Steven de Jongh moet Alberto Contador goede gevoel geven

9 jul

Ploegleider zijn van wielrenners, is dat niet vanuit de ploegleidersauto schreeuwen, aanvuren, kalmeren, opdragen en bijstaan wanneer de renner zich geen raad weet met de situatie in de wedstrijd? Is dat niet de commandant achter het stuur van de vol met reclame geplakte auto, die namens de financiële investeerders dwingende opdrachten verstrekt aan de werknemers op de fiets? Schreeuwlelijken, boemannen, mannen die het wiel opnieuw hebben uitgevonden? Clowneske types wellicht voor buitenstaanders die wielrennen in het bijzonder en topsport in het algemeen vanuit een cynisch oogpunt wensen te beschouwen?

Maar, drijf niet de spot met deze mannen die hun hart laten spreken. Wielrennen is hun leven. Wielrennen vúlt hun leven. Vaak eerst als wielrenner en vervolgens – door hun rennerservaring – als ploegleider. Ik heb er veel van nabij gevolgd, ploegleiders, mannen die hadden geleerd hoe de koers in elkaar steekt, hoe de verhoudingen tussen ploegen en renners liggen, wie kwetsbaar is en wie sterk, wie te manipuleren is, wie alleen aan zichzelf denkt, wie dienstbaar is. Tjonge, wat was ik gefascineerd door Lomme Driessens, Peter Post, Cyrille Guimard, Davide Boifava, Giancarlo Ferretti, Maurice Demuer, Manolo Saiz, Jose Miguel Echavarri, Patrick Lefevere, Jan Raas, Bjarne Riis, Johan Bruyneel en andere, soms innoverende ploegleiders, mannen die naast hun ervaring als wielrenner de almaar voortschrijdende technische, psychologische en medische wetenschap omarmden.

Steven de Jongh geeft Alberto Contador advies

Steven de Jongh geeft Alberto Contador advies

Het is een opmaat voor een schildering van Steven de Jongh (41), een Nederlandse oud-wielrenner die sinds dit voorjaar verantwoordelijk ploegleider is van een van ’s werelds beste wielrenners én favoriet voor de eindzege in de Tour de France, de Spanjaard Alberto Contador. De Jongh, niet eens zo bijzonder succesvol als wielrenner, werd door de vermogende Russische eigenaar en doorslaggevende geldschieter van de ploeg Tinkoff-Saxo, Oleg Tinkov, aangesteld om de Spaanse ronderenner Contador en de Slowaakse sprinter/klassieker- en eendagspecialist Peter Sagan te coachen.

In de opportunistische wereld van de commerciële topsport liggen aanstelling en ontslag dicht bij elkaar. Bjarne Riis, toch een man met reputatie, intelligentie, inzicht en ervaring met wat zich in het wielerpeloton afspeelt, werd uit de weg geruimd door Tinkov, een puissant rijke ondernemer. Riis’ plaatsvervanger werd Steven de Jongh. Een ex-wielrenner, een collegiale en sociaal betrokken sportman die op handen werd gedragen door zijn voormalige, succesvolle, Belgische ploegleider Patrick Lefevere (‘ik wou dat ik acht Steven de Jonghs had in mijn ploeg’) en bij de Britse ploeg van Sky had geleerd hoe wielrenners zich op wetenschappelijke basis (dus ook op gebied van voeding, levensinstelling, sociale betrokkenheid en psychologische kennis en training) kunnen verbeteren. Dat hard fietsen niet alleen een kwestie is van hard doorfietsen. Fysieke training, de succesformule van vroeger, is al lang niet toereikend meer.

Tinkov, eigenaar van Tinkoff Credit Systems, moet zeker hebben willen weten hoe hij de door hem zwaar betaalde renners tot het uiterste kan drijven. De 47-jarige Rus was in zijn jonge jaren wielerkampioen van Siberië en stond te boek als een bikkelharde sportman. Totdat de militaire dienstplicht hem dwong met wielrennen te stoppen. Als eigenaar van de wielerploeg wordt hij nu vaak een slavendrijver genoemd, een man die louter ter meerdere eer en glorie van zijn onderneming Tinkoff en zichzelf mensen laat strijden. Egomanie is niet ver meer. Tinkov (let op: zijn naam wordt in de commerciële Engelse vertaling Tinkoff) zocht en meende de beste mensen te hebben gevonden om zijn imperium te vergroten. Zo vond hij Steven de Jongh, niet nadat hij – vanzelfsprekend – de antecedenten van de Nederlander had nagetrokken. Hij vernam uit alle hoeken en gaten dat Steven de Jongh de beste was om de ploeg te coachen.

Steven de Jongh kent dus het wielrennen. Hij reed voor TVM, QuickStep en Rabobank. Hij weet waarom je wint en waarom je niet wint. Waarom stimulerende middelen worden genomen, waarom je ertoe wordt gedwongen, waarom je niet meer weet waarom en voor wie je moet presteren, waarom iedereen doet wat je eigenlijk niet zou moeten doen. Wat het nut is, waarvoor je het doet, de snelste willen zijn, anderen helpen om de snelste te zijn. Mensen leren kennen.

Stevendejonghwint

Hij won niet de grote klassiekers, daar schoot hij in tekort. Dat is ook een leerproces. Leren waar je grenzen liggen. Wel als een beest te boek staan, een wielrenner die zich onder de slechtste weersomstandigheden staande houdt – zeg maar zich in zijn element voelt – maar niet Parijs-Roubaix of de Ronde van Vlaanderen wint. Dan maar vrede hebben met overwinningen in de E3-Prijs en Kuurne-Brussel-Kuurne. En de mooiste overwinningen laten aan vrienden die meer in hun mars hebben. Vrienden helpen is ook en vooral een grote kwaliteit in de topsport, waar egocentrisme hoogtij viert.

Topsport is niet zomaar een harde leerschool. Wielrennen gaat over fysieke en mentale grenzen. De een vraagt te veel van zichzelf en vindt zichzelf terug in de goot of in of een of andere afkicklocatie, herstellend van overmatig gebruik van zijn talenten, laat staan van middelen die hij meende te moeten aanwenden om beter te worden dan zijn natuurlijke ik. De ander blijkt sterker dan hij vermoedde en put daar vertrouwen uit: dit kan ik dus ook, er is meer dan ik heb gevoeld en mij is verteld. Mensen die een oorlog hebben overleefd, bleken over meer krachten te beschikken dan zij vermoedden.

Steven de Jongh heeft geen échte oorlogen overleefd. Hij heeft niet meer overleefd dan mensen die getroffen zijn door lichamelijk en psychisch leed en tekortkomingen van medemensen. Hij verloor op vroege leeftijd zijn vader, een man wiens genen hem als wielrenner hebben bevrucht. Hij zat een nacht in een Franse gevangenis, samen met ploeggenoten van TVM, nota bene omdat de Franse justitie hem en zijn collega’s verdachten van het gebruik van verboden stimulerende middelen. Zo gek gaat de samenleving om met beroepssporters. En Steven de Jongh scheidde van zijn vrouw. Om wat voor reden ook. Dat kan gebeuren.

Steven de Jongh wordt in de Tour van 1998 gearresteerd door de Franse politie

Steven de Jongh wordt in de Tour van 1998 gearresteerd door de Franse politie

Maar hoe overleef je beschuldigingen over gebruik van doping? Eerst het zwijgen, zodat je niet wordt gestigmatiseerd als crimineel. Dan blijven zwijgen. Dan ontkennen. Dan met je gezin en je familie durven delen dat je inderdaad middelen hebt genomen om een betere wielrenner te worden, aan hen te laten zien hoe goed je was, hen te tonen dat je echt een goed mens was en niet voor niets zo hard trainde. ‘Papa en mama, kijk eens: ik ben de beste, zonder handen aan het stuur!’ Zo was het dus niet helemaal.

Hoe afschuwelijk is het niet om uiteindelijke te bekennen dat je puur natuur niet zo geweldig bent. Sky, de Britse ploeg die hem eerder als ploegleider aanstelde, vroeg hem op de man af eerlijk over zijn verleden te zijn. Hij moest een handtekening zetten onder een verklaring waarin stond dat hij nooit met doping in aanraking was geweest. Hij kon het niet en bekende schuld. Ook hij had zijn toevlucht genomen tot versterkende middelen. Was hij dom geweest? Was hij een crimineel? Het spookte in zijn hoofd, duivels en engelen vochten als gezworen vijanden. Nachtenlang. Hij keek om zich heen en zag andere mensen, andere wielrenners. Wie waren zij? Wie was hij nog? Steven de Jong, een Noord-Hollander die de trappers was kwijtgeraakt, zoals velen in deze samenleving waar prestaties meer en beter worden beloond dan nederigheid.

En toen kwam Bjarne Riis, een Deense oud-wielrenner en oud-Tourwinnaar die uiteindelijk ook had bekend dat hij (heel veel) doping had genomen. De Jongh was een man met ervaring. Hij had bij Sky de wetenschap, de integriteit en de transparantie ontdekt. Zelfs Alberto Contador vond hem. Een wielrenner die won zoals hij dat wilde, maar toch niet vond wat hem voldoende bevredigde. En als hij won, dan was er de argwaan die steeds meer is gaan heersen rondom de wielersport. Contador zocht naar een bondgenoot, een vertrouwenspersoon die door middel van levenservaring en aangetoonde sociale betrokkenheid hem nóg beter kon maken.

Contador is een overlever. Sinds hij in zijn jonge jaren op de rand van de dood heeft geleefd, als gevolg van een gesprongen ader in zijn hoofd met een   (positief uitgevallen) schedellichting tot gevolg, is winnen een obsessie. Overwinnen. Alles winnen wat binnen zijn mogelijkheden ligt – ook wat niet binnen zijn mogelijkheden ligt. Steven de Jongh kan hem helpen, door ervaring, aan de hand van wetenschappelijke analyses en door communicatie. Open zijn, transparantie, ervaringen delen, emoties doorgronden, vragen en nog eens vragen. Wat voel je? Wie ben je nog? Wat wil je? Kun je dat? Waarom wel of waarom niet?

Steven de Jongh gaat te rade. Hij praatte met Ajax-coach Frank de Boer over zijn ervaringen, over voeding en dieet, over bewegen en rustmomenten, en met andere coaches in welke sport dan ook, over elk facet dat er in topsport toe doet. Hij opent zijn hart voor de wielersport. Hij zegt niet zoals ploegleiders uit een ver verleden wat moet, ter meerdere eer en glorie van de sponsor. Hij vraagt en is benieuwd. Rondom staan geschoolde specialisten uit Rusland, België, Denemarken, Italië en de Verenigde Staten hem bij.

Steven de Jongh geflankeerd door zijn medewerkers

Steven de Jongh geflankeerd door zijn medewerkers

Steven de Jongh is niet zomaar een ploegleider. Hij is manager, supervisor, de man met de grootste ogen, de grootste oren en de gevoeligste zintuigen. Als hij de verwachtingen nu maar kan waarmaken, vooral Alberto Contador na de triomf in de Giro ook naar een triomf in de Tour loodsen. In de commerciële topsport tellen niet alleen menselijke eigenschappen. Maar dat weet De Jongh intussen als geen ander.

Dit portret is gepubliceerd in NLcoach, juli 2015

Feest van blijheid, hoop en ongebreideld chauvinisme

2 jul

De Tour de France past geen bescheidenheid. Kijk dus niet op van de kermissfeer rondom de start van dit sportevenement in Utrecht. Ze is van alle tijden en zal in de komende jaren vast en zeker groeien. Zodra de Tour een stad aandoet gaan op alle huizen, gebouwen en pleinen de vlaggen uit. De Tour is meer dan sport, meer dan wielersport. De Tour is een feest, een zomerfeest waarin niet alleen wielrenners willen stralen.

De Tour van 2014 in Engeland

De Tour van 2014 in Engeland

Over gigantisme als een woekerend abces, waar de Tour-directie twee decennia geleden nog angstvallig voor waarschuwde, wordt nauwelijks meer gesproken. Integendeel. Mogelijk straks als de Tour voorbij is. Wie zich nu in Utrecht begeeft of straks langs de wegen naar Zeeland, België en Frankrijk wil staan, wordt overweldigd door blij, uitzinnig volk. Het is alsof de Tourkoorts, onlangs zo indringend door Peter Ouwerkerk (sinds 1971 Tour-verslaggever/chroniqueur) beschreven in ‘Bidon, een leven lang de Tour’, zich alleen maar uitbreidt. Zeker nu in Nederland, waar niemand kan ontkomen aan dit verslavende virus.

Ik herken de verslaving. Twee decennia lang was ik wielerverslaggever en kon ik niet buiten de Tour de France. Geen voorjaar (tijd van verlangen en honger) en zomer (tijd van overgave) zonder de opwindende reis door Frankrijk, langs boeiende landschappen, over prachtige bergen, langs vervaarlijke ravijnen, in verschroeiende hitten, in dagenlange regenbuien, in armoedige én chique hotels, in verstikkende perszalen en langs kuddes verdwaasde toeschouwers die nauwelijks wisten waarom ze langs de weg stonden. De onafgebroken discussies met collega’s na afloop in het restaurant en nog later op het avondterras of aan de bar.

Ik droomde elke nacht van wielrenners. Zelfs weken na afloop van de Tour, zat het wielrennen nog in mijn hoofd en mijn hart. Daar hielp geen heerlijk Grieks strand of natuurwandeling in de Alpen als afkickproces tegen. De Tour zat in mijn systeem en ging er maar moeizaam uit. Om mijn liefdesrelatie gezond te houden (wat niet lukte) en mijn sociale netwerk te onderhouden, was dat wel nodig.

De afkickverschijnselen na jaren verslaggeving in de Tour de France voelden zwaar, de adrenaline begon op stille, ongewenste momenten weer te spuiten. Mijn hart sloeg op hol, omdat het vroeg naar de Tour, het onbezonnen, opwindende, avontuurlijke leven. Mijn hart was een Tourhart. Mijn hart klopt nu aangenaam, vrij rustig. Mijn dagelijkse meditatie en contemplatie helpen me daarbij. Er is meer in het leven. De verwondering overheerst nu.

Het is dus nu weer tijd voor het feest van blijheid en hoop. Tijd voor uitgelatenheid, bespiegelingen en identificatie met oude en jonge helden. Op sociale media bestoken supporters, volgers en anderen elkaar van ’s morgens vroeg  tot ’s avonds laat verslaafd en verdwaasd met ronkende meningen, vaak uit de onderbuik maar ook uit het hart.

Het is dus weer voor ongebreideld chauvinisme. Vooral in thuisland Frankrijk. Fransen hunkeren naar Franse helden, Italiaanse naar Italiaanse, Belgische naar Belgische, Spaanse naar Spaanse en Nederlandse naar Nederlandse. Pas op, het is elk land raak, zodra de lokale helden op kop rijden. Op de voorpagina’s van kranten, magazines en talrijke boeken (de handelsgeest tiert welig) worden de lokale helden voorgesteld als favorieten. Terwijl de Tour de France toch een wedstrijd is met favorieten uit vele landen. Wie waren ook weer Fausto Coppi, Eddy Merckx, Jacques Anquetil, Miguel Indurain, Bernard Hinault, Lance Armstrong en Joop Zoetemelk? Wie?

Eens was een start- of etappeplaats van de Tour de France buiten Frankrijk door de organisatoren bedoeld als verspreiding van de Franse cultuur. Die ambitie is overvleugeld door commercie en consumentisme (geld en begeerte). Alleen de namen zeggen iets over het oorspronkelijke Franse karakter van de ronde. De start in Utrecht heet Le Grand Départ. De doorkomst in Zeeland en aankomst op Neeltje Jans wordt Tour de Zélande genoemd. En zo zijn er meer Franse etiketten. Maar vooral ook regels die door de lokale organisatie streng dienen te worden nageleefd. Gelukkig gaan niet alle tradities op de schop.

De Tour is geglobaliseerd en gemondialiseerd. De favorieten zijn niet langer Fransen. Een Brit vooral, een Italiaan, een Spanjaard en een Colombiaan – een Australiër, een Pool? – zullen hoogst waarschijnlijk strijden om de eindzege. Geen kopman uit Frankrijk, nota bene, of uit België en Nederland. Zij zullen zich tevreden moeten stellen met een topklassering of zich moeten richten op een overwinning in een etappe of tijdrit. Tevreden? Het Nederlandse volk (de televisie voorop) zal exploderen wanneer een landgenoot op kop rijdt en vooral wanneer hij wint – waar of hoe dan ook. Je voelt het aan de atmosfeer, opgejaagd door de ontketende media, die geen maat kennen. Relativering is uit den boze.

Voel je druk? Het is de meest gestelde vraag aan Tom Dumoulin, een 24-jarige Nederlandse renner die allerwegen is bestempeld als dé kanshebber voor de openingstijdrit in Utrecht. Hoe zou zijn antwoord luiden? Wat als zijn lichaam onder de immense druk bezwijkt en ‘onze Tom’ ziek is – of die dag niet goed genoeg, dan wel domweg valt? Een tv-verslaggever vroeg aan een Nederlandse favoriet voor een hoge klassementsklassering, Bauke Mollema, wie hij graag de tijdrit zag winnen. Mollema antwoordde: ‘Fabian Cancellara’. Zijn Zwitserse ploeggenoot. ‘Echt waar? Niet Dumoulin?’ Nee, zijn ploeggenoot in het Amerikaanse team Trek, Cancellara dus, moest winnen. Dat wielrenners niet per definitie nationalistisch denken bevreemdt niet. Zij zijn domweg professional. Zij worden door een internationale firma betaald en rijden samen met renners uit alle landen.

Zo gaat het in elk land. In de periode dat ik de Tour versloeg, stoorden wij Nederlandse journalisten ons aan het grensoverschrijdende chauvinisme van de Franse media. Hoe elke dag de Franse kranten werden geopend met uitzinnige kretologie over Franse renners. Hoe Fransen alleen nog Fransen willen kennen. Natuurlijk waren wij betrokken bij de Nederlanders Joop Zoetemelk, Hennie Kuiper, Peter Winnen, Johan van der Velde, Steven Rooks en Erik Breukink. Maar zoals de Fransen? Nee. Toen Zoetemelk in 1980 de Tour won kwamen duizenden Nederlanders naar Parijs om hem als winnaar toe te juichen. Het was rustig vergeleken bij wat zich jaren daarna in hysterische zin op Alpe d’Huez (de Nederlandse berg) ging afspelen en nu rondom Utrecht en Zeeland gaat gebeuren. En wacht op de dag dat Alpe d’Huez beklommen gaat worden. De gekte zal grenzenloos zijn.

Ploegenpresentatie Tour in Utrecht.  Foto Jeroen Wielaert

Ploegenpresentatie Tour in Utrecht.
Foto Jeroen Wielaert

Ze komen in de hoop iets van de kanshebbers Christopher Froome, Alberto Contador, Vincenzo Nibali en Nairo Quintana te zien, liever om de Nederlanders Tom Dumoulin, Bauke Mollema, Steven Kruijswijk, Laurens Ten Dam, Twan Poels, Wilco Kelderman, Lars Boom en Robert Gesink aan te moedigen, liefst aan te raken. Want dat is wielrennen nog steeds: je kunt de renners van nabij zien (met alle gevaren van dien), hun massageolie ruiken, hun hightech-fiets bewonderen en – zo las ik al – om de hotels waar de renners verblijven te aanschouwen. Verdwazing? Gekte? Het gebeurt nu eenmaal. Het is in geen andere sport het geval.

Hoewel alweer de eerste berichten over nieuwe verboden middelen opduiken (de Duitse dopingexpert Perikles Simon liet al weten dat het nieuwste middel alle oude middelen overtreft), blijft de wielersport aantrekkingskracht uitoefenen. Of juist daardoor. Niet dat het grote publiek gelooft in schone sport. Het gaat om bewondering en verwondering. Om de sensatie. Het evenement als spektakel, als sportief amusement. In Nederlandse kranten wordt zelfs nog (alweer) uitgelegd hoe het spel gespeeld wordt. Even bijpraten! En dat na honderd jaar Tour de France. Zoals ‘De Tour de France voor dummies’ in het Algemeen Dagblad. Gerrie Knetemann, een filosofische renner die zich interesseerde voor geschiedenis, voorspelde het me begin de jaren tachtig in een interview in De Volkskrant: ‘Pas op: We gaan qua opwinding de Romeinse tijden nog eens overtreffen.’

Dat Nederlanders kunnen meestrijden om een etappeoverwinning en een hoge eindklassering versterkt vanzelfsprekend de aantrekkingskracht. Dat is wel anders geweest, zeker na de dopingonthullingen rondom de Amerikaan Lance Armstrong en zowaar en massaal in de Nederlandse Rabo-ploeg, nota bene. Veel mensen zullen de Tourkaravaan in Frankrijk gewoon blijven volgen. Mollema, Ten Dam, Dumoulin en Gesink gaan de druk voelen. Hoe onaangenaam die druk ook is, het is een droom die uitkomt: aangemoedigd en toegejuicht worden door een massa landgenoten. Dat is toch waar ze als jongetje van droomden? Dat is toch wat iedere sportman wil? Afzien en bewonderd worden. Dan maar druk, dan maar overtollige aandacht. Een wielrenner zonder Tour is geen wielrenner.

Wie zich afwendt van dit spektakel, mist veel. Je kunt enerzijds met chagrijn en tegenzin kijken, ‘omdat het er toch niet sportief aan toe gaat’. Je kunt je ook verwonderen over wat mensen drijft om de Tour te rijden, waarom zoveel mensen er door opgewonden raken. Nieuwsgierigheid, als een quasi-wetenschappelijk onderzoek. Mogelijk is dat alles een luchtspiegeling die afleidt van het als deprimerend ervaren leven. Het verdooft de pijn en somberheid waaraan we maar niet lijken te ontkomen. Door toe te geven aan verleidende prikkels (winkelen [neuroshopping], materiële rijkdom, mooie snelle auto’s, televisie, smartphones, sportevenementen, amusement, drank en drugs) stijgen we even op uit het bestaan waarin we het vermoeden hebben voortdurend tekort te schieten. Het leven is niet wat we wensen. De vraag is: wat wensen we eigenlijk? Daarom worden we graag high, al is het maar even. Zo is het bij mij althans, nog steeds.

Als straks Contador, Froome, Nibali en Quintana op de flanken van de bergen elkaar aftroeven in kracht en uithoudingsvermogen die ze opdeden in ellenlange trainingsritten en hoogtestages, veer ik op. Alweer. Ik wel. Wie niet? Die mannen dienen wat mij betreft zeker niet louter sceptisch gevolgd te worden, omdat ze het spel mogelijk niet eerlijk spelen. Ze verdienen ook bewondering. Ik begrijp die selectieve afkeer niet. Waarom wel bewondering voor voetballers, tennissers, hardlopers en schaatsers en niet voor wielrenners? Doping? Doping is toch inherent aan (commerciële) topsport. Wie aan sport doet wil winnen, wie aan topsport doet gaat over grenzen, overtreedt spelregels. Zo is het nu eenmaal.

Ik kijk uit naar de strijd, de strijd om de eindzege, de strijd om de etappeoverwinningen. De strijd om welke titel en trui dan ook. Wat mensen doen om de beste in hun sport te zijn. Dat is fascinerend. Dat andere mensen zich ermee willen vereenzelvigen is even fascinerend. Een paar weken feest. De vlaggen gaan uit. Gek doen. Dat mag best weleens.

Deze column is gepubliceerd op de website van http://www.Sportenstrategie.nl

Oud-voetballer Kenneth Perez golft nu: ‘Die slag, dat ben jij’

14 jun

Vrijwel dagelijks staat Kenneth Perez op de golfbaan. Hij kan het niet laten. Hij wil een golfclub in zijn handen voelen. Hij wil ballen slaan. Zo goed mogelijk, elke keer weer, zoveel mogelijk. ‘Als je de bal goed slaat, hem raakt op de sweetspot, dat gevoel, dat geluid, daar doe je het voor. Dat is de uitdaging. Ik ben gewoon verslaafd. Maar ik wil er niet vanaf. Het is geen ziekte, geen afwijking. Het is gewoon heerlijk, altijd.’

We kennen de Deen met Spaanse wortels als de elegante voetballer die bij MVV, AZ, Ajax, PSV en FC Twente speelde. Vooral de mooie bewegingen, de sierlijke tred en fraaie traptechniek. Van een fijnbesnaarde voetballer verwacht je dat hij ook goed kan golfen. Een gevoelige swing past bij hem.

Hij golft pas sinds augustus 2010. Voorheen kende hij de sport waar hij nu verslaafd aan zegt te zijn, alleen van vrijblijvende clinics met andere voetballers en voetbaltrainers en van de verhalen van Deense vrienden die hem voortdurend wezen op het verslavende genot van golf.

Een jaar of vijf geleden moest het er dan maar eens van komen. Samen met zijn vriend en oud-profvoetballer Olaf Lindenberg besloot hij op één dag zijn GVB te halen. Dat lukte. Toen was hij verkocht. Hij was zojuist nationaal kampioen geworden met FC Twente en had besloten met profvoetbal te stoppen. Golf kreeg hem in zijn greep en zou hem stevig vasthouden – misschien wel meer dan voetbal met hem had gedaan.

Golfen deed hij liever niet tijdens zijn voetballoopbaan.‘Ik had al mijn energie nodig voor het voetbal. Ik ging ook nooit op skivakantie. Te riskant voor een voetballer, vond ik.’ Hij beleeft golf als te tijdrovend om naast een andere sport of beroep te doen. Hij kan niet even gaan golfen, als ontspanning. Hij moet al zijn aandacht aan het spel geven. Focussen, elke keer weer. Slag voor slag. ‘Daarom moet ik regelmatig spelen. Het is een never ending story. Als je goed speelt, ga je door. Als je slecht speelt ook. Want dan wil je het weer beter doen. Het houdt nooit op.’

kenneth perez
Perez zit met zijn rug naar de golfbaan, Goyer (bij Hilversum), zijn thuisbaan waar hij in het eerste team speelt. Als hij iets wil uitleggen kijkt hij naar buiten en wijst, want daar gebeurt het allemaal. Hij speelt weleens samen met Arnold Bruggink, oud-profvoetballer en collega-analist bij FOX Sports. Verliezen mag dan niet. Winnen, daar gaat het dan om. ‘Vertier moet ook een beetje pijn doen. Ik begrijp niet dat mensen zeggen: ik heb zó slecht gespeeld, maar het was wel lekker weer. Kom op, zeg. Niet dat ik dagenlang ziek kan zijn van verliezen. Maar het doet wel pijn. En ik kan echt gek worden als het niet gaat. Ik heb wat stokken kapotgeslagen. Bij voetballen kon ik echt dagenlang ziek zijn van een nederlaag. Voetballen was mijn leven, mijn beroep ook. Nu is mijn gezin, mijn vrouw en kinderen, mijn leven.’

Voetbal, hoe bezeten hij ook was en hoe gedreven hij ook oefende – vooral op vrije trappen – nerveus werd hij niet zo gauw. ‘Ik wist dat ik het kon, ik wist dat ik een bepaald niveau haalde. Natuurlijk kon ik me mateloos ergeren en sloegen in een wedstrijd de stoppen weleens door. Maar als het niet liep, besefte ik dat het een slechte dag was en dat het volgende week weer beter kon gaan. Bij golfen word ik er voortdurend aan herinnerd dat ik het niet goed kan. Weer fout, weer slecht, weer mis. Zomaar, soms de swing, soms de grip, dan weer een verkeerde inschatting, dan weer een zuchtje wind, dan weer een vogel of een vlieg waardoor je even wordt afgeleid. Het is écht een mental game. Ik kan me niet voorstellen dat er een moeilijker sport is. Noem tennis: als je service niet loopt, heb je een tweede service. Bij golf gaat het om die ene slag. Als het niet goed is, wat dan? Ja, een herstelslag. Nou, probeer dat maar eens.’

Kenneth heeft weleens met Deense topspelers gegolfd. Dan viel hij van de ene verbazing in de andere. ‘Dat is zo ver van mijn niveau, terwijl ik toch al handicap 3.7 heb. Hoe die mannen na een volkomen mislukte slag met een herstelslag meteen terugkomen op de fairway of zelfs op de green. Dan geniet ik echt. Dat wil ook. Het leuke van golf vind ik ook dat je altijd wel één hole van een echte topper kunt winnen. Dan kan bij tennis niet. Bij een speler die zoveel beter tennist ben je gewoon altijd kansloos.’

Golf is nooit saai, geen moment. Vindt Kenneth Perez. ‘Daarom zie je mij zelden op een driving range. Ik oefen eigenlijk nooit. Zo verschrikkelijk saai. Spelen wil ik, zoveel mogelijk, liefst elke dag. Elke slag, elke putt, elke hole moet een uitdaging zijn. Winnen en scoren, hoe lager mijn handicap, hoe leuker het spel wordt.’

Sinds hij bijna vijf jaar geleden is gaan golfen, verbaast hij zich meer en meer over hoeveel mensen golfen. Dat had hij voorheen nooit durven denken. ‘Als je ergens op een feestje bent, is er altijd wel iemand die ook golft. Dat vind ik echt te gek. Allemaal mensen die veel en overal willen golfen.’ Mede daarom ontwierp hij met twee vrienden twee maanden geleden een speciale, gratis golf-app (Golf@ via golf-at.com), een golfnetwerk waar iedereen aan mee kan doen: golfers, golfclubs, golfprofessionals. Het ontmoetingsplatform telt al 4.000 leden. ‘Vorige zomer heb ik me er geregeld aan geërgerd: perfect golfweer, ruimte in mijn agenda, maar niemand om de golfbaan mee in te gaan. Met Golf@ spreek je veel makkelijker af voor een rondje met spelers van jouw niveau.’

Voordat Kenneth zich nog even ter voorbereiding op de kampioenswedstrijd van komende zondag op de putting green begeeft – ja, zowaar, hij gaat oefenen – wil hij een belangrijk facet aan zijn ervaringen toevoegen. ‘Golf doe je helemaal zelf, niemand kan je spel beïnvloeden. Toch noem ik het een excuus-sport. Altijd hoor je mensen zeggen dat een mislukte slag of putt niet aan hen lag. Raar hé? Je kunt, mág, een ander gewoon niet de schuld geven. Je doet het helemaal zelf. En dat ken ik bij geen enkele andere sport. Daarom is golf ook zo confronterend. Die slag, dat ben jij.’
——————————————————————————————————-
Kenneth Perez (40) is een Deense oud-beroepsvoetballer. Hij begon bij FC Kopenhagen. In 1997 werd hij door MVV Maastricht ingelijfd. Vervolgens speelde hij voor AZ, Ajax, PSV, weer voor Ajax en ten slotte voor FC Twente. In 2007 won hij met PSV de nationale beker. In 2010 werd hij met de Enschedese club kampioen van Nederland. Perez speelde 24 maal in het Deense nationale elftal. Tegenwoordig is hij voetbalanalist bij FOX Sports Eredivisie en FOX Sports international, en is hij soms te gast als analist bij Studio Voetbal. Hij golft in het eerste team van Goyer.

Dit interview is gepubliceerd is GolfersMagazine 4/2015

Onbevreesd, moedig en kwetsbaar

9 jun

Ben ik bang voor morgen, voor straks, voor wat er gebeuren gaat? Vaak wel. Waarom toch? Omdat de toekomst onzeker is. Omdat ik graag weet wat komen gaat. Dan kan ik me er op voorbereiden, maatregelen treffen, me erop instellen. Toch?

Nu ik deze column voor de Vrienden van het Boeddhisme schrijf, begrijp ik dat het ondoenlijk is me voor te bereiden op (alle) dingen die staan te gebeuren. Wat kan ik in vredesnaam doen om mezelf zekerheid te verschaffen, behalve een schuilkelder bouwen ten einde mezelf tegen mogelijk naderend onheil te beschermen? Ik weet het toch niet. Dingen gebeuren nu eenmaal. Ik kan niet alles in de hand hebben.

Dus kan ik me beter op nu concentreren. Zoals nu op deze column. Stel dat ik voortdurend tijdens het schrijven bezig ben met wat me te wachten staat, dan kan ik beter meteen stoppen. Dan wordt het sowieso een stukje dat alle kanten opwaait en -draait.

De gedachten die nu al schrijvend opkomen, vinden hun oorsprong in de cursus ‘Onbevreesdheid in het dagelijks leven’ uit De weg van Shambhala. Ik denk terug aan een oefening tijdens een sessie. Ik moest een dialoog aangaan met een andere cursist, bijvoorbeeld de vrouw naast mij. Een uitwisseling over onbevreesdheid, angst en onzekerheid.

Zo kwam ik tegenover een vreemde vrouw te zitten, aan wie ik moest vertellen wat door me heenging terwijl ik haar aankeek. Wat ik op dat moment voelde, wat ik nu voelde. En dat was heel vreemd.

Niet zo vreemd als ik verwachtte. Ik vertelde wat ik dacht en voelde: onzekerheid dus. Maar zowaar ook onbevreesdheid. Ik voelde wat de leraar had uitgelegd, over onbevreesdheid, moed en kwetsbaarheid. De vrouw keek me aan, luisterde en gaf (volgens opdracht) geen reactie. Ze toonde afwijzing noch goedkeuring. Er waren slechts woorden die uit mijn mond kwamen – en naar mijn gevoel recht uit mijn hart. Ik liet mijn hart spreken, over mijn onzekerheden en kwetsbaarheden, zoals ik ze op dat moment ervoer. En het voelde goed.

De vrouw was nog steeds een vreemde. Maar ze zag er gaandeweg mijn woordenstroom niet meer uit als een vreemde die mij vast zou vertellen wat voor een angsthaas ik was. Zij was er, niet meer en niet minder. Haar houding en mimiek verrieden geen oordeel. En zeker geen veroordeling, zoals ik had gevreesd.

Het meest verheugende kwam nog. Toen de vrouw mij mocht vertellen wat zij dacht en voelde. Ze zei dat ze veel herkende in wat ik had verteld. Ook zij was onzeker geweest, bang voor mijn reactie. Toen ter afsluiting de gong ging, keken we elkaar vriendelijk aan. Opgelucht. Onze onzekerheid, vooral onze angst voor afwijzing, was misplaatst geweest. Er was niets nadeligs gebeurd. Goddank.

Zo wil ik me vaker voelen. Zonder angsten, niet bang om te falen. Voortdurend levend in nu. Soms in de toekomst, vanzelfsprekend, maar liever nooit in de onzekerheid dat wat mij te wachten staat nadelig uitvalt.

Ik oefen buiten de cursus. Ik probeer te zeggen (en te schrijven) wat ik heb te zeggen (en te schrijven). Gewoon dóen. Mezelf inprenten dat het goed is wat ik doe. En dat ik er wat van leren kan. Mocht het resultaat niet positief zijn, dan kan ik er over nadenken. Wat gebeurt er dan met mij? Voel ik me teleurgesteld, verdrietig of boos? Kruip ik in mijn schulp en neem ik mij voor nooit meer iets te ondernemen, bijvoorbeeld nooit meer openhartig zijn én kwetsbaar?

Door meditatie – een halfuurtje op mijn kussen zitten en het gevoel laten opkomen, overdenken en voorbij laten gaan – kan ik mezelf helpen. Ik kan dan een en ander onder ogen zien: dit is dus wat met mij gebeurt, dit gevoel is er. Ik ervaar deze stilte en afzondering als verhelderend én verruimend. Ik kom bij mezelf, sla niet op de vlucht voor wat zich mogelijk in mijn lijf gaat afspelen. Is het verdriet, dan is het verdriet? Is het verwarring of angst? Nou, vooruit dan. Dan is het angst. Dat mag toch?

Ik heb het gevoel dat ik ruimte maak voor wat zich voordoet en voor wat zich kan aandienen. Dit ben ik, dit zijn mijn gedachten, dit is mijn gevoel. Dit is niemand anders. Ik las in mijn cursusboek: ‘Als je begint met kijken naar je angst, gewoon in die angst springt, dan is het volgende dat je ervaart een gevoel van volledig in elkaar zakken. In de situatie van angst zit veel energie, maar als je begint er in te springen, dan voelt het alsof je net een ballon hebt doorgeprikt.’

Ssssss, als een ballon, die eens is opgeblazen en zich almaar heeft gevuld. Zo voelde het toen ik tegenover de vrouw zat en mij blootgaf. Ik liep langzaam leeg. Vriendelijkheid ontmoette vriendelijkheid. Ik hoor mijn moeder nog zeggen: ‘Wie goed doet, goed ontmoet.’ Dat blijkt dus een boeddhistische wijsheid. Ik besef dat het niet in elke situatie zo bevredigend afloopt. Maar mij doet het vrijwel altijd goed.

Ik ben vriendelijk geweest voor mezelf. Dat voelt beter dan afwijzing.

Guus van Holland is lid van de Shambhala-sangha Leiden

Deze column staat in de zomereditie van http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Een zichzelf in de staart bijtend monster

2 jun

Voetbal is religie, zo is vaak geopperd zodra het belang van deze sport om duiding vroeg. Aanbidding van een fenomeen die ons afleidt van het sobere, zware, deprimerende leven. Het stadion als kerk of tempel, waar je je kunt openstellen voor wonderen, gebracht door mannen met uitzonderlijke talenten. Overwinningen worden er opgeslurpt als toverdranken, nederlagen beleefd als bijna-doodervaringen. Maar wat als de scheidsrechter een omstreden beslissing neemt? Wat als de hogepriester niet heilig blijkt, maar zich als een echt mens heeft laten verleiden door macht, geld en andere luxe in de hoop eeuwige glorie te bereiken? Dan stort de wereld in.

Sport wordt door mensen beoefend, voetbal dus ook. Gelukkig maar. Nog geen robots of computergestuurde mannen die precies doen wat de liefhebber wil. Al groeit de behoefte aan volledige (elektronische) beheersing, niet alleen bij trainers maar vooral ook bij mensen die erin investeren. Intussen wordt ook van sport verwacht dat ze schoon is, onschuldiger dan de wereld daarbuiten. Geen smeerlapperij, geen omkoping en doping. Zuiver, sportief, eerlijk. Het moet toch ergens in de wereld vredig toeven zijn.

Zuiver, eerlijk en vredelievend is de sport al sinds haar eerste beleving niet meer. Maar kunnen we op dan op zijn minst verwachten dat de leiders het goede voorbeeld geven? Dat zijn de Blatters, de Havelange’s, de Samaranche’s, de Bachs, de Verbruggens, de Acosta’s, de Cooksons en de Platini’s (om enkele [voormalige] machthebbers te noemen). Jazeker, altijd zullen er mensen opstaan die gezonde sport beloven, en: meer sport, meer wedstrijden, meer bekers, meer titels, meer kampioenschappen, nog meer vermaak. Brood en nog meer spelen.

Vlnr IOC-voorzitter Thomas Bach, de Russische president Vladimir Poetin en FIFA-voorzitter Sepp Blatter

Vlnr IOC-voorzitter Thomas Bach, de Russische president Vladimir Poetin en FIFA-voorzitter Sepp Blatter

Maar dat kost geld. En wie wil of kan dat betalen? Wij, die behoefte hebben aan grenzeloos vermaak? Mensen en bedrijven die rijk zijn? Liefst wel, ja. Daar begint het al: wij geven onze behoefte aan vermaak uit handen. Zonder geld geen vermaak, geen sport, geen stadions, geen wedstrijden, geen kampioenschappen. Toch?

En daar zit hij dan als mens die zich heeft voorgenomen zichzelf te belonen, de wereld te verbeteren, de mensheid te geven waar ze behoefte aan heeft – en daarom macht wil. En geld. Een voordat hij het beseft, voelt hij dat macht corrumpeert. Hij kan het niet alleen, hij heeft medestanders nodig en mensen die bereid zijn in zijn project te investeren. En daarvoor dus iets terugverlangen. Meer dan hij verwachtte, meer dan hij kan waarmaken. Hij wordt een draaikont, hij weet niet meer wat goed is en wat slecht – nou, dan maar slecht. Hij zit vast, hij komt niet meer los. Tenzij hij eruit durft te stappen. Maar dan is hij weer een lafaard, of wel een man die zijn beloften niet waarmaakt. Wat hij ook doet, hoe hij ook wendt of keert, hij is een slecht mens. Altijd al geweest…

Het is een poging om mezelf te verlossen van de duizelingen in mijn hoofd als gevolg van de ontwikkelingen rond de verkiezingscampagne van FIFA-voorzitter Sepp Blatter en de arrestaties van een aantal bestuursleden en betrokkenen. Hoe kan het toch gebeuren dat deze Blatter er nog steeds zit? Terwijl toch (bijna) iedereen weet dat deze 79-jarige Zwitser op slinkse (mogelijk corrumperende) wijze de organisatie bestuurt en zichzelf op de borst blijft kloppen: kijk eens wat ik de mensheid en de voetballiefhebber heb geschonken. En dat is inderdaad veel. Veel te veel. Het is uit de hand gelopen. Voetbal laat zich niet meer beheersen.

Tekenend voor de overdrijving van voetbal, is de verklaring van Michael van Praag, een man die ook graag gezonde sport belooft en zich mede daarom als tegenkandidaat van Blatter opwierp. Eerst trok hij zich terug om in te stemmen met de ogenschijnlijk sterkere kandidatuur van de Jordaanse prins Ali Bin-al Hussein. De lobby leek succesvol te zijn verlopen, totdat bij de stemming bleek dat enkele (belangrijke) landen hun voorkeur hadden bijgesteld. Vervolgens noemde Van Praag in zijn ijdelheid het  – nogal naïef – ‘een schandelijke vertoning’. We moeten vrezen dat ook Van Praag niet begrijpt hoe dit kan gebeuren. Maar mogelijk vermoedt hij wel een en ander, maar acht hij het niet verstandig in zijn functie als voorzitter van de Nederlandse voetbalbond anderen met de vinger te wijzen. Het is beter een pas op de plaats te maken, voordat hij, zijn bond en zijn land de rekening gepresenteerd krijgen. Gaat de angst regeren?

Wie ook voorzitter is van de FIFA, hij zal zich moeten plooien naar de eisen van de investeerders. Er lijkt geen weg terug. De hoofdsponsors en steeds meer de Arabische, Aziatische en Russische miljonairs zijn gebaat bij mee denkende (liever: mee buigende) leiders. Voetbal wordt verkocht aan de hoogste bieders. Steeds meer clubs draaien op geld van dwingende investeerders. Televisiezenders willen steeds hogere kijkcijfers. De liefhebbers willen steeds meer voetbal, wedstrijden en titeltoernooien. Nog meer voetbal, nog meer voetbal in de media (kranten en tv), nog meer praatprogramma’s, nog meer voetbaldocumentaires, nog meer voetbalblaadjes en -boeken, nog meer voetbalspelletjes en -quizjes. En liefst nog meer Messi’s. Alles om het saaie leven te verzachten. Spelers en trainers kunnen steeds meer geld verdienen, handenvol geld. En ze slaan dat nooit af – het komt gewoon niet eens in hun van voetbal bezeten hoofd op. Over grenzeloze, ziekelijke begeerte gesproken.

Wie is er hier eigenlijk ziek?

Jarenlang onderzoek van vooral de journalisten de Britten Andrew Jennings en David Yallop (die al in 1999 het boek Who stole the game/De voetbalmaffia [over de FIFA, Nike en Brazilië] schreef) en de Duitsers Jens Weinreich en Thomas Kistner naar de handel en wandel van de FIFA heeft aangetoond hoe Blatter en co machtswellust exploiteerde en investeerders en sponsors tegemoet kwam. Lees hun talrijke boeken, artikelen en websites. Uiteindelijk vond Jennings steun bij onder meer de FBI, omdat hij zelf niet over justitiële middelen beschikt.

De Amerikanen zijn al jaren met succes bezig sporten te zuiveren. Na de zuivering van het IOC, als gevolg van corruptie bij de toewijzing van Salt Lake City als olympische locatie, volgde de aanpak van het illegale drugsgebruik in de nationale sport honkbal. De FBI zette vervolgens Lance Armstrong (en de hele professionele wielersport) met succes in de beklaagdenbank. Een andere Amerikaanse sport, American Football, werd als gevolg van te grote commerciële invloed (op onder meer speellocaties en scheidsrechters) onder het vergrootglas gelegd. Nu is de belangrijkste sport ter wereld aan de beurt, zeker omdat hoge Amerikaanse bestuurders en investeerders een innige financiële relatie blijken te hebben met de FIFA.

De vraag is of de FBI voldoende macht heeft om van voetbal in al zijn geledingen een gezonde sport te maken. Arrestatie (bestraffing en uitsluiting) van mensen die de sport verkwanselen is niet toereikend. Misschien moeten we het vermaak maar buiten de stadions proberen te zoeken – hoe spannend en aantrekkelijk voetbal ook kan zijn. Daarmee zou je best eens de Blatters kunnen verjagen.

Maar welk vermaak zou dat kunnen zijn? Wat kan de almacht van het voetbal evenaren, laat staan overtreffen?

Deze column is gepubliceerd op 1 juni 2015 op de website http://www.sportenstrategie.nl/

‘Agent, waarom slaat u mij? Ik kom hier voor mijn plezier’

31 mei

Dit verslag schreef ik ’s nachts, zojuist aangekomen in Parijs en nog vol adrenaline, na mijn verwarrende bezoek als verslaggever van NRC Handelsblad aan de wedstrijd Duitsland-Joegoslavië op het WK van 1998 in Lens, Frankrijk.

In Lens staat de wereld op springen, want er is voetbal. Agenten slaan en schoppen bij Duitsland-Joegoslavië in het wilde weg, ook naar journalisten. ‘Ik heb vandaag maar drie klappen gehad, God zij dank.’

LENS, 22 JUNI 1998. ‘Waarom slaat u mij?’ De politieman heft nog een keer zijn gummiknuppel en dreigt weer te slaan. ‘Ik kom hier voor mijn plezier en niet om geslagen te worden, monsieur.’ Maar de politieman krijgt assistentie van drie andere politiemannen. ‘Wegwezen’, schreeuwen ze in koor. ‘U heeft geen parkeerkaart, dus mag u hier niet in. Reservé ou pas reservé. Press? Rien. Alors? Vite, allez, avancer.’ Hij slaat weer en nog een keer. Ik buk tevergeefs.

Wie is er hier overspannen? Ze zijn met velen deze middag, de politie van Lens en omstreken. Er wordt gezegd met zevenhonderd mannen. Ze zijn paraat, ze laten niemand door. Perskaart? Maakt niet uit. Tribunekaartje, waarvoor? Is er hier een voetbalwedstrijd? ’t Zal wel. Er moet opgetreden worden. Grote mannen, kleine mannen, muts schuin op het hoofd, stoer en onverschillig, klaar om te slaan wanneer ze moeten slaan. De wereld staat op springen, want er is voetbal.

Een tiental meters van mij vandaan ligt een jongen op straat te bloeden. Hij heeft een Duitse vlag om zijn lijf gewikkeld en roept dat Duitsland wereldkampioen wordt. Kameraden staan er bij en spuwen vuur naar de politiemannen. Hij heeft toch niks gedaan? Een paar meter verder ligt een jonge vrouw in het gras te huilen. Ze heeft schaafwonden op haar knieën. Ze draagt een voetbalshirt met de naam Mijatovic. Het shirt is besmeurd met bloed. Om haar heen een oudere vrouw en twee kinderen. Mama, mama, huilen ze. Ik kijk er naar, maar ik krijg geen tijd om er lang naar te kijken. Ik krijg een schop en een klap. Waarom? Avancer, vite! De politie heeft geen geduld en mededogen. Waarom ook, het is voetbal.

Na de wedstrijd, Joegoslavië-Duitsland, is de sfeer niet anders. Duizenden en nog eens duizenden Duitsers schreeuwen dat ze über alles zijn. Ze provoceren Joegoslaven en politie. Want ze hebben gelijkgespeeld (2-2). Een Joegoslaaf slaat door en gooit een bierfles naar een Duitser. Het is tijd voor oorlog. Binnen korte tijd is er een handgemeen waar ik heel erg bang van word. Flesjes en stenen vliegen door de lucht. Wie niet wordt geraakt, heeft God op zijn hand. Ik heb vandaag maar drie klappen gehad, God zij dank.

De politie grijpt in met strenge gezichten en harde, echt pijnlijke knuppels. En dan ineens zie ik een man liggen, een politieman, wezenloos, en een andere man, een man met een camera naast zijn hoofd, wezenloos. Het is eigenlijk niet anders dan voor en na elke voetbalwedstrijd die ik de laatste jaren heb meegemaakt. De mensheid is gek geworden. Van voetbal. Niemand heeft overzicht, wie zich in de massa bevindt ziet geen uitweg meer. Nu zijn het Duitsers, opvallend genoeg veel kale, vooral kale Duitsers (neo-nazi’s zeggen ze later), en Joegoslaven, morgen zijn het Engelsen of Nederlanders. Gek, volkomen doorgedraaid door chauvinisme, nationalisme en commercie – het voetbal gaat er kapot aan.

Daniel Nivel is in elkaar geslagen door Duitse hooligans

Daniel Nivel is in elkaar geslagen door Duitse hooligans

Op weg van Lens naar Parijs hoor ik een Frans radiostation, geen station dat ontgaat wat voetbal te bieden heeft. Ik begrijp dat een politieman in coma ligt en een verslaggever van het Braziliaanse televisie-station O Globo gewond is geraakt. De politieman verkeert entre la vie et la mort. Och, waar heb ik het meer gehoord na een voetbalwedstrijd? De waanzin is weer nabij.

In een wegrestaurant halverwege Parijs verdringen zich voetbalsupporters voor een hamburger à cheval. Een bus met Joegoslaven arriveert, nog een bus, nog een bus, zes bussen. Honderden Duitsers, zo’n vijftig Japanners in voetbalshirt, Koreanen, Engelsen, Schotten, Fransen en Jamaicanen in voetbalshirt. Wat doen die hier nou weer? Ze zwaaien met vlaggen met adelaars en doodskoppen. Enkelen slaan het restaurant bijna aan diggelen. Borden worden kapot gegooid tegen de muur. Betaald wordt er nauwelijks. Meisjes in korte rokjes en voetbalshirtjes laten volgens de geest van de tijd hun navels zien en worden lastig gevallen. In een telefooncel wordt gevochten om een meisje. Wie toekijkt wordt bedreigd door met messen gewapende gekken.

Na mijn reis van vijf uur over 180 kilometer, tussen Lens en Parijs, vormt zich tegen middernacht voor de Franse hoofdstad een file van pakweg 30 kilometer. Links en rechts staan auto’s te roken. Mensen in voetbalshirts stappen uit en schreeuwen iets over hoop en glorie. Op de rondweg van Parijs slingeren Jamaicanen op motoren met vlaggen tussen de auto’s door. Botsing volgt op botsing. Sirenes vullen de avond. Op het altijd chaotische circuit van de Arc de Triomphe lopen dronken Argentijnen in blauwwitte voetbalshirts het verkeersplein over. Eén wordt aangereden, maar hij staat zowaar weer op.

C’est la folie’, zegt de receptionist van mijn hotel in de binnenstad van Parijs. Ik begrijp hem wanneer ik de televisie aanzet. Ik zie feesten in Buenos Aires, Amsterdam en Teheran. Mensen die in auto’s rondrijden met vlaggen, mensen die gek zijn geworden van voetbal. Mensen die de beste feestvierders van de wereld willen zijn. Dat er niets anders is dan voetbal. Ik heb een buil op mijn achterhoofd van een klap met de gummiknuppel van een politieman die niet meer weet waar hij aan toe is – net zoals ik.

Maar beneden in het café waar de wereld nooit stil staat en de blues hoogtij viert, hoor ik ter afwisseling de gelukkig altijd en eeuwig aanwezige Lou Reed zingen: ‘It’s been a perfect day. You just keep me hanging on.’

Ik verlaat mijn hotelkamer en ga eens stevig drinken. Er is nog hoop.

Later bleek dat de politieman die ik wezenloos op de grond had zien liggen de 43-jarige Daniel Nivel was. Hij was in elkaar geslagen door Duitse hooligans. Nivel lag zes weken in coma. Hij ontwaakte, maar moet sindsdien één oog missen en kan nauwelijks nog praten. Hij kan nooit meer werken. Drie maanden later werd in Keulen een benefietwedstrijd gespeeld voor Nivel en zijn familie. Nivel was aanwezig. In 2000 werd de Daniel Nivel Stichting door de Duitse bond en de FIFA in het leven geroepen, een stichting die onder andere slachtoffers en nabestaanden van geweld rondom voetbal bijstaat. Voorzitter is Sepp Blatter. Sinds 2001 wordt in Leipzig een toernooi gehouden om de Daniel Nivel Cup.

Daniel Nivel met zijn vrouw Lorette tijdens het proces tegen de voetbalsupporters

Daniel Nivel met zijn vrouw Lorette tijdens het proces tegen de voetbalsupporters

Tennisster Kristie Boogert golft nu: Ik mis de adrenaline

7 mei

kristie_boogert_-_tennis_1_20140410_1144134049
Ze is gaan staan in de hoop het verschil in lichaamsbeweging tussen de tennisslag en de golfswing duidelijk te kunnen maken. Voormalig tenniskampioene Kristie Boogert zwaait met haar armen van rechts naar links en toont de verschillen in rotaties van haar romp. Het is duidelijk, er is verschil. Ze lijken op elkaar. Maar toch is het anders. Dat heeft Kristie sinds ze na haar tennisloopbaan met golfen begon, moeten ervaren.

,,Als je ruim twintig jaar gewend bent je bovenlichaam met de slag mee te laten draaien, dan kost het heel veel oefening om het met golf anders te doen.’’ Ze komt er mee weg, zegt ze. Het is waarschijnlijk haar balgevoel, weten hoe je een bal slaat, haar talent. Om de golfswing beter te beheersen zou ze meer op de drivingrange moeten staan, zoals haar eerste clubpro destijds al adviseerde. Oefenen en slijpen. Zoals vroeger met tennissen: altijd slijpen. Niet meteen de baan in. Want voordat je het weet leer je jezelf dingen aan die je dan weer moet afleren.

,,Een goede golfer ziet waarschijnlijk meteen dat ik eigenlijk een tennisser ben. Die swing, die zwaai van achter naar voren, naar de bal, de romprotatie.’’ Om het goed te doen, moet ze eenvoudigweg terug naar nul. ,,Mensen die geen sportachtergrond hebben en met golf beginnen, hoeven niet terug. Die beginnen met de basistechniek. Ze leren de swing. Maar ik moet eerst de tennisspecifieke details afleren. Het is geen verontschuldiging. En hoeft ook geen handicap te zijn. Tennis is blijkbaar toch anders dan golf, hoeveel ze ogenschijnlijk op elkaar lijken.’’

Het is aangenaam luisteren naar een vrouw die gefascineerd is door de sport. Hoe ze probeert over te brengen wat ze beleeft, wat ze voelt, waar ze mee worstelt, hoe ze het beste uit haar sportbeoefening wil halen. ,,Tennis was altijd mijn passie. Maar toen was het over. Ik moest een operatie aan mijn rechter elleboog ondergaan en daaruit vloeide voort dat ik niet meer op hoog niveau kon tennissen. Dat was een klap. Ik was 29 jaar. Ik ging commerciële economie studeren en kon dat later combineren met tv-werk. Per toeval kwam ik in aanraking met golfen. Ik wilde meer kunnen dan alleen goed tennissen. Ik moest en wilde verder met andere dingen. En dat is goed gegaan, met alles wat ik nu doe. Ik geef verslag van tenniswedstrijden, ik kan mijn ervaring en inzicht overbrengen. En golfen is heerlijk en geeft me het gevoel dat ik sport, dat ik beweeg. Deed ik het maar meer.’’

Golfen is, los van het verschil in beweging van het lichaam, heel anders dan tennis. Ze mag dan voordeel putten uit haar door de jaren heen gegroeide mentale ervaring (niet na een mislukte slag de strijd opgeven, altijd in het moment blijven, altijd op je hartslag en ademhaling letten, focus). ,,Tennis is rennen, zweten, adrenaline. Golfen is rustig blijven, nooit rennen en zeker nooit zweten. Die adrenaline die ik had tijdens mijn tenniscarrière, mis ik eigenlijk nog het meest. Na het golfen kun je vermoeid zijn, maar dat is een soort landerigheid, moe van de concentratie, moe van het slenteren. Na het tennis sloeg je hart tien keer door. Opgefokt, dat vroeg naar meer inspanning en zweet. Zweet? Na het golfen. Nee, je bent moe van een andere inspanning, zoals voortdurende concentratie. Elke slag of swing, vraagt om focus.’’

Maar dat geldt toch ook voor tennis? Kristie zal het niet ontkennen. Bij een tennispartij word je geconfronteerd met een tegenstander, wat zij doet, hoe zij anticipeert, jou door lijkt te hebben en daarop inspeelt. Wat doe je dan? Hoe sla je dan? Het is haar fascinatie voor competitie. Ze zoekt naar een vergelijking en vindt dat in deelgenoot zijn van een team (Dames 1 van Golfclub Cromstrijen). ,,Dan ben je niet alleen met jezelf bezig, maar ook met wat de anderen van het team van je verwachten. Je wilt anderen niet teleurstellen. Je wilt jezelf niet ontmoedigen, maar ook anderen niet. De combinatie van individueel bezig zijn, maar toch ook deel uit kunnen maken van een team vind ik het leuke van golfcompetitie.’’

kristie
Ze vertelt over haar veerkracht en haar talent: als de bal bij tennis na een slag buiten de lijnen gaat, is de partij nog niet over. Altijd verschijnen nieuwe kansen, de tegenstander kan ook fouten maken, omdat ook hij mogelijk ook wel worstelt met dezelfde twijfels. Maar je kunt er beter niet op rekenen. Vooral op jezelf vertrouwen.

Visualiseren is belangrijk en kan ze bij golf gebruiken vanuit haar verleden. Je staat op de teebox en denkt aan die ene tennispartij op dat hele grote centre court. Je kijkt naar je handen, je voelt je armen, je lichaam, je voelt iets in je hoofd. En je denkt: toen ging het goed (of niet goed). Je moet tijdens het spelletje niet terugdenken wat er net is gebeurd. Ook niet te ver vooruit kijken naar het eventuele eindresultaat. Je moet in het ‘nu’ kunnen blijven. ,,Routines zijn daarvoor een belangrijke houvast en daar kun je vertrouwen uit halen.’’

Tja, haar handicap, nu 10.8. Moet dat nog omlaag? Ergens in haar hoofd wil ze dat wel en weet ze dat ze zich nog kan verbeteren. Ze kan het zo goed, golfen. Ze is zo goed in het spel met een bal. Die hand-oog-coördinatie blijkt ze te beheersen, vanaf ze toen nog een kind was.

Ze is gedreven. ,,Golf doet iets met mij. Rust, o jee. Wat is dat nou weer? Ik verlang nog vaak naar adrenaline. Uit niets iets te halen. Dat is wel lastig.’’
——————————————————————————————————-
Kristie Boogert (Oud-Beijerland, 1973) behoorde jarenlang tot Nederlands beste tennisspeelsters. Ze behaalde een zilveren medaille op de Olympische Spelen van 2000 in het dubbelspel, samen met Miriam Oremans. De zusjes Serena en Venus Williams bleken uiteindelijk sterker. Ze won drie titels op de WTA-tour. In het enkelspel was haar hoogste positie op de wereldranglijst 29e. Als gevolg van een elleboogblessure moest ze haar tennisloopbaan beëindigen. Nu is ze tenniscommentator bij Eurosport en Sport1.

Dit interview is gepubliceerd in de serie Mijn nieuwe sport in GolfersMagazine nr.3 2015

Jeroen Wielaert, de creatieve geest achter de Tour-start

3 mei

Nee, de God van Utrecht is hij nog niet genoemd. Het had de afgelopen maanden in de aanloop naar Le Grand Départ in Utrecht zo maar gekund. In de almaar toenemende euforie was er immers steeds de alles omvattende vraag naar duiding van deze Utrechtse gangmaker. Wie is toch die onstuitbare man die de directie van de Tour de France ervan wist te overtuigen dat ’s werelds grootste wielersportevenement in Utrecht van start moest gaan? Un fou romantique, een romantische gek? Nee, dat is te gemakkelijk. Daar doe je Jeroen Wielaert tekort mee. 

Jeroen kijkt me aan, als ik tegenover hem in een Utrechts café over God begin. Nou ja, als dat zou kunnen. Willen we dat allemaal niet? God zijn. En enige trots is hem vanzelfsprekend niet vreemd. We kennen elkaar al ruim dertig jaar. Kwamen we elkaar niet voor het eerst tegen in de Ronde van Zwitserland, 1987? Hij als debutant, ik al zo’n tien jaar ervaren met de wielersportverslaggeving. Of was het eerder? We deden immers ook jarenlang aan judoverslaggeving. Hoe dan ook: we voelden elkaar meteen aan.

jeroen
Waarom? We komen uit dezelfde streek. ‘Boertjes’ die toch maar het avontuurlijke leven in de Tour de France hebben mogen leren kennen. Afkomstig uit een streek bovendien waar het godsbesef overal voelbaar is, waar spiritualiteit in de lucht lijkt te hangen: er moet toch iets meer zijn in dat platte leven.

Zo suist ook dezelfde soort muziek door onze hoofden. Blues en rockmuziek, van Cuby + Blizzards (Somebody will know someday) tot U2 (Bullet the blue sky), laat zich moeiteloos verweven met de wielersport – voor wie het aanvoelt. Jeroens boeken over de wielrenners en de bluesvertolkers van weleer spreken voor zich. En dan nog zijn andere boeken en radioreportages over velerlei kunstenaars, zoals dichters en andere spirituele geesten. Hij is benieuwd naar het leven.

Over het fenomeen wielersport hebben zich vele filosofen en psychologen gebogen, meer dan over welke sport ook. Over lijden en afzien. Jeroen is er zelf een. Hij blijft zoeken. Zal hij ooit het antwoord vinden? Niet moraliseren, zoals tegenwoordig gebruikelijk is, nee, gewoon kijken, voelen en ervaren. Wat het me je doet, wat het leven met wielrenners doet. Als straks (de vierde en vijfde juli) de Tour de France de bevolking van Utrecht en omstreken aanraakt, moet iedereen proberen te voelen wat Jeroen Wielaert al sinds zijn eerste contact met de Tour in 1967 (hij was elf jaar) heeft geboeid. 

Dit is nou wielrennen! Dit is de Tour. Dit is wat hij meekreeg van de toenmalige NOS-commentator Fred Racké, van renners als Gerben Karstens, Jos van der Vleuten, Guido van Reybrouck en Charly Grosskost, en kort daarna van Jan Janssen en Eddy Merckx. Allemaal opgeslagen in de plakboeken van zijn puberteit.

Al die vragen en vraaggesprekken over hoe het allemaal zo gekomen is, Het Grote Vertrek, heeft hij al beantwoord. Zonder tegenzin, geen moment. Enthousiasme en de vurige, onstuitbare wil om mensen te vertellen en te laten zien waar zijn hart naar uitgaat. Bij het binnengaan van het Utrechtse café wordt hij staande gehouden, in het café wordt hij herkend. Hij oogt vermoeid van waarmee hij dagelijks bezig is, strijkt door zijn haar, kijkt ongeduldig om zich heen. Schichtig soms. Maar hij gaat door waar hij begonnen is. Zo is hij nu eenmaal. Bezielen, zijn ziel overbrengen op anderen, op mensen die nog niet begeesterd dan wel betoverd zijn door de wielersport, de Tour de France in het bijzonder.

O, dit is een interview voor een blad dat vooral wordt gelezen door coaches en in coaching geïnteresseerde mensen? Weer eens wat anders. Snel zoekt hij naar een invalshoek die hij nog niet heeft kunnen of mogen uiten in al die media die hij bereidwillig en enthousiast te woord heeft gestaan. Neem nu het moment, zo begint hij, in die kroeg dat hij samen met zijn maatje Jan Fokkens op bierviltjes uittekende hoe een Tour-start er in Utrecht uit zou kunnen zien. In 2002, dat was niet ver van het etablissement waarin we nu van de wijn drinken – sous le Dom. ,,Een droom werd een obsessie. Gewoon, dit kan gewoon. Hoe kunnen wij mensen inspireren en zo ver krijgen deze droom te verwezenlijken? Toen brak het moment van coachen aan. Hoe breng je een idee over op anderen.’’

De stad, de toenmalige burgemeester Annie Brouwer en de toenmalige wethouder Hans Spekman werden geraakt door het plan. Zo vreemd was dat niet. Jeroen liet zich gelden in Parijs, drong gemakkelijk door tot het brein van de Tourdirecteuren. Eerst van Jean-Marie Leblanc, een Nordiste, een beetje Hollander, een beetje Vlaams, en voormalig ploeggenoot (bij Pelforth) van Nederlands eerste Tourwinnaar Jan Janssen. En vervolgens van Leblancs opvolger Christian Prudhomme. Wie de assertiviteit kent waarmee Jeroen zich onbeschaamd aan renners achter de finish opdrong en vragen stelde, begrijpt dat Leblanc en Prudhomme deze innemende, geestdriftige en wielerminnende Tourvolger gauw in de armen sloten.

Er is weleens minachtend gelachen om die amechtige, zwetende man die met microfoon en nagra honderden meters renners achterna holde ten einde een kreet van euforie of frustratie te ontfutselen. Wat konden ze nog uitbrengen? Waar hadden ze nog zin in na zoveel kilometers zware koers? Maar ja, hoor. Daar stond hij weer, zwetend en hijgend, tegenover afgepeigerde renners, die hem vervolgens weleens met een ‘lullig’ antwoord afscheepten. Dat vereist niet alleen onbeschaamdheid maar vooral doorzettingsvermogen én incasseringsvermogen. Om dan ook wel trots tot in zijn tenen met een ‘primeur’ terug te keren bij de andere verslaggevers. Uiteindelijk dwong hij daarmee ook respect af, bij de renners en bij de ploegleiders. En niet in het minst bij collega-journalisten.

Zoals Leblanc en Prudhomme dat ook moeten hebben gevoeld. ,,’Ayez patience, Jerome,’ zei Leblanc tegen me.’’ Jeroen was met wijlen Fedor den Hertog, de oud-wielrenner, in Vaison-la-Romaine toevallig bij een optreden van de Tour-jazzband van Leblanc beland. Overal zocht en vond Jeroen een gelegenheid om te stoken. Maar geduld? Wat is dat? Utrecht in 2010, of zelfs later? Dan pas? Nou, vooruit.

Ik zag hem rommelen en stoken bij de start van een Touretappe. Terwijl burgemeester Ivo Opstelten van Rotterdam (nota bene voormalig burgemeester van Utrecht) zich in een strak kostuum wereldvreemd in de Tour de France liet fêteren door Tourcoryfeeën als Bernard Hinault (‘aardige man, die man, o, is dat Bernard Hinault?’) – zoals honderden burgemeesters vóór hem – schuimde Jeroen Wielaert langs en door het peloton, waarvan iedereen hem kende. Die onvermijdelijke man in spijkerpak met een microfoon in zijn knuisten en een zonnebril op zijn hoofd, die iedereen die hij in de ogen keek aansprak.

Opstelten zou winnen van Utrecht, zeg maar van Wielaert. Dat was een slag in het gezicht, niet in het minst in dat van de Utrechtse notabelen.

Hij had zich kunnen neerleggen bij het oordeel van Prudhommes beslissing van november 2008. Maar toen kwam de vechtlustige coach in Jeroen Wielaert boven. Waar Utrecht verslagen reageerde, gooide Jeroen er als kenner en beschrijver van de Franse cultuur en historie (lees zijn boeken zoals ‘Het Frankrijk van de Tour’) een kreet van Charles de Gaulle tegen aan: ,,Nous avons perdu la bataille, mais pas la guerre.’’ Kortom: we hebben niet verloren, we hebben gewoon nog niet gewonnen. Of: we zijn nu van Rotterdam verlost, die hebben hem al, nu wij, een tegenstander minder.

Jeroen ging er hard in: ,,Mijn taak was bezielen. Er is niets meer te verliezen. Zij, de Utrechters, wisten het even niet. Ik moest doorgaan. Hoe hebben wij het kunnen verliezen van die rot Fransen? Daar schiet je niks mee op. Hoe kunnen we onze hartstocht blijvend houden? Veerkracht, maar dat dan vooral tonen tegenover de Tourdirectie. Prudhomme dus. Stoken, bestoken en laten zien wat we willen, en hoe we het willen. En begrijpen dat de Tour ons nodig heeft. Zij hebben Utrecht nodig, ze willen wereldwijd gaan, ze willen enthousiaste kandidaten.’’

jeroen wielaert 2014
Hij moest twijfel weghalen bij de betrokkenen, bij de lokale pers die graag de criticaster uithangt. Hij moest zoeken naar nieuwe wegen, oude kennis en ervaring. ,,De mentaliteit van volharding en overbrenging van kennis.’’ De tegenslagen mochten niet doorslaggevend zijn. De wielersport die in een kwaad daglicht kwam te staan door verregaande dopingonthullingen en -bekentenissen, ook van Nederlandse renners. Nota bene de hoofdsponsor van het geplande Tour-spektakel en tegelijkertijd sponsor van Nederlands belangrijkste wielerploeg, Rabobank, haakte mede daarom af. Het imago van de bank stond op het spel. ,,Rabo was dus niet de gedroomde spits. We moesten verder zoeken, naar sponsoren en andere geldschieters en geïnteresseerden.’’

Het moet een hels karwei zijn geweest. Door te dringen tot het brein van gemeentebestuurders, politici, partners, sponsors, media en managers – en niet in de laatste plaats tot de geest van de Tourdirectie, Christian Prudhomme in het bijzonder. Naar ideale plekken, straten en pleinen zoeken waar wielrenners moesten rijden. Liefst bij de Dom. Graag onder de Dom, natuurlijk. Zoals nu gebeurt. Zonder de Dom geen Utrecht.

Diezelfde Prudhomme zweepte Jeroen Wielaert op: Continuez, continuez. En elke keer weer toog hij naar Frankrijk, naar de Tour, naar de Tourvolgers, naar de Tourrenners van weleer. Boeken en geschriften volgden elkaar op. Interviews op radiozenders met mensen uit de Tour gingen door. Alleen de NOS, de omroep die jarenlang volop van zijn kennis profiteerde, wilde niet meer dan hij verder ging in de Tour. Wielrennen was doping, wielrennen had niets te maken met historie, romantiek, cultuur, sociologie en filosofie (zoals Jeroens illustere televisie-voorganger Jean Nelissen dat verwoordde). In Hilversum koesterden ze Jeroens verworven inzichten niet langer, hoewel zijn directe collega’s van Radio Tour de France hem er graag bij houden. De NOS is platvloers geworden. Scoren, juichen om doelpunten, overwinningen en medailles vooral van Nederlanders. Meer mag er niet zijn om over te praten. En dat doet Jeroen en zijn geestverwanten pijn.

Elke keer als ik op de radio hoor wat Nederlandse sporters presteren, verlang ik naar chroniqueurs als Jeroen Wielaert. De gesproken columns vanaf een Frans terras. Bar-Tabac-le-Sport. Waar is naast het verslag het historisch besef, het menselijke en filosofisch aspect? Het is toch niet alleen goud wat er blinkt. Er is toch meer dan de wereld van winnen en verliezen, er zijn toch de verhalen vertolkt en weergegeven door verslaggevers met kennis van zaken en historisch besef. Mensen zoals Jeroen Wielaert die er voor gezorgd hebben dat de Tour de France in juli van dit jaar zijn Grand Départ beleeft.

Jeroen Wielaert wijst Tour-directeur Christian Prudhomme de weg in Utrecht Jeroen Wielaert wijst Tour-directeur Christian Prudhomme de weg in Utrecht

Er spoelde een golf van vreugde door Nederland en de Nederlandse wielersport toen in november 2013 bleek dat Tourdirecteur Prudhomme had gebeld omdat hij had toegezegd dat Utrecht de Tourstart in 2015 mocht organiseren. Het was nu definitief. Een eerder gerucht was met moeite door de nerveuze burgemeester Aleid Wolfsen binnenskamers gehouden. De bezoeken aan Utrecht, de locaties, de mensen, de fietsen, de jeugd en de dromen van Jeroen waren doorslaggevend was geweest. Al die mensen die door Wielaert waren ‘aangestuurd’, liever geïnspireerd, vlogen elkaar in de armen.

Jeroen Wielaert ziet van afstand hoe het bedrijfsleven, de bevolking, de politici en de sportliefhebbers zijn idee gretig omarmen. Utrecht zal worden overstroomd door wielrenners en hun begeleiding en aanhang, door cultuurevenementen, met kinderen en kunstenaars, met fiets- en ander typisch Nederlands gedoe. Utrecht wordt een stad van wielrenners, fietsers en andere nieuwsgierigen. Eén miljoen bezoekers? Het zou zo maar kunnen. Hij slaat op zijn brede borst. ,,Er lopen nu veel mensen in Utrecht die zeggen dat ze het allemaal hebben verzonnen. Succes heeft vele vaders. Velen hebben het voorelkaar gekregen, maar er is maar één die het heeft bedacht. En dat ben ik, in de kroeg met Jan Fokkens.’’

Jeroen Wielaert is niet bescheiden. Dat siert hem. Wie hem begin deze eeuw voor gek (un fou romantique) heeft verklaard, dient zich te haasten zich bij hem te verontschuldigen. Jeroen zelf wenst niettemin te vermelden dat hij dit initiatief vooral aan Dick Heuvelman te danken heeft. De Groningse wielerjournalist haalde in 2002 de Giro d’Italia naar Groningen en in 2009 de Vuelta naar Assen. Om de Giro binnen te halen bracht hij zelfs een bezoek aan de paus. Verder kan een enthousiaste geest nauwelijks gaan.

Jeroen Wielaert toont net als Heuvelman aan dat sportverslaggeving verder kan gaan dan kritiek en afstandelijk oordelen. Het zit hem toch meer dan gedacht in de fascinatie voor de sport, in het historisch besef en het in het stand houden van de sport waar we met zijn allen van blijken te houden. Pim Mulier, Joris van den Bergh en anderen. Maar ook Dick Heuvelman en Jeroen Wielaert. Dat rijtje van creatieve geesten.

Dit interview is gepubliceerd in NLcoach nummer 2 – 2015

Robert Eenhoorn: ‘Je hoort niets als je moet slaan’

18 apr

En indrukwekkende gestalte loopt door de burelen van het AZ-stadion. De algemeen directeur van de Alkmaarse voetbalclub geeft een hand. Het is de stevige hand van een van Nederlands beste honkbalspelers aller tijden. De hand aan de arm waarmee Robert Eenhoorn ballen sloeg als speler van de Major League, bij de New York Yankees, de Anaheim Angels en de New York Mets.

Foto: AZ Foto: AZ

Met die hand en die arm heeft hij ook als golfspeler ballen geslagen. Toen hij nog honkbalde en coach was van Neptunus Rotterdam en het Nederlands team. Nu is de regelmaat waarmee hij golft aanzienlijk lager. ,,Geen tijd, te druk, als je wilt golfen ben je zo vier à vijf uur kwijt’’, zegt hij verontschuldigend. ,,Maar zodra het drukke leven voorbij is, ga ik zeker golfen. Samen met mijn vrouw, die ook speelt. Want dat is het mooie aan golfen, je kunt het samen doen. Samen naar mooie banen in het buitenland gaan. Buiten zijn en genieten.’’

Een honkballer die golft. Bewegingen die iets met elkaar gemeen zouden kunnen hebben. Eenhoorn doet aan de overkant van de tafel in zijn kantoor bij AZ iets met zijn armen, zoals voetballers dat met hun voeten en boksers met hun vuisten. Hij kijkt naar zijn beweging en voelt. ,,Ik weet wat releasen is, hoe je een slag inzet en afmaakt. Of het nu met een knuppel is of met een club. Hoe je een hoek creëert, je je lichaam gebruikt, hoe je staat, naar balans zoekt en je focust, de voorbereiding begint voordat je het slagperk betreedt, en de tijd neemt, kijkt en slaat.’’

Het is anders. Bij honkbal is ook kracht een belangrijke factor, bij golfen veel minder. ,,Bij honkbal sla je met een rond object, de knuppel, naar een rond object, de bal. Bij honkbal komt de bal op je af, met verraderlijke curves die je moeilijk kunt inschatten. Bij golf ligt de bal stil en sla je met een min of meer plat object. Maar sla je met golf een bal niet zuiver dan kan dat uiteindelijk tientallen meters schelen. Dat is bij honkbal minder riskant. Je zoekt een richting, je slaat over het hek of niet. Natuurlijk probeer je berekend te slaan, maar je moet altijd afwachten hoe de bal op je afkomt.’’

Focus, concentratie, afsluiten. Robert Eenhoorn weet er alles van, sinds hij in zijn puberteit ging honkballen bij Neptunus. Niet vergeten, asjeblieft, dat hij eerst bij Sparta voetbalde. ,,Of je nu op de teebox staat en je je concentreert, in de bubble, of in de slagzone, met al die duizenden mensen om je heen, zoals in de Major League. Je hoort niks, als je moet slaan. Tenminste dat heb ik geleerd. Als ik golf ken ik dat gevoel van honkbal. Hoe ik me ook voel, wat ik voor problemen en spanningen ik ook heb in mijn privé- en zakelijk leven, ik heb geleerd me af te sluiten. Door honkbal en dat ervaar ik ook bij golf.’’

Hij leerde golfen in de tijd dat hij bij Haarlem Nicols honkbalde. Een medespeler nam hem eens mee naar Spaarnewoude. En Eenhoorn merkte meteen dat golf hem ontspande: weg van de spanningen in het ‘normale’ leven en als honkballer van wie prestaties werden verwacht. ,,Natuurlijk is mijn valkuil dat ik altijd wil winnen. Dat heeft me ver gebracht in het leven, als sportman en als coach. Bij golf werkt dat anders. Dat is zo moeilijk. Op een ontspannen manier winnen? Hoe doe je dat? Het is toch ongelooflijk wat Joost Luiten presteert. Altijd maar trainen, elke dag, om beter te worden, om te winnen en toch ontspannen te blijven. Daar kunnen voetballers veel van leren.’’

Zijn Amerikaanse periode, vooral bij indrukwekkende clubs als de New York Yankees, heeft hem geschoold. Op zijn iPhone toont Eenhoorn het (huidige) intensieve wedstrijdschema van zijn oude club. Kijk: ,,Zowat elke dag spelen, af en toe twee dagen rust. Weet je wat dat is, 162 wedstrijden in 180 dagen? Dan ga je niet op een rustdag golfen om te ontspannen. Alleen in de winterperiode, als we in Florida zaten, gingen we golfen.’’

Los van het feit dat hij tijdens het wedstrijdseizoen geen tijd had om te golfen, was het niet raadzaam om iets anders te doen dan rusten. ,,Bovendien was golfen niet goed voor je honkbalslag. Je honkbalswing wordt toch aangetast. Werpers deden het wel, om los te laten. Profhonkbal vraagt discipline. Rust is rust. Wat je in je vrije tijd doet, moet je zelf weten. Maar als je in wedstrijden fouten maakt, vinden ze gauw de oorzaak. Hé, je bent toch niet gaan golfen op je rustdag?’’

Eens per jaar organiseert Robert Eenhoorn een golftoernooi, waarvan de opbrengst naar een goed doel gaat. Het is een uitvloeisel van het tragische lot dat hem, zijn vrouw en zijn familie ten deel viel. Ruim tien jaar geleden verloor hij een zoon, Ryan. Robert Eenhoorn, succesvol sporter en coach, vertelt het zakelijk, waarschijnlijk omdat het als algemeen directeur van hem wordt verlangd. ,,Weet je wat het is? Door sporten kun je je afsluiten van andere, belangrijkere dingen in je leven. Golf is daarom zo mooi. Als je niet goed speelt, ga je meteen denken: waarom? En dan kom je vaak uit bij de reden van je slechte spel en waarom je afwezig was. Sport doet je leren, golf misschien wel het meest. Ik mis het.’’
——————————————————————————————————

Robert Eenhoorn (47) is een voormalige tophonkballer en honkbalcoach. Hij honkbalde boor Neptunus Rotterdam. Haarlem Nicols, New York Yankees, Anaheim Angels, New York Mets en het Nederlands team, waarvoor hij 73 keer uitkwam en tweemaal aan de Olympische Spelen deelnam. Hij was korte stop. Eenhoorn was bondscoach en vervolgens technisch directeur van de honkbalbond. Sinds 1 oktober 2014 is hij algemeen directeur van voetbalclub AZ.

Dit artikel is gepubliceerd in de serie ‘Mijn nieuwe sport’ in GolfersMagazine 2015-nr.2

Een hartgrondig pleidooi voor Rode Duivels Pleintjes

31 mrt

Vanuit hun verschillende invalshoeken voeren Raf Willems en Guus van Holland een wekelijkse briefwisseling in deze rubriek Social Football Lab 2020 Histories, op http://www.socialfootballab2020.com

Brief 7:

Waarde Guus,

Helemaal eens met je brief van vorige week over de uitstraling van Borussia Dortmund. Ik beken: ik ben een Jürgen Klopp-believer.

Vandaag wil ik het echter over iets helemaal anders hebben.

Ik beken opnieuw: ik heb genoten van de sfeer rondom de Rode Duivels in België bij het wereldkampioenschap in Brazilië 2014. Tijdens België-Rusland stond ik in Antwerpen tussen duizenden enthousiaste fans. Vrouwen en mannen, meisjes en jongens van alle mogelijke achtergronden en uit alle werelddelen. Eén ding hadden ze gemeen: hun Antwerpse tongval en ze zongen samen ‘Tous Ensemble’ en ‘Woa is da fiejestje’?

Vermoedelijk ging het er ook zo aan toe in andere Belgische steden en dorpen. Als de Rode Duivels voetballen – hetzij in de kwartfinale van het wereldkampioenschap of in een onschuldige oefeninterland tegen Luxemburg – is het land één grote bruine kroeg.

Mooi is dat, maar mag het iets meer zijn?

Rode duivels
In Nederland bestaan de Cruyff Courts in samenwerking met de KNVB, in Groot-Brittannië financiert de Premier League het ‘KICKZ-model‘ en in Duitsland wil de DFB ‘1000 Bolzplätze’ sponseren. Cruyff Courts, KICKZ, Bolzplätze!? Het gaat telkens om hetzelfde principe: een terugkeer naar het pleintjesvoetbal in steden en gemeenten, mét steun van zowel lokale clubs als overheden.

Er wordt een mooi sportveldje aangelegd in een bepaalde wijk met als dubbele bedoeling het spelplezier voor de jeugd te ontwikkelen, de educatieve opvang te verzekeren en allerhande culturele (muziek, theater, dans) activiteiten te ontwikkelen. Er is immers begeleiding van zowel voetbalcoaches (al zijn ook andere sporten welkom), straathoekwerkers, onderwijzers als muzikanten, dansers en acteurs. Met als ultieme doelstelling: het bevorderen van het goede leven in de omgeving, het bij elkaar brengen van mensen van alle leeftijdscategorieën. Voetbal verbindt, dat is de regel. En geldt dat niet bij uitstek voor de Rode Duivels?

In 2014 verscheen mijn boek ‘Sympathy for the Devils’, een reeks portretten over én met de Rode Duivels die in de Premier League voetbalden. Ik sprak met de spelers, hun entourage en hun ouders. Vincent Kompany, Simon Mignolet, Thomas Vermaelen, Jan Vertonghen, Kevin De Bruyne, Marouane Fellaini, Eden Hazard, Moussa Dembélé, Christian Benteke, Kevin Mirallas, Romeo Lukaku en later ook, buiten het bestek van het boek, met Thibaut Courtois; ze passeerden allen de revue. Ik bezocht de plaatsen waar ze opgroeiden.

sympathy for the devils
Daarin zat één constante: of het waren kleine dorpjes in Vlaanderen en Wallonië of het waren, niet altijd even leefbare, buurten in onze grote steden Antwerpen, Brussel en Luik. Het voetbal speelde er altijd een grote rol.

Bij deze zet ik dit standpunt neer: zowel in de dorpen als de steden zou een ‘Rode Duivelspleintje’ een nuttige functie hebben. Graag met zowel naam, (financiële) steun als ambassadeurschap van de plaatselijke Rode Duivel. En mét een contract met de lokale overheid. Zo krijgt het verhaal achter de Rode Duivels ook een ‘maatschappijverbeterend’ en ‘sociaal’ effect. Misschien moeten we een ‘Rode Duivels Stichting’ in het leven roepen om deze ‘Rode Duivels Pleintjes’ te begeleiden.

Zoals de internationale voorbeelden in Nederland, Groot-Brittannië en Duitsland al hebben bewezen: zowel het voetbal, de buurt als brede samenleving hebben er baat bij. En het kan alleen maar de uitstekende sfeer rondom de Rode Duivels vasthouden.

Ik kaartte het idee al eens aan in september 2014, naar aanleiding van de eerste interland van de kwalificatieronde voor Euro 2016. Ik breng het nu, na de 5-0 overwinning op Cyprus, opnieuw in herinnering.

Benieuwd of jij dit ook een goed idee vindt, waarde Guus.

Vriendelijke groet,
Raf

Voorgaande brieven:
Brief 1: https://guusvanholland.com/2015/02/06/op-6-februari-denk-ik-aan-de-busby-babes/
Brief 2: https://guusvanholland.com/2015/02/20/leonardo-een-kind-en-prooi-van-voetbalhandelaars/
Brief 3: https://guusvanholland.com/2015/02/27/bij-de-verjaardag-van-roberto-baggio-een-boeddhist/
Brief 4: https://guusvanholland.com/2015/03/06/als-ik-aan-gascoigne-denk-denk-ik-wie-is-de-volgende/
Brief 5: https://guusvanholland.com/2015/03/13/mijmering-bij-de-750-ste-opvoering-van-xavi-voor-barca/
Brief 6: https://guusvanholland.com/2015/03/20/de-duizelingwekkende-uitstraling-van-borussia-dortmund/

Femke Dekker: van toproeier naar golf lastiger dan gedacht

27 mrt

femke dekker golf
Roeien was sinds haar dertiende haar passie. En met veel succes, getuige de triomfen, titels en medailles die ze in achttien jaar behaalde. Dat was vooral te danken aan haar doorzettingsvermogen, strijdlust, tegenslagen overwinnen en vooral haar onstuitbare wil om te winnen. Waarom, zeiden mensen. ,,Nou gewoon, omdat ik moet winnen.’’

Toen ging Femke Dekker golfen, anderhalf jaar geleden. Kort nadat ze met toproeien was gestopt. Dat zou ze wel even doen. Hoewel ze ,,geen enkel balgevoel’’ had, meende zij (en zeker haar vrienden) dat ervaring als topsporter toereikend was om ook een goede golfspeler te worden. Gewoon snel leren, doen, vechten en winnen. Gewoon dat vlammetje in haar voeden en het komt goed. En: ,,Als mensen zeggen ‘Het kan niet’, dan zeg ik ‘het kan wél’.’’

Niet dus. Dat voelde ze meteen bij haar eerste ‘balcontact’. ,,Ik werd zo hard geconfronteerd met mezelf. Er was niet zoals met roeien een tegenstander. De tegenstander ben jezelf. Hoe meer ik wilde, hoe slechter ik sloeg. Ik stond dus weer op nul. Ik had mijn hele leven, zeker in het roeien, gedacht: ik moet winnen en dat had vaak resultaat.’’

Ze werd bevangen door golf tijdens een proeflesje op golfcentrum Amsteldijk. Golf had haar te pakken. Ze ging op zoek naar een gelegenheid waar ze in één dag haar GVB kon halen en vond die in juni 2013 in Swifterbant. De praktijk-examinator zei na afloop nog: ,,Je pakt het snel op.’’ Een nieuwe passie was geboren. Ze werd uitgenodigd voor een open dag op de Old Course in Amsterdam, werd er meteen lid en besloot hard (alweer hard) te gaan trainen. Nauwlettend gevolgd door golfpro Gary Davidson.

De volgende valkuil doemde op: ,,Heb ik achttien jaar met succes aan topsport gedaan, kan ik niet eens golfen. Ik voelde ook dat anderen, met wie ik de baan inging, hetzelfde dachten. Ik liep met senioren, soms mensen van bijna tachtig, en zag ze gewoon slaan, zonder moeite, en beter spelen dan ik. Ik stond onder grote druk. Ze noemden mij een duikboot. Dat vond ik gemeen. Omdat ik als topsporter een voordeel heb en daardoor vanzelf een goede golfer ben. Na een misslag wilde ik me achter een boom verschuilen. Toen ben ik kaarten gaan lopen, als bewijs. Zien jullie nu dat ik écht nog niet zo goed ben?’’

femke dekker roeien
En Femmy maar rammen, vertrouwend op haar fysieke en mentale kracht die bij het roeien zoveel resultaat opleverde. ,,Mijn voordeel is dat ik lang ben en kracht heb ontwikkeld. Die kracht zat me in de weg. Ik stond op de tee-box en wilde zo snel mogelijk naar de green. Ik moest, ik had geen moment rust en geduld in mijn spel. Mijn hoofd vulde zich met vuur, met agressie. Gary zei steeds: ‘Just throw a disk’. Ik was te fanatiek en te rusteloos. Boeken als The Inner Game of Golf van Timothy Gallwey, aanbevolen door Gary Davidson, verslond ik. En dat hielp.’’

Toch beschikte ze over een talent dat haar als beginnend golfer hielp, zo ontdekte Davidson. Ze is goed in kopiëren, kijkt en speelt dan na wat ze gezien heeft. Bevlogen besloot ze naar toernooien als de Ladies Open en het KLM Open te gaan. Ze zag Joost Luiten en had met hem willen praten: als twee topsporters met twee totaal verschillende sporten. Hoe doe jij dat nou? Waar haal jij de rust en de mentale kracht vandaan. Maar ze liet het na.

Die mentale kracht die haar bij het roeien succes bracht, bleek anders te werken bij golf. Zo besefte ze, door schade en schande wijzer geworden. ,,In roeien en andere sporten is de wil om te winnen van het grootste belang. Bij golfen gaat het juist om ontspanning. De mindset heeft invloed op je techniek. Ook een valkuil, waar ik telkens in trap. Bij roeien moet je altijd gaan, zo snel mogelijk naar de finish, om de tegenstander te verslaan en zo te winnen.’’

Bij golfen is het heel anders anders. ,,Slag voor slag. Niet omkijken naar wat je bij de vorige slag hebt gedaan. Bij andere sporten moet je juist herstellen wat je net fout hebt gedaan. Bij golfen niet, niet meer aan denken. Ook niet vooruit denken, zoals in andere sporten. Dáár moet ik heen, dán moet ik er staan. Altijd in het nu zijn. Rustig blijven, adem beheersen. Mijn enige rustmoment bij het roeien was muziek luisteren. Om dan er dan weer vol in te gaan.’’

Ze zegt rustiger te zijn geworden door golfen. De scherpe kantjes zijn er vanaf. Ze heeft het verschil tussen spanning en ontspanning ervaren. ,,In topsport is geen ruimte voor twijfel. Emoties vormen een obstakel. Dat wordt het meest zichtbaar in golf. Daar wordt twijfel meteen wordt afgestraft. En je doet het zelf. Jij stuurt zelf dat balletje. Daarom speel ik alleen met ijzers. Met houten clubs ga ik twijfelen. Ik leer zo ontzettend veel. Ik dacht dat ik kon omgaan met tegenslagen. Niet dus. Ik heb vaak op het punt gestaan met stokken te gooien of ze te breken. Ik heb geleerd dingen los te laten. Niet krampachtig vasthouden aan dingen en er in blijven hangen. ’’

Als het gesprek is beëindigd, gaat ze nog een uurtje slaan. Nog gauw zegt ze spijt te hebben dat ze niet eerder is gaan golfen. Dan was ze als roeier rustiger geweest. Niet zo rusteloos. ,,Als ik kinderen had, liet ik ze golfen. Door los te laten leer je het leven kennen. Ik heb leren slenteren. Niet haastig lopen en snel er op af gaan. En het is zo mooi, altijd buiten. En je komt op de mooiste plekjes. Ik hoop dit tot op de laatste dag te doen. Dit is mijn nieuwe huis.’’

—————————————————————————————————-
Femke Dekker (35) beëindigde in 2013 haar (internationale) roeicarrière. Ze won zilver op de Olympische Spelen in 2008 (in de acht). Ze was wereldkampioen junioren in 1996 (dubbel vier), wereldkampioen senioren in 2009 (vier zonder), wereldkampioen in 2010 (vier zonder) en werd vier keer derde op een WK (vier zonder en een keer in de acht). Sinds 2013 is Femke Dekker voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Olympische Deelnemers.

Dit artikel is eerder in de serie ‘Mijn nieuwe sport’ gepubliceerd in GolfersMagazine 2015-nr.1

De duizelingwekkende uitstraling van Borussia Dortmund

20 mrt

Vanuit hun verschillende invalshoeken voeren Raf Willems en Guus van Holland een wekelijkse briefwisseling in deze rubriek Social Football Lab 2020 Histories, op http://www.socialfootballab2020.com

Brief 6:

Beste Raf,

Steeds meer neem ik afstand van het hedendaagse voetbal vooral sinds het allesverslindende kapitaal hand in hand gaat met verregaande opwinding en agressie op het veld en op de tribunes. Omdat voetbal al sinds mijn jongste jaren in mijn bloed zit, kan ik het niet laten soms nog te kijken. Zoals afgelopen week, toen Borussia Dortmund de strijd moest aanbinden tegen Juventus. Twee clubs met een bijzondere historie.

Borussia zag ik al schitteren dankzij Die Sportschau in de jaren zestig. Toen moderator Ernst Huberty op zaterdagavond om 6 uur de wedstrijden aankondigde. Dan werd ik vooral gegrepen door het elftal uit Dortmund dat aan de Rote Erde speelde. Ken je nog ‘Hoppie’ Kurrat, Lothar Emmerich. Sigi Held, Timo Konietzka, Hans Tilkowski, Reinhold Wosab, Rudi Assauer? Het was de club die ik graag volgde, in de Duitse competitie en in de Europa Cup. Wat een beleving.

Ik ben later eens gaan kijken op de Rote Erde, dat pal naast het nieuwe Westfalenstadion (tegenwoordig Signal Iduna Park) ligt en nog wordt gebruikt voor het tweede elftal van Borussia en voor atletiekwedstrijden. Ik stond daar op de tribune en hoorde in mijn herinnering het strijdlied van vroeger ‘Humpa, humpa BVB’, dat later (zonder BVB) in meer stadions werd gezongen.

borussia (1)
Een paar uur later zat ik dan in het stadion van nu, dat met een capaciteit van 83.000 toeschouwers het grootste van Duitsland is. Dan keek ik uit op de immense Südtribune, dat met een capaciteit van 26.000 de grootste staantribune ter wereld schijnt te zijn. Die Gelbe Wand, je kent de film waarschijnlijk wel.

Ik heb in veel stadions mogen vertoeven. En ik heb er veel kippenvel gehad en koude rillingen op mijn lijf gevoeld (van De Kuip in Rotterdam, Sclessin in Luik,  Anfield in Liverpool, Celtic Park in Glasgow, Camp Nou in Barcelona, Bernabeu in Madrid, Maracana in Rio de Janeiro tot Loezjniki in Moskou, Karaiskakis in Piraeus en stadions in Istanbul, Belgrado, Italië, Spanje, Polen, Engeland en zeker in Nigeria – ook wel heksenketels genoemd), maar in Dortmund kreeg ik echt tranen in mijn ogen. Ik werd overmand, ik wilde vluchten. De confrontatie met die grenzeloze euforie en hunkering naar winnen en doelpunten, die als een wals over je heen komt. De opwinding of de angst werd me te veel – ik weet het niet.

gelbe wand
Deze week was het weer zover. Nu zat ik voor de televisie, op veilige afstand van de Gelbe Wand. Borussia stond voor de taak Juventus te overweldigen. Het elftal moest een 1-0 achterstand, opgelopen in Turijn, ongedaan maken. Terwijl de spelers van beide teams in gelid het veld betraden, ontvouwde zich op de Südtribune een doorschijnend gordijn waarop de triomf in de finale van de Europa Cup van 1997 op Juventus (in München) in herinnering werd gebracht. Ik was erbij in München. Het was toen al een onvergetelijke avond, te midden van dolle Italianen en Duitsers. Het gordijn toonde beeltenissen van trainer Ottmar Hitzfeld en de doelpuntenmakers Karl-Heinz Riedle en Lars Ricken, die de beker (de Europa Cup) tilden. Zo weten de fans van Gelbe Wand altijd weer hun creativiteit te tonen. Ook YouTube biedt talrijke filmpjes.

Het hielp niet afgelopen week. Borussia verloor met 3-0, nota bene in eigen stadion, en werd uitgeschakeld. En het heeft er alle schijn van dat de grote inspirator en coach Jürgen Klopp de greep op zijn spelers heeft verloren. Mogelijk zijn ze uitgeput door het jachtige, opwindende, energievretende immer aanvallende voetbal. Mogelijk komt er een nieuwe lichting, met of zonder Klopp. Mogelijk is de magie van ‘Kloppo’ uitgewerkt, zoals eerder is gebeurd met bijzondere coaches en teams.

Voorlopig moeten de fans met minder genoegen nemen. Maar ze zullen blijven komen. Dat is zeker. Gemiddeld trok Borussia vorig jaar 74.000 toeschouwers. En dat zal niet gauw minder worden. Ze hebben al eerder slechte tijden meegemaakt. Tien jaar geleden kampte de club met grote financiële problemen en werd zelfs voor degradatie gevreesd. Mede dankzij een nieuwe sponsor, die ook oog had voor sociale betrokkenheid en voor het wel en wee van de fans, en dankzij de injectie van coach Jürgen Klopp kwam de club er bovenop. Bayern München, de kannibaal van Duitsland die alle talenten kan kopen en dat ook doet, wankelde even.

Ze houden van acties, de fans van BVB. Een paar weken geleden verspreidde de Fanabteilung een miljoen bierviltjes in de stadscafés, met de tekst ‘Kein Bier für Rassisten – Fussball. Bier. Weltoffenheit’. Een actie tegen vreemdelingenhaat. Aan de achterkant van het viltje staat een telefoonummer waar men kan reageren. Er is een speciale website. En er is een emailadres waar men als caféhouder en restauranthouder viltjes kan bestellen.

reif
Tussen al die betrokken fans bevinden zich onvermijdelijk ook mensen die op een onsportieve wijze reageren wanneer hun club in diskrediet wordt gebracht. De bekende televisiecommentator Marcel Reif kreeg onlangs tijdens een wedstrijd van Borussia een lading bier en spuug over zich heen. Hij had zich geërgerd aan de clowneske, kinderachtige manier van spelers naar aanleiding van een lang gewenste triomf. Ze hadden zich met Batman-maskers uitgedost en Reif vond dat niet zo grappig – kinderachtig. Ook Klopp vond de reactie van Reif niet getuige van gevoel voor humor. Wat vindt hij nou wel leuk, die oude man? Maar Reif werd vervolgens ook bedreigd en geïntimideerd, zelfs buiten Dortmund. Gelukkig haastte Klopp zich toen te verontschuldigen, ook voor het gedrag van de fans.

Het is het gedrag van supporters dat overal in de wereld wordt getoond, zodra andersdenkenden hun club bejegenen. Ze voelen zich nu eenmaal snel beledigd. Het is hun club, en daar blijf je van af. De Duitse krant Die Welt besteedde er een groot en genuanceerd artikel aan. Zoals het een kwaliteitskrant betaamt. Maximale betrokkenheid maar ook maximale distantie. Waarom mogen verslaggevers niet kritisch zijn? De schuld van slechte prestaties ligt toch niet bij de journalist? Slechte prestaties zijn voor hem slechte prestaties, Schwalbes zijn voor hem Schwalbes en apengehuil blijft apengehuil. Dat mag de journalist toch vinden? Of, zo meent de auteur in Die Welt, moet hij het eigen nest (het voetbal) niet bevuilen – hij leeft immers van voetbal, van sport. O, hij moet alles mooi en prachtig vinden, en altijd positief zijn, anders bevuilt hij de ruif waaruit hij eet.

Het is het geluid dat overal en al jaren, ook in Nederland en België, klinkt. In Duitsland werd door de affaire Reif-Borussia enige tijd in de media een interessante discussie gevoerd, met veel betrokkenen, van menig Bundesligaclub. Ach, zo luidde het commentaar in Die Welt: onder Bayern-fans is Reif een Bayern-hater en Borussia-fan, onder Borussia-fans is hij een Borussia-hater en een Bayern-fan. Zo zal het altijd blijven. Dat is voetbal.

De ervaren Reif (65 jaar) trekt zich er (ervaren en verstandig als hij is) niets meer van aan en gaat gewoon weer naar het stadion. Omdat hij zich daartoe zoals altijd geroepen voelt. Klopp, een man die voor rede vatbaar is en de samenleving probeert te doorgronden, heeft inmiddels de vrede getekend en erkent dat het altijd tussen enerzijds verslaggevers en anderzijds coaches, spelers en fans zal botsen. De fans hebben zich kunnen uiten, wel of niet sportief, en blijven hun club trouw.

Not For Sale
Laatst organiseerden de supporters in de stad Dortmund een ‘Fanmarsch’. Ter herinnering aan het dreigende faillissement van tien jaar geleden. Op 14 maart 2005 trokken de fans namelijk demonstrerend door de straten, uit angst voor het voortbestaan van hun club, uit angst voor vreemd kapitaal. Achter een immens spandoek met Not for Sale.

Voorafgaande aan de thuiswedstrijd tegen FC Köln trokken tweeduizend supporters tien jaar later opnieuw door de stad om duidelijk te maken dat de leiding ondanks de teleurstellende prestaties (geen kampioenskandidaat, geen deelname aan de Champions League, geen extra inkomsten) zich niet moet uitleveren aan kapitalisten. Destijds is het ook goed gekomen. Dat moest weer even gezegd worden. Nu komt het vast weer goed. ‘Om niet te vergeten waar we vandaan komen.’ Borussia is Borussia (BVB 09), een club van het volk. En dat moet het blijven.

Borussia Dortmund is een club waar je van kunt gaan houden, ook als niet-supporter. Gewoon een club die je doet begrijpen waarom voetbal intens beleefd wordt. Zoals er natuurlijk veel meer clubs zijn. De fans hebben nood aan zo’n club, zoveel duizenden die honger hebben naar voetbal – of eenvoudig invulling van hun (saaie) leven. Of ze het zonder de invloed van het grootkapitaal volhouden, is natuurlijk de vraag.

kurrat
Ik moet maar weer eens naar Dortmund, Raf, naar het Signal Iduna Park, naast de Rote Erde. Misschien kom ik Dieter ‘Hoppie’ Kurrat nog tegen. Die kleine gifkikker die alles in zich had wat mij destijds in Borussia Dortmund zo aansprak: Kampfgeist. Hij was te klein (1 meter 62), anders, zo zei bondscoach Helmut Schön, was hij voor jaren een vaste international geweest. Klein met een groot hart, dat alleen voor Borussia slaat.

Gelukkig kan ik nog genieten van voetbal, Raf. Ik hoop dat het zo blijft.

Ik kijk uit naar je volgende brief,
Guus

Voorgaande brieven:
Brief 1: https://guusvanholland.com/2015/02/06/op-6-februari-denk-ik-aan-de-busby-babes/
Brief 2: https://guusvanholland.com/2015/02/20/leonardo-een-kind-en-prooi-van-voetbalhandelaars/
Brief 3: https://guusvanholland.com/2015/02/27/bij-de-verjaardag-van-roberto-baggio-een-boeddhist/

Brief 4:

Het levenslange gevecht van Paul Gascoigne 


Brief 5:

Mijmering bij de 750ste opvoering van Xavi voor Barça

Mijmering bij de 750ste opvoering van Xavi voor Barça

13 mrt

Vanuit hun verschillende invalshoeken voeren Raf Willems en Guus van Holland een wekelijkse briefwisseling met elkaar in deze rubriek Social Football Lab 2020 Histories, op http://www.socialfootballab2020.com

Brief 5:

Waarde Guus,

Deze week laat ik je graag op een bepaalde manier kijken naar Xavi. Hij zal gevierd worden voor zijn 750ste optreden in het shirt van FC Barcelona. En toch, Guus, nadert het einde. Het afscheid van Xavi (25-1-1980) is nakend. Sinds 2008 – met de opkomst van Guardiola – bekeek ik hem vrijwel wekelijks op de betaalzender. Het was een puur genot voor mij, ik ken weinig voetballers met de unieke combinatie zelfverzekerdheid-sportiviteit-intelligentie in één persoon.

<> at Nou Camp on August 2, 2013 in Barcelona, Spain.
Ik was erbij, midden augustus 2014. Het was spannend. Zou hij spelen of niet tijdens de galawedstrijd Juan Gamper Trophy, waar het team traditioneel werd voorgesteld aan het publiek? In de weken vooraf had hij een conflict gehad met de nieuwe coach Luis Enrique. Die kon hem geen basisplaats meer verzekeren. Hij was ‘not amused’ en dreigde met een vertrek naar de Verenigde Staten. Hij mocht invallen en nadien, als aanvoerder, de trofee in ontvangst nemen: Barça won spelenderwijs met 6-0 van het Mexicaanse Club Leon. Ik zat achter het doel en keek naar het erepodium aan de andere kant van het veld. Ik proefde een zekere spanning bij het publiek. Voelden de culés aan dat dit de laatste keer was dat Xavi hen toezwaaide met deze beker?

Xavi Hernandez i Creus: hoe kijkt de beste middenvelder van de 21ste eeuw naar het voetbal? Stap even mee in de denkwereld van Xavi, Guus. Aan de hand van wat door kenners zijn beste match ooit wordt genoemd: Real-Barça 2-6 op 2 mei 2009.

Volgens de website http://www.spain-football.org: ‘In the Real Madrid-Barcelona Clasico in the Bernabeu he gave a recital and each assist was a work of art.’ De website met de wervende slogan ‘Enjoy the beautiful game in sunny Spain’ schonk hem de titel ‘a doctorate in football’. Xavi, de voetbaldoctorandus dus.

Bestaat er iets dat we uit vollere overtuiging beamen? Hemel, neen!

Keren we even terug naar die Clasico. Men schrijve 2 mei 2009, het is een dag voor een middeleeuws monnikengeschrift, in de bevalligste kalligrafische belettering. Xavi gaf een recital in Bernabeu, elke assist was een kunststukje. Real Madrid-FC Barcelona 2-6, 2 mei 2009, voor de volledigheid. In de toekomst zou 2-6 volstaan. Dat werd een begrip op zichzelf. Voor culés in de kroegen rond de Rambla een reden tot uitbundigheid, voor de Realgezinde mens een reden tot nederig het hoofd afwenden. 2-6, vier tegen twaalf, het had ook gekund, maar dat bekt niet.

2-6 klinkt. Het klinkt goed. 1-0, 1-1 Henry, 1-2 Puyol, 1-3 Messi. Pauze. 2-3, 2-4 Henry, 2-5 Messi, 2-6 Pique. Einde. 2-6! Tiens: zonder de naam van Xavi in de scorelijn.

We lazen toch: ‘He gave a recital and each assist was a work of art.’

A work of art, each assist. Inderdaad, liefst vier van de zes doelpunten vertrokken bij de voet van Xavi. Beter gezegd: in het brein van Xavi. Ze beelden hem uit zoals hij is, die vier voorzetten. Kijk en herbekijk op YouTube en je weet wie Xavi is. In afwachting ontleden we het hier op papier.

Bij 1-1, negentiende minuut. Vrije trap aan de linker zijlijn. Xavi kijkt en knikt. Knikje. Serieus, ceremonieel bijna. Zonder emotie. Tenzij in dat knikje. Bal punctueel in het overbevolkte strafschopgebied op het hoofd der koppende Carles Puyol. Inknikkende Puyol op knikje van Xavi: 1-2.

Bij 1-2, vijfendertigste minuut. Positie innemen aan de rechterkant, jagen zonder lopen maar op basis van opstelling. De bal afhandig maken van Diarra, niet met een sliding of tackle of sliding-tackle maar door de precieze pose. In dezelfde beweging op de schoen van Messi leggen, die vrij voor Casillas alle tijd heeft en neemt om te scoren: 1-3.

Bij 2-3, zesenvijftigste minuut. Even de middencirkelvoetballer uithangen. Niet her en der rondschieten maar verstandig vertoeven rond de witte stip. Timen met de versnelling van Thierry Henry en op de millimeter en de microseconde een lobje in de loop. Henry wurmt zich tussen de bal en de uitkomende Casillas: 2-4.

Bij 2-4, vijfenzeventigste minuut. Ter hoogte van het strafschopgebied, rechterhoek de bal vragen. Draaien naar binnen, doen alsof een doelpoging volgt, opnieuw draaien, deze keer naar de andere kant en in één flits Messi in de korte hoek vrije baan geven naar Casillas: 2-5.

Xavi
Zo weet men dus wie Xavi is. Maar wat weet men over Xavi? Wat denkt ‘de man met de gemiddeld meer dan honderd passes per match met een slaagpercentage van 95 procent’ over het spelen van het spel dat voetbal heet?

Hij noemt zichzelf ‘een romanticus’, waarde Guus.

Xavi vertrouwt de mensheid een totaalvisie toe. Hij verdedigt een ideeënstelsel omtrent voetbal, zijn ‘romantiek’ nodigt uit tot beginselvastheid. Hij zoekt de sleutel in ‘opleiding’, van het twaalfde jaar af. Rondkijken, bewegen, zien, denken. Dit alles met de snelheid van een vingerknip, voor men de bal in bezit heeft gekregen. Controleren, kijken, passeren in één gestroomlijnd patroon.

Hij evolueerde tot voorbeeld-voetballer van de 21 ste eeuw. Rond het jaar 2000 vreesde hij te behoren tot het uitstervende ras. Hij dreigde ten onder te gaan tegen de dubbele meters, de ‘box-to-box’-lopers, de krachtpasters, de knokkers of de ‘afvallende bal’-afpakkers. Xavi leek een relict uit het verleden.

Wie vermoedde in hem een voetballer? In dat kleine, naar enige corpulentie neigende mannetje van niet meer dan 1 meter en 70 centimeter hoog? Men doopte hem el petit geni, het kleine genie.

Hij is de middenvelder van het heden en hopelijk van de toekomst: de onetouchman. Waar anderen drie tikken voor nodig hadden, bundelde hij twee bewegingen in één.

Xavi. Xavi Hernandez I Creus dus, wie doet beter? Ik vrees dat hij onvervangbaar is bij Barça.

Benieuwd naar je reactie, waarde Guus.

Met vriendelijke groet,

Raf

Voorgaande brieven: 

 
Brief 1: https://guusvanholland.com/2015/02/06/op-6-februari-denk-ik-aan-de-busby-babes/&nbsp;

 
Brief 2: https://guusvanholland.com/2015/02/20/leonardo-een-kind-en-prooi-van-voetbalhandelaars/&nbsp;

 
Brief 3: https://guusvanholland.com/2015/02/27/bij-de-verjaardag-van-roberto-baggio-een-boeddhist/

Brief 4:

Het levenslange gevecht van Paul Gascoigne 

De Raas – van de lach, de vloek en de vergetelheid

9 mrt

Door Guus van Holland (uit De Muur 48)

‘Alles wordt aangetast door het waas van het vergeten: hoe weinig blijft er over van degenen die we hebben liefgehad.’

Deze zin, van de Tsjechische (mijn favoriete) schrijver Milan Kundera uit ‘Het boek van de lach en de vergetelheid’, schiet me te binnen, nu ik terug moet grijpen naar ruim dertig jaar geleden.

Zin en titel passen bij Jan Raas. Een indrukwekkende wielrenner in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. Een man met een speciale lach die zichzelf in de vergetelheid heeft gewrongen en die daar, getuige zijn afwerende houding tegenover de wereld buiten zijn dorp, liever niet meer uitkomt.

Laat mij nou maar.

Om dan zijn kont te draaien en zich op te sluiten in zijn eigen sop.

Raas heeft daarvoor zijn redenen; die moeten we aanvaarden. Een mens, zelfs een beroemd mens, heeft recht op intimiteit. Ook een legende. Velen hebben zich gepijnigd met de vraag wat zich in dat hoofd en in die ziel nu afspeelt. Toe, Jan, vertel nou eens. Maar de cocon laat zich niet openen. Waarom zouden we dat ook willen?

Laat hem nou maar.

Die man, nu 62 jaar, die bewondering afdwong door vijfmaal (een record) de Amstel Gold Race te winnen, die de Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix, Milaan-Sanremo en tien etappes in de Tour de France won, en nog veel meer. Die wereldkampioen werd en driemaal Nederlands kampioen. Die sportman aan wie alle oudere wielerliefhebbers met weemoed terugdenken. Die ten voorbeeld wordt gesteld aan de renners van nu.

Zoveel kracht, zoveel macht, zoveel strijdlust, zoveel eigenzinnigheid. Zo dient een kampioen te zijn, wordt beweerd na weer een voor Nederland teleurstellend verlopen Amstel Gold Race. Hadden wij chauvinisten er nog maar zo een. Zo’n geweldenaar. Zo een die ‘godverdomme’ zegt. Niet zachtjes, niet mompelend. Nee, uit de grond van zijn hart. Als een hartenkreet. Niet eenmaal, maar net zo vaak tot iedereen begrijpt dat er maar een is. En dat is hij.

,,En godverdomme, jij ook, godverdomme.”

Wat een baas!

Eigenlijk heeft Raas zich altijd in een waas van geheimzinnigheid bewogen. Er speelde van binnen meer dan hij toonde, hoe hard schreeuwend ook, hoe bulderend ook. Hoe ogenschijnlijk extravert. Die mysterieuze lach. Die samengeknepen ogen, verborgen achter dat brilletje. Dan weer die schaterende lach, die niet altijd gul leek, meer cynisch. Dan weer die aanvallen van woede die letterlijk als een donderslag bij heldere hemel kwamen. Had je hem net in je armen gesloten, als vriend, had je een paar biertjes met hem gedronken, als drinkebroers, sloeg hij zomaar uit het niets van zich af. En met veel venijn.

Dan herinnerde hij zich vast iets uit Het Boek dat hij nauwgezet, obsessief bijhield. Dat fictieve boek dat diep in zijn geheugen stond gegrift. Dat boek waar hij voortdurend mee dreigde, in en buiten het peloton. Dat boek waaruit hij zijn mentale veerkracht putte. Waarmee hij zijn tegenstanders om de oren sloeg.

Neem die onvoorstelbare spierkracht die hij naast zijn mentale kracht ten toon spreidde. Die poten, die kont, die kop. De manier waarop hij versnelde, als een jachtluipaard – maar dan bonkiger. Waarop hij tekeer ging tegen ploegmaten, medevluchters en zelfs toeschouwers. En vooral de manier waarop hij won. Die explosie van vreugde, één hand van het stuur, gebald en ermee zwaaiend ten teken dat hij al zijn vijanden had vernietigd, met huid en haar vermorzeld. Allemaal, godver. Misschien was, wanneer hij op de fiets zat, iedereen wel zijn vijand.

Zonder vijanden geen winst. Zonder vijanden geen leven? Nee toch?

,,Raas zoekt vijanden”, meent oud-wielrenner Maarten Ducrot, sociaal-psycholoog, organisatie-adviseur en televisie-commentator. Ducrot fietste als collega van Raas en reed onder hem toen Raas ploegleider was geworden. ,,Vijandigheid creëren om kracht uit jezelf te halen. Vijanden zoeken om adrenaline aan te kunnen maken. Lance Armstrong deed dat ook. Een conflict als drijvende kracht. Maar adrenaline is gif. Die adrenalinekraan kan niet altijd openstaan. Doseren dus. Anders brand je op, dat heet een burn out. Die voortdurende zoektocht naar vijanden en conflicten, strijd. Dat werkt als een boemerang. Ik vrees dat Raas daar langzaam onder is gaan lijden. Te lang op adrenaline geleefd, te lang vijanden nodig gehad om uit te blinken.”

Misschien heeft Jan Raas nu zijn rust gevonden, meent Ducrot. Opgebrand, wetend dat hij zich vooral niet meer druk moet maken. Dat boek moet toch een keer dicht. ,,Dat beseft Jan ook wel, maar hij weet misschien niet hoe. Dus houdt-ie zijn kop.”

Henk Lubberding was jarenlang zijn trouwste vazal. Ze reden nog samen bij de amateurploeg van Jan van Erp en deelden toen al vaak de kamer. Hij leidde Raas in 1979 naar de wereldtitel in Valkenburg. ,,Die dag zal ik nooit vergeten. Hoe Jan me na afloop kneep en kneep. Hij kneep me haast dood, zo blij was hij. Hij bleef maar vloeken. Hij was zo ongelooflijk gelukkig en bleef me maar omhelzen en knijpen. Ik werd er bang van. Wat moet dat diep hebben gezeten, die wil om wereldkampioen te worden. Eng gewoon. Wát een agressie.”

jan-raas-7
Een jaar eerder was bij Raas de vurige wil ontstaan om in Valkenburg wereldkampioen te worden. Gerrie Knetemann had zojuist op de Nürburgring de regenboogtrui voor de neus van Francesco Moser weggekaapt. ,,Jan en ik reden samen terug naar het hotel. Hij was alleen maar aan het vloeken”, weet Lubberding nog. ,,Godverdegodver, volgend jaar word ik wereldkampioen. En zo ging dat maar door. En jaar lang brandde dat vuur in zijn hoofd. Wereldkampioen worden in Valkenburg. Wat de Kneet kon, moest hij ook kunnen. Hij explodeerde in Valkenburg. Iedereen kreeg er na afloop van langs. Mart Smeets en de NOS, die hadden laten zien hoe wij Jan duwtjes hadden gegeven. Godver, riep hij tot diep in de nacht. We moesten hem kalmeren. Maar dat ging niet. Hij was volkomen over zijn toeren. Hij was de beste, godverdomme. Die explosie bleef maar nadreunen.”

Over explosiviteit. Die razernij. Die keer in Meerssen, nadat Raas alweer de Amstel Gold Race had gewonnen, begin jaren tachtig. In een woonkamer van een normaal huis, nabij de eindstreep, verzamelden de wielerjournalisten zich voor de persconferentie met de winnaar rond de eettafel (met een mooi, ouderwets geweven tafelkleed). Wat zich daar afspeelde behoort tot de herinneringen die alle aanwezigen nog graag koesteren en zouden willen herbeleven.

Raas had gewonnen. En hoe!

Het was weer zo’n machtige demarrage of eindsprint geweest. En Raas had die gevierd met een uitbundigheid die generaals wel tonen wanneer ze triomfantelijk terugkeren uit de oorlog. Stuurs kwam hij binnen. Toen lachte hij, opluchting alom. Maar hij lachte niet, hij grijnsde met een sardonische trek op zijn gezicht. Nadat de gebruikelijke vragen waren gesteld, ontwaakte in hem plotseling het beest – of toch de duivel?

De verslaggever die hem een paar weken eerder nog had bekritiseerd, kreeg de volle lading. Van de verslaggever ernaast herinnerde Raas zich plotseling ook een kritisch artikel. Het ging vast over voorgaande klassiekers die hij ondanks zijn favorietenrol niet had kunnen winnen. Raas wist zijn vijanden te vinden.

Degene die tijdens de scheldkanonnade in de knusse Limburgse woonkamer gniffelde, mogelijk verlegen met de situatie, kreeg er ook van langs. En jij ook, en jij ook. Of hij de artikelen ooit had gelezen, weten we niet. Maar gezien zijn punctuele arbeidsopvatting – Raas wist alles, van alle concurrenten, van hun gezondheid en hun familieleven – kon hem de teneur van de wielerverslagen niet zijn ontgaan. Het stond allemaal in zijn boek.

Hein Groothuis was in die periode wielerverslaggever van De Stem. De krant werd verspreid in Noord-Brabant en Zeeland, waar Raas woonde. Hij kreeg in die huiskamer als eerste de toorn van de winnaar van de Amstel Gold Race over zich heen. Want wat Groothuis een paar weken had geschreven vond Raas bepaald niet lovend. ,,Met Raas viel voor mij niet meer te praten. Uiteindelijk heeft Jean Nelissen, destijds niet alleen NOS-verslaggever maar ook chef sport van De Limburger waarin mijn stukken ook werden gepubliceerd, een gesprek geregeld in een wegrestaurant in Gilze-Rijen. Toen was Jan wat redelijker, op het gezellige af. Maar hij bleef de pik op mij hebben.”

Peter de Jonge, wielerverslaggever van de Provinciale Zeeuwse Courant, was de volgende die een woedeuitbarsting over zich heen kreeg. De Jonge was wel wat gewend. ,,Het begon al in zijn juniorentijd. Ik was er ooit getuige van dat de jury tijdens een criterium in Goes een fout maakte. De bel voor de laatste ronde werd geluid, maar het rondebord gaf nog twee ronden aan. Raas sprintte de volgende doorkomst naar de zege, dacht hij, en ontdekte toen dat de jury nog een ronde liet rijden. Na de echte finish kreeg hij van zijn broer Giel zijn ‘goeie’ bril die hij wisselde voor zijn sportbril. Maar in plaats van ’m op te zetten gooide hij hem vloekend en tierend op de straat te pletter en ging hij ook nog eens scheldend de jurywagen op. Hij vloekte ze stijf.”

Vrienden, wielrenners en wielerjournalisten die eerder samen met hem van hun jaarlijkse vistocht op de Zeeuwse wateren hadden genoten en er heel veel met hem hadden gedronken, en er de andere, poëtische maar ook scabreuze kant van Raas hadden leren kennen, kregen er van langs als zijn pet scheef stond. Vrienden voor het leven? Nou, dat kon zomaar anders zijn.

rrrraaaasss
Die goedmoedige, allervriendelijkste, charmante man werd onberekenbaar als de adrenaline ging spuiten. Wie hem dwars zat, zag de duivel in hem ontwaken. Maar die duivel kon zich snel weer terugtrekken. Dan sloeg hij je vol excuses op de schouders. Gemeend, echt waar. Dan klonk het luidkeels: ,,Biertje? Kom op, zuipen!”

Lees het verhaal verder in De Muur 48.

Verder in de editie van maart 2015 (nu in de winkel) verhalen, portretten, interviews en overpeinzingen van Rik van Walleghem (De Gold Race als oer-Vlaamse koers), Wiep Idzenga (Every picture tells a story 14, over Frans Maassen), Michel Wuyts (De berg van Gilbert), Herman Chevrolet (Een Poolse mijnwerker in Limburg, over Jean Stablinksi) en Rob van den Dobbelsteen (Monsieur AGR, over de eerste organisator van de Amstel Gold Race, Herman Krott)

Verder Morton Okbo (Lance, de bedreiging voor alles; twee Denen lopen een paar dagen mee met Lance Armstrong en leren zo zijn vrienden, zijn dagelijkse leven én zijn golfspel kennen), Mart Smeets (The tears of a clown, over Gerrie Knetemann), Lidewey van Noord (750 gulden, dat moest Arie delen met de ploeg; over Arie den Hartog), Willie Verhegghe (De magie van de koersnostalgie) en Nando Boers (Beroep: wielrenner deel 14 Lars Boom)

Het levenslange gevecht van Paul Gascoigne 

6 mrt

Vanuit hun verschillende invalshoeken voeren Raf Willems en Guus van Holland een wekelijkse briefwisseling met elkaar in deze rubriek Social Football Lab 2020 Histories, op http://www.socialfootballab2020.com

Brief 4

Vriend Raf,

Ik ben je dankbaar voor je brief over Roberto Baggio. Al toen hij nog voetballer was prikkelde hij mijn zinnen. Zijn bewegingen, zijn gezicht, zijn glimlach – gewoon Baggio. Ik spreek zijn naam uit en ik voel tederheid. Het kan geen toeval zijn hij zich wijdde aan de zorg voor mensen die het niet getroffen hebben. Dat hij het boeddhistisch pad vond, zegt veel over Roberto Baggio.

paul gazza
Ik zou willen dat Paul Gascoigne hetzelfde pad had gevonden. Een man in grote nood, door zijn mogelijk niet te genezen alcoholverslaving. Je kent hem van onder meer hetzelfde WK 1990 in Italië waarop Baggio uitblonk. Je herinnert je de tranen die Gascoigne liet nadat Engeland in de halve finale was uitgeschakeld door Duitsland. Twee minuten voor tijd, bij de stand 1-1, kreeg Gascoigne een gele kaart na een wilde tackle. Eenzelfde soort tackle die hij zelf al meermalen in deze wedstrijd van Duitsers had moeten ondergaan. Zelden heeft een Engelsman op een titeltoernooi zo goed en typisch Brits gespeeld. Door die boeking zou hij de finale missen.

Gary Lineker probeerde Gascoigne te troosten en waarschuwde coach Bobby Robson: let op hem, hij stort in. Engeland verloor na strafschoppen. Gascoigne liet zijn tranen de vrije loop. Zelden heb ik een topvoetballer zo emotioneel zien instorten. Heel Engeland sloot ‘Gazza’ in de armen. Maar Gascoigne kon het niet aan. Hij had gefaald, zijn droom was niet uitgekomen. Hij ging nog meer drinken dan hij al deed. Hij slikte pillen, snoof cocaïne en vrat zich dik, om vervolgens een vinger in de keel te steken. „Want als je dik bent, schelden supporters je uit voor fat bastard’’, wist hij uit ervaring.

Elke dag zoek ik op internet naar nieuws over Gascoigne. Een paar weken geleden zat hij in een televisieprogramma. Hij was van de drank af. Hij vertelde over de nieuwe liefde, over solliciteren en andere plannen. Hij zag er goed uit, met zijn sikje. Kort daarna werd hij ‘betrapt’ door een fotograaf (heeft die man niks anders te doen?) terwijl Paul een plastic winkelzakje droeg waarin tussen andere koopwaren een fles gin leek te zitten. The Mirror, die hem al jaren stalkt, vond het nodig de foto te plaatsen, met de titel Is Gazza back on the booze?

Paul Gascoigne was de meest getalenteerde Engelse voetballer aller tijden. Na Duncan Edwards? Tussen 1988 en 1998 schitterde hij voor Newcastle United, Tottenham Hotspur, Lazio Roma, Glasgow Rangers en 57 maal voor het Engelse elftal. In 1990 werd hij door de BBC verkozen tot Sportpersoonlijkheid van het jaar.

Ik schrik van mensen die meedogenloos (onmenselijk) reageren op de drankzucht van Gascoigne: Hij moet eens een kerel worden, gewoon sterk zijn. Het zijn uitingen van mensen die niet weten hoe zwaar het is van een (alcohol)verslaving verlost te worden, hoe zwaar het is jeugdtrauma’s te verwerken. Ze kennen hem niet. Een ster die moest leren omgaan met trauma’s, met veel roem en veel geld, én camera’s, waarmee hij een haat-liefde-verhouding ontwikkelde. Hij werd paranoïde. Je mag mensen niet in de steek laten. Hoe dwars en onberekenbaar ze ook zijn (geworden). Verslaving zoals hij het beleeft, is een ernstige ziekte, vaak met de dood tot gevolg.

Paul-Gascoigne-scores-during-Euro96
Er zijn wel mensen die hem willen helpen. De spelersvakbond, oud-voetballers zoals Gary Lineker, Alain Shearer en Vinnie Jones, coaches als Harry Redknapp. Met geld en mentaal. Vooral door hem aandacht te geven, niet los te laten. Of het helpt? De media zitten hem op zijn huid. Aan de andere kant is ‘Gazza’ ook verslaafd aan aandacht en aan wraak: hij wil laten zien wie hij echt is wat hij echt kan. Dat een leraar op school tegen hem zei: ‘Jij wordt nooit voetballer, niet in een miljoen jaar’. Waarom hij naar de Spurs ging en niet naar Manchester United. Sir Alex Ferguson wilde niet dat de club een huis voor zijn familie kocht. Daar was hij niet goed genoeg voor. Spurs deed dat wel. Fuck Ferguson.

Ja, Raf. Het leven van de geweldige voetballer Gascoigne was allerminst gemakkelijk. Vanaf zijn jongste jeugd. Juist door zijn doorzettingsvermogen heeft hij veel bereikt. Maar een keer breekt de draad. Negen jaar geleden bekende Gascoigne in The Times dat hij twee dagen lang had gehuild nadat hij het manuscript van het boek ‘Being Gazza: My Journey to Hell and Back’ (2006) had uitgelezen. Geschreven door zijn psychotherapeut John McKeown. Het is een gedetailleerd verslag (in dialoog) van de therapiesessies die zij een jaar lang hadden. Gascoigne beschreef zijn leven eerder in ‘Gazza: My Story’. Maar dat was een stoer mannenboek vol drinkescapades. Toen hij in het therapeutische verslag van McKeown de echte feiten en herinneringen las, en de oude pijn beleefde, brak zijn weerstand. Was hij zo’n groot menselijk wrak? Ja dus.

Gascoigne heeft vanaf zijn jeugd veel leed moeten doorstaan. Van het ene trauma in het andere, van de ene ziekelijke obsessie in de andere, van de ene verslaving vluchtend in de andere, van depressies naar zelfvernietiging. Zo vaak als hij de clown uithing, zo vaak was hij het onbegrepen kind. Schreeuwend van geluk, huilend van ongeluk.

being gazza

In het boek van McKeown worden we teruggevoerd naar Gazza’s jeugd in een arbeiderswijk in Gateshead. Om te beginnen met de dood van een broertje van een vriend. Paul was tien jaar, het jongetje op wie hij moest passen acht. Terwijl ze in een snoepwinkel waren, rende het jongetje naar buiten naar een ijscokar. Een auto greep het kind, dat meteen overleed. Als Gascoigne jaren later zijn ogen sloot, hoorde hij weer de moeder van het jongetje schreeuwen, terwijl hij zich over het kind boog.

Kort na de begrafenis ging Gascoigne stotteren en kreeg hij zenuwtrekken in het gezicht. Hij ging al op zijn tiende in therapie. Maar van zijn vader mocht dat niet meer: onzin. Later werden de tics gerelateerd aan het syndroom van Gilles de la Tourette. Tijdens de therapiesessies met McKeown werd duidelijk dat hij toen de eerste tekenen van dwangneurose vertoonde. Hij raakte geobsedeerd door het nummer 5, sloot elke deur en deed overal het licht uit. ,,Deed ik dat, dan zou alles goed gaan.’’

Zijn vader had een hersentumor en kreeg vaak attaques, zijn moeder had drie baantjes om vier kinderen en een zieke man te onderhouden. Paul, de oudste, hield met clownesk gedrag de stemming erin. Intussen was hij niet bij gokmachines weg te slaan. Zijn eerste verslaving. Op zijn vijftiende verloor hij bij een val van een bouwstellage zijn beste vriend die hij had gevraagd hem te helpen bij de bouw van een huis voor zijn oom.

Hij kon goed voetballen. Daarin zag hij een vluchtroute en een manier om zijn familie te steunen. Op zijn zestiende verjaardag kreeg hij een contract als leerling-voetballer bij Newcastle United. Van de meedogenloze manager Jack Charlton (niet bepaald een man met psychologisch inzicht, blijkt uit het boek van Paul en zijn toenmalige psychotherapeut) moest hij binnen twee weken afvallen. Gascoigne begon een vinger in zijn keel te steken om over te kunnen geven en af te vallen. Boulimia.

Alcoholisme volgde, toen hij de druk van roem en prestaties niet aankon en zijn huwelijk kapot ging. Hij slikte amfetaminen en slaappillen. De stemmingswisselingen, paniekaanvallen en depressies volgden. Hij ging steeds meer zuipen, sloeg zijn vrouw en huilde nachtenlang na een nederlaag. Hij sloot zichzelf op in hotelkamers om te drinken, te slikken en te snuiven. Hij kreeg er psychoses, aangewakkerd door drugs- en drankgebruik.

gazza drunk

Hij bezocht op aandringen van zijn vader en zijn vrienden door de jaren heen een handvol rehabclinics. De therapiesessies liet hij varen. Nieuwe therapieën volgden, maar tot nu toe tevergeefs. Gascoigne (47) leeft nog, al zijn de foto’s die worden gepubliceerd afschuwwekkend. Decorumverlies van een man die de voetbalwereld op zijn kop zette door zijn acties, goals en clowneske kunsten. Maar nu staat hij zelf al jaren op zijn kop.

Ja, Raf, when you’re on the losing end.

Het is te gemakkelijk hem alleen zelf de schuld van zijn vernietiging te geven. Dit kan iedere voetballer overkomen, vooral voetballers die veel geld willen verdienen, roem willen vergaren en uiteindelijk niet meer weten wie ze zijn. Hopelijk zijn er in die wereld vol begeerte nog mensen die niet alleen denken aan titels, niet aan spelers kopen of het handelswaar is. Het ís handelswaar. Clubs (hun eigenaars, bestuurders, sponsors, trainers) denken aan kampioenschappen, deelname aan Champions League, Europa League, bekers, play offs.

Als ik aan Paul Gascoigne denk, denk ik: wie is de volgende?

Wie stopt de verdwazing Raf? Roberto Baggio en zijn geestverwanten?

Ik kijk uit naar je antwoord,

Guus
Voorgaande brieven:

Brief 1: https://guusvanholland.com/2015/02/06/op-6-februari-denk-ik-aan-de-busby-babes/

Brief 2: https://guusvanholland.com/2015/02/20/leonardo-een-kind-en-prooi-van-voetbalhandelaars/

Brief 3: https://guusvanholland.com/2015/02/27/bij-de-verjaardag-van-roberto-baggio-een-boeddhist/

Een mogelijk nieuwe liefde: altruïsme

2 mrt

Vredelievende mensen allemaal in de zaal. Zeer waarschijnlijk. Anders waren ze niet naar De Nieuwe Liefde in Amsterdam gekomen om naar Matthieu Ricard te luisteren. Hoe hij altruïsme had leren doorgronden en waarom hij dat nu onder meer via zijn boek ‘Altruïsme: de kracht van compassie’ onder de aandacht wil brengen. Het boek telt ruim 800 pagina’s. Wie dat te veel vindt, kan naar zijn lezingen gaan en luisteren. YouTube biedt uitkomst.

Boeddhisten kennen hem zonder twijfel. Ricard is een Fransman die veertig jaar geleden naar de Himalaya trok. Hij was gepromoveerd als moleculair bioloog en zijn vader, Jean-François Revel, was hoogleraar filosofie. Vijftien jaar geleden schreven zij samen een boek (in dialoog) ‘De monnik en de filosoof’. Ricard leefde jarenlang in afzondering in de Himalaya en woont nu in een klooster in Kathmandu, Nepal. Hij leerde van monniken en lama’s en van urenlange meditaties en contemplaties. Ook is hij tolk van de Dalai Lama.

AppleMark
Naar een man met zoveel kennis ga je zeker luisteren. Vooral omdat hij meent dat de samenleving toe is aan (meer) altruïsme. Ook omdat je beseft dat het niet zo niet langer kan, met al die agressie en dat egocentrisme om ons heen. Weet Ricard het antwoord? En wat is dan altruïsme? Hoe kun je dat leren? Waarom zou je dat leren? Boeddhisten voelen het aan, maar juist anderen die niet alleen vrede willen maar ook daarnaar willen handelen, horen en lezen graag meer.

Zo gemakkelijk is het niet. Anders zou Ricard er niet anderhalf uur over uitweiden en er een boek van ruim 800 pagina’s over schrijven. ‘Leven is nuttig voor anderen,’  citeert hij Seneca, een Romeinse schrijver en stoïcijns filosoof (4 v.Chr.-65 n.Chr.),  op de eerste pagina van het indrukwekkende boek. Maar daarmee is nog lang niet alles gezegd. Inzichten van sociaal psychologen, sociologen en filosofen volgen elkaar op in Ricards ‘bijbel’.

Te beginnen bij de Franse filosoof en grondlegger van het positivisme, Auguste Comte (1798-1857), die zegt dat altruïsme ‘uitschakeling van egoïstische verlangens en egocentrisme’ is en ‘een leven leiden dat gewijd is aan het welzijn van anderen’. De Amerikaanse filosoof Thomas Nagel voegt er in 1970 in zijn boek ‘The possibility of altruïsm’ aan toe: ‘het rechtstreeks belang dat een ander heeft bij jouw daden, vanwege het simpele feit dat de belangen van die ander jouw handelen motiveren’.

Onbaatzuchtig handelen. Daar komt het toch op neer? Niet een ander helpen met de bedoeling jezelf te complimenteren of er iets voor terug te krijgen. Dan draait het toch weer om het zelf. Ik weet het: het draait altijd om het zelf. Het lijkt niet uit te roeien. En is het niet zo dat mensen egocentrisch worden geboren? En als dat niet zo is, dan wordt ons toch door onze ouders en onze omgeving geleerd vooral aan jezelf te denken. Wie mee wil in deze harde, competitieve wereld heeft als individu de plicht voor zichzelf op te komen. Belangwekkende filosofen als Friedrich Nietzsche en Max Stirner hebben dat toch ook beweerd?

Ricard bestrijdt dit. Zeker onder traditionele volkeren in de Himalaya vond hij vriendelijkheid in de vorm van altruïsme die ver afstond van het gedrag waarmee hij in Parijs werd geconfronteerd, als jongen en zoon van erudiete ouders (vader was filosoof, schrijver, journalist en directeur van weekblad L’Express, moeder was kunstenares Yahne le Temoulin). ,,Deze mensen zijn veel minder met zichzelf bezig”, vertelde Ricard in Amsterdam.

Ricard Ted
De Fransman gaf een voorbeeld van oudere kinderen, tussen zes en negen. ,,Neem hen mee naar een ziekenhuis om een ander kind te bezoeken. Vraag twee weken later of het kind opnieuw mee wil gaan en je hebt 70 procent kans dat dat zo is. Heb je het kind na het eerste bezoek een beloning gegeven – snoep of zo – dan is de kans veel kleiner dat het kind nog mee wil. Het wil dus wel mee om te troosten of te helpen, maar niet omdat het een lolly krijgt.”

Ricard beweert: ,,Tussen zijn tweede en vijfde werkt een kind spontaan mee met de anderen. Het is pas later dat het begint te beseffen dat niet alle mensen lief en behulpzaam zijn en dat het zich tegen dat soort mensen leert te beschermen. Vanaf twaalf of dertien breidt de empathie zich weer uit en begint het kind zich verwant te voelen met kinderen uit bijvoorbeeld Bangladesh. In traditionele samenlevingen, zoals in de Himalaya, voelt iedereen zich betrokken bij de anderen. Je hoeft tegen een jongen van tien niet te zeggen dat hij zich moet bekommeren om zijn zusje van drie. Dat gebeurt daar spontaan.”

Hij stal de harten van het publiek in De Nieuwe Liefde. Of zijn inzichten de samenleving bevrijden van egocentrisme valt te bezien. Maar naar mijn idee biedt altruïsme perspectief. Nu nog de vraag hoe je dat bereikt. Ricard heeft door neurologische testen (hersenscans) te ondergaan bij onder meer de Duitse Tania Singer, directeur en onderzoeker Sociale Neurowetenschappen aan het Max Planck Instituut in Leipzig, gezien dat meditatie en contemplatie veranderingen in de hersens teweegbrengen. De verkleuringen en oplichtende delen zijn duidelijk waar te nemen. Meditatie en contemplatie hebben wel degelijk effect. Maar dat was al eerder aangetoond, onder meer bij mediterende monniken.

ricard test2 

Alleen al voortdurend oefenen met altruïsme, denken aan anderen helpen en voor anderen zorgen, leidt tot verandering van het gedrag. Het is als met leren schaatsen en zwemmen: oefenen, oefenen, oefenen. Hersens zijn flexibel, zo is gebleken.

Ricard heeft me al weer aan het denken gezet. Niet alleen door zijn voordracht, maar vooral door zijn immense en permanent lezenswaardige boek. Ik probeer mijn (egocentrische) gedrag te veranderen door meditatie en contemplatie. En ik verander, langzaam, heel langzaam. Soms toch weer niet en krijg ik een ‘terugslag’. Als ik maar blijf oefenen. Ik voel dat het kan werken. Voortdurend denkend aan het slot van het boek waar Ricard opnieuw Seneca citeert: ‘Het is niet zo dat we niet durven omdat het allemaal zo moeilijk is. Het is allemaal zo moeilijk omdat we niet durven.’

Op die avond in Amsterdam maakte ik kennis met een mogelijk nieuwe liefde: altruïsme.

Deze column is in een kortere gepubliceerd op de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/

NB: De Morgen, dat het boek als vijfde bestempelde van de beste boeken van februari: ‘Het heeft iets van de Bijbel, het nieuwe boek van Matthieu Ricard: vuistdik, bijna negenhonderd pagina’s, en ongetwijfeld het diepgravendste en breedste boek ooit geschreven over altruïsme.(…) Ricard bekijkt zijn onderwerp vanuit alle mogelijke hoeken en besluit dat alleen naastenliefde ons nog kan redden.’

Binnenkort een uitgebreid artikel in The Optimist

Bij de verjaardag van Roberto Baggio, een boeddhist

27 feb

Vanuit hun verschillende invalshoeken voeren Raf Willems en Guus van Holland een wekelijkse briefwisseling met elkaar in deze rubriek Social Football Lab 2020 Histories, op http://www.socialfootballab2020.com

Brief 3:

Waarde Guus,

Ik ken en waardeer je gepassioneerde interesse voor het boeddhisme. Daarom schrijf ik je nu graag over mijn favoriete Italiaanse voetballer – dat verrast je, want je weet dat ik niet van het calcio hou – Roberto Baggio (1967). Hij vierde op 18 februari zijn 48ste verjaardag. Men noemt hem ‘Il Divin Codino’, de goddelijke paardenstaart.

robertobaggio
Baggio opende vorig jaar in Milaan de grootste boeddhistische tempel van Europa. Hij bekeerde zich in 1988 tot de spirituele stroming van het Soka Gakkai Buddhism. Na intensieve gesprekken met een boeddhistische vriend startte hij reeds op zijn 21ste zijn zoektocht naar de staat van geluk ‘via vrede, vrijheid en mededogen’. Wist je dat hij op die wijze probeerde de prestatiestress uit het hoofd te counteren en de bevelen van dwangmatige coaches uit het lichaam?

De speler Roberto werd geëerd om zijn vrije geest en smaakte het applaus van de tegenstander én de publieke opinie bij zijn gedurfde, aparte en tegendraadse keuzes op het veld: 317 doelpunten in 697 matchen tussen 1983 en 2004. Ik haal graag enkele onnavolgbare bewegingen voor de geest. In 1987 besloot hij tot een inspirerende wandeling over het veld van San Siro. Hij scoorde namens La viola – Fiorentina – tegen de rossoneri van Ruud Gullit en Franco Baresi. Na een seconde van verstomming uitte het publiek van… AC Milan zijn dankbaarheid voor zoveel schoonheid. Met zijn superbe slaloms voelde hij zich thuis tussen de renaissancekunst van Florence, Guus.

Maar toen het bestuur van Fiorentina hem in 1990 voor onaanvaardbaar veel geld veilde aan Juventus stond de stad wel in rep en roer: volksopstand met gewonden en arrestanten. Een jaar later weigerde hij zelfs een penalty te trappen tegen ‘zijn paarsen’. De vervanger miste, de Fiorentinafans zongen Baggio de hele match toe tot zijn coach hem uit doffe ellende wisselde. Tegen alle conventies in verliet hij als Juvespeler het veld met een purperen sjaal om de hals. De tifosi van de bianconeri kropten hun wrok op tot hij zich met intelligente goals ook in hun harten speelden tijdens de gewonnen UEFA Cupfinale tegen Borussia Dortmund in 1993.

De bekroning volgde met de uitverkiezing tot Europese Gouden Schoen. Het beste moest nog komen. Zijn intellectuele toets vermengde zich met de wetenschappelijke systematiek van de vernieuwende bondscoach Arrigo Sacchi. Hij bedacht voor hem de vrije, zwervende rol en de Amerikaanse Wereldbekerzomer van 1994 werd die van Roberto Baggio. Aanvankelijk nog controlerend en calculerend, vervolgens dominerend met vijf beslissende doelpunten. In de finale legde hij het Braziliaanse spel aan banden met subtiele variaties in positiespel en balcirculatie. Dat hield hij 120 minuten vol in de verzengende hitte van de Rose Bowl in Los Angeles.

BAGGIO
Bij de laatste trap liet zijn mentale meesterschap over de bal hem in de steek. Il Divin Codino schoot de strafschop hoog over en zocht nadien de eenzaamheid op. Soms is het beeld van de mislukking in de sport mooier dan dat van het succes, Guus.

De passage paste in het scenario van zijn leven. De bewegingen van Baggio stroomden over van energieke harmonie. De ‘goddelijke paardenstaart’ wendde zich tot de ‘kale dalai lama’. Met meditatie, met mildheid bij het menselijke falen, dat was de kern van het door hem omarmde boeddhisme. Niet om de eigen dwalingen goed te praten, Guus, maar om ze een plaats te geven in het panorama van een levensloop. Na zijn loopbaan in 2004 opteerde hij voor sociaal engagement. Hij aanvaardde het ambassadeurschap van de ‘Food Camp; Agriculture Organisation’ van de Verenigde Naties en zette zich in voor allerlei campagnes. Hij ijverde vooral vol genegenheid voor de vrijlating van Aung San Suu Kyi.

baggio prijs
De mensenrechtenactiviste uit Birma/Myanmar won in 1991 de Nobelprijs voor de Vrede maar zuchtte sinds 1989, na de zege van haar partij in de verkiezingen, onder het huisarrest en andere domme dwangmaatregelen van de militaire machthebbers. Voor zijn inzet voor haar werd hij in 2010 in Hiroshima uitgeroepen tot ‘Man of Peace’. Hij omhelsde haar uiteindelijk op 28 oktober 2013 toen hij haar het ereburgerschap van Rome mocht overhandigen. Wist je Guus, dat hij toen volgende woorden sprak: ,,Dear Aung, your strong determination made me think of my Master Daisaku Ikeda: ‘the decisions of human beings determine not only their fate, but also that of the rest of the world.’ Your example and your courage, your non-violent struggle for freedom, dear Aung, have changed the destiny of your people and have also improved our lives.

Roberto Baggio reageerde vol ontroering op deze ontmoeting. Ik denk dat Il Divin Codino stiekem de vrije vrouw Aung San Suu Kyi ten dans wilde vragen, Guus. Ik gun hem deze dans. De ‘goddelijke paardenstaart’ gaf het wereldvoetbal uiteindelijk een menselijker gelaat. Benieuwd naar je reactie.

Met vriendelijke groet,

Raf

Brief 1: https://guusvanholland.com/2015/02/06/op-6-februari-denk-ik-aan-de-busby-babes/

Brief 2: https://guusvanholland.com/2015/02/20/leonardo-een-kind-en-prooi-van-voetbalhandelaars/

Leonardo, een kind nog, als prooi van voetbalhandelaren?

20 feb

Vanuit hun verschillende invalshoeken voeren Raf Willems en Guus van Holland een wekelijkse briefwisseling met elkaar in deze rubriek Social Football Lab 2020 Histories, op http://www.socialfootballab2020.com

Brief 2:

Grote vriend Raf,

Zodra jij het begrip ‘toeval’ gebruikt, moet ik beetje lachen. Dat jij op 6 februari 2013 in Dudley, de geboorteplaats van Duncan Edwards vertoefde, precies 55 jaar nadat de beoogde beste Engelse voetballer aller tijden met de meeste voetballers van Manchester United de dood vond bij een vliegtuig-ongeluk in München, is geen toeval.

Ik kan me jouw verwondering en ontroering voorstellen. Dat je uitgerekend op de sterfdag van de legendarische Edwards en andere Busby Babes ‘Direction Dudley’ door de luidspreker op een of ander station hoorde galmen en je meteen wist: Dudley? Dat is toch de geboorteplaats van Duncan Edwards, daar wordt hij in glas-en-lood geëerd in de dorpskerk? Raf, jij weet zoveel, jij bent op zoveel plaatsen geweest waar voetbal leeft. Dat is geen toeval. Dat zoek je onbewust op.

Ik heb dat ook een beetje. Of ik nu in de auto zit of in de trein, zodra ik een naam van een stad of dorp zie, leg ik meteen de relatie met een club, een sport, een speler of een stadion. Hoe lang geleden het ook is dat ik het bestaan van die club, die speler of dat stadion ontdekte.

Deze week zag ik op de Nederlandse televisie Solo-Out of a Dream, althans een verkorte versie van de film van Jos de Putter. Het is een vervolg op Solo, de Wet van de Favela uit 1994. Ruim twintig jaar geleden maakte De Putter een bekroonde documentaire over twee Braziliaantjes (elf jaar oud), Leonardo en Anselmo. Boezemvriendjes, straatkinderen uit de beruchte sloppenwijk Jacarezinho. Anselmo is nu visser, hij heeft nauwelijks geld en kan sowieso geen iPhone of dvd-installatie betalen. Zegt hij tot verwondering van Leonardo die rijk is geworden door zijn carrière bij Feyenoord, Ajax, NAC, Red Bull Salzburg, Ferencvaros en sinds vorige maand nu Red Bull Sao Paulo.

leonardo
De tweede film is even ontroerend als de eerste. Ik kan je beide films aanraden, Raf. Leonardo mag dan rijk zijn geworden sinds hij op z’n twaalfde bij Feyenoord kwam, en voor zijn moeder een riante villa in Rio heeft kunnen kopen, hij is niet echt gelukkig. Zijn familie (moeder en broer – zijn vader is onbekend) verwijten hem van alles en wijzen hem als mens af. Hij zou, meent zijn moeder, een leugenaar zijn geworden, een egocentrist die alleen wordt belaagd door meisjes (hoeren) omdat hij zo rijk is.

Leonardo vertelt huilend (voor het eerst in het openbaar, aan zijn vertrouweling De Putter) dat hij een jaar geleden door zijn broer met de dood is bedreigd. Het is aangrijpend. Maar hij was wel mensen (zoals een bejaarde jeugdtrainer) vergeten die hem als klein jongetje hebben geholpen. Gelukkig ontmoet hij de oude man in de film op een trainingsveldje en geeft hij hem een shirt van Ferencvaros. Alles is vergeven.

Twintig jaar geleden raakte ik betrokken bij de eerste film, of eigenlijk bij de handel in het jeugdige voetballertje. Ik was in een Amsterdamse winkelstraat aangesproken door een Ajax-official, die mij vertelde dat de ‘zaak Leonardo’ stonk. Ik moest maar eens bij Tonnie Pronk, destijds hoofdscout van Ajax, informeren. Dat deed ik, maar die had geen zin in problemen en verwees me door naar zijn baas, directeur opleidingen Co Adriaanse. En die had een plausibel verhaal.

Leonardo zou naar Feyenoord gaan, de club waarvan De Putter supporter was. De Putter had naar aanleiding van zijn avontuur in Rio de Janeiro Feyenoord getipt over een 11-jarig talent. Maar, aldus de Ajacied Adriaanse, Leonardo behoorde toch echt aan Ajax. De jeugdscouts en directeur opleidingen destijds, Co Adriaanse, kenden Leonardo al lang. Ajax had (pedagogische) redenen om hem nog niet naar Amsterdam te halen. Feyenoord wilde hem meteen. Met alle gevolgen van dien.

Ik schreef er een column over, met de lezing van Ajax en Adriaanse. Ik plaats hem hieronder. Na publicatie kreeg ik een brief van Feyenoordvoorzitter Jorien van den Herik. En die loog er niet om. Ik werd geïntimideerd en bedreigd. Straatvechterstaal, op z’n zachtst gezegd. Dat mensen, voorzitters van een prominente voetbalclub, tot zulke onderwereldpraktijken overgaan. Ik was veel agressie en intimidatie gewend van voetbalbestuurders, dit kon er nog wel bij…. Hoewel.

Ja, inderdaad, ik had ook zijn versie moeten horen. Maar een telefoontje naar Van den Herik was op weigering gestuit. De voorzitter had geen tijd, werd er gezegd.

En dan nu ineens die agressieve brief. Ik wilde een brief terugschrijven, waarin ik Van den Herik even fijntjes zou uitleggen wat voor een crimineel en maffiabaas hij was. Mijn toenmalige chef heeft me ervan weerhouden. Tja, Raf, ik heb dingen nagelaten. Angst is een slechte raadgever. En in de voetbalwereld raken ook integere mensen van zichzelf vervreemd, stelde ik mezelf gerust.

Mijn even kritische als doortastende, dierbare collega Matty Verkamman pikte gelukkig mijn column op en schreef er een uitgebreider en veel genuanceerder stuk over in Trouw. Daarin komt een Braziliaanse makelaar en handelaar in paspoorten ter sprake. Deze man werkte niet exclusief voor Ajax, zoals de Amsterdamse club meende. Hij werkte voor elke club die hij maar wenste. Dus ook met Feyenoord, als dat zo uitkwam. De wegen van voetbalclubs zijn niet zo ondoorgrondelijk en doortrapt als we denken.

http://www.trouw.nl/tr/nl/5009/Archief/article/detail/2727534/1995/02/01/Bekvechten-over-twee-Braziliaantjes.dhtml

Niet Ajax of Feyenoord ‘ontdekten’ Leonardo, zoals ze claimden, maar Jos de Putter. De filmmaker zag vanuit zijn hotelkamer in Rio Leonardo en Anselmo op een trapveldje spelen. Zo werden de twee jongens hoofdrolspelers in de film Solo. En kon het touwtrekken beginnen.

Leonardo was een groot talent, dat er om veel redenen (zware blessures, paspoortproblemen, cultuurovergang) niet alles uit heeft kunnen halen. Nu leeft hij in onmin met zijn familie. Het is maar wat je geluk en ongeluk noemt. De slotopmerking van Jos de Putter in de laatste film vind ik indrukwekkend. Bijna schuldbewust en echt heel mooi van De Putter: ,,Ik had misschien de film niet moeten maken.’’ Had hij er wel goed aan gedaan hem over te leveren aan de begeerten van de hongerige wolven, de voetbalclubs met geld. En dan toch die ontkenning van Leonardo. ,,Nee, hoor die film heeft mijn leven gered.”

Hij is immers rijk, hij heeft een zoontje en heeft heel veel meegemaakt, ver van de favelas – jou, Raf, wel bekend. Hij was naar Europa gegaan, het beloofde werelddeel, het paradijs op aarde.

Wat vind je Raf? We moeten in de gaten houden dat de handel in jeugdige spelertjes niet uit de hand loopt.

leonardooo
Hier mijn column van 30 januari 1995:

Leonardo, een kind van Ajax?
Om veilig in de krottenwijken van Rio voetballende jongetjes te filmen had documentaire-maker Jos de Putter wat kraaltjes en spiegeltjes nodig. Maar zijn favoriete club Feyenoord wilde hem geen materiaal geven. Daarom ging hij naar Ajax. Assistent-trainer Bobby Haarms gaf hem een set shirtjes en broekjes, vaantjes, posters en foto’s mee en van directeur opleidingen Co Adriaanse kreeg hij het telefoonnummer van hun Braziliaanse contactman in Rio. Ze vertelden De Putter over een 11-jarig talent, Leonardo, op wie Ajax al via zijn contactman een optie had. Die zou hij kunnen filmen.

De Ajacieden zagen later de film op de televisie en wreven zich in de handen bij de beelden van hun Leonardo. Maar ze schrokken een beetje toen ze lazen dat Feyenoord is getipt door De Putter en nu Leonardo en zijn vriendje Anselmo naar Rotterdam wil halen. Naar Nederland halen? Adriaanse schudde zijn hoofd. Zijn ze gek geworden? Braziliaanse jongetjes van elf, twaalf, uit de sloppenbuurten van Rio naar Nederland halen om ze hier te laten genieten van onze Nederlandse welvaart? Wat is dat voor Sinterklazengedrag? En ze dan terugsturen met een zogenaamde schat aan ervaring wanneer ze niet als voetballer aan de verwachting voldoen? Waarom niet op kosten van Feyenoord een voetbalschool in Rio?

Bovendien, zei Adriaanse, voor zulke jonge jongetjes krijg je geen verblijfsvergunning. Ze zouden hier op school moeten, de taal leren, bij pleegouders wonen, de cultuur eigen maken. Het zijn weliswaar vroegrijpe kinderen en ‘streetwise’, maar dat kun je kinderen toch niet aandoen. Ajax doet dat niet, zei Adriaanse. Die laat talenten opgroeien in hun eigen omgeving. Pas wanneer ze zestien zijn en nog steeds talentvol zijn, worden ze naar Amsterdam gehaald. Maar hoe zit het nu met die Leonardo?

Nou, zei Adriaanse, hij is nog heel jong en je weet nooit hoe zijn talent zich zal ontwikkelen, maar wanneer hij zo goed wordt als hij nu lijkt te worden is hij van Ajax. Dus als Feyenoord Leonardo het land binnenkrijgt, gaat Ajax hoog spel spelen? Kom nou, zei Adriaanse, toch niet over de rug van een kind? Adriaanse zei vertrouwen te hebben in hun Braziliaanse contactman ‘Endelessio’ (zo noemen ze hem). Mocht hij dat vertrouwen beschamen, dan is de Braziliaan geen Ajax-partner meer. Maar wat vindt hij nu van Feyenoord? Nou, zei Adriaanse: een beetje naïef, een beetje dom, een beetje publiciteitsbelust.

Dank voor je aandacht, Raf

Ik ben benieuwd naar je antwoord, en je volgende brief,
Vriend Guus

Deze brief staat in verkorte vorm op de website http://www.socialfootballlab2020.com/

Lees ook: https://guusvanholland.com/2015/02/06/op-6-februari-denk-ik-aan-de-busby-babes/
En: https://guusvanholland.com/2015/01/03/het-social-football-lab-2020-voetbal-is-meer-dan-strijd-om-titels-bekers-en-doelpunten/

Toen ik voor Willem Ruska boog zei hij: ‘Slijmerd’

19 feb
Wim Ruska wordt olympisch kampioen zwaargewicht in 1972 (Foto Spaarnestad/HH) Wim Ruska wordt olympisch kampioen zwaargewicht in 1972 (Foto Spaarnestad/HH)

Afgelopen zaterdag 14 februari 2015 overleed op 74-jarige leeftijd Wim (Willem) Ruska. Een legendarische judoka die tweemaal een gouden olympische medaille won (in 1972), tweemaal wereldkampioen was en zevenmaal Europees kampioen. Een geweldige sportman, een atleet die meer kon dan judoën en worstelen. Hij was een man met uitstraling, om wie je niet heen kon.

De afgelopen dagen is veel geschreven en getoond om zijn grootheid als sportman te duiden. En voortdurend werd de miskenning die hij had gevoeld, vooral buiten de judowereld, en de rivaliteit met die andere judoreus uit zijn tijd, Anton Geesink, aangehaald. Dat was niet nieuw. Sinds Ruska de man overtrof die als eerste op olympisch niveau de Japanners in hun tempel in Tokio had verslagen, was er immer die terugkerende vergelijking.

Ruska en Geesink (Foto Spaarnestad/HH) Ruska en Geesink (Foto Spaarnestad/HH)

Het was alsof menigeen er de afgelopen jaren genoegen in schiep uit de losse pols Geesink te verwijten dat hij Ruska’s prestaties kleineerde. Geesink die steeds een gevecht met Ruska uit de weg zou gaan uit angst zijn heilige status te verliezen, Geesink (hij overleed in 2010) zou aan grootheidswaan lijden, Ruska was de loser (het slachtoffer), omdat hij nooit de erkenning kreeg die hem op grond van zijn prestaties toekwam – laat staan een koninklijke onderscheiding. Dat was de teneur wanneer in alle kranten en andere media gemakzuchtig over  de rivaliteit Ruska-Geesink werd (en nog steeds hardnekkig en onwetend wórdt) gesproken en geschreven.

Ik heb Geesink altijd gemogen, vooral hem proberen te begrijpen. En datzelfde geldt voor Ruska. Beiden hebben mijn sympathie gehad. Vriendschap is een groot woord, maar ze waren me allebei dierbaar. Omdat ik ze heb gekend (Geesink meer dan Ruska), en ze heb proberen te doorgronden. Als mens. Waar ze vandaan kwamen. Waarom ze zo zijn geworden. Waarom ze zo verbeten op jacht waren. Vanuit het ‘niets’ een kampioen worden. Dat dwingt respect af.

Geesink wilde een winnaar zijn. En daar week hij geen moment van af. If you want to be a champion, you have to look like a champion, was zijn eeuwige motto. Hij bleef het maar herhalen. Ruska wilde dat niet zeggen. Hij was het, dat moest je zien. En als je het niet zag, ook goed.

Ruska wilde geen loser zijn. Hij was geen loser. Hij was geen slachtoffer. No way. Hij was een winnaar. Maar hij was wel achterdochtig. Hij zocht en vond vijanden. Zo heb ik hem althans ervaren. Vanaf 1976 volgde ik ruim 25 jaar nauwlettend het judo, eerst 12 jaar voor de Volkskrant, daarna voor NRC Handelsblad. Ik reisde mee naar alle Europese en wereldtiteltoernooien en zag hoe de hazen in de Nederlandse judowereld liepen. Alle partijen (vooral bestuurders en coaches) wisten mij te vinden om iets negatiefs over andere partijen te vertellen. Ik ben soms bedreigd en vaak geïntimideerd. Verbaal (ook telefonisch), maar ook fysiek.

Maar ach, het was een kleine wereld, en ik had er genoeg mensen die mij serieus namen en in bescherming namen. Je wende aan die grote, sterke, stoere kerels, vechtjassen die met hun borst vooruit probeerden te laten zien dat ze superieur aan mij waren. Maar in hun hart waren het allemaal kerels met een goede inborst. Vooral als je de jongens alleen sprak en ik wilde horen waarom ze toch zo graag judoden en de beste wilde zijn.

nippon003
Mijn eerste kennismaking met de grote, indrukwekkende Willem Ruska dateert van mei 1982, tijdens het EK in Rostock, DDR. Een toernooi dat bol stond van DDR-propaganda. Nog los van de armoe die mijn collega’s en ik daarbuiten, in de stad en in winkels en cafés, aantroffen. En de (alleenstaande, gescheiden) vrouwen die ons gretig op de huid zaten. De oud-kampioen was gevraagd door bondscoach Peter Snijders de zwaargewichten als de te zachtaardige Willy Wilhem, te trainen, zeg maar: harder te maken. Op de slotavond zaten Snijders, Ruska, een aantal judoka’s, bestuurders en drie of vier verslaggevers (meer waren er niet op dit EK) bij elkaar in een kaal en sober restaurant. We dronken zeer goedkoop Ostbier en evalueerden losjes het toernooi.

Plotseling waren er nog maar twee mensen aan tafel. De anderen waren op de uitnodiging van de DDR-bestuurders ingegaan bij hen aan tafel te komen zitten. Ruska zat tegenover mij. We waren alleen, tot elkaar veroordeeld. Ruska keek me aan en zei: ,,Ik mag jou niet. Peter Snijders zegt dat jij een goede kerel bent en een hele goede journalist. Hij zegt dat jij een vriend van hem bent. Ik geloof Peter altijd, want hij is mijn vriend. Maar toch mag ik jou niet. Jij bent zo’n stil, stiekem, miezerig journalistje, dat er op uit is ons en die jongens een oor aan te naaien. Zeker op zoek naar rotzooi?”

Ik schrok me wezenloos, verslikte me in mijn snelle slok bier en dacht aan vluchten. Ruska bleef me uitdagend en vernietigend aankijken. Toen zei ik: ,,Ik mag jou ook niet. Jij hebt een grote bek. Jij mag hier trainer zijn, omdat Peter Snijders je zielig vindt. Anders zat je hier niet. Mij aanpakken, terwijl je mij niet eens kent.”

Waar het vandaan kwam, weet ik niet. Diep van binnen was de duivel in mij wakker geworden. Angst doet rare dingen met mensen. Ik sloeg zomaar van me af. Ik herinner me de confrontatie als de dag van gisteren. Want zelden heb ik me zo in het nauw gedreven gevoeld.

Maar wat nu?

Ruska (sommigen zeiden Roeska) grijnsde, alsof hij me in zijn greep had: ,,Nou moet je niet meteen kwaad worden, jongetje. Je kent me niet eens. Vertel maar wat je van me vindt. Dat mag, daar kan ik wel tegen. Ik heb al genoeg meegemaakt. Ik kan wel tegen een stootje.”

Ik kreeg geen kans te nuanceren, wat ik graag eenmaal terug bij mijn verstand had willen doen. Ruska nam het over en begon te vertellen. Hoe hij alle journalisten haatte, dat ze verhaaltjes over hem hadden verteld die niet klopten, over hoe anderen daarmee op de loop waren gegaan. Hij wilde nooit meer iets met journalisten te maken hebben. Hij had mij nog niet kunnen betrappen. Maar ik moest oppassen – dát hoefde hij er niet bij te zeggen.

Ons gesprek werd onderbroken door de voorzitter van de Nederlandse judobond. Ik haalde opgelucht adem. Of we niet aan die grote tafel met onze gastheren van de DDR gezellig mee kwamen drinken én zingen. Dat hoorde zo. Ruska keek op en zei: ,,Zie je dan niet dat ik in een serieus gesprek ben met mijn vriend? Wegwezen.”

Hij vertelde verder, verhalen over judotrainingen in Japan (bij een verwurging keeltje dicht blijven knijpen, ook nadat die ‘Jappen’ hadden afgetikt; zo dwing je respect af: durven ze nooit meer wat). Over beroepsworstelen (hij moest toch geld verdienen) in zijn nadagen in Zuid-Amerika, hoe hij managers en organisatoren een poot uitdraaide of overeenkomsten over afgesproken nederlagen niet nakwam (gewoon al in de eerste minuut tegen de afspraken in die gozer een knal voor zijn kop te geven zodat hij nooit meer opstond – geld weg, ‘me reet’). Overleven. Ja, hoe hij had geleerd te overleven, als matroos, judoka, uitsmijter, mens en als een miskende kampioen. ,,Ik heb er schijt aan. Ik heb mijn medailles, die pakt niemand mij af. Ik heb veel vrienden, hier Peter en Jan Snijders, en Pierre Zenden, en nog veel mensen van vroeger. Verder weet ik het wel: alles draait om dat gaatje, alles draait om macht.”

ruska rolstoel
Willem was niet te stuiten. Ik moest nou maar eens horen hoe het zat. Er ging een wereld voor me open. Maar ik wil geen verhaaltjes over hem vertellen. Dat past niet, dat was een gesprek tussen ons. Zo heeft Willem het gewild.

Uiteindelijk gingen we toch maar aan de grote tafel zitten, waar de bestuurders van de DDR, andere judomensen en nog wat onduidelijke, zwijgzame figuren zonder kostuum met logo (Stasi? Vast en zeker) zich verzameld hadden. We kregen allemaal een heel groot glas bier. Een van de Oost-Duitse officials sloeg Ruska op zijn schouders en begon hem de hemel in te prijzen. Zoiets als ‘der beste Weltmeister aller Zeiten’ en wilde proosten op Ruska. Terwijl de glazen omhoog gingen, niet die van Ruska, nam iedereen een slok. Ruska ook. Hij nam een grote slok en spuugde het bier uit over de grote tafel. ,,Schweinhünde, klootzakken, Kommunisten…” Hij keek mij aan en zei met een grote grijns: ,,Kom op maatje, dit volk mot ik niet. Wegwezen.”

Een paar maanden later zat Wim Ruska op de tribune van een of ander judotoernooi in Nederland. Ik zag hem zitten en zwaaide een beetje. Ruska kwam naar beneden gestommeld met dat grote lichaam en gaf me een hand. ,,Vriend, alles goed met je?” Die gulle grijns van toen is me altijd bijgebleven. Elke keer als ik hem daarna zag, zwaaide en lachte hij een beetje. Toen ik later nog eens voor hem boog, zei Wim Ruska: ,,Slijmerd.”

Een verkorte weergave staat op de website http://www.sportenstrategie.nl/

Over smaak valt te twisten over grootmeesterschap niet

15 feb

Louis van Gaal, Sportcoach van 2014

louis
Aloysius Paulus Maria van Gaal (bekend als Louis) moet hebben geweten dat hij afgelopen december tot Sportcoach van het jaar 2014 zou worden gekozen. Hij moet ergens in zijn brein vol alarmbellen en andere zintuiglijke indicatoren hebben gevoeld dat de vakjury niet om hem heen kon. Over smaak valt nog te twisten, over grootmeesterschap niet.

Het zal toch niet zo zijn dat een forum van als vakbekwaam gekwalificeerde mensen hem na het meeslepende wereldkampioenschap voetbal in Brazilië de hoogste Nederlandse sportonderscheiding passeren?

Je voelt het Louis van Gaal denken, ’s nachts even draaiend in zijn bed na weer een beladen wedstrijd, om dan met een hervonden – op zelfvertrouwen gebaseerde – rustige hartslag in slaap te vallen. Ik ben toch de beste? Ja, ik ben de beste. Van allemaal. Zo zou hij ingeslapen kunnen zijn.

Want aan iedereen die met voetbal is begaan, heeft hij immers getoond dat hij en zijn team van specialisten een groep jonge, min of meer internationaal beperkte voetballers naar het hoogste niveau kunnen brengen. Zelfs de wereldtitel behoorde tot de mogelijkheden. Want ook de Duitsers (de uiteindelijke wereldkampioenen, met hun al jarenlang ver doorgevoerde tactische en technische voorbereiding onder leiding van bondscoach Joachim Löw) had Van Gaal en de zijnen kunnen verslaan.

Wanneer het hoge doel wordt bereikt, is borstklopperij begrijpelijk en menselijk. Trots mag, trots is geen vies woord, trots is geen slechte eigenschap, trots is een bevestiging van het zelfvertrouwen. Wie met zijn hand op zijn hart timmert, is verguld van zichzelf. Wie dat niet doet (niet durft), is bang. Bang om zichzelf te zijn. Het ego mag best eens een schouderklopje krijgen na een succesvol verlopen uitdaging.

Aan de top ben je gauw eenzaam. Zo beseft Van Gaal. Enerzijds word je aanbeden, anderzijds dreig je als ‘topper’ al gauw naar beneden gehaald te worden, om welke reden ook. Het getuigt daarom van een immense kracht door te gaan op het gekozen pad. Niet eigenzinnig maar vastbesloten.

Op dat pad zoek je voortdurend naar verbetering, naar iets nieuws. Naar mensen die kunnen helpen, inspireren, vooral luisteren naar degenen die je op het andere been zetten. Je vijanden zijn ook je leermeesters. Anderen het vertrouwen geven, mensen die meer weten, hun eigen expertise hebben. Naar andere facetten van het leven en van coachen kijken (ook buiten de sport en buiten voetbal), en ze meenemen ter aanvulling op jouw perceptie. Louis van Gaal heeft zich er in de loop van zijn loopbaan als coach een meester in getoond.

Van Gaal heeft geleerd dat je niet alleen hoeft te staan. Alleen is maar alleen, en maakt je kwetsbaar. Delen geeft je het gevoel sterker te zijn. Anderen zijn er om je te helpen. Die visie deelt hij ook met voetballers met wie hij samenwerkt.

phil meditatie
Zo deed Phil Jackson, vaak de beste sportcoach van de laatste twintig jaar genoemd. Niet alleen omdat hij elfmaal kampioen werd van de NBA (zesmaal met de Chicago Bulls, vijfmaal met de LA Lakers). Jackson putte uit zijn zenboeddhistische leringen (van Shunryu Suzuki) en het boek ‘Zen and the Art of Motorcycle Maintenance’ (van Robert Pirsig) en overtuigde basketballers met een groot ego als Michael Jordan, Kobe Bryant en Shaquille O’Neal ervan hoe zij naast hun eigen talenten konden profiteren van de kwaliteiten van hun teamgenoten. Samen spelen als de lamme met de blinde. Elkaar nodig hebben, steunen, aanvullen, waarderen. Een team is beter dan één superster, we horen het Van Gaal vaak zeggen.

Van Gaal laat niet alles over zijn werkwijze los. Dat is jammer voor ons nieuwsgierige buitenstaanders. Maar begrijpelijk in zijn wereld van competitie en naijver. De concurrentie zit ook niet stil. Veel van wat hij aan kennis heeft verworven, kan worden aangewend door concurrerende coaches, mensen die hetzelfde (de top) willen bereiken. Maar niet alle coaches is het gegeven zo gedisciplineerd en nieuwsgierig te werken. Juist Van Gaals talent is doorslaggevend voor herhaald succes. Fingerspitzengefühl. Zijn charisma is onomstreden. Om Louis van Gaal kun je niet heen.

Round of 16 - Netherlands vs Mexico
Van Gaal laat niets aan het toeval over. Wat anders kan van een coach worden verwacht? Maar Van Gaal gaat vaak verder. Hij wil alles in zijn greep hebben. Het gras moet op maat zijn én vochtig genoeg om de balcirculatie vloeibaar te laten verlopen. Daarom moet ook de bal de gewenste hardheid hebben. Ballenjongens moeten alert en snel zijn. Hij vraagt de betrokken media eensgezind achter de ploeg te staan. Spelers dienen dankzij uitputtende trainingsherhalingen geconditioneerd gedrag te tonen. De looplijnen en bewegingen, uitgekristalliseerd door computeranalisten, moeten strikt gevolgd worden. Overbodige, onverwachte emoties dienen vermeden te worden.

Mede daarom wordt het management van Louis van Gaal ten voorbeeld gesteld aan de zakenwereld. De consultants Jeroen Visscher en Jurgen Frumau schreven er een boek over: ‘Hoe smeed je wereldkampioenen’. De oud-economiejournalist van NRC Handelsblad en oud-hoofdredacteur van opinietijdschrift The Optimist, Max Christern, bracht onlangs het boek ‘De Keeperswissel; de 7 Managementlessen van Louis van Gaal’ uit. Daarin zet hij uiteen wat managers in het bedrijfsleven kunnen leren van de methode-Van Gaal. En dat is veel.

Maar de zakenwereld is niet de sportwereld. Emoties horen bij sport. Zonder emoties is er geen sport, zonder sport geen emoties: geen hoop, verdriet en euforie. Mensenwerk dus. Dat is juist de charme van sport. Passie is een niet te versmaden factor.

Vooral emoties kunnen een obstakel vormen voor een coach die perfectionisme nastreeft. Daarom worden al gauw een psycholoog of op zijn minst sportpsychologische inzichten ingeschakeld. Daarmee kunnen achtergronden en mogelijke angsten en trauma’s van een speler worden geanalyseerd en mogelijk omgebogen tot een krachtiger houding. Van Gaal ziet het als een prioriteit veel (als leraar en vooral vaderlijk) met spelers te praten, over hun drijfveer, afkomst, verleden, familie en leefsituatie. Hij wil ze begrijpen, hun mentale kracht doorgronden en daar met elkaar naar handelen.

Hij wil de mens centraal stellen. Zoals hij zegt: ‘Heel de mens doorzien’. Wat kan de speler, wat kan hij niet, onder welke omstandigheden voelt hij zich goed, wanneer niet.

Bij Bayern München dienden spelers ’s morgens voor de training een checklist in te vullen met thema’s als slaapgedrag, eet- en drinkgewoonten, actuele gedachten en zielenroerselen, familiesituaties en zo verder. Dat werd gecombineerd met fysieke testen, waaraan (ook) de psychische gesteldheid kan worden afgelezen. De resultaten werden besproken met het team van specialisten. Zo kunnen hoofdcoach en begeleidende specialisten bepalen hoe spelers in hun vel steken en trainingen indien nodig aanpassen. Zo weet de speler dat hij aandacht krijgt en dat rekening wordt gehouden met wat hij wil en niet wil, kan of niet kan. Ieder zijn kracht en zijn kwetsbaarheden.

Het is alsof Van Gaal liefst robots (geprogrammeerd in de controlekamers) het veld in wil sturen. Gesteund door de technologie die tegelijk de emotie uit de sport verdrijft. Geprogrammeerd naar zijn wensen, voldoening gevend aan het altijd sluimerende verlangen de beste coach ter wereld te zijn. Een chip in het hoofd van de spelers, waar alle acties en (mogelijk) reacties staan opgeslagen. Het is een toekomstbeeld, met de ogenschijnlijk steeds groter wordende ambities in de sport.

Van Gaal wekt de indruk nog steeds graag met ménsen samen te werken. Spelen dus. Als geboren liefhebber van spel in het algemeen en voetbal in het bijzonder. Samen spelen om het hoogste te bereiken.

Phil Jackson liet zijn spelers naar de Wizard of Oz kijken, sprookjes lezen, in een ingewijde ruimte mediteren en altruïsme overdenken. Waarom zou Van Gaal dat niet doen? Vooralsnog richt hij zich op zijn eigen, voortdurende vernieuwende wijze. Hij staat open voor wat zich aandient in de psychologische, sociologische en medische wetenschap en voor visies van anderen die hun waarde hebben onderstreept.

Wat in de media over hem, zijn gedrag en zienswijze wordt beweerd, laat hem vermoedelijk niet koud. Hij beseft na ruim twintig jaar (eigenzinnig) coaching in Nederland, Spanje, Duitsland en Engeland dat hij op de huid wordt gezeten. Soms draagt hij een harnas. Maar dat voelt niet goed. Hij wil toch een mens zijn, met een open hart en een open geest. Laat ze maar komen, laat ze maar vragen, insinueren en tweedracht zaaien.

Die keeperswissel, ja. Tim Krul in plaats van Jasper Cillessen bij de strafschoppen. Tijdens het de kwartfinale van het WK, nota bene. Zomaar ineens? Vast niet. Het had anders kunnen lopen. Maar op dat moment zag Van Gaal met zijn team wat er nodig was. Hij had een nieuw wapen gevonden. Wie weet, was dit de weg naar glorie. En ja, het was de weg. Durf opent deuren.

Wie is in staat zichzelf een algemeen aanvaarde houding geven voor het front van microfoons en camera’s? De een verdwijnt in zichzelf, de ander groeit en gloeit van zelfverheerlijking. Zoals Louis van Gaal.

Zoals hij daar stond met de prijs als beste Sportcoach van 2014, met een mengeling van trots en verlegenheid. Dat was bewonderenswaardig en vertederend tegelijk. Iedereen had gezien wat Oranje presteerde in Brazilië, velen leefden mee. Maar niemand had voorspeld wat de coach met zijn team had voorbereid in de achterkamertjes van Oranje. Zo snoerde hij criticasters de mond en onderstreepte hij vooral zijn meesterschap.

Louis van Gaal is een bijzondere coach. Dat streelt hem. En dat mag.

Dit portret van mijn hand is gepubliceerd in het februarinummer van Nlcoach