Tag Archives: Mijn nieuwe sport

Door golf leert schaatsster Carien Kleibeuker beter met tegenslagen omgaan

16 jul

Even een weekendje thuis, tussen twee trainingskampen door, betekent niet meteen stilzitten. Zelfs niet voor een schaatsster in de zomer. Dus wordt er even op zondag gefietst om de spieren soepel te houden. Fris, vrolijk en ontspannen zet langeafstandsschaatsster Carien Kleibeuker zich na haar ochtendlijke fietstraining in de tuin naast haar man Robert Schoonhoven, golfprofessional op de Noord-Nederlandse Golf&Country Club, nabij Groningen. Gewoon een gesprekje over schaatsen en golfen. Of er overeenkomsten zijn, dan wel verschillen. Die zijn er zeker, zo blijkt.

Foto Anneke Hymmen Foto Anneke Hymmen

Ze kennen elkaar van de golfbaan, sinds een jaar of tien, van een feestje na een golfclinic op de golfbaan van Heerenveen, hier om de hoek. Carien was (tijdelijk) gestopt met schaatsen, Robert gaf al jaren golfles. Ze had zichzelf met schaatsen over de kop gejaagd, los van andere dingen die haar destijds dwars zaten. Snel overstuur, snel moe, alleen maar bezig zich overeind te houden in het schaatsteam, het anderen in haar leven naar de zin te maken en vooral niet te doen wat ze zelf wilde. Overtraind, kun je zoiets noemen. Te veel willen, geen grenzen kennen, altijd maar doorgaan. Doodongelukkig werd ze ervan. En eenzaam, zeker als er niets om je heen is waar je nog plezier aan beleeft.

Het is nu eenmaal een karaktertrek, probeert Carien. ,,Ik ben geen vechter, maar ik geef niet zo gauw op’’, verduidelijkt ze aan het einde van het gesprek. Ze kijkt naar Robert. Hij glimlacht, alsof hij het bij haar herkent. Klopt. ,,Ik kan met golfen slecht spelen, maar die bal moet er wel in.’’ Het is een herinnering aan de twee jaar waarin ze competitie speelde. ,,Al was ik dan de laatste die nog moest putten, die bal moest erin.’’

Toch moest golf plaatsmaken voor schaatsen. ,,Golfen was leuk en ontspannend. Maar ik miste het hijgen. Ik miste de inspanning. Niet uren over de baan slenteren en af en toe een bal slaan. Ik was naast een baan als fysiotherapeute inmiddels trainer van een marathonteam geworden. Ik dacht een keer: laat ik eens mijn schaatspak aantrekken en meerijden. Dan ging gemakkelijk. Ik voelde me weer ontspannen. Niets hoefde. Zo kreeg ik het plezier in schaatsen terug. En schaatsen, die beweging, die slagen, dat zwieren en doorgaan tot het uiterste, is toch mijn ding. Ik voel me daar toch het beste bij. Met alle successen tot gevolg.’’

Nu golft ze hooguit nog één keer per jaar, op afspraak met Robert. Die knikt begrijpend. ,,Ze zou wel willen. Maar ze heeft er gewoon geen tijd voor. En schaatsen gaat bij haar voor. Als zij niet beweegt en niet een uitdaging heeft om zichzelf beter te maken dan wordt ze ongelukkig en is ze niet de leukste persoon om mee samen te leven.’’

Carien heeft de overeenkomsten tussen schaatsen en golf zeker ervaren. Misschien heeft ze er wel van geleerd. Zeker. ,,Door golf dacht ik dat ik nerveus was. Focussen is zo ongelooflijk belangrijk. En de rust, de ademhaling voelen. Slag voor slag, net als bij schaatsen. Als je niet in je slag komt bij schaatsen, moet je niet gaan vechten om die slag terug te krijgen. Die komt vanzelf, of die komt niet. Je weet wat je kunt. Zo is het ook met golf. Als het niet gaat, gaat het misschien de volgende hole weer wel. Een andere overeenkomst is, dat het een individuele sport is. Je moet het helemaal alleen doen. Je hebt getraind en geoefend, je weet wat je kan. Gewoon doen en er voor gaan.’’

In haar tweede schaatscarrière trainde Carien nota bene harder dan in haar eerste. ,,Er is iets met me gebeurd. Of ben ik ouder en meer ervaren geworden. Of kan ik beter met tegenslagen omgaan. Dat laatste kan zeker. Ik weet hoe goed ik was en ben in schaatsen. Ik hoef niets te forceren. Ik herken de grenzen. Door golf kun je leren beter met tegenslagen om te gaan. Want het is natuurlijk best een confronterend spelletje. Je kunt moeilijk na vier mindere holes de stokken in de tas gooien en weglopen, zeker niet als je zoals ik in een team speelde.’’

En, zo benadrukt Carien, ze kan nu beter dan vroeger relativeren. Haar liefde voor Robert en hun dochtertje zal daartoe zeker hebben bijgedragen. ,,Vertrouwen hebben in de mensen om je heen, in je trainer, je begeleiders en in wat je allemaal aankan. Zelfvertrouwen en rust. Ik ben nog steeds niet klaar met sport. Ik wil echt nog steeds beter worden. Dat zit in mij. Dus ook niet de moed laten zakken, als het even niet loopt, de tijden wat tegenvallen. De buitenwereld en de media staan gauw klaar met hun oordelen als de tijden nog niet goed zijn. Maar ik weet wat ik kan en wat er in me zit.’’

Straks als ze uitgeschaatst is, gaat ze vast en zeker weer meer golfen, zegt ze bijna als troost tegen Robert.

Vorige maand nog heeft ze voor het laatst gegolft. Te weinig, weet ze, om vorderingen te maken. Een lagere handicap zit er zeker in. Hoe hoog of laag die nu is, moet ze aan Robert vragen. ,,Handicap 17. Of 18, Robert?” Ach, laat maar. Even niet belangrijk. Eerst schaatsen, volgende week weer een trainingskamp in de Ardennen en dan in de verre toekomst op weg naar Pyeongchang, de Winterspelen van 2018. En dan, wie weet, weer golfen. Maar: ,,Als ik golf wil ik wel dat ik het goed doe.’’

———————————————————————-
Carien Kleibeuker (ROTTERDAM, 1978) is een Nederlandse schaatsster die uitkomt op zowel de langebaan als op de marathons. Ze is gespecialiseerd in de lange afstanden, vooral de 5.000 meter. Op die afstand won ze op Olympische Winterspelen van Sotsji in 2014 de bronzen medaille. Na het seizoen 2006/2007 had ze besloten te stoppen met schaatsen, als gevolg van een burn out. Ze koos voor een loopbaan als fysiotherapeute. In 2010 keerde ze terug als marathonschaatsster. In 2012/2013 won ze de Dick van Gangelen Trofee en werd ze uitgeroepen tot Marathonschaatsster van het Jaar. In 2013 keerde ze na zeven jaar terug op de langebaan. Op het Olympisch kwalificatietoernooi won ze de 5.000 meter voor Ireen Wüst. Een jaar later won ze olympisch brons. Het werelduurrecord staat sinds december 2015 op haar naam met 40 kilometer en 569,68 meter.

Dit interview is gepubliceerd in GolfersMagazine nr.5 in de serie ‘Mijn nieuwe sport’
Eerder verschenen: Roeister Femke Dekker, atlete Olga Commandeur, scheidsrechter Mario van der Ende, hockeyster José Poelmans, waterpoloër Marc van Belkum, wielrenner Erik Breukink, voetbaltrainer Barry Hughes, autocoureur Gijs van Lennep en voetballer Kenneth Perez

Erik Breukink: Als je golft sta je er helemaal alleen voor

10 sep

Foto Janus van den Eijnden

Foto Janus van den Eijnden

Erik Breukink heeft eigenlijk altijd al de rust uitgestraald die hij nu op het terras toont. Eerst als de begenadigde wielrenner, vervolgens als de beheerste ploegleider. Zijn geruststellende glimlach als iedereen in paniek raakt omdat de wereld in brand staat, is gebleven. Rust en controle over de situatie. Hij zou zomaar een goede golfer kunnen zijn.

‘Ja, ik denk dat het spelletje wel bij mij past’, bekent hij. Als hij geen wielrenner was geworden, vooral omdat zijn vader als directeur van Gazelle van wielrennen hield, zou hij best weleens een goede golfer geworden kunnen zijn. Hij zegt het niet met stelligheid, zo is Erik Breukink niet. Maar, vooruit. Hij heeft er tot nu toe nog niet over nagedacht, maar nu het hem gevraagd wordt, acht hij het niet uitgesloten. Typisch Erik.

Zijn vader Wim was een fanatieke sportman: tennis, wielrennen en vanaf zijn zestigste – toen hij meer tijd kreeg – golfen. Erik is ook altijd ‘een spelletjesman’ geweest. Thuis werden met het gezin aan tafel altijd spelletjes gedaan. ‘Ik was bloedfanatiek, in alles, ik kon niet tegen mijn verlies. Mijn vader leek rustig, maar ook hij wilde altijd winnen. Hij liet me ook zien hoe je moest golfen. We woonden aan de IJssel, bij Rheden. Mijn vader sloeg dan de bal zo ver mogelijk de weilanden in en de hond moest hem dan ophalen. Dat moest ik ook leren, zei hij. Maar zover was ik nog niet.’

Erik was meer met voetbal bezig, als een opkomende verdediger die eerst alles overziet om dan met een sprint langs de zijlijn ten aanval te trekken. Maar uiteindelijk ging zijn voorkeur uit naar wielrennen. Hij bleek een talent, een stilist die vooral in tijdrijden uitblonk. Golfen, dat hij pas ging doen toen hij in 1998 stopte met wielrennen, vergelijkt hij met tijdrijden. ‘Je staat er echt alleen voor, het gaat om focus en concentratie, niet forceren, rustig blijven, luister naar je lichaam, let op je bewegingen en weet waar je mee bezig bent.’

Vergis je niet in zijn temperament. Zoals hij al aangaf in zijn herinnering aan de spelletjes in huize Breukink. Bloedfanatiek. ‘Ik stopte in 1997 met wielrennen en werd toen gevraagd eens mee te gaan golfen. Bij mij in de buurt op Wouwse Plantage. Ik nam meteen lessen, wilde meteen mijn GVB halen. Binnen een paar jaar had ik handicap 21. Ik had tijd zat, wat moest ik anders? Een paar keer in de week ging ik met mijn tas naar de driving range. Vijf jaar was ik fanatiek bezig, ik had niets anders dan bij de NOS samen met Mart Smeets commentaar geven. Toen werd ik ploegleider bij Rabo, acht jaar lang. Ik had en nam geen tijd meer om te golfen. Achteraf jammer.’

Hooguit eens per jaar staat hij nog op de golfbaan, op uitnodiging of gewoon omdat zijn collega-ploegleiders bij Roompot, Michael Zijlaard en Jean-Paul van Poppel zin hebben. Dan merkt hij: ‘Je verleert het niet. Je weet na een paar slagen hoe het zit. De basisdingen, de grip, de houding, het hoofd, de focus, de ademhaling.’

Die andere ploegleider, Michael Boogerd, houdt zich verre van golf. ‘Dat is niks voor hem, zegt hij. Inderdaad, Michael wil altijd maar gaan, altijd aanvallen, zo was hij als renner, zo is hij als mens: rusteloos, te veel willen. Van Poppel is een man van de power, ja, een sprinter. Wachten en knallen. Mooi, dat je aan het karakter ziet of het spel bij hen past. Je kunt fanatiek zijn, zoals ik, maar je moet je ook kunnen beheersen. En dat kan ik geloof ik wel goed.’

Je moet ook vertrouwen hebben in wat je kunt, heeft Breukink als wielrenner ervaren. ,,Mijn ploegleiders, Ben van Erp, Peter Post, Jan Gisbers en Manolo Saiz wezen mij daar altijd op: je weet wat je kunt, vertrouw daarop. Zo is ook met golf. Weten met welke stok je een bepaalde afstand kunt slaan, niet forceren, gewoon de stok nemen die bij je past. Gewoon een zeventje. Ik kan wel zo’n joekel pakken, maar dat doe ik liever niet. Het spel is al zo moeilijk. Die obstakels, dat water, dat hoge gras, die bomen, die bunkers die je als monsters aankijken. In het begin dacht ik nog, dat doe ik wel even. Maar dat viel zwaar tegen. Wat ik al zei: het is net tijdrijden, niet over je grenzen gaan.’

Is golfen niet een sport voor wielrenners om tussen de talrijke koersen door tot rust en bezinning te komen? Even afleiding. De vraag stemt hem tot overpeinzing. ‘Ja, dat zou echt mooi zijn. Maar’, voegt hij er snel aan toe, ‘je moet wel les hebben gehad, een beetje kunnen golfen, anders heeft het geen zin. Je kunt niet maar zo tegen je ploeg zeggen: volgende week gaan we samen een dag golfen. En dan nog: wielrenners houden niet van slenteren, je fietst, je traint of je rust, liggen dus.’

De rust op het terras aan de rand van het natuurgebied overheerst. Erik Breukink richt zijn blik op een groot grasveld en speelt met zijn gedachten. ‘Ja, ik geloof dat dat spelletje wel bij mij past. Niet de stress van de koers, niet links en rechts aanvallen om je heen. Alleen zijn met jezelf. Ik denk nu terug aan al die tijdritten. Je staat op het startpodium. Je hebt nog zoveel seconden, je kijkt naar je voeten op de pedalen, naar de stand van je versnelling, naar je benen, je schouders, je hoofd en je armen. Je loopt alles na. Je richt je blik naar voren, focus, je ademt in en uit, en dan ga je, alleen. Je kijkt op en je gaat, zoals je met golf de bal ziet gaan. Je vertrouwt en je hoopt. Mooi.’
——————————————————————————————————————————————————————–
Erik Breukink (1964) was een van Nederlands succesvolste wielrenners. Hij werd in 1985 beroepsrenner, eindigde in de Ronde van Italië (Giro) van 1988 als tweede (hij won toen ook de etappe over de besneeuwde pas van de Gavia). In de Ronde van Frankrijk (Tour de France) van 1990 werd hij derde en in de Ronde van Spanje (Vuelta) van 1993 zevende. In al die rondes won hij een of meer etappes, zoals in 1989 de proloog (openingstijdrit) van de Tour. In 1993 werd hij Nederlands kampioen. Ook won hij belangrijke koersen als de Ronde van het Baskenland, de Ronde van Nederland en het Internationaal Wegcriterium (2x). Na zijn actieve rennerscarrière was hij vijf jaar commentator voor de NOS, en vanaf 2004 ploegleider en vervolgens directeur van de Rabowielerploeg. Nu is hij ploegleider van Roompot Oranjepeloton.

Dit interview is gepubliceerd in GolfersMagazine 7 in de serie ‘Mijn nieuwe sport’. Eerder verschenen in deze serie Femke Dekker (ex-roeister), Robert Eenhoorn (ex-honkballer), Kristie Boogert (ex-tennisster), Kenneth Perez (ex-voetballer), Gijs van Lennep (ex-autocoureur) en Barry Hughes (ex-voetbalcoach)

Tennisster Kristie Boogert golft nu: Ik mis de adrenaline

7 mei

kristie_boogert_-_tennis_1_20140410_1144134049
Ze is gaan staan in de hoop het verschil in lichaamsbeweging tussen de tennisslag en de golfswing duidelijk te kunnen maken. Voormalig tenniskampioene Kristie Boogert zwaait met haar armen van rechts naar links en toont de verschillen in rotaties van haar romp. Het is duidelijk, er is verschil. Ze lijken op elkaar. Maar toch is het anders. Dat heeft Kristie sinds ze na haar tennisloopbaan met golfen begon, moeten ervaren.

,,Als je ruim twintig jaar gewend bent je bovenlichaam met de slag mee te laten draaien, dan kost het heel veel oefening om het met golf anders te doen.’’ Ze komt er mee weg, zegt ze. Het is waarschijnlijk haar balgevoel, weten hoe je een bal slaat, haar talent. Om de golfswing beter te beheersen zou ze meer op de drivingrange moeten staan, zoals haar eerste clubpro destijds al adviseerde. Oefenen en slijpen. Zoals vroeger met tennissen: altijd slijpen. Niet meteen de baan in. Want voordat je het weet leer je jezelf dingen aan die je dan weer moet afleren.

,,Een goede golfer ziet waarschijnlijk meteen dat ik eigenlijk een tennisser ben. Die swing, die zwaai van achter naar voren, naar de bal, de romprotatie.’’ Om het goed te doen, moet ze eenvoudigweg terug naar nul. ,,Mensen die geen sportachtergrond hebben en met golf beginnen, hoeven niet terug. Die beginnen met de basistechniek. Ze leren de swing. Maar ik moet eerst de tennisspecifieke details afleren. Het is geen verontschuldiging. En hoeft ook geen handicap te zijn. Tennis is blijkbaar toch anders dan golf, hoeveel ze ogenschijnlijk op elkaar lijken.’’

Het is aangenaam luisteren naar een vrouw die gefascineerd is door de sport. Hoe ze probeert over te brengen wat ze beleeft, wat ze voelt, waar ze mee worstelt, hoe ze het beste uit haar sportbeoefening wil halen. ,,Tennis was altijd mijn passie. Maar toen was het over. Ik moest een operatie aan mijn rechter elleboog ondergaan en daaruit vloeide voort dat ik niet meer op hoog niveau kon tennissen. Dat was een klap. Ik was 29 jaar. Ik ging commerciële economie studeren en kon dat later combineren met tv-werk. Per toeval kwam ik in aanraking met golfen. Ik wilde meer kunnen dan alleen goed tennissen. Ik moest en wilde verder met andere dingen. En dat is goed gegaan, met alles wat ik nu doe. Ik geef verslag van tenniswedstrijden, ik kan mijn ervaring en inzicht overbrengen. En golfen is heerlijk en geeft me het gevoel dat ik sport, dat ik beweeg. Deed ik het maar meer.’’

Golfen is, los van het verschil in beweging van het lichaam, heel anders dan tennis. Ze mag dan voordeel putten uit haar door de jaren heen gegroeide mentale ervaring (niet na een mislukte slag de strijd opgeven, altijd in het moment blijven, altijd op je hartslag en ademhaling letten, focus). ,,Tennis is rennen, zweten, adrenaline. Golfen is rustig blijven, nooit rennen en zeker nooit zweten. Die adrenaline die ik had tijdens mijn tenniscarrière, mis ik eigenlijk nog het meest. Na het golfen kun je vermoeid zijn, maar dat is een soort landerigheid, moe van de concentratie, moe van het slenteren. Na het tennis sloeg je hart tien keer door. Opgefokt, dat vroeg naar meer inspanning en zweet. Zweet? Na het golfen. Nee, je bent moe van een andere inspanning, zoals voortdurende concentratie. Elke slag of swing, vraagt om focus.’’

Maar dat geldt toch ook voor tennis? Kristie zal het niet ontkennen. Bij een tennispartij word je geconfronteerd met een tegenstander, wat zij doet, hoe zij anticipeert, jou door lijkt te hebben en daarop inspeelt. Wat doe je dan? Hoe sla je dan? Het is haar fascinatie voor competitie. Ze zoekt naar een vergelijking en vindt dat in deelgenoot zijn van een team (Dames 1 van Golfclub Cromstrijen). ,,Dan ben je niet alleen met jezelf bezig, maar ook met wat de anderen van het team van je verwachten. Je wilt anderen niet teleurstellen. Je wilt jezelf niet ontmoedigen, maar ook anderen niet. De combinatie van individueel bezig zijn, maar toch ook deel uit kunnen maken van een team vind ik het leuke van golfcompetitie.’’

kristie
Ze vertelt over haar veerkracht en haar talent: als de bal bij tennis na een slag buiten de lijnen gaat, is de partij nog niet over. Altijd verschijnen nieuwe kansen, de tegenstander kan ook fouten maken, omdat ook hij mogelijk ook wel worstelt met dezelfde twijfels. Maar je kunt er beter niet op rekenen. Vooral op jezelf vertrouwen.

Visualiseren is belangrijk en kan ze bij golf gebruiken vanuit haar verleden. Je staat op de teebox en denkt aan die ene tennispartij op dat hele grote centre court. Je kijkt naar je handen, je voelt je armen, je lichaam, je voelt iets in je hoofd. En je denkt: toen ging het goed (of niet goed). Je moet tijdens het spelletje niet terugdenken wat er net is gebeurd. Ook niet te ver vooruit kijken naar het eventuele eindresultaat. Je moet in het ‘nu’ kunnen blijven. ,,Routines zijn daarvoor een belangrijke houvast en daar kun je vertrouwen uit halen.’’

Tja, haar handicap, nu 10.8. Moet dat nog omlaag? Ergens in haar hoofd wil ze dat wel en weet ze dat ze zich nog kan verbeteren. Ze kan het zo goed, golfen. Ze is zo goed in het spel met een bal. Die hand-oog-coördinatie blijkt ze te beheersen, vanaf ze toen nog een kind was.

Ze is gedreven. ,,Golf doet iets met mij. Rust, o jee. Wat is dat nou weer? Ik verlang nog vaak naar adrenaline. Uit niets iets te halen. Dat is wel lastig.’’
——————————————————————————————————-
Kristie Boogert (Oud-Beijerland, 1973) behoorde jarenlang tot Nederlands beste tennisspeelsters. Ze behaalde een zilveren medaille op de Olympische Spelen van 2000 in het dubbelspel, samen met Miriam Oremans. De zusjes Serena en Venus Williams bleken uiteindelijk sterker. Ze won drie titels op de WTA-tour. In het enkelspel was haar hoogste positie op de wereldranglijst 29e. Als gevolg van een elleboogblessure moest ze haar tennisloopbaan beëindigen. Nu is ze tenniscommentator bij Eurosport en Sport1.

Dit interview is gepubliceerd in de serie Mijn nieuwe sport in GolfersMagazine nr.3 2015

<span>%d</span> bloggers liken dit: