Joop Hueting ontkende veel effecten van doping

19 nov

hueting_je

Zou er nog iemand nog weten dat de vorige week op 91-jarige leeftijd overleden prof. dr. Joop Hueting (hij werd bekend als klokkenluider van de gewelddadige Nederlandse invloed in Indië) veelvuldig onderzoek deed naar het effect van doping, zoals amfetaminen, coffeïne, ACTH, anabole steroïden et cetera?

Hij deed dat in de jaren zeventig en tachtig onder meer met de vorig jaar overleden Hein Verbruggen, die als wielersportleider krampachtig op zoek was naar een manier om het gebruik van dope tegen te gaan, én met een aantal zeer bekende Nederlandse wielrenners (vooral van de PDM-ploeg onder leiding van Jan Gisbers die graag de grenzen op zocht, zo vertelde hij mij weleens).

Dat moest, begreep ik van Verbruggen toen hij mij daarover nogal vermanend onderhield naar aanleiding van een citaat van PDM-renner Peter Stevenhaagen in een door mij gepubliceerd interview in De Volkskrant, geheim blijven voordat er ‘indianenverhalen’ verschenen. ‘Guus, begrijp je dat dan niet!?’ Dat begreep ik onmiddellijk. Dat maakte Verbruggen verdacht, meende ik in eerste aanleg ook. Zó woedend kon toch geen mens tegen mij (of over mijn artikel) zijn?

Mijn primaire afweer kwam boven. Bijna tegelijkertijd openbaarde zich de nuance in mijn mening over doping – en wilde ik Verbruggen leren begrijpen. Wat is er hier aan de hand. Waarom? Waarom die woede? Wat nog te doen om doping te voorkomen of te bestraffen? Voorlichting? Ontkenning? Verbruggen zocht en vond de vreemdste uitwegen, die nogal tot wat agressie en aanvallen jegens zijn gedrag leidden. Hij moest wat, tot aan zijn dood (voorjaar 2017) toe.

‘Guus, wat vind jij? Mensen doen alles om zich te verbeteren en zichzelf te bevestigen. Wat moet ik dan, als wereldsportleider? Als de man die weet hoe mensen zich moeten gedragen. Wat doen ze? Wat willen ze? Ik doe mee, ik buig mee, ik wil begrijpen en toch moet ik spelregels, zelfs straffen, verzinnen om de sport gezond te laten verlopen en populair te houden. Sterker: om iedereen te vriend te houden. Alle partijen, iedereen heeft zijn behoeftes. Net zoals jij en ik’.

Zo liet hij zich ontvallen een paar maanden voor zijn dood. Het was een indringende, moeizame sessie, tussen een man die de dood zag naderen en een man die (zo had Verbruggen in de loop van onze vriendschap begrepen) altijd zoekende was, van taoïsme tot boeddhisme, van doping tot niet-doping. ‘Ik probeer iedereen zijn mening en belangen te respecteren. Wat kun je meer?’

En toen dronk Hein een half jaar voor zijn dood zijn glas Cola Light leeg. Op de Veluwe, vlak voor mij, aan de andere kant van de tafel. Het was mooi en verhelderend. Joop Hueting kwam nog ter sprake. Tja, zei Hein, ook een man die zijn weg probeerde te vinden tussen het gelijk en het ongelijk.

Onder de kop ‘Doping bestaat niet’ had Hueting jaren eerder al in een interview met De Volkskrant voor nogal wat commotie in de sportwereld gezorgd. Hij (hoogleraar experimentele psychologie in Brussel) onderzocht onder meer de effecten van amfetamine en ACTH (een soort neurotransmitter, althans met een soortgelijke werking) en zag daarvan geen effect bij beroepswielrenners. Hueting werd daarin min of meer gesteund door Harm Kuipers.

Ik heb nooit meer iets (op een serieuze verwijzing na van de goed ingevoerde en zich verdiepende Vlaamse sportjournalist Hans Vandeweghe in zijn boek ‘Wie gelooft de renners nog?’) van dit onderzoek vernomen, laat staan dat er in de talrijke necrologieën van Hueting aan werd gerefereerd. Ik noem het niet noemen van Hueting door alle media als belangrijke dopingonderzoeker een omissie. Want Hueting beweerde nogal wat in het kader van de opwinding over doping. Binnenkort dan maar in een boek. Het boek komt er aan, zo vernam ik van mensen die de materie deskundig en wél van nabij volgen.

Hier liggen de wortels van boerenzoon Hennie Kuiper

1 okt


Het stinkt, zouden stedelingen mogelijk zeggen. Ja, het ruikt hier naar koeien, veevoer, stront, boeren, naar alles wat je in de stad niet ruikt. Ik vind het heerlijk. Niet alleen omdat het aan mijn jeugd bij vriendjes op de boerderij doet denken, maar ook omdat het voor mij pure en gezonde lucht is.

Het is de lucht van Hennie Kuiper, de boerenzoon die hier in Noord-Deurningen opgroeide, en van hieruit op zijn fiets stapte en zich daarop uitleefde totdat hij tussen 1973 en 1988 een wereldberoemde wielrenner werd die zowat alle klassiekers won, olympisch- en wereldkampioen werd en tweemaal tweede in het eindklassement van de Tour de France.

Het is hier, op Erve Kuiper, waar de blosjes op de wangen van Hennie tot volle glorie kwamen, hij een haatliefde-verhouding met modder, storm, wind, regen, zonnebrand en andere ontberingen kreeg en zijn vaak bewonderde strijdlust ontwikkelde.


Hier in het museum word ik teruggeworpen naar mijn belevenissen als wielerverslaggever met deze te allen tijde toegankelijke sportman. Mogelijk voelde ik mij aangetrokken tot mensen uit deze regio, mensen en sportlieden, zoals wielrenners die strijd tot het uiterste bedreven en daar geen verklaring voor hadden: het is zoals het is, ik ben zoals ik ben, normaal, niks bijzonders.

Terwijl ik de lucht van koeien, stront, veevoer of ingekuild gras inadem, herbeleef ik in een stoel tegenover een beeldscherm de overwinningen en krachtige inspanningen van Hennie Kuiper. Ik was bijna vergeten dat hij zo verschrikkelijk hard kon fietsen, alles deed om te winnen en dan ook won. Ik zag de grote renners van weleer spartelen en zweten met Kuiper aan hun wiel. En dan die vreugde-uitbarstingen als hij als eerste (meestal na een indrukwekkende solo) over de eindstreep kwam.

In de onvolprezen biografie ‘Hennie Kuiper Kampioen Wilskracht’ (van de hand van Joop Holthausen, Jacob Bergsma en Björn Kuiper) is veel te lezen en te bekijken. Maar hier, op Hennie Kuiper Native, komt het allemaal weer echt tot leven. Niet alleen de foto’s, de knipsels en knipselboeken en andere relikwieën, maar ook zijn trainingsrondjes zijn hier te zien. Ik werd er stil van, trilde weer van emotie en beleefde – even – met zijn oude vriend en dorps- en streekgenoot oud-wielrenner Herman Snoeijink de tijd waarin Hennie Kuiper de wereld veroverde.

Ik maakte geen aantekeningen, waaruit ik later thuis zou kunnen putten om mijn verhaal over het bezoek aan Erve Kuiper te kunnen schrijven. Ik beleefde het moment. Toch: was Hennie er maar bij geweest. Een beetje hakkelend, een beetje blozend, een beetje glunderend, een beetje verontschuldigend maar toch wel een beetje trots vertellend over toen en waarom zó en waarom niet zó. Ik dacht dat ik hem niet nodig had, toen mij de aanwezigheid van Kuiper werd aangeboden. Nee, laat maar, ik weet het wel. Maar toch, er had een extra dimensie aan toe gevoegd kunnen worden. Deze kampioen van de wilskracht in hoogst eigen persoon naast alle foto’s, knipsels, borden, boeken en prijzen.


Buiten speelden kinderen, zoals Hennie er waarschijnlijk ook had gespeeld voordat hij er met de fiets op uittrok. De boerenlucht prikkelde mijn neus. Het zou wat voor de stedelingen zijn hier eens naartoe te gaan en te leren hoe het er op een boerderij aan toe gaat, waarom en hoe boeren werken, waarom het er zo ‘stinkt’, hoe Hennie Kuiper is opgegroeid en waarom hij zo goed is geworden en eenvoudig is gebleven. Zoals het een boerenzoon betaamt.

Dit stukje is (samen met observaties van Herman Snoeijink en Theo de Rooij) gepubliceerd in het herfstnummer van Zilver Magazine, het blad voor de Twentse 65-plusser.
Zie ook http://www.ervekuiper.nl

Een vijand werd uiteindelijk toch mijn leermeester

31 aug

Het was alsof ik tegenover een vriend ging zitten. Ik had hem met een warme handdruk begroet als vriend, als geest- en zielsverwant, als een man waarbij ik me veilig zou voelen. Op mijn gemak, niets te duchten, samen in een warm bad ervaringen en gedachten uitwisselen.

Maar het samenzijn liep anders. De man was anders. Hij gedroeg zich anders, praatte anders, at en dronk anders en deed dingen die ik liever niet deed. Hij was direct, in mijn beleving lomp, dacht heel anders dan ik, stelde plannen voor die ik niet in mijn hoofd zou halen. ‘Kom op, Guus’, brulde hij, ‘gewoon doen, gezellig samen, geen gezeik aan je kop. Niet moeilijk doen en je hebt plezier in je leven’. Hij vergat erbij te zeggen dat hij zó in het leven stond en op die manier plezier beleefde.

Hij zei het op een toon die mij niet beviel. Niet mijn toon, niet mijn smaak. Ik had het gevoel dat hij niet wist wat mijn verlangens waren, wie ik was en hoe ik over het leven dacht. Sterker:  ik werd diep geraakt, overweldigd door het idee dat hij wel wist wat ik zou willen of nodig had. Hij begreep mij niet. Helemaal niet, écht niet. Maar ik lachte vriendelijk. Totdat mijn vrouw ingreep en (mij kennende) zei: ‘Ik weet niet of Guus dat wel leuk vindt.’ ‘Nou én’, hoorde ik de man antwoorden.

Ik probeerde het dreigende probleem (het verschil in smaak en inzicht) te verdringen en lachte verlegen. Ik wilde geen strijd, geen discussie. Ik wilde hem niet veroordelen om zijn impulsieve, voor mij wat kortzichtige gedrag. Laten we het gezellig houden. Ik bevroor, zo voelde ik later. Ik liet hem begaan. Van binnen voelde ik me echter opstandig worden. Ik werd steeds bozer, maar uitte dat niet. Bang misschien. Dat hij boos zou worden, omdat hij zich niet gehoord voelde, daarom mij zou afwijzen en zelfs agressief zou worden?

Toen we afscheid hadden genomen, werd ik steeds bozer. Wat een lomperik! Met zo’n man wilde ik echt niets meer te maken hebben. Met hem wilde ik nooit vrienden worden. Hij was totaal anders, hij begreep mij niet, hij voelde niet zoals ik, hij ervoer het leven niet zoals ik. Misschien dacht hij ook zo over mij. Misschien ook niet. Zo kortzichtig was hij vast wel, getuige het gedrag dat mij met afschuw vervulde.

Uit de buurt van hem – en van zulke mensen – blijven. Dat nam ik mij voor. Maar de pijn die ik door de ontmoeting met hem had gevoeld, ebde weg. De vragen die mij bezighielden omtrent mijn kwetsbaarheid en afkeer kregen een antwoord door mijn door het boeddhisme geleerde inzichten. Deze man was anders, zoals iedereen anders is dan ik. Zo herinnerde ik mij. Ik kan hem proberen te overtuigen van mijn gelijk, bijvoorbeeld dat mijn levenshouding en gedrag de enige juiste zijn, maar ik kan hem ook nemen zoals hij is. Naar hem kijken en luisteren, hem observeren en dan – zonder angst, zonder te bevriezen – concluderen dat hij is zoals hij is, doet zoals hij doet. Misschien dat acceptatie mij (en hem) meer oplevert dan afwijzing.

Op mijn trainingen in mijn sangha heb ik kunnen leren dat boeddhisten geloven dat in iedereen iets zit dat goed en zuiver is. Dat we alleen alle emotionele bagger die verhindert dat die kwaliteiten boven komen drijven, moeten verwijderen. Want in iedereen schuilt de ‘boeddhanatuur’.

Het mooie van bovenstaand voortschrijdend inzicht vind ik dat de man die mijn vijand werd, mij wat heeft geleerd. Een man die ik verafschuwde en afwees zette mij onbewust aan het denken. Een vijand werd mijn leermeester. Hij raakte mij en ik kon voelen waar hij mij raakte. Dat was niet zijn schuld dan wel zijn verdienste. Dat was mijn kwetsbaarheid. Misschien kunnen die man en ik wat mij betreft dan toch als vrienden verder gaan. Samen, zonder veroordeling.

Guus van Holland is vriend van Shambhala Leiden

Deze column is gepubliceerd op de herfsteditie van de website: http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

 

Hein de Kort: ‘Als golfers in mijn tekening hun frustratie herkennen is het goed’

14 aug

Je moet wel zelf gegolft hebben om het intense gevoel van goed-of-fout-gedaan te kunnen uitbeelden. Hein de Kort (61), door vele bladen (zoals Golfers Magazine) een veelgevraagd cartoonist, kent die ervaringen maar al te goed. Al zo’n 25 jaar beleeft hij de emoties die iedere golfer – van Dustin Johnson en Jason Day tot Tiger Woods en Joost Luiten – heeft beleefd en nog beleeft.

Zie de strips van Hein en je herkent het golfgevoel. It’s a mental game, wordt vaak beweerd. Maar dat geldt voor bijna elke sport. Hoewel? Hein de Kort vertelt graag over zijn frustraties, niet alleen over mislukte slagen, chips en putts maar ook over stokken die niet voldoen, te kort of te lang zijn. Over grips, slechte greens, wind, diepe roughs, over altijd maar moeten lessen.

‘Want je wilt toch altijd beter worden, laat staan dat je wilt winnen en punten scoren, je handicap omlaag brengen. Tjonge, wat een gedoe!’ Het is alsof Hein zich wil verontschuldigen voor wat hij doet, tekent en uitbeeldt. Hij kijkt naar buiten, vanuit het café naar het drukbezochte Amsterdamse terras en probeert te relativeren. ‘Het is maar golf, een spelletje. Je slaat tegen een bal, maar dat lukt niet zoals je dat zou willen’, weet hij. ‘Golf? Waar heb je het over? Ik heb vroeger gevoetbald, totdat mijn knieën het begaven, eerst mijn ene knie op mijn achttiende, een paar jaar later op mijn 23ste, de andere. Dan kun je het niet meer, hoe graag je ook wilt. Je lichaam geeft aan dat je toch echt niet meer kunt sporten. En dan is er gelukkig nog golf.’

Op de velden van AMVJ in Amsterdam leerde hij een beetje golfen. Met die voetbal- en hockeyvelden waar lijnen, doelpalen en dug-outs  je kunnen afleiden van je focus. Er is geen dug-out, er is geen doel en er zijn geen doelpalen, er is alleen de bal en die moet naar de hole – daar heel ver weg. Dat weet hij intussen. Maar toch, doe het maar, zeker als beginneling.

hein de kort

Foto Ronald Speijer

Daar, op de voetbalvelden van AMVJ, begon Hein met golf. ‘De eerste slag met een driver – nota bene – was geweldig. Dan wil je nog een keer. Meer en nog meer! Het lukte. Hein zag het en voelde dat er meer te halen was. ‘Lessen, beter worden. Net als met mijn gitaar, altijd maar lessen om beter te worden. Dit te kunnen, zoals grootheden en de echte talenten. Ik moet gewoon les hebben en beter worden. Dat was het en dat is het nog steeds, een beetje.’

Hij was écht verslaafd, bekent Hein. Wie herkent dat niet? ‘Alles in mijn leven stemde ik af op golf. Ook mijn werk. Dan maar een dag niet tekenen en de grappenmaker uithangen. Vooral golfen en steeds beter willen golfen. Na AMVJ, bij Olympus, op Almere en weer Olympus, competitie spelen, golfreisjes naar Schotland en Spanje. Spelen om geld, om een fles wijn, en nog meer van die gekkigheid. Ik had zelfs een handicap van -6, nu weer -13,5. Tja, je wordt wat ouder, slaat minder ver, het lichaam draait niet meer zo soepel en de drive om te scoren wordt wat minder.’

Hij zou zomaar een handvol anekdotes kunnen vertellen, alleen om maar duidelijk te maken hoe hij golf gedurende 25 jaar heeft beleefd. Of gewoon om dit interview te spekken, want misschien vindt Hein dat hij iets te onverschillig over golf heeft gesproken – zo gretig leek hij namelijk ook weer niet bij de afspraak.

Zijn tekeningen en strips vertellen meer dan genoeg over zijn beleving op de golfbaan en daarna op het terras of aan de bar. Zoals het een kunstenaar betaamt. Losersgedrag, excuses, snoeven, rotzooien met de scorekaart. Alles wat golfers doen om hun spel te verheffen en hun (onsportieve) gedrag te verklaren, weet Hein de Kort in één tekening neer te zetten. Soms cynisch, meestal realistisch en zeker komisch. Kijk ernaar en je herkent de situatie.

Zoals die Schot die hij elke dag op een Schotse baan na een golfsessie in de bar tegenkwam en altijd dronken was. ‘What is more important than winning in golf.’ Tja, zeg het maar. ‘Ik heb tot mijn 23ste gevoetbald, tot mijn knieën het begaven. Dat ging ook om winnen. Maar golfen? Nooit gedacht, nog veel erger, eigenlijk,’

Hij was net geconfronteerd met de geneugten van golf, het spel, de spelers en de cultuur of hij bood zich aan als striptekenaar bij Jan Kees van der Velden, toenmalig hoofdredacteur van Golfjournaal. ‘Ik was in Schotland en maakte daar op de baan en daarbuiten dingen mee, die ik moest en zou uittekenen. Ik stuurde ze op. Maar Jan Kees vond ze te heftig… Zeg het maar. Ze zijn nooit gepubliceerd. Kennelijk zag hij wel wat in mijn tekeningen. Ik mocht tekeningen maken voor het Jeugdjournaal. Dat sprak me wel aan, de jeugd over golfen: geen tijd, ver buiten de stad of het dorp, saai. Daar kon ik wel wat mee. En later natuurlijk voor de serie De Glazen Bol en andere strips voor Golfers Magazine.’

Zijn golfwereld werd groter, vooral omdat hij het zelf deed en intens beleefde, als verliezer en af en toe als winnaar. Hij deed tekeningen voor Fox Sports, voetbal dus, maar merkte dat hij de affiniteit met voetbal was verloren omdat hij niet meer voetbalde. ‘O jee, die speler was allang vertrokken bij Manchester United, had ik niet bijgehouden omdat mij het nieuws niet meer boeide. Dat is toch anders als je zelf nog bezig bent. Ik volg niet alles op golfgebied, maar ik ken mensen en ik weet wat ze kunnen. Ik let erop. Ik kijk en weet dat ik het zo moet doen. Natuurlijk kan ik dat niet. Maar het is mijn kunst om dat uit te beelden in een tekening: kijk mij eens goed zijn – of juist niet.’

Als je met golfers praat, van welk allooi dan ook, gaat het vooral over gemiste kansen. Voetballers kunnen er ook wat van, of wielrenners. Die wedstrijden staan (onuitwisbaar) in hun geheugen gegrift. Hein de Kort kan alle ervaringen uitbeelden, in woord en tekening. ‘Het is bijzonder dat golfers urenlang na een rondje nog bezig zijn met wat ze is overkomen. Golfen een sociale bezigheid? Mooi, maar het is wel  de afleiding van het dagelijkse werk die in beslag neemt. Gelukkig dat er nog zoiets is als golf. Wat moet je anders, als het werk te veel van je in beslag neemt?’

Ach, werk. Hij doet wat hem wordt gevraagd en wat hem invalt – voor elk medium. Mogelijk zelfs naar wat hem raakt tijdens dit interview in een café waar mensen zoeken naar geluk en liefde – in welke vorm dan ook. Als na ons onderhoud Hein weer op avontuur gaat, vraag ik me af wat hij gaat doen. Tekenen en beschrijven wat wij hebben gedaan? Waarom dit gesprek? Of gewoon golfen om het leven te aanvaarden zoals het is.

Hein de Kort kan tevreden zijn met wat hij doet. Wat hij niet zegt, tekent hij. Ieder zijn manier om te leven. Hij doet wat hij kan en wil doen. Zie zijn tekeningen, strips en herken jezelf – of leer ervan. Hij herkent het: ‘Een goede slag per dag is het  mooiste wat kunt bereiken. Dat kun je, wees dus tevreden. Niet dus!’’

Of het KLM Open hem interesseert? Wanneer? O, half september. Ja, hij was  er twee keer. Zoals ieder golfer er graag is, gewoon van dichtbij zien hoe die toppers het doen. Het was in Hilversum. ‘Dan kijk je naar die toppers, hoe ver ze slaan en hoe. Dat kan ik ook, denk ik dan. Laat ik maar daar maar eens tekening over maken. Mijn wanhoop, mijn leven. Tekenen is een goede uitlaatklep. Als mensen, golfers dus, zich erin herkennen is het goed.’

Dit interview is gepubliceerd in Golfers Magazine 6, augustus 2018

Een tsunami aan sport kan een mens te veel worden

12 aug

EK atletiekPrijzen, bekers, medailles, oorkondes en titels zijn er te kust en te keur. Geen sportonderdeel of er valt wel een onderscheiding te verdienen. Steeds meer, of het nu een Europees kampioenschap (EK) betreft, een wereldkampioenschap (WK), een olympisch kwalificatietoernooi (OKT), een wereldbeker/worldcup (WC) of weet ik wat meer. Grijpgrage en reikhalzende sporters reizen van hot naar her om er iets te halen dat hun talent voor lichamelijke vaardigheden bevestigt. Langzaam maar zeker neemt die begeerte zelfs pathologische vormen aan.

Ze worden op de voet gevolgd door de media, want overal staan camera’s, microfoons en verslaggevers klaar om vast te leggen of de gewenste prestaties wel worden gehaald – en waarom niet. Het is een nauwelijks te stillen honger naar het hoogste in het bestaan. Daar, daarboven ergens, zal en moet het geluk zich bevinden. Eenmaal in het bezit van een prijs of een titel zal de deur naar het paradijs opengaan, is het vermoeden. Al is het maar voor even, voor een paar dagen, een paar weken of een paar maanden, een paar jaar. Totdat de volgende uitdaging zich aandient, mogelijk met minder succes. Nou, dat zien we dan wel weer.

Even dacht ik dat na Wimbledon, het wereldkampioenschap voetbal en de Tour de France de golf aan sporttoernooien voor kort tot bedaren was gekomen. Een autorace of een hockey- en een golftoernooi dat waarschijnlijk alleen de échte liefhebbers tot de verbeelding spreekt, daargelaten. Het was me ontgaan dat de grootste tsunami nog moest komen. Dat krijg je als je nog leeft in het verleden, waar een zomerpauze tot aan het begin van de voetbalcompetities nog heel gewoon was. Ineens waren daar zeven Europese Kampioenschappen tegelijk, nota bene zes in één stad (Glasgow) en een andere in een andere stad (Berlijn). En tussendoor werden we ook nog vergast op (overgewaardeerde) kwalificatiewedstrijden voor belangrijke voetbaltoernooien tegen internationaal onbeduidende tegenstanders, waarin van Nederlandse clubs werd verwacht dat ze daar in zouden excelleren.

Een en ander zou te maken kunnen hebben met behoeftebevrediging. Intelligente zakenmensen (sportmarketeers) menen daarom dat wij als sportliefhebbers zo veel mogelijk naar sport willen kijken en daarover willen lezen. We zouden eens gaan zoeken naar andere interesses, zoals rust, een boek, een wandeling, de natuur of zélf sporten? Dat mag niet gebeuren…. De marketeers zien financieel gewin en groei van de aantrekkingskracht voor de betreffende sporten. En daar hebben alle sportbonden in hun begeerte naar meer beoefenaars én leden (dus meer subsidie?) wel oren naar.

EK Glasgow

De gezamenlijke Europese Kampioenschappen (European Championships), door veel media gemakshalve Super-EK genoemd, zijn ontsproten uit het brein van mensen die al eerder dit verdienmodel met ‘succes’ hebben geïntroduceerd, zoals de Champions League in het voetbal. Een toernooi waarin overigens uiteindelijk steeds meer de rijkste clubs winnen, waardoor veel voetballiefhebbers afhaken omdat hun eigen, lokale club niet meer kan wedijveren met de multinationals.

Hoezeer ik geïnteresseerd ben in welke sport dan ook, die tsunami voelt als een overtollige maaltijd waarin ik het onderscheid tussen gezond en ongezond niet meer kan zien en voelen. Het risico van te veel vet, te veel suikers, te veel gemanipuleerd voedsel dreigt. Verzadiging steekt de kop op, obesitas ligt op de loer. Ik word te dik, ziek en moet leren het overdadige voedselaanbod te weerstaan en de uitpuilende vakken bij de supermarkten te negeren. Kiezen wordt me te moeilijk. Ik heb het gevoel dat het me allemaal genadeloos en meedogenloos door de strot geduwd krijg, te zwak geworden om nog iets over of áf te slaan.

Mijn immuunsysteem is verstoord geraakt. Ik moet andere wegen en middelen vinden, wil ik niet geconfronteerd worden met een ernstige ziekte waar nog geen geneesmiddel voor gevonden is. Ik moet me afzonderen, wil ik niet aangestoken worden door dit virus. Dus, even geen televisie en radio aan en niet meteen de sportpagina’s opslaan. Weg van de media- en marketingwereld die mij ziek maakt, weg om de andere dingen in mijn leven, mijn geest en mijn lichaam te laten ontplooien. Er is vast veel meer om van te genieten, iets dat mij meer en langdurig kan verrijken

EK zwemmen

Mijn dilemma is dat ik van sport houd, zoals ik van ‘lekker’ eten en drinken (junkfood, vlees, vet, suikers en alcohol) houd. Om me tot de sport te beperken: veel wieleronderdelen fascineren mij, van de meeste atletieknummers kan ik genieten, voetbal kan mij diep raken, turnen, zwemmen en zeker en vooral golfen laten mij niet onberoerd. Niet alleen die sporten zelf, maar ook de uitblinkers (en verliezers) oefenen een grote aantrekkingskracht op mij uit. Hoe sporters omgaan met winst en verlies, boeit mij. In de sportpsychologie verdiep ik mij graag. Maar alsjeblieft, niet alles tegelijk.

Lieve marketeers, bondsbestuurders en media, kan het wat minder? Ik verlies mijn interesse – en mogelijk ik niet alleen. Niet alleen topsport, graag, lieve media. Niet alleen de prestaties (of teleurstellingen) van topsporters, die deelnemers aan die grote, massale evenementen, vastleggen en becommentariëren. Laat dat aan populistische media over – ach ja, brood en spelen. Maar er is meer in de sportwereld dan medailles en titels. Wat is er zo mooi aan sport, waarom doen mensen aan sport – waarom niet? Waarom is sport overal? Dat levert interessante inzichten en verhalen op, weet ik uit ervaring.

De internationale sportkalender raakt vol. Hij wordt voller, steeds voller. Mede daarom ontgaan mij steeds meer wedstrijden en prestaties. Het is mogelijk ook frustrerend voor de betrokken sporters zelf omdat ze door het overtollige aanbod aan sporten minder aandacht krijgen. Want daar doen de meesten het toch voor? Om aandacht te krijgen: kijk mij eens, een titel; zie mij eens goed zijn; kijk mij eens in de hemel zijn; kijk mij eens verdrietig zijn!

Het verzadigingspunt dreigt. Hoe sport ook boeit en mensen tot inzicht en verdieping kan brengen, te veel is te veel. Jaren geleden werd ik in het radioprogramma Kunststof door interviewer Frénk van der Linden gevraagd naar aanleiding van een vraaggesprek over mijn boek ‘Sportportretten op maandag’ een tegeltjeswijsheid te formuleren. Ik schreef op een tegel: ‘Te veel sport is ongezond’. En zo is het voor mij nog steeds. Ik trek me terug of probeer in ieder geval mijn nieuwsgierigheid en inspanningen te doseren. Zoals een topsporter: niet elke dag pieken.

Vanavond maar eens een boek en vroeg naar bed. Want rust in mijn hoofd schijnt echt gezond te zijn. Even geen prikkels. Als er een overwinning of een titel is behaald, lees ik het wel op de sociale media of hoor ik het via de tamtam.

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.SportenStrategie.nl

Voelen dat er meer is dan het monotone dagelijks leven

7 jun

Floodlights

Uit april 2016, over Instinct

Wanneer ik ’s avonds een dorp passeer word ik altijd getroffen door lichtbundels, die ergens boven de huizen schijnen. Aangetrokken als door een magneet voel ik het: daar is een sportpark. Ik kan de lichtbundels in de verte niet negeren. Zo vergaat het mij ook wanneer ik in een vliegtuig zit en me klaar moet maken voor de landing. Zwevend door de lucht zoek ik onbewust naar een stadion. Ik zie lichtmasten, ik zie ronde gebouwen met een gat erin: ja, dat is een stadion! Van welke club zou hij zijn? En dan speur ik mijn herinneringen af. Ja, inderdaad dat moet dát stadion zijn.

Hoewel ik mij steeds meer afwend van voetbal in het bijzonder en sport in het algemeen, krijg ik die aantrekkingskracht na 40 jaar sportjournalistiek niet uit mijn systeem. Noem het mijn instinct, mijn zesde zintuig, voelen dat er iets is, dat het mij iets oplevert wat ik vroeger zo innig heb beleefd. Vroeger was het vooral nieuws, nu nog steeds dat er wordt gesport.

Een stadion oefent aantrekkingskracht uit. Het is een plaats waar mensen met elkaar willen zijn om samen te geloven in het aanstaande geluk. ‘Wat hebben de mensen nog naast dat voetbal?’, vroeg predikant en (Ajax)voetballiefhebber Klaas Vos zich laatst in de Volkskrant af. ‘Niks. Dat is eng. Net als mensen die de hele week alleen de kerk hebben. Dat wordt ook van niemand gevraagd. Neem eens een break in de tijd, door even op te houden. Neem ruimte voor de leegte.’

Leegte schept ruimte, biedt openingen. Maar mogelijk is het de ruimte die mensen angst inboezemt. Liever houden ze zich vast aan amusement, aan sport en dan vooral aan voetbal. De Groningse mediasocioloog Peter Hofstede zei: ‘Aan de voetbalgekte kun je zien hoe huiveringwekkend het vacuüm is waarin de mensheid verzeild is geraakt. De verbondenheid met collectiviteiten die vroeger hun eigen normen en waarden hadden en een stempel zetten op de manier van leven is zeer gering geworden. Niettemin moet er een formule zijn waardoor je kunt belijden dat je toch ergens bij hoort, want anders ben je nergens.’

Samen toekijken, genieten, schelden, lijden. Als het niet in een stadion is, dan in een café met een ultragroot beeldscherm of thuis met de knop ‘stadionvolume’ voluit. Bij voorkeur samen, ondergedompeld in de anonimiteit van het collectief. Daarin kun je sneller en heviger je emoties uiten dan in het normale leven. Je als individu uiten maakt je kwetsbaar. Voordat je het weet heb je een knal voor je kop.

Gumbrecht

Hans Ulrich Gumbrecht

Misschien is het wel instinct dat ons naar een stadion drijft. De Duits-Amerikaanse filosoof/socioloog Hans Ulrich Gumbrecht schrijft in Lof van de Sport: ‘Waar het in de sport om gaat, is dat je erbij bent op het moment dat het gebeurt, het feitelijke moment dat in jouw directe aanwezigheid bepaalde lichamelijke vormen ontstaan.’ Als er zoveel aandacht naar sport uitgaat moet ik er wel bij zijn om mee te tellen.

Mijn dilemma als sportliefhebber ontstond toen mij als sportjournalist werd verweten dat ik ‘dom’ en ‘onnozel’ was omdat ik schreef over sport. Aan de ene kant was er mijn liefde voor sport, aan de andere kant was er die aandrift bij de ‘wijze’ mensen te horen. De mensen die vanuit hun intellect meenden dat je je niet met aardse activiteiten als sport dient bezig te houden. Je moest studeren, professor worden in de ‘hogere’ wetenschappen.

Waar wilde ik bij horen? Ik weet het nog steeds niet. Mijn dilemma heeft me ertoe gebracht dat ik mij voor de achtergronden van sport ben gaan interesseren. Waartoe dient sport? Zo raakte ik in een stadion vol duizelingwekkende emoties vaak het spoor bijster. Ik kon niet meer als individu genieten van wat ik zag en voelde. Ik voelde me overmand door de eenzijdige smaak en de blinde verafgoding – nog los van het geweld en geluid dat over mij heen kwam. Ik werd steeds angstiger, bang voor de oerdriften die rondom mij loskwamen. Meermalen heb ik in tranen een stadion verlaten.

Ik ben bang geworden voor mijn instinct. Ik wil zo graag genieten van het leven, van de dingen die aan emoties raken, maar ik doe het liever in mijn eentje. In stilte. Dan heb ik van niemand last. Niemand die mijn genot in twijfel trekt. Niemand die het mij kwalijk neemt als ik huil om een overwinning, een nederlaag, een actie die mij diep raakt.

Langzaam begin ik te begrijpen waarom mensen door sport worden geraakt. Vooral waarom ze fanatiek worden in hun honger naar de ultieme gelukbeleving. Het is hun instinct. Hun zesde zintuig. Ze voelen dat er meer is dan hun monotone dagelijks leven. Zonder sport dreigt leegte, geen houvast. Zie maar eens te leven in leegte. Een leven in volmaakte vrijheid. Dat is moeilijker dan je denkt, zeker als er een dag zonder sport is.

Geplaatst op http://www.800woorden.nl/instinct op 1 april 2016.

Zwijg, open je, luister naar de stilte en voel: laat je raken

3 jun

forest Gedrieën liepen we ’s nachts het bos in, mijn vriend Marius, zijn hond en ik. Het was stil. Alleen ik babbelde wat. Waarom? Angst? Of gewoon omdat samen wandelen niet gezellig is als je niet met elkaar praat. Hier en daar hoorde ik wat ritselen, dat wel. Maar ik was toch meer met mezelf bezig, met mijn gebabbel.

Onverwacht stond mijn vriend, die al die tijd had gezwegen, stil. Hij trok aan zijn sigaretje en zei: ‘Hoor!’ Hij stak zijn wijsvinger op. Ik hield mijn adem in. Hij ook. De hond stopte met hijgen, deed zijn bek dicht en keek zijn baasje aan. We wachtten een minuut of twee. Ik luisterde. Ik hoorde wind. Een licht suizend geluid. Niets bijzonders.

Maar toch. Het was geluid. Geluid waar ik zelden bij stilsta. Mijn vriend wees mij er op dat er nooit echte stilte is – ook als ik niets denk te horen. Mogelijk omdat ik geen oor heb voor kleine, mogelijk onbetekenende geluiden. Maar ze zijn er wel, als ik er maar voor open staat. En betekenis hebben ze zeker. Dat vergeet ik weleens.

Ik meldde me jaren later aan voor een stiltewandeling in het Amsterdamse Bos. We zouden onder leiding van twee ervaren stiltewandelaars, Lisette Sevens en Thomas van Kleef, samen met nog enkele andere mensen een paar uur zwijgend met elkaar wandelen.

In het begin was het vermakelijk. Mijn vrouw en ik keken elkaar aan en konden nauwelijks een lach onderdrukken. Het zwijgen viel ons met de minuut zwaarder. Het begon hevig te regenen. Boven ons hoofd vlogen vliegtuigen laag af en aan, van en naar het nabije Schiphol. Daar viel wat over te zeggen, maar we bleven zwijgend doorwandelen.

Soms kregen we een korte pauze, waarin we onze ervaringen mochten delen. Hoe het beviel. Waarom niet? Waarom wel? We passeerden een gedenkteken, het Dachaumonument, bleven staan en keken zwijgend naar de opschriften en namen. Ik ontdekte een fout, wilde dat met de anderen delen, maar deed er het zwijgen toe. Hoe moeilijk was dat? Hoe moeilijk was het sowieso te zwijgen op een plek die sterke emoties opwekt?

We wandelden door, zwijgend. De regen viel met bakken uit de hemel. Boven ons hoorden we het lawaai van vliegtuigen. Het leek wel oorlog. Mogelijk omdat we zwegen kwamen het lawaai en de neerplenzende regen harder aan dan gewoonlijk, als we wel met elkaar praten. Ik weet het niet. Zo voelde het wel. Toch hoorden we uiteindelijk het lawaai niet meer. Gewenning? Ik weet het niet. Wat ik me herinner is dat mijn vrouw na afloop van de wandeling begon te huilen. Het bezoekje aan het Dachaumonument had haar geraakt. De ontroering had ze ingeslikt en pas enige tijd later kunnen uiten. Ook dat kan stilte met je doen.

Intussen ben ik gewend geraakt aan stilte. Aan samen de stilte ervaren en het gevoel niet hardop met elkaar te delen. Ik mediteer samen met anderen in stilte. Ik wandel samen met anderen in stilte. En elke keer ervaar ik dat stilte me dichter bij mezelf brengt. Ik hoor niet alleen méér, ik voel wat het met me doet. Hoe en waar het me raakt. Niet dat praten met anderen niet aangenaam is, maar alleen zijn met mezelf, mijn gevoel alleen met mezelf te delen, dus niet te uiten (naar buiten gooien) geeft me meer inzicht in wie ik ben en wat ik voel.

Is dat wat mijn vriend Marius me destijds wilde leren? Hij is overleden. Ik kan het hem niet meer vragen. Laat staan hem te danken voor wat hij mij wilde duidelijk maken: praat nou eens niet, luister gewoon. En voel, laat je raken!

Guus van Holland is vriend van de sangha Shambhala Leiden

Deze enigszins bewerkte column is gepubliceerd in de zomereditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

%d bloggers liken dit: