Tag Archives: sportpsycholoog

Joost Steenkamer wil alleen nog als een kunstenaar golfen

29 Apr
Joost

Foto: Golfers Magazine

Joost Steenkamer is net terug van een driedaagse retraite in Drenthe, met tien andere mannen én een sjamaan. Het kruid dat hij daar kreeg aangereikt en in de vorm van thee tot zich nam, gloeit na in zijn systeem. Gisteren voelde hij het effect nog nadrukkelijk: ‘Ik was heel erg in het hier en nu. Geen afleiding, gewoon dit. En niet ook dat. Het is als met meditatie. Je kunt gaan zweven, dromen en hopen. Maar je kunt ook zitten, met je ogen open en gewoon kijken naar wat er is. En dat is gewoon goed. De boog kan niet altijd gespannen zijn, ook in de wedstrijd niet.’

Het gesprek zou over golf moeten gaan. En daar gaat het ook over, maar dan dieper, analytischer, hartgrondiger, kwetsbaarder en menselijker. Elke zenuw krijgt aandacht. Het gaat niet zomaar over het spel, techniek, de talrijke toernooioverwinningen die Steenkamer behaalde, over zijn eenmalige deelname aan het Britse Open (in 1997) of over zijn uitzonderlijke golftalent dat hij niet heeft kunnen waarmaken. Over de bunkerblues, de klaagzang van iedere golfer. Als Joost Steenkamer zijn hart lucht en zijn hersens en zijn ziel de vrije loop laat, besef je niet alleen dat golf ‘best een heftig spelletje’ is, maar dat het meer kan doen met een gedreven speler dan wordt verondersteld. The rise and fall zoals die van Tiger Woods en al die andere golftalenten kent veel ervaringsdeskundigen.

JK2

De kunstwerken van Joost Steenkamer

Buiten, in zijn tuin, hangt boven een schutting aan een overhangende boom een netje. Ongeveer tien meter daarvoor liggen balletjes op een matje klaar om geslagen te worden. Het stilleven staat symbool voor het proces dat Joost Steenkamer doormaakt. Buiten lonkt het verleden, binnen praat een zoekende man van 51 jaar over het heden, het waarom van aanwezig zijn, over de verleidingen en over zichzelf vinden. Het boekje ‘Bedankt voor het Spelen – over inspiratie, gemoedstoestand en succes’ dat hij in 2009 schreef, blijkt een opmaat voor zijn worsteling die hij hier en nu probeert te verklaren. Het is alsof golf hem de ogen (zijn hart en zijn hoofd) heeft geopend. Er is altijd meer! Maar waarom toch?

Soma (een ayurvedisch stofje in het kruid dat hij van de sjamaan kreeg aangereikt) leert je dingen, zegt Steenkamer. ‘Het haalt iets bij je weg, bij je pijnappelklier. Klieren hebben veel invloed op je waarneming en het bewustzijnsniveau. De waarneming wordt scherper. Die laat je dingen zien. Zoals de vrouwelijke kracht die in je huist, naast je mannelijke kracht. Aanvaard wat in je zit of er niet in zit. Het dient zich wel aan, je hoeft het niet na te streven. Zoals: kom op, nog eens 25 jaar golfen, tot je met pensioen gaat, wie weet ga je nog beter een bal slaan. Niet dus. De vraag is gewoon: wat wil jij? Net als met die slang met kundaliniyoga, die wil niet voortdurend zijn kop opsteken, die wil ook weleens gaan liggen. Die wil terug naar zijn oorspronkelijke energie. Omdat hij dat wil, terug liggen. Het is vooral doen wat je leuk vindt. Al is het niks.’

Nee, golfen was niet écht leuk. Het was een worsteling, een gevecht met en tegen zichzelf. Wie zijn boek leest huivert of vindt herkenning. Van sportpsycholoog Jan Huijbers, meridiaantherapeut Wouter Abraham, taoïsme, tai chi, kung fu, hatha yoga tot NLP (Neuro Linguïstisch Programmeren), SW (Systemisch Werken), OGW (Oplossingsgericht Werken), nichiren daishonin-boeddhisme en sjamanen. In al die methoden is hij bedreven geraakt – hij volgde onder andere een opleiding als Hatha Yoga Teacher en heeft een diploma in Sports NLP-Hypnosis Psychology. Maar hij is niet bedreven genoeg. Wat huist toch in zijn ziel? Waar treft hij zijn ware ik, de slang in zichzelf die zijn kop opsteekt en weer gaat liggen als hij dat zelf wil?

Altijd al was hij geïnteresseerd in Indiërs. Hun vormen van zoeken. ‘Allemaal via het centreren, het openen van de holte in je wervelkolom. Daar zit voor mij je core. Je stuitje, contact met de aarde, tot voorbij je fontanel. Als baby staat je fontanel open, maar bij ons westerlingen groeit hij dicht. Met dat medicijn, het soma, kwam ik dingen tegen. Zoals, dat ik ooit was gevallen op mijn stuitje. En dat er dan iets kan gebeuren waardoor je energie niet verder kan groeien. Daar kwam ik achter in die trance, tijdens de retraite. Het was me aangeraden door Bouke de Boer, oprichter van het trainingsinstituut NLP. Hij wist dat het wel iets voor mij was. De sjamaan vertelde over de vijfde dimensie. We moeten voorbij het oordelen, gewoon zelf voelen.’

JK1

Kunstwerken van Joost Steenkamer

Op een gegeven moment gaat het lichaam iets vertellen, weet Joost Steenkamer. ‘Ik heb het Brits Open gespeeld, 15 keer het KLM Open en wat Nederlandse toernooitjes gewonnen. Allemaal leuk en aardig. Maar ik heb de lat vrij hoog gelegd. Ik heb op mijn 47ste niet gehaald wat ik wou, en ik ben nu 51. Ik heb het niet gehaald op die manier. Maar ik weet: er zit nog een major-overwinning in mij, bij de seniors. Ok dus, wat ga je daarvoor doen? Mijn techniek was altijd kansloos, kut. Ik heb alleen op wilskracht gegolfd. Sommigen noemen het werkgolf. Het was niet mooi. Die bal moest en zou in zo min mogelijk slagen in de hole. Maar die batterij loopt zo wel langzaam leeg. Omdat je eigenlijk alleen maar werkt.’

Steenkamer wipt van zijn ene bil op zijn andere. Zijn handen vertellen een verhaal, zijn mond staat niet stil: onrust, het moet eruit, hij moet en zal het overbrengen. ‘Begrijp je dat? Gelukkig, je herkent het.’

Zo vertelt Steenkamer dat hij werd gevraagd als coach voor de Nederlandse Golf Federatie. Steenkamer deed het tien jaar. Maar ja: traditie, golf zoals het hoort, begaanbare paden. Het was niet wat hij diep van binnen wilde. Misschien de Senior Tour, maar dat kon pas na zijn vijftigste. Hoe overbrug je die periode? Er kwam maar niks.

Joost ging mediteren. Hij kwam in contact met het nichiren daichonin-boeddhisme, waar enkele andere (ex-)topsporters ook in belandden, zoals vechtsportster Lucia Rijker en voetballer Robert Baggio. Voortdurend chanten, zoals: namu myöhö rengekyö. Een harde manier van boeddhisme beoefenen, vindt Steenkamer. ‘Er kwam via Facebook een oude vriend op mijn pad, met wie ik in Amerika had gestudeerd. Ik leerde daardoor veel van wat sport betreft: in plaats van dat we eerst met onze voeten over de lat gaan, gaan we me ons hoofd over de lat.’

Steenkamer realiseerde zich dat hij als mens geen machine is. Het is altijd een gok. Hij herinnert zich enkele lezingen op De Haagsche, De Kennemer, De Rosendaelsche en andere golfclubs. ‘Ik stond daar te vertellen dat geen impact hetzelfde is, dat je er honderden keren acht uur per dag op kunt oefenen, dat elke pro of coach je vertelt hoe het moet, maar dat ik in 25 jaar professioneel golf nooit vertrouwen heb kunnen krijgen in welke blauwdruk dan ook. Elke pro zegt iets, het is bij iedereen anders. Het slaat allemaal nergens op. Niemand reageerde, het was doodstil. Dat is toch niet erg beleefd naar een gastspreker? Eén collega kwam naar me toe en zei: Dit is dus het einde van coachen. Ja, antwoordde ik, misschien.’

Hij wist het niet meer. ‘Ik kwam in een burn out terecht. Ik ben echt ziek geweest. Zwaar depressief. Ik kon helemaal niks meer. Overal een branderig gevoel. Ik zat hier op de bank naar tv-series te kijken. Dat zegt mijn dochter, ik weet er niks meer van. Ik was lam en blind, bevroren. Ik kon geen kant meer op. Ik was gewoon leeg, zwart leeg. Wel eng. Geobsedeerd door de dood, ook door een neef die zelfmoord pleegde. Ik zat in een hele lage energie. Ik zei tegen mezelf: zeg ja tegen dat verhaal in je hoofd en je lichaam, ga er dieper in. Het werd steeds enger. Ik kon niet meer slapen. Dat heeft anderhalf jaar geduurd, tot mijn 51ste. Toen kwam het bij me op: ik ga nog één keer proberen me te plaatsen voor de Senior Tour. Dat was drie maanden geleden. Ik moest toch ergens geld mee verdienen. Op de PGA Holland Tour kun je geen boterham verdienen. Er waren vijf plaatsen voor 250 gasten. Het was in Portugal, ik ging met Alan Saddington. Na zes rondjes moest ik op de laatste hole een hole-in-one halen om mijn kaart te halen. Mislukte. Eigenlijk zei het universum: nee, je zit niet in het veld, jij hebt geen bestaansrecht, jij kunt geen toernooien spelen. Dan maar terug naar de Challenge Tour? Kom op zeg. Dat heeft nooit goed gevoeld. Steeds maar met een sponsor lopen. Je geeft het geld alleen maar terug. Nee, niet doen. Dat wordt een kwelling.’

Hij en Saddington zaten in Portugal op het terras naast de achttiende hole te kijken naar al die binnenkomers. ‘Alan zei: je moet ervan houden. Tachtig procent van je tijd ben je jezelf aan het martelen. Zo is het. Je moet een autist zijn, schizofreen. Het is 90 procent shit. De slagen gaan niet zoals je wilt. Ik zag laatst Phil Mickelson winnen, voor mij een goeroe. Vijf jaar niks winnen en dan ineens weer wel. Veel mensen zijn dromers: je wilt winnen. Dat is je ego. Ik dacht: wat doe ik hier nou, een beetje tegen een balletje slaan, wat is de toegevoegde waarde? Helemaal naar Portugal, je neemt je caddie mee, verblijft daar in een mooi huis. Waarom, voor wie, voor je gezin, voor de samenleving?’

Zijn ervaringen lopen door elkaar, de verwarringen over zijn nabije verleden zijn nauwelijks te overzien. Nergens was er licht. Iemand vroeg hem of hij les wilde geven. ‘Wat nou? Ik? Ik was zo nerveus bij die eerste les, man, man. Ik stond te trillen als een rietje. Ik had nul grounding, maar niemand zag het aan me. Mensen zeiden dat ik het zo goed deed. Het deed me niks, helemaal niks. Ik was niemand. Dit was zeker Ik niet.’

Steenkamer meldde zich bij uitzendbureau Randstad en kwam daar een vrouw tegen die de oud-hockeysters Sylvia Karres en Arlette van der Meulen goed kende. Zij beheren het instituut De Sportmaatschappij, waar oud-sporters kunnen leren hoe ze na hun sportieve carrière (verder) kunnen leven. Hij werd uitgenodigd voor een workshop. En daar zei een gepensioneerd headhunter, zelf een golfer die vaak van Steenkamer had gehoord: Joost, je bent een ambachtsman. ‘Ambacht? Inderdaad, ik was vaak met mijn handen bezig, ik klooide veel en graag aan mijn clubs. Dat vond ik altijd leuker dan het golfen zelf. Langzaam begon het kwartje te vallen. Tijdens mijn zoektocht had ik door Kung Fu al kennis gemaakt met de elementen water, hout, metaal, vuur en aarde. Zou dat echt in me zitten? Mijn handen moesten leven, niet mijn hoofd.’

JK3

Een kunstwerk van Joost Steenkamer

Hij ging schilderen, verfwerk eigenlijk, binnen en buiten. ‘Als je een goede schilder wilt zijn moet je ook met hout kunnen werken, je moet je ondergrond kennen: metaal, kunststof, daar kun je heel erg in verdiepen.’ Zo ontstond zijn eenmansbedrijfje ‘De Swingende Kwast’. Verdiende hij tenminste nog zijn boterham.

Nog steeds doet hij dat graag. Maar er is meer. Binnen in hem ontdekte hij zijn creativiteit, dingen die hij echt leuk vond. Kunst maken dus, zich uitdrukken, zijn gevoel uitbeelden. Hans van de Bovenkamp, een 85-jarige sculptor die in de Verenigde Staten woont, liet hem een kunstwerk van steen zien met de tekst: What you seek is seeking you. Dat was het dus. Kunst maken, helemaal vanuit jezelf werken. Kunst zocht en vond Joost Steenkamer.

Hij kan niet wachten om zijn nieuwe levensinvulling te tonen. Boven heeft hij zijn kamertje. Daar staat en hangt zijn kunst, klaar en niet klaar – er kan altijd wat bij of af. Kunst en boeddhisme, daar ligt nu zijn passie. ‘Soms heb ik een klus. Leuk om dat te doen en ik verdien er geld mee. En af en toe geef ik nog les. Ik kon coach worden. Ik ben in gesprek gegaan en kwam er achter dat daar mijn hart niet ligt. De chemistry is er niet meer. Als je iets in opdracht doet, kan het zo zijn dat het eigenlijk niet meer leuk is. Het moet vanuit je hart komen.’

Dit interview is gepubliceerd in het mei-nummer van Golfers Magazine

Golfer Mario van der Ende heeft niets met handicaps

18 Dec
Foto Janus van den Eijnden

Foto Janus van den Eijnden

‘Als ik was gaan golfen tijdens mijn scheidsrechtersloopbaan was ik een nóg betere scheidsrechter geweest.’ Mario van der Ende zegt het onomwonden. ‘Golf is een focustraining. Ik had me nog beter kunnen concentreren’, is zijn uitleg. ‘Destijds deed ik met sportpsycholoog Jan Huijbers spelletjes om te leren focussen. Ik denk dat als ik toen had gegolfd het nog beter was gegaan.’

Van der Ende geniet van golf, sinds hij zes jaar geleden tijdens een dienstverband met de Australische voetbalbond in aanraking kwam met golf. ‘Ik ben gek op competitie. Als ik iets doe, wil ik het goed doen. Als ik een spelletje speel, dan wil ik winnen. Als ik straks met mijn oude moeder gaan jokeren, gaat het mes op tafel. Ik speel eerlijk, maar ik kan ook een klootzak zijn. Dat heb ik ook met voetbal. Hard spelen is niet erg, maar niet gemeen.’

Competitie, dat is wat hem drijft. Waarom die Stableford-telling, stelt hij met een provocerende lach. ‘Het lijkt wel een Nederlandse uitvinding. Het is eigenlijk gewoon een compensatie. Kom op zeg, als ik van jou wil winnen, dan zorg je maar dat je goed speelt. Ik heb niks met excuses en handicaps. Dat heeft niks met topsport te maken. Ik heb handicap 20. Dat zal niet gauw lager worden, maar ik wil altijd winnen, van wie dan ook. Ik zal er voor zorgen dat ik win, ook van mezelf.’

Hij speelt weleens alleen, maar dan met twee balletjes. Op het ene balletje staat de M van Mario op het andere de R van de rest. ‘En dan speel ik echt eerlijk. Als je niet eerlijk speelt, kom je jezelf tegen. En je moet jezelf niet in de maling nemen. Als ik tegen een ander speel, mag je best een beetje zuigen. Toen ik vroeger tenniste, deed ik weleens of ik een vuiltje in mijn oog had, gewoon even pesten. Lekker, niks mee. Maar niet vals spelen. Ik houd me aan de regels. En: ik word steeds uitgenodigd. Dan zal ik dus wel eerlijk spelen.’

Van der Ende geniet. Van de ruimte om zich heen, liefst op een baan aan het water. Wat wil je ook als een kind dat dicht bij het strand (Den Haag/Kijkduin) is opgegroeid. Op een bosbaan wordt hij claustrofobisch. ‘ik kan niks zien.’ Mensen om zich heen activeren zijn competitiedrang. ‘In een flight van vier heb ik van niemand last. Iedereen mag kijken wat ik doe, het prikkelt me alleen maar. Ik heb weleens met Klaas Nuninga (oud-Ajacied en oud-international) gegolfd. Hij was leraar van beroep, net als ik. Hij gaf graag tips, wat eigenlijk niet mag. Maar van mij mocht hij. Ik stak er veel van op. Anderen worden er gek van als een tegenspeler wat zegt. Ik geniet. Als scheidsrechter was ik liever in een thuiswedstrijd van Real Madrid met honderdduizend toeschouwers, dan bij RKC met tweeduizend. Ik geniet van aandacht en ik geniet van competitie. Hoe meer prikkels, hoe beter ik me voel.’

Moeite heeft hij met zijn lichamelijke handicap. Dat kan hij in zijn drang om de beste te zijn niet altijd goed verdragen. In 1999 moest een tumor aan rechts onder zijn keel worden weggenomen. De wond werd met 65 hechtingen gedicht. Er is nog een litteken van zijn hals tot onder zijn oksel. Daardoor heeft hij moeite met ‘doorswingen’. ‘Dat scheelt bij de afslag zeker 40 tot 50 meter. Een fysiotherapeut is er wel druk mee bezig geweest om de mobiliteit te vergroten. Tevergeefs. Ik moet ermee leren leven. Op een par 3 durf ik elke competitie aan. Kom maar op! Ik weet nu op de langere holes dat ik met kort spel en putten veel moet goed maken. En dat lukt me goed. En eerlijk, volgens de regels. Het leven is na die zware operatie mij meer waard. Ik geniet en doe dat op een manier die mij en anderen plezier geeft.’

Toen hij eenmaal enthousiast was geraakt door golf, moest en zou hij zo snel mogelijk zijn GVB halen. ‘Ik heb er echt voor geblokt, ik wilde alle regels goed kennen en meteen slagen. De regels kennen, vind ik erg belangrijk. Het zou fijn zijn als voetballers dat ook hadden. En zelfs scheidsrechters. Die moeten eens in de zoveel tijd een test doen. Als ze zeven van de tien vragen goed hebben, zijn ze geslaagd. Dat is toch raar: drie fouten. Geen wonder dat er vaak discussie is bij een overtreding. Iedereen, scheidsrechter en spelers horen de regels te kennen. Zoals het met golf is. Voetbal is verhufterd.’

Golf biedt veel: discipline, rust, etiquette, beweging, respect voor elkaar en sociaal bezig zijn. Zijn enthousiasme is zowat grenzenloos. Hij kijkt naar buiten, ziet een driving range, kijkt om en ziet water. We zitten op Golfbaan Naarderbos. ‘Mooi hé. Ik sta hier weleens over het water te kijken. Ik zou nu zomaar alleen kunnen gaan spelen. Eén tegen één, je weet wel M tegen R. Altijd een tegenstander en ik voel me nooit alleen.’

Hij geniet van de rust, de rustmomenten. Even op adem komen. ‘Om terug te komen op mijn scheidsrechtersloopbaan. Ik was leraar, druk bezet dus en dan tussendoor scheidsrechteren. Dan kun je gestresst aan een wedstrijd beginnen. En als je gestresst bent, kun je je moeilijker concentreren en focussen. Die spelletjes die ik met sportpsycholoog Jan Huijbers deed, hielpen me wel. Hoe kan ik me niet laten afleiden door dingen buiten het spel? Als ik had gegolfd, was me dat nog beter afgegaan. Er zijn wel voetbalscheidsrechters die golfen: Liesveld, Vink en Bossink. Of golf hun helpt, weet ik niet. Maar het zou me niets verbazen.’

Van der Ende herinnert zijn kennismaking met golf, in Australië. Hij wil nog even zijn competitiedrang illustreren. ‘Het was op een clinic. De pro zei me dat ik de bal zo dicht mogelijk bij de vlag moest proberen te slaan. Dat lukte me. Toen ik op de green kwam, zei hij dat de bal nu nog in de hole moest. Toen antwoordde ik: ‘had dat meteen gezegd dan had ik dat meteen gedaan.’ De lach van Mario van der Ende davert door het clubhuis van Naarderbos.

Zijn enthousiasme werkt aanstekelijk: ‘Morgen een rondje lopen?’
—————————————————————————————————–
MARIO VAN DER ENDE (1956) is een Nederlandse oud-voetbalscheidsrechter. Hij floot van 1985 tot 2003 meer dan 600 wedstrijden in het Nederlandse voetbal waaronder vier bekerfinales. Hij was internationaal scheidsrechter van 1900 tot 2002 en leidde 136 internationale duels, onder andere op het EK van 1996 en de WK’s van 1994 en 1998. In 1999 werd hij getroffen door een vorm van keelkanker, waardoor hij zes maanden rust moest nemen en werd geopereerd. Daardoor miste hij de Champions League-finale en het EK voetbal. In 2003 beëindigde hij zijn loopbaan. Van der Ende was leraar Nederlands en Maatschappijleer in het middelbaar- en hogerberoepsonderwijs en werkte bij de voetbalbond KNVB als hoofd scheidsrechterszaken. In 2008 leerde hij in Australië (hij werkte daar als National Referees Technical Director) golfen. Van der Ende speelt voornamelijk op de Golfpark Spandersbosch in Hilversum.

Dit interview is gepubliceerd in GolfersMagazine nr.10 december 2015

Was ik maar geen wielrenner geworden

7 Nov

Uit november 2012:

Stel: ik ben beroepswielrenner. Ik verdien geld met zo hard mogelijk fietsen. Ik fiets elke dag, in een wedstrijd over tweehonderd kilometer dan wel in een oefenrit over minimaal honderd kilometer. Ik probeer zo gezond mogelijk te leven, te eten en te drinken om zo hard mogelijk te kunnen fietsen. En als ik te vermoeid ben, rust ik, of laat ik me masseren. Wordt mij geen tijd gegund om te rusten, omdat mijn werkgever eist dat ik een wedstrijd rijd om zijn naam uit te dragen en ik mijn werknemerspositie veilig moet stellen, dan eet en drink ik iets extra’s, zoiets als voedingssupplementen, min of meer onschadelijke middeltjes. Zolang ik er niet te veel van neem. Want te veel is te veel mijn jongen, zei mijn moeder altijd

Omdat ik beroepswielrenner ben, moet ik mij manifesteren als een wielrenner met talent, een wielrenner die zo nu en dan een wedstrijd wint of op z’n minst een collega van dezelfde firma helpt te winnen. Ik heb maximaal vijftien jaar om te tonen dat ik het verdien geld te krijgen voor mijn fietskwaliteiten. Als het goed gaat, verdien ik goud, als het slecht gaat, moet ik een ander vak kiezen. Ik train hard, want ik fiets graag, sta graag in de belangstelling en wil graag winnen. Geen dag is zo mooi als de dag waarop ik word gezoend door twee meisjes met gebruinde benen onder hun opwaaiende zomerjurk.

Mijn vrouw zit dan thuis voor de televisie met onze kinderen te glunderen wanneer ik mijn droom beleef, na jaren trainen, fietsen en zo gezond mogelijk leven. Ze ziet niet dat ik in mijn euforie bij een van de meisjes een hand op haar billen heb gelegd. Als ze het had gezien, zou ze het mij niet kwalijk hebben genomen. Ze gunt mij deze schat waarnaar ik na een lange, zware tocht heb gezocht. Naar Paulo Coelho’s De Alchemist zou ze zeggen: ,,Dat is goed. Je hart leeft. Blijf luisteren naar wat het te zeggen heeft.”

Zo is onze relatie, ze kent mijn drijfveer, mijn eeuwige zoektocht naar de schat, mijn droomleven – vaak wars van realiteitszin. Ze schudt me wel eens wakker. Wanneer ik in mijn zoektocht te snel ga, geen geduld heb om te laten komen wat zal komen, krachten wil aanboren die er van nature niet zijn, dan grijpt ze in. Geen gevaarlijke stimulerende middelen die van mij een ander mens maken wil ze. Ze heeft me echt wel zien jojoën met pilletjes en ampulletjes, ze heeft injectienaalden gezien en doosjes met tabletjes. Ze heeft me aangehoord als ik vertelde over middelen waarover in de wielerwereld werd gesproken. Ze hoorde mijn dilemma aan en begreep het. Ze zou me nooit veroordelen als ik daarover een beslissing nam die ik later zou betreuren. Als ik maar gezond bleef. Het was mijn beslissing, mijn verantwoordelijkheid. Ik wist wat goed was, voor mij, voor haar en ons gezin.

Mijn vrouw had eens in een interview met de ex-vriendin van Marco Pantani, de Deense Christina Jonsson, gelezen dat ze zijn arm had vastgehouden terwijl hij er een injectienaald in stak. Liefde, noemde ex-wielrenner Peter Winnen dat. Zover gaat liefde. Dat zou mijn vrouw nooit doen, zo blind is haar liefde voor mij niet. Gelukkig maar, zij probeert mij als een permanent wankelmoedige man overeind te houden in deze wereld. Maar weet zij wat wielrenner zijn is, wat het betekent te moeten presteren, ook omdat de supporters, de radio, de televisie en de firma dat willen? Ja, zij weet wat het is, zij kent mij, zij weet dat ik dromen vervuld wil zien – en dromen van anderen vervul. Ze weet dat ik een man ben als alle mannen – ik moet scoren én winnen. Dat heeft mijn vader mij geleerd.

En toen las ze dat Lance Armstrong werd beschuldigd van jarenlang dopegebruik, dat mensen om hem heen het altijd geweten zouden hebben, dat de ene na de andere renner nu opbiechtte dat hij (weleens) ‘dope’ had genomen en dat daardoor nu ook mijn ploeg onder verdenking staat. Ze belde me in het trainingskamp in Spanje en vroeg hoe ik me voelde. Ik zei dat ik me onzeker voelde, omdat ze ook mij zouden kunnen verdenken. Ze vroeg me of ik zeker wist dat ze me niet konden vangen op het bezit of gebruik van zoiets als doping. Ze wilde weten wat zij zelf kon vertellen bij een eventueel politieverhoor of bezoek van de opsporingsbrigade. Zou ze mogen zeggen waarover onze gesprekken gingen, over mijn dilemma’s, mijn dromen, mijn jojoën met pillen? Ze zei dat ze zeker haar verhoorders zou vragen of zij ook hadden nagedacht over hun eigen beroep, over hun dilemma’s, gezinsleven, drijfveren, ambities, prestatiedrift en hun dromen – en of zij ook Paulo Coelho hadden gelezen.

Geen dag kon zo slecht zijn als toen mijn naam in een krant verscheen, omdat ik verdacht werd omdat ik werd genoemd in een of ander omvangrijk dossier. Andere kranten namen het bericht over, radio- en televisieprogramma’s ook en wilden mijn reactie. Ze vroegen allemaal: ,,Is het waar dat je doping hebt gebruikt? Zo ja, waarom heb je dan altijd gelogen?”

Ik was aangeschoten wild. Ik stond te beven, ik dook diep weg onder dekens, omdat ik me moest verantwoorden. Ik werd door die premiejagers van journalisten die alleen maar met hun ego bezig zijn, als een misdadiger neergezet – nog voordat wie dan ook iets had kunnen bewijzen. Alsof ik een moord had gepleegd en dus een jarenlange gevangenisstraf te midden van gangsters diende te ondergaan. Wat moest ik zeggen? Ik wist het echt niet. Alles wat ik zou zeggen, zou worden uitgelegd als een leugen.

Ik kreeg mijn zoontje en mijn dochtertje aan de telefoon. ,,Papa, ze zeggen dat jij een grote leugenaar bent.” Wie? ,,Nou, de meester op school en mijn vriendjes. Ze pesten me. Waarom dan? Ik begrijp er niks van. Ik mag niet meer met mijn vriendjes spelen van hun ouders. ” Waarom dan? ,,Ze zeggen dat je doping hebt gebruikt. En dat mag niet, zeggen ze.” Wie zegt dat? ,,Iedereen, want het staat in de krant, en ik zag je foto in het journaal. En iedereen vertelde dat het waar was. Pap, ik moet huilen, pap. Je bent toch kampioen geweest, je hebt toch gewonnen.”

Ik probeerde hem te troosten. ,,Wat is dat, doping, pap? Mama zegt dat ze zeggen dat je medicijnen hebt gebruikt die niet mogen. Waarom mogen die dan niet? Ik moet toch ook een medicijn van de dokter nemen als ik beter wil worden?” Ik kon het hem niet uitleggen. Mijn dochter was boos op me. ,,Ze zeggen dat je een verrader bent. Dat stond in de krant, stommerd, stomme papa.”

Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ik hoorde haar huilen. Om haar te troosten zei ik dat ik die mensen van de krant en de televisie wel zou aanpakken, omdat ze leugens vertellen over haar papa. Toen zei ze: ,,Je was toch ook kampioen geworden als je geen medicijnen had genomen.”

Het werd een moeilijk gesprek. Ik kon haar nauwelijks geruststellen. ,,Ik hou van je pap. Dat snappen ze niet. Dat ga ik ook tegen mijn vriendinnetjes zeggen. Dat ze leugenaars zijn. Dat die krant die ze lezen een stomme, waardeloze krant is. Je bent toch geen moordenaar.”

Ik hield van mijn kinderen.

Mijn vrouw nam de telefoon van mijn kind over: ,,Die kranten, radio en televisie willen alleen maar scoren. Ze denken niet na voordat ze iemand, mensen, beschuldigen. Als ze maar verkopen, als er maar gekeken wordt naar hun programma’s. Iedereen kickt op die stomme programma’s en die stomme kranten. Sensatie, dat is wat wordt verkocht. Mensen moeten kunnen likkebaarden. Toen je kampioen werd en die zware Touretappe won, stond iedereen te juichen. Je was de grootste held. En nu zeggen ze dat jij waarschijnlijk ook… Lieve Guus, wat weet ik niet? We hebben het er toch over gehad?”

Ik schrok. Wat had ik gedaan? Wat had ik verzwegen? Ik had inderdaad bepaalde medicijnen genomen. Maar de dokter heeft me bijna wekelijks getest, bloedwaarden en meer. Niks aan de hand. Ik was gezond. Gelukkig wel, anders was ik meteen met wielrennen gestopt. Ik had wel gehoord dat andere renners middelen namen die misschien beter en gevaarlijker waren. Maar ik had me niet aan verboden middelen vergrepen, ik had de spelregels niet overtreden. Nu word ik beschuldigd, ten onrechte. Hoe kan ik ooit weer door het leven gaan als een sportieve wielrenner? Als een normaal mens. Hoe kunnen mijn vrouw en kinderen verder leven als gezin, zonder te worden nagewezen? Waarom moest ik verdacht worden gemaakt? Omdat andere wielrenners dingen hebben gedaan die niet mochten?

Ik was benieuwd of die krant, en die radio- en tv-programma’s die me nu beschuldigden, ooit zulke grote verhalen over mij zullen schrijven als bewezen is dat ze mij ten onrechte hebben beschuldigd. Nee, natuurlijk niet. Ik wist het zeker. Dat zullen ze nooit doen. Want daar scoren ze niet mee. Dan zouden ze hun fout toegeven. Hypocriete lui. Wat is het nut om mijn naam door het slijk te halen?

Omdat ik een beroepswielrenner was, besefte ik. Beroepswielrenners zijn per definitie verdacht. Wie als wielrenner verdacht is, gaat door het leven als crimineel. Die heeft de samenleving bevlekt. Foei!

Ik zat daar op mijn hotelkamer in Spanje en dacht: ik ben gek geworden, ik heb weliswaar nagedacht, ik heb gewikt, gewogen en gejojood, maar ik heb me waarschijnlijk toch gek laten maken, door mijn prestatiedrift, mijn wens om grenzen te overschrijden, ik heb me gek laten maken door mensen die prestaties van mij verlangen, mijn vrienden, mijn familie, mijn supporters, de ongeduldige, hijgerige journalisten, mijn sponsors, mijn landgenoten die opgejaagd door de media wilden dat ik eindelijk de Tour zou winnen. Ze zullen straks aan mijn deur staan, de vertegenwoordigers van de macht en van de ethische schoonheids- en gezondheidscommissie die mij willen straffen. Ik hoop maar niet dat ze me mee zullen nemen, geslagen in handboeien. Dat heb ik zien gebeuren in Italië en Frankrijk. Ik zie het al voor me: journalisten met camera’s, fotografen die een shot van me willen als ik word afgevoerd, om voor veel geld aan de kranten te verkopen. Sensatie!

De wereld is gek geworden. Alleen het woord doping al. Ik heb honderden kilometers getraind, in de bergen, op het vlakke in de wind en de regen, ik heb dagenlang in windtunnels getraind, ik heb aan krachttraining gedaan, ik heb snelle pakken geprobeerd, een snellere lichtere fiets van bijzonder materiaal, ik heb mijn pedaalslag versneld, ik ben wekelijks naar een sportpsycholoog geweest. Om nóg beter te worden, zoals de meeste mensen altijd beter willen worden. Willen we niet allemaal de beste worden, perfect zijn? Maar zodra het woord medicijnen valt, slaat iedereen door. Doping, stimulerende middelen en methoden, mensen weten niet eens wat het is, sterker: waar het over gaat.

Ik had het kunnen weten: wielrenners zijn verdacht. Stel: ik ben beroepsschrijver. Ik doe alles om aandacht te trekken. Morgen staat de politie voor mijn deur. Op verzoek toon ik de inhoud van mijn koelkast, mijn boekenkast, mijn medicijnkastje, mijn boekhouding, mijn emails, de foto’s van maîtresses, mijn pornosites, mijn vibrators,  mijn alcoholvoorraad, mijn waterpijpen en mijn geslachtsdeel. Maar als ik mee naar het bureau zou moeten, zou ik weigeren en roepen: Fuck you all. Als beroepswielrenner zou ik dat niet durven. Ze zouden me meteen straffen, me liefst isoleren in een inrichting, als een gestoorde gek.

Daarom ben ik nooit beroepswielrenner geworden.

Mijn column uit november 2012 in de Standaard (België) en herplaatst in De Muur 39 – 2013 (‘Blijf met met je rotpoten van ons rotwielrennen af’)

rotwielrennen

%d bloggers liken dit: