Tag Archives: KNVB

Golfer Mario van der Ende heeft niets met handicaps

18 dec
Foto Janus van den Eijnden

Foto Janus van den Eijnden

‘Als ik was gaan golfen tijdens mijn scheidsrechtersloopbaan was ik een nóg betere scheidsrechter geweest.’ Mario van der Ende zegt het onomwonden. ‘Golf is een focustraining. Ik had me nog beter kunnen concentreren’, is zijn uitleg. ‘Destijds deed ik met sportpsycholoog Jan Huijbers spelletjes om te leren focussen. Ik denk dat als ik toen had gegolfd het nog beter was gegaan.’

Van der Ende geniet van golf, sinds hij zes jaar geleden tijdens een dienstverband met de Australische voetbalbond in aanraking kwam met golf. ‘Ik ben gek op competitie. Als ik iets doe, wil ik het goed doen. Als ik een spelletje speel, dan wil ik winnen. Als ik straks met mijn oude moeder gaan jokeren, gaat het mes op tafel. Ik speel eerlijk, maar ik kan ook een klootzak zijn. Dat heb ik ook met voetbal. Hard spelen is niet erg, maar niet gemeen.’

Competitie, dat is wat hem drijft. Waarom die Stableford-telling, stelt hij met een provocerende lach. ‘Het lijkt wel een Nederlandse uitvinding. Het is eigenlijk gewoon een compensatie. Kom op zeg, als ik van jou wil winnen, dan zorg je maar dat je goed speelt. Ik heb niks met excuses en handicaps. Dat heeft niks met topsport te maken. Ik heb handicap 20. Dat zal niet gauw lager worden, maar ik wil altijd winnen, van wie dan ook. Ik zal er voor zorgen dat ik win, ook van mezelf.’

Hij speelt weleens alleen, maar dan met twee balletjes. Op het ene balletje staat de M van Mario op het andere de R van de rest. ‘En dan speel ik echt eerlijk. Als je niet eerlijk speelt, kom je jezelf tegen. En je moet jezelf niet in de maling nemen. Als ik tegen een ander speel, mag je best een beetje zuigen. Toen ik vroeger tenniste, deed ik weleens of ik een vuiltje in mijn oog had, gewoon even pesten. Lekker, niks mee. Maar niet vals spelen. Ik houd me aan de regels. En: ik word steeds uitgenodigd. Dan zal ik dus wel eerlijk spelen.’

Van der Ende geniet. Van de ruimte om zich heen, liefst op een baan aan het water. Wat wil je ook als een kind dat dicht bij het strand (Den Haag/Kijkduin) is opgegroeid. Op een bosbaan wordt hij claustrofobisch. ‘ik kan niks zien.’ Mensen om zich heen activeren zijn competitiedrang. ‘In een flight van vier heb ik van niemand last. Iedereen mag kijken wat ik doe, het prikkelt me alleen maar. Ik heb weleens met Klaas Nuninga (oud-Ajacied en oud-international) gegolfd. Hij was leraar van beroep, net als ik. Hij gaf graag tips, wat eigenlijk niet mag. Maar van mij mocht hij. Ik stak er veel van op. Anderen worden er gek van als een tegenspeler wat zegt. Ik geniet. Als scheidsrechter was ik liever in een thuiswedstrijd van Real Madrid met honderdduizend toeschouwers, dan bij RKC met tweeduizend. Ik geniet van aandacht en ik geniet van competitie. Hoe meer prikkels, hoe beter ik me voel.’

Moeite heeft hij met zijn lichamelijke handicap. Dat kan hij in zijn drang om de beste te zijn niet altijd goed verdragen. In 1999 moest een tumor aan rechts onder zijn keel worden weggenomen. De wond werd met 65 hechtingen gedicht. Er is nog een litteken van zijn hals tot onder zijn oksel. Daardoor heeft hij moeite met ‘doorswingen’. ‘Dat scheelt bij de afslag zeker 40 tot 50 meter. Een fysiotherapeut is er wel druk mee bezig geweest om de mobiliteit te vergroten. Tevergeefs. Ik moet ermee leren leven. Op een par 3 durf ik elke competitie aan. Kom maar op! Ik weet nu op de langere holes dat ik met kort spel en putten veel moet goed maken. En dat lukt me goed. En eerlijk, volgens de regels. Het leven is na die zware operatie mij meer waard. Ik geniet en doe dat op een manier die mij en anderen plezier geeft.’

Toen hij eenmaal enthousiast was geraakt door golf, moest en zou hij zo snel mogelijk zijn GVB halen. ‘Ik heb er echt voor geblokt, ik wilde alle regels goed kennen en meteen slagen. De regels kennen, vind ik erg belangrijk. Het zou fijn zijn als voetballers dat ook hadden. En zelfs scheidsrechters. Die moeten eens in de zoveel tijd een test doen. Als ze zeven van de tien vragen goed hebben, zijn ze geslaagd. Dat is toch raar: drie fouten. Geen wonder dat er vaak discussie is bij een overtreding. Iedereen, scheidsrechter en spelers horen de regels te kennen. Zoals het met golf is. Voetbal is verhufterd.’

Golf biedt veel: discipline, rust, etiquette, beweging, respect voor elkaar en sociaal bezig zijn. Zijn enthousiasme is zowat grenzenloos. Hij kijkt naar buiten, ziet een driving range, kijkt om en ziet water. We zitten op Golfbaan Naarderbos. ‘Mooi hé. Ik sta hier weleens over het water te kijken. Ik zou nu zomaar alleen kunnen gaan spelen. Eén tegen één, je weet wel M tegen R. Altijd een tegenstander en ik voel me nooit alleen.’

Hij geniet van de rust, de rustmomenten. Even op adem komen. ‘Om terug te komen op mijn scheidsrechtersloopbaan. Ik was leraar, druk bezet dus en dan tussendoor scheidsrechteren. Dan kun je gestresst aan een wedstrijd beginnen. En als je gestresst bent, kun je je moeilijker concentreren en focussen. Die spelletjes die ik met sportpsycholoog Jan Huijbers deed, hielpen me wel. Hoe kan ik me niet laten afleiden door dingen buiten het spel? Als ik had gegolfd, was me dat nog beter afgegaan. Er zijn wel voetbalscheidsrechters die golfen: Liesveld, Vink en Bossink. Of golf hun helpt, weet ik niet. Maar het zou me niets verbazen.’

Van der Ende herinnert zijn kennismaking met golf, in Australië. Hij wil nog even zijn competitiedrang illustreren. ‘Het was op een clinic. De pro zei me dat ik de bal zo dicht mogelijk bij de vlag moest proberen te slaan. Dat lukte me. Toen ik op de green kwam, zei hij dat de bal nu nog in de hole moest. Toen antwoordde ik: ‘had dat meteen gezegd dan had ik dat meteen gedaan.’ De lach van Mario van der Ende davert door het clubhuis van Naarderbos.

Zijn enthousiasme werkt aanstekelijk: ‘Morgen een rondje lopen?’
—————————————————————————————————–
MARIO VAN DER ENDE (1956) is een Nederlandse oud-voetbalscheidsrechter. Hij floot van 1985 tot 2003 meer dan 600 wedstrijden in het Nederlandse voetbal waaronder vier bekerfinales. Hij was internationaal scheidsrechter van 1900 tot 2002 en leidde 136 internationale duels, onder andere op het EK van 1996 en de WK’s van 1994 en 1998. In 1999 werd hij getroffen door een vorm van keelkanker, waardoor hij zes maanden rust moest nemen en werd geopereerd. Daardoor miste hij de Champions League-finale en het EK voetbal. In 2003 beëindigde hij zijn loopbaan. Van der Ende was leraar Nederlands en Maatschappijleer in het middelbaar- en hogerberoepsonderwijs en werkte bij de voetbalbond KNVB als hoofd scheidsrechterszaken. In 2008 leerde hij in Australië (hij werkte daar als National Referees Technical Director) golfen. Van der Ende speelt voornamelijk op de Golfpark Spandersbosch in Hilversum.

Dit interview is gepubliceerd in GolfersMagazine nr.10 december 2015

Charley van de Weerd, eens en altijd de beste van FC Wageningen

13 sep

Op 13 september 2013 werd op de Wageningse Berg een reünie gehouden: ‘BallenopdeBerg’, ter nagedachtenis aan de glorietijden van FC Wageningen. De beste voetballer die Wageningen heeft gekend, was Charley van de Weerd. Hij was mijn jeugdheld. Hij overleed in februari 2008. In 1992 ging FC Wageningen failliet. De club van Charley, van zijn neef Ton van de Weerd, van Wim Bleijenberg, Epi Drost, Fritz Korbach, Gerdo Hazelhekke en andere groenwitte helden werd uit het betaald voetbal gestoten. In 1992 ging ik voor NRC Handelsblad met Charley terug naar de Wageningse Berg. Een onvergetelijke ervaring.

Door onze redacteur Guus van Holland

In de historie van ruim tachtig jaar voetbal in Wageningen speelde Charley van de Weerd de hoofdrol. Hij bepaalde tussen 1939 en 1962 het gezicht van de club, die het merendeel van het bestaan overigens in de eerste divisie doorbracht. FC Wageningen is failliet en kreeg geen licentie meer. De eens onneembare veste, het meest idyllische stadion van Nederland, de Wageningse Berg, is verlaten.

WAGENINGEN, 13 aug. 1992. Als we de Generaal Foulkesweg oprijden, de weg vanuit de stad de Wageningse Berg op, doemen de eerste herinneringen op. Voor elke thuiswedstrijd, voor elke training fietste hij de berg op. Zo begint Charley van de Weerd spontaan te vertellen. Daar kreeg je sterke spieren van. Dan had hij de warming up er al op zitten als hij op het veld kwam. Drie tot vier keer in de week legde hij die weg af, bijna 22 jaar.
Charley
Hij herinnert het zich nog goed. Hoe de Wageningers met duizenden over de weg naar het hoog gelegen stadionnetje liepen of fietsten. Beginnend, onderaan, bij hotel De Wereld. En na afloop wandelden de vrouwen met hun kinderwagens vader tegemoet. Die sfeer. ‘Charley’ (Anthonius Johannes) van de Weerd (70), een begrip in Wageningen, een idool voor elke voetballer uit de omgeving, krijgt het er even warm van.

Achterop op de fiets bij mijn vader ging ik vanuit Bennekom naar mijn eerste wedstrijd in het betaald voetbal. Jaren vijftig. ADO, met z’n internationals, kon kampioen worden op de Berg. Wageningen (toen nog geen FC) won, zoals Wageningen thuis vaak won van kampioenskandidaten. De bloemen konden worden weggegooid. Charley van de Weerd scoorde. Zoals altijd. Natuurlijk een linksbinnen, want alleen linksbinnens konden voetballen. Hij passeerde twee, drie spelers op de vierkante meter. En hij kon schieten. Met rechts en met links. En altijd nummer 10, in rode cijfers op het groen wit gestreepte shirt.

Wageningen won in het seizoen 1952/’53 op de Berg met 4-1 van Ajax. Ze praten er nog over. Maar in Amsterdam wonnen ze ook, met 2-1. “Scoorde ik ze allebei”, zegt Charley met Wageningse tongval, die ik als jongen van de streek goed ken. Hoeveel hij er in die legendarische wedstrijd maakte, is hij vergeten. “Een stuk of drie, denk ik. Want ik scoorde altijd. En veul.” Er waren wel 12.000 man tegen Ajax, mensen langs de kant op platte wagens en kisten. Het stond zwart van de mensen.

Hij kent ze nog, de Ajacieden. Dräger, Van Dijk, Boskamp, Van der Wel, Van Mourik, Leeser, Visser op het doel, Stoffelen, Van der Hoeven en Rinus Michels. Vond hij niks aan, als voetballer, die Michels. “Maar ja, hij liep in een gesmeerd elftal. Als je daarin speelde, hoefde ze je maar in te tikken. Hij was goed met de kop. Verder niks. Als hij bij Wageningen had gespeeld, had je nooit van hem gehoord.”

De wind ruist door de bomen rondom het rustieke stadionnetje. Het hek is dicht, voorgoed gesloten. Het huis naast het veld biedt geen uitkomst. Niemand thuis, geen sleutel. Hier woonde zijn opoe, merkt hij op. Ging hij als jochie van acht ’s zondags naar toe. Dan voetbalde hij er op het veldje naast het grote veld. Later het trainingsveld, waar Epi Drost als “jochie van 15 jaar op zijn gewone schoenen mee mocht doen en de spelers van Wageningen dol draaide”. Zo vertelt Charley met een gulle lach.

Van de Weerd heeft een tasje met knipsels meegenomen en vertelt. Over de beslissingswedstrijd die Wageningen in 1951 in de Rotterdamse Kuip tegen DWS moest spelen om het Nederlandse kampioenschap. Ze verloren met 1-0, door een “heel lullig rot goaltje”. Ze waren veel beter. Het publiek was op hun hand. Hij had de keeper nog bewusteloos geschoten met een van zijn befaamde kanonskogels. Een landskampioenschap van Wageningen, dat ontbreekt er eigenlijk aan. Hij heeft alleen de KNVB-beker gewonnen, twee keer.

Welk voetbalveld ligt er mooier dan de Wageningse Berg? Hoog tussen de bomen. Beneden stroomt de Rijn. Hij wijst op de watertoren, als een baken van verzet bij de entree van de Berg.

De herinnering aan 16 januari 1944 dringt zich bij hem op, twee dagen voor zijn 22ste verjaardag. “We speelden tegen Go Ahead. Ineens stonden er allemaal Duitsers om het veld. Ik zag het wel. Al die mensen die naar de uitgang liepen, onder het voetballen. Ze werden allemaal gecontroleerd op een Ausweis. En ik was de enige onderduiker op het veld. In de rust kwam mijn moeder de kleedkamer binnen. Die zegt tegen Van Tuil, de voorzitter, of ik niet met een blessure kon uitvallen, met de ziekenwagen weg kon. Nee, daar had hij wel iets anders voor.”

Na de wedstrijd werd hij verstopt onder een toonbank waar ze limonade en bier verkochten. Planken ervoor. En wachten. “Ik hoorde ze komen, bons, bons met die laarzen. Uiteindelijk vonden ze me toch. Ik werd het veld opgesleept, tussen de andere mensen gezet en overgebracht naar de Gestapo in Arnhem.”

In nog hetere tijden van de oorlog sliep hij op de Berg. Dan bivakkeerde hij onder een dekentje op de tribune. Of dook hij onder op een zoldertje boven de kleedkamer. Zodra er in de stad het gerucht ging dat een razzia dreigde, verdween hij naar de Berg. Zijn Berg, waar hij zich veilig voelde tussen de lucht van leer en touwen netten.

Na de evacuatie van Wageningen werd het stadion totaal ontredderd teruggevonden. Alles was verdwenen en in het veld werden loopgraven en schuttersputten aangetroffen. Maar het voetballeven ging door. En beter dan ooit. In 1948 won Wageningen de KNVB-beker voor de tweede keer. De glansperiode van Charley van de Weerd was aangebroken.

Van de Weerd werd uitgenodigd voor de selectie van het Nederlands elftal. Twee jaar lang ging hij elke dinsdag naar Amsterdam naar de centrale training. Onder leiding van Jaap van der Leck. Hij trainde met Lenstra, Terlouw, Biesbrouck, Schaap, maar hij speelde nooit in het Nederlands elftal. Toen hij de kans kreeg, werd Kuneman van HBS opgesteld. “Die kon er niks van, maar ja hij was van HBS uit Den Haag, hij lulde zich er wel in. En ik kwam uit de provincie. Zo gaat dat.”

Hij hield er in elk geval een speldje aan over. Een leeuwtje met een roodwitblauw vlaggetje eronder en de letters NED. ELFTAL TR., TR van training. Hij speelde vijf keer in het voorlopig Nederlands elftal, twee keer in het B-elftal, vier keer in de Zwaluwen. Hij werd regelmatig gekozen tot beste speler van Oost-Nederland. Soms komt hij ze nog tegen, de grote jongens van vroeger. Aardige jongens, zoals Guus Dräger van Ajax. En Abe Lenstra, een hele luie. Maar aardig. Later kwam Abe nog bij hem in de sportzaak om zijn schoenenmerk van Quick te verkopen.

En Cor van der Hart. “Dat was een vreemde. Die zag me niet staan. Ik heb hem eens bij Fortuna’54 driemaal gepasseerd én gescoord. Vond-ie niet leuk.” Maar verder was ’t wel een goede voetballer. En Frans de Munck, de legendarische doelman, was ook een hele goeie: “Wel een ijdeltuit. Later verfde hij zijn haar.”

West Ham United benaderde hem voor een profcontract. Van de Weerd wilde niet uit Wageningen weg. Hij kreeg bezoek van een man uit Italië. “Hij sprak Hollands, maar hij had een speldje van Inter op. Dat had ik wel gezien. Hij zei dat ze me al twee seizoenen observeerden. Ze zochten zo’n soort voetballer. Een die het spel maakt en veel scoorde. Maar ik durfde niet. Helemaal met de trein naar Milaan. Jong, daar kon ik toch niet aan beginnen. En in Italië, daar gooiden ze je op het veld met flessen dood.”

Het beroepsvoetbal deed zijn intrede in Nederland. Van de Weerd ging voor De Graafschap spelen. Voor een tientje of vijf per wedstrijd. “En dat was wat in die tijd. Ik werkte in een garage voor 38,50 (guldens) per week. Kun je nagaan. Ik kon een nieuwe haard kopen.”

Na twee jaar ging hij terug naar Wageningen. Omdat hij er een sportzaak kon overnemen, een winkel die nog altijd bestaat, aan het Salverdaplein. Bij De Graafschap geloofden ze niet dat hij dáárom terugging. “Ik heb de hoofdinspecteur van politie in Wageningen nog gevraagd dat in Doetinchem uit te leggen.” Hij kon er echt niet blijven voetballen. Stel je voor, in die tijd. Niemand uit Wageningen zou bij hem voetbalspullen kopen, omdat hij in Doetinchem speelde. Hij zou een verrader zijn, “een vuile overloper”.

Hij speelde zijn eerste wedstrijd in het eerste toen hij 17 jaar was. Als linksbuiten scoorde hij bij zijn debuut tegen Tubantia driemaal. Want hij scoorde altijd. Ruim 22 jaar later nam hij afscheid, op zijn veertigste. Hij had eerder willen stoppen. “Maar ze zeiden nog niet zonder mij te kunnen.”

Waarom de kampioenen uit het westen met knikkende knieën naar de Berg kwamen? Ze stroopten hun mouwen op: Henk Looijs, Wim Vermeer, Wim Zeller, Job Jansen, Reijer Jansen, Joop Gieltjes, Hennie van der Heijden, André Leander, Frans Beijer, Selis Drost (de vader van Epi), Wim ‘de Kont’ Bleijenberg, die later naar Ajax ging. Van de Weerd niet, hij was geen werker. Hij hield van mooi voetbal. Maar hij scoorde wél. Altijd. Hoeveel weet hij niet. “Honderden. Tegenwoordig heb je van die slimmeriken die het bijhouden.” Een ‘slimmerik’ van toen telde 281 doelpunten in officiële wedstrijden in het eerste van Wageningen en 19 in vertegenwoordigende elftallen.

De Wageningse Berg, de zelfingenomen heren van de KNVB en die lui uit het westen met hun grote mond over patserige stadions in Amsterdam en omstreken, talen niet naar traditie. Eigenbelang. Charley van de Weerd zegt er niet wakker van te liggen. Maar wanneer ik hem vraag afscheid te nemen van de Berg, draait hij zich om en wijst naar het veld. Dat liep vroeger af. Dat wisten ze als ze moesten tossen. Dat veld was zanderig. De wedstrijd werd daarom nooit afgelast. Dat was vaak een voordeel. Dat maakte de Berg onoverwinnelijk.

Hij ging nog vaak kijken als FC Wageningen speelde. Hij had een hoofdtribunekaart. Hij wijst naar het businesshome. “Al goud wat er blinkt, het plafond is van koper.” Hij ziet de reclameborden rondom het veld. Sponsors genoeg. “Maar een seizoenkaart voor oud-spelers als Henk Looijs, Wim Vermeer of voor mij kon er nooit af. Ik geloof dat het bestuur Charley van de Weerd niet eens kende.”

Hij droomt verder. Wat komt er voor in de plaats? Huizen? Of gaan ze er popfestivals houden? Het veld is groen, het gras ligt er goed bij, het is net gemaaid. Maar de Wageningse Berg zal leeg blijven. Er zal nooit meer een Charley van de Weerd zijn.

%d bloggers liken dit: