Opgeven? Nooit, godver, nooit

25 jul

Een artikel van mij van 6 december 1997 in NRC Handelsblad
Dopingsleur van de wielersport

Waarom mogen concertpianisten wel slikken en drinken wat ze willen en beroepswielrenners niet? Vorige week werd de PDM-ploegarts Wim Sanders beschuldigd van dopingpraktijken. Over drog en diarree. ‘Zonder drama heeft wielrennen weinig overlevingskansen.’

Vroeger, toen gebruikten de renners nog spuiten, van die hele grote. En die staken ze er zo van achteren in, als ze op de fiets zaten, midden in de koers. Toen namen ze ook pillen, handenvol tegelijk, van die zwarte pillen. Dan zag je aan hun ogen dat ze tot over hun oren vol zaten. Hun haren stonden rechtovereind. En als die renners over de streep kwamen, reden ze gewoon door. ’s Nachts konden ze niet slapen, dan tierden ze door. Dan dronken ze een fles wijn leeg en sliepen ze vol van de drank en de ‘drog’ in. En als ze dan de volgende ochtend pijn in hun hoofd of hadden, slikten ze net zo makkelijk weer een paar van die dingen. Stoere verhalen, sterke verhalen, verhalen over een andere wereld, ver van de beschaving.

Wie zijn oor te luisteren heeft gelegd bij die verhalen van oude wielrenners, zal hebben genoten. Maar hij zal zich ook hebben verbaasd. Dat ze nog leefden? Met een mengeling van respect en afgrijzen hoorde je de anekdotes over ‘de koers’. Over de honderden kilometers die ze door de brandende zon, door de venijnige koude, door regen, sneeuw, hagel en mist hadden moeten fietsen. Over de verschrikkelijke beklimmingen van de cols in de Alpen, Pyreneeën en Dolomieten. Dat het hun zwart voor de ogen was geworden, maar dat ze toch waren doorgereden. Altijd waren ze doorgereden.

Ik kende een wielrenner die nooit een held is geworden. Ik zag Jaak Verbrugge voor het eerst voor de start van een Alpen-etappe in de Tour de France, eind jaren zeventig. Zijn ogen stonden flauw, zijn gezicht was bleek. Hij was al dagen aan de diarree. Maar hij moest en zou de Tour uitrijden. Op de top van de eerste col besloten we op hem te wachten. Maar hij kwam maar niet. Beneden ons, een paar haarspeldbochten lager, zagen we hem in de berm zitten, broek naar beneden, omringd door mensen. Hij klom weer op de fiets en zette zijn lijdensweg voort. Toen hij bij ons aankwam, stapte hij af, liet zich tegen onze auto vallen en begon te vloeken, te slaan en te huilen. Hij stonk als een mestkar. Van zijn fiets dropen dikke bruine druppels. Opgeven? “Nooit, godver, nooit.”Hij wilde de eindstreep halen, die achter twee andere cols, de Galibier en Alpe d’Huez lag. Hij wilde Parijs halen.

Ten einde raad stapte hij besmeurd met zijn eigen vuil in de inmiddels gearriveerde ambulance. Hij huilde. Ze hadden hem misschien nog een paar druppeltjes opium kunnen geven, een paar maar om de ergste buikloop te stoppen. Ze hadden hem een pilletje kunnen geven. Ze hadden hem een nachtje aan het infuus met een of ander middel kunnen leggen. Een hormoonkuurtje had wonderen gedaan.

Zeg nooit dat wielrennen een sport is voor zachte mannen. Ik heb wielrenners in de Ronde van Italië (Amerikanen, Italianen, Fransen, Belgen, Nederlanders) meer dood dan levend over de eindstreep zien rollen. Ze hadden meer dan acht uur door een sneeuwstorm gefietst (onder meer op de Passo di Gavia). Sommigen op last van hun ploegleider in korte mouwen, om de sponsor te behagen, nadat ze de dagen ervoor ook al urenlang door sneeuw en regen hadden gereden. Verdwaasd en bevroren lieten ze zich opvangen in dekens, minutenlang werden ze door verzorgers door elkaar geschud om weer op temperatuur te komen. Ze kregen warme drankjes, thee met cognac of een ander brouwsel van de soigneurs en dronken die als getrainde aapjes op – wisten zij veel wat ze naar binnen sloegen.

Sommigen deden rillend en stotterend hun verhaal voor een microfoon en een camera. Een microfoon? Een camera? Anderen werden naar een podium gesleept waar ze bloemen in hun armen geduwd kregen. Als zombies staken ze plichtmatig hun handen en de bloemen omhoog, verdwaasd en verdoofd door de extreme koude. Ze hadden zichzelf naar de rand van de dood geduwd en leefden zowaar nog. Zelfs dat beseften ze niet meer.

’s Avonds gingen we naar de hotels van de renners. Uit op onderzoek. De gangen stonken naar massage-olie en andere luchtjes. Hotels waren noodhospitalen geworden, waar een enkele kamer zelfs gelijkenis vertoonde met een intensive-care-ruimte. Wie brutaalweg een kamer binnenliep trof steevast een wielrenner aan die zich uitgeput en ontbloot op een bed had gestort, ogen die niet meer spraken, levenloos. Soms opende je de deur van een kamer en trof je een renner op een massagetafel, soms zelfs een renner aan een infuus. Met een klap werd dan de deur weer dicht gesmeten.

Aha, doping! Spanjaarden aan het infuus, Italianen, Fransen, Belgen aan het infuus, maar ook Joop Zoetemelk en zelfs Erik Breukink. Wie lag er niet aan het infuus. Ze lagen toch allemaal aan het infuus? Ik hoorde verhalen over toediening van voedingssupplementen en vitamines. Kom nou, iedereen in het peloton wist toch dat een infuus te maken heeft met doping. Of niet soms?

Wie de volgende morgen hetzelfde hotel binnenkwam, liep kokhalzend door de gangen. De stank was niet te harden. Het hotelpersoneel riep dat het nooit meer wielrenners in huis wilde hebben. Wc’s, badkuipen en wastafels waren bevuild, handdoeken en lakens waren gebruikt als dweil. Er waren journalisten die in prullenbakken ampullen vonden met vreemde namen. Ze namen de resten mee en lieten ze onderzoeken in een laboratorium. Amfetaminen. Doping dus! Zie je nu wel.

Verzorgers, de zogenoemde soigneurs die zowel kunnen masseren als injecties toedienen, waren doorgaans schimmige mannen. Vriendelijke mannen, dat wel. Want een journalist die was getroffen door een stevige verkoudheid of een kater kon van een soigneur een pilletje krijgen waarmee hij vrolijk fluitend de dag doorkwam.

Altijd hing rondom deze zorgzame mannen, de vertrouwenspersonen van de renners, de voorlopers van de sportpsychologen, een waas van geheimzinnigheid. Nooit (vertrouwenspersonen, nietwaar) waren ze duidelijk in hun antwoorden wanneer iets gevraagd werd over middelen, ziekten of lichamelijke dan wel geestelijke stoornissen van hun renners. Die magiërs uit Spanje. Die Mexicaan die altijd bij Greg LeMond was, die Franse dierenarts die furore maakte in de paardensport door de dieren met vreemde kruidenelixers in te spuiten, daar was weggevlucht en nu rondom Bernard Hinault was gesignaleerd.

De soigneurs kregen naar verloop van tijd hulp van medicijnmannen, acupuncturisten, haptonomen, chiropraktors, kruidendokters en de meisjes van 7Eleven, de Amerikaanse soigneuses (met de lieftallige Shelley Verses waarop iedere man in de wielerkaravaan geilde; ze werd het liefje van de Australische wielrenner Phil Anderson) die de renners van de Amerikaanse ploeg vertroetelden.
Spontane meiden in deze mannenwereld.

Toen kwam het peloton echte artsen, de mannen die het ‘beter’ wisten druppelden een voor een de wielerwereld binnen. Elke arts die zich in het peloton wielrenners waagde was op slag verdacht. Ze meldden zich met hun grote ego in de verziekte wereld als wereldverbeteraars. De meesten vertrokken weer snel. Want een medicus die zich in de Tour wil houden aan beroepsethiek, komt in conflict met de renners, de ploegleiding, de sponsors èn met zijn geweten.

Sportarts en arts van de Nederlandse roeiploeg Gé van Enst zei eens tegen me in een interview: “Wie als arts naar de Tour gaat, verliest zijn zin voor realiteit. Die laat zich meeslepen in de tragiek van halfdode renners en kan zich niet meer verantwoorden. Hij wordt door niemand beschermd. Niet door zijn collega’s, door niemand. Hij staat er alleen voor. Een arts die naar de Tour gaat is gek. Mij moeten ze nooit vragen.” Een infuus op een hotelkamer, zei hij, dat mag volgens de medische ethiek niet eens. ,,Maar, ja, ze doen het, de artsen, omdat ze wel moeten. ze hebben een contract met de ploeg en sponsor, en moeten te allen tijde de renners gezond zien te houden. Nee, daar zal ik me als arts niet aan wagen.”

Maarten Ducrot, profwielrenner en Tour-etappewinnaar in de jaren tachtig, vertelde me jaren later hoe groot de spuit was die in zijn bil werd gejaagd teneinde hem een week voor het slot van de Tour de France uit zijn lijden te verlossen. Maar de renner die al de totale uitputting nabij was, werd er nog zieker van. IJlend lag hij ’s nachts in zijn bed. Wat hij gekregen had? Nou, dat moest wel erg gemeen spul zijn. Een injectie weigeren was er niet bij. De ploegleider is de baas en het ploegbelang staat voorop.

Er zijn dopingreglementen. Wie zijn toevlucht neemt tot stimulerende middelen kan worden betrapt bij een dopingcontrole en vervolgens gestraft. Ik heb renners gesproken die waren betrapt, zoals Zoetemelk. We stonden met alle Nederlandse wielerjournalisten aan zijn hotelbed, 200 kilometer van ons eigen hotel ergens in de Pyreneeën. Zoetemelk wist van niets. Hij begreep er niets van, zei hij. Wie begreep het dan wel? Zijn ploegarts, zijn ploegleider? Het was de schuld van de dopingcontroleurs, riepen de renners in koor. Die controles deugen niet, zeiden ze. Ik had het maar te geloven. Joop was een aardige man, hij was geen slikker, hij was eerlijk, hij was onze Joop, nietwaar?

Sinds de Italiaanse professor Francesco Conconi zich in de jaren tachtig met wetenschappelijk onderzoek in duursporten is gaan bezighouden, maakt de wielersport een enorme ontwikkeling door. Conconi ontwierp nieuwe trainingsmethoden, die onder meer leidden tot ongekende prestaties van Francesco Moser. Een renner naar mijn hart, mijn favoriet, die op latere leeftijd nog het werelduurrecord brak, Milaan-Sanremo en de Ronde van Italië won. Vooral door de nieuwe bevindingen kende de Italiaanse wielersport een enorme opleving. Medewerkers van Conconi verspreidden zich, met als gevolg een hausse aan Italiaanse triomfen.

Zoals altijd worden overwinningen in de wielersport toegedicht aan nieuwe dopingmethoden. Bloeddoping en aanverwante methoden (zoals toediening van het middel EPO dat de zuurstofopname in het bloed vergroot) konden wel eens de oorzaak zijn geweest van de Italiaanse successenreeks.

Wie wint, heeft iets nieuws ontdekt. Iedereen in het peloton denkt het, niemand zegt het hardop. Ja, ’s avonds aan de bar als de sterke verhalen over ‘drog’ de ronde doen. Wie als journalist schreef dat in het peloton doping en omkoping schering en inslag waren, kon op een woede-uitval of erger van de betrokkenen rekenen.
Als wielerverslaggever dien je het eigen nest niet te bevuilen. We dienden de renners te steunen en positief over hun daden te schrijven. We leefden in dezelfde wereld en maakten met z’n allen deel uit van de Tourkaravaan. Zoals we als Nederlandse volgers in 1991 ons vertrouwen schonken aan Erik Breukink, een prachtige pedaleur die zich onderscheidde door zijn bescheidenheid en intelligentie. Hij zou wel eens de Tour de France kunnen gaan winnen, hoopten wij. Zijn ploegleider Jan Gisbers zei het, de volgers en het volk van Nederland geloofden het.

Gisbers was een man met vakkennis. Hij was als amateurploegleider succesvol geweest met een wereldtitel van de tijdritploeg, Jan van Houwelingen, Guus Bierings, Bart van Est en Bert Oosterbosch, ‘rooie Bertje’ die ik op de pedalen heb zien stampen als amateur en als prof, een lieve jongen met de kracht van een monster in zijn benen. Hij zou later sterven. Er wordt gezegd door de methoden van Gisbers of later Peter Post. Het is nooit bewezen.

Gisbers wist wat wel en niet mocht. Hij gaf tegen mij ook toe dat hij experimenteerde met middelen. Hij meende dat er maar één manier in de wielersport is om te winnen: grenzen overschrijden. In het voorjaar van 1988 voerde hij onder medische begeleiding met renners van zijn ploeg PDM experimenten uit met testosteron, een hormoon dat uitgeputte renners weer op de been kon helpen. Hij ging ver, maar niet verder dan anderen, beweerde Gisbers altijd. Ik geloof dat hij de waarheid sprak.

Gisbers was ploegleider van Pedro Delgado, eens Tourwinnaar, van Gert-Jan Theunisse, die ook meedeed aan de testosteron-experimenten en later een paar keer werd betrapt op te veel testosteron, van Steven Rooks, Sean Kelly, Jean-Paul van Poppel en Erik Breukink.

Zomaar van de ene op de andere dag in de Tour van 1991 werd de hele ploeg van Gisbers ernstig ziek. We besloten de hele nacht de wacht te houden in het rennershotel, zoals het journalisten betaamt. Door de gangen zagen we wandelende lijken schuifelen. Het waren renners die ziek waren geworden van het middel intralipid. Het werd in ziekenhuizen gebruikt, maar was nog onbekend in de wielersport. Het middel was bedorven geraakt. Alle wielrenners hadden dezelfde injectie gekregen, sommige hadden zelfs in de hotelkamer aan het infuus van ploeg-, huis- en sportarts Sanders gelegen.

De Oostduitse renner van PDM Falk Boden mompelde tegen mijn Duitse tv-collega Klaus Angermann (gevlucht uit de DDR) dat hij bang was om dood te gaan. Het was duidelijk, hij ging dood. Ervaren Tour-verslaggevers zoals ik wisten niet wat ze zagen. EPO, dat volgens geruchten al eerder door Italianen was aangewend, werd genoemd, een middel dat bij veelvuldig en ondeskundig gebruik levensgevaarlijk is. Intralipid, zo werd door onafhankelijke medici verteld, zou als transportmiddel (via het infuus) voor EPO of een ander bijzonder nog in het peloton onbekend middel gebruikt kunnen worden.

Bekend is dat sommige renners vrij onschuldige geneesmiddelen krijgen toegediend die het gebruik van verboden middelen maskeren. Gisbers vertelde een verhaal over bedorven gehaktsaus. Ik geloofde het niet. Maar wat moet je wel geloven in deze wereld van list en bedrog?

Wielersport en doping zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ik heb het gemerkt, ik heb het gelezen in alle geschiedenisboeken van de wielersport. Alcohol en cocaïne, zo las ik, waren in de negentiende eeuw zeer populaire stimulantia in alle sporten, vooral duursporten. Toen de wielersport begin van de twintigste eeuw populair werd, namen wielrenners alles tot zich wat ze wilden. Brouwsels met grote hoeveelheden cafeïne vonden gretig aftrek. Maar ook ether, nitroglycerine, strychnine en cocaïne werden gebruikt. Wegrenners kregen van alcohol een enorme kick en konden zo uren doorgaan, drinkend en fietsend.

Henri Desgrange, de man die de Tour de France bedacht, vond dat het nemen van stimulantia erbij hoorde. Tenzij de renners het zelf betaalden. Het idee om een dopingreglement in te voeren was dan ook niet afkomstig uit de wielerwereld.

De behoefte aan dopingcontroles ontstond in de sport in de jaren vijftig. In de eerste plaats door het wantrouwen van de Westerse autoriteiten over de prestaties van atleten uit de landen van het Oostblok, die sport in toenemende mate als prestigemiddel hanteerden. Daarnaast waren er de acties van sportartsen die hun monopolie op de uitoefening van de geneeskunde wilden beschermen tegen de niet-medisch geschoolde soigneurs die zich op terreinen bewogen die zij voor zichzelf gereserveerd hadden.

Pierre Dumas was zo’n arts (of was hij zoals werd beweerd niet meer dan een fysiotherapeut met iets meer kennis van zaken?). Behalve zijn part time aanstelling als Tourarts had hij geen enkele band met de wielersport. In zijn eerste jaar als ‘Tourdokter’ in 1955 werd hij geconfronteerd met een aantal gevallen van gedrogeerde renners. Hij kon maar net de Franse renner Jean Malléjac van de dood redden. Dumas belegde tot afkeer van de Tour-directie een persconferentie waarop hij verklaarde dat hij bereid was een aanklacht wegens poging tot moord in te dienen.

Pas in 1966 werd in Frankrijk een wet van kracht die controles op stimulerende middelen bij sportwedstrijden mogelijk maakte. De Tourrenners protesteerden onder aanvoering van Tourwinnaar Jacques Anquetil. De eerste die tijdens de stakingsactie weer op de fietst stapte, was Tom Simpson. Een jaar later reed de Engelsman zichzelf in de brandende hitte op de Mont Ventoux de dood in, zijn door bacterierijk bronwater (langs de kant van de weg uit bergbeekjes op fonteinen gedronken) geteisterd lichaam vol met drugs en cognac.

Het zijn de verhalen die precies passen bij de verhalen die oud-wielrenners mij ’s avonds aan de bar van net hotel vertelden.

Dopingcontroles werden strenger. Eind jaren zeventig ging men ook controleren op hormoonpreparaten. Maar minder geslikt en gespoten werd er bepaald niet. Dopingcontroles werden met trucjes omzeild. Soigneurs en ook artsen bleven de markt afstropen op zoek naar nieuwe, nog onbekende middelen. In de urine van Didi Thurau, een aimabele en zeer talentvolle Duitse renner werden sporen van nicotine gevonden, hoewel hij nooit rookte. Een Duitse journalist van Der Spiegel had ontdekt dat Thurau voordat hij naar de dopingcontrole ging zijn blaas leegde en er dan via een katheter urine van een ander in liet brengen. Ik heb het later meer gehoord. Een van de vele trucjes. Zelfs de grote Eddy Merckx zou het hebben gedaan. Ik wil het niet geloven.

Maar waarom zouden profrenners niet alles in het werk stellen om aan de macht van de dopingcontrole te ontkomen? Wielrennen is hun werk. Ze hebben er recht op zich te verzorgen zoals ze dat willen, beweren ze. Waarom concertpianisten, artiesten en acteurs wel en wielrenners op tournee niet? Ze hebben wel een beetje gelijk. Maar noem beroepswielrennen dan nooit meer sport.

Wat is dit voor waanzin

22 jun

Hoe doe je verslag van de waanzin van de Tour? Meegaan met de journalistieke mores of je afvragen waarom dit gebeurt met mensen? Dilemma’s van een Tourverslaggever.

Tour zwaar
Gefascineerd door zoveel ellende, onrecht en mensenschennis keek ik toe hoe de Zwitser Uli Sutter besmeurd met stof, modder en bloed in 1979 na een Tour-etappe over het middenterrein van de wielerbaan van Roubaix slofte. Zijn fiets achter zich aan slepend. Hij zocht. Nee, hij zocht niet. Hij was verdoofd en verdwaasd, hij doolde.

Op zijn shirt was nog net te zien tot welke ploeg hij behoorde: TI-Raleigh. Hij was de kopman, nota bene, van dit alom bewonderde team onder leiding van de beste zakenman onder de ploegleiders, Peter Post. Mijn afschuw sloeg om in woede. Dat wielrenners zichzelf dit aandoen. Dat wielrenners zich als reclamezuilen laten gebruiken door organisatoren als Jacques Goddet en Félix Lévitan. Beulen zijn het, die directeuren!

Ik wilde naar huis, weg van dit mensonterende circus. Op weg naar Brussel, waar na een eerste voor een debutant wereldschokkende Tourweek mijn vriendin op mij zou wachten, schold ik mijn collega’s de huid vol. Wat is dit voor waanzin? Willen mensen dit zien? Schrijven jullie hier over? Zonder een vorm van mededogen? Zonder kritiek op de organisatie voor wie slechts één belang telt: commercie? Hun evenement moet verkocht worden, ongekende kijkcijfers scoren, hun kranten moeten abonnees werven.

Waar zijn jullie principes, mannen, of doen we blindelings mee met dit populisme?

Was ik naïef, een romanticus die veronderstelt dat de sportwereld een symbool is van de integere wellust, van een eerlijke competitie en van het gezonde leven – vrij van zonden? Ja, ik was nog naïef. Dit hoort erbij, dit is de Tour de France, dit is de wielersport. Dit is wat de mensen willen.

Tom Simpson wordt tevergeefs gereanimeerd
Tom Simpson wordt tevergeefs gereanimeerd

Er zou mij nog veel meer wachten. Sportmensen die zich (bewust of onbewust) te gronde richten, in de hoop onschendbaar, onsterfelijk of heilig te worden. Jaren later leerde ik dat het bereiken van de top van Alpe d’Huez of nog beter de Mont Ventoux, waarop de Engelse beroepswielrenner Tom Simpson zijn leven verloor door te veel opwekkende middelen en overdreven ambitie, mensen een gevoel van superioriteit geeft. Mensen, vooral topsporters, gaan door het stof om zichzelf te bewijzen. Waarom begreep ik dat in 1979 nog niet? Hoewel ik al aanvoelde dat iets niet deugde aan de offers die Sutter en de zijnen brachten.

Eerder tijdens mijn eerste Tour de France zag ik Jacques (Jaak) Verbrugge voor de start van een Alpen-etappe. Zijn ogen stonden flauw, zijn gezicht was bleek. Hij was al dagen aan de diarree. Op de top van de eerste col besloten we hem op te wachten. Maar hij kwam maar niet. Een paar haarspeldbochten lager zagen we hem in de berm zitten, broek naar beneden, omringd door nieuwsgierige mensen. Hij klom weer op de fiets en zette zijn lijdensweg voort. Toen hij bij ons aankwam, stapte hij af, liet zich tegen onze auto vallen en begon te vloeken, te slaan en te huilen. Hij stonk als een mestkar. Van zijn fiets dropen dikke bruine druppels. Opgeven? ,,Nooit, godver.” Hij wilde de eindstreep halen, die achter twee andere cols, de Galibier en Alpe d’Huez lag.

Ten einde raad stapte hij besmeurd met zijn eigen vuil in een ambulance. Hij huilde. Ze hadden hem wat druppeltjes opium kunnen geven, een paar maar om de ergste buikloop te stoppen. Ze hadden hem een pilletje kunnen geven. Ze hadden hem een nachtje aan het infuus met een of ander wondermiddel kunnen leggen. Doping doet overleven, doping doet wonderen, doping maakt van mensen helden.

Mijn ervaren collega’s namen foto’s en noteerden wat hij zei. Ik deed niks, ik stond er bij, vertwijfeld, en vroeg me af of deze wielrenner niet meer verdiende dan platte, meedogenloze onderzoeksjournalistiek. Compassie of zo. Niet jagen op primeurs of het sensationele verhaal willen schrijven over een mens dat naar de klote gaat of nota bene doping heeft gebruikt. Gewoon: helpen – en niet scoren. Donder op met de journalistieke mores, voelde ik diep in mijn hart. Gewoon: afvragen waarom dit gebeurt met mensen.

Ik ging de volgende jaren op zoek naar het hoe en waarom van deze commerciële hellevaart. Ik raakte verward, zag hoe renners, ploegleiders en soigneurs met een wijde boog om mij heenliepen, zich furieus afwendden als ik te dichtbij kwam en te veel vragen stelde. Hoe ze heimelijk probeerden succes te behalen, door middel van omkoping, ongekende medicaties en andere malversaties. Ze hielden me voor de gek.

Ik werd overtuigd door de visie van de grondlegger van de olympische gedachte, Pierre de Coubertin, dat sportbeoefening slechts op twee manieren kon worden verstoord. Door het consumeren van ‘onnatuurlijke’ middelen om beter en sterker te worden of door te veel trainen. Een uurtje per dag was prima, maar een sportman die dag in dag uit vele uren per dag trainde, was volgens De Coubertin een bedrieger. Waar ligt dus de norm?

Ik probeerde hen te begrijpen. Ik had hen de hemel in geprezen, omdat ik hen mocht als mens, omdat ik hen vertrouwde. Ik werd uitgenodigd op hun partijtjes, werd er onthaald op loftuitingen en zei op mijn beurt dat zij ‘geweldig’ waren. Wat doe je als je je ex-vrouw die je bedrogen heeft, op een feest zoent en en passant toefluistert dat je haar faux-pas wel begrijpt? Je bent wel bedrogen!

Op de ploegpresentatie van Panasonic in Brussel had Peter Post besloten mij als kritische verslaggever mild te stemmen door mij de hoofdprijs van de tombola te gunnen. Maar er ging iets mis met het opzetje, waardoor de prijs naar een vreemde ging. Post was laaiend op mij omdat zijn Japanse sponsor de fout had ontdekt. Toen ik er (en nog meer louche zaken) over schreef, beloofde hij brandbommen in mijn voortuin. Zo ben ik (en mijn gezin) vaker geïntimideerd door ploegleiders en renners omdat mijn berichtgeving slecht was gevallen.

Ze lachen nu verontschuldigend, omdat ik het wel begrijp. Ja, vast wel. Weet je nog, leuke tijd was het, toen je me nog geloofde? Alsof dat afdoende is. Johan van der Velde maakte als een der weinigen excuses, nadat hij uit de gevangenis was ontslagen. Hij zei dat hij niet anders kon dan mij voorliegen, anders had hij zijn status verloren. De anderen slaan mij nog steeds op de schouder en zeggen dat ,,we altijd vrienden zijn gebleven”. Hoezo, altijd?

Ik begrijp hen. Het zijn mensen. Ook ik raakte verstrikt in mijn ambitie. Erbij horen voelde gemakkelijker en leidde mogelijk tot meer informatie dan op afstand volgen, kritiek leveren, speculeren en renners veroordelen om hun beroepsopvatting. Ik wist niets, had alleen een sterk vermoeden. Zodra ik op onderzoek uitging werd mij hardhandig de toegang ontzegd, omdat ik mij als een verrader gedroeg.

In 1989 zag ik in Corvara Erik Breukink aan het infuus liggen na een bergetappe in de Giro d’Italia. Op de laatste klim van de dag, de Campolongo, had hij de aansluiting met Laurent Fignon verloren door een ‘hongerklop’. Hij verloor zes minuten op de latere Franse eindwinnaar.  Na afloop van de rampzalige Dolomietenetappe werd ik ’s avonds van de kamer geschopt. Ik vroeg niet verder, hoewel ik het tafereel verdacht vond. Gewoon: suppletie, glucose, testosteron, epo, bloedtransformatie… Toch?

De betrokkenen gaven geen antwoord. Waarom ook? Ga een beetje vertellen dat je doping gebruikt of een koers hebt verkocht. Kom op zeg! Het was hun verantwoordelijkheid, hun leven, hun beroep. Inderdaad, het was/is niet mijn leven. Sport wordt zodra het amusement/commercie is grenzeloos. Wie wil scoren gaat over grenzen. Om met Johan van der Velde te spreken: ,,Als je hun niet flikt, flikken ze jou. Je moet meedoen, anders verlies je.’’

Erik Breukink in de PDM-camper nadat hij in de Tour heeft opgegeven./Erik Breukink in de PDM-camper nadat hij in de Tour heeft opgegeven. 16-07-1991
Erik Breukink in de PDM-camper nadat hij in de Tour heeft opgegeven. 16-07-1991

In mijn geheugen gegrift staan de taferelen die zich in de Tour van 1991 rond de renners van de PDM-ploeg afspeelden. Een voor een daalden ’s avonds de renners van de hoteltrap af, meer dood dan levend. Wij keken toe en zagen Erik Breukink, Sean Kelly, Jean-Paul van Poppel, Uwe Raab, Falk Boden en alle andere renners lijkbleek, rillend, breekbaar, zwijgend als zombies voorbijgaan. Mijn Duitse collega Klaus Angerman van het ZDF had eerder zijn landgenoot Falk Boden (net als Raab en Angermann ex-DDR) al gezien en mompelde dat Boden op sterven lag. Hun ploegleider Jan Gisbers en hun ploegarts Wim Sanders vertelden iets over bedorven gehaktsaus. We gingen op onderzoek uit, maar werden voorgelogen en geïntimideerd.

Was het experiment mislukt met de hele PDM-ploeg mislukt? Ploegleider Gisbers wist dat zonder medische experimenten succes niet haalbaar was. Want iedereen experimenteerde. Dit experiment mislukte, omdat er fouten met medicaties (herstelmiddel intralipid) waren gemaakt.

Gisbers verzweeg de waarheid, zoals Peter Post en al die andere ploegleiders, soigneurs en artsen. Ze verzwegen hun waarheid, hun ambitie, hun manier van bestaan. Stel eens voor dat ze niets hadden verzwegen, dat ze alles hadden verteld – hoe de koers echt was verlopen, wie wie had omgekocht, wat ze slikten of inspoten.

Vanaf mijn eerste kennismaking met de Tour de France, einde jaren zeventig, besef ik dat de professionele wielersport niet anders is dan het leven. Mensen doen alles om succesvol te zijn. Topsport is niet meer dan een afleiding van het werkelijke leven. Wie geen vrede heeft met zijn leven zoekt afleiding, meer en nog meer.

Topsport zou door perfecte mensen beoefend moeten worden, is een oprukkende mening. Alsof er ooit een perfecte mens zal bestaan. Een robot misschien?

Topsporters worden als heiligen, afgoden beschouwd. Er mag geen smet aan kleven. Ze moeten supergezond zijn. Zodra ze zich als mensen gedragen, worden ze veroordeeld. Wie een kampioen wordt of domweg de Tour wint, wordt geëerd als de perfecte mens. Wie op slinkse manier succes afdwingt, wordt verbannen naar de galg.

Ik ben sinds mijn eerste Tour de France niet langer naïef. Ik probeer te begrijpen dat mensen door het slijk willen gaan om te worden gewaardeerd. Dat doping of domweg stimulerende middelen daartoe worden aangewend, is menselijk. Topsport en vooral de Tour de France verdwazen. Zonder excessen, zoals omkoping en doping, is er geen opwinding. Sex, drugs and rock ‘n’ roll. Ik wil geen wielrennen zonder verbazing. Ik wil emoties.

Vals spelen doen we allemaal weleens als we de weg kwijt zijn.

Dit artikel stond in de NRC-bijlage van 22 juni 2013 ‘100x Tour de France: Helden en bedriegers’, met verder bijdragen van Peter Ouwerkerk, Wilfried de Jong, Peter Winnen, Hugo Camps, Steven Derix, Dolf de Groot, Peter Vermaas en Derk Walters

Alex Ferguson, een harde coach met veel compassie

16 mei

Loyaliteit, daar draait het om bij Alexander Ferguson. Trouw zijn aan elkaar, aan je geliefden en je lotgenoten. Betrokkenheid, verbinding en compassie in elke vezel van je lichaam. Zo heeft de zoon van een Schotse havenarbeider het leven van zichzelf en zijn medemensen van jongs af aan willen inrichten. Na ruim 71 jaar is hij daar vrij goed in geslaagd. Zeker als coach en manager van Manchester United, de legendarische Engelse voetbalclub die hij na 27 jaar van vooral glorieuze momenten verlaat.
Ferguson zou nooit afscheid nemen van de voetbalclub waaraan hij zich, naast zijn passie voor zijn renpaarden, had vastgeklampt om zijn leven zin te geven. Zo werd verondersteld. Manchester United is een instituut, een religie, waartoe je je tot aan je dood wijdt. Dat straalde Ferguson uit. Maar zijn hart, dat sinds 2004 een pacemaker en medicatie nodig heeft om evenwicht te vinden tussen water en vuur, kan het niet langer aan. Hij is moe. Een nieuwe heup, angst voor lichamelijke en geestelijke slijtage, zijn familieleven, andere gewenste nog niet beleefde momenten… Wat kan een bevlogen mens meer doen en laten om (eindelijk) rust te vinden? De Britse samenleving ziet toe in stilte en respect.
Alex (Alec voor zijn Schotse jeugdvrienden uit Govan, nabij Glasgow) wil niet sterven als een heilige. Hij is een sterveling. Al die triomfen, titels, bekers, medailles en decoraties hebben hem twintig jaar geleden al een koninklijke onderscheiding (Sir Alex) opgeleverd. Dat streelt zijn ego. Maar meer nog zag hij dat als aanvullend eerbetoon aan wat hij samen met zijn lotgenoten in de opportunistische en zakelijke voetbalwereld heeft bereikt. Alex Ferguson is nederig, totdat hij zich in zijn integriteit voelt aangetast. Dan staat hij furieus op, en roept hij dat mensen mensen blijven met al hun beperktheden. Help elkaar, denk niet aan jezelf, geef, zo schreeuwde hij diep van binnen.
Dolend door de catacomben van het stadion van Manchester United, Old Trafford, hoorde ik eens een man zingen. De tekst was onverstaanbaar. Het was neuriën, dat steeds luider werd. Ineens was de stem dichtbij. Ze bleek van een man met rode konen. Hij zong, liep door, knikte en zei gedag. Op de vraag wat hij zong, antwoordde hij: ‘A Scottish song‘. Hij liep door, zingend, in zichzelf gekeerd. Op de vraag of hij ‘Mister Ferguson’ was, antwoordde hij vriendelijk: ‘Sure’. Hij voegde hij iets toe wat leek op ‘Vermaakt u zichzelf’? ‘Yeah sure‘, zei ik impulsief.
Het vraaggesprek later met dezelfde man, dat bij toeval was ontstaan, stelde aanvankelijk weinig voor. Bijna onverstaanbaar, want Schots, verplicht en gevoed door een onverschilligheid ten aanzien van journalisten. Dit was werk voor hem. Een vraag over zijn ruim beschreven, doorslaande emoties liet hem niettemin niet onberoerd. Ferguson spontaan. ,,Ik ben er om de club, het volk van Manchester te geven wat het nodig heeft. Om de ego’s van de spelers aan te pakken. Als zij niet doen wat het volk wil, zijn ze alleen met zichzelf bezig. Wij zijn er voor elkaar. Ik ben hopelijk een goede manager, u een goede journalist en zij goede spelers. Maar we moet elkaar helpen om het leven plezierig te maken. Ik constateer dat veel spelers en journalisten dat niet kunnen begrijpen. Maar wie alleen aan zichzelf denkt, komt zichzelf tegen.’’
Ferguson keek alsof hij de roemruchte ‘hairdryer’ wilde demonstreren, klaar om zijn neus-tegen-neus-waarheid uit te blazen. Voorbeelden van slachtoffers, spelers, bestuurders, journalisten, scheidsrechters, collega-trainers doemden op, mensen die hij luidkeels duidelijk maakte dat er maar één waarheid is: dé waarheid. De waarheid is het lijden van anderen te verlichten en niet van jezelf. Enigszins bevreesd voor een uitbarsting herinnerde ik me de uitspraak van een van zijn jeugdvrienden uit Govan: ‘Alex kan in een lege kamer nog ruzie krijgen’.
Maar hij bleef kalm. Hij noemde namen. Eric Cantona, rebel without a cause, de Franse voetballer die een toeschouwer na een grievende aanmerking nota bene op de tribune aanviel met een Kung Fu-trap. ,,Eric heb ik verdedigd. Ik had groot respect voor hem, omdat hij een man was die over het leven nadacht, Freud las, het leven van een held doorgrondde. Ik herkende zijn emoties. Zijn arrogantie heb ik leren aanvaarden. Hij was een leermeester. Eric was de grootste. Maar dat waren ook Ryan Giggs, David Beckham, Roy Keane, Peter Schmeichel. Aan mensen die anders zijn dan ik, heb ik veel te danken.’’
Voordat zijn zachte kant toonbaar werd, verviel het gesprek in oppervlakkigheden over spelopvatting en aanleidingen tot winst en verlies. Spelers die wel of niet voldeden. Hij moest zich neerleggen bij de wensen van de geldschieters, van Rupert Murdoch tot Ierse en Amerikaanse investeerders. ,,Ik wil het volk bedienen, mensen die geen geld hebben en aan voetbal plezier beleven.’’
Ik herinnerde hem aan zijn jeugd, in de haven, wat ik gelezen had in de autobiografie Alex Ferguson, Managing My Life, geschreven door een van de beste sportjournalisten van Groot-Brittannië, de Schot Hugh McIlvanney. Hoe hij als jongen in een straatarm gezin moest overleven. Hij sliep in bed naast zijn broertje. Het gezin met drie kinderen moest het ouderlijk huis delen met Ierse huurders. Hij trouwde als protestant met een katholiek meisje, voetbalde voor de protestante club Rangers hoewel zijn vader voor het katholieke Celtic was. ‘Well, you know, I found my way, it was hard’, antwoordde hij nu kortaf. ‘But I had to. It’s us and them, but after all w’ere ordinary men.’
Zijn telefoon ging. Een vreemde ringtone. Naar later bleek: Scotland the brave. Hij is Schots, vandaar. Moeilijk te verstaan, en dus moeizaam te begrijpen. Alex Ferguson behoort tot de grootste coaches ter wereld, in navolging van de legendarische Schotten Matt Busby (Manchester United), Jock Stein (Celtic) en Bill Shankly (Liverpool), mannen die voetbal vooral zien als een primitieve strijd: winnen. ,,Ik ben geen mensenkenner. Ik ga af op wat ik voel bij mensen. Vaak vergis ik me. Maar ik wil mensen en spelers laten weten wat nodig is om elkaar te helpen. Als ze niet willen luisteren, schreeuw ik, uit wanhoop.’’
Als voetballer van bijvoorbeeld de Rangers scoorde hij veel, met name dankzij zijn ellebogenwerk. Hij was meer vechter dan artiest. Na zijn voetballoopbaan begon hij een kroeg At Fergie’s, hij was een herbergier bij wie iedereen welkom was. Dronken gasten werd de deur gewezen. Met Aberdeen werd hij als coach Europees kampioen voor bekerwinnaars, dank zij zijn meedogenloze aanpak. En toen meldde zich Manchester United, de club in verval, de club van George Best en Bobby Charlton. Hij zei ja. In Manchester keek hij om zich heen, zag weliswaar passie maar vooral egocentrisme. Met zichzelf ingenomen helden en vooral de dronkaards stuurde hij weg. Alex Ferguson verbond zich aan de glorieuze volksclub van weleer die alle verbinding met het volk had verloren.
Wie toetreedt tot het Theatre of Dreams in Manchester voelt wat voetbal is. Je kunt het niet bevatten voordat je het beleeft, voelt met al je zintuigen. Al die grootheden, van Duncan Edwards, Bobby Charlton, George Best, Denis Law, Peter Schmeichel, Eric Cantona, Mark Hughes, Ryan Giggs, Jaap Stam, David Beckham, Roy Keane, Ruud van Nistelrooy, Cristiano Ronaldo, Edwin van der Sar, Wayne Rooney tot Robin van Persie. Ze hebben allemaal kunnen schitteren op Old Trafford. Maar vooral door de visie van coaches als Matt Busby en de laatste 27 jaar Alex Ferguson.
Gebrek aan loyaliteit heeft veel spelers, trainers en bestuurders de kop gekost. Daar was Ferguson verantwoordelijk voor. Hard en rechtlijnig. In zijn biografie stelde de Schotse oud-speler van United en Aberdeen, Gordon Strachan, dat hij Sir Alex nooit had vertrouwd. Ferguon was menselijker dan hij zich voordeed. Hij is begaan met mensen die het niet kunnen bolwerken, met arme kinderen, met wezen, met gehandicapten, met verstotenen, met mensen als Nelson Mandela, de man die hij na een omhelzing in Zuid-Afrika bewierookt.
Verbitterd vertelde Strachan in zijn boek dat Ferguson zijn vrouw en zijn kinderen verwaarloosde. Toen Ferguson dat las zou hij in tranen zijn uitgebarsten, zei Strachan, wiens vrouw oppas was voor Fergusons kinderen. Zo zijn er meer verhalen. Vandaag scheldt Sir Alex je uit, morgen belt hij je en vraagt om vergiffenis voor zijn gedrag. Zijn biograaf Hugh McIlvanney vertelde: ,,Hij belde me eens op en vroeg: Waarom doen jullie mij dit aan? Jullie journalisten verwijten mij fouten. Maar zo ben ik, sorry. Ik kan niet anders, ik wil dat we elkaar respecteren, met elkaars fouten.’’
Ook Alex Ferguson is een man die zijn emoties niet onder controle heeft. Mogelijk vindt hij daar nu een weg in. Loyaliteit aan zichzelf en zijn vrouw Cathy, zijn jeugdvriendin. Mogelijk met een leven zonder prestatiedrift en competitiedrang, zonder het streven Manchester United in leven te houden als een voetbalclub die het volk afleiding biedt. Of hij lijdzaam toekijkt, zal de tijd leren. Maar hartgrondige loyaliteit laat zich niet gauw verdringen.

Dit portret verscheen in een verkorte versie in NRC Handelsblad

Tiger Woods de comeback kid

30 mrt

De Amerikanen hebben weer een ‘comeback kid’. Tiger Woods, een diep gevallen held die opstaat, zijn zonden overdenkt en toegeeft, veerkracht toont en zijn plaats herovert aan de top alsof hij er nooit van is weggeweest. Vorige week won de 37-jarige golfer voor de tweede achtereenvolgende maal dit jaar een toernooi, de Arnold Palmer Invitational op Bay Hill. Het was zijn zesde overwinning in de laatste twintig toernooien. Daardoor verdrong hij de Noord-Ier Rory McIlroy van de eerste plaats op de wereldranglijst. Een prestatie die voor velen onverwacht kwam.
Eind oktober 2010, 125 weken geleden, moest Woods afstand nemen van de hoogste klassering. De man die zich ruim een decennium lang ’s werelds beste en meest aanbeden golfer mocht noemen, verloor bijna alles wat hij sinds zijn jonge jeugd had verworven. Roem, status, zijn vrouw en het vertrouwen van de mensen, vooral vrienden, die hem jarenlang hadden bewonderd. Hij zakte ver weg, naar de 58ste plaats op de wereldranglijst. Veel sponsors trokken hun handen af van het merk Woods, hun imago was geschaad. In de media werd hij verguisd. Met Woods werd de spot gedreven in columns, cartoons en filmpjes. Compassie met het ontspoorde rolmodel was er nauwelijks. Hij was een egocentrische man, wist men. Hij was de nieuwe hoofdrolspeler in de toenemende schandpaalcultuur.
De roem die zijn vader hem had voorspeld, door hem al kort na zijn geboorte The Chosen One te noemen, was hem naar het hoofd gestegen. Zo was het – en niet anders. Hij was vanaf zijn derde jaar, als gast in een televisieshow, geweldig. En hij werd steeds geweldiger. ‘Tiger’ had de verleidingen die hem als uitverkorene ten vielen, niet kunnen weerstaan. Hij was er niet op voorbereid. Hij werd ontmaskerd als een seksmaniak. Elke vrouw die in zijn nabijheid kwam, was een prooi van zijn wellust. Geen krant of omroep die hem niet zijn schaduwleven kwalijk nam. Zijn vrouw verliet hem, met zijn twee kinderen. Woods, als Afro-Thai het rolmodel voor de zwarte Amerikaanse (golf)gemeenschap, stond voor de taak zich te rehabiliteren – als golfspeler maar vooral als mens.
Maar wat kon hij anders dan golf spelen? Hij had niets anders geleerd van het leven. Winnen. Omdat zijn vader hem dat had geleerd en hij niets anders had ondervonden. Af en toe verliezen, dat mocht – ter lering. Hij was geweldig. Elke golfspeler, van beginner tot gevorderde, keek naar hem, las zijn boeken, zoals: ‘Hoe ik golf’. En toen opeens bleek hij ook een ander leven te leiden, buiten de golfbaan, zoals mogelijk meer van zijn rivalen.
De persconferentie waarin hij toegaf ook een ander leven te hebben geleid, werd door velen met scepsis ontvangen, door de weinigen met compassie. Hij wees op zijn boeddhistische opvoeding die hij had verloochend. Hij bekende schuld. Hij zou opnieuw proberen te beginnen. Hij ging naar een therapiekliniek, om zijn lust naar buitensporige seks te analyseren. Wat zich daar heeft afgespeeld, zal mogelijk eens in een autobiografie worden uitgelegd. Begrippen als narcisme, eigenwaarde, schuldbesef en verslaving aan aandacht en winnen zijn daar mogelijk ter sprake gekomen. Het verhaal van een topsporter die zichzelf is kwijtgeraakt of sterker: zichzelf nooit heeft gekend. De aan alcohol verslaafde voetballer Paul Gascoigne kent het. Niet meer geliefd zijn als je niet meer scoort.
Wie Woods de afgelopen jaren heeft gevolgd, zag hem worstelen. Eerst vloekend en spuwend, dan weer een blessure (gevolg van forceren) vermannend, vervolgens het leedvermaak van de volgers werend. De ene kenner zei dat hij nooit meer de oude zou worden, de andere had een rotsvast vertrouwen in zijn talent. Hij schoof zijn trouwe caddie Steve Williams aan de kant en verlaat zich nu op Joe LaCava. Hij wilde leren, hij droeg weer zijn boeddhistische armband die hij van zijn moeder kreeg. Oefenen voor het nieuwe leven. En toen ontmoette hij Lindsey Vonn, de beste skiester van de wereld. Zij raakte vorig jaar in een zware depressie, scheidde van haar man en scheurde net als eens Woods haar kniebanden. Ze vonden elkaar en zijn nu ‘brothers in arms’.
Wie Woods de afgelopen jaren over de baan heeft zien lopen, zag sowieso een veranderend mens. Eerst dat chagrijnige gezicht als een bal toch niet de gewenste richting had gevonden. Dan dat spuwen, dat geklaag. Nu dat neutrale gezicht na een misser, die ingetogen glimlach naar zijn caddie als het goed zit. Harmonie in lichaam en geest. Hij werd de afgelopen dagen bedreigd als koploper, door het jonge talent Ricky Fowler of door Justin Rose. In het zicht van de overwinning werden zij nerveus. Ze wisten dat Tiger Woods aan slag was. Dat deed hen mogelijk beven van ontzag en daarom sloegen zij in the winning mood de bal in het water of buiten de baan.
Over twee weken begint The Masters in Augusta. Tiger Woods is de favoriet. Hij heeft veertien majors gewonnen, vier minder dan koploper Jack Nicklaus. Zijn grootse concurrenten zijn niet de voormalige nummer één Rory McIlroy, Phil Mickelson, Luke Donald of wie ook, maar de mensen die niet meer in hem hebben geloofd. Mogelijk trekt hij zich op aan Lindsey Vonn, geblesseerd aan haar knie, op zoek naar een nieuw leven. De legendarische honkballer Joe DiMaggio vond Marilyn Monroe en kwam na een slepende blessure terug, als comeback kid. Een man die van een onschendbare winnaar, verliezer werd maar terugkeerde. Ook Woods rechtte zijn rug in het onvermijdelijke licht van de camera’s die hij al vanaf zijn jeugd leerde kennen als opportunistische vrienden. Daar moet je sterk voor zijn.
Dit artikel werd op 26 maart jl in NRC Handelsblad en op 28 maart in NRCnext gepubliceerd

De magie van Michael Jordan zal blijven bestaan

19 feb

His Airness Michael Jeffrey Jordan is afgelopen zondag (17 februari) 50 jaar geworden. Ouder weliswaar, maar niet minder indrukwekkend is de man die vooralsnog de beste basketballer aller tijden wordt genoemd. En om zijn grootheid te benadrukken zien velen in hem zelfs de beste aller sportmensen in de geschiedenis. Wie hem nu ziet – op foto’s, films en televisie – wordt (nog steeds) geraakt door zijn uitstraling. Een grote, sterke, zelfverzekerde, evenwichtige man. Het begrip rolmodel dringt zich op, niet alleen voor basketballers maar ook voor sporters in het algemeen.

Wie hem van nabij in actie heeft gezien, hem heeft gesproken en zijn grote, stevige, magische rechterhand heeft mogen drukken, komt niet meer los van de betovering die zich tijdens die momenten manifesteerde. Hem over de speelvloer zien dansen, draaien, rennen en springen. Hem met dat 1 meter 98 lange lijf de lucht in zien gaan. Om hem daarboven (langer dan gewone mensen) te zien hangen alvorens hij de bal in de basket legt of smijt. Dat was overweldigend en staat voor altijd in het geheugen gegrift. Geen sportman die zoveel het emotionele brein prikkelde als Jordan.

Het was begin jaren negentig, in het oude Chicago Stadium, waar de Chicago Bulls hun thuiswedstrijden speelden. Na afloop stond hij in de kleedkamer de journalisten een voor een te woord. Correct, beleefd, in verstandige, begrijpelijke taal. Hij had de regie, bepaalde de stemming, maakte indringend oogcontact, gedroeg zich als een vader tegenover zijn zoon en peuterde en passant een diamantje in zijn oorlel, waarop de cijfers 2 en 3 te zien waren. Nummer 23 droeg deze atleet met goddelijke status op zijn shirt en zelfs in zijn oor. Nummer 23 is in de sportwereld nog altijd een magisch nummer.

Een paar meter van hem in de kleedkamer verwijderd stond zijn coach Phil Jackson. De Zenmaster. Een man, wiens eruditie waarschijnlijk alle sportcoaches te boven gaat. Jackson liet zich in de jaren zeventig als jonge man (met hippie-ideeën) inspireren door het boek ‘Zen en de Kunst van het Motoronderhoud’ van filosoof Robert Pirsig. Jackson is een oud-basketballer en oud-kampioen, die inzichten en ervaringen verwierf door bewust gebruik van lsd en marihuana, zich verdiepte in psychologische, filosofische, theologische en politicologische geschriften, zich onderwierp aan Indiaanse rituelen, de zenboeddhistische leer van Shunryu Suzuki volgde en zijn spelers leerde mediteren, en spirituele boeken en sprookjes liet lezen om tot (zelf)inzicht te komen. Jackson (later succesvol als coach van de LA Lakers) leerde Jordan zijn grote ego bedwingen.

Jordan zou dat seizoen voor de tweede maal met de Chicago Bulls kampioen van de NBA worden. Hij werd met de Bulls zes keer kampioen. Tussendoor maakte hij een uitstapje naar het honkbal, mede als gevolg van de dood van zijn vader die bij een roofoverval werd vermoord. Twee jaar later keerde Jordan terug. Hij opende de persconferentie kort en krachtig: I’m back. Er zouden nog vele titels, punten, dribbels en onvergetelijke acties volgen. Totdat hij (40 jaar) in 2003 als speler van de Washington Wizards zijn actieve loopbaan definitief beëindigde. Hij begon een nieuwe carrière, als zakenman en als eigenaar van de Charlotte Bobcats, het slechtste team van de NBA nota bene.

Jarenlang vereenzelvigden jongens zich met Michael Jordan. Wie geen schoenen droeg van het merk Nike Air Jordan telde niet mee. Het vermogen van Jordan wordt geschat op 500 miljoen dollar, zo’n 375 miljoen euro. Twee jaar geleden trouwde hij voor de tweede keer. Michael Jordan blijft nadrukkelijk aanwezig. Als het niet in de media is, waar hij desgevraagd graag zijn pittige meningen geeft, dan wel op de golfbaan (Jordan heeft handicap 6). Hij was vriend van Tiger Woods, die hij van advies diende toen ‘s’werelds beste golfer’ zijn neergang als mens en sporter doormaakte. Met een dikke sigaar in zijn mond moedigde Jordan vorig jaar het Amerikaanse Ryder Cup Team tegen Europa aan. Hij behoorde zelfs tot het begeleidingsteam. Jordan geldt als een mentalcoach bij uitstek. Luke Donald, nummer twee van de worldgolfranking, laat zich graag bijstaan door zijn vriend Jordan met zijn ervaringen en psychologische kennis.

Zoals de voetbalwereld zich voortdurend buigt over de vraag wie de beste voetballer aller tijden is, zo is de basketbalwereld druk doende de uitblinkers van nu te vergelijken met Michael Jordan. Juist nu, omdat LeBron James, de 28-jarige speler van de Miami Heat, met zijn spectaculaire spel en scoringsdrift Jordan van zijn troon lijkt te gaan stoten. Jordan won zes titels, James één. En dan is er nog de 34-jarige Kobe Bryant, speler van de LA Lakers die wat betreft puntentotalen, titels (vijf) en acties Jordan naar de kroon stijgt. Maar het draait niet alleen om titels en statistieken, het gaat ook om snelheid en kracht, links en rechtshandig, samenspel en hangtime.

James, zo is de verwachting, zal nog wel een paar titels winnen. Hij is nog jong en wordt steeds beter. De afgelopen weken scoorde King James in zes achtereenvolgende wedstrijden meer dan dertig punten en kwam hij tot een schotpercentage hoger dan zestig. Dat heeft niemand – ook Jordan – hem voorgedaan. Niettemin heeft Jordan een totaalgemiddelde van 30,1 en James nog slechts 27,6. Jordan zelf slaat in de discussie Bryant hoger aan dan James. Maar het antwoord van de reus van de Heat was duidelijk: ,,Het gaat niet om het aantal titels. Bovendien ben ik daar niet mee bezig. Ik speel voor mezelf en niet voor anderen. MJ is MJ, I’m LJ.’’

Ook Phil Jackson laat zich meevoeren in de discussie. De 67-jarige coach is weliswaar met pensioen, maar blijft betrokken. Hij is nog altijd onder de indruk van zijn vroegere pupil Jordan, maar sluit niet uit dat James het te langen leste gaat winnen van His Airness. Hij roemt beide spelers om hun enorme arsenaal aan vaardigheden, ziet in Jordan toch de betere atleet en in James de speler met de meeste kracht. Jordan kon op alle posities uit de voeten, James wat minder. Verder is James een betere teamspeler. Jordan bleef, ondanks het onderwijs van Phil Jackson, toch te veel last hebben van zijn ego. Zo beweert Jackson. En wat James nu doet, lang hangend in de lucht en dan scoren, dat deed Jordan volgens velen als eerste.

Jordan is bovendien toch vooral een gentleman gebleven. Al heeft ook hij zijn donkere kanten gehad, vooral door zijn vriendschap met de aan gokken en seks verslaafde Tiger Woods. Michael Jordan zal zeker nog lang worden herinnerd als de beste basketballer aller tijden. Zijn spectaculaire, vaak ongeloofwaardige acties deden sportliefhebbers rillen van emotie. En ze doen dat nog steeds.

Dit artikel werd op maandag 18 februari 2013 gepubliceerd in NRC Handelsblad

Wat vond ik van Lance Armstrong, toen in 2000?

13 feb

In het jaar 2000, 13 jaar geleden, schreef ik van afstand onderstaand portret over Lance Armstrong in NRC Handelsblad.
Ik bezat toen nog niet de wijsheid en kennis van nu. Was ik (nog) dom, onwetend en naïef? Dat zou best eens kunnen.

LANCE ARMSTRONG
Bewonderenswaardige passant
Een man van 28 jaar die kanker heeft overwonnen en vervolgens de Tour de France twee keer wint, is een hele bijzondere man. Op anderhalve bal tweemaal de zwaarste sportwedstrijd winnen, dat is uitzonderlijk. Zeker wanneer menig ervaringsdeskundige beweert dat de Tour zonder herstelbevorderende of stimulerende middelen nauwelijks te volbrengen is. Wanneer we voetstoots aannemen dat deze man geen toevlucht neemt tot onreglementaire stiumulantia, wat heeft hij dan wel in zijn mars wat andere Tourrenners niet hebben?
Lance Armstrong heeft de dood in de ogen gezien, zeggen de romantici onder de psychologen. Hij heeft leren vechten, hij heeft aan de andere kant van zijn fysieke en psychische grenzen kunnen kijken. Want wie wie door een hel is gegaan, geeft zich niet zo gauw meer over, die heeft ervaren dat de dood niet altijd dreigt. Mensen die op de vlucht voor de dood zijn geweest, weten dat zij tot meer in staat zijn dan de mensen die hun dagen in weelde doorbrengen.
Wie Armstrong ziet en hoort, ziet en hoort een man met een zeldzaam sterk ontwikkelde vechtlust. Hij wordt verschrikkelijk boos wanneer hij pijn voelt, wanneer iets of iemand hem in de weg zit. Kritiek ondergaat hij niet als een kampioen, maar als een verongelijkte zoon die ondanks zijn inzet en prestaties maar niet het schouderklopje van zijn vader krijgt waar hij zo naar verlangt. Een terugkerend fenomeen bij sportkinderen die zoals Armstrong hun vader kwijt zijn en hem niet meer (mogen of willen) zien.
Armstrong is boos op iedereen, op de wereld, op zijn rivalen, op zijn criticasters, op de bergen, op de hitte, de kou en de regen, en op de kilometers. Voortdurend is hij op zoek naar vijanden en bondgenoten, bivakkerend tussen de goeden en de kwaden. Alsof hij bondgenoten zoekt die de kankergezwellen in zijn hoofd en zijn teelbal voorgoed kunnen bezweren. De fiets is bondgenoot zolang hij het verzet kan trappen dat hij wil, de ploeggenoten zijn bondgenoten zolang ze kunnen helpen, zijn ploegleider is bondgenoot zolang hij zijn goede wil toont. Wee degene die hem niet steunt – of zoals Pantani na de zege op de Mont Ventoux – zijn ‘goddelijke’ gestes niet waardeert. Die zal lang van hem moeten horen dat hij idioot is.
Je ziet het meer bij wielrenners die de Tour hebben gewonnen. Bernard Hinault, de man die als ceremoniemeester elke dag op het erepodium Armstrong een hand gaf, was er zo een. Een man die de koers en alle volgers nar zijn hand zette. Een bijna kwaadaardige geest heerst in het hoofd van dergelijke mannen. Territoriumdrift in extreme vorm, altruïsme ter meerdere eer en glorie van het Grote Ik. Hinault gebruikte niet alleen zijn spierkracht en zijn verbale kracht, maar ook zijn vuistkracht om gezag af te dwingen. Hinault had in Cyrille Guimard een slimme ploegleider, maar hij was niet zo sterk afhankelijk van hem, zoals Armstrong van Johan Bruyneel.
Hinault had veel meer talent dan Armstrong. Hinault kon sprinten, tijdrijden en klimmen. Vergeleken bij Hinault is Armstrong slechts een bewonderenswaardige passant, een man die dankzij een geoliede Amerikaanse pr-machine en dankzij een heroïek ondermijnende intern-communicatiesysteem van overdreven vechtlust afgehouden wordt. Armstrong is een moderne Tourwinnaar, een man uit een soap. Armstrong lijkt ondanks zijn levenservaring geen man die luistert naar Seven steps to heaven van Miles Davis. Hij luistert alleen naar zijn eigen hartslag en zegt: ‘Hoor mij toch eens slaan, dat ik dat toch weer kan.’

Dit portret is in 2002 verschenen in een bundel van 100 portretten van sporters. ‘Sportportretten op maandag’, met tekeningen van Siegfried Woldhek.

De DDR was de beste sportnatie van de wereld, zeiden mijn trainers

31 jan

Dit schreef ik met de kennis van toen in de Dopingbijlage van NRC Handelsblad van 17 september 1998

Mezzanine_012

Berlijn. Een tiental kilometers ten oosten van Berlijn ligt een meertje, omgeven door bossen. Een schilderachtige plek aan een landweg in de voormalige DDR. Het is een zomerse dag. Het is er stil en vredig. Vogels fluiten. Er is niemand te zien, er vaart geen bootje op het water, er staat geen visser aan de kant en er ligt geen zonaanbidder in het gras. Het schijnt dat er dode krokodillen op de bodem liggen of lijken van monsters, misschien zelfs van mensen. Het water is vervuild, dat staat vast, zeggen mensen uit de streek.

Hier op dit water trainden vroeger roeiers en kanoërs. Niemand van de mensen in het bosrijke gebied van Kienbaum heeft hen ooit gezien. Niemand die hier woont heeft tot voor de hereniging van Oost- en West-Duitsland op 9 november 1989 geweten dat hier talloze sportmensen zich voorbereidden op de grote jacht naar olympisch goud. Men dacht dat tussen de bomen aan het meer een fabriek lag. Wat voor fabriek en wie er werkte, was onbekend. Er was een poort van staalplaat, maar wat daar achter gebeurde, wist niemand. Dat was staatsgeheim.

Later bleek dat er vaak meer dan honderd mensen bivakkeerden. Er bleken sporthallen te staan en er was zelfs een overdekte atletiekbaan. Onder een met gras begroeide heuvel bleek zich een bunker te bevinden. Een bunker waar sportmensen werden geïsoleerd, waar ze dagenlang vertoefden en urenlang trainden op hometrainers en fietsergometers, verbonden met meetapparatuur. Hoogtestage in eigen land, niet langer in Bulgarije. Met mogelijkheden tot vergelijkbare onderdruk tot 4.000 meter hoogte. Op eigen territorium, ver van pottenkijkers. Met de staatslaboratoria en onderzoeksinstituten om de hoek.

Bunker vierer2
Een beheerder leidde mij begin jaren negentig kort na Die Wende in gezelschap van een sportverslaggever van de voormalige DDR-krant Junge Welt rond in de bunker. Hij wees op kranen, waarmee de luchtdruk kon worden geregeld. Hometrainers met monitoren waarop de sporters ter stimulering filmpjes over succesvolle DDR-kampioenen konden zien en tientallen piepende roeimachines in gelid stonden opgesteld. Een zaal met gewichten en halters. Slaapzalen waar sporters in ijle lucht konden slapen. Een gigantisch fitnesscentrum avant la lettre in niemandsland.

(Later zou het centrum worden gemoderniseerd. Zie Kienbaum nu: http://www.kienbaum-sport.de/)

De jonge vrouw die nu in de zomer van 1998 naast me zit, is vroeger vaak in Kienbaum geweest. Ze is geen roeister of kanoster geweest, ze was zwemster. Want ook zwemsters gingen weleens naar Kienbaum voor testen en trainingsprogramma’s. Dat meertje herinnert zij zich. Een soort vuilstortplaats was het volgens haar. Nee, geen lijken. Kom nou. Ze is nu midden dertig, ziet er gezond uit en is modieus gekleed. Ik heb haar in een hoek zien zitten tijdens het dopingproces in Berlijn, het proces tegen artsen en trainers die jeugdige zwemsters hebben volgespoten en volgestopt met androgenen, vermannelijkende middelen. Ze was de enige vrouw op de publieke tribune van het gerechtshof te midden van wat oudere mannen. Af en toe knikte ze bemoedigend naar haar vriendin die tussen de aanklagers zat, Christiane Sommer-Knacke. Christiane was eens de snelste vrouw op 100 meter vlinderslag, mede omdat ze als jong meisje van de aangeklaagde trainer Rolf Gläser hormoonpreparaten kreeg.

Christiane Sommer-Knacke tijdens het proces

Christiane Sommer-Knacke tijdens het proces

Verder aanwezig in de beklaagdenbank is dr. Dieter Binus, de man die verantwoordelijk was voor de toediening van alle genees- en versterkende middelen bij de Stasi-zwemclub, Dynamo Dresden.

Lees mijn rechtbankverslag uit Berlijn: http://retro.nrc.nl/W2/Nieuws/1998/08/25/Spo/01.html

Wanneer ik haar tijdens een schorsing van de rechtszaak in gezelschap van Christiane Knacke zie, is ze in tranen. Gläser heeft net toegegeven dat hij schuldig is aan toediening van middelen en dat hij zijn excuses aanbiedt aan al zijn vroegere pupillen. ,,Het is een jankende hond die bang is klappen te krijgen”, zegt ze. Ze wrijft over haar buik. ,,Ik word misselijk. Ik voel me weer ziek worden als toen.” Ze omhelst haar vriendin en loopt weg.

Als ik haar tijdens de volgende schorsing in een belendend café zie zitten, zuigt ze nerveus aan een sigaret. ,,Ik wil niets zeggen. Ik besta niet meer. Ik heb het allemaal gehad”, zegt ze wanneer ik naast haar kom zitten. ,,Waarom zou ik voor de rechtbank komen en het hele verhaal vertellen? Het zou mijn dood worden. Ik hoop voor Christiane dat ze wint. Maar wat valt er te winnen. Ik heb een miskraam gehad, ik heb operaties gehad in mijn buik, kinderen kan ik niet meer krijgen. Ik was geen groot talent. Ik had het kunnen worden als ik doorgezet had. Maar ze hebben me kapot gemaakt. Ik ben geslagen en ’s nachts wakker gemaakt en toegesnauwd dat ik moest luisteren. Neem ze, doe het nou.”

Zwemtrainer Rolf Gläser met Rosemarie Gabriel (1976)

Zwemtrainer Rolf Gläser met Rosemarie Gabriel (1976)

Ze wil haar naam niet zeggen. ,,Ik ben gewoon Heidi, de onnozele. Ik ben geen kampioen geworden. Ik heb niks gewonnen, ik ben niemand. Waarom ik hier ben? Omdat ik in Berlijn woon. Nee, dat is onzin. Ik ben al jaren in psychotherapie en mijn therapeut heeft me gevraagd of ik ter verwerking van mijn trauma’s naar het proces wilde gaan. Ik doe het, ik ben bang, maar het helpt, al doen mensen als Christiane het vuile werk. Mijn man weet niet dat ik er naar toe ga, mijn moeder weet het niet, alleen Christiane weet het en ook die mannen op de tribune, want die kennen me.”

Heidi dus. Ze neemt weer een sigaret, bestelt koffie en zwaait naar Christiane die omringd door haar juristen het café betreedt. ,,Sinds twee jaar zwem ik weer met plezier. Ik durfde eerst niet in het water. Telkens als ik erin sprong, voelde ik mijn buik, de pijn en het verdriet. Als meisje was ik verzot op water. Ik zwom met mijn moeder en mijn zusjes. Ik was de snelste van de school. De sportleraar zei dat ik een kampioen ging worden en maakte me lid van een club bij ons in Eisenhüttenstadt.”

Ze vertelt over haar ontwikkeling als zwemster. Dat ze als elfjarige werd overgeplaatst naar een van de vele Kinder- und Jugendsportschulen, waar de grootste sporttalenten werden ondergebracht en dat ze werd gevraagd lid te worden van Dynamo Berlin, de beste club van de DDR. ,,Op de school trainde ik veel, maar ik moest ook leren. Vakken als wiskunde waren net zo belangrijk als zwemmen. Ik kreeg een regime van gezond eten en vitamines slikken. Vitamines en muesli. Soms een test en een nieuw trainingsprogramma. Veel gesprekken met een mentor en een arts. Ik was veertien toen ik voor Dynamo ging zwemmen. Ik was trots, mijn moeder ook, mijn vader was vertrokken, nooit meer gezien.”

De vrije slag was haar specialiteit. ,,Ik had kracht in mijn armen, altijd gehad. Ik won weleens, maar niet altijd. Ik was bang om te winnen. Ik kreeg gesprekken met trainers en psychologen. Ik was niet serieus genoeg, ik had te veel plezier, zeiden ze. Dat was niet waar. Ik deed mijn best, ook al lachte ik vaak. Ik ging harder trainen, elke ochtend van zes tot negen, en ’s avonds van vijf tot acht. Ik werd mager, nee, niet sterker. Toen kwam Gläser en zei: ‘Neem wat pilletjes voor het ontbijt, neem wat pilletjes voor het slapen en het komt weer goed.’ Elke avond meldde ik me met andere meisjes. We hielden onze hand op en kregen een paar pilletjes. Soms kreeg een meisje geen pilletje. Als ze erom vroeg bleek ze het niet nodig te hebben. Ik sliep als een roos, vaak werd ik badend in het zweet na een nachtmerrie wakker. Maar overdag voelde ik me sterk en vrolijk, ik zou kampioen worden, dat voelde ik.”

Haar moeder zag dat ze het naar de zin had, dat ze wedstrijden won en werd geselecteerd voor buitenlandse wedstrijden. ,,Ik vertelde haar dat ik de beste zou worden. Ik sloeg door. De DDR was de beste sportnatie van de wereld, riepen de trainers. Ik leefde in een euforie. Een paar maanden voor een belangrijk toernooi vertelde Gläser me dat ik injecties zou krijgen, extra vitaminen, anders zou ik de training niet volhouden. Ik kreeg ze van een dokter. Elke week werd bloed afgenomen. ”

,,Tijdens een buitenlands toernooi werd ik verliefd op een Italiaanse zwemmer. Hij zei dat hij hield van mooie, blonde vrouwen. Ik vree met hem. Dat lekte uit. Trainers sloegen me, lieten me harder trainen en gaven me meer pillen. Toen werd ik uit de club gezet. Geen talent en contacten met buitenlanders, zeiden ze. Mijn moeder die een woning in Berlijn had gekregen moest haar huis uit. We gingen terug naar Eisenhüttenstadt. Ik bleek in verwachting. De dokters moeten het geweten hebben, maar hebben me niks verteld. Een halfjaar later kreeg ik een miskraam.”

Ze vertelt dat ze later, na Die Wende van 1989, de verhalen las en hoorde over andere zwemsters en andere sporters, over Heidi Krieger, de kogelstootster die zowel geestelijk als lichamelijk zoveel man was geworden dat ze uiteindelijk besloot haar borsten te laten weghalen en als Andreas Krieger verder door het leven wilde gaan. Ze hoorde over vrouwen wier clitoris was uitgegroeid tot een klein piemeltje, ze hoorde over vrouwen met menstruatiestoornissen, haargroei op de bovenlip en een mannenstem. Karin Enke, de schaatscoryfee, Heike Drechsler, de hardloopster en verspringster, Kristin Otto, de zwemster (tegenwoordig televisie presentatrice ZDF-sport), Ilona Slupianek, de kogelstootster, en Marita Koch, de hardloopster. ,,Mooie vrouwen, mooie kampioenen, maar niet echt.”

Andreas Krieger met een foto van toen hij nog Heidi Krieger was

Andreas Krieger met een foto van toen hij nog Heidi Krieger was

,,Aan de ene kant ben ik jaloers, aan de andere kant ben ik blij dat ik geen kampioen ben geworden. Ik schaam me dat ik iets heb gedaan wat niet bij me hoort. Dat ik me heb laten gebruiken door mannen die alleen aan macht en glorie dachten.” Ze neemt nog een sigaret, inhaleert diep en blaast langdurig de rook uit. ,,Wat in de DDR gebeurde zou ik mijn kind niet willen aandoen. Tegenwoordig doen ze het overal, in Rusland, Amerika, hier in Duitsland en vast en zeker ook in Holland. Meisjes en jongens die zich laten manipuleren en tot extreme trainingen worden gedwongen. Het is niet alleen het slikken van pillen, het is ook de manier waarop sport ontaardt. Kampioen worden in een sport is waardeloos. Topsport is bedrieglijk. Ze verblindt jonge mensen. Topsporters worden robotten. Zonder gevoel. Mens zijn is belangrijker. Het enige dat telt. Kijk eens, hoe Christiane, mijn vriendin, er nog uitziet. En ik doe niet aan topsport. Vindt u mij een mooie vrouw? Ja? Dat zou ik fijn vinden om te horen.”

Heidi kijkt naar buiten, aan de overkant van de straat staan oude mannen voor het gerechtshof.

.

Een meisje van zestien jaar, de trots van papa, en al epo…

27 jan

Dit schreef ik vrijdag 9 november 2007

jeanson_genevieve_194
Dat wielrenners epo gebruiken, weten we nu wel. Maar wielrensters? Nou en of. Geneviève Jeanson, zeker. Al vanaf haar zestiende, tot haar vierentwintigste. Steevast. Zo bekende 26-jarige de Canadese, die sinds vorig jaar voor het leven is geschorst, in tranen in een fascinerende Canadese documentaire op TV5Monde. Pijnlijk en onthutsend voor wie nog in ‘gezonde’ topsport (zonder doping) wil blijven geloven.

Ik zag haar deze week in de documentaire Le Secret de Geneviève Jeanson bergen beklimmen, ik zag haar vechten, ik zag haar altijd op kop rijden, ik zag haar vaak winnen (zoals het wereldkampioenschap voor junioren tijdrijden) en ik zag haar voortdurend liegen wanneer ze toch betrapt was bij een dopingcontrole. Ze wist altijd van niks. Het kleine meisje (nauwelijks meer dan 50 kilo) stond altijd strak van de spanning. Haar vader zweepte haar op. O, wat was hij altijd trots op zijn meisje. Zoals ze doorzette, dat was toch geweldig. Ik zag hem met tranen in zijn ogen beweren dat hij niet geweten had wat ze deed, wat ze had gedaan en waarom ze zo sterk was. Epo, nee, nooit geweten.

Hij wist het niet. Haar trainer wel, maar toegeven doet hij het nog steeds niet. Haar sponsor heeft haar nooit doorgevraagd over mogelijke doping. De sponsor vertrouwde haar. Waarom zou ze ook liegen? Ze loog, vertelde ze in de documentaire, omdat ze niet anders kon. ,,Ik leefde in een fantasiewereld, ik wist niet wat ik deed, ik wist niet beter dan dat het zo hoorde, dat iedereen het deed. Ik trainde elke dag erg hard, en ik kreeg spuitjes als het moest. Wat moest ik daar tegenin brengen?”

In de geweldige documentaire wordt veel duidelijk hoe het gebruik van epo is te maskeren. Canadese analisten en experts leggen uit dat na 24 uur het effect niet meer is op te sporen via een dopingcontrole, als er maar zorgvuldig en gedoseerd wordt toegediend. Het is onthutsend dat zoveel mensen, artsen, trainers, begeleiders, ploegleiders, sponsors liegen. Wat moest Geneviève anders, dan ook liegen?

Totdat ze twee jaar geleden werd betrapt. Hoe kon dat? Ze wist het niet. Ze werd voor het leven geschorst. Ze moest wel stoppen. Uiteindelijk gaf ze toe, lang nadat ze gestopt was, dat ze vanaf haar zestiende jaar al epo had gekregen. Vanaf haar zestiende! Het zal je dochter maar zijn, 16 jaar jong, fanatieke en talentvolle sportvrouw, kampioen en aan de epo. Levensgevaarlijk spul, zo werd in de documentaire nog eens verduidelijkt.

Ze vertelde hoe bang ze al die jaren was geweest. Niet om betrapt te worden. Nee, ze was bang voor de dood – elke dag, elke nacht. Ze had van andere epo-gebruikers gehoord (want wie gebruikte niet epo?) dat ze ‘s nachts niet konden slapen, Dat hart pompte en bonkte maar door, de adrenaline bleef maar door de aderen spuiten. Dan gingen ze maar uit bed, om te wandelen, hard te lopen of wat dan ook – dat lichaam kon NIET stilzitten.

Dat had Geneviève ook gehad, dat verschrikkelijk bonkende hart, dat maar pompte. Ze lag te schudden in bed. Ze dacht vaak dat ze dood zou gaan. Altijd was ze bang voor de dood geweest. Maar als ze de volgende dag had gewonnen of op z’n minst was gecomplimenteerd voor haar fantastische rijden, dan was alle ellende weer vergeten. ,,Want daar deed ik het voor, voor mijn vader die zo trots was, voor mijn trainer die zo graag wilde, voor mijn sponsor die me veel geld betaalde.”

Ze is nu 26 jaar, ze doet weer aan sport. Want ze is aan sport verslaafd. ze is verslaafd aan uitputting en ze is verslaafd aan de complimenten. Maar nooit meer wil ze topsport bedrijven. Ze huilde achter haar brilletje, het meisje uit Lachine, Quebec. Ze had in een koker geleefd. Ze wist niet wat haar was overkomen. Zestien jaar, en al misbruikt door vader, trainer, artsen en sponsors. Wie is hier de schuldige? Dat was de slotvraag van deze indrukwekkende documentaire.

Ik denk dat ik het weet. De schuldigen zijn die verblinde mensen die kinderen aanzetten tot topprestaties en gouden medailles. En de overheid die alleen maar wil scoren met topsport, de sportbestuurders die verdwaasd en verdwaald raken in deze prestatiemaatschappij. Topsport is een valkuil, zeker voor kinderen die niet weten wat hen te wachten staat. Geneviève Jeanson (zie http://www.youtube.com/watch?v=gvK1HbygLP8) is het voorbeeld, ook voor Nederlandse jongens en meisjes die zo nodig willen presteren. Pas op. Vooral die kinderen die worden opgezweept door naïeve ouders en op macht beluste trainers, over-ambitieuze bestuurders en overheidsvertegenwoordigers die alleen aan politiek en niet aan de gezondheid van mensen denken.

Dit verhaal is geplaatst op vrijdag 9 november 2007 op mijn NRC-weblog

http://en.wikipedia.org/wiki/Genevi%C3%A8ve_Jeanson

Zal de opvolger van Messi als beste aller tijden ook nog een mens zijn?

8 jan

Eens in de zoveel jaren dient zich een talent aan dat alle vorige talenten overtreft. Dan wordt ook dit talent weer gekwalificeerd als de grootste aller tijden. En wanneer woorden tekortschieten, dan moet hij wel van een andere planeet komen. Welke superlatieven resten ons na Nandor Hidegkuti, Duncan Edwards, Didi, Alfredo Di Stefano, Pelé, Garrincha, Eusebio, Rivelino, Johan Cruijff, George Best, Eusebio, Maradona, Zinedine Zidane, Ronaldinho, Cristiano Ronaldo, allen voetballers die buitengewone fenomenen zijn genoemd. Maar deze is gewoon niet gewoon meer. Laten we het daar na decennia van oeverloze en verwarrende, zinloze vergelijkingen maar op houden.

Sinds enkele jaren zoeken bewonderaars van Lionel Messi in hun wanhoop naar superlatieven en kwalificaties die nog niet eerder zijn gebruikt om het talent van de Argentijnse voetballer te duiden. Nog maar 25 jaar oud is het mannetje van 1 meter 70, wat staat de arme jongen nog te wachten? Nu al de beste ‘ooit’? Kan hij die verwachtingen waarmaken? Of zal hij in navolging van veel van zijn voorgangers bezwijken aan te veel rijkdom en verheerlijking?

Was voetballen maar een vorm van beeldende kunst en Messi een beeldend kunstenaar, dan hadden de recensenten zijn bewegingen geanalyseerd in gekunsteld proza, ten einde het eeuwige en hemelse in hem te beschrijven. Ze zouden hem in enkele facetten van bewegende kunst hebben vergeleken met een danser als Rudolf Noerejev. Ze zouden zijn acties tot in finesses ontleden, in welke mate hij de perfectie van de uitvoering had benaderd.

Maar Lionel Messi is niet meer dan een uitzonderlijk goede voetballer. Al is hij nu voor de vierde achtereenvolgende maal door een jury van onder meer coaches, geselecteerde journalisten en aanvoerders van nationale elftallen tot ’s werelds beste voetballer van het jaar gekozen, Messi is en blijft een beoefenaar van voetbal. Een voetbalspeler. Meer kunstenmaker dan kunstenaar. Meer liefhebber dan perfectionist.

Zoals vrijwel alle ongewone fenomenen is hij sinds zijn peutertijd bezeten van het spel dat vooral op spontaniteit en opportunisme berust. Hoe graag gedreven coaches met behulp van computeranalisten, fysiologen, haptonomen, psychologen, neurologen, diëtisten, farmacologen, speltherapeuten en wetenschappers die bal, schoeisel, kleding, speelveld en trainingsfaciliteiten het spel ook wensen te automatiseren. In de jaren tachtig liet Vladimir Lobanovski, coach van Dinamo Kiev,  met assistentie van natuurwetenschapper Anatoli Zelentsov de psyche van voetballers testen aan de hand computerspelletjes. Spelers moesten standaardsituaties uit hun hoofd kunnen leren en volgens vaste patronen vrijlopen.

Messi is een mens, maar zal zijn opvolger als beste voetballer ook nog een mens zijn? Of een computerspelfiguurtje dat van afstand via de satelliet, gestuurd door een team van gespecialiseerde coaches, de verlangde bewegingen maakt en schoten op het doel afvuurt? Gendoping is niet ver meer weg van topsport, ook niet van de allerminst ‘schone’ voetbalsport. Een neurowetenschapper onderzocht  in het ‘Milan Lab’ al hoe hij het gedrag van larven kon sturen, in de hoop dat bij de voetballers van AC Milan in praktijk te brengen. Wat staat ons als voetbalbeschouwer allemaal te wachten vanuit de laboratoria?

Toegegeven, soms lijken de voetbewegingen van Messi van buiten het veld gestuurd. Misschien wel van boven, door de hand van God? Om in voetbaljargon te spreken: hij heeft de bal aan een touwtje aan zijn voet, altijd zijn linkervoet. Zelden laat hij de bal wegspringen, of het moet van zijn rechter voet zijn die hij als linksbenige minder heeft ontwikkeld. De voet- en lichaamsbewegingen van het kleine mannetje zijn zo snel dat tegenstanders niet of nauwelijks kunnen reageren. Brute schoppen ontwijkt hij ongewoon goed. Zelden protesteert hij tegen de aanslagen. Zelden krijgt hij een gele kaart. Hij heeft het niet nodig. Hij speelt met de bal en neemt de aanslagen voor lief. Hoe lang nog? Wie wordt de slager van Messi?

Hij beschikt daarnaast over een uitzonderlijk ruimtelijk inzicht. ,,Hij denkt sneller dan ik’’, roemde zijn voorganger als beste aller tijden Maradona hem eens. Een misvatting. Messi denkt niet. Zijn rechter hersenhelft is beter ontwikkeld dan zijn linker. Hij ‘denkt’  in beelden. Hij is een ziener. Hij doet wat hem invalt, overziet de posities van zichzelf, zijn medespelers, zijn tegenstanders. Hij beschikt over een haptonomisch gevoel, een sterk ontwikkelde tastzin. Hij voelt de energie van lichamen en ruimtes om zich heen. Met zijn korte benen loopt hij weliswaar als een opdraaipoppetje, maar hij is toch echt van vlees en bloed. Hij heeft een relatie met zijn jeugdvriendin uit Rosario, Antonella Rocuzzo. Sinds kort hebben zij een zoon. Over menselijkheid gesproken: Messi mist regelmatig een strafschop.

De vraag dringt zich vaak op hoe Messi in een ander elftal dan Barcelona zou spelen. Verwezen wordt dan naar zijn spel in de nationale ploeg van Argentinië. Daarin lukt het hem zelden zo uit te blinken als bij Barcelona. Is het de hand van de coach die Messi doet schitteren? Is hij vergroeid met Barcelona? Daar waar hij als 13-jarig jongetje al vertrouwd raakte met het korte samenspel en de pedagogische teamcodes die in de jeugdopleiding van La Masía volgens de leer van oud-jeugdtrainer Laureano Ruiz worden gepropageerd.

Messi is een zoon van Barcelona. De club bleek twaalf jaar geleden bereid de medische kosten in het ziekenhuis van Barcelona voor haar rekening te nemen. Barcelona zag in de bedenkelijk onvolgroeide puber een goede investering en betaalde naast de groeihormonenkuur ook de verblijfskosten van zijn familie.

Onlangs verlengde Messi zijn contract tot 2018, dat betekent (los van sponsorcontracten) 16,5 miljoen euro per jaar. Voorwaarde is dat hij 65 procent van de wedstrijden speelt. Hij wees een aanbod van een onbekende Russische club (waarschijnlijk Anzhi, van coach Guus Hiddink) van 30 miljoen netto per jaar af. Barcelona had zijn enorme schuldenlast aanzienlijk kunnen verminderen.

Hoe lang kan een mensenkind deze druk aan? Leven in een systeem waarin de premiejagers van de media altijd op de loer liggen om roddels te verkopen. Leven als een idool, als een icoon, als een rolmodel. Gewoon jezelf kunnen zijn en blijven. Het in zichzelf gekeerde, bescheiden, bijna verlegen kunnen blijven. Zou er niet iets in de jonge Argentijn zijn, dat niet aan de idealen van zijn bewonderaars beantwoord. Is hij dan toch niet een ideale schoonzoon?

Record na record vestigt de zwijgzame kunstenmaker. Triomf na triomf behaalt het fragiele godenkind. Nog niet genoeg, beweert hij steeds. Hij wil meer, nog meer. Zoals een kind als rupsje nooit genoeg zijn.

Als het dribbelen, scoren en  winnen hem dan nog zo ogenschijnlijk gemakkelijk afgaat, waar en wanneer zal zijn avontuur dan eindigen? Welke woorden zijn er nog niet gebezigd om zijn spel te uit te leggen? Goddelijk en hemels zijn al gebruikt. Laten we een voorbeeld nemen aan de Spanjaard Santi Nolla, hoofdredacteur en columnist van El Mundo Deportivo.  Hij beperkte onlangs zijn dagelijkse column onder de kop ‘Leo Messi’ tot slechts drie woorden: Sobran las palabres (woorden zijn overbodig).

Als Lionel Messi maar voetbal speelt. Dat is het belangrijkste.

Dit artikel is in iets kortere versie verschenen in NRC Handelsblad en NRC.next

Ook voor junioren is voetballen meer dan een spelletje

11 dec

,,Stel’’,  zo richtte de clubvoorzitter zich tijdens de discussiemiddag naar aanleiding van het grensrechterdrama tot een twintigtal C-junioren, ,,je krijgt een schop van een tegenstander. Wat doe je dan?’’ Het antwoord liet niet lang op zich wachten. ,,Terugschoppen’’, riep een 14-jarig spelertje. ,,In het veld, maar niet na de wedstrijd’’, voegde hij er haastig aan toe. Met een mengeling van verwarring en begrip hoorden voorzitter, jeugdleiders, trainers, een jeugdscheidsrechter en ouders de hartekreet in het clubhuis aan. Een jeugdleider probeerde het gepassioneerde voetballertje op het hart te drukken dat hij beter even zijn wraakgevoelens kon beheersen om later zijn revanche met doelpunt te halen.

Tja, doe dat maar eens in het vuur van de strijd.

Het is de mores van het voetbal in het bijzonder en de sport in het algemeen. Ingesleten tot op het bot, tot in de jongste leeftijdscategorieën. Winnen willen ze, winnaars willen ze immers zijn. Zonder winnen geen euforie. Titels, medailles, bekers, foto’s en triomfstukken in de krant, huldigingen omringd door uitgelaten supporters die bewonderend de winnaars zingen. Opgezweept door geëxcalteerde trainers die roepen: ,,Wij zijn de besten van de wereld.’’ Waarom zou een junior dan bedenken dat voetbal maar een spelletje is?

Zelfs voor het overkoepelende sportorgaan NOC*NSF telt alleen winnen. Er wordt vooral geld uitgetrokken voor sporters en sportbonden met de meeste medaillekansen. Breedtesport, recreatie, plezier, aandacht voor de verliezers en minder getalenteerde sporters zijn van ondergeschikt belang. Wie wint krijgt een erepodium, wie verliest wordt verstoten als een melaatse. Verliezen is een besmettelijke ziekte geworden. Zo kortzichtig zijn de sportbonden en hun leiders. Alsof bij de beste tien sportlanden van de wereld behoren, tot iets leidt wat permanent zinvol is voor de (Nederlandse) samenleving leidt. Topsport maakt meer stuk dan je lief is. België en Zwitserland halen nauwelijks medailles. Is het daar dan zo slecht leven?

Begeerte is de drijfveer. Winnen, nog meer willen hebben, nog meer winnen. Hebben, hebben, hebben. Hebzucht. Het is nooit genoeg.  Lees ‘Identiteit’ van de Belgische psycholoog en psychoanalyticus Paul Verhaeghe en je komt tot andere inzichten. Sport, vooral winnen, is van levensbelang geworden. Het wordt tijd dat verliezen ook geaccepteerd wordt en gewaardeerd wordt. Ook in voetbal. Maar het zoals wijlen Bill Shankly, manager van een van de grootste volksclubs Liverpool, al in de jaren zeventig al zei: ,,Some people believe football is a matter of life and death, I am very disappointed with that attitude. I can assure you it is much, much more important than that.’’

In het weekend dat in Nederland de doodgeschopte grensrechter werd herdacht, verloren de meest fanatieke supporters van het Duitse voetbal, die van Borussia Dortmund, hun zelfbeheersing. Een arbitrale beslissing van de internationale scheidsrechter Wolfgang Stark leidde tot een thuisnederlaag. Hij gaf Borussia-speler Marcel Schmelzer een rode kaart wegens vermeend hands op de doellijn. De Borussen schreeuwden het uit van verontwaardiging en verongelijktheid. Niettemin strafschop: 1-1. Na afloop gaf Stark zijn fout toe, de televisiebeelden gaven hem ongelijk. Maar het publiek had zich al laten gelden en eiste dat ‘die zwarte (de scheidsrechter) werd opgehangen’. De Borussia-spelers verloren de greep op de wedstrijd en op zichzelf. Borussia verloor met 3-2. De landstitel is definitief uit het zicht. De spelers kregen van trainer Jürgen Klopp een interviewverbod. Je wist maar nooit wat ze zouden zeggen. Klopp hield zich vrij kalm en sprak over een hard oordeel van de scheidsrechter.

Zo hard kan voetbal zijn, zo hard komt een (onterechte) nederlaag aan in Dortmund. De club met de grootste, trouwste en sportiefste supportersschare van Duitsland (elke thuiswedstrijd 80.000 toeschouwers), tevens de club met de meest onderscheiden fansbegeleiding en sociale projecten, met de sociaal bewogen Klopp als trainer, kan ook deze sportieve tegenslag niet hanteren. Vandaar ook dat in Duitsland, waar de Sozialprojekte juist grote waardering en aandacht krijgen in de media, de discussie weer hoog is opgelaaid. Lees: http://www.11freunde.de/node/258218

Voetbal en geweld. Voetbal werd ongeveer 150 jaar geleden op Engelse kostscholen (Eton, Harrow, Rugby) bedacht om de agressie van jongens te kanaliseren. De scholieren mochten zich op een grasveld uitleven in het ruwe spel dat al sinds de middeleeuwen  op straat werd uitgevochten en waarin schoppen en slaan geoorloofd was. Hopelijk hadden ze dan geen energie meer voor nóg gevaarlijker dingen. Na enige tijd werd voetbal verboden. De kostschooldirecties voelden zich genoodzaakt spelregels in te voeren. Voor de aanhanger van rauwe sport het sein om hun eigen sport uit te vinden: rugby. Het is de sport die nu ten voorbeeld wordt gesteld aan voetbalspelers, omdat daar (wel) respect voor tegenstander en scheidsrechters heerst. Wat hij ook beslist, de scheidsrechter is de baas.

De bondscoach van Italië, Cesare Prandelli, lanceerde als trainer van Fiorentina Viola Fair  (Sportief Paars, de kleur van Fiorentina). Hij stelde een paar jaar geleden voor dat het verliezende elftal na afloop een erehaag voor het winnende elftal zou vormen en applaudisseerde. Na een verloren thuiswedstrijd tegen Inter Milaan stelde Prandelli zich inderdaad op in de rij van zijn spelers en klapte hij mee voor de winnaars. De andere clubs van de Serie A en Serie B zegden toe het voorbeeld van de trainer van La Viola te volgen. Hhet gebruik is intussen toch verwaterd. Maar Prandelli ging door met zijn missie. Hij stelde als bondscoach in samenspraak met de technisch directeur van de Italiaanse bond Roberto Baggio, eens een prachtige voetballer met een boeddhistische levensovertuiging (http://www.robertobaggio.com/en/) , vervolgens regels van fatsoen op. Daarnaast nam zij zich voor een opvoedende taak te verrichten, hoe oud, volwassen en doorgewinterde professionals de internationals ook mogen zijn. Zo maakte de nauwelijks te temmen recalcitrante Mario Balotelli als international al regelmatig kennis met de erecode van Prandelli en werd international Daniele De Rossi vorige maand door de bondscoach drie wedstrijden uit de nationale selectie gezet omdat hij in een competitiewedstrijd van AS Roma tegen Lazio een tegenstander in het gezicht had geslagen. Commentaar Prandelli: ,,Ik heb De Rossi straks op het WK in 2014 hard nodig, hij is als aanjager onmisbaar in mijn ploeg, hij zal nu hopelijk leren zich te beheersen, zodat we over anderhalf jaar van hem kunnen profiteren.”

Prandelli is zich bewust van de voorbeeldfunctie van profvoetballers. Zo was al langer Laureano Ruiz, de oprichter van de cantera, de veel geroemde jeugdopleiding van Barcelona.  Begin jaren zeventig won hij met de jeugd vijf titels op rij, wat nog niet vertoond was. Hij was in 1976 even hoofdtrainer, van Johan Cruijff en baarde opzien met sportief en attractief samenspel. Het is de leer van Ruiz die nog altijd klinkt in La Masía, de naam van het opleidingscentrum. Ruiz (en niet Cruijff) legde de basis voor het spel waarmee Barcelona, eerst met coach Johan Cruijff, later met coach Pep Guardiola,  triomfen viert. Voornaamste regel voor de jeugd: Fair play. Verbod op bekritiseren van scheidsrechter en tegenpartij; zelfs al heeft de speler gelijk, dan volgt onmiddellijke schorsing; de trainer zwijgt langs de lijn en mag alleen in de kleedkamer zijn kritiek verbaal spuien; en te alle tijde nederigheid ten opzichte van elkaar.

Winning isn’t everything, it’s the only thing, zo werd Ruiz geconfronteerd met de Amerikaanse mentaliteit toen hij daar later zijn Soccer Academy oprichtte. Zo schrijft de Belgische schrijver Raf Willems in zijn boek over de geschiedenis van het droomvoetbal van Barcelona. De Bask Ruiz haastte zich de Amerikanen ervan te overtuigen dat die mentaliteit slechts tot agressief gedrag leidt, jegens de tegenstander en de scheidsrechter. De vreugde voor het spel staat voorop, meende Ruiz. En wie als amateur en junior Barcelona de laatste jaren heeft zien spelen kan niet anders dan vaak een voorbeeld nemen aan deze voetballers. Met triomfen, loftuitingen en steeds meer bewonderaars tot gevolg. Hoewel ook zij in het vuur van de strijd weleens hun sportieve vaak vergeten. Maar dat is nu eenmaal voetbal, een contactsport bovendien, nog steeds doordrenkt van emoties en agressie. En dat zal zo blijven.

Dit artikel verscheen in verkorte vorm in NRC Handelsblad van 10 december jl.

Was ik maar geen wielrenner geworden

7 nov

Uit november 2012:

Stel: ik ben beroepswielrenner. Ik verdien geld met zo hard mogelijk fietsen. Ik fiets elke dag, in een wedstrijd over tweehonderd kilometer dan wel in een oefenrit over minimaal honderd kilometer. Ik probeer zo gezond mogelijk te leven, te eten en te drinken om zo hard mogelijk te kunnen fietsen. En als ik te vermoeid ben, rust ik, of laat ik me masseren. Wordt mij geen tijd gegund om te rusten, omdat mijn werkgever eist dat ik een wedstrijd rijd om zijn naam uit te dragen en ik mijn werknemerspositie veilig moet stellen, dan eet en drink ik iets extra’s, zoiets als voedingssupplementen, min of meer onschadelijke middeltjes. Zolang ik er niet te veel van neem. Want te veel is te veel mijn jongen, zei mijn moeder altijd

Omdat ik beroepswielrenner ben, moet ik mij manifesteren als een wielrenner met talent, een wielrenner die zo nu en dan een wedstrijd wint of op z’n minst een collega van dezelfde firma helpt te winnen. Ik heb maximaal vijftien jaar om te tonen dat ik het verdien geld te krijgen voor mijn fietskwaliteiten. Als het goed gaat, verdien ik goud, als het slecht gaat, moet ik een ander vak kiezen. Ik train hard, want ik fiets graag, sta graag in de belangstelling en wil graag winnen. Geen dag is zo mooi als de dag waarop ik word gezoend door twee meisjes met gebruinde benen onder hun opwaaiende zomerjurk.

Mijn vrouw zit dan thuis voor de televisie met onze kinderen te glunderen wanneer ik mijn droom beleef, na jaren trainen, fietsen en zo gezond mogelijk leven. Ze ziet niet dat ik in mijn euforie bij een van de meisjes een hand op haar billen heb gelegd. Als ze het had gezien, zou ze het mij niet kwalijk hebben genomen. Ze gunt mij deze schat waarnaar ik na een lange, zware tocht heb gezocht. Naar Paulo Coelho’s De Alchemist zou ze zeggen: ,,Dat is goed. Je hart leeft. Blijf luisteren naar wat het te zeggen heeft.”

Zo is onze relatie, ze kent mijn drijfveer, mijn eeuwige zoektocht naar de schat, mijn droomleven – vaak wars van realiteitszin. Ze schudt me wel eens wakker. Wanneer ik in mijn zoektocht te snel ga, geen geduld heb om te laten komen wat zal komen, krachten wil aanboren die er van nature niet zijn, dan grijpt ze in. Pas op: ‘You can’t get always what you want. ‘ Pas op, bedoelde ze, begeerte doet lijden. Geen gevaarlijke stimulerende middelen die van mij een ander mens maken, wil ze. Ze heeft me echt wel zien jojoën met pilletjes en ampulletjes, ze heeft injectienaalden gezien, doosjes met tabletjes, bloed in de wc. Ze heeft me aangehoord als ik vertelde over middelen waarover in de wielerwereld werd gesproken. Ze hoorde mijn dilemma aan en begreep het. Ze zou me nooit veroordelen als ik daarover een beslissing nam die ik later zou betreuren. Als ik maar gezond bleef. Het was mijn beslissing, mijn verantwoordelijkheid. Ik wist wat goed was, voor mij, voor haar en ons gezin.

Mijn vrouw had eens in een interview met de ex-vriendin van Marco Pantani, de Deense Christina Jonsson, gelezen dat zij zijn arm had vastgehouden terwijl hij er een injectienaald in stak. Liefde, noemde ex-wielrenner Peter Winnen dat. Zover gaat liefde. Dat zou mijn vrouw nooit doen, zo blind is haar liefde voor mij niet. Gelukkig maar, zij probeert mij als een permanent wankelmoedige man overeind te houden in deze wereld. Maar weet zij wat wielrenner zijn is, wat het betekent te moeten presteren, ook omdat de supporters, de radio, de televisie en de firma dat willen? Ja, zij weet wat het is, zij kent mij, zij weet dat ik dromen vervuld wil zien – en dromen van anderen wil vervullen. Ter meerdere eer en glorie van mijzelf. Aandacht, daar verlang ik naar. Altijd. Anders besta ik niet. Ze weet dat ik een man ben als alle mannen – ik moet scoren én winnen. Dat heeft mijn vader mij geleerd.

En toen las ze dat Lance Armstrong werd beschuldigd van jarenlang dopegebruik, dat mensen om hem heen het altijd geweten zouden hebben, dat de ene na de andere renner nu opbiechtte dat hij (weleens) ‘dope’ had genomen en dat daardoor nu ook mijn ploeg onder verdenking staat. Ze belde me in het trainingskamp in Spanje en vroeg hoe ik me voelde. Ik zei dat ik me onzeker voelde, omdat ze ook mij zouden kunnen verdenken. Ze vroeg me of ik zeker wist dat ze me niet konden vangen op het bezit of gebruik van zoiets als doping. Ze wilde weten wat zij zelf kon vertellen bij een eventueel politieverhoor of bezoek van de opsporingsbrigade. Zou ze mogen zeggen waarover onze gesprekken gingen, over mijn dilemma’s, mijn dromen, mijn jojoën met pillen? Ze zei dat ze zeker haar verhoorders zou vragen of zij ook hadden nagedacht over hun eigen beroep, over hun dilemma’s, gezinsleven, drijfveren, ambities, prestatiedrift en hun dromen – en of zij ook Paulo Coelho hadden gelezen.

Geen dag kon zo slecht zijn als toen mijn naam in een krant verscheen, omdat ik verdacht werd omdat ik werd genoemd in een of ander omvangrijk dossier. Andere kranten namen het bericht over, radio- en televisieprogramma’s ook en wilden mijn reactie. Ze vroegen allemaal: ,,Is het waar dat je doping hebt gebruikt? Zo ja, waarom heb je dan altijd gelogen?”

Ik was aangeschoten wild. Ik stond te beven, ik dook diep weg onder dekens, omdat ik me moest verantwoorden. Ik werd door die premiejagers van journalisten die alleen maar met hun ego bezig zijn, als een misdadiger neergezet – nog voordat wie dan ook iets had kunnen bewijzen. Alsof ik een moord had gepleegd en dus een jarenlange gevangenisstraf te midden van gangsters diende te ondergaan. Wat moest ik zeggen? Ik wist het echt niet. Alles wat ik zou zeggen, zou worden uitgelegd als een leugen.

Ik kreeg mijn zoontje en dochtertje aan de telefoon. ,,Papa, ze zeggen dat jij een grote leugenaar bent.” Aldus mijn zoontje van zes. Wie? ,,Nou, de meester op school en mijn vriendjes. Ze pesten me. Waarom dan? Ik begrijp er niks van. Ik mag niet meer met mijn vriendjes spelen van hun ouders. ” Waarom dan? ,,Ze zeggen dat je doping hebt gebruikt. En dat mag niet, zeggen ze.” Wie zegt dat? ,,Iedereen, want het staat in de krant, en ik zag je foto in het journaal. En iedereen vertelde dat het waar was. Pap, ik moet huilen, pap. Je bent toch kampioen geweest, je hebt toch gewonnen.”

Ik probeerde hem te troosten. ,,Wat is dat, doping, pap? Mama zegt dat ze zeggen dat je medicijnen hebt gebruikt die niet mogen. Waarom mogen die dan niet? Ik moet toch ook een medicijn van de dokter nemen als ik beter wil worden?” Ik kon het hem niet uitleggen. Mijn dochter van acht was boos op me. ,,Ze zeggen dat je een verrader bent. Dat stond in de krant, stommerd, stomme papa.”

Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ik hoorde haar huilen. Om haar gerust te stellen zei ik dat ik die mensen van de krant en de televisie wel zou aanpakken, omdat ze leugens vertellen over haar papa. Toen zei ze: ,,Je was toch ook kampioen geworden als je geen medicijnen had genomen.”

Het werd een moeilijk gesprek. Ik kon haar nauwelijks geruststellen. ,,Ik hou van je pap. Dat snappen ze niet. Dat ga ik ook tegen mijn vriendinnetjes zeggen. Dat ze leugenaars zijn. Dat die krant die ze lezen een stomme, waardeloze krant is. Je bent toch geen moordenaar.”

Ik hield van mijn kinderen.

Mijn vrouw nam de telefoon van mijn kinderen over: ,,Die kranten, radio en televisie willen alleen maar scoren. Ze denken niet na voordat ze iemand, mensen, beschuldigen. Als ze maar verkopen, als er maar gekeken wordt naar hun programma’s. Iedereen kickt op die stomme programma’s en die stomme kranten. Sensatie, dat is wat wordt verkocht. Mensen moeten kunnen likkebaarden. Toen je kampioen werd en die zware Touretappe won, stond iedereen te juichen. Je was de grootste held. En nu zeggen ze dat jij waarschijnlijk ook… Lieve Guus, wat weet ik niet? We hebben het er toch over gehad?”

Ik schrok. Wat had ik gedaan? Wat had ik verzwegen? Ik had inderdaad bepaalde medicijnen genomen. Maar de dokter van de ploeg heeft me bijna wekelijks getest, bloedwaarden en meer. Niks aan de hand. Ik was gezond. Gelukkig wel, anders was ik meteen met wielrennen gestopt. Ik had wel gehoord dat andere renners middelen namen die misschien beter en gevaarlijker waren. Maar ik had me niet aan verboden middelen vergrepen, ik had de spelregels niet overtreden. Nu word ik beschuldigd, ten onrechte. Hoe kan ik ooit weer door het leven gaan als een sportieve wielrenner? Als een normaal mens. Hoe kunnen mijn vrouw en kinderen verder leven als gezin, zonder te worden nagewezen? Waarom moest ik verdacht worden gemaakt? Omdat andere wielrenners dingen hebben gedaan die niet mochten?

Ik was benieuwd of die krant, en die radio- en tv-programma’s die me nu beschuldigden, ooit zulke grote verhalen over mij zullen schrijven als bewezen is dat ze mij ten onrechte hebben beschuldigd. Nee, natuurlijk niet. Ik wist het zeker. Dat zullen ze nooit doen. Want daar scoren ze niet mee. Dan zouden ze hun fout toegeven. Hypocriete lui. Wat is het nut om mijn naam door het slijk te halen?

Omdat ik een beroepswielrenner was, besefte ik. Beroepswielrenners zijn per definitie verdacht. Wie als wielrenner verdacht is, gaat door het leven als crimineel. Die heeft de samenleving bevlekt. Foei!

Ik zat daar op mijn hotelkamer in Spanje en dacht: ik ben gek geworden, ik heb weliswaar nagedacht, ik heb gewikt, gewogen en gejojood, maar ik heb me waarschijnlijk toch gek laten maken, door mijn prestatiedrift, mijn wens om grenzen te overschrijden, mijn grenzenloze begeerte (veroorzaakt door wat?), ik heb me gek laten maken door mensen die prestaties van mij verlangen, mijn vrienden, mijn familie, mijn supporters, de ongeduldige, hijgerige journalisten, mijn sponsors, mijn landgenoten die opgejaagd door de media wilden dat ik eindelijk de Tour zou winnen. Ze zullen straks aan mijn deur staan, de vertegenwoordigers van de macht en van de ethische schoonheids- en gezondheidscommissie die mij willen straffen. Ik hoop maar niet dat ze me mee zullen nemen, geslagen in handboeien. Dat heb ik zien gebeuren in Italië en Frankrijk. Ik zie het al voor me: journalisten met camera’s, fotografen die een shot van me willen als ik word afgevoerd, om voor veel geld aan de kranten te verkopen. Sensatie!

De wereld is gek geworden. Alleen het woord doping al. Ik heb honderden kilometers getraind, in de bergen, op het vlakke in de wind en de regen, ik heb dagenlang in windtunnels getraind, ik heb aan krachttraining gedaan, ik heb snelle pakken geprobeerd, een snellere lichtere fiets van bijzonder materiaal, ik heb mijn pedaalslag versneld, ik ben wekelijks naar een sportpsycholoog geweest. Om nóg beter te worden, zoals de meeste mensen altijd beter willen worden. Willen we niet allemaal de beste worden, perfect zijn? Maar zodra het woord medicijnen valt, slaat iedereen door. Doping, stimulerende middelen en methoden, mensen weten niet eens wat het is, sterker: waar het over gaat.

Ik had het kunnen weten: wielrenners zijn verdacht. Stel: ik ben beroepsschrijver. Ik doe alles om aandacht te trekken. Morgen staat de politie voor mijn deur. Op verzoek toon ik de inhoud van mijn koelkast, mijn boekenkast, mijn medicijnkastje, mijn boekhouding, mijn emails, de foto’s van maîtresses, mijn pornosites, mijn vibrators,  mijn alcoholvoorraad, mijn waterpijpen en mijn geslachtsdeel. Maar als ik mee naar het bureau zou moeten, zou ik weigeren en roepen: Fuck you all. Als beroepswielrenner zou ik dat niet durven. Ze zouden me meteen straffen, me liefst isoleren in een inrichting, als een gestoorde gek.

Daarom ben ik nooit beroepswielrenner geworden.

Mijn column uit november 2012 in de Standaard (België) en herplaatst in De Muur 39 – 2013 (‘Blijf met met je rotpoten van ons rotwielrennen af’)

rotwielrennen

De fascinatie voor de ondoorgrondelijke wielersport

15 okt

Hoewel ik Lance Armstrong als wielerverslaggever niet of nauwelijks van nabij heb meegemaakt, heeft hij me altijd gefascineerd. Ik was wielerverslaggever vóór het epo-tijdperk. Al zullen in mijn laatste jaren als wielerverslaggever renners (Indurain, veel Spanjaarden en Italianen, Russen, Duitsers en vooral het oprukkende Amerikaanse peloton cowboys, de ploegen van 7-Eleven en Motorola, en natuurlijk ook Nederlanders) vast al bezig zijn geweest. Zo bleek later. Ik heb in al die jaren (vanaf 1976 tot begin jaren negentig volgde ik onder meer 16 keer de Tour) wel wat gezien en gemerkt wat ‘vreemd’ was of naar overtreding van de spelregels riekte (omkoping, combine, doping), maar ik kon nooit doordringen tot de ‘vuile waarheid’. Ik moest verder, verslag doen van alweer de volgende etappe en wedstrijd, van hotel naar hotel reizen, met de karavaan mee, op weg naar de volgende winnaars en verliezers.

Die keren dat ik op onderzoek uitging of mijn sterke vermoedens beschreef in krantenartikelen van De Volkskrant en NRC Handelsblad leidden zelden tot prettige situaties. Het is geen excuus, ik deed wat binnen mijn mogelijkheden lag. Deed ik mijn werk niet goed genoeg? Wie bepaalt dat? Ja, ik werd bang als betrokkenen mij bedreigden. Maar ik deed mijn werk, dag en nacht, obsessief. Peter Post heeft me eens brandbommen in de tuin toegezegd als ik nog iets zou schrijven over zijn verdachte methoden. Nog los van zijn onbeheerste schreeuwpartijen door de telefoon. De Belgische ploegleider Walter Godefroot onderbrak in Parijs-Nice een interview met het Belgische talent Daniel Willems toen ik over ‘soigneren‘ begon, hij wist toch hoe ,,Nederlandse journalisten altijd overal iets achter zochten, jullie zijn negatief”. De ploegleiders Fred Debruyne en Jan Raas hebben mij de hotelkamer afgeschopt toen ik een renner aan een infuus (glucose? so what?) zag liggen. Gerrie Knetemann heeft me bij de keel gegrepen. Soigneur Ruud Bakker(een reus van een vent) heeft me uitgescholden alsof ik een crimineel was, omdat ik de wielersport (Raleigh, later Panasonic) kapot maakte. De voorzitter van Nederlandse wielrenunie ontzegde me de toegang tot de jaarvergadering vanwege een stuk over doping bij Nederlandse ploegen.

Ik schreef een stuk in NRC over Steven Rooks na zijn bergritzege waarin ik mijn sterke vermoeden uitsprak over zijn merkwaardige vormcurves en zijn vreemde geneeskundige consults (Zwitserse kruiden, arnica, osteopathie, antidepressiva….). De hoofdredacteur kwam de volgende dag bij mijn chef om opheldering vragen. Hoe ik dit durfde te schrijven? Hein Verbruggen belde me op Kerstavond, om me uit te schelden omdat ik tégen hem was en niet wilde begrijpen dat doping echt niet voorkwam – omdat het niet hielp (het lijkt de hypocriete voetbalwereld wel, het wordt niet gebruikt omdat het niet helpt….tja). Kort daarvoor had PDM-renner Peter Stevenhaagen me in een interview verteld dat hij met nog een paar ploeggenoten had meegedaan aan een test bij de psycholoog-fysioloog prof. Joop Hueting in Brussel om te onderzoeken in hoeverre bepaalde middelen ‘werkten’. Verbruggen destijds bestuurslid van de Nederlandse wielrenunie was laaiend, ik had dat niet (in ‘zijn’ Volkskrant) mogen publiceren.

Jan Gisbers probeerde me in de Tirreno-Adriatico met zijn auto van de weg te rijden. Ik was getuige van de PDM-affaire (intralipid) in de Tour. Ik zag vermagerde, zieke wielrenners door het hotel in Quimper schuifelen (Erik Breukink, Nico Verhoeven, Sean Kelly, Jean-Paul van Poppel, Raul Alcala, Martin Earley, de Duitsers Uwe Ampler en Uwe Raab) die meer dood dan levend waren. Ploegleider Gisbers en dokter Wim Sanders werden door ons scherp ondervraagd in dat hotel. Wij (Dick Wittenberg en ik, beiden van NRC) hebben de hele nacht gewaakt rond en in het hotel en tot in de vroeg ochtend geschreven, zonder te slapen. Voorpaginastukken werden het. De waarheid? Het ging over bedorven gehaktsaus en nog meer van die verzinsels.  De waarheid? Lees ‘Sultans of Swing‘ van Bart Jungmann en Fred Segaar. Jaren later.

De affaires rond Gert-Jan Theunisse staan nog diep in mijn geheugen gegrift. De verhouding testosteron-épitestosteron was bij hem nogal scheef en wisselde voortdurend én dus verdacht. Het zou om een natuurlijke afwijking gaan. Er bleken meer sportmensen met zo’n ‘natuurlijke afwijking’: veel tennissers en zwemmers, volleyballers, handballers, atleten,  en vooral voetballers. Nooit meer iets over ‘die anderen’ gelezen. Ik ging met NRC-wetenschapsredacteur Wim Köhler naar professor Thijssen, een endocrinoloog (hormoondeskundige) in Utrecht. Er kwamen rechtszaken. Uit onderzoek van Thijssen met dopingdeskundige Douwe de Boer werd duidelijk dat Theunisse een ‘onnatuurlijke’ afwijking had. Doping dus, testosteron( Andriol), cortisonen. Lees hier een interview uit 2001 met Thijssen in de Volkskrant over het destijds  als mysterieus aangeduide geval Theunisse: http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2844/Archief/archief/article/detail/583623/2001/06/23/Tussen-argwaan-en-wijsheid.dhtml

Later zou Thijssen als getuige-deskundige worden gevraagd in een dopingrechtszaak tegen Frank de Boer, destijds voetballer bij Barcelona. Pep Guardiola, de latere zo bewierookte trainer van Barcelona werd in die periode als speler bij het Italiaanse Brescia tweemaal ‘betrapt’ op gebruik van nandrolon, een spierversterkend middel.  Ook de in Italië spelende Jaap Stam (Lazio), Edgar Davids (Juventus), de Portugees Fernando Couto (Lazio) en een achttal spelers van Juventus werden ‘betrapt’, enkelen werden voorlopig geschorst maar uiteindelijk vrijgesproken. Guardiola werd eerst vier maanden geschorst, maar ging na hoger beroep ook vrij uit. De onderzoeksmethoden van het Italiaans Olympisch Comité (CONI) zouden onder meer onbetrouwbaar zijn. Frank de Boer werd vrijgesproken van gebruik van nandrolon. Bewust gebruik was niet bewezen. Het was waarschijnlijk ‘het gevolg van (vervuilde) voedingssupplementen’.

Ik heb het er nog weleens met (mijn tegenwoordige vriend) Peter Winnen over gehad, over hoe het vroeger in ‘onze tijd’ ging. Toen ik hem eens vroeg wanneer hij was begonnen met roken, lachte hij: ,,Ik heb altijd gerookt, maar als jullie in de hotelkamer kwamen, werd eerst de rook weg gewapperd en werden de ramen geopend, de pillen werden in het nachtkastje opgeborgen, de prullenbakken werd geleegd.” Wij (Peter, zijn toenmalige, inmiddels overleden vrouw Yvonne en ik) lachten ons rot. Jan Raas vertelde in een jolige bui dat hij zijn urine eens over de handen van een dopingcontroleur had verspreid. ,,Hier, houd dat flesje vast, jij met je dopingcontrole.” En hij piste over zijn handen. Zo intimideerde hij de naïeve, bedeesde controleur. ,,Bij mij doping? Ik gebruik niks. Wegwezen! Ik ben beroepsrenner, ik bepaal zelf wat ik doe met mijn lijf. Net als kunstschilders, schrijvers, bankdirecteuren en journalisten.”

Overigens, misschien ben ik niet tegen doping (mijn standpunten wijzigden voortdurend, voortschrijdend inzicht noemt men dat)? Doping is sowieso van alle tijden, de Grieken deden het al met magische kruiden en oliën. Niemand die er aanstoot aannam. De bedenker en eerste organisator van de Tour Henri Desgrange was er nooit op tegen. Hij wilde vooral veel heroïek (bloed, zweet en tranen), op welke manier dan ook verworven. Want dat wilden de toeschouwers en lezer van zijn krant L’Equipe en L’Auto. Zijn assistent en opvolger Jacques Goddet begon te twijfelen. Waarom het in de jaren zestig na de dood van Tom Simpson is verboden, laat zich raden. Doping schond het imago van de wielersport, dat vooral vonden de sponsoren. Alweer die commercie: geld. De sponsoren wilden geen doden. En de wielersport is nu eenmaal slechts afhankelijk van de commercie en de media, al sinds het bestaan van de beroepswielersport, meer dan honderd jaar terug . Nu weer, nog steeds, de wielersport had de Amerikaanse sponsoren en media (televisie) nodig. Zo vond Hein Verbruggen eind jaren tachtig, vandaar zijn drang tot mondialisering. Verbruggen komt uit de marketingwereld, vandaar.

Ik was geen oorlogsverslaggever of onderzoeksjournalist. Ik volgde mijn favoriete sport wel kritisch. Ik heb altijd genoten (naïef en dom?) van Eddy Merckx, Bernard Hinault, Laurent Fignon, Greg LeMond, Pedro Delgado, Stephen Roche, Jan Raas, Roger De Vlaeminck, Johan van der Velde, Peter Winnen, Moreno Argentin, Claudio Chiappucci, Gianni Bugno (ik hield en houd van Italianen) , Miguel Indurain, Frank Vandenbroucke en die fantastische Francesco Moser. Dat ze (mogelijk) slikten, spoten en zoals Moser (Checco) als eerste door professor Francesco Conconi (de leermeester van de omstreden Michele Ferrari en Luigi Cecchini) ) werd geprepareerd met de voorloper van bloeddoping, dat was meegenomen. Anders had ik mogelijk niet van deze bijzondere atleten kunnen genieten. Ik heb nergens spijt van.

Sport is en blijft sport, en altijd met doping. Dat halen we nooit meer weg. Corruptie zit in de mens, die nu eenmaal altijd meer en hoger wil, en alleen maar nog beter wil worden en daarvoor alle middelen wil aangrijpen – ook verboden middelen. Sportiviteit is er alleen nog op zaterdagmorgen bij de hockeyveteranen, hoewel?

Mensen laten zich nu eenmaal betoveren en verblinden door topatleten, supermensen, mensen als Lance, door mensen die zij in hun eigen ellendige gewoonheid, saaiheid en geestelijke armoe, een goddelijke status toedichten. De voortdurende en toenemende (?) aanbidding van mensen die boven ons uitstijgen wat betreft talent en uitstraling, zegt meer over ons dan over supertalenten. Verering van mensen die meer kunnen dan wij ooit zullen kunnen,  is niet alleen eng, maar kan vooral gevaarlijk zijn. Mensen, zoals topsporters, die meer willen bereiken dan binnen hun mogelijkheden ligt, zijn ook riskant bezig. Ze verliezen zichzelf en kennen zichzelf niet meer. Topsport maakt meer kapot dan je (ons?) lief is.

Dat perfectionisme van Lance bijvoorbeeld was niet alleen overweldigend, maar ook eng.  Ik heb hem nauwelijks meegemaakt, zoals ik al schreef.  Maar toch. Ik mocht hem niet zo als mens, vooral sinds ik hem acht jaar geleden in een hotelkamer op een Amerikaanse tv-zender (public television) in een interview van een uur hoorde antwoorden op de vraag ‘waarom ga je niet golfen of kaarten?’  Lance: ,,Ik doe niet mee aan dingen en vooral niet aan sporten waarvan ik niet zeker weet dat ik win’’. Die blik in zijn ogen! Die angstaanjagend killersblik. Echte topsporters zijn killers, maar dit…. Alsof hij de zeer strenge interviewer na afloop ging vermoorden. Kil. Ik werd bang van hem, zo had ik nog nooit iemand uit zijn ogen zien kijken (ja, in een thriller op tv of zoals Anthony Hopkins als Hannibal Lecter in The silence of the lambs). En dan die lichaamstaal IK BEN ONOVERWINNELIJK. IK BEHEERS MIJN WERELD. Mijn vrouw, die meekeek, zei nog:  ,,Die man is gek.’’

Een volgende vraag was: ,,Zijn er mensen die met een man als jij, een bloedfanatieke winnaar, nog kunnen samenleven?” De glimlach op Lance’s gezicht werd een satanische grijns: ,,Natuurlijk, ik ben heel gelukkig met mijn familie.’’  Weer dat IK. En zij? Waren zij gelukkig met hem? De volgende vraag: ,,Waarom moet je alles winnen?’’ Lance: ,,Ik haat verliezen. Vooral sinds mijn ziekte wil ik nooit meer een loser zijn. Ik zal nooit meer verliezen. Dat weet ik zeker.’’ Toen maakte mijn angst voor die man plaats voor begrip, medeleven, zelfs een beetje medelijden.

In mijn selectieve herinnering weet ik nog dat de interviewer besloot met ,,Ik hoop dat je nog veel zult winnen, Lance.’’ Waarop Lance zei: ,,Ik zal je niet teleurstellen.’’ Dat ge-ik, ikke, ik, I, I, I, Me, Me (een uur lang) wees volgens mij op een ziekelijke afwijking… Het ging alleen maar over Us and Them. Megalomanie? Die man leefde (leeft) volgens mij in een kooi, een gekooid mens, dat als een getergde leeuw heen en weer raast. Wat een woede moet in dat lijf zitten.

Ik hoop dat hij nu zijn rust vindt, nu (bijna?) alles voorbij is. Hopelijk geeft hij de strijd met zichzelf en tegen de (hem vijandige) wereld op. Leugendetector? Kom op, Lance, doe jezelf een plezier, gun je zelf een rustig leven zonder strijd. Winnen is voor mij toegeven dat je kwetsbaar bent en nooit volmaakt kan en zal zijn. Blind streven naar perfectionisme is voor onvolgroeide, misschien verstoorde geesten.

Bergop fietsen is voor iedereen een kwestie van overleven

9 jul

Wielrenners, de klimspecialisten met name, wielrenners die zo snel mogelijk een berg willen beklimmen verkeren in een permanente staat van opwinding en waakzaamheid. Ze kijken gealarmeerd om zich heen, bespieden hun concurrenten, hun versnelling en kijken schichtig, angstig bijna naar de idiote mensen aan de kant van de weg. Ze voelen nadrukkelijk wat zich in het hoofd afspeelt, in hun lijf, in hun benen, hun armen, hun rug. Eigenlijk zijn ze bang om te voelen. Ze schakelen liever hun gevoel uit op weg naar het Grote Doel. Ze willen zo snel mogelijk omhoog. Daarboven is het te doen. Daar ligt vast en zeker de glorie, de eeuwige roem. Daar moeten ze zijn. Als ze daar de ultieme bevrediging niet vinden, waar dan wel?

Zo kijk ik ook naar wielrenners in de Tour de France. Gefascineerd door hun zoektocht naar de pijngrens, hun gevecht met de pijn, de pijn van zichzelf en die van de rivalen. En hoe ze boven komen om in de armen van de verzorgers, de bewonderaars en de journalisten te vallen. Kijk eens wat ik kan, wat ik heb gedaan, waartoe ik in staat ben! Mag ik nu asjeblieft een beetje water en nog liever een bevrijdende omhelzing als beloning? Met de dagprijs, de bolletjestrui, liefst de gele trui als bonus. Zo is topsport bedoeld.

Er zijn verschillende manieren om het gevecht met de berg aan te gaan. De een doet dat op pure kracht, op een zwaar verzet, met lange stampende pedaalslagen. Zoals Cadel Evans, de Australiër die voortdurend lijkt te bezwijken, maar altijd nog ergens kracht vandaan weet te halen. De Rus Denis Mensjov stampt alleen maar, zwoegend en zwijgend. En ineens is hij moe en haakt hij zwijgend af.  Anderen zoals de Britten Bradley Wiggins en Chris Froome of de afwezige Luxemburger Andy Schleck dansen met hun lange, slungellijven. Ze swingen. En dan is er nog de Spanjaard Alberto Contador, helaas ook afwezig, de koning van het ritme, de versnelling en het uptempo.  Dan is er de slimme Italiaanse sluiper Vincenzo Nibali, nooit een (lichte of zware) trap te veel. Hij wil niet alleen naar de top, hij wil ook weer naar beneden. Voor hem is de afdaling te ultieme uitdaging. Of de Belg Jurgen van den Broeck. Die knalt door een muur als het moet. Kracht, wilskracht, geen uitzonderlijk talent, maar wel fascinerend.

Zo heeft iedereen zijn eigen perceptie van het  klimmen. Zijn eigen fascinatie. Zijn eigen voorkeur. Wie er wint is niet belangrijk, als ik maar gefascineerd blijf.

Zo gefascineerd als ik was door een herhaalde documentaire op de Belgische televisie: Te Gek!? Van de Tour 2011XL. Een twintigtal mannen en vrouwen die ook op zoek zijn naar de ultieme bevrediging. Ook zij, mensen die allerminst over fietstalent beschikken, zag ik zwoegen, stampen en moeizaam dansen om de top van een Franse berg te bereiken. Of zij de top van de Galibier zouden halen wisten ze niet. Als ze maar bezig waren, met trappen en zuchten, met onophoudelijk zwaar en diep ademhalen, met overleven. Op een mistige bergweg waardoor ze niet zagen waar de top, het einde en de voltooiing lag. Overleven is hun beste vaardigheid geworden. Ze waren helemaal uit Brussel komen fietsen om in Frankrijk een onneembare berg te beklimmen. Gekkenwerk, zo beseften ze. Maar ze wisten dat als ze de top hadden gehaald, ze iets hadden bereikt wat ze niet voor mogelijk hadden gehouden. Het waren patiënten en ex-patiënten van een psychiatrisch ziekenhuis, geëscorteerd door hulpverleners en bekende Vlamingen zoals schrijfster Kristien Hemmerechts, muzikant Guy Swinnen, de zangers Helmut Lotti, Guido Belcanto en ex-profwielrenner Serge Baguet.

Het was een initiatief van Te Gek!?, een Vlaamse projectorganisatie (http://www.sad.be/tegek/) die zich inzet voor de bewustwording en acceptatie van geestelijke gezondheidsproblemen. Daaruit kwam al een televisiereeks en diverse goed in België verkopende verzamelde cd’s voort.  Zanger Guido Belcanto (zie hem hier met de legendarische klimmer Marco Pantani zingen: http://www.youtube.com/watch?v=763Jey2xu3E&feature=related) vertelde in de documentaire dat hij drie jaar lang zwaar depressief was geweest en in die periode driemaal in een kliniek was opgenomen. En hoe zwaar het hem viel dat leed met anderen te delen. Sterker nog: hij kon het niet. Toen Guido Belcanto (https://www.facebook.com/GuidoBelcanto) daarentegen een keer van een knieoperatie moest herstellen, kwam hij in een warm bad van steunbetuigingen en begrip terecht. Iedereen vroeg hem naar zijn gezondheid. Maar met zijn depressie en zijn opname wist niemand raad. Ze wendden zich van af van wielerliefhebber Belcanto  (http://www.youtube.com/watch?v=NZW5sT5Xh_A&feature=youtu.be). Niemand die er over durfde te spreken met hem. Om met Kristien Hemmerechts te spreken: ‘Over psychische problemen praat men niet, wie ziek is in zijn hoofd wordt aan zijn lot overgelaten.’ Daar is Te Gek al in 2004 voor opgericht, een initiatief van het psychiatrisch ziekenhuis Sint-Annendael in Diest. Om de negatieve beeldvorming te doorbreken. Zo worden er concerten, tentoonstelling, televisieprogramma’s en een Touretappe georganiseerd. Deze week gaat er weer een etappe van start in Tous fou pur le Tour. Doel: De beklimming van de Tourmalet.

Een documentaire ter relativering van alles wat ik eerder die dag had gezien tijdens de eerste bergetappe van deze Tour? Ik weet het niet. Maar wel rijst bij mij de vraag: Wie is er hier nu gek? Die zwaar getrainde mannen die als bezeten een berg op fietsen ter meerdere eer en glorie van zichzelf? Of die patiënten van het psychiatrisch ziekenhuis, met hun zware lijven en loodzware hoofden? Wat ik zeker weet: het zijn allemaal mensen, allemaal op zoek naar vrede met zichzelf. Allemaal willen ze overleven.

De Tour is een groot drama

6 jul

De Tour de France trekt drama’s aan, alsof ze niet zonder kan. Alsof ze niet gewoon een wielerwedstrijd is die ruim drie weken in beslag neemt. Alsof ze niet zonder verhalen kan die niet over de wedstrijd gaan. Wel of niet verzonnen, wel of niet opgeblazen door de media. Frankrijk is gedurende drie weken een groot theaterstuk met de meereizende journalisten als vertellers van verhalen.

Een val van een of meer renners wordt tot in de diepste details geanalyseerd. Amechtig wordt gezocht naar de schuldige tuimelaar, mede dankzij de alom aanwezige televisiecamera’s op motoren en in helikopters. De daarop volgende woordenwisseling tussen de schuldige en de slachtoffers wordt ruim in beeld gebracht en als het even kan ’s avonds in een analytisch televisieprogramma breed uitgemeten. Een tussensprint is niet maar een tussensprint. Een demarrage of vluchtpoging lijkt een voorbode voor ongekende opwinding. Een eindsprint is de ultieme opwinding. De verslaggevers roepen om het hardst de naam van de winnaar. En dan moeten de bergetappes nog komen en moet de Tour eigenlijk nog beginnen. Want de favorieten houden zich vooralsnog kalm en blijven ver van het strijdgewoel. Zij doen nog niet mee. Sommigen doen helemaal niet meer mee, uitgeschakeld door een val. Dat is pas drama.

Deze week overleed een wielrenner die niet aan de Tour de France meedeed. Hij was aanwezig als gast, trad op in een televisieprogramma en was de volgende ochtend dood. Een 30-jarige Belg, Rob Goris, die bij niemand buiten het peloton bekend was. Een trieste gebeurtenis, waar iedereen in de Tour door geschokt was. Een drama, dat buiten normale proporties kreeg omdat het in de Tour gebeurde.  En toen bleek ook nog dat zijn vriendin een kleindochter was van Rik van Looy, winnaar van zeven klassiekers en twee wereldtitels. Alsof alles van  de wielersport in de Tour de France samenvalt. Het wielrennen, de triomf, de liefde en de dood.

Als er geen sprake is van drama, wordt wel van iets of iemand een drama gemaakt. Alsof het draaiboek al klaar lag. In de Tour krijgt je immers de meeste aandacht in de media. Want alleen de wedstrijd, wie als eerste aankomt, is niet dramatisch genoeg. Ineens duikt een verhaal op over een oud-winnaar, de zevenvoudige winnaar Lance Armstrong. Oud-ploeggenoten van de omstreden Amerikaan zouden tegen Armstrong hebben getuigd in ruil voor korte straf aan het einde van het wielerseizoen. Niemand wil het verhaal bevestigen, niemand zegt ervan te weten. Alleen de boodschappers (vier Europese kranten, waaronder De Telegraaf) beweren over een betrouwbare bron te beschikken. De bron mag (uiteraard) niet worden prijsgegeven. Misschien een tipgever die garen spint bij een vrijspraak van Armstrong? Iemand als Johan Bruyneel misschien, de voormalige ploegleider van Armstrong die columnist is bij enkele van deze kranten?

Het verhaal was nog niet gepubliceerd of alle andere media sloegen alarm, ondervroegen mogelijk betrokkenen of vermeende bronnen. De kudde van de Tour de France sloeg op hol en lijkt voorlopig niet meer te stuiten. Wat een drama, wat een theaterstuk. Wat is er van waar? Maar bijna niemand in dat rondreizende circus die relativering durft aan te brengen of echt op onderzoek uit gaat. Als er toch niemand is die het verhaal kan bevestigen, is het toch geen nieuws? Klopt, maar elke krant, elk televisieprogramma, elk radioprogramma, elke verslaggever, elke commentator  en elke hoofdredacteur holt mee met de kudde. Ze moeten wel, het gaat tenslotte om de Tour de France. Alles is nieuws in de Tour. Elk gerucht is nieuws. Bovendien is er verder geen belangrijker nieuws in de wereld. ,,Gazettenpraat”, citeerde Hugo Camps in NRC Handelsblad Eddy Merckx. Tja, zelfs ik besteed er nu aandacht aan. Waarom? Heb ik niks beters te vertellen over de Tour de France? Vast wel, maar nu even niet.

Wat zou de Tour de France zijn zonder deze drama’s, zonder deze (opgeklopte, verzonnen, sterke, geënsceneerde) verhalen, zonder deze opwinding? Dan zou de tour slechts slechts een wielerwedstrijd zijn die na drie weken eindigt in Parijs.

Ik citeer Antoine Blondin (1922-1991), de chroniqueur die tussen 1954 en 1982 dagelijks een column schreef in L’Equipe.  ‘Oppervlakkig bezien is de Tour gewoon een wedstrijd, maar de wortels ervan gaan heel diep. De ronde vormt een feestelijke verbintenis van tijd en ruimte. Zij volgt de route op een landkaart, maar het is haar eigen geschiedenis die haar draagt. Zo bevat elke nieuwe oogst de herinnering aan de opbrengsten uit het verleden. Of men wil of niet, de Tour heeft een soort cultuur voortgebracht en zet voortdurend aan tot gevoelens van saamhorigheid en verbondenheid die mensen ook ondergaan als ze het zelf niet eens beseffen. Daaruit volgt dat wielrennen, een sport die mensen aan landschappen, persoonlijkheden, en aan klimaat en geografie verbindt, over zijn legendarische topografie beschikt. Waar het op neerkomt is dat de wielersport de grondslag vormt van een civilisatie die kan worden overgedragen, van een wereld die iemand die ertoe doordringt meer geeft dan dat van hem geëist wordt. Het zijn natuurlijk de renners die dit universum doen voortbestaan. En ook de volgers…… Je wordt opgenomen in een groot systeem dat ver boven je uitstijgt.’

Wie de Tour volgde ten tijde van Blondins kronieken moest (hoe moeilijk zijn Frans ook voor niet-Franssprekenden was) de column lezen. Niet om weer met beide benen op de grond te komen, maar om de wereld waar je deel van uitmaakte te leren begrijpen en waarderen. Ook renners probeerden Blondin te begrijpen, om iets van zichzelf en hun drijfveren te kunnen bevatten. Om te herkennen wie ze waren en van wat voor systeem zij deeluitmaakten

Het geeft misschien geen pas cynisch te doen over wat zich in de Tour de France afspeelt en hoe er over bericht wordt. Wie niet in de Tour is, weet niet wat er in de Tour gebeurt, welke mechanismen er in werking treden, hoe ver je als deelnemende reiziger van de grote wereld bent afgesloten. Niets dringt tot je door wat zich buiten de Tour en het peloton afspeelt. Armoe, crisis, politiek, andere sporten, die leven niet in de Tour. Je reist dagelijks van aankomst naar finish, van hotel naar hotel, en spreekt slechts lotgenoten. Allen samen in de Tour, allemaal behorend tot dezelfde wereld, met dezelfde gespreksonderwerpen, dezelfde verhalen. Waar of niet waar. Sterke verhalen maken de stemming. De Tour is een groot drama.

Hoe mijn zintuigen mijn (eigen) mening vormden

2 jul

Geen sport maakt zoveel primaire reacties los als voetbal. Eén mooie actie of één mooi doelpunt van een speler kan al leiden tot een ongekende euforie. Met impulsieve kwalificaties als ‘nog nooit vertoond’ of ’de beste aller tijden’. Overwinningen, nederlagen, acties, bewegingen, combinaties, doelpunten, overtredingen, titels, eliminaties, coaching. Urenlang wordt er over gepraat, in de huiskamer, in het café, in de televisiestudio, voor de radiomicrofoon. Je hoeft er geen verstand van te hebben om mee te praten en zowaar zinnige dingen te zeggen – hoe primair ze ook zijn.

Voetbalbeleving is subjectief. Vooral een kwestie van smaak. Het is niet of nauwelijks een kwestie van verstand of kennis. Wie een andere mening cq smaak heeft dan de meerderheid heeft er al gauw geen verstand van. Wie niet meegaat met de kudde, wordt tot domoor of zelfs vijand verklaard. Wie in Nederland niet voor Oranje is of een overwinning van Oranje niet verdiend vindt of het spel niet kan waarderen, die hoort er niet bij. Die wordt in het café overgeslagen, uitgescholden of erger. Dat is de voetbalmores. Vreemd, over muziek en kunst mag je alles zeggen, zonder dat je vijandig wordt bejegend.

In die sfeer heeft de afgelopen maand het Europees kampioenschap plaatsgehad. Niet dat ik die sfeer afwijs. Het is zoals het is. Ook ik oordeel en veroordeel graag. Ik heb immers ook smaak én een mening. Ik heb mijn eigen zintuigen, mijn eigen ogen, mijn eigen gevoel, mijn eigen hart, mijn eigen voorkeur. Waarom ik zo ben, weet ik niet precies. Het is nu eenmaal zo. Soms wil ik anders zijn dan ik ben, wil ik iets anders voelen dan ik voel en iets anders zien dan ik zie. Een therapeut heeft me in mijn diepste identiteitscrisis eens gevraagd waarom ik me niet bij de kudde (de meerderheid) aansloot: lekker veilig, omringd door gelijkgestemden. Hoezo? Ik wil mezelf zijn. Hoe lastig dat ook is: mezelf zijn, met mijn eigen smaak en mening. Ik ben ik.

Ik (ik) hou dus van solisten in de sport, ook in teamsporten als voetbal. Spelers, atleten, wielrenners, basketballers, hockeyers, golfers, die anders zijn, die zich onderscheiden door hun eigen acties, hun eigen gedrag, hun eigen (uitzonderlijke) vaardigheden. Ze kunnen lastpakken zijn, onbegrepen talenten, Einzelgänger, loners en losers, sporters die in hun eentje de wereld proberen te veroveren. Ja, ik heb dus de afgelopen weken ook genoten van de in Italië om zijn huidskleur al jarenlang verguisde Mario Balotelli, al schitterde hij maar anderhalve wedstrijd met drie fraaie doelpunten. Opmerkelijk gegeven: Balotelli liep in 2006 stage bij de jeugd van Barcelona op La Masía. Hij verhuisde naar Barcelona met zijn Italiaanse pleegouders. Hij schitterde er en scoorde in een wedstrijd zelfs vijf keer. Hoewel hij indruk maakte in Barcelona, wilde de club de toen 16-jarige Italiaan niet, omdat ze liever Spaanse talenten een contract gaven. Dit las ik zaterdag in de Spaanse krant El Mundo Deportivo. Met bevestigende reacties van oud-spelers en trainers. Niet alleen daarom hoopte Balotelli in de finale tegen Spanje te scoren. Balotelli, van loser en loner tot teamplayer

Wat te denken van die andere oud-speler van Barcelona, Zlatan Ibrahimovic? Ik genoot soms ook van hem, nors, gemeen, onberekenbaar  en met een winnaarsmentaliteit. Van oorsprong een rebellerende loner, nu aanvoerder van het Zweedse team. Ik genoot van Andrea Pirlo omdat hij anderen beter kan laten voetballen, en in het heetst van de strijd met een stiftje (cucchiaio in het Italiaans, een lepel) een strafschop  maakt . Dat is durf, het avontuur zoeken. Zoals ik van Andres Iniesta kan houden, omdat hij in zijn eentje een aanval opzet, een ander daar in betrekt en zelf de aanval afrondt. En hoe de doorgaans spijkerharde Sergio Ramos liet blijken echt goed te kunnen voetballen en de beste verdediger van het toernooi werd met zowaar slechts een handvol overtredingen.

Ik heb getreurd met Mesut Özil. Ik zag in zijn ogen het verdriet van een voetballer die maar niet kon spelen én winnen zoals hij en heel Duitsland wilde. Ik raakte onder de indruk van de oude doelman Gianluigi Buffon die zoals altijd uit volle borst en diep geroerd het Italiaanse volkslied meezong. De reden? Omdat zijn grootouders in de Tweede Wereldoorlog zijn omgekomen. Ook hij wilde sterven voor Italië. Zo had hij al eerder verklaard. Er was zoveel leed, verdriet en blijdschap dat ik zintuigen te kort kwam om het allemaal te verwerken. Het voetbal was niet altijd boeiend. Spanje speelde tot de finale niet zoals ik hoopte en verwachtte, vaak te plichtmatig, een beetje te veel zaalvoetbal. Hun spel in de finale maakte heel veel goed, al waren de Italianen toch duidelijk te vermoeid om weer te vlammen.

Gezien hoe de Italiaanse coach Cesare Prandelli zijn diep teleurgestelde spelers een voor een opraapte en tussendoor de Spanjaarden feliciteerde? Prandelli heeft ooit als coach van Fiorentina voorgesteld na afloop voor de tegenstander te applaudisseren. Gezien hoe Prandelli na afloop op Balotelli inpraatte en diens hoofd in zijn handen nam en zei: ,,Jij hebt de afgelopen weken laten zien dat je als mens bent gegroeid. Je doet er echt toe, ga zo door.”?  Wat een humane coach, zo zie ik er maar weinig in het hedendaagse voetbal.  Samen met mijn idool van vroeger Roberto Baggio (boeddhist) heeft hij het Italiaanse spel willen veranderen, aanvallender, avontuurlijker, plezieriger om naar te kijken, humaner ook, liefst zonder overtredingen. Baggio is technisch directeur van de Italiaanse voetbalfederatie. Baggio besteedt op de eigen website overigens enkel aandacht aan de Europese reis van Aung San Suu Kyi, de voormalige Birmese oppositieleidster en winnares van de Nobelprijs voor de Vrede. Baggio zette zich de voorbije jaren sterk in voor haar vrijlating: lees  www.robertobaggio.com

Veel is de afgelopen maand gesproken over de mentaliteit van spelers, over de teamgeest of het ontbreken ervan, en over ego’s. Nog lang nadat Oranje was uitgeschakeld en de spelers al woedend en verdwaasd op het strand lagen, werd zoals het in een praatcafé betaamt door zogenaamde deskundige analisten op televisie en radio gediscussieerd over de oorzaak van het falende Nederlands elftal. Over spelers die te veel met zichzelf bezig waren, vooral zelf wilden schitteren, maling aan coach Bert van Marwijk hadden of niet in de vereiste lichamelijke conditie verkeerden, uitgeblust dus. Urenlang lag ik op mijn bank te luisteren naar weer een ongefundeerde mening. Inderdaad, zoals ze het in de kroeg doen. Veel meningen en smaken, maar niemand die het echt weet. Alle kranten suggereerden het lek te weten, nota bene zonder bronvermelding.  Wie niet publiekelijk (met naam en toenaam) uit durft te komen voor zijn mening is ongeloofwaardig. Dus ook het medium/krant. Dus wat moet ik ermee? Roddeljournalistiek dus. Dat vind ik. Maar wat is de (echte) waarheid? Over een coach zonder gezag, over spelers die elkaar niets gunden, over privileges, over ego’s. Ja, vast wel, niets nieuws.

Vreemd dat ik niets heb gehoord of gelezen over de afwezigheid van een sportpsycholoog bij Oranje. Een man die al sinds bijvoorbeeld het WK in 2010 de groepsdynamiek had kunnen begeleiden, spelers en coaches met elkaar had laten praten en denken over Het Doel. Hoe ze dat kunnen bereiken, hoe ze met stress en tegenslag kunnen leren omgaan. Een die de coach bijstaat en een speler leert zichzelf te coachen. Dus niet pas een psycholoog in de begeleiding opnemen vlak voordat het toernooi gaat beginnen. Gewoon een man die al jaren steevast tot de technische/medische staf behoort. Een procesbegeleider. Zoals bij de Duitsers, de Engelsen, de Italianen en bij de Spanjaarden. Niet dat dan succes is verzekerd, maar veel leed tussen doorslaande ego’s zou voorkomen kunnen worden of gehanteerd.

Spelers met een ego heb je in elk team. Dus ook bij de Italianen en de Spanjaarden. Ieder mens heeft een ego, op boeddhistische monniken na die jarenlang hebben geoefend zich los van hun ego te maken door dagenlange meditaties. Het hele team van Spanje bestaat uit spelers met (een) ego. Een voetballer zonder ego haalt niet de top, dus ook niet het nationale team. Wie niet in zichzelf gelooft, het beste uit zichzelf haalt, veel met zichzelf bezig is en met zijn ego is begaan, dus ijdel is, die wordt niet kampioen, ook niet met een team. De kunst van  de coach in samenwerking met bijvoorbeeld (sport)psychologen is van al die spelers met een (te groot) ego een hecht team te maken. Natuurlijk hebben Xavi en Iniesta een ego. Net zoals Ramos, Casillas, Xabi Alonso (en de Argentijn Messi). Wie niet? We wil niet het beste voor zichzelf? Zij hebben geleerd ermee om te gaan en hun ego te delen met een ander. Wie alleen een goed linkerbeen heeft, vraagt hulp bij iemand met alleen een goed rechterbeen. Wie het niet goed kan zien, zoekt iemand die je kan helpen het wel goed te zien. Dat vraagt veel oefening, en ook oefening in nederigheid, oefening in je verplaatsen in anderen, oefening in krachten bundelen. Discipline, als een boeddhistische monnik bijna. Moeilijk, inderdaad. Om met Johan Cruijff te spreken: ,,Je ziet het pas als je het door hebt.”

Zo heb ik op mijn eigen manier kunnen genieten van het EK voetbal. Ik leefde op mijn eigen manier mee met wat ik zag en voelde bij een bepaalde actie of doelpunt. Zo zou ík het hebben gedaan, dat had ík anders gedaan, zo zou ík het nooit hebben gekund. Dat is wat mij in topsport aanspreekt: die mensen (voetballers, wielrenners, hardlopers en golfers) doen iets (een bijzondere vaardigheid) wat ik niet beheers. Daar ben ik te beperkt voor, net als al die andere miljoenen liefhebbers die in het stadion, in de huiskamer, in het café of voor een scherm op het marktplein toekijken. Ieder zijn talent, ieder zijn beperking. Dat onderkennen maakt naar topsport kijken boeiend.

Voetbal zonder verrassingen en avonturiers boeit niet

30 jun

De bal is en blijft rond, en kan daardoor alle kanten op rollen. Zo is het altijd geweest, zo moet het blijven. Niets is dodelijker voor sport in het algemeen en voetbal in het bijzonder dan voorspelbaarheid. Systemen volgens computerberekeningen rukken op, televisieanalyses zullen steeds meer worden gebruikt om de fouten te herkennen en recht te zetten. Nog even en er worden voetballers gekweekt, zoals in het communistisch systeem met sportmensen werd geëxperimenteerd. Steeds meer trainers willen dat het gras altijd egaal is, altijd kort gemaaid en besproeid, ze willen dat elke bal rolt zoals hij moet rollen. Ze willen dat elke voetballer speelt zoals hij volgens de computeruitdraai moet spelen.

Ik ken voetbaltrainers die daar al vaak over nagedacht hebben. Louis van Gaal wilde het perfecte voetbal. Hij wil dat waarschijnlijk nog steeds, al is hij door schade en schande wijzer geworden. Met Ajax bereikte hij medio jaren negentig het perfecte niveau. De manier waarop hij zijn ploeg liet spelen was vaak voorspelbaar. Ik vond het saai, niet sprankelend, niet avontuurlijk, niet onvoorspelbaar genoeg. Maar dat mocht ik niet schrijven van de Nederlandse liefhebbers in het algemeen en die van Ajax in het bijzonder. Op weg naar de finale van de Champions League in Wenen, waar Ajax mijn favoriete ploeg AC Milan versloeg (met de door mij bewonderde Dejan Savicevic), werd mij door Ajax (lees: Van Gaal) een plaats in het vliegtuig met Nederlandse voetbaljournalisten geweigerd.

Ik had het hele seizoen alle Ajax-wedstrijden in Nederland en in Europa gevolgd. Dus waarom geen plaats in het vliegtuig. Tja, ik was te negatief. Van Gaal bedoelde: niet pro-Ajax. Zo begreep ik later via een bevriende Ajax-begeleider. Hij wilde alleen positieve energie om zich heen. Begrijpelijk vanuit zijn standpunt. Bemiddeling van de sportjournalistenbond NSP haalde niets uit. Ik moest reizen met de andere, algemene verslaggevers – niet-voetbaljournalisten dus. Zo erg vond ik dat nu ook weer niet. Liever op mijn eigen afstandelijke, neutrale positie dan in de armen van Van Gaal en beïnvloed te worden door te veel Ajax-energie. Erger vond ik dat Savicevic niet kon meespelen bij AC Milan. Vlak voor de wedstrijd meldde Tom Egbers mij dat vanaf het veld, omdat hij wist dat ik een bewonderaar van Savicevic was. Ik was teleurgesteld. Juist zo’n technische, onvoorspelbare voetballer hoorde die avond te schitteren. Zoals hij met AC Milan in de finale van de Champions League van 1994 in Athene met onder meer een fameuze boogbal het zogenoemde Dream Team van Barcelona (trainer Johan Cruijff) vernietigde: 4-0. The night the dreamteam died.

Ajax versloeg in Wenen Milan. Het was een spannende wedstrijd, het spel was technisch allerminst hoogstaand. Het resultaat (1-0) vergoedde veel voor Ajax. Het was gelukkig geen voorspelbaar resultaat, het was ook niet helemaal zoals Van Gaal bedoeld had. Maar zijn ploeg won, hij won. En dat was de gedreven perfectionist echt gegund. Ik mocht terug in hetzelfde vliegtuig als de spelers, de trainers, de bestuurders en de Ajax-journalisten. Toch had ik een onbevredigend gevoel. Ik had Savicevic willen zien schitteren. Ik had me willen ergeren aan de Montegrijnse tovenaar, me willen verbazen en me willen laten betoveren door een van zijn vele briljante, onvoorspelbare acties. Zoals in de nacht van Athene.

Woensdag zag ik Spanje-Portugal. Ik rekende op Xavi, Iniesta, Dani en vooral op Ronaldo. Ik wilde een wedstrijd waarin iets (veel) gebeurde wat ik niet verwachtte. Maar op enkele momenten van Iniesta na, en een spaarzame actie van Ronaldo, gebeurde er niets. Ik zag hoe Spanje probeerde zijn bewierookte, perfecte combinatiespel probeerde te spelen. En ik zag hoe dat vakkundig werd ontregeld door de Portugezen. Niet zoals Chelsea dat met Barcelona deed, maar zonder noemenswaardige overtredingen. Spanje speelde, zoals Barcelona de laatste maanden, bijna voorspelbaar. Tik-tak-tik, draaien, keren, terug, terug, draaien, tik-tak-tik, draaien, terug. Schaken dus. Saai dus. Ik kende dat nu wel. Maar ik wilde actie, een onvoorspelbare beweging, een doelpunt zoals ik nog niet had gezien. Een schot van afstand, of zo. Spanje speelde voorspelbaar, zoals Barcelona dat steeds meer doet. Spanje speelde dan ook zonder Messi, een Argentijn. Die is avontuurlijk en onttrekt zich aan de combinatiemachine. Spanje won, dankzij strafschoppen. De mooiste strafschop was van Sergio Ramos, de doorgaans spijkerharde verdediger zonder bijzondere technische vaardigheden. Hij scoorde onvoorspelbaar mooi. Mooi toch!

Een dag later speelde Duitsland tegen Italië. De Duitsers moesten het perfecte spel van coach Joachim Löw spelen, zoals ze dat geleerd hadden door er veel over te lezen, te praten en op te trainen. Aanvallen, counteren, vrij spel, enthousiast spel, zoals dat door Löw in de statuten van de Duitse voetbalbond staat vastgelegd. Het Duitse voetbal moest in Warschau van het Italiaanse voetbal winnen. Want een plaats in de finale en daarna de titel zou de  voetbalwereld bevrijden van vastgeroeste ideeën. Winst zou de Duitse voetbalcultuur, waarin het sociale element de boventoon voert, de voetbalwereld op weg helpen naar verandering. Maar Duitsland verloor. De ploeg was machteloos tegen de Italianen. En zo dringt de boodschap van Löw en de Duitse voetbalbond niet door tot de dichtgespijkerde hoofden van de voetbalanalisten, voetbalbestuurders en regeringsleiders. Zo blijft het fascinerende boek van Raf Willems Het Mannschaftswunder mogelijk op de schappen liggen en kunnen de kortzichtige analisten op tv, radio en in de kranten gewoon door blijven gaan met oeverloos kakelen en ongefundeerde, niet op feiten gebaseerde boodschappen verkondigen. Sociaal element? Hoezo? Statutair vastgelegde opleidingen en spelpatronen? Hoezo? Schoon spel? Hoezo?

Het moet gezegd, de visie van Löw en de zijnen neigt naar het perfecte voetbal. Niet voor niets heet Löws biografie Joachim Löw und sein Traum vom perfekten Spiel. Löw vertoeft urenlang achter de computer om zijn spel tevoorschijn te toveren. Duitsers moeten spelen volgens bepaalde door hem aangestuurde vastgelegde regels. Nu, na de nederlaag, zullen de conservatieven in Duitsland terug willen grijpen naar de oude speelwijze. Of de huidige speelwijze nu wel of niet statutair is vastgelegd. En het is waar, de piepjonge Duitse verdedigers grepen niet krachtdadig in bij de Italiaanse doelpunten. Ze hadden geleerd geen overtredingen te maken en niet de botte bijl te hanteren. Vroeger zouden Duitse verdedigers dat wel hebben gedaan. De namen zijn bekend. Was dit schwulenfussball (homovoetbal), zoals in Duitsland nota bene is beweerd over het vredelievende softe voetbal dat Löw propageert? Die bejegening kan zomaar weer in Duitsland worden gebezigd de komende tijd.

Niet voorspeld was de finaleplaats van Italië. Dat is nu het mooie aan voetbal. Dat de door Milan afgeschreven 33-jarige Andrea Pirlo bij Juventus dankzij coach Antonio Conte als vanouds schitterde en zich nu in de Squadra ontpopt tot de beste speler van het toernooi. Met dank aan Cesare Prandelli, de 54-jarige coach van Italië. Een man die na het verlies van zijn vrouw de wereld beter is gaan begrijpen en zich nu inzet voor campagnes tegen racisme, discriminatie en homofobie. Hij hanteert voor zijn spelers een ethische code voor fatsoen en sportiviteit. Overtredingen, zoals ze vroeger gemeengoed waren in Italiaanse ploegen, verafschuwt hij. Voetbal moet verbroederen, een beetje zoals Löw dat graag ziet.

Zoals Prandelli met lastige, moeilijk opvoedbare jongens als Antonio Cassano en Mario Balotelli omgaat, is bewonderenswaardig. Vooral Balotelli, die alleen in zijn coach bij Inter en nu Manchester City Roberto Mancini vertrouwen heeft, wordt door hem met liefde behandeld. Hij spreekt Balotelli toe zodra hij zich weer te buiten is gegaan aan vreemde capriolen. Hij straft niet. Opvoeden is liefhebben, en niet zoals de voetbalwereld altijd roept: straffen en wegsturen.  Dat is pedagogiek en psychologie van de koude grond, die Prandelli niet kent.

Coachen met affectie, dat is modern coachen. Daar worden mensen/sporters beter van.

Balotelli is onberekenbaar. Daarom waren de twee doelpunten, met de zeldzame kanonskogel als hoogtepunt, zo mooi. En dat gedrag met zijn gespierde bovenlijf is  toch prachtig als schouwspel. Voetbal heeft avontuur nodig. Geniale gekken worden ze wel genoemd. Mensen die anders zijn, dat willen we toch? Geen trekpoppen met mediatraining.  Romario, Maradona, Ronaldino, Ronaldo, Balotelli en nog een paar. Samen met geniale artiesten als Pirlo en Iniesta maken ze het voetbal toch fascinerend. Voetbal mag niet voorspelbaar worden. En dat geldt voor alle sporten. Weg met de computers, leve het avontuur en de romantiek.  Wild Romance.

 

De nieuwe Duitse voetbalcultuur, dankzij Joachim Löw

27 jun

Morgen spelen de teams van Duitsland en Italië tegen elkaar in de halve finale van het Europees kampioenschap. Ik weet niet voor welk land ik  in dit geval ben. Ik ben al mijn halve leven gek op Italianen, op Italiaans voetbal en op Italiaanse spelers. Van AC Milan dat in 1963 de Europa Cup won, met mijn eerste idool Gianni Rivera (die ik in 1995 nog eens als parlementslid interviewde).  Van Giancarlo Antognoni, Bruno Conti, Mario Corso, Roberto Baggio, Gaetano Scirea tot Paolo Maldini en Andrea Pirlo – en de heerlijke, gepassioneerde Roberto Baggio, die nu de inspirator is van het nieuwe Italiaanse voetbal, en van bondscoach Cesare Prandelli. Nu mag Italië van mij weer winnen, alleen al omdat  Prandelli zo’n geweldig mens is – met bovendien Italiaanse uitstraling.

Duitsland mag van mij winnen, omdat de nieuwe Duitse voetbalcultuur me aanspreekt. Ik ben geraakt door de manier waarop bondscoach Joachim Löw de Duitsers nieuw leven heeft ingeblazen. Een man zonder groot ego. Löw is bescheiden. Zo blijkt, wanneer je Duitsland ziet spelen, de boeken leest over de nieuwe Duitse voetbalcultuur (de biografie van Löw: Joachim Löw und sein Traum vom perfekten Spiel) en getuige bent geweest van wat zich de laatste jaren in Duitsland afspeelt.

Ik ben altijd een bewonderaar geweest van Günter Netzer, in de jaren zestig en zeventig. Nu geniet ik van Mesut Özil, ook bescheiden en een speler die als weinig anderen fijnzinnig kan voetballen. Duitsland is meer dan voetbal op het veld. Duitsland ademt voetbalcultuur. Duitsland heeft het voetbal opnieuw uitgevonden. En zeker niet met dank aan de Nederlanders, zoals ik hardnekkig kortzichtig hoor en zie vertellen op de Nederlandse televisie (altijd weer die Nederlandse hoogmoed). In Duitsland leeft voetbal, zowel binnen en buiten de stadions. Met dank aan Berti Vogts, Jürgen Klinsmann en vooral Joachim Löw. Zij overtuigden zowel de Duitse voetbalbond als de Duitse regering ervan dat voetbal alle mensen verbindt. Door attractief, aanvallend voetbal en door activiteiten waar alle mensen in Duitsland plezier aan beleven. Activiteiten waardoor mensen elkaar leren begrijpen, georganiseerd door voetbalinstituten, voetbalstichtingen, voetbalclubs en voetbalsupporters, alle aangestuurd door de Deutscher Fussball Bund.

Klinsmann en Löw gaven de aanzet in 2004. Klinsmann vond dat Duitsers zich moesten openen, de héle wereld moesten leren kennen. Löw zocht naar een speelstijl waar mensen plezier aan beleefden. Aanvallender, opener, frisser, vrijer, artistieker, sportiever, minder grof, met minder overtredingen, met jonge spelers die plezier aan voetbal beleefden. Hij analyseerde Braziliaanse, Spaanse, Franse, Engelse, Italiaanse, Zwitserse en natuurlijk ook Nederlandse speelstijlen en keek wat er bij Duitsers paste. Zo ontstond Das schöne Spiel, het voetbal dat overal in Duitsland gespeelde diende te worden. Het werd statutair vastgelegd. Alle Duitse clubs en opleidingen moesten Das schöne Spiel hoog in het vaandel hebben staan. En dat is nu het geval, al sputtert Bayern München onder leiding van manager Uli Hoeness tegen. Die club heeft geld en koopt bij voorkeur spelers van andere (Duitse) clubs. Daarom is het goed dat Borussia Dortmund al twee keer achterelkaar landskampioen is geworden, de club met de meeste supporters, het leukste voetbal en de meest enthousiaste trainer, Jürgen Klopp. Veel Duitsers waren niet eens teleurgesteld dat Bayern de finale van de Champions League verloor. Bayern is een van de meest gehate clubs van Duitsland.

Ook is statutair vastgelegd dat elke Bundesligaclub een sterk sociaal element in zijn visie op voetbalbeleving moet naleven. De Deutscher Fussball Bund DFB (http://team.dfb.de/de/unsere-welt-/trainieren-wie-wir/taktik/technik/spielphilosophie/page/1016.html?1340786719&32&32), met zes miljoen leden de grootste sportbond ter wereld, werkt nauw samen met de Bondsregering en probeert in alle geledingen van de samenleving te infiltreren. Campagnes tegen racisme, geweld, discriminatie, homofobie en druggebruik worden gevoerd, met voetbal als bindmiddel. Toernooien in straatvoetbal, gehandicaptenvoetbal, werklozenvoetbal, muziek- en filmfestivals, en lezingen over integratie  zijn schering en inslag. Voetbal leeft overal als kunst van samenspel en verbroedering.

De DFB-Kulturstiftung organiseert wekelijks een festival of evenement, waarin de relatie voetbal-kunst-maatschappij centraal staat. Opvallend fenomeen is het nationale schrijverselftal, die Autorenmannschaft. Voetballende schrijvers en dichters, geen schrijvende voetballers dus, spelen eens per jaar voor een goed doel tegen een ander gelegenheidselftal, bestaande uit bijvoorbeeld politici. Dankzij de Kulturstiftung gaf bondscoach Löw een lezing op de Frankfurter Buchmesse van 2011 over integratie. Aanwezig waren Turkse en Afrikaanse Bundesliga-voetballers.

En dan is er de Deutsche Akademie für Fussball-Kultur (http://fussball-kultur.org/), dat kantoor houdt in Neurenberg. Wekelijks organiseert zij lezingen en thema-avonden over voetbal in relatie tot kunst, politiek en maatschappij. Er zijn avonden georganiseerd over homofobie, het Duitse voetbal in de Tweede Wereldoorlog en over de zin en onzin van een EK in Polen en Oekraïne. Begin mei werd door wetenschappers, voetballers, politici en nabestaanden aandacht besteed aan relatie tussen Duitsland en Israel. Op een avond in het Dokumentationszentrum in Neurenberg, het voormalige Reichsparteitagsgelände, bleek dat voetbal, voetballers en trainers deze landen begin jaren zestig weer tot elkaar had gebracht.  Tranen vloeiden bij mensen die de oorlog hadden meegemaakt toen de Israëlische voetballer van FC Nürnberg Almog Cohen zei dat hij zo goed was opgevangen bij een Neurenbergs gastgezin. En ook toen de  bejaarde voorzitter van de Israëlische cultuurvereniging tenslotte opstond en zei: ,,Als de mensen die dit gebouw neerzetten wisten dat hier nu een Israëlische voetbalinternational discussieert, zouden zij zich als ventilatoren in hun graf omdraaien.’’

Betrokkenheid, het bewustzijn van datgene wat voetbal teweegbrengt en kan betekenen voor de samenleving. Voetbal is meer dan voetbal in Duitsland. Ollivier Tietz van de DFB-Kulturstiftung vertelde over het Fanprojekt van Borussia Dortmund. ,,Uit eigener beweging is een supportersclub naar een monument gegaan dat is opgericht ter nagedachtenis aan Joodse slachtoffers in de Tweede Wereldoorlog’’, zei hij na de vertoning van een documentaire over het bezoek van Duitse jeugdinternationals en het nationale vrouwenelftal aan Jeruzalem. Trots toonde Birgitt Gloeckl van de Akademie mij de jaarverslagen, waarin de jaarlijkse prijzen staan vermeld. Voetbalboek van het jaar 2011:  Der FC Bayern und seine Juden van Dietrich Schulze-Marmeling. Het boek van ‘Louis van Gaal, biografie en visie’, eindigde als elfde. En dan zijn er prijzen voor het beste Fanprojekt, de meest originele uitspraak van een trainer of speler, het mooiste spandoek en de Kulturpreis, de Walther Bensemann-Preis, bestemd voor een persoon die veel betekend heeft voor het voetbal in de wereld. Dit keer was het Bobby Charlton, oud-speler van Manchester United. Vorige winnaars waren onder meer Franz Beckenbauer, Alfredo Di Stefano en Cesar-Luis Menotti.

Cultuurprijzen zijn er meer in Duitsland, uitgeloofd door de Sepp Herberger Stiftung, de Uwe Seeler Stiftung en andere stichtingen. En wat te denken van de Robert Enke Stiftung. Deze stichting probeert profvoetballers te helpen die lijden aan depressies omdat ze de druk van het voetballersleven niet aankunnen, met als prioriteit het leed dat doelman Enke twee jaar geleden overkwam (zelfmoord) te voorkomen. Ollivier Tietz van de DFB-Kukturstiftung is er nauw bij betrokken. Hij zei: ,,We krijgen veel vragen van voetballers die zich niet meer kunnen handhaven in de mannencultuur en de prestatiemaatschappij die in het voetbal heerst. Het is schrikbarend hoeveel overspannen voetballers en trainers we nu kunnen helpen. Enke is het symbool van de vereenzaming aan de top. Niemand durft het te zeggen. Niemand wil zwak zijn, voetbal is een harde maatschappij. We kennen homoseksuele voetballers, we kennen nu mentaalzwakke mannen die geweldig kunnen voetballen maar zich niet begrepen voelen.’’

Aan het einde van een bewogen avond in Neurenberg vielen harde mannen elkaar in de armen. Hans Meyer, oud-coach van FC Twente en lid van de  Akademie für Fusball Kultur,  zei. ,,Ik ben van de DDR. Ik ken de onderdrukking, ik ken het oude Duitse voetbal – wat mijn voetbal is. Maar wat zich in Duitsland ontwikkelt is van een hoog intelligent niveau. Ik mag nu overal van voetbal houden, ik mag meedenken. Ik lees over voetbal wat ik nog nooit heb gelezen omdat ook intellectuele schrijvers begaan zijn met dat rare fenomeen voetbal. Ik zie Turken opbloeien omdat Mesut Özil in het Duitse elftal en bij Real Madrid een fenomeen is. Özil is een sierlijke voetballer. Wij hadden ze ook vroeger, maar ze werden niet gezien, omdat het niet paste in het Duitse voetbal. Klinsmann en Löw moeten een Kulturpreis voor het leven krijgen. Zoals Sepp Herberger, de wereldkampioen van 1954.’’

Maar Herberger, wiens uitspraak vóór de WK-finale van 1954 tegen Hongarije ‘Wir sind elf Freunde’ mythologische vormen heeft aangenomen, was toch meer van het adagium ‘Nur ein Sieg zählt’. Zoals dat jaren door de Duitse voetbalgemeenschap werd nageleefd – en met succes gezien de vele titels. De Duitse voetbalbond lanceerde na samenspraak met de Bundesliga en de Bondsregering een nieuw motto. En dat is gelukt, gezien de successen op de WK’s van 2006 en met name 2010, én de groeiende amusementswaarde van de Bundesliga. Das schöne Spiel is nu het basisgevoel. Herbergers motto is vervangen door Wir singen auch bei Niederlagen, denn es kommen wieder bessere Tagen

Voetbalanalisten bieden het volk slechts vermaak

25 jun

Zonder analisten en commentatoren is voetbal als vermaak niet volledig. Of die mannen nu zin of onzin vertellen, het maakt niet uit. Hun praatjes horen bij het spel. Je kunt je maar beter niet aan storen aan hun gedrag en verklaringen. Het is maar hun mening, hun perceptie en hun ijdelheid. De een doet zich voor als deskundig. Maar wie is deskundig? De ander speelt de advocaat van de duivel, mogelijk bij gebrek een echte kennis. Dan weer zijn er grappenmakers die graag de gevraagde rol spelen. Het doet er dus eigenlijk weinig toe wat ze zeggen, het hoort gewoon bij de shows die bijvoorbeeld NOS Studio Sportzomer of VI Oranje heten.

Toch kan ik – als liefhebber van voetbal, met alles er op en er aan – niet voortdurend bovengenoemde relativeringen aanbrengen. Dan zit ik te kijken en te luisteren in de hoop iets te leren en iets te weten te komen dat een verklaring geeft voor wat ik op het veld (beeldscherm) zie/zag. Het wil maar niet mijn mantra worden: ach, het is ook (maar) een mening, óf laat maar. Vaak zet ik tijdens de wedstrijd het geluid uit. Wie aan de bal is, kan ik zelf ook wel zien. Of het overtreding was of niet, kan ik zelf wel beoordelen. Of een speler goed of slecht, hoef ik niet van een commentator te horen. En zo zijn er meer van die overbodige ‘verklaringen’ en analyses die ik kan missen. Ik ben een van die miljoenen liefhebbers die zelf ogen hebben, en weleens wat lezen over voetbal, en dus ook verstand van voetbal hebben.

Maar waarom ben ik toch nog weleens geneigd na de wedstrijd de analyses van de ingehuurde studiogasten aan te horen? Nou ja, soms beschikken zij over analyse-apparatuur die ik niet heb en kunnen ze aan de hand van een computerbeeldje iets duidelijk maken. Dat kan interessant zijn voor mensen zoals ik die het spel en de tactiek willen doorgronden.  Of het nu uit chauvinistische motieven wordt verklaard of niet.

Ik kijk niet vaak naar die analyses en voetbalkroegpraat. Als ik heb gekeken word ik overmand door diepe teleurstelling en ergernis. Had ik niks anders te doen? Werd dit programma door mij gevolgd omdat ik mijn eigen leed over de wereld een paar uur wilde verdringen? Teleurgesteld, alleen al omdat ik zag en hoorde hoe serieus de analisten baarlijke nonsens verkopen. Zo uit de losse pols geschud of uit de heup geschoten.

Vorige week probeerde de hockeycoach Marc Lammers die met de nationale vrouwenploeg de gouden medaille had veroverd, aan vader en zoon Mulder, Jan van Halst en Jack van Gelder te verklaren hoe belangrijk teamgeest (commitment) is, hoe je dat opbouwt, evalueert en analyseert met je spelers, en hoe je de ster van de ploeg duidelijk kan maken dat hij de andere spelers nodig heeft en hoe je andere spelers (de waterdragers) duidelijk maakt waarom zij de sterspeler nodig hebben. Het was alsof hij voorlas uit zijn boek ‘Coachen doe je samen’.

Lammers kon praten en geduldig verklaren wat hij precies bedoelde en waarom Oranje van de rails was gereden (of niet op rails stond), de voetbalanalisten begrepen er niets van. Nooit van gehoord, hockey is geen voetbal en andere vergelijkingen die kant noch wal raakten. De mannen van de Sportzomer sputterden tegen alsof zij de sport in het algemeen en voetbal in het bijzonder als geen ander doorgrondden – sterker:  ze hadden het zelf bedacht, ze hadden immers zelf gevoetbald! Voetbal is een andere wereld, nietwaar?

Boeiende televisie? Ergens wel, omdat het fascinerend was om te zien hoe de deskundige gast geen kans zag de vertegenwoordigers van de voetbalwereld te overtuigen van hun conservatieve opportunisme. Het was toch geen bewust gespeelde rol van de voetbalkenners? Met de bedoeling de kijker en toehoorder vermaak te bieden. Dat zou zomaar kunnen. Had ik dat maar van te voren geweten, dan had ik niet gekeken en geluisterd.

Er was ook nog een losse flodder van presentator Jack van Gelder. Zoals de Duitsers nu voetballen, dat is Hollandse School. Een openingszetje? Youri Mulder wist iets meer, gelukkig, en vertelde hoe het Duitse voetbal sinds een jaar of tien in alle facetten planmatig totaal veranderd is. Uitbreiding van jeugdopleidingen, met meer nadruk op mooie, artistiek en aanvallend voetbal. Redelijk goede aanvulling van Mulder junior, maar niet helemaal juist en allerminst compleet. Had echt niets te maken met Masterplan van Louis van Gaal, zoals Mulder beweerde. Maar Van Gelder wist ook iets, zei hij. Hij had gehoord dat Bayern München in de keuken van de Ajax-opleiding had mogen kijken. Zo was het, ze hadden het van Ajax (de Hollandse School) geleerd. Ik viel van de bank van verbazing. Weer dat domme chauvinisme.

Mulder probeerde nog Van Gelder van repliek te dienen dat het niet de clubs (met Bayern als symbool van omwenteling) maar de bond zelf was die het voetbal anders wilde laten spelen. En zo druppelde Mulder nog een beetje door. Maar de toon die was gezet (Duitsers spelen Hollands) verdween niet meer.

Het was weer een miskleun. Niets gelezen hadden de analisten in (buitenlandse) kwaliteitskranten, niets gelezen in goede voetbalboeken. Niets over de veranderde Duitse voetbalcultuur, over het missiewerk van bondscoach Joachim Löw. Lees bijvoorbeeld het boek van Christoph Bausenwein:  ‘Joachim Löw und sein Traum vom perfekten Spiel’. Of nog beter: ‘Het Mannschaftswunder, waarom de Duitsers de besten zijn’ van Raf Willems. Over de culturele omwenteling in Duitsland. Zie daarvoor de website van Red het voetbal: http://oppa.site90.com/EK2012/index.html. Of de website van de Deutsche Akademie Für Fussbalkultur:  http://fussball-kultur.org/

In NOS Studio Sportzomer (over het oeverloze kletsprogramma VI Oranje maar te zwijgen) heerst slechts opportunisme en zelfingenomenheid. Domheid, kortzichtigheid, onzin allemaal.

Niet meer kijken en luisteren, zo heb ik me zelf voorgenomen. Maar wat nu met de kijkers en luisteraars die wel aan het beeldscherm gekluisterd blijven? Die worden verkeerd voorgelicht, die nemen alles klakkeloos aan. Of denken zij: Ik neem dit niet serieus, ik heb niks anders te doen dus lig ik als een zombie te kijken naar die zombies in de studio.

Zie ook: http://www.redhetvoetbal.net

Fascinatie voor emoties van topsporters

22 jun



De emoties van de voetballers boeien me dezer dagen meer dan die van de supporters. Wat zich op de tribunes afspeelt is voorspelbaar uitgelaten, in welke vorm dan ook. Ik raak meer geboeid door de topsporters die al maanden naar dit toernooi hebben toegeleefd en van wie nu wordt verwacht dat ze in de vorm van hun leven zijn – en dus gaan winnen. Elke vezel van hun zenuwen staat gespannen, of de spelers nu wel of niet door een sportpsycholoog dan wel een yogaleraar hebben geleerd zich te ontspannen onder zware omstandigheden.

Veel blessures ontstaan door stress. Veel spelers zijn voortdurend geblesseerd. Mogelijk omdat ze een kwetsbaar gestel hebben, mogelijk ook omdat ze (onbewust) bang zijn weer geblesseerd te raken. Niet alleen de trainingsbelasting is de oorzaak, zoals vaak wordt verondersteld. Heel de mens is kwetsbaar, alles wat zich in zijn hoofd, zijn hart, zijn botten, zijn spieren en zijn zenuwen afspeelt staat met elkaar in verbinding.  Elke prikkel wordt door andere prikkels veroorzaakt. Ik raad u aan: doe eens aan mindfullness of mediteer en luister naar je lichaam, voel je lichaam, voel wat zich daar afspeelt. Wat een gedoe, wat een lawaai, wat een prikkels, wat een stroompjes, wat een elektriciteit. Of lees het autobiografische boek: ‘Leer ons stil te zitten’ van Tim Parks, ook schrijver van het voetbalboek ‘Een seizoen met Hellas Verona’.

Hoe stijf van de zenuwen stonden niet de Nederlandse voetballers toen ze aan het toernooi begonnen, hoe gespannen bleven ze. Enerzijds de (te?) hooggespannen verwachtingen (van de spelers zelf, van de supporters, de media, de sponsors en het hele volk) na de finaleplaats op het WK van 2010, anderzijds de angst van enkele spelers dat ze niet in topvorm waren, nog niet hersteld waren van een blessure en nog niet de recente teleurstellende prestaties hadden verwerkt. Dan de vraag of de ploeg wel zo goed was als twee jaar geleden. Even homogeen, even collectief bereidwillig. Mogelijk werd de selectie geleid door angst, om niet aan de verwachtingen te kunnen beantwoorden. De angst dat de ploeg niet meer zo goed of homogeen was als voorheen.

Hoe Arjen Robben, een speler die temperamentvol als hij nu eenmaal is altijd op de toppen van zijn zenuwen speelt, zich oppompte tijdens de volksliederen voorafgaande aan de wedstrijden. Dat was geen man in trance, die zich focuste, dat  was een man die boven zichzelf wilde uitstijgen. In zijn hoofd en zijn hart – dus overal in zijn lijf – gierde nog de adrenaline (de distress) van de teleurstellingen en spanningen die hij in zijn leven had meegemaakt. De gemiste kans in de WK-finale van 2010 die Oranje mogelijk wereldtitel kostte, de gemiste strafschop in de Champions League van Bayern München tegen Chelsea, de blessures waarvan hij altijd te langzaam naar zijn zin (en die van zijn clubs en zijn trainers) herstelt. De laatste kans op een internationale titel. Ik weet het niet, maar het zou zomaar kunnen met zo’n gedreven sportman, hoe ervaren hij intussen ook is.

Ervaring. Ontroerd keek ik deze week naar Gianluigi Buffon, de doelman van Italië, 34 jaar inmiddels, meer dan 100 interlands, een paar jaar geleden gekozen tot beste doelman van de wereld. Vóór de wedstrijd tegen Ierland zong hij uit volle borst het Italiaanse volkslied mee, net als alle Italianen. Maar Buffon zong omdat hij graag Fratelli d’Italia zong. Een vrolijk lied. Dat zag je aan hem. Hij had er plezier in. Ik kreeg er tranen van in mijn ogen. Niet voor niets, want ik heb een gevoel voor echte emotie. Voor de aftrap meldde hij zich ontspannen lachend bij de toss, samen met de scheidsrechter en de Ierse aanvoerder. Dit was een man die zich had leren ontspannen. Later hoorde ik dat hij een paar dagen eerder in een Pools restaurant was betrapt met een groot bord frieten en een groot glas bier op tafel.

In dezelfde wedstrijd liet Buffons ploeggenoot Mario Balotelli de emoties de vrije loop. Op zoek naar wraak omdat hij door de Italiaanse bondscoach Cesare Prandelli was gepasseerd ten faveure van Di Natale en Cassano, probeerde hij in de laatste invalminuten koste wat kost te scoren. En hij scoorde. En hoe, met een prachtige omhaal maakte hij het tweede Italiaanse doelpunt. Balotelli vroeg ostentatief onmiddellijk om gewisseld te worden. Een medespeler legde zijn hand op Balotelli’s mond, omdat de Ghanees van Italiaanse adoptieouders dreigde de gekste dingen te gaan roepen.

 Balotelli is een gekwetst mens, dat zal hij altijd blijven. Wie als ziekelijk kind op zijn derde jaar door zijn ouders wordt afgestaan omdat zij om financiële redenen niet meer voor je kunnen zorgen, voelt zich tot in lengten van jaren afgewezen. Afgestaan. Je staat je kind niet af. Dat gevoel van verongelijktheid zit in zijn bloed, in zijn zenuwen, in zijn hoofd en zijn hart. In zijn hele lichaam, zijn hele systeem. Elke keer als hij wordt afgewezen (afgestaan dus), keert dat oude gevoel terug. Hij zal ermee moeten omgaan, de mensen om hem heen zullen met hem moeten leren omgaan. Iedereen in zijn omgeving doet zijn best om hem te begrijpen en te weerhouden van ongewenste uitspattingen. Hij heeft geen excuus. Hij is zoals hij is. Daarom stoort het mij dat mensen zoals journalisten hem voor gek uitmaken. Dat vind ik discriminatie. Balotelli is ook zwart. Wat zal het hem doen als hij voor een aap wordt uitgemaakt? Dan reageert hij door te scoren of door iemand voor zijn kop te slaan. Ze hebben hem al uitgejouwd, de Spaanse supporters. Niemand die het voor hem opnam.

Prandelli kan met Balotelli omgaan. De dag na de triomf op de Ieren riep de Italiaanse coach hem bij zich in de hoop hem te kalmeren en op therapeutische wijze op te voeden. ,,Balotelli moet leren met kritiek om te gaan. Niemand wil hem kwaad doen. Dat moet hij inzien.’’ Wat een geweldige coach, en mens, die Prandelli.  Je zult als coach zo’n geweldig voetbaltalent in je selectie hebben. Door zijn talent kan de ploeg winnen en kampioen worden. Maar dat talent kan ook de boel op stelten zetten en zichzelf, zijn land en zijn volk te schande maken. Wat een dilemma voor een coach. Wat een opdracht voor Balotelli. 

Zo heb je meer voetbaltalenten die zichzelf niet in de hand hebben. Cristiano Ronaldo is de beste speler van Europa, hij kan scoren, dribbelen en rennen als geen ander op de Europese velden (na Messi). Maar hij kan niet zonder exhibitionisme, ijdelheid en borstklopperij. Het is de mens Ronaldo die zichzelf wel kent maar niet kan beheersen zodra de spotlights (aandacht) op hem gericht staan. Zlatan Ibrahimovic kan ook uit de bocht vliegen, Wayne Rooney, en zo zijn er nog meer. Straatjongens die hebben geleerd van zich af te bijten en zich te onderscheiden. Aandacht is een verslaving. Survival of the fittest, zei mijn zoon, nog in de ban van de evolutietheorie van Darwin die hij las, toen hij zag en hoorde hoe Arjen Robben het gezag van de bondscoach ondermijnde. Robben valt zomaar neer als hij dreigt getackled te worden, hij vliegt scheidsrechters aan en riep tegen zijn bondscoach Bert van Marwijk: ,,Hou je bek.’’

Het zit opgesloten in de mens Robben. Het zijn de emoties die hij niet kan bedwingen zodra de spanning oploopt.  Spanningen maken de sport  fascinerend. Begrip voor de spanningen die sporters ondergaan kan geen kwaad. Ze leiden een zenuwslopend bestaan, tegen wil en dank. Het is hun karma.

Zie ook: http://www.redhetvoetbal.net