zowaar een gevoelsmens. Eddy Merckx hield van mensen, maar hij kon het niet tonen. Want: ‘Wie een kampioen wil zijn, moet ook een kampioen zijn in het afschermen en maskeren van zijn eigen ik.’

Nu hij zich van zijn masker kon ontdoen, ontstond een ander beeld. Anderen hadden willen profiteren van zijn roem. Anderen hadden hem bestempeld tot een god. Dáárom hield Merckx zich afzijdig en fietste hij onverstoorbaar naar zijn volgende triomf. Hij had andere mensen best willen helpen als ze in nood verkeerden, naar adem hapten of om geld verlegen zaten. Hij had best altruïstisch willen zijn, maar dan zou hij zijn heerschappij als wielrenner verliezen. Dan zou hij zijn ‘ik’ tekort doen. Een winnaar laat zijn kwetsbaarheid niet zien.

Wat leren we hiervan? Eddy Merckx was niet de egoïstische sportman, vervuld van zijn talent en triomfen. Hij was een bescheiden mens die niet beter wist en gewoon deed wat hij als sportman moest doen: winnen. Pas toen zijn carrière was beëindigd, besefte de Belg dat hij de triomfen niet alleen aan zichzelf te danken had. Toen pas betuigde hij dank aan mensen die zijn successen mogelijk maakten: zijn ouders en managers die hem hadden beschermd tegen de ‘vijandige’ buitenwereld, zijn ploeggenoten die hem ‘uit de wind hielden’, zijn ‘waterdragers’ die hem verzorgden. Toen pas kon Merckx zijn menselijke kant tonen en hielp hij die mannen die hem eerst verweten koel, afstandelijk en egocentrisch te zijn, maar die nu in hun zwarte gat ronddoolden. Nu Merckx niets meer te verliezen had, kon hij nederig zijn en zich op anderen richten.

Eddy Merckx werd verdoofd door ( te veel) succes. Hij ging geloven dat hij een god was: de perfecte mens die alles won en daarom de wereld aan zijn voeten kreeg. Hij was niet in staat te geloven dat hij dat die triomfen ook aan anderen te danken had. Op een moment in zijn leven begreep Merckx dat hij (ook) anderen moest helpen. Hij was niet langer het epicentrum. Hij zag anderen lijden, mogelijk omdat hij zichzelf herkende in het lijden: niet kunnen zijn wie je eigenlijk bent, omdat je wordt geleefd. Kom, dacht hij, ik help mensen die minder kwaliteiten hebben. Eddy Merckx werd mens onder mensen.

Basketbalcoach Phil Jackson

In de sport, een competitieve wereld bij uitstek, komen veel uitblinkers na verloop van tijd tot deze ontdekking. Michael Jordan, de beste basketballer aller tijden, leerde van zijn coach dat hij nog beter zou worden als hij aandacht zou hebben voor zijn minder getalenteerde medespelers. Die coach, Phil Jackson, was door het zenboeddhisme geïnspireerd. Hij confronteerde Jordan met zijn ego. Zelf als je nog zo goed bent, moet je hulp vragen en hulp bieden. Want alleen sámen met anderen word je beter.

Jackson liet zijn spelers het sprookje De tovenaar van Oz lezen, over de uit nood gedwongen zoektocht naar de ‘verlosser’. Onderweg vinden lotgenoten elkaar: een vogelverschrikker die hersens nodig heeft, een blikken man die graag een hart wil, een bange leeuw die hoopt dat de tovenaar hem meer moed kan geven. Allemaal hebben ze hun beperkingen, maar samen vormen ze een effectief team. Later ontwikkelen zij zich tot trouwe bondgenoten. Het ‘ik’ maakt ruimte voor het ‘wij’.

Ook gingen Jordan en zijn teamgenoten mediteren in een échte schrijnruimte, met smeulende wierook en salie. Hij leerde hen contempleren over de kracht van samen doen en anderen helpen door jezelf weg te cijferen, je ego los te laten. Zo leerden ze elkaar begrijpen, de goden en hun volgers. Samen spelen. Het door Jackson aangestuurde altruïsme leidde tot een record aan triomfen en titels.

Is het vreemd dat ik de sportwereld als voorbeeld neem? Ik heb in 35 jaar als sportverslaggever ervaren dat het ego van de beoefenaren groeit als de successen zich aaneenrijgen. Totdat groei tot overschatting leidt. Ik zag dat mensen die niet de top haalden, terneergeslagen raakten. Ze waren altijd voor zichzelf gegaan, mede omdat hun omgeving (ouders, familie, vrienden) hen daartoe aanzetten: Jij kunt het, jij bent de beste. Alles draait om jou. We herkennen het fenomeen, zodra we als betrokkenen aan de zijlijn staan. Direct betrokkenen willen maar één ding: hij moet winnen.

Teamgeest spreekt in de sport weliswaar tot de verbeelding, maar uiteindelijk draait het om winnen. Wie in een team speelt, wil niet alleen beter zijn dan de tegenstander, maar ook beter dan de ploeggenoten, want anders sta je ernaast. Sport is hét terrein waarop je jezelf voortdurend op de borst klopt en anderen kleineert, ter meerdere eer en glorie van je eigen ego.

Sport wordt een afspiegeling van de samenleving genoemd. Wie wint, wordt bevestigd in zijn ego; wie verliest, wordt verbannen en kan beter vluchten. Denken wij zo ook buiten het stadion? Zijn wij in ons dagelijkse leven ook bezig ons ego op te poetsen en iedere beschadiging van ons zelfbeeld te vermijden? Of zeggen we bijvoorbeeld ook een dakloze gedag? Vragen we ons af waarom hij geen huis en geen werk heeft? Sterker, overwegen we onze hulp en bezittingen (geld) aan te bieden?

Terug naar het sportveld. Leren we onze kinderen (onszelf) we dat er minder getalenteerde meespelen? Of denken en spelen we alleen voor onszelf? Ik herinner me nog hoe wij (als jeugdspelers) een jongen die (te) traag of te dik was, dan wel motorisch beperkt (hij deed zo raar) haatten, omdat hij ons hinderde op weg naar de titel. Hij moest vervangen worden, en snel. Voor mensen die niet perfect zijn, is geen plaats.

De Nieuwe Liefde

Matthieu Ricard verkondigde in februari van dit jaar in De Nieuwe Liefde in Amsterdam zijn verhaal in een bordeauxrode pij. Een rare kwast, zo zou je hem kunnen zien. Hij wekt daarom mogelijk argwaan. Het vergt bereidheid open te staan voor ‘nieuwe’ inzichten – en al helemaal van iemand die decennialang ver van de ‘geciviliseerde’ (ons bekende) wereld heeft gewoond. Toen ik hem zag won mijn nieuwsgierigheid het van mijn angsten. Een gewone man, hij droeg sportschoenen, glimlachte niet voortdurend en aanschouwde de wereld niet door een rose bril. Hij was realistisch, vol van overtuiging zijn ervaringen te moeten delen.

Uit de zaal – met 250 bezoekers – werd een vraag gesteld over psychopaten en sociopaten, ontspoorde mensen in een verwarrende samenleving die geen empathie (meer) voelen. Of dictators, mensen zonder geweten. Hoe ga je er om mee om? Hoe kun je hen helpen? Over altruïsme gesproken. Ricard: ,,Niemand vraagt je van deze mensen te houden, van je vijanden of van psychopaten te houden. Je wenst hen geen succes met het moorden van andere mensen. De vraag is: wat kan ik doen om tot hen door te dringen, iets te begrijpen van wat hen bezighoudt? Wat is hun diepe behoefte? Ik had 24 uur met Saddam Hussein kunnen doorbrengen en naar hem kunnen luisteren. Zo lang mogelijk meegaan, als een judoka, om dan heel even te proberen hem op het andere been te zetten: een vraag over liefde. Van wie houdt u? Als je merkt dat hij iets oppikt, weer luisteren. Het vraagt geduld en vooral liefde, zeker geen vijandigheid. Ik denk dat het mogelijk is psychopaten, mensen zonder empathie te helpen. Luister naar hen. Toon je liefde, elke keer. Misschien…’’

Empathie, het begrip is gevallen. Empathie gaat dieper dan altruïsme. Zo ging Ricard in op de opmerking van Roman Krznaric, de Engelse socioloog en filosoof, die met Alain de Botton The School of Life oprichtte. Krznaric confronteerde Ricard met zijn inzichten over empathie. Krznaric schreef er een boek over: Empathie. Empathie is het vermogen om je te verplaatsen in anderen, in de hoop hen daardoor beter te begrijpen.

Bedenk, vroeg Krznaric, hoe een ogenschijnlijk, emotieloze man er in een andere, meer menselijke gedaante uitziet, bijvoorbeeld wanneer hij met zijn zoontje van drie verstoppertje speelt of een liedje zingt voor zijn bejaarde moeder om haar op te vrolijken. De omgang wordt anders. De kans is groot dat ook hij verzacht. Zo veronderstelt Krznaric.

Maar toch: empathie zuigt je leeg. Zo meent Ricard. Wanneer je voortdurend empathie, voor een zieke hebt, probeert ín te voelen, kan dat leiden tot een burn-out. ,,Je kunt als arts of verpleger niet ongestraft de hele dag met de patiënt mee-lijden. Maximale betrokkenheid, maximale distantie. Warmte geven kan op den duur veel doen, meer. Als de patiënt, degene die lijdt, jouw warmte voelt, kan dat de pijn verlichten.’’

Max Planck Instituut

Ricard baseert zijn inzichten op neurologische testen van de Duitse Tania Singer, directeur Sociale Neurowetenschappen aan het Max Planck Instituut in Leipzig. Uit hersenscans die Ricard bij Singer onderging, werd duidelijk dat bij altruïstische gedachten (meeleven) reacties in de hersenen zijn waar te nemen die anders zijn dan bij empathische gedachten (inleven). Zoals Singer begin dit jaar bij het World Economic Forum in Davos, waar Ricard een betoog over altruïsme hield, aangaf: ‘Het gebrek aan compassie is misschien wel de oorzaak van de grootste mislukkingen van de mensheid.’

Ik heb het zelf leren herkennen. Ik heb me eens proberen te verplaatsen in een andere, lijdende, zieke medemens. Wat voelt hij nou? Ik ging mee. Ik meende zijn pijn te voelen, zijn wanhoop, zijn hoop. Ik begroef mezelf in die ander. Het hielp niets, hem niets en mij niets. Het putte me uit. Ik raakte in verwarring. Waardoor de ander nog meer in verwarring raakte. Want ik was die ander niet. Het was niet mijn pijn.

Altruïsme kan je een verblijd gevoel geven, zonder dat je trots voelt of je ego bevestigt. Geef de ander ruimte om te denken wat hij denkt. Zet hem (de psycho- of sociopaat, de dictator) niet onder druk, probeer hem voorzichtig ervan te overtuigen dat je zijn behoefte (woede?) wil begrijpen. Zoals ik eerder Ricard citeerde over zijn ingebeelde ontmoeting met Saddam Hussein. Geef liefde, luister met liefde, geef, geef hem als medemens wat je aan liefde hebt. Verwacht geen geschenk voor je betoonde liefde.

Voor wat hoort wat. Het is de valkuil voor iemand die meent zich altruïstisch te gedragen. Dan geef je met in gedachten de stille hoop, soms onbewust, er iets voor terug te krijgen. Of eenvoudigweg omdat het je ego streelt: kijk mij eens goed zijn, ziet iedereen wel hoe goed ik ben.

Neem mijn relatie tot Facebook. Soms deel ik een bericht over mensen in nood, of over een boeddhist die altruïsme wil verspreiden. Waarom doe ik dat? Om anderen te helpen of aan het denken te zetten? Of wil ik misschien tonen dat ik anderen zo graag wil helpen of weer iets te vertellen heb? Vis ik niet gewoon naar een compliment?

Mocht altruïsme in onze natuur zitten, dan wordt het al gauw verdrongen. Conditionering doet haar werk. We gehoorzamen aan ouders en onderwijzers. In zijn boek verwijst Ricard naar een studie onder kinderen tussen 6 en 9 jaar die werden meegenomen naar een ziekenhuis om een ander kind te bezoeken. Vraag twee weken later of het kind opnieuw mee wil gaan en er is zeventig procent kans dat dat zo is. Maar heb je het kind na het eerste bezoek een beloning gegeven – een snoepje, een moment om met de iPod te spelen – dan is de kans, verrassend genoeg, veel kleiner dat het kind nog mee wil. De conclusie van Ricard: ,,Kinderen willen wel mee om te troosten of te helpen, maar niet omdat ze een lolly krijgen.’’

Tussen zijn tweede en vijfde jaar werkt een kind spontaan mee met anderen, weet Ricard. Pas later komt het besef dat niet alle mensen lief en behulpzaam zijn. Zo leert een kind zichzelf tegen die soort mensen beschermen. Vanaf 12 of 13 jaar breidt de empathie zich weer uit en begint het kind zich verwant te voelen met bijvoorbeeld leeftijdgenootjes in arme landen.

Zo gaat het althans in het Westen. In traditionele samenlevingen, zoals in de Himalaya, legt Ricard uit, voelt iedereen zich betrokken bij de anderen. ,,Je hoeft er tegen een jongen van 10 niet te zeggen dat hij zich moet bekommeren om zijn zusje van 3’’, vertelt Ricard. ,,Dat gebeurt daar spontaan.’’
Kunnen wij dat ook?

test ricard
Het goede nieuws is: gedrag is te veranderen. Hersens zijn flexibel. Meermalen heeft Ricard hersenscans ondergaan. De ene keer werd hem gevraagd altruïstisch te denken. De andere keer empathisch. Beide gedachten leverden verschillende resultaten (verkleuringen) in de respectieve hersendelen op. Er gebeurde domweg iets in de hersens. Bij Ricard, en vooral bij monniken die van jong af aan dagelijks vele uren mediteerden en contempleerden, werden veranderingen in de hersenen waargenomen. Bij mensen die niet mediteerden werden geen veranderingen waargenomen, tenzij zij zich veelvuldig overgaven aan altruïsme, liefde voor anderen. Hersencellen verbinden zich met elkaar door training; synapsen vinden elkaar door ‘beoefening’, zoals dat in boeddhisme wordt genoemd. Kortom: je kunt écht veranderen door meditatie.

Tijdens zijn voordracht toonde Ricard met behulp van grafieken hoe kinderen kunnen veranderen. Vraag ze een cadeau te geven aan een ander kind. In eerste instantie gaat het cadeau naar het vriendje. Na een paar weken dagelijks een tiental minuten mediteren en contempleren (denken over een ander als mede-mens), werd het cadeautje juist gegeven aan het lelijkste of vervelendste kindje uit de klas.

George Harrison

Er is een documentaire over George Harrison, Living in the material world, gemaakt door Martin Scorsese. Het is nagenoeg bekend dat de ex-Beatle jarenlang mediteerde. In het torentje van zijn buitenverblijf in Engeland mediteerde hij elke dag in de vroege ochtend. Hij had ook lange sessies met Maharishi Mahesh Yogi. Op een goed moment gaf Harrison veel van zijn bezittingen zomaar weg. Zelfs zijn vrouw. Hij gaf haar zijn beste vriend, Eric Clapton. ‘Ga maar,’ zo parafraseerde Clapton wat zijn vriend had gezegd. ‘Je bent niet van mij, dat heb ik gezien, je bent van Eric, mijn beste vriend.’ Was Harrison een altruïst dankzij meditatie en contemplatie?

En dan probeer ík mijn vrouw te behagen met een bosje bloemen.

Meditatie kan betekenen: leeg maken, rust aanbrengen in je gedachten, gedachten waarnemen en weer laten gaan. Je kunt tijdens meditatie ook mantra’s herhalen (of reciteren uit boeddhistische teksten en lezen in boeddhistische geschriften); bijvoorbeeld de wens dat anderen vrij zijn van lijden, dat anderen geluk mogen ervaren, dat anderen handelen vanuit hun fundamentele goedheid. Dat is de beoefening. Als je niet kunt schaatsen, kun je door veel oefenen schaatsen aanleren. Tijdens zijn bezoek aan Nederland in februari liep Ricard met blote armen door de vrieskou van Amsterdam. Hij zei: ,,Ik heb mijn lichaam getraind om tegen de kou te kunnen.’’

Ik kan oefenen in anders denken. Dat is riskant. Voordat je het weet, ben je op een ‘verkeerd’ pad. Ik hoor het mensen al zeggen: Je bent de weg kwijt, je bent niet meer degene die ik ken. Hopelijk ben ik op het goede pad. Ik ga geloven in fundamentele goedheid. In het idee dat iedereen wil geloven in zijn eigen goedheid. Dat iedereen op zijn eigen wijze geluk nastreeft. Dat iedereen van nature altruïstisch is en niet egoïstisch. Dat iedereen elkaar wel wil helpen.

Ter afsluiting van zijn voordracht in De Nieuwe Liefde citeerde Matthieu Ricard uit zijn boek de Romeinse filosoof Lucius Annaeus Seneca. Ruim tweeduizend jaar geleden schreef hij: ‘Het is niet zo dat we niet durven, omdat het allemaal zo moeilijk is. Het is allemaal zo moeilijk, omdat we niet durven.’
Dat is voor mij een mantra als het dilemma over weggeven mij weer eens dwarszit.

Guus van Holland, die worstelt met geven, zichzelf wegcijferen, anderen steunen, naar anderen luisteren, zijn narcisme probeert te begrijpen en hoopt dat altruïsme dan wel compassie de samenleving vriendelijker kan maken.

Dit artikel is gepubliceerd in de (Engelstalige) zomereditie van The Optimist

Erik Breukink: Als je golft sta je er helemaal alleen voor

10 sep

Foto Janus van den Eijnden

Foto Janus van den Eijnden

Erik Breukink heeft eigenlijk altijd al de rust uitgestraald die hij nu op het terras toont. Eerst als de begenadigde wielrenner, vervolgens als de beheerste ploegleider. Zijn geruststellende glimlach als iedereen in paniek raakt omdat de wereld in brand staat, is gebleven. Rust en controle over de situatie. Hij zou zomaar een goede golfer kunnen zijn.

‘Ja, ik denk dat het spelletje wel bij mij past’, bekent hij. Als hij geen wielrenner was geworden, vooral omdat zijn vader als directeur van Gazelle van wielrennen hield, zou hij best weleens een goede golfer geworden kunnen zijn. Hij zegt het niet met stelligheid, zo is Erik Breukink niet. Maar, vooruit. Hij heeft er tot nu toe nog niet over nagedacht, maar nu het hem gevraagd wordt, acht hij het niet uitgesloten. Typisch Erik.

Zijn vader Wim was een fanatieke sportman: tennis, wielrennen en vanaf zijn zestigste – toen hij meer tijd kreeg – golfen. Erik is ook altijd ‘een spelletjesman’ geweest. Thuis werden met het gezin aan tafel altijd spelletjes gedaan. ‘Ik was bloedfanatiek, in alles, ik kon niet tegen mijn verlies. Mijn vader leek rustig, maar ook hij wilde altijd winnen. Hij liet me ook zien hoe je moest golfen. We woonden aan de IJssel, bij Rheden. Mijn vader sloeg dan de bal zo ver mogelijk de weilanden in en de hond moest hem dan ophalen. Dat moest ik ook leren, zei hij. Maar zover was ik nog niet.’

Erik was meer met voetbal bezig, als een opkomende verdediger die eerst alles overziet om dan met een sprint langs de zijlijn ten aanval te trekken. Maar uiteindelijk ging zijn voorkeur uit naar wielrennen. Hij bleek een talent, een stilist die vooral in tijdrijden uitblonk. Golfen, dat hij pas ging doen toen hij in 1998 stopte met wielrennen, vergelijkt hij met tijdrijden. ‘Je staat er echt alleen voor, het gaat om focus en concentratie, niet forceren, rustig blijven, luister naar je lichaam, let op je bewegingen en weet waar je mee bezig bent.’

Vergis je niet in zijn temperament. Zoals hij al aangaf in zijn herinnering aan de spelletjes in huize Breukink. Bloedfanatiek. ‘Ik stopte in 1997 met wielrennen en werd toen gevraagd eens mee te gaan golfen. Bij mij in de buurt op Wouwse Plantage. Ik nam meteen lessen, wilde meteen mijn GVB halen. Binnen een paar jaar had ik handicap 21. Ik had tijd zat, wat moest ik anders? Een paar keer in de week ging ik met mijn tas naar de driving range. Vijf jaar was ik fanatiek bezig, ik had niets anders dan bij de NOS samen met Mart Smeets commentaar geven. Toen werd ik ploegleider bij Rabo, acht jaar lang. Ik had en nam geen tijd meer om te golfen. Achteraf jammer.’

Hooguit eens per jaar staat hij nog op de golfbaan, op uitnodiging of gewoon omdat zijn collega-ploegleiders bij Roompot, Michael Zijlaard en Jean-Paul van Poppel zin hebben. Dan merkt hij: ‘Je verleert het niet. Je weet na een paar slagen hoe het zit. De basisdingen, de grip, de houding, het hoofd, de focus, de ademhaling.’

Die andere ploegleider, Michael Boogerd, houdt zich verre van golf. ‘Dat is niks voor hem, zegt hij. Inderdaad, Michael wil altijd maar gaan, altijd aanvallen, zo was hij als renner, zo is hij als mens: rusteloos, te veel willen. Van Poppel is een man van de power, ja, een sprinter. Wachten en knallen. Mooi, dat je aan het karakter ziet of het spel bij hen past. Je kunt fanatiek zijn, zoals ik, maar je moet je ook kunnen beheersen. En dat kan ik geloof ik wel goed.’

Je moet ook vertrouwen hebben in wat je kunt, heeft Breukink als wielrenner ervaren. ,,Mijn ploegleiders, Ben van Erp, Peter Post, Jan Gisbers en Manolo Saiz wezen mij daar altijd op: je weet wat je kunt, vertrouw daarop. Zo is ook met golf. Weten met welke stok je een bepaalde afstand kunt slaan, niet forceren, gewoon de stok nemen die bij je past. Gewoon een zeventje. Ik kan wel zo’n joekel pakken, maar dat doe ik liever niet. Het spel is al zo moeilijk. Die obstakels, dat water, dat hoge gras, die bomen, die bunkers die je als monsters aankijken. In het begin dacht ik nog, dat doe ik wel even. Maar dat viel zwaar tegen. Wat ik al zei: het is net tijdrijden, niet over je grenzen gaan.’

Is golfen niet een sport voor wielrenners om tussen de talrijke koersen door tot rust en bezinning te komen? Even afleiding. De vraag stemt hem tot overpeinzing. ‘Ja, dat zou echt mooi zijn. Maar’, voegt hij er snel aan toe, ‘je moet wel les hebben gehad, een beetje kunnen golfen, anders heeft het geen zin. Je kunt niet maar zo tegen je ploeg zeggen: volgende week gaan we samen een dag golfen. En dan nog: wielrenners houden niet van slenteren, je fietst, je traint of je rust, liggen dus.’

De rust op het terras aan de rand van het natuurgebied overheerst. Erik Breukink richt zijn blik op een groot grasveld en speelt met zijn gedachten. ‘Ja, ik geloof dat dat spelletje wel bij mij past. Niet de stress van de koers, niet links en rechts aanvallen om je heen. Alleen zijn met jezelf. Ik denk nu terug aan al die tijdritten. Je staat op het startpodium. Je hebt nog zoveel seconden, je kijkt naar je voeten op de pedalen, naar de stand van je versnelling, naar je benen, je schouders, je hoofd en je armen. Je loopt alles na. Je richt je blik naar voren, focus, je ademt in en uit, en dan ga je, alleen. Je kijkt op en je gaat, zoals je met golf de bal ziet gaan. Je vertrouwt en je hoopt. Mooi.’
——————————————————————————————————————————————————————–
Erik Breukink (1964) was een van Nederlands succesvolste wielrenners. Hij werd in 1985 beroepsrenner, eindigde in de Ronde van Italië (Giro) van 1988 als tweede (hij won toen ook de etappe over de besneeuwde pas van de Gavia). In de Ronde van Frankrijk (Tour de France) van 1990 werd hij derde en in de Ronde van Spanje (Vuelta) van 1993 zevende. In al die rondes won hij een of meer etappes, zoals in 1989 de proloog (openingstijdrit) van de Tour. In 1993 werd hij Nederlands kampioen. Ook won hij belangrijke koersen als de Ronde van het Baskenland, de Ronde van Nederland en het Internationaal Wegcriterium (2x). Na zijn actieve rennerscarrière was hij vijf jaar commentator voor de NOS, en vanaf 2004 ploegleider en vervolgens directeur van de Rabowielerploeg. Nu is hij ploegleider van Roompot Oranjepeloton.

Dit interview is gepubliceerd in GolfersMagazine 7 in de serie ‘Mijn nieuwe sport’. Eerder verschenen in deze serie Femke Dekker (ex-roeister), Robert Eenhoorn (ex-honkballer), Kristie Boogert (ex-tennisster), Kenneth Perez (ex-voetballer), Gijs van Lennep (ex-autocoureur) en Barry Hughes (ex-voetbalcoach)

Dafne Schippers: hoogste vorm van uitmuntendheid

29 aug

dafne

Kijken naar de wereldkampioenschappen atletiek is kijken naar de hoogste vormen van uitmuntendheid. Jonge mannen en vrouwen die laten zien hoe mooi, sterk en snel hun lijf is geworden door zich dagelijks buitensporige fysieke en mentale inspanningen te getroosten. Kijk eens hoe voortreffelijk ze zijn, nog beter dan anderen, nog sterker en sneller. Nog mooier. Alsof excellentie bijdraagt tot voortdurend, oneindig geluk. Soms lijkt het zo.

Deze overpeinzing kwam bij mij op toen ik Dafne Schippers naar de wereldtitel op de 200 meter zag snellen. Een blond godenkind op lange, fraai en gespierd gestileerde benen, die hemel en aarde bewoog om toe te kunnen treden tot het domein van uitverkorenen. Bijna niemand (in binnen- en buitenland) die haar uitzonderlijke bewegingen volgde, kon gevoelens van bewondering én verwondering onderdrukken. Dit was bijzonder. Dit was nog niet vertoond. Woorden schoten te kort. Verslaggevers, commentatoren en analisten troefden elkaar af in krankzinnige superlatieven. Emoties doen rare dingen met mensen.

Ik voelde tranen opkomen. Waarom? Was het mijn vereenzelviging met haar bijzondere triomf? Wilde ik zelf ook zo winnen, van wie dan ook? Altijd, elke dag, van iedereen die me voor de voeten loopt. Was het haar onderkoelde, nog niet begrepen succes dat mij raakte? Of was het de manier waarop haar familie Dafne omhelsde? Emoties zijn moeilijk te doorgronden.

Nee, niet omdat Dafne een Nederlandse is. Ik voelde ook tranen bij demonstraties van een uitzonderlijk talent als Michael Jordan, toen ik hem begin jaren negentig in Chicago van nabij zag springen, dribbelen en scoren. Bij Tiger Woods op de Masters tien jaar geleden, bij Pelé toen ik hem op het WK van 1958 op de televisie zag schitteren, bij Greg LeMond in de afsluitende tijdrit van de Tour van 1989 in Parijs, en bij anderen. Ik raakte geëmotioneerd toen ik deze mensen zag excelleren en op hun eigen wijze daarvan zag genieten. Ik noem het gemakshalve identificatie. De vereenzelviging met mensen die een excellente prestatie neerzetten – en nauwelijks beseffen welke momenten van geluk ze mensen bieden.

Jarenlang heb ik mij proberen af te wenden van emoties zodra een sportprestatie mij in het hart of in de onderbuik raakte. Soms tevergeefs. Afweer was mijn beste wapen, met cynisme als het gemakkelijkste afweermechanisme. Of was het een zelfverheffingsmotief?

Ik was journalist, verslaggever, analist. Mij was door ervaren collega’s en chefs gemaand professioneel afstand te bewaren, mij te beperkten tot feiten en liefst argwaan te tonen bij alles wat op overschrijdende prestatiedrang wees. Topsporters zijn uitslovers. Topsporters dien je te wantrouwen, ze zijn te allen tijde bereid om te frauderen, grenzen te overschrijden, zeg maar zich altijd te bedienen van illegale middelen zoals doping. Een journalist hoort argwanend zijn, was mij op het hart gedrukt. Ook een sportjournalist. Overal afstand en afweer. Maar ik heb altijd diep van binnen gevoeld dat een sportjournalist ook emoties kan (of moet) overbrengen. Liefst zijn eigen emotie.

Het was een worsteling tussen mijn romantische inslag en mijn (geconditioneerde) wantrouwen jegens de begerige sportmens. Mijn strijd is nog niet voorbij. Ik besef terdege dat sportmensen bereid zijn voorbij grenzen (afspraken) te gaan zodra eeuwige glorie in het verschiet ligt. Ik probeer mee te voelen. En ik probeer ook mee te voelen met de sportmensen als ze verdacht worden gemaakt zodra ze excelleren. Dafne Schippers krijgt nu in de buitenlandse pers over zich heen wat andere buitenlandse winnaars over zich heen kregen (en nog steeds krijgen) van de Nederlandse pers. Een blonde Nederlandse die zwarte concurrenten de baas is. Hoe zouden de Nederlandse media hebben gereageerd als Dafne een Duitse, Amerikaanse of Russische was geweest? Wat niet van ons is, is verdacht. Wat wel van ons is, sluiten we beschermend en liefdevol in onze armen.

Hoewel een mannetje op mijn schouder me voortdurend influistert dat wat ik in de sportarena zie niet deugt, voelde ik mijn hartslag versnellen en zei ik tegen mezelf: ‘Dit is bijzonder, dit heb ik nog nooit gezien, dit zijn mensen die mij opwinden, dit raakt mij en schakelt gelukkig even mijn scepsis uit.’

De voetbalwereld is verdorven, vooral door de ongelijke verdeling van geld, door verregaande spelverruwing, commercialisering, verdwijnende binding met club en supporters en jacht op het grote geld. De wielersport is zo ondoorgrondelijk geworden door verkapte doping, onderlinge afspraken en belangenverstrengelingen. Atletiek, met al haar onderdelen, is als sport geen haar beter. En toch is er hoop. Dat de meeste atleten hun kracht, snelheid en gedrevenheid putten uit natuurlijke middelen, althans middelen die niet verboden zijn. Dat altijd wel ergens in de wereld een natuurtalent opstaat, dat op basis van eigen middelen en sportiviteit anderen de baas is.

Atletiektoernooien die tot de verbeelding spreken, zijn er heel weinig. Eens in de twee jaar wereldkampioenschappen, eens in de vier jaar Olympische Spelen, tussendoor wat wedstrijden her en der, waar dan zonder media-aandacht ook grote prestaties worden neergezet. Van verzadiging is bij atletiek niet gauw sprake. Atleten kunnen zich in betrekkelijke rust voorbereiden op een belangrijk toernooi. Pieken op het juiste moment. Met explosieve aandacht tot gevolg. De media putten zich dan na een lange periode van stilte en afstand niet alleen uit in superlatieven, radeloos zoeken ze naar verklaringen.

Dafne weet nog niet wat over haar heen zal komen. Hier wordt ze al de Sportvrouw van het Jaar genoemd, daar wordt ze al benoemd tot Sportambassadrice van Nederland, dan weer wordt ze De Held van de Eeuw, dan weer dient ze een koninklijke onderscheiding te krijgen of staat nóg een multinational klaar om zich van haar mooie gezichtje te bedienen ter verspreiding van een commerciële boodschap. Want op de Olympische Spelen wordt ze definitief onze held, ons affiche, ons product. Dat heet investeren – of domweg uitbuiting.

Dafne Schippers wordt bestempeld als een nuchtere vrouw, omdat ze als atlete misleidende aandacht naast zich neer kan leggen. Vandaar ook haar zeldzame prestaties. Ik hoop dat ze kan blijven wie ze is. Gewoon een leuke vrouw die vreselijk hard kan lopen. Ik hoop dat iedereen van haar afblijft. Niks held, niks bovennatuurlijk. Gewoon een mooi mens.

Ze weet nog niet wat ze ons allemaal aandoet. Het besef komt met de jaren. Laat haar met rust, geef haar de vrijheid – daarin gedijt ze het meest. Ook natuurtalenten hebben recht op privacy. Haar managers bezweren dat Dafne zich niet gek laat maken. Dat is eerder gezegd, over nóg grotere talenten.

Deze column is gepubliceerd op http://www.sportenstrategie.nl/

Is gelijk willen hebben een gevecht om (iets) te winnen?

21 aug

Een stilte-retraîte ondergaan is uitdagend voor wie zijn ervaringen en gevoel graag deelt. Omringd door mensen zwijgend zittend en lopend mediteren, zwijgend thee drinken, zwijgend eten, zwijgend observeren. Moeilijk, hoor. Gelukkig mocht er in mijn retraîte tijdens de lunch mondjesmaat worden gesproken. Liefst over je ervaringen ter plekke, maar dan wel terughoudend. Liever niet uitweiden, niet associëren met wat elders, eerder of buiten de sangha is gebeurd.

,,Stil zijn is moeilijk”, hoorde ik plotseling. Ik voelde een hand op mijn schouder. Als een terechtwijzing? Vast. Ik had de regels doorbroken en was – als vanouds – aan de wandel gegaan met verhalen. Ik slikte haastig de woorden in die in mijn mond brandden en zweeg vol schuldgevoel. De vrouw tegenover mij knipoogde. Ze wees mij niet terecht, ze was vriendelijk. Ze daagde mij uit vriendelijk voor mezelf te zijn en mij vooral niet schuldig te voelen.

De volgende meditatiesessie (na de lunch) ging ik vooraan zitten. Als om mijn schuld in te lossen. Recht tegenover de umdze (meditatieleider en tijdaangever), de man die een hand op mijn schouder had gelegd. Bewust of onbewust vooraan, ik weet het niet. Of misschien toch wel: zie mij eens hier vooraan zitten! Na de afsluitende gong, kwam de umdze meteen naar me toe en legde een hand op mijn arm. Hij zei op vriendelijke toon dat hij mij niet had willen beschuldigen. Ik hoorde een verontschuldiging…

,,Ja, je had gelijk”, was mijn haastige antwoord. Ik dacht niet eens na, ik zei het zomaar, spontaan. Hopelijk zou hij mij door mijn schuldbekentenis alsnog vergeven. ,,Het is geen kwestie van gelijk hebben’’, repliceerde de umdze, een man met wie ik al jaren op basis van wederzijdse vriendelijkheid van gedachten wissel. ,,Ik vond het alleen nodig om mijn eerdere opmerking te verklaren”, ging hij verder. ,,Misschien is dat wel mijn schuldgevoel. Ik wil jou niet kwetsen. En ik was ook gewoon een beetje geïrriteerd door iets anders wat in mijn gedachten speelde.”

Nog steeds spookt het door mijn hoofd: ,,Het is geen kwestie van gelijk hebben.” Die opmerking. Is het dat wat mij vaak zo moe heeft gemaakt? De voortdurende strijd om gelijk te hebben, te winnen dus, beter (wijzer) te zijn dan de ander. Ik zie, hoor en lees het om me heen: de eeuwige strijd van gelijk hebben, de ander overtuigen, jouw mening opdringen.

Ik zie, hoor en lees dat mensen smullen van verhitte discussies op radio en televisie, op internetfora en sociale media. Ik voel het als een strijd om het gelijk. Kijk mij eens, hoe goed ik ben. Strijd! Competitie! Ik vermoed zelfs dat die zucht naar strijd en ongelijkheid toeneemt. Mensen willen strijd. Us and them. Afwijzing als afweer. Zonder strijd geen spanning.

Maar ik smul juist wanneer tijdens meningsverschillen de een goed, aandachtig naar de ander luistert en eerst en vooral probeert te begrijpen wat hij bedoelt. De ander laat uitpraten. Vooral het inzicht van de ander aanvaardt en niet de ander zonder meer (nadenken) afwijst en in de categorie van onwetenden (dommen) wegzet.

Luisteren is zó moeilijk. Het is een gevecht: aanvaarden wat een ander ziet, hoort en voelt, zonder het of hem te veroordelen. Zonder mezelf te profileren. Rest mijn vraag waarom gelijk hebben zo belangrijk wordt gevonden. Waarom ik dat altijd zo belangrijk heb gevonden. Hebben we zonder bevestiging van wat wij vinden geen bestaansrecht? Voelen we ons minderwaardig of zelfs afgewezen wanneer een ander onze mening niet deelt? Voelen we ons verheven, trots, baas over de ander wanneer we gelijk krijgen? Slaan we ons op de borst wanneer we van een ander hebben gewonnen? Zonder winst geen ik, zonder winst geen ego. Ben je dan zonder winst niks? Is verliezen dan zo erg? Wat verlies je eigenlijk?

Het zijn vragen die me, sinds de umdze me onderbrak, bezighouden. Bijna geen meditatie of contemplatie passeert dezer dagen zonder deze overdenking over gelijk (willen) hebben. Over strijd en winnen. Over aanvaarding en een ander aanvaarden. Dat een ander een ander is en zijn eigen mening, gevoel en smaak heeft. Zo heeft de stilte-retraîte zin gehad. Maar het is wel een strijd, sowieso mijn strijd.

Guus van Holland was sportjournalist bij de Volkskrant en NRC Handelsblad. Hij is vriend van Shambhala Leiden.

Deze column is gepubliceerd op de najaarseditie van http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/

Eerst vond Barry Hughes golf een ‘smerige’ sport, maar….

11 aug

Voorafgaand aan onze afspraak sta ik naast hem op de wc van een horeca-etablissement. Ik herken hem meteen en begroet de man met de onafscheidelijke pet: Barry Hughes. Voormalig voetbalcoach en praatjesmaker. Een grote mond vol moppen. Zo staat hij te boek. Maar nu zal het gaan over zijn kwetsbaarheid, golf. De Welshman speelt het al vijftig jaar, maar goed heeft hij het nooit kunnen spelen. En dat doet pijn. Steeds meer.

‘Ik dacht: iedere klootzak kan een bal slaan. Waarom ik dan niet?’ Nou, gewoon, omdat hij er het talent niet voor heeft. Het is maar een voorzet die Hughes gemakkelijk kan inkoppen – om in voetbaltermen te spreken. ‘Ja, wel de mentaliteit, maar niet de kwaliteit.’

Hij verwijst naar voetbal. ‘Komt er een bal naar me toe, hoog of laag, maakt niet uit. Ik vang hem op met m’n borst of op m’n voet. Dat doe ik automatisch goed. Maar een golfbal die voor me ligt en weg moet slaan, maakt me gek. Dan ga ik denken, dan ben ik een maler. Dan gaat het in mijn hoofd tekeer. Dan ben ik al mijn vertrouwen kwijt.’

We kennen hem toch? Die man die met de borst vooruit voetballers als Bert van Marwijk en Ruud Gullit ontdekte en hen overtuigde van hun talent. Die met opgeheven hoofd voor tal van microfoons en camera’s de waarheid durfde te vertellen. Die zelfverzekerd voor op z’n minst 200 mensen lezingen gaf over zelfvertrouwen.

‘Ik kwam over als een grootheid’, zo kijkt hij terug. ‘Ik kon moppen vertellen en bracht de sfeer erin. Iedereen luisterde naar mij, als performer en als coach. Iedereen behalve Louis van Gaal dan, als speler, hij begreep mijn grappen niet. Maar ja, Louis is een en al wantrouwen. Ach laat maar, Louis doet het nu toch goed! Ik had altijd macht over de mensen en de situatie. Maar als golfer verdwijnt mijn macht, mijn vertrouwen. Ik weet alles over golf, ik lees elk boek over golf, weet alles van theorie, ik kijk alle golfwedstrijden op televisie. Ik heb voor 80.000 toeschouwers gevoetbald en gecoacht, maar zodra ik in mijn eentje een bal moet slaan is mijn vertrouwen weg.’

barry_hughes_derby
Noodgedwongen ging Hughes golfen. Hij voetbalde bij West Bromwich Albion. Zijn trainer Vic Buckingham (later Ajax) wilde dat alle spelers ’s maandags ter ontspanning gingen golfen – een typisch gebruik bij Britse voetbalclubs. Wie niet wilde golfen, diende het materiaal (tassen met de golfclubs) te dragen. Nou, dat wilde Barry niet. Zeker geen caddy. Dan maar golfen. Maar van harte ging het nooit. ‘Ik vond het een smerige sport. Niemand zegt wat als je slecht slaat. En als iemand wat zegt, dan antwoord je met: houd je smoel. It’s makes you crazy, die betweters.’

Jaren later, na een periode als speler bij Blauw-Wit (Amsterdam), merkte hij dat voetbal voor hem een obsessie was geworden. Hij was coach van Haarlem en zag in dat hij dag en nacht met voetbal bezig was. Ten einde raad ging Hughes op advies van zijn vrouw (tv-omroepster Elles Berger) op consult bij zijn huisarts. Ga eens iets doen ter ontspanning, schilderen, vissen of iets anders. Aldus de arts. Hughes ging eerst vissen. Totdat zijn hond de vishaak achterna sprong en later ook nog eens zijn brood, het lokaas, opvrat. Hoezo ontspanning? Dan maar golfen, op maandag, de dag na de wedstrijd, zoals Vic Buckingham hem had proberen bij te brengen.

Het jaar van de openbaring: 1976. Hughes meldde zich op de Kennemer in Zandvoort. De ballotagecommissie vroeg zich nog af of zo’n luidruchtige, bekende Nederlander wel toegelaten moest worden. Maar na samenspraak met de voorzitter wist Hughes dat hij zich als lid in alle bescheidenheid diende op te stellen. Dan kwam het wel goed. ‘Speel om te ontspannen, meneer Hughes. Verder niets. Het was een wijze raad. Ik mocht gewoon mezelf zijn. Niet die voetbalcoach die iedereen kent, waar iedereen op afkomt en die mogelijk anderen in de schaduw zet.’

Elke maandag speelde hij jarenlang met ‘de Chinees Pieter Howe’. (Hughes spreekt het uit als Howie, op z’n Chinees). Toen was er eindelijk plaats voor ontspanning en afleiding. ‘Howe wist niks van voetbal, hij wist niet eens wie ik was. Hij sloeg en ik dacht: man, wat kan die man golfen. Goodmorning Bally, thank you Bally. Ik kwam tot rust, ik dacht niet meer aan voetbal. Ik dacht aan een andere wereld. Golf, fuck, ik moet die bal slaan én goed. Een andere keer kijk je om je heen en zie je de omgeving, de natuur, de vogels en de bomen. Weg voetbal. Ik ben in Schotland geweest, op St. Andrews en op vele andere banen. Daar vind ik nou rust, afleiding en ontspanning. Ver weg van de klote voetbalwereld. Natuurlijk is voetbal mijn sport, maar het zou zo mooi zijn als anderen golf leren waarderen.’

Hij verwijst naar zijn vader, een verwoed golfer. Over hoe gek mensen kunnen doen om een perfect golfer te kunnen zijn. Dat hoofd dat stil moet staan, de blik gericht op de bal blijven houden bij het slaan. ‘Hij had een truc. Hij maakte iets vast aan zijn shirt met een draadje naar een balletje in zijn mond. Dus zodra hij bij het slaan zijn hoofd bewoog, voelde hij het balletje in zijn mond. Au, fuck. Weer mijn hoofd bewogen.’ Barry doet het voor. Het klinkt als een mop. ‘Maar pas op: niet lachen’, priemt hij vermanend zijn wijsvinger op mij. ‘Zo serieus is golf.’

Barry Hughes zoekt naar excuses. ‘Veertig jaar geleden had ik nog handicap 16, maar nu…’ Waarom heeft hij nooit geleerd goed te golfen? Hij zag jonge voetballers met talent. Hij zag zijn dochter en later zijn kleinkinderen een stok pakken en zomaar een bal wegslaan. En goed ook. Hij wordt oud, dus zal het nooit meer goed komen. Hij begint over zijn lijf, ruim 77 jaar oud inmiddels, vanzelfsprekend aan slijtage onderhevig, en over andere afnemende kwaliteiten. De verhalen rijgen zich aaneen, over voorspoed en tegenspoed.

Maar dan: ‘Golf is vooral accepteren wat je kunt en niet meer kunt. Op de golfbaan ben je echt je zelf. Daar ben je niet die grappenmaker, die man die de wereld eens even vertelt hoe het zit. Mijn Chinees Howe had geloof ik vijf restaurants, versloeg op de golfbaan iedereen die hem uitdaagde en vertrok met een handdruk. Zonder euforie, zonder emotie. Dat heb ik van hem willen leren. Maar toch, jongen je kent me, het lukt me niet. Acceptatie, daar ben ik nou mee bezig. Dit kan ik, dit kan ik niet meer.’

Zo nemen we afscheid. De man met de onafscheidelijke pet die de wereld in zijn greep leek te hebben door zijn bravoure en humor, verdwijnt, stapt in zijn sportauto en zwaait. Sinds 1976 is hij lid van de Kennemer, nog altijd een leerling. Het leven boeit hem. Golfen lijkt hem daarbij te helpen.
——————————————————————————————-
Barry Hughes (1937) is sinds 1976 lid van de Kennemer in Zandvoort. Hij leerde golf als voetballer van West Bromwich Albiom. Hij voetbalde in Nederland bij Blauw-Wit Amsterdam. Daar leerde hij zijn latere echtgenote stadionomroepster en later VARA-presentatrice Elles Berger kennen. Hughes was na zijn spelersloopbaan coach van Alkmaar ’54, Haarlem, Go Ahead Eagles, Sparta, FC Utrecht, Volendam, MVV en andere clubs. Ook bracht hij plaatjes uit met carnavaleske hits. Hughes geldt als de ontdekker van onder meer de voetballers Bert van Marwijk en Ruud Gullit.

Dit interview is gepubliceerd in GolfersMagazine 6 2015 in de serie ‘Mijn nieuwe sport’. Eerder verschenen in deze serie Femke Dekker (ex-roeister), Robert Eenhoorn (ex-honkballer), Kristie Boogert (ex-tennisster), Kenneth Perez (ex-voetballer) en Gijs van Lennep (ex-autocoureur)

Het geloof van Zach Johnson in geduld, vertrouwen en God

22 jul

Wie het Brits Open wint op St.Andrews, de geboorteplaats van golf, voelt wat hij niet eerder heeft gevoeld. Op de home of golf gaat een zindering door je lijf en staat het verstand stil wanneer je de Claret Jug, de winnaarstrofee, ten overstaan van een door golf bezeten mensenmassa krijgt overhandigd. Zo moet het Zach Johnson, een 39-jarige Amerikaan, zijn vergaan toen langzaam maar zeker tot hem doordrong dat hij de winnaar van het befaamde toernooi was geworden.

Zach Johnson laat zich nog vol ongeloof omarmen door zijn caddie Damon Green

Zach Johnson laat zich nog vol ongeloof omarmen door zijn caddie Damon Green

Johnson kent het winnaarsgevoel heus wel. In 2007 won hij de Masters, min of meer het Amerikaanse equivalent van The Open, het Brits Open, dat jaarlijks op wisselende locaties wordt gespeeld. Maar deze ervaring leek hem meer te doen, getuige zijn houding toen de Zuid-Afrikaan Louis Oosthuizen in een play-off met verder de Australiër Marc Leishman, de gelijkmakende, beslissende putt miste. Johnson zag het gebeuren, keek vol ongeloof voor zich uit en toen naar zijn caddie Damon Green, ging niet in op diens high-five en liet zich pas door hem omarmen toen hij zag dat het écht waar was: Ik heb gewonnen. Later zou Johnson zich verontschuldigen (nota bene) voor zijn apathie: ‘I was in shock.’

Het was alsof Johnson stotterde, emoties wegslikte, toen hij voor microfoon en camera moest verklaren wat hem was overkomen. Het zijn terugkerende emotionele momenten van winnaars en verliezers die topsport meeslepend kunnen maken. Zeker voor wie zich met hen wil vereenzelvigen en daardoor en daarvoor zijn zintuigen opent. De ontlading na vijf lange dagen van spanning, concentratie, extreem wisselende weersomstandigheden en geduld is nauwelijks te verklaren. Johnson probeerde het in zijn winnaarstoespraak. Hakkelend, slikkend, overmand door emoties: my God wat is mij overkomen?

Wanneer een god – zijn God – ter sprake komt kan Zach meer vertellen. Toen hij in 2007 The Masters in Augusta won ging alle aandacht uit naar het geloof in zijn god. Het geloof dat hij met zijn vrouw Kim deelde in de First Baptist Church, waar zij elkaar leerden kennen. Zijn predikant meende dat elke slag en elke putt in Augusta door God gestuurd was. Johnson is niet zo uitgesproken. Hij meent dat elke geslaagde slag en elke geslaagde putt ook en vooral het resultaat is van dagenlang hard oefenen, van geduld en vertrouwen. Dat straalde Johnson gedurende de afgelopen dagen aan de Schotse Noordzeekust uit: geduld en vertrouwen.

zachh
Zach Johnson behoort al jaren tot de top van de golfwereld. Hij is een bekende. Ze zien hem slaan, pitchen, chippen en putten met die uitgebalanceerde techniek. Zie hem eens slaan: prachtig, zo in balans. Maar zoals het met golfers gaat, de ene slag is de andere niet, wat vandaag lukt, lukt morgen niet. Hij bleef de afgelopen vijf dagen redelijk in balans, maar gisteren zat alles hem mee. Het ging zoals het moest gaan. Als je maar rustig blijft.

Op de Old Course van St. Andrews, de heilige grond van golf, sta je niet alleen onder invloed van de magie die de golfbaan uitstraalt, er zijn ook de elementen van draaiende windstoten, striemende en miezerige regens, fel en vervagend zonlicht, heen en weer schuivende wolken en verrassende lichtinvallen. Zaterdag bleek de storm te zwaar om door te spelen: de bal bleef niet liggen, de putts waaiden over de green. Vandaar dat de organisatie besloot halverwege de ochtend niet verder te spelen. Uiteindelijk werd de wedstrijd zaterdag afgelast, waardoor de slotronde naar maandag werd uitgesteld. Bewaar dan maar eens je geduld. Ben je in je ritme, moet je wachten en maar wachten.

Het is enerzijds de charme van golf, anderzijds de pijn die golfers moeten ondergaan in de sport die alles vraagt van mentale weerbaarheid. Misschien is daarom golf een echte Britse sport, altijd onderhevig aan de elementen waartegen een gevecht onvermijdelijk is.

Zach Johnson heeft zich niet omver laten blazen door de wisselende omstandigheden. Anderen, zoals zijn landgenoot Dustin Johnson, die tot de laatste ronde fier de toon aan gaven, hadden niet voldoende kracht en geduld. Zelfs de na zijn triomfen dit voorjaar in de Masters en de US Open als schier onoverwinnelijk geachte pas 21-jarige Jordan Spieth, zag op de voorlaatste hole (17) zijn hoop op weer een overwinning vervliegen. Blakend van zelfvertrouwen, vol van (jeugdige) moed en durf was er toch even een misrekening of gewoon pech.

Geluk zit bij golf in een klein hoekje. Talent is niet altijd doorslaggevend. Vraag het Tiger Woods, die voortdurend worstelt en straalt zodra hij nog eenmaal een prachtige klap, chip of putt heeft gemaakt. Als Tiger een unieke slag maakt dan gaat er toch echt een golf van opluchting door iedereen heen. Hij haalde vrijdag trouwens niet de cut (evenals de Nederlander Joost Luiten). Troosteloos, dat gold ook voor het golfpubliek.

Talent, aangevuld met rust, geduld en vertrouwen deden Zach Johnson The Open winnen, in de play-off met Louis Oosthuizen (winnaar in 2010) en Marc Leishman. Er waren meer die het kennerspubliek rond The Old Course hadden kunnen bewieroken, los van favoriete Britten en Ieren. Waarom geen prachtige atleten als de Australiërs Jason Day en Adam Scott, de Amerikanen Jordan Spieth en Dustin Johnson, de Spanjaard Sergio Garcia of de oude bekende Ier Padraig Harington? Ze hebben het talent en de spieren van Tiger Woods, maar golf vereist meer dan fysieke vaardigheid.

zach shakes hands
Zach Johnson te zien winnen geeft aan dat er meer nodig is. Het uitzinnige, deskundige én neutrale publiek op St.Andrews heeft dat gewaardeerd. Zo doe je dat dus, The Open winnen.

Dit verslag is op 21 juli gepubliceerd in NRC Handelsblad

Gijs van Lennep, autocoureur die op de golfbaan bang is

11 jul

Raar om voormalig autocoureur Gijs van Lennep te horen praten over angst. Bang? Die man die met duizelingwekkende snelheden zelfverzekerd bochten nam, is soms bang voor de bal. ,,Als ik op de tee-box sta, durf ik de bal niet te slaan. Ik durf niet. Doe ik het wel goed? Sta ik wel goed, is mijn grip goed, mijn schouders, mijn heupen? Ik ben een Pietje Precies. Ik wil het te goed doen.’

gijs van lennep
Hij heeft aanleg. Hij heeft balgevoel. Dat had hij al als honkballer en tennisser, vijftig jaar geleden. Hij heeft een goede oog-hand-coördinatie. Dat weet Van Lennep sinds hij bijna veertig jaar geleden met golfen begon. Maar: ‘Ik kan mezelf niet inhouden, ik moet zo snel mogelijk naar de bal. Ik kan mezelf niet dwingen tot rust. Timing en ritme, daar gaat het om. Maar hoe leer ik mezelf dat aan?’

Dus gaat hij ten einde raad een set nieuwe clubs aanschaffen. Na tien jaar mag dat wel eens. Wie weet zit daar het verschil. En dan ook een analyse met de Trackman. ‘Ik weet het: gedoseerd slaan, accelereren, door de bal heen. En ik weet toch wat doseren is. Racen is ook doseren, veel gas loslaten. Het zit tussen de oren. Daarom is golfen een van de zwaarste sporten. Loslaten en focussen. Ik kijk alle golftoernooien op televisie, ik zie topjongens worstelen, terugvallen en terugkeren. Altijd maar sleutelen aan je techniek, je beheersing en je ritme.’

Van Lennep is sportgek. Hij deed naast racen aan biljarten, honkbal, kleiduiven schieten en sinds hij bijna veertig jaar geleden op de 9-holesbaan op het autocircuit van Le Mans voor het eerst een golfclub hanteerde, aan golf. En in al deze sporten ziet hij overeenkomsten: door de bal heen, met de kleiduif meegaan, accelereren, goed kijken en doen. ‘Pas op’, voegt hij er aan toe, ‘racen is geen waaghalzerij. Het is doseren, kijken en vooral zorgen dat je in een perfecte conditie verkeert, zowel mentaal als lichamelijk. Krachttraining, vooral om je nekspieren sterk te maken. Cardio, omdat je heel lang met een verhoogde hartslag moet racen – je hebt de conditie van een marathonloper nodig. En op je gewicht letten – altijd, nog steeds 65 kilo. Ik voel me geweldig en toch al 73 jaar.’

Nadat hij in 1976, het jaar waarin hij voor de tweede keer de 24-Uurs race van Le Mans won, ter ontspanning voorafgaande aan de wedstrijd werd uitgenodigd eens mee te gaan golfen, is de passie voor golf alleen maar gegroeid. In 1977 nam hij zijn eerste les op Spaarnwoude, bij de legendarische Joop Landman. Hij werd in 1978 lid op de Kennemer en had binnen drie jaar handicap 9. Nu is hij sinds jaren lid van de Hilversumsche. Vraag hem vooral waarom hij nu nog ‘maar’ handicap 17.3 heeft, want dan raak je hem in zijn sporthart. ‘Ik ben niet minder gaan spelen, ik ben gewoon te veel bezig met beter worden.’

De uitdaging is altijd zijn kracht geweest. Winnen, willen winnen. In matchplay is hij in zijn element: een directe tegenstander. Of, zoals hij memoreert: ‘Ik stond een keer op de achttiende op de Hilversumsche, het terras zat vol. Of ze nu wisten wie daar stond te spelen, deed er niet toe. Waarschijnlijk keek dus helemaal niemand. Maar ík moest laten zien dat ik iets bijzonders ging doen. Toen was er die focus, die beheersing, dat hoofd wat in balans is. Heerlijk om dan een goede bal te slaan. Een publieksspeler? Ja.’

Gijs van Lennep geeft al jaren rijvaardigheidstrainingen. Leren hoe je een auto kunt beheersen. Een worden met de auto, gevoel ontwikkelen en weten wanneer en hoe je met de auto kunt méégaan. Hij ziet waar mensen in de fout gaan. Zoals hij ziet waar topgolfers als Joost Luiten en topcoureurs als Max Verstappen en Giedo van de Garde zich vergalopperen. Te snel, te laat, te gretig, te wild. En dan anderen, de club of de motor de schuld geven. ,Ik herken het meteen. Ik heb een sterk geheugen, ik sla alles op, ik weet waar ik dit of dat gedaan heb. Ik herken gezichten, ik herken ze aan hun stijl – waar heb ik jou eerder gezien? Ik weet hoe het moet, maar lukt het me niet perfect te zijn. Herken je dat?’

Hij is van nature linkshandig, schrijft met links. Maar hij speelt als een rechtshandige. ‘Mijn leading hand is de sterkste.’ Maar dat stuur dan, in hoeverre vertoont die grip overeenkomsten met die van de golfgrip? Nou ja, dat stuur heeft hij strakker in de hand dan de golfclub. Hij weet het allemaal wel. Zo perfectionistisch als hij is. Het tekent zijn winnaarsmentaliteit.

Kom op Gijs, geniet nou eens van het leven en het spel. Sport, of beter competitie, gaat toch niet je leven beheersen? Nou, dan is Gijs van Lennep toch anders. Dat is nu juist wat hem levend houdt. Morgen gaat hij voor een lezing over autoracen of over zichzelf als racer weer het land in. Overmorgen gaat hij op verzoek van de autofabrikanten die hem door de jaren heen hebben gesteund, weer naar Duitsland, België, Italië, Engeland of Frankrijk. Hij gaat het goed doen, dat heeft hij zichzelf voorgenomen. Hij is niet voor niks gekozen tot de beste Nederlandse autocoureur van de twintigste eeuw.

Hij neemt alweer een koekje bij de koffie, maar haast zich te melden dat zijn gewicht nog altijd op peil is. Een paar wijntjes kunnen geen kwaad, laat staan wat koekjes. Weet je wat het probleem is? ‘Ik moet zo snel mogelijk door die bocht. Maar ik moet altijd beseffen dat het een kwestie van doseren is, op tijd gas loslaten, doorgaan en laten doorgaan. Geen angst, geen paniek, het komt goed als je gewoon je techniek volgt. Maar dat is het nou, dat hoofd doet dingen met mij die ik niet wil. Ik ben bang. Ben jij bang geweest? Dan weet je dat alles aan het wankelen wordt gebracht. Ik zou het moeten weten, want ik heb veel angsten doorstaan, racen doet wat met je. Weet je trouwens dat ik niets meer weet van de races waar ik ben uitgevallen? Vreemd hé. Ik kan me goed herstellen. Niet denken aan de slagen die fout waren.’

En toch nog bang voor de bal? Gijs van Lennep heeft het nodig. Zonder angst geen uitdaging. Zonder angst geen perfectionisme. Het typeert de echte sportman.
—————————————————————————————————-
Gijs van Lennep (Aerdenhout, 16 maart 1942) is een voormalig autocoureur. Hij reed vier jaar mee in de Formule 1. In 1971 won hij (samen met de Duitser Helmut Marko) voor de eerste maal de 24 uur van Le Mans. In 1976 won hij (samen met de Belg Jacky Ickx) voor de tweede maal Le Mans. In 1999 werd hij door een Nederlandse vakjury uitgeroepen tot ‘beste Nederlandse autocoureur van de eeuw’. Hij golft sinds 1977 en is lid van de Hilversumsche.

Dit artikel is gepubliceerd in GolfersMagazine nr.5 2015