Uiteindelijk komt het allemaal best goed, Willem

25 Jan

Beste Willem,

Er ging een golf van herkenning door mij heen toen ik op Facebook las dat jij je oude maatje André Gieling had gesproken over jouw probleem met je prostaat. Jij en André deden er nogal luchtig over. Want ja, het komt bij veel mannen boven de vijftig, zestig en zeventig voor. Ik las over de 35 dagelijkse bestralingen die je te wachten stonden, de mogelijke noodzaak van een hormoonkuur en dat het allemaal wel goed zou komen. Ik las het verhaal en dacht: hij dus ook – net als ik.

Kort daarop besloot je het verhaal over je ziekte zelf openbaar te maken. Eerst in het Algemeen Dagblad, waar jouw veel gelezen column altijd in staat. Zodat niemand meer iets hoefde te vragen. Toch?

Tjonge, Willem van Hanegem dus ook. Waarom ook niet? Jij bent een man van gevorderde leeftijd (73) en behoort tot de risicogroep. Die ziekte heeft niets met je levenswandel te maken, zoals veel topsport bedrijven of dat je een paar sigaretjes te veel hebt opgestoken. Of dat je te veel hebt geneukt. Of dat je vroeger met afgezakte kousen voetbalde. Er zijn veel mensen die denken dat je kanker krijgt omdat je ‘verkeerd’ (niet gezond) geleefd hebt. Dat kan best zijn, maar mij is door waarschijnlijk dezelfde urologen of oncologen die jij in het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis in Amsterdam hebt gesproken, te verstaan gegeven dat het doorgaans met pech te maken heeft.

Ik (69) interviewde vorig jaar een Nederlandse oncoloog, Manon Huizing, die in Antwerpen succesvol werk verricht (en vooral goed is in psychische nazorg), en ook zij zei al: ‘Pech!’ Driekwart jaar later bleek ze zelf borstkanker te hebben. Ze liet meteen beide borsten verwijderen. Lees haar indrukwekkende boek ‘Passie voor de patiënt, werken met kanker’ (Willems Uitgevers). Bij mij werd rond die tijd een kwaadaardige kankercel in mijn prostaat gevonden.

Aanleg, genen, ouderdom, stress, milieuvervuiling – het zal wel. Doe het er maar mee, Willem, net als ik en al die andere oudere mannen die ik het afgelopen half jaar zag lopen en liggen in het ziekenhuis.

Gewoon even je PSA laten meten als je boven de 50 bent en je weet waar je aan toe bent. Veel mannen laten het niet doen. Waarom? Angst, niet willen weten? (Of omdat de huisarts het nog niet nodig vindt). Tja, en dan kun je te laat zijn. Ik heb het wel laten doen en jij dus ook. Bij een verhoging extra controleren of een scan cq echo laten maken. En dan zoeken naar de juiste vorm van genezing. Ik stond voor de keus: zeven weken elke dag een korte bestraling eventueel met een hormoonkuur van een half jaar of maar meteen de hele prostaat weghalen. Ik wilde geen hormoonkuur, ik ben geen wielrenner of Lionel Messi. Dan maar een hoge stem….. Ik koos voor het laatste, geen dagelijkse bestraling, geen hormoonkuur. Dan zou ik binnen een dag of drie thuis zijn en rustig van de ingreep kunnen herstellen.

Ik schrok in eerste instantie. Jij geloof ik niet. Schijnbaar ben je wat nuchterder, gewoon omdat je zo bent (?) en vooral als voetballer wel meer grote oorlogen hebt uitgevochten. Zo kende ik je ook als voetballer: hard als het moest, niet bang voor een paar schoppen of klappen. En schoppen en klappen heb je veel gehad, heb ik vaak gezien. En je kon ook uitdelen, want dat hoorde erbij. Je was geen heilige, hoe goed (soms geniaal) je ook kon voetballen. De Kromme was een bikkel. Die kon wel tegen een stootje, die was supergezond, kanker zou hij nooit krijgen. Of misschien longkanker zoals Johan Cruijff, ook een heilige met menselijke eigenschappen. Zoals zoveel helden van toen.

Ik geloof zeker dat jij van die kanker geneest. Ik ben er ook van genezen, al heb ik een andere weg gekozen, die van de totale verwijdering van mijn prostaat. Dat vonden de specialisten raadzaam omdat het kankercelletje op een gevaarlijke plaats zat en er uitzaaiing dreigde. De operatie verliep naar wens, maar wat daarna gebeurde was verschrikkelijk. Bloed- en urinelekkages, helse pijn in mijn nieren, rug, buik en onderlichaam. Dat hadden de urologen nog nooit meegemaakt. Ik bleef twee maanden in het ziekenhuis en mocht uiteindelijk met zes slangen in mijn buik plus een katheter naar huis. Vaak dacht ik: had ik maar voor de bestralingen gekozen. Maar nu is het toch bijna over en hoogstwaarschijnlijk voorbij. Het laatste bloedonderzoek was positief – geruststellend dus. Nou ja….

De media zullen jouw proces wel volgen. Voordat je het weet staat er straks een fotograaf voor de ingang van het Antoni van Leeuwenhoek om jou te vereeuwigen met een stralende glimlach of met een gezicht waarop geen emotie valt af te lezen. Zo, even een elleboogje geïncasseerd: wie doet mij wat?! Wat er dan ontbreekt is dat sigaretje dat je vroeger zo gauw opstak. Ik herinner me nog een uitspraak van jou over het vak sportpsychologie tijdens je opleiding tot trainer betaald voetbal: ‘Het enige wat ik ervan opgestoken heb is een sigaret….’

Laat je niet gek maken, Willem. Luister naar je lichaam en trek aan de bel wanneer het genezingsproces niet snel genoeg en naar wens verloopt. Of klaag bij je vrouw. Zij helpen je wel, iedereen in dat ziekenhuis. Dat heb ik tenminste ervaren. Als mijn vrouw zei ‘wacht nou even met hulp vragen’, dan stond ik al naast mijn bed te schreeuwen – angsthaas als ik ben. Dat moet jij ook doen, Willem, gewoon zeggen dat het je niet bevalt en zeker dat je je zorgen maakt. Die mensen helpen je graag. En zeker niet alleen omdat je Willem van Hanegem heet. Kom op zeg. Die mensen die mij geholpen hebben – en ik heb ze uitgescholden als ik ’s nachts geen slaappil meer kreeg – verdienen bewondering. Ze zijn goed in hulp omdat ze graag mensen helpen. En niet omdat ze er zoveel geld aan verdienen.

Straks, als de bestralingen achter de rug zijn en je mogelijk nog een hormoonkuurtje krijgt (ik zou het maar doen als ik jou was), zeg jij eerlijk (zoals ik je denk te kennen) dat het weleens spannend was. En dat je emotioneel werd als mensen met je meeleefden. Gewoon: de voortdurende vraag of het allemaal goed komt. Ja, dat zeiden ze ook tegen mij als ik weer eens lag te lijden: ‘Uiteindelijk komt het allemaal goed.’ En dan keek ik sceptisch in de mooie ogen van die mooie jonge vrouw (dat was toch mooi meegenomen) die mij had geopereerd.

Het is net golfen. Dat hebben we ook gemeen, als zal jij vast en zeker een lagere handicap hebben – elke dag op de golfbaan? Als je vanaf de tee een prachtige, verre bal slaat ben je er nog niet. Op de green moet het gebeuren, dan moet die putt erin en gaat het altijd mis. Slag voor slag, Willem, bestraling na bestraling. Langzaam maar zeker, met geduld. En lopen ze voor de voeten, dan geef je ze toch een elleboogje, of ze nu Johan Neeskens heten of een van die nare Schotten van Celtic is in de Europa Cup-finale van 1970. Een hole-in-one is geluk, zoals prostaatkanker gewoon pech is.

Ik ben er gelukkig van af, althans dat zeggen de bloedonderzoeken. Mijn prostaat is er niet meer – ergens in een laboratorium waarschijnlijk. Erecties zullen niet meer voorkomen, of zelden – als God het nog wil. Willem, het komt uiteindelijk allemaal goed. Zoveel bestralingen (35 gedurende zeven weken) zijn er niet voor niets. Maak je niet druk, blijf die Utrechter van Velox, laat je niet omver kegelen en maak af en toe een diepe buiging voor de mensen die je willen helpen. Dat heeft mij geholpen. En dat helpt jou ook, dat weet ik zeker. Houd me op de hoogte – of niet. Sterkte!

Guus

PS Met dank aan het inspirerende advies van Raf Willems

https://www.thuisarts.nl/prostaatonderzoek/ik-wil-weten-of-onderzoek-naar-prostaatkanker-zinvol

https://keuzehulpen.thuisarts.nl/testen-op-prostaatkanker/wel-niet-testen-bij-100-man-is

https://keuzehulpen.thuisarts.nl/testen-op-prostaatkanker

Het gaat mij bij sport niet alleen om winnen

11 Jan

Deze wens voor 2018 schreef ik voor Sportknowhowxl.nl

Wat mijn sporthart in 2018 begeert is vooral sportiviteit. Op alle fronten, zowel bij amateurs, recreanten, jeugd en professionals. Minder agressie op en rond de velden, op wegen, banen en in zalen. Hopelijk gaat samen spelen en strijden boven winnen. Meer waardering voor de tegenstander zonder wie je jouw geliefde sport niet kunt bedrijven. Meer aandacht voor de verliezer, minder opwinding over de winnaar.

Vooral de media kunnen daarin het voorbeeld geven. Niet winnaars tot helden bombarderen, maar in nuance het wedstrijdverloop verslaan. Helden zijn mensen die in oorlogen hebben gevochten. Helden zijn geen sportlieden, hoe fel ze ook hebben gestreden om het beste uit zichzelf te halen. De media hebben daarin een opvoedende taak. Wanneer in het strijdperk de grenzen van sportiviteit en respect worden overschreden kan dat overslaan op de toeschouwers, wier zintuigen neigen naar vechtlust.

Ook de invloed van commercie dient met grote argwaan te worden gevolgd, vooral door de media. Het kapitaal mag sportprestaties niet beïnvloeden. Chauvinisme en doping kunnen eveneens bijdragen tot onsportief gedrag en overdreven concurrentiedrift. Niet alleen de prestaties van de ‘onzen’ (dorpsgenoten, landgenoten en familieleden) verdienen respect en aandacht. Buitenlanders en vreemden mogen niet vijandig worden bejegend. Te vaak hoor en lees ik: die Russen, die Chinezen, die Italianen en die Belgen. Alsof het een oorlog is die dient uitgevochten te worden tussen ‘wij en zij’. Russen zijn ook mensen. Ook zij hebben begeerten, net als ‘wij’.

Partijdigheid zit in de mens, beter willen zijn dan de ander is nauwelijks uit te bannen. Terwijl zij tegelijkertijd vijandigheid veroorzaakt: het vernederen van de ander ten gunste van je zelf. Kijk ons eens. Wat is daar zo goed aan? Hopelijk zullen veel mensen het WK voetbal in Rusland volgen, hoe omstreden het toernooi in dat land ook is. Nu Nederland niet meedoet, kunnen we met gepaste afstand de deelnemende ploegen volgen en hun spel aanvaarden – hoe weinig oranje patronen er ook in voorkomen.

Persoonlijk geniet ik van sport zonder nationalisme. Als Tom Dumoulin mooi en hard fietst zal ik daar evenveel van genieten als van de Italiaan Vincenzo Nibali. Ik kijk uit naar de wielerwedstrijden zoals de Giro, de Tour, de Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix en Milaan-Sanremo. Zoals ik uitkijk naar het WK voetbal, de beslissende wedstrijden van de Champions League en de Winterspelen met hopelijk spannende wedstrijden tussen Nederlanders, Russen en Noren. Spannend moet het wat mij betreft zijn, ongeacht de afkomst van de deelnemers. Daarom volg ik ook golf, met eigenlijk vooral Engelse, Spaanse en Amerikaanse uitblinkers.

Mijn voornemen is na mijn operatie weer zelf te kunnen sporten: hardlopen, fietsen en golfen. Want eigenlijk is dat toch het leukste: zelf sporten en proberen voldaan te presteren. Om na afloop na te genieten van een drankje en nababbel. Ik hoef niet te winnen, ik wil geen druk (zeker niet van buitenstaanders, zoals media), ik wil plezier. Spelen, het liefst samen spelen en niet concurreren ten koste van mijn gezondheid, zoals ik steeds meer sporters zie doen. Wedstrijdsport mag niet te veel aandacht krijgen. Het gaat niet alleen om winnen, ook niet in 2018.

Guus van Holland (69) is een vooraanstaande (gepensioneerde) Nederlandse sportjournalist. Hij werkte tientallen jaren voor de Volkskrant (van 1976 tot 1988) en NRC Handelsblad (van 1988 tot 2011), voor deze laatste krant ook als chef-sport (van 2000 tot 2005). Hij versloeg vele malen de Tour de France, alle wielerklassiekers, het WK voetbal, Champions-Leaguefinales en Winterspelen, en schreef over diverse sporten alsmede over doping, sportpsychologie en andere sportwetenschappelijke onderwerpen.

Zie voor meer wensen&voornemens: http://www.sportknowhowxl.nl/achtergronden/wensen–voornemens-2018

Engeltjes aan mijn bed

11 Dec

De verbazing bleef aanhouden. Elke dag tijdens mijn verblijf van twee maanden in het ziekenhuis en ook daarna als ik thuis werd verzorgd door verpleegkundigen. De aandacht en betrokkenheid, sterker: de liefde. Elke verpleger die aan mijn bed stond, luisterde, bekeek mij aandachtig van top tot teen en wachtte geduldig totdat ik mijn hele klaagzang had voltooid.

‘Kan ik u verder nog ergens mee helpen?’ Zo beëindigden zij ons eenrichtingsgesprek. Nee, eigenlijk niet. Of toch nog wel? Dacht ik hardop, waarop ze zeiden: ‘Als er iets is roept u maar, ik kom meteen.’

Ik wist niet wat ik meemaakte. Zoveel aandacht, liefde en zorg. Was ik dat allemaal waard – hoe ernstig mijn ziekte ook was? Ik genoot van elk moment. Ik werd overspoeld door gelukzaligheid als zij mij maar even aanraakten. Ik vermoedde engeltjes aan mijn bed, alle pijn en ellende verdween door elk woordje dat mij ten deel viel. Ik voelde mij een beetje schuldig. Moest ik nu iets teruggeven? Verwachtten zij iets terug?

Was dit nou altruïsme, de kracht van compassie? Zoals ik dat vier jaar geleden dacht te begrijpen bij het lezen van het boek (800 pagina’s) van de Franse boeddhistische leraar Matthieu Ricard (Altruïsme, de kracht van compassie, Ten Have, 2013). Nee, dit was anders. Intenser, nog onbaatzuchtiger dan ik meende van Ricard te hebben opgestoken. Dat dit bestaat? Ik haalde destijds in een omvangrijk artikel in The Optimist (The Path of the Altruïst) voorbeelden aan van altruïstische mensen, zoals Florence Nightingale, en anderen met een groot hart vol liefde voor de ander. Maar er zijn er dus veel meer, vooral de (soms vrijwillige) zorgverleners, verpleegkundigen en artsen. Geven, helpen en luisteren, zichzelf vergetend.

Dat ene moment dat ik ’s nachts woedend de dekens van mij afwierp omdat de nachtzuster me geen slaapmiddel meer wilde geven en ik mij niet tot bedaren liet brengen. Ik vloekte en schold haar uit. Toch legde zij even later liefdevol een opgewarmde deken op mijn buik, waardoor ik zowaar in slaap viel. Natuurlijk werd het voorval in mijn dossier vastgelegd. De volgende dag vertelde ik aan een andere verpleegkundige dat ik mij schuldig voelde en de nachtzuster niet meer onder ogen durfde te komen. Ik was mezelf te buiten gegaan.

Korte tijd later kwam de mogelijk door mij gekwetste nachtzuster kordaat naar mij toe. Zij legde een hand op mijn schouder, aaide me over mijn hoofd en zei: ‘Ik hoorde dat u zich schuldig voelt over wat er vannacht is gebeurd. Dat is niet nodig. Ik ben er voor u: niet schuldig voelen, hoor. Als u wilt dat ik kom, dan kom ik meteen.’ Ik dacht even dat ze bloosde en dat ze het niet meende. Maar dat was gauw voorbij. Ik viel in slaap en droomde over liefde, dat iedereen liefde voor anderen in zich draagt. Altruïsme bestaat echt en niet alleen omdat Ricard daar 800 pagina’s over heeft geschreven.

Met een van de verpleegkundigen deelde ik mijn ideeën over altruïsme en empathie. Zij was geïnteresseerd omdat ze tijdens haar opleiding het vak ‘zorg en ethiek’ volgde. Ik beval haar Ricard aan en diens uitleg. Omdat het haar dagelijks bezighield: verzorgen zonder er iets voor terug te vragen. Ze zorgde graag, maar het was niet altijd gemakkelijk. Ze had ervoor gekozen, omdat zij er plezier aan beleefde. Zei ze.

Die liefdevolle vriendelijkheid van de verplegers en artsen in het ziekenhuis en van de thuiszorg maakte zoveel indruk op mij dat ik meer vertrouwen in mensen heb gekregen. Dat er meer mensen zijn die anderen onbaatzuchtig helpen dan ik ooit in mijn door scepsis geleide leven had durven denken. Ik heb het sterke vermoeden dat iedereen van huis uit altruïstisch is, maar dat wij hebben geleerd egoïstisch te zijn – allereerst aan onszelf te denken.

Het is fijn om altruïsme te ervaren, gewoon liefde met zoveel mogelijk aanrakingen te voelen. Dat voelt als het beste medicijn. Wanneer ik die verzorgers zo bezig zag met hun altruïsme, voelde ik bovendien dat het echt was. Ze geven liefde en daar krijgen ze ongevraagd plezier voor terug. Liefde vooral, zeker van mij, de man die (zoals iedereen) hunkert naar liefde.

Guus van Holland is vriend van Shambhala Leiden.
Deze column is gepubliceerd op de wintereditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Nergens zin in hebben

18 Okt

Wat zal ik gaan doen? Het is de vraag die ’s morgens bij het ontwaken als eerste opkomt. Er zijn geen plannen. Mogelijk alleen verplichtingen, zoals douchen, ontbijten en koffie drinken. En mediteren, 20 minuten, tot de mountain bell van de app op mijn iPhone gaat.

De dag is begonnen. Wat nu? Als ik me maar niet ga vervelen. Het is de eerste vrees die bij me opkomt. Ik mag me niet vervelen, ik moet wat gaan doen. Zo ben ik geconditioneerd al vanaf mijn jongste jaren. Doe wat! Kom van die bank! Ga buiten spelen!

Maar ik wil zo graag lui zijn. Niets doen. Nergens zin in hebben. Niet doen wat anderen van mij verlangen. Ik wil met rust gelaten worden, nadenken of desnoods slapen – ver van de verwarrende wereld.

Ja, me vervelen. Is dat zo erg? Misschien voor anderen die mij liever zien bewegen, bang als ze zijn dat er niets van mij (en de wereld) terecht zal komen.

Jarenlang heb ik geen tijd gehad om me te vervelen. Ik had werk, boeiend werk waarin ik mij geen moment verveelde. Obsessief volgde ik de sportontwikkelingen, geen nieuw inzicht negeerde ik. Toch voelde ik diep van binnen onrust, met vragen als: ben je niet te rusteloos, neem je wel op tijd rust, tijd voor bezinning, zou het niet eens tijd zijn voor meditatie en contemplatie? Is dat nou alles? Zoals de succesvolle oude Vlaamse volkszanger Ivan Heylen me in een interview in de jaren zeventig toevertrouwde: ‘Hoe ver ben ik nu, wie ben ik nu nog?’

Toen het werk was gedaan, sloeg de leegte toe. Bezetenheid maakte plaats voor leegte. Vrijheid, zo menen velen die niet meer hoeven te werken. Ik wist me geen raad. Ik sloeg mijn vleugels uit, naar alle kanten, maar nergens vonden ze de wind die me naar de paradijselijke vrijheid droeg. Ik zag George Harrison in Living in the Material World (2011) van Martin Scorsese en raakte in vervoering door zijn doorontwikkelde altruïsme dat hij zich door jarenlange meditatie ’s morgens nog voor de zon opkwam in het torentje van zijn Engelse kasteel aanleerde.

Daar zat hij dan in zijn eentje, in zichzelf gekeerd, in- en uitademend, contemplerend, zichzelf ervan doordringend dat niets van hem was. Onthechting vond plaats, zonder dat hij het bewust wilde. Hij zat daar en liet de verveling toe. Hij zag het gebeuren: niets is van mij, alles is van iedereen – hoe ver kun je verwijderd zijn van de samenleving, die begeerte en egocentrisme tot het hoogste goed heeft bestempeld?

Met leegte maakte ik ook kennis in het boek ‘Ongebaande paden – een voetreis dwars door Frankrijk’ (Arbeiderspers, 2016) van Sylvain Tesson. (Lees ook: ‘Zes maanden in de Siberische wouden’). De voettocht van de Franse schrijver voerde, door de zelf opgelegde verplichting dat hij alleen over onverharde wegen mocht lopen, dwars door de ongerepte natuur, over soms nauwelijks begaanbaar terrein en langs barre uithoeken. Een kleine drie maanden later eindigde zijn voetreis aan de noordwestkust van Frankrijk.

Tijdens zijn tocht was hij in de stilte van de bossen en de weiden, op eenzame bergtoppen, wadend door kabbelende beken, slapend in de vrede, hoewel rondom dieren en vogels hem bespiedden. Voorbijgangers, boeren en landlopers keken hem aan, boerenvrouwen boden hem een kop soep aan en soms een duistere slaapplaats als het regende. Verder gebeurde er niets, maar eigenlijk van alles. Hij zag alles wat anderen in die verdwaasde, gestreste wereld niet meer konden zien. In de stilte en de leegte is er meer dan we weten.

Zo zit ik dan weer op mijn meditatiekussen, de wekker op twintig minuten. Soms komt de mountain bell als geroepen, dan weer te vroeg. Net als ik me veilig voel in de leegte en de geluiden om mij heen niet meer als storend ervaar. Er is geen verveling meer. Ik zit, ik wacht niet, ik voel geen plannen of verplichting. Ik voel en hoor mijn ademhaling. Soms een ritseling van blaadjes of diertjes. So what? Hier zit ik en niemand anders, het zijn mijn bewegingen die ik voel. De verveling heeft mij ontdekt en het voelt vredig: er is geen afleiding, niets trekt mij weg van mijn verveling. Er is zelfs geen begeerte. Ik zit en verveel me.

Guus van Holland is vriend van Shambhala Leiden

Deze column is gepubliceerd in de najaarseditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/

 

Het laboratorium van de Tour

29 Jun

 

americas-top-cyclist-entering-the-tour-de-france-has-been-using-a-portable-brain-stimulator-to-try-to-gain-an-edge-and-he-says-it-actually-works

De Amerikaan Andrew Talansky traint met zijn Halo Neuroscience koptelefoon

De euforie is gedempt, het feestgedruis verstomd. De Ronde van Italië is al een maand voorbij. Tom Dumoulin is weer even onder de stervelingen, mogelijk – en voor velen hopelijk – op weg naar een nieuwe piekervaring. We kunnen ons als wielerliefhebbers opmaken voor een volgende spannende episode in de wielersport van 2017, de Tour de France. Welk drama wordt ons dit keer voorgeschoteld? Zonder Dumoulin, zonder Nederlandse favorieten.

We kennen ze wel, de favorieten: de Engelsman Chris Froome, de Australiër Richie Porte, de Colombianen Nairo Quintana, Esteban Chaves en Rigoberto Uran, de Italiaan Fabio Áru, de Spanjaard Alberto Contador, de Fransen Romain Bardet en Thibaut Pinot en meer. Maar kennen we hun fysieke en mentale conditie? Van hun talent zijn we doordrongen, maar wat kunnen ze meer dan een ander in de drie belangrijkste wielerweken van het jaar, in de Tour de France? Hoe je het ook wendt of keert het hoogtepunt van het wielerseizoen.

Wat voor krachten hebben ze de afgelopen maanden opgedaan, op verre hoogtestages, in windtunnels en laboratoria? Hebben ze nieuwe trainingsmethoden aangewend, hun voedselpatroon aangepast, hun gewicht bijgesteld, hun spieren versterkt, hun longinhoud vergroot, hun bloed verrijkt, hun fietsen in een nieuwe vorm gegoten, hun kleding beter gestroomlijnd (streepje of bobbeltje meer hier en daar), hun voedingssuppletie veranderd, andere gelletjes gekregen, een nieuw nog niet verboden (of te vinden) pepmiddel in hun lijf.

,,Het is oneerlijk verdeeld in de maatschappij”, verzuchtte Gerrie Knetemann, de wereldkampioen van 1978, eens in een interview terwijl hij naar het nachtkastje keek waar naast filosofisch getint leesvoer ook sprookjesboeken lagen. Hij had die dag de longen uit zijn lijf geperst, zag na de massage nog dikke aderen over zijn benen lopen en herinnerde zich een lotgenoot die vele minuten eerder over de eindstreep was gekomen en er nog fris en vrolijk uitzag. ,,Wat moet ik nou beginnen tegen die anderen die veel sneller een berg oprijden? Ik heb daar de benen niet voor, niet de longen en misschien wel niet het hart. Ieder zijn eigen talent. Ik de mijne. Nou, het is harken, hoor, als je minder talent hebt. Links en rechts een slimmigheidje, een beetje bluffen en je redt het weleens. Maar het is niet eerlijk. Het zou leuker zijn als iedereen gelijk was, gelijke kansen had. Maar ja, zo heeft God het niet gewild en de directeur van de Tour de France zeker niet.”

Topsport is een ongelijke strijd, de ene strijder is beter toegerust, ouder, jonger, wijzer, sterker, genetisch bevoorrecht of beschikt over een grotere ‘motor’ – laat staan een snellere fiets. En toch wordt het aanwenden van medische suppletie verboden genoemd en niet het gebruik van andere middelen zoals beter materiaal (ovale tandwielen), technologie (wattage- en hartslagmeters, gps, transponders), elektronica en mentaal versterkende methoden (een slimmere ploegleider, sportpsychologie, antidepressiva, pijnstillers, opwekkende kruiden/olie, acupunctuur).

Als Max Verstappen in een betere auto (een ander merk) stapt, reageert niemand kritisch. Het volk zal bij winst juichen en hem huldigen als een van de beste Nederlandse sportmannen (atleten) aller tijden.

Als Tom Dumoulin in het heetst van de strijd moet poepen, wordt dat niet alleen onprofessioneel maar zowaar menselijk genoemd. Wanneer een renner tijdens of na de koers moet braken, wordt dat als een gebrek aan goede voeding beschouwd. Wanneer de een de ander kan bijhouden, wordt dat de menselijke maat genoemd. Wie sterker is dan een ander wordt al gauw argwanend gevolgd – zeker als het onverwacht is. Wat heeft die nu weer in zijn lijf gespoten? Zeker als het een buitenlander is. Dat is toch niet ‘normaal’.

Van immer alerte wielerjournalisten wordt verwacht dat ze met een kritische blik vooral de buitenlandse concurrentie volgen. Wat van buiten komt roept argwaan op. Gebruik van verboden middelen en methoden dient aangetoond te worden, is doorgaans de algemene opinie. Wat niet mag, dat mag niet. Het volkstribunaal zal oordelen wat menselijk is en wat niet. De journalist zal er (misschien wel tegen zijn zin) naar moeten luisteren – of weigert en volgt zijn eigen weg.

Nieuwsgierig kijk ik uit naar de komende Tour de France. Laat daar geen misverstand over bestaan. Ik volgde zelf als journalist zestien keer de Tour en heb zowel verwachte als onverwachte ontwikkelingen (rampzalige valpartijen, plotselinge soms onverklaarbare ziektes, dopingdrama’s en even onvoorspelbare als ondoorgrondelijke combines) meegemaakt. Vandaar dat de kans op mijn verbazing klein is. Hoezeer ik ook naar opwinding verlang. Ongelijke strijd wekt mijn nieuwsgierigheid. Je weet nooit wat mensen doen (de mens is even kwetsbaar als veranderlijk, van de ene seconde op de andere), zeker als de klimatologische omstandigheden onvoorzien zijn en de wegen naar de finish bezaaid zijn met onvoorziene steenslag en andere obstakels die niet door de wetenschap berekend kunnen worden.

Hoe zal bijvoorbeeld de Amerikaan Andrew Talansky zich houden in de afmattende wedstrijd van drie weken? De renner van de ploeg Cannondale-Drapac werd al eens tiende en elfde in de Tour de France, vijfde in de Ronde van Spanje en won in 2014 de Dauphiné Libéré. Hij geldt als kandidaat voor een plaats bij de eerste tien. Zeker nu hij zich gesteund weet door een nieuw (niet verboden) middel: een draagbare hersenstimulator. Talansky maakt in navolging van spelers uit het American Football, het Amerikaanse honkbal, Amerikaanse mariniers en enkele Amerikaanse olympiërs, sinds december vorig jaar gebruik van Halo Neuroscience, neurowetenschappelijke technologie. Hij traint via een Halo Sport app op zijn smartphone met een koptelefoon, luistert intussen naar muziek en voelt door lichte sensaties in zijn hoofd dat zijn hersens (elektrische) prikkels naar zijn spieren sturen. Na de sessie gloeit zijn hoofd nog even door. Vaak gebruikt hij ‘het middel’ ongeveer twintig minuten (gemiddeld 3 à 4 keer per week) en traint hij met de nagloeiende effecten een uur door. Volgens Talansky maakt hij inderdaad vorderingen en voelt hij zich sterker geworden. De 28-jarige Amerikaan hoopt dat met name tijdens de komende tijdritten in de Tour aan te tonen.

europlasticity, zo wordt de methode genoemd. De hersenen (de mindset) zijn elastisch en kunnen veranderd worden door oefening. Zo weet ik bijvoorbeeld dankzij mijn eigen ervaringen met allerhande vormen van psychotherapie en ‘alternatieve’ geneeswijzen. Of lees een eerdere bijdrage op mijn weblog:  ‘Muhammad Ali en de kracht van de grote mond’ https://guusvanholland.com/2016/06/10/muhammad-ali-en-de-kracht-van-de-grote-mond/ (de kracht van intentie, noemt wetenschapsjournaliste Lynn McTaggart de in Canada en de Verenigde Staten beproefde methode EMG – electromiografie).

Ook Talansky’s Franse ploeggenoot Pierre Rolland maakt er gebruik van. Of het allemaal tot het gewenste resultaat leidt, is nog maar de vraag. Duidelijk is dat de wetenschap nog veel in petto heeft om topsporters te ondersteunen. Veel van wat al wordt aangewend, is nog geheim – niet alleen van medische stimulantia. Wielrenners (en hun wetenschappelijke begeleiders) zullen niet nalaten zo snel mogelijk te zoeken naar nieuwe wegen om beter te kunnen presteren. Als het niet door middel van een pilletje of een gelletje is, een injectie of een infuus, een hoogtestage of een bloedzak, een electrode hier en een electrode daar, dan wel door nieuw materiaal en nieuwe technologie.

De vraag is wat voor mens straks de Tour de France wint. De wielrenner met aan perfectie grenzende menselijke eigenschappen, de meeste aanleg (een natuurtalent?) of de wielrenner met de meest geavanceerde materialen en technologische hulpmiddelen. De tijden dat wielrenners op pure menselijke kracht (soms versterkt door een hallucinerende pil of toverdrank) onmenselijke verzetten trapten, hun lekke bandjes zelf plakten, defecten aan hun ijzeren fiets zelf repareerden, zelf hun voeding samenstelden, zonder helm reden, een wollen trui droege en als menselijk wrak de eindstreep bereikten, zijn al een eeuwigheid voorbij. Op weg naar oneindige roem, glorie en gele trui is Tourrenners niets te gek. Dromen van een Tourzege stopt nooit.

Dit artikel is gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

Vluchten heeft geen zin meer

22 Jun

IMG_1653Toen was het stil. Ik hoorde een fluitconcert van vogels, bladeren ritselen, mijn adem en ik hoorde zelfs mijn hart in een rustig, regelmatig ritme kloppen. Weg van het lawaai. Weg van borende en zagende buurmannen. Weg van alarmerende sirenes. Weg van blaffende honden. Weg van redeloos schreeuwende kinderen en hun radeloze ouders.

Ik moest weg, de stilte in, het bos in. Weg van mensen met hun harde stemmen en oorverdovende machines. En zowaar. Van de geluiden die ik ver van de bewoonde wereld aantrof, werd ik niet opstandig. Ze leken me vredig te stemmen. Totdat ik tijdens mijn meditatieve momenten in de natuur merkte dat ik helemaal niet zo rustig was. Er woedde een storm. Er was iets in mij dat me stoorde. Ik was overstuur, in de war gebracht door geest verstorende ervaringen.

Ik liet mijn emoties begaan. Ik liet gedachten komen en voorbijgaan, de vogels de vogels en de bladeren de bladeren. Ik voelde en hoorde iets dat mijn adem kon zijn of mijn hart. Het werd even stil in mij. Er was zoiets als leegte. Een onbestemde beleving.

Ik wilde weg, alweer. Nu weg van de bedreigende leegte en stilte in mij. Weer wilde ik op de vlucht. Maar waar moest ik heen? Ik kon niet anders dan te blijven zitten waar ik zat en me niet te verroeren. Hier zat ik gegijzeld door mezelf en mijn gevoelens. Hier moest ik het meedoen. Dit was ík, dit was niemand anders. Vluchten kon niet meer.

Zo bleef ik een tijdje zitten. Ik voelde mijn benen, voeten, buik, armen, hoofd, ogen, neus, mond, lippen, adem, mijn hart. Tintelingen, prikkels, steekjes, golfjes van onbestemde gevoelens. Ik wilde het gevoel duiden: wat bedoelen ze? Wat gebeurde er allemaal in dit lijf? Wat een sensaties!

De herinnering aan het boek ‘Leer ons stil te zitten’ van Tim Parks (bij voetballiefhebbers bekend van ‘Een seizoen met Hellas Verona’) kwam boven. Ik zocht het op en las: ‘Ochtendgedachten borrelen als luchtbellen omhoog. Ik concentreer me op de adem in mijn neusgaten, op mijn lippen. Alleen door je voortdurend bewust te zijn van je lichaam kun je bruisende gedachten tot rust brengen. Ik maak me niet ongerust als het niet gaat. Het doel is stilte, maar ik verlang er niet naar….. Er is niets mystieks aan. Veel mensen die voor het eerst op Vipassana-retraîte gaan verlangen naar drama, naar een confrontatie met hun demonen, naar onderwerping aan een goeroe. We willen allemaal een nieuw hoofdstuk toevoegen aan het verhaal van ons ik, aan ons eindeloze doorzeuren over hoe we met de wereld omgaan. Daarom gaan zoveel mensen naar India, vermoed ik, om alleen met de ogen dicht op een kussen te zitten. Ze hopen dat de exotische locatie, de gewaden en de vreemde taal intensiteit toevoegen aan het verhaal.’

En: ‘Zodra woorden en gedachten uit het hoofd verbannen zijn, verzwakt ook het ‘ik’. Er is geen verhaal meer dat het ‘ik’ voedt. Wanneer de woorden verdwenen zijn, maakt het niet meer uit waar je bent. Of het morgen of avond is, of je jong of oud bent, man of vrouw, arm of rijk – dat is in de stilte, in het donker, in de kalmte, niet belangrijk. Net als geesten, engelen en goden blijkt ook het ik een idee te zijn dat we bedacht hebben, een verhaal dat we onszelf vertellen. Ik heb taal nodig om te overleven. Woorden scheppen betekenis, betekenis geeft een doel, een doel leidt tot een verhaal. Maar hier is even geen verhaal, geen retoriek, geen bedrog. Hier zijn stilte en aanvaarding; het genot van een ruimte die niet van betekenis doordrenkt hoeft te worden. Door je intens bewust te worden van het lichaam, de adem, het bloed, kun je ‘ik’ laten wegglippen.’

IMG_1655Mijn aandacht was weg. Buiten mijn boshuisje hoorde ik een fluitconcert van vogels, een bromvlieg op zoek naar een plekje waar hij zich rustig voelde. Het zou een oorverdovend lawaai kunnen zijn, waar geen agressieve gitaar van mijn geliefde zielsverwant Neil Young tegenop kon. Het was sensationeel. Ik had mijn rust gevonden, door naar mijn lichaam te luisteren, mijn zintuigen te voelen en simpelweg te aanvaarden.

Dit zou ik thuis kunnen doen: in mezelf keren. Niet vluchten. Leren stil te zitten en te luisteren naar mijn lichaam. Als morgen het lawaai me te veel wordt en ik wil vluchten, ga ik zitten en luister naar mijn lichaam. Probeer ik te voelen. Misschien dringt dan tot me door dat alles buiten mij niet vijandig bedoeld is, niemand iets doet om mij te pesten. Dat alle verstoringen in mezelf huizen. Dat ik alleen de rust in mezelf kan vinden. Door in te zien waarom ik verstoord raak. Dat vluchten geen zin heeft. Dat het monster in mezelf huist. 

Het lawaai zit in mij. 

Net als de rust.

Guus van Holland is vriend van de Shambhala-sangha Leiden

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

 

 

De zoektocht van Hein Verbruggen

16 Jun

Afgelopen najaar wilde Hein Verbruggen met mij praten. Hij kwam speciaal daarvoor naar de Veluwe waar ik veel in ons vakantiehuisje verblijf. We hebben uren gepraat.

Ik dronk witte wijn, hij Cola Light. We praatten over ons leven, onze jeugd, onze opvoeding, de kerk, ouders, onze relatie, het huwelijk, onze zoons (hij heeft er twee), hoe op te voeden, over macht en het opportunisme van journalisten, hun vooroordelen en aannames, over beeldvorming, over de zin van leven. Over ná het leven.

Hij wilde van mij weten waarom ik zo veel zag in boeddhisme. Daar had hij al veel over gelezen – ook via mijn stukken die ik hem stuurde. Hij sprak over Chinese filosofieën, veel over China, over confucianisme, taoïsme, over filosofische boeken, over Freud, Nietzsche, Martin Luther King, Mandela, Mao, Kissinger, Obama, Chomsky, Machiavelli, Darwin, Plato, Socrates en God, over politiek en de dynamiek tussen mensen. Over De Waarheid….

Over zijn ziekte (ALL-acute lymfatische leukemie) en over kleine kansen. Over mijn psychische problemen en hoe daarmee om te gaan. Over het belang van sport en entertainment, als afleiding van de dagelijkse sleur.

Heel even over hardlopen, wat ik ook veel heb gedaan – Hein liep in 1991 de marathon van New York.

Niet over wielrennen. Nog geen minuut.

We kenden elkaar al veertig jaar. Soms keken wij elkaar die dag zwijgend aan en dan begon hij te lachen, even maar, en zei: ‘Weet je wat het met jou is Guus!?’ (Dat blijft onder ons).

We zouden elkaar snel weer treffen, zo beloofden we elkaar. Hij stuurde me kort daarop per email teksten over boeddhisme, soefisme en filosofie. Wat ik ervan vond. Ik kreeg begin januari ook een nieuwjaarswenskaart per email toegestuurd.

Hij moest nog een paar extra chemokuren verwerken, alvorens hij in de zomer een stamceltransplantatie zou ondergaan. Zo liet hij tussentijds weten. Vóór de ‘transplant’ zouden we elkaar in mei/juni weer treffen, waar ook in Nederland. Dat wilde hij per se.

Intussen ging hij hard achteruit. Ruim twee weken geleden (28 mei) stuurde hij mij een kort mailtje: ‘chemokuren zijn niet voldoende om ziekte te onderdrukken voor een (zware) transplantatie, ik ga nu meedoen aan testen (clinic trials)  in Amsterdam en er dan het beste van hopen, WE houden contact, Hein.’

In de nacht van afgelopen dinsdag op woensdag is hij overleden, zo mailde een collega mij. Hij werd 75 jaar.

Hein Verbruggen was een markant mens met wie ik heel veel heb meegemaakt, gebekvecht en uitgewisseld.

%d bloggers liken dit: