Tag Archives: Dafne Schippers

De meest indringende vraag heeft geen antwoord

20 Aug

Wat bezielt mensen? Wat gaat er door ze heen? Wat voelen ze als ze verloren hebben, wat als ze gewonnen hebben? Wat ging er fout? Wat maakt ze zo bijzonder? We willen het zo graag weten, of liever begrijpen? Hoe is het om topsporter te zijn? Vertel eens, asjeblieft, leg het me uit. Hier, voor de microfoon en de camera. Kijk in de camera en zeg het, asjeblieft, de mensen thuis willen het écht weten.

Het kan nieuwsgierigheid zijn of empathie dan wel een poging tot vereenzelviging met de sporter die zojuist alles uit zijn lichamelijke én geestelijke vermogens heeft gehaald om te schitteren. Waarom? Altijd die vraag: waarom? Het is de vraag die altijd op de lippen van sportverslaggevers brandt: ‘Wat ging er door je heen?’ Het mag dan wel een lachwekkend cliché zijn geworden, het is de meest prangende vraag. Niet alleen voor de verslaggever, maar hoogst waarschijnlijk ook voor de toeschouwers.

Ik heb door de jaren heen geleerd (mede door jarenlange intensieve therapieën en boeddhistische trainingen) dat we nooit zullen en kunnen begrijpen wat de ander denkt. Ieder zijn eigen beleving, zijn eigen perceptie en zijn eigen emoties. Als sportverslaggever heb ik altijd geprobeerd te doorgronden wat de sporter (die ander dus) doormaakt. Mogelijk als een vorm van projectie. Voelt hij ook wat ik bij deze overwinning of nederlaag voel? Of voelt hij iets anders? Dat wilde ik echt weten. Niet beseffend dat ik een totaal ander mens ben – wel of niet bekend met topsportbeleving. Meestal keek de sporter me dan aan met ogen vol onbegrip.

Ik zag tv-verslaggevers informeren naar het echte, diepe gevoel van Dafne Schippers, Ranomi Kromiwidjojo, Tom Dumoulin, Epke Zonderland, Yuri van Gelder, hockeysters, wielrenners, handbalsters en andere olympische sporters na hun ‘nederlagen’. Ik zag (in mijn perceptie) de wanhoop, het verdriet dan wel de onverschilligheid (bevriezing) in hun houding. Ze wilden weg uit deze ongemakkelijke situatie. ‘Je gaat me toch niet vragen wat ik echt voel? Alsof ik al weet wat ik voel. Mag ik het even laten bezinken? Er is iets met me gebeurd, maar ik weet nog niet wat? Ik weet nog niet wat me raakt en waar en waarom het me raakt. Kom op, laat me met rust. Rot op! Heeft een mens dan nooit recht op verwerking, op privacy?’

 Maar de tv-verslaggever ging door en door. ‘Kom op, jongen, vraag door, de mensen thuis willen het weten’, zo zou het in zijn oor getoeterd kunnen zijn door de regisseur. En hij ging maar door, totdat de sporter het zat was, nog even wat andere verslaggevers van de kranten plichtmatig te woord stond, om vervolgens de kleedkamer kort en klein te slaan. Of zoals ik zelf eens een voetbalschoen door de ruit van de kleedkamer gooide. Uit frustratie, omdat ik na de wedstrijd weer eens geschorst zou worden. Een bestuurslid had me streng aangekeken, en daar ging ik: los!

Begeerte en teleurstelling zijn vijanden van elkaar, zeker bij topsporters – jonge mensen nog – die jarenlang dag in dag uit op de toppen van hun tenen hebben gelopen.

Kent u dat? Jarenlang energie stoppen in het grote doel, op de rand van een burn out en dan uiteindelijk falen – domweg niet winnen. Dan ga je los, dan komt je ware temperament boven dat je al die jaren verborgen hebt kunnen (moeten) houden. Dan worden alle ketens ontbonden en wil je iedereen voor zijn bek slaan. Omdat een verslaggever in je gevoelsleven zit te graven. ‘Mag ik even tot mezelf komen? Of gewoon met mijn trainer en psycholoog of mijn vriend en familie een en ander verwerken: wat en wie ben ik nu nog?’

Bijna veertig jaar geleden was ik getuige van een ijshockeywedstrijd (om de Europa Cup) tussen Heerenveen Flyers en de Duitse club SC Riessersee. Na nog geen vijf minuten werd Heerenveen-center Jack de Heer uit het veld gestuurd na een doelbewuste provocatie van een Duitser. Wij verslaggevers hoorden later van Jacks vriendin dat hij de kleedkamer kort en klein had geslagen. Toen kwam Jack binnen in de kantine van het oude Thialf. De rust zelf. ‘Hi Jack, alles okay?’ Jack, een Nederlandse Canadees,  glimlachte zei: ‘Wat gaat jou dat aan? I’m okay, and you?’ Een maand later vertelde hij: ‘Ik heb alles in de locker-room aan puin proberen te slaan. Maar dat begrijp jij niet. Jij hebt niet op dat ijs gestaan. Wat weet jij daar van? Heb jij ooit ijshockey gespeeld? Nee, so fuck off.’

Ik wilde hem begrijpen. Waarom? Wat is er gebeurd? Jack zei: ‘Ik ben ik, ik heb in mijn leven alles gedaan om een goede ijshockeyer te worden. Jij niet. Jij hebt misschien alles gedaan om een goede verslaggever te worden. Dat zijn twee verschillende werelden, twee verschillende mensen. Ik respecteer jou om je nieuwsgierigheid, maar het is zoals het is: we zijn allemaal mensen, iedereen is verschillend.’

In de jaren tachtig stond ik aan de finish van een Franse wielerkoers met collega’s te wachten op Johan van der Velde, die in een bergetappe een half uur na de winnaar was binnengekomen. Ik vroeg: Wat is dat nou?’ Johan was kapot. Zijn ogen spuwden vuur. ‘Hedde gij welles met oew klote op ‘n fiets gezeten? Flikker op.’ Johan en ik zouden vrienden worden, ik heb zijn lijdensweg en opstanding van nabij gevolgd en zie hem nog steeds en denk dan: weet je nog Johan? Hij weet het nog.

Die emoties respecteer ik als medemens, of ik nu het wel of niet begrijp. Ik heb geleerd mensen op die vreselijke momenten met rust te laten. Veel voetballers én trainers hebben mediatrainingen gehad. Hoe diplomatiek te reageren op indringende vragen. Het is hun afweer tegen mogelijk vijandige infiltraties van verslaggevers en slecht verwoorde emoties. Mede daarom ben ik voetbalverslagen gaan schrijven zonder quotes van spelers en trainers. Ik observeerde en schreef wat ik zag en erbij voelde (in mijn perceptie). In interviews probeerde ik er later op terug te komen. In de hoop toch iets van de ziel in de voetballer te begrijpen. Soms lukte dat, soms niet. Veel voetballers, maar ook andere sporters blijven op hun hoede. Dat begrijp ik. Wat wil die man van me? Zo denken ze. Wat doet hij met wat ik zeg?

Wat ontlenen we aan de beleving van mensen die topsport tot het belangrijkste in hun nog jonge leven hebben gemaakt? Dat de Dafne’s, Ranomi’s, Epke’s, Yuri’s en Tom’s en al die anderen hun eigen invulling aan het proces tussen leven en dood geven, dat wil ik graag horen. Maar als ze dat niet willen of kunnen, houdt het op. Vaak denk ik aan de grote verscheidenheid aan topsporters die ik heb geprobeerd zieleroerselen te ontfutselen. Joop Zoetemelk vroeg ik tientallen keren naar wat hij voelde, vooral op weg naar Parijs in 1980, in de Tour die hij zou winnen. Dan keek hij mij aan en zei: ‘Pfff, ja, pfff.’ Of Dennis Bergkamp: ‘Nou ja. Ik deed het gewoon.’ Of Jan Raas: ‘Ik zeg lekker niks, maak er maar wat van.’ Of Gerrie Knetemann: ‘Wie heeft jou gestuurd? Mijn psychiater?’ Of Bernard Hinault: ‘Vous pensez que je te raconte mes sentiments? Non, non.’ Of Henk Lubberding, na een hele middag op zijn boerderij: ‘Guus, ik vertrouw je, dat weet je.’ Of Michael Jordan, na een intiem nachtelijk onderonsje in de locker-room van Chicago Stadium: ‘You’re a nice guy. Holland? Great. Let’s be friends.’ Of Paul Gascoigne, na een wedstrijd in Foggia, Italië: ‘Love you. Kiss.’

Anderen ontfutselde ik meer, maar ik probeerde de grenzen van privacy en fatsoen te respecteren. ‘Wees gerust, ik schrijf het niet op. Ik wil niet ranzig zijn. Sorry, dat ik je dit hebt laten vertellen.’

Michael Jordan

Michael Jordan

Indrukwekkende sportmensen die veel hebben gewonnen en veel hebben meegemaakt. Ik heb ze zien schitteren en falen. Ik genoot van hun bijzondere vaardigheden en hun lichaamstaal die veel verried. Als ze de kunst verstonden hun gevoel in woorden uit te drukken was dat meegenomen. Hun talent toonden ze op het veld, in de wedstrijd. Daar waren ze zichzelf. Ze spraken met hun voeten, met hun lichamelijke talent.

Het schijnt steeds meer nodig te zijn dat talenten ook nog helder hun talent kunnen verklaren, laat staan hun gevoelsleven publiekelijk analyseren. Mochten ze dat willen, dan laten ze dat wel blijken. Maar verder: ik wou dat ze met rust gelaten werden, laat ze doen waar ze goed in zijn en plezier aan beleven. Of pijn lijden. Ik hoef dat spitten in de ziel van een sportman niet. Je begrijpt hem toch niet. Hij is een ander.

Deze column is in verkorte vorm gepubliceerd op http://www.sportenstrategie.nl

Olga Commandeur golft: ‘Ik dacht dat talent normaal was’

24 Feb

Bewegen loopt als een rode draad door haar leven. Zo weet Olga Commandeur, eens een succesvol atlete (hardlopen en meerkamp), nu al jaren presentatrice van het populaire televisieprogramma ‘Nederland in beweging’. Ze golft sinds 13 jaar. Enthousiast, hoe lastig ze ook elke keer weer golf vindt. ,,Het is het meest uitdagende, meest intrigerende, maar ook het meest frustrerende spel dat ik ken.’’

Mogelijk heeft zij in haar jonge jaren als atlete harder getraind dan ze wilde. Olga Commandeur had veel talent, vergelijkbaar met dat van het tegenwoordige rolmodel van de Nederlandse atletiek Dafne Schippers. Ze was kampioene op de 800 meter, de 400 meter horden en de vijfkamp. Ze was op verschillende onderdelen recordhoudster en kreeg in 1975 de Tom Schreurs Prijs, als hét talent van het jaar. Totdat ze blessures (aan rug, enkel en knie) kreeg en het plezier in sport verloor omdat ze ineens moest. Ze moest meer trainen, ze moest zich aan strakke trainingsschema’s houden. Ze moest van haar talent gebruik maken.

,,Ik dacht dat talent normaal was. Ik had voortdurend gewonnen omdat ik het normaal vond te winnen. Ik startte en won, zonder na te denken over mijn kansen. Toen ik er iets voor moest doen, ging het mis. Ik werd fysiek beter, zo wezen de testen uit, maar mentaal niet.’’

Foto: Janus van den Eijnden

Foto: Janus van den Eijnden


Ze was pas achttien jaar. ,,Het plezier was weg. Het spontane, het jeugdige.’’ Ze werd klaargestoomd voor de Spelen van 1976, maar door lichamelijke ongemakken werd de weg naar Montreal versperd. Ze vocht terug, hoewel ze eigenlijk niet zo’n vechter is: het moet vanzelf gaan. Ze vond haar talent op de vijfkamp (tegenwoordig zevenkamp), mede door de overstap naar de Amsterdamse atletiekclub ADA, waar de sfeer haar streelde. Kortom: zonder plezier geen succes. De overstap leidde tot successen, maar door blessures toch minder waarop gehoopt was. Totdat na de Spelen van 1984 (halve finale 400 meter horden) haar kwetsbare knie haar dwong te stoppen. Ze werd docent Lichamelijke Opvoeding, dankzij haar opleidingen begin jaren zeventig aan het CIOS in Arnhem en de ALO in Amsterdam, maar ze moest na 13 jaar ook daarmee stoppen door een blessure.

Nu brengt ze haar ervaring als topsporter over op oudere mensen die ze nu stimuleert te (blijven) bewegen. Als vitaliteitscoach en -trainer probeert Olga ook ouders ervan te doordringen dat ze kinderen niet moeten dwingen. ,,Laat ze doen wat ze leuk vinden. Om oudere mensen in beweging te krijgen en te stimuleren kun je ze onder meer vragen: ‘Wat vond je nou leuk vroeger?’ Om zo het beweegvlammetje weer aan te wakkeren. Mijn boodschap: het maakt niet uit wát je doet, maar beweeg. Probeer veel verschillende sporten en ontdek wat jij leuk vindt. Ont-dek dus!’’

Vroeger vond ze golf een sport voor ouderen. Nu (57) ziet Olga in wat golf allemaal te bieden heeft. ,,Je bent buiten, in de natuur, je krijgt de broodnodige vitamine D. Als coach stimuleer ik mensen ook om naar buiten te gaan, dan zeg ik: ‘Benoem de dingen die mooi zijn.’ Daardoor krijgen ze meer waardering en bewondering voor dingen. Dat geeft een goed gevoel en ontstresst.’’ Zo heeft ze dat zelf ervaren, vooral tijdens haar talrijke golfrondjes. ,,Ik heb een hele andere kijk gekregen op golf dan 13 jaar geleden. Het is altijd een geweldige ervaring. Met altijd weer nieuwe uitdagingen.’’

Ze had vroeger, rond haar dertigste, weleens ‘een lesje’ gehad. Maar ze beleefde er nog niet echt plezier aan. Toen ze haar huidige (al golfende) man 13 jaar geleden leerde kennen, veranderde er iets in haar beleving. Een weekendcursus in Zandvoort leidde meteen tot haar GVB en tot veel en fanatiek golfen met haar man. ,,Het competitiegevoel, het willen winnen zit er nog steeds in. We maken er altijd een wedstrijdje van, spelen altijd qualifying, altijd achttien holes. We spreken vooraf een bedrag af, de winnaar betaalt, de verliezer rijdt terug naar huis. Al het geld gaat in een potje voor een golfreisje. Bijvoorbeeld naar Zweden, een echt weids land met de ene golfbaan na de andere. Daar is golf een volkssport en is het zelfs op school een leervak.’’

Door golfen kwam ze ook weer in aanraking met haar lichamelijke kwetsbaarheid, vooral die linkerknie die dertig jaar geleden een einde maakte aan haar atletiekloopbaan. Beschadigd kraakbeen. ,,Iemand maakte mij erop attent dat ik bij de eindswing mijn linkerbeen ontzie, ervan wegdraai, in plaats van mee naar voren beweeg. Daardoor besefte ik ook heel goed dat als bewegen pijn doet, ga je het uit de weg, dan beweeg je niet soepel mee. Dan haak je af. Zeker op hoge leeftijd. Daarom sta ik nu op de nominatie voor een nieuwe knie. Nu al.’’

Het enthousiasme voor bewegen, voor golf dus, druipt er van af. Nog beter golfen, handicap omlaag (nu 20.5, was 19), winnen, maar wel plezier blijven beleven. Ze kwam in aanraking met Auke Hempenius, golfdocent die Inner Genius Golf in Nederland introduceerde na een verblijf van 25 jaar in de Verenigde Staten. ,,Hempenius zegt: ‘Het merendeel van de mensen is zich heel weinig bewust van de eigen golfswing, weten niet waar de golfclub en het clubblad zich bevinden. De golfswing kun je beleven. Het is een swing van 540 graden, een energiebaan die je kunt voelen’. Auke zag me en zei: ‘We gaan met jouw slag aan de gang.’ Ik heb een paar lesjes van hem gehad. Het is wonderbaarlijk wat je met zijn manier van aanpak bereikt. Het gaat gewoon gemakkelijker.’’

,,Oefenen, oefenen, oefenen. Veel doen, doen, doen. Altijd maar doen en bewegen.’’ Het lijkt haar lijfspreuk: doen en bewegen. ,,Zeker als je ouder wordt, moet je meer oefenen, meer doen. Anders word je minder, minder soepel, stijver. En het moet wel leuk blijven, er moet plezier zijn. Dat heb ik wel geleerd doordat ik aan topsport heb gedaan. Zonder plezier wordt bewegen een opgave. Dan ben jij je grootste tegenstander.’’
——————————————————————————————————-
OLGA COMMANDEUR (IJmuiden, 1958) is een oud-atlete. Ze stond van medio jaren zeventig tot begin jaren tachtig te boek als een groot talent. Ze beschikte over veelzijdige aanleg voor verschillende atletiekonderdelen. Vooral op de loopnummers 400 meter horden en 800 meter behaalde ze successen. Als enige Nederlandse atlete vestigde zij ooit een officieel wereldjeugdrecord op de 800 meter. Olga werd zesmaal Nederlands kampioene op individuele nummers. Vervolgens richtte zij zich op de meerkamp. Door overbelasting moest ze daarmee stoppen. Ze nam deel aan de Olympische Spelen van 1984 in Los Angeles, waar ze tot de halve finale doordrong en zesde werd. In 1985 werd ze door de opeenstapeling van blessures gedwongen te stoppen met atletiek. Tegenwoordig is zij bekend door haar dagelijkse presentatie van het televisie-programma ‘Nederland in Beweging’. Zij geeft tevens als vitaliteitscoach presentaties en verzorgt programma’s en trainingen met als thema gezond bewegen. In samenwerking met Yalp heeft Olga al 54 Olga Commandeurpleinen in Nederland, dat zijn beweegpleinen voor ouderen.

Dit interview is gepubliceerd in GolfersMagazine nr. 1 2016

Dafne Schippers: hoogste vorm van uitmuntendheid

29 Aug

dafne

Kijken naar de wereldkampioenschappen atletiek is kijken naar de hoogste vormen van uitmuntendheid. Jonge mannen en vrouwen die laten zien hoe mooi, sterk en snel hun lijf is geworden door zich dagelijks buitensporige fysieke en mentale inspanningen te getroosten. Kijk eens hoe voortreffelijk ze zijn, nog beter dan anderen, nog sterker en sneller. Nog mooier. Alsof excellentie bijdraagt tot voortdurend, oneindig geluk. Soms lijkt het zo.

Deze overpeinzing kwam bij mij op toen ik Dafne Schippers naar de wereldtitel op de 200 meter zag snellen. Een blond godenkind op lange, fraai en gespierd gestileerde benen, die hemel en aarde bewoog om toe te kunnen treden tot het domein van uitverkorenen. Bijna niemand (in binnen- en buitenland) die haar uitzonderlijke bewegingen volgde, kon gevoelens van bewondering én verwondering onderdrukken. Dit was bijzonder. Dit was nog niet vertoond. Woorden schoten te kort. Verslaggevers, commentatoren en analisten troefden elkaar af in krankzinnige superlatieven. Emoties doen rare dingen met mensen.

Ik voelde tranen opkomen. Waarom? Was het mijn vereenzelviging met haar bijzondere triomf? Wilde ik zelf ook zo winnen, van wie dan ook? Altijd, elke dag, van iedereen die me voor de voeten loopt. Was het haar onderkoelde, nog niet begrepen succes dat mij raakte? Of was het de manier waarop haar familie Dafne omhelsde? Emoties zijn moeilijk te doorgronden.

Nee, niet omdat Dafne een Nederlandse is. Ik voelde ook tranen bij demonstraties van een uitzonderlijk talent als Michael Jordan, toen ik hem begin jaren negentig in Chicago van nabij zag springen, dribbelen en scoren. Bij Tiger Woods op de Masters tien jaar geleden, bij Pelé toen ik hem op het WK van 1958 op de televisie zag schitteren, bij Greg LeMond in de afsluitende tijdrit van de Tour van 1989 in Parijs, en bij anderen. Ik raakte geëmotioneerd toen ik deze mensen zag excelleren en op hun eigen wijze daarvan zag genieten. Ik noem het gemakshalve identificatie. De vereenzelviging met mensen die een excellente prestatie neerzetten – en nauwelijks beseffen welke momenten van geluk ze mensen bieden.

Jarenlang heb ik mij proberen af te wenden van emoties zodra een sportprestatie mij in het hart of in de onderbuik raakte. Soms tevergeefs. Afweer was mijn beste wapen, met cynisme als het gemakkelijkste afweermechanisme. Of was het een zelfverheffingsmotief?

Ik was journalist, verslaggever, analist. Mij was door ervaren collega’s en chefs gemaand professioneel afstand te bewaren, mij te beperkten tot feiten en liefst argwaan te tonen bij alles wat op overschrijdende prestatiedrang wees. Topsporters zijn uitslovers. Topsporters dien je te wantrouwen, ze zijn te allen tijde bereid om te frauderen, grenzen te overschrijden, zeg maar zich altijd te bedienen van illegale middelen zoals doping. Een journalist hoort argwanend zijn, was mij op het hart gedrukt. Ook een sportjournalist. Overal afstand en afweer. Maar ik heb altijd diep van binnen gevoeld dat een sportjournalist ook emoties kan (of moet) overbrengen. Liefst zijn eigen emotie.

Het was een worsteling tussen mijn romantische inslag en mijn (geconditioneerde) wantrouwen jegens de begerige sportmens. Mijn strijd is nog niet voorbij. Ik besef terdege dat sportmensen bereid zijn voorbij grenzen (afspraken) te gaan zodra eeuwige glorie in het verschiet ligt. Ik probeer mee te voelen. En ik probeer ook mee te voelen met de sportmensen als ze verdacht worden gemaakt zodra ze excelleren. Dafne Schippers krijgt nu in de buitenlandse pers over zich heen wat andere buitenlandse winnaars over zich heen kregen (en nog steeds krijgen) van de Nederlandse pers. Een blonde Nederlandse die zwarte concurrenten de baas is. Hoe zouden de Nederlandse media hebben gereageerd als Dafne een Duitse, Amerikaanse of Russische was geweest? Wat niet van ons is, is verdacht. Wat wel van ons is, sluiten we beschermend en liefdevol in onze armen.

Hoewel een mannetje op mijn schouder me voortdurend influistert dat wat ik in de sportarena zie niet deugt, voelde ik mijn hartslag versnellen en zei ik tegen mezelf: ‘Dit is bijzonder, dit heb ik nog nooit gezien, dit zijn mensen die mij opwinden, dit raakt mij en schakelt gelukkig even mijn scepsis uit.’

De voetbalwereld is verdorven, vooral door de ongelijke verdeling van geld, door verregaande spelverruwing, commercialisering, verdwijnende binding met club en supporters en jacht op het grote geld. De wielersport is zo ondoorgrondelijk geworden door verkapte doping, onderlinge afspraken en belangenverstrengelingen. Atletiek, met al haar onderdelen, is als sport geen haar beter. En toch is er hoop. Dat de meeste atleten hun kracht, snelheid en gedrevenheid putten uit natuurlijke middelen, althans middelen die niet verboden zijn. Dat altijd wel ergens in de wereld een natuurtalent opstaat, dat op basis van eigen middelen en sportiviteit anderen de baas is.

Atletiektoernooien die tot de verbeelding spreken, zijn er heel weinig. Eens in de twee jaar wereldkampioenschappen, eens in de vier jaar Olympische Spelen, tussendoor wat wedstrijden her en der, waar dan zonder media-aandacht ook grote prestaties worden neergezet. Van verzadiging is bij atletiek niet gauw sprake. Atleten kunnen zich in betrekkelijke rust voorbereiden op een belangrijk toernooi. Pieken op het juiste moment. Met explosieve aandacht tot gevolg. De media putten zich dan na een lange periode van stilte en afstand niet alleen uit in superlatieven, radeloos zoeken ze naar verklaringen.

Dafne weet nog niet wat over haar heen zal komen. Hier wordt ze al de Sportvrouw van het Jaar genoemd, daar wordt ze al benoemd tot Sportambassadrice van Nederland, dan weer wordt ze De Held van de Eeuw, dan weer dient ze een koninklijke onderscheiding te krijgen of staat nóg een multinational klaar om zich van haar mooie gezichtje te bedienen ter verspreiding van een commerciële boodschap. Want op de Olympische Spelen wordt ze definitief onze held, ons affiche, ons product. Dat heet investeren – of domweg uitbuiting.

Dafne Schippers wordt bestempeld als een nuchtere vrouw, omdat ze als atlete misleidende aandacht naast zich neer kan leggen. Vandaar ook haar zeldzame prestaties. Ik hoop dat ze kan blijven wie ze is. Gewoon een leuke vrouw die vreselijk hard kan lopen. Ik hoop dat iedereen van haar afblijft. Niks held, niks bovennatuurlijk. Gewoon een mooi mens.

Ze weet nog niet wat ze ons allemaal aandoet. Het besef komt met de jaren. Laat haar met rust, geef haar de vrijheid – daarin gedijt ze het meest. Ook natuurtalenten hebben recht op privacy. Haar managers bezweren dat Dafne zich niet gek laat maken. Dat is eerder gezegd, over nóg grotere talenten.

Deze column is gepubliceerd op http://www.sportenstrategie.nl/

%d bloggers liken dit: