Frank Vandenbroucke: Een wielerfenomeen zonder thuis

7 aug

Enkele uren nadat bekend was geworden dat Frank Vandenbroucke was overleden, schreef ik op 13 oktober 2009 dit artikel in NRC Handelsblad. Binnenkort wordt een film in de Nederlandse bioscopen vertoond, gemaakt door Koen Mortier, Engel (Un Ange), waarvan het verhaal veel gelijkenis vertoont met de ondergang van VDB. De film is gebaseerd op het boek ‘Monoloog van iemand die het gewoon werd tegen zichzelf te praten’ van Dimitri Verhulst.

Vandenbroucke

Alle Belgen konden van hem houden, als van een god. Frank Vandenbroucke heeft ervan genoten, zijn leven lang. Maar hij heeft er ook onder geleden. Hij was niet zomaar een sportman, niet zomaar een wielrenner, niet zomaar een mens. Wat was hij dan wel? Eén ding wist hij zeker: „Ik ben God niet.”

Gisteravond bereikte de onheilstijding België: Frank Vandenbroucke was na een samenzijn met een prostituee dood aangetroffen in een hotelkamer in Senegal. Hij zou zijn overleden aan de gevolgen van een longembolie. Zijn moeder nam de telefoon op, zag dat het haar zoon was, maar kreeg een andere renner in Senegal aan de lijn. „Het is waar”, verklaarde ze later, „we zijn onze Frank voorgoed kwijt.”

Het noodlot dat de 34-jarige Belg bijna zijn hele leven heeft achtervolgd, had nu echt en genadeloos toegeslagen. Een sporttalent dat het met wielrennen doorbloede België voortdurend in verwarring bracht, was dood. Hij werd zoals zoveel talentvolle wielrenners vereenzelvigd met Eddy Merckx, de almachtige die in de jaren zestig en zeventig alle wielerkoersen ter wereld won.

Vandenbroucke, geboren in het Waalse Moeskroen, had niet het talent van Merckx. Niemand zal ooit het talent van Merckx evenaren. Dat is het noodlot van alle talentvolle Belgische renners.

Maar zoals Vandenbroucke in het jaar 1999 reed, dat deed denken aan Merckx. Sterker: hij reed mooier, hij was eleganter, hij was één met zijn fiets. Hij glom van onoverwinnelijkheid. Bij de start van Luik-Bastenaken-Luik liet hij trots zijn fiets zien, het nieuwste model, met gouden spaken. Hij had zijn haren gebleekt en zijn gezicht ingesmeerd met ‘bruin-zonder-zon’.

Zo laat een sportman die gaat winnen zich zien. Niemand zou hem die dag verslaan. Hij trok op La Redoute ten aanval, op de plaats die hij had voorspeld, schudde zijn concurrent Bartoli van zich af en won.

Frank

Er waren van die dagen dat Vandenbroucke over uitzonderlijke gaven kon beschikken. In de etappe van de Ronde van Spanje naar Avila, de vestingstad boven op een berg, gleed hij op een enorm verzet weg van het peloton en won, zoals alleen Vandenbroucke kon winnen. De avond ervoor was hij nog even naar zijn nieuwe vriendin gegaan om de liefde te bedrijven. Dat kon.

In dat ‘wonderjaar’ had hij wereldkampioen moeten worden. Maar hij werd het niet, hij brak zijn pols. Hij had ook slechte dagen – veel zelfs.

Hij nam doping – veel zelfs – maar werd nooit betrapt. Hij gebruikte cocaïne, amfetamines, alcohol, vreemdsoortige kruiden – vaak zelfs – om zich te ontdoen van de pijn van het dagelijks leven en liet zich adviseren door een dubieuze paardendokter. Hij nam antidepressiva om zijn extreme gevoelens af te vlakken. Hij ondernam twee zelfmoordpogingen, werd tweemaal opgenomen in een psychiatrische kliniek. Hij bedreigde z’n tweede vrouw met de dood. Plotseling kon hij van een engel in een duivel veranderen.

Ik-ben-God-niet

In zijn lijf school oerkracht, in zijn hoofd huisde de duivel. Een jaar geleden, kort na het verschijnen van zijn autobiografie ‘Ik ben God niet’, toonde hij zich zeer openhartig in een interview in het Centrum van de Ronde van Vlaanderen in Oudenaarde met oud-wielerjournalist en directeur van het Centrum, Rik van Walleghem. Hij straalde weer, hij glimlachte lief en vredig, hij zou terugkeren op de fiets en weer zoals vroeger winnen. In de zaal geloofden de toehoorders hem op zijn woord. De engel Vandenbroucke was weer bezig harten te veroveren, ook mijn hart.

Waar ging het dan mis? Vandenbroucke praatte zacht. Toen hij vier jaar was ging het mis, zei hij. Hij werd door een auto aangereden: dijbeenbreuk, drie maanden ziekenhuis. Nooit meer zou hij van die pijn worden verlost. Maar hij won wel, want hij wilde altijd winnen. „Ik had als junior alles gewonnen. De mensen zetten een kroontje op mijn hoofd en knielden voor mij. En ik zat daar op mijn wolk. Alle deuren gingen voor mij open. Ik kan het de mensen van de pers en de fans niet kwalijk nemen. Ik was niet opgevoed om dat te hanteren. Wie wel? Ik ben een emotioneel mens. Ik voel alles intens. En ik was óók geweldig.”

Hij had eens in Italië op het vliegveld gestaan en niet geweten waar hij heen moest. Hij was weliswaar een geweldige wielrenner, maar hij had geen thuis. Hij probeerde er een einde aan te maken. Waarom? „Waarom? Dat doe je gewoon en dan ben je dood of niet. Ik ben vaak depressief geweest, net als mijn vader. Dagen kan ik niks, en dan kan ik weer alles, dan wil ik alles, dan versla ik ook iedereen.’’

Verward als hij was kon hij zich in de laatste jaren in geen enkele ploeg handhaven. Dan was er een mysterieuze blessure of ziekte, dan was hij onvindbaar – zelfs voor zijn tweede vrouw Sarah.

De wielerbestuurders waren hem liever kwijt. Voor een renner met een schadelijk imago is geen plaats.

‘VDB’ trainde weer als bezeten, reed op de modernste fiets en liet zich in amateurkoersen natuurlijk van zijn mooiste kant zien. Volgend seizoen zou hij weer zijn uitzonderlijke klasse tonen. Hij zou zeker weer stralen.

Dat werd hem door alle Belgen gegund.

 

 

Boeddhisme gaf psycholoog Han de Wit wél antwoorden

23 jul

Han F. de Wit is een van de bekendste Nederlandse boeddhistische leraren, een geliefd spreker en veelgelezen schrijver over boeddhistische spiritualiteit. Hij is opgeleid door de vermaarde Tibetaanse dharmaleraar Chögyam Trungpa en auteur van onder meer de bestseller ‘De Verborgen Bloei: Over de psychologische achtergronden van spiritualiteit’

Han-de-Wit-tv-kijk-op-2016-bodhitv

Han de Wit (Foto Boeddhistisch Dagblad)

Je wist maar nooit, zo meende de leergierige De Wit (nu 75 jaar) in zijn zoektocht naar diepere lagen van de menselijke geest. Bij de psychologie, die hem in zijn middelbare schooltijd meer dan de daar verplichte leerstof in haar greep had gekregen, hield het op waar De Wit juist meer verwachtte.

Tijdens zijn strandwandelingen, bijvoorbeeld, meende hij een verschil in beleving te zien. De ene keer voelde hij vrijheid, kijkend naar hoe de meeuwen boven het strand en de duinen vlogen. De andere keer voelde hij eenzaamheid en leken de meeuwen zich anders te gedragen, zwevend op de telkens veranderende heersende thermiek. ‘Dat heeft vast met de psyche te maken, die elke keer anders is’,  vermoedde de jonge levenskunstenaar. ‘Waarom lees en leer ik daar niets over in de psychologie?’

Nu, veertig jaar later, weet de boeddhistische leraar (Acharya) en grondlegger van de contemplatieve psychologie Han de Wit, dat psychologie destijds over behaviorisme ging, over menselijk gedrag. ‘Omdat je niet in andermans hoofd kan kijken onderzoekt deze gedragspsychologie wat je bij mensen kan observeren. De onderzoeker en zijn object zijn dan onafhankelijk van elkaar. Dat is nodig voor betrouwbaar onderzoek. Als je je eigen geest wilt onderzoeken is dat niet zo, dus zijn ook de resultaten niet betrouwbaar, niet objectief, zo dacht men. Dat ging dus niet over de individuele beleving. Terwijl ik toch aan het strand elke keer iets anders had beleefd. Ik dacht: je kan je gedachten waarnemen en je kan over je waarnemingen denken. Dat zijn dus duidelijk twee verschillende zaken, die wel onafhankelijk van elkaar zijn. Dan moet onderzoek van je eigen geest toch mogelijk zijn.’

Laten we voorop stellen dat De Wit niet de eerste en enige was die ‘verder’ dacht dan de toen heersende opvattingen over de psychologie. Hij verwijst naar Wilhelm Wundt, in de negentiende eeuw een van de grondleggers van de experimentele psychologie. Een Duitse filosoof, fysioloog en psycholoog. ‘Hij kreeg destijds geen voet aan de grond, vooral omdat hij geen effectieve methode had kunnen vinden om de beweging van je eigen geest waar te nemen. Anderen zeiden daarom: stop er maar mee, onzin. Daar kwam nog bij dat religie, laat staan spiritualiteit in de wetenschap van die tijd, taboe was.’

Maar Han liet zich niet uit het veld slaan en besloot buiten de gebaande paden van de psychologie op onderzoek uit te gaan. Au Bout du Monde, zo heette het winkeltje in Amsterdam, waar je als wetenschapper niet hoorde te komen maar waar psycholoog Han de Wit begin jaren zeventig toch eens ging neuzen – eigenwijs als hij was.

Te midden van boeken over Ufo’s, macrobiotiek, bewustzijnsverruiming en andere ongrijpbare verschijnselen waar vooral hippies belang in stelden, vond de jonge De Wit een paar boekjes over boeddhisme, waaronder Cutting through spiritual materialism (jaren later vertaald als ‘Spiritueel materialisme doorsnijden’) van ene Chögyam Trungpa Rinpoche, een Tibetaans boeddhistische leraar die in 1959 zijn land ontvluchtte, in Engeland kunst, filosofie en vergelijkende godsdienstwetenschappen studeerde, in Schotland een klooster begon en uiteindelijk in Amerika de Shambhala-stroming stichtte, boeddhisme gestoeld op Westerse beleving.

De Wit werd meteen geraakt door het boek van Trungpa. Hij besefte dat boeddhistische meditatie de vorm van onderzoek was waar hij naar op zoek was. Hij schreef een brief naar Trungpa, die intussen in Amerika was beland. Open, zoals hij was, werd hem gedurende deze periode van bezinning en ontdekking tijdens een bezoek aan Nederland van de Gyalwa Karmapa (hoofd van de Tibetaanse Karma Kagyü-stroming) door een van diens monniken een methode (meditatie) aangereikt.

‘Hij tekende een Tibetaanse letter A op een papiertje en raadde me aan dat op een muur te plakken, er tegenover te gaan zitten en daar mijn aandacht op te richten: zodra je merkt dat je in gedachten bent geraakt richt je je aandacht weer op die letter. Het was niet anders dan wat ik later leerde: je aandacht op de adem te richten. Dat ging ik doen. En wat ik langzaamaan ervoer, was dat ik op het moment van wakker worden uit de bevangenheid van mijn gedachten, deze gedachten scherper begon te zien. Dat leverde mij een steeds helderder inzicht op: ik leerde de beweging van mijn gedachtewereld kennen, ik leerde mijn geest kennen. Het maakte voor mij het verschil: in gedachten zijn en in gedachten zien. Het was een bijzondere gewaarwording, en meer dan de studie psychologie mij verschafte.’

handewit-243x300

Foto Shambhala Nederland

Vanaf pakweg 1974 legde De Wit zich toe op meditatie, zelfonderzoek, wat de officiële psychologie hem niet kon leren. Zitten, je bewust worden van de stroom van gedachten en ontdekken waarom en hoe diep je geloof hecht aan de gedachten, waardoor je bent geworden wie je denkt dat je bent.

Trungpa-w.-Vajra-Naropa-70s-web-e1506199624853

Chögyam Trungpa Rinpoche

Eén hoofdstuk in het boek van Trungpa sloeg hij liever over: de goeroe. ‘Dat was niet voor mij. Ik ben geen volger. Dat is voor mensen die een vader zoeken. Toch wilde ik wel meer weten van Trungpa, de man die mij geraakt had. Ik schreef hem een brief. Een paar maanden later kwam het antwoord: hij wilde wel met mij werken als ik naar Amerika kwam.’

Han onderhandelde met zijn werkgever, de Universiteit van Amsterdam, en ging naar de Verenigde Staten van Amerika voor een ontmoeting met Trungpa. In New York. Hij schrok toen hij de man ontmoette. ‘Hij deed me denken aan een pad. Hij was dik, en ook nog half verlamd geraakt door een verkeersongeluk in Schotland, waar hij een feestwinkel, nota bene, was binnengereden. Hij kon nauwelijks praten, hees, met een hoge stem. Kortom, geen man van wie ik dacht wijsheid te ontvangen. Hij vond het raadzaam dat ik naar Karmê Chöling in Vermont zou gaan. Ik ging om daar verder onderzoek te doen, in de vorm van intensieve meditatie en studie.’

Alles wat op dat gebied door dit centrum geboden werd, deed Han. Onderzoek, studie, mediteren, de ene keer een week, de andere keer een maand. Een paar keer in de anderhalf jaar dat hij daar vertoefde kwam Trungpa op bezoek. Dan was er gelegenheid om een individueel onderhoud met hem te vragen. Dat deed Han, zoals iedereen daar. Maar hij kreeg zo’n onderhoud steeds maar niet, anderen wel. Dan deed hij maar een week van mediatie, of een maand, en verdere studie van de boeddhistische leer, alles wat het programma aanbood. ‘Ik deed dat niet om een voorbeeldige leerling te zijn, maar omdat ik daar nu eenmaal toch was en mijn tijd zo goed mogelijk wilde benutten, in afwachting tot hij, zoals beloofd, met mij zou gaan werken.’

Uiteindelijk was zijn onderzoek in Amerika voorbij en moest hij besluiten of hij terug zou gaan naar zijn werkplek aan de universiteit. Omdat hij al die tijd geen onderhoud met Trungpa had gekregen, wist hij niet goed wat te doen. Mede omdat ‘Amsterdam’ weleens wilde weten waar het aan toe was, meldde hij zich bij Trungpa. Bij de laatste gelegenheid dat hij Trungpa in Karmê Chöling kon zien, kwam hij hem tegen op de trap en vroeg hem wat te doen. ‘Hij lachte, stompte me speels in mijn maag en zei: ‘It was a jolly good show, too bad you were so greedy. Now go back to your country and make people sit and teach them the Dharma, the Hinayana, the Mahayana and so on.’ Al die tijd had hij mij, zo voelde dat toen, laten bungelen, maar ik deed natuurlijk in feite precies wat hij wilde dat ik deed. Dat was dus wat hij bedoelde met ‘met mij werken’. En de jaren daarna kon ik altijd met hem spreken als ik daarom verzocht.’

poetry Trungpa

Trungpa leest een gedicht voor, naast hem de dichters Allen Ginsberg en William S. Burroughs

De Wit ging terug naar Nederland, met zes matrassen en zes zitkussens in geel en rood, en opende op advies van Trungpa een meditatiecentrum in zijn huis in Amsterdam-Zuid; iedereen was er welkom. Dankzij een beetje reclame breidde het gezelschap zich uit en de missie die Trungpa wilde uitdragen kwam op die manier in Nederland terecht – een op de westerse cultuur gebaseerde vorm van Tibetaans boeddhisme. Dat leidde tot de Shambhala-centra die we nu in Nederland hebben.

Wat Han zo aansprak in Trungpa, was dat hij zich als een ‘normaal’ mens gedroeg. Hij meende zijn veronderstelde heiligheid af te moeten leggen door letterlijk en figuurlijk zijn monnikspij uit te trekken en zich te kleden zoals zijn leerlingen: hier ben ik, net zoals jullie. ‘De leraar moet het leven leiden van zijn leerlingen. Als hij dat doet kan hij dichtbij hen komen, hun verwarring, geestelijke blindheid en hardvochtigheid goed zien en helpen die te transformeren tot wijsheid, inzicht en compassie.’

Dat was ook wat De Wit fascineerde: ‘Trungpa en zijn boeddhistische onderricht waren recht voor z’n raap, er was niets heilig aan hem. Sterker nog: de levensstijl van seks, drank en rock ’n roll deelde hij met zijn eerste hippiestudenten. Privacy had hij niet en vond hij voor zichzelf ook niet belangrijk. Zijn leerlingen kwamen bij hem thuis tot in zijn slaapkamer, dronken met hem en vrouwen die dat wilden deelden het bed met hem. Het waren de jaren zeventig, er was vrijheid. Hij keek niet neer op de mensen die naar hem luisterden en zijn visie op het leven wilden delen.’

Zijn zoon Sakyong Mipham, die Trungpa opvolgde na zijn dood, is nu omstreden omdat is uitgekomen hoe hij in zijn jongere jaren omging met vrouwen en drank en hoe hij en de mensen om hem heen dat vele jaren verborgen hebben gehouden. ‘Anders dan zijn vader, die in een andere tijd leefde – zonder de me too-discussie – heeft de Sakyong zich juist van de buitenwereld afgeschermd. En anders dan zijn vader, is hij introvert en van nature verlegen. Trungpa was extravert, open en nieuwsgierig naar alles en had geen privéleven: iedereen wist wat hij deed en dat hij van een borrel hield. Hij creëerde een soort hofhouding waarin zijn studenten wat meer konden doen dan zo’n beetje om hem heen hangen. Je kon als je dat wilde, op die manier deel uitmaken van zijn leven thuis door voor hem en zijn vrouw te koken, huishoudelijke dingen te doen of de hond uit te laten. De Sakyong is zijn hofhouding toch anders gaan gebruiken, zoals velen dachten om zijn privéleven met zijn vrouw en kinderen te beschermen. Maar dat er in het verleden, voordat hij trouwde, achter die bescherming iets school, wist ik niet. Dat wist alleen zijn naaste hofhouding. En toen dat, nu jaren later, toch bekend werd, heeft dat de Shambhala-gemeenschap diep geschokt en verward.’

Want hoe verhouden de Sakyong’s menszijn en zijn leraarschap zich tot elkaar? De Wit haalt een regel van Benedictus, algemeen beschouwd als de vader van het christelijke kloosterleven aan: ‘Doe wat de abt zegt, niet wat hij doet.’ Dat wil zeggen: wat ik als abt te vertellen heb, is misschien niet altijd wat ik zelf doe. Hoe zien we dat? Als een chirurg mij opereert, kan het best zijn dat hij zich in zijn privéleven misdraagt, maar hij maakt mij wel weer gezond. Dat de Sakyong een briljant leraar is, staat niet alleen voor mij buiten kijf. Maar dat betekent niet dat ik wangedrag tegen dat feit wegschrap.’

De Wit hoedt zich – als een boeddhist – voor een zwart-wit oordeel. ‘Ik kan niet zeggen dat mij niet misbruik van mijn positie als boeddhistisch leraar had kunnen overkomen. Want makkelijk is het niet om met zo’n positie je verstand er altijd bij te houden. Het is ook een kwestie van hormonen. Iedere man of vrouw is anders. Laat ik het zo zeggen: ik ben er gelukkig misschien te schijterig voor. Of eigenlijk: het leed zou te groot zijn voor mij en voor de mensen die vertrouwen in mij stellen als spiritueel leraar. Los daarvan ben ik in de veertig jaar van mijn leraarschap niet zo vaak als Trungpa of de Sakyong in de gelegenheid geweest.’

Het zit hem meer in de relatie leraar-leerling, meent Han de Wit. ‘Kijk je als leerling tegen de leraar op, bewonder je hem, zie je hem als een volmaakt mens, als heilige en is alleen een volmaakt mens goed genoeg voor jou als (niet-volmaakte) leerling, dan vraag je om moeilijkheden. En als je alleen een leraar wilt die spiritueel gelijk is aan jou, dan valt er niets te leren.’

Die visie op leraarschap is wat hem zo aanspreekt in het Shambhala-boeddhisme zoals Trungpa dat wilde uitdragen. Met liefde, altijd weer die liefde, keert hij terug naar Trungpa, de man die hem de weg heeft gewezen. Pas op, hij zal diens zoon Sakyong niet afwijzen. Maar het was Trungpa, die hem in New York ontving, naar hem luisterde, hem liet bungelen en daarna opdroeg om een meditatiecentrum in Nederland te beginnen.

Han de Wit is in de twaalf jaar dat Trungpa zijn spirituele mentor is geweest ook Trungpa’s kusung (verzorger) geweest. Omdat Trungpa vanwege zijn lichamelijke beperkingen hulp behoefde. Wat hem daarbij steeds opviel was Trungpa’s meditatieve gedrag, dat hij overigens ook bij de Sakyong opmerkte. ‘Kijken om te zien hoe iemand iets doet, kan zoveel uitdrukken. Dat zegt zoveel over een mens. Zelfs in zijn enorme lichamelijke beperktheid zag ik hoe Trungpa een kopje opnam, het naar zijn mond bracht en dronk. Dat heb ik trouwens ook bij de Sakyong gezien. Ze zitten als een rots, stevig en doordrongen van wat ze doen, maar tegelijk zacht en gevoelig. Meditatief, zoiets. Dat is een vorm van Dharma-onderricht die me steeds weer laat zien waar het pad van de Boeddha uiteindelijk om gaat. Dat vind ik prachtig en vervult me met vreugde.’

Han F. de Wit is een van de bekendste Nederlandse boeddhistische leraren, een geliefd spreker en veelgelezen schrijver over boeddhistische spiritualiteit. Hij is opgeleid door de vermaarde Tibetaanse dharmaleraar Chögyam Trungpa en auteur van onder meer de bestseller ‘De Verborgen Bloei: Over de psychologische achtergronden van spiritualiteit’ (Ten Have, 2010, 13e druk) en ‘De Lotus en de Roos: Boeddhisme in dialoog met psychologie, godsdienst en ethiek’ (Ten Have, 2016, 7e, geheel herziene druk), ‘Het open veld van de ervaring. De Boeddha over inzicht, compassie en levensgeluk’ (Ten Have, 2009, 2e druk). ‘Wijsheid in emotie’ (Ten Have 2014, 2e druk). Zijn meest recente boek is ‘Boeddhisme voor denkers, dat hij samen schreef met Jeroen Hopster (Ten Have, 2014). Hij is als Acharya verbonden aan Shambhala International.

Guus van Holland is vriend van Shambhala Leiden

Dit interview is gepubliceerd op de zomereditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Mediteren en schrijven zonder doel, dat moet mogelijk zijn

17 jul

Boeddha Speuld

Ga gewoon zitten en schrijf, hoor ik een stemmetje in mijn hoofd. Dan zie ik wel wat er komt, mogelijk iets recht uit mijn hart. Gewoon wat op dit moment in mij leeft. Zoiets als de twijfels of ik wel een bijzonder, lezenswaardig, stukje ga schrijven dan wel volslagen onzin.

Het is als de manier waarop ik zou moeten mediteren. Niet gaan zitten met verwachtingen, hopend iets te ontdekken in mijn hoofd, mijn hart of waar ook in mijn lichaam dat ik niet eerder heb ervaren. Zitten (schrijvend of mediterend) zonder een echt doel. Voetballen zonder een doelpunt te hoeven maken. Er alleen maar zijn en zien wat ervan komt.

Zoals het mij al een decennium vrijwel dagelijks tijdens mijn meditatiezitting vergaat, zo verging het mij bijna een halve eeuw als beroepsschrijver (dan wel schrijvend journalist). Een handeling met een doel, in de hoop aan (bepaalde) verwachtingen te beantwoorden of toch zeker er profijt van te trekken – zodat op z’n minst mijn ego groter wordt.

Deze overeenkomst komt in mij op, terwijl ik ben nu begonnen met schrijven. Gaan zitten alsof je begint met mediteren en schrijf. Zie maar wat er opkomt. Focus op je vingers die (onbewust of bewust) letters op het toetsenbord raken. Laat woorden zich aandienen zoals gedachten tijdens het mediteren. Laat ze komen, zonder er verder over na te denken. Ze zijn gekomen en staan nu zomaar op het beeldscherm, gestuurd door impuls.

Was het maar als schrijver (schrijvende journalist) zo’n feest geweest. Ik heb het idee dat ik heel vaak heb geschreven met een doel. Om te voldoen aan verwachtingen van de hoofdredacteur, de chef, de lezers en anderen. Of iets anders te schrijven: ik doe lekker niet wat anderen willen. Maar ook dat is dus met een doel.

Zo is het mij ongeveer net zo met mediteren vergaan. Ik bedoel dan de overeenkomst met verwachtingen en hoop op respons. Niet dat ik anderen wilde plezieren of provoceren, maar het op een kussen gaan zitten met een doel. Al die jaren was ik bezig aan mijn meditatie te sleutelen. Dan weer las ik dat het zo moest, dan weer zus. Of ik luisterde naar de adviezen van ervaren boeddhisten en meditatie-instructeurs: zit zus, zit zo, zit comfortabel, focus op je adem, laat gedachten komen en gaan, zit zonder doel en zie wat er gebeurt. Of, de mooiste die ik ooit las, van wijlen mijn leraar Chögyam Trungpa Ripoche: verveel je!

Het lukte maar niet.

Dan las of hoorde ik weer van anderen dat ze wél veranderingen bij zichzelf hadden waargenomen. Waakzamer, rustiger, geduldiger, vriendelijker of weet ik wat voor vrediger stemming. Ze zagen meer of iets wat ze nog niet eerder hadden waargenomen. Hadden zij dan (wél) een doel voor ogen gehad? Nee, ze waren gewoon gaan zitten, nauwelijks langer of vaker dan ik. Ze hadden gewoon ervaren wat er (bij toeval?) in hen op was gekomen, wat hun was toebedeeld.

test ricard

Mathieu Ricard ondergaat testen in het Max Planck Instituut in Leipzig

Ik wist het al: hersens zijn flexibel. Hersencellen verbinden zich met elkaar door training; synapsen vinden elkaar door ‘beoefening’, zoals dat in boeddhisme wordt genoemd. Kortom: je kunt veranderen door meditatie. Mathieu Ricard, een boeddhistische monnik en rechterhand van de Dalai Lama, die al meer dan veertig jaar intens mediteert, onderging testen aan het Max Planck Instituut in Leipzig onder leiding van directeur Sociale Neurowetenschappen Tania Singer. En daaruit bleek dat wel degelijk verandering is opgetreden en dat tijdens meditatie of bepaalde gedachten (zoals altruïsme) iets gebeurt in de hersens. En niet alleen bij hem. Meer monniken en mensen die al enige tijd mediteren, overkomt hetzelfde. Lees bijvoorbeeld twee recente boeken: ‘Het no-nonsense meditatieboek – over hoe bewust zijn je mentale en fysieke gezondheid kan versterken’ van neuroloog Steven Laureys (met medewerking van Mathieu Ricard) en ‘Een kleine meditatiegids’ van zenboeddhist Tom Hannes.

Misschien zijn ze gewoon gaan zitten, zonder doel. Misschien niet. Maar, wat moet ik nou? Misschien ben ik toch iets veranderd, maar merk ik er te weinig van – minder dan ik verwachtte (begeerte?). Wel denk ik meer te voelen.

Er is meer dan ik jarenlang heb gevoeld, meer dan de bovenlaag, meer dan ik ooit heb toe willen geven. Dat er meer is dan de buitenkant. Van binnen huist een mens die lang verborgen is gebleven. Kwetsbaarheid, onzekerheid en angst. De vrees om afgewezen te worden, dat mijn stukjes ondermaats of onzinnig gevonden worden. De vrees voor de realiteit. Door meditatie en spontaan geschreven stukjes leer ik de realiteit zien. Dit ben ik echt, helemaal, van onder tot boven, van buiten en van binnen. Een écht mens.

De auteur is vriend van Shambhala Leiden

Deze column is gepubliceerd op de zomereditie van de website van het Vrienden van het Boeddhisme (http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/)

Frans: een streng, doch vaderlijk gezelligheidsdier

8 jul
Frans fiets

Tekening: Waldemar Post

Frans van Schoonderwalt was niet zomaar een aardige collega, hij was álleraardigst. En streng. Zonder een bazige, eigenwijze onderwijzer te worden. Tot in het café toe sprak hij mij toe over foutjes in mijn taalgebruik, mijn inschattingen, zijn visie op de materie, ons redactiebeleid, het gedrag van andere collega’s en zijn eigen ervaringen. Frans was als een vader, vanaf 1976 toen ik tot de sportredactie van de Volkskrant mocht behoren.

Frans was er sinds 1969, nadat hij in 1962 bij het Eindhovens Dagblad was begonnen. Een Brabander (die niet ouder werd dan 76 jaar), met een hart voor PSV (zoals zijn vader en Philips-werknemer) én een groot hart voor wielrenners. Het kon niet anders dan dat ik ook over wielrennen ging schrijven (eerst als leerschool de amateurs), hoewel voetbal vanwege mijn achtergrond als voormalig getalenteerd voetballer mijn voorkeur had. Toen Frans in 1978 bekend maakte dat hij over een jaar ging stoppen als wielerverslaggever en niet meer de Tour de France zou doen, vooral omdat hij in 1980 de Olympische Spelen in Moskou wilde verslaan (vanwege zijn kennis van de Russische taal) en omdat de Tour-drukte hem teveel werd, werd ik bijna als vanzelfsprekend zijn opvolger – zo onervaren ik nog was. Maar Frans zou me over de eerste obstakels loodsen. De Tour verslaan was immers, zo leerde hij, de zwaarste reportage die je als sportjournalist kon doen. Nou, dat heb ik geweten.

Met Frans zou ik na mijn vertrek naar NRC Handelsblad in 1988 vrienden blijven. Tot aan zijn overlijden (op 2 juli) toe. Niet omdat wij de wielersport een warm hart toe droegen, gewoon omdat wij elkaar (en veel andere wielerverslaggevers) lagen en ik graag in zijn nabijheid en van zijn hele lieve vrouw José wilde blijven verkeren. Hij stond me bij in mijn moeilijkste momenten (scheidingen, ziektes, onenigheid met collega’s en andere nare gebeurtenissen) en bleef me volgen toen ik voor NRC schreef. Hij bleef betrokken, ook bij mijn privébesognes. Daarom vonden we elkaar altijd weer. We stonden waar dan ook bier te drinken, gewoon zoals we gewend waren vanaf het eerste uur van onze vriendschap.

Frans, Peter ea

Oude Tourkameraden. Vlnr boven: Joop Holthausen, Peter Heerkens, Guus van Holland en Peter Ouwerkerk. Onder: Frans van Schoonderwalt

Vandaar dat ik graag mijn herinneringen aan Frans beschreef op de afscheidspagina die de Volkskrant in oktober 2003 voor hem samenstelde. Frans zou nooit meer uit mijn leven verdwijnen. De vriendschap en collegialiteit die we vanaf 1976 opbouwden, tijdens gezamenlijke reportages (toch nog drie á vier keer samen in de Tour – hij als verslaggever van de feiten, ik als beschouwer) bijna intiem uitbouwden, zouden nooit meer verloren gaan. Alsmede de herinnering aan die bevlogen collega’s van sportredactie: Ben de Graaf, Hans van Wissen, Theo Nolens, Frans Ensink, Henk Wehberg, Poul Annema, Ab Schreijnders, Martien Schurink, Cees Zoon, Ronald ten Brink, Joep Verdonck. Vandaar ook dat ik mijn herinnering, gepubliceerd op de afscheidspagina van Frans, (gedeeltelijk) herhaal:

‘Geboend en geschrobd, glimmend en gloeiend, de haren scherp gekamd zat Frans ’s morgens aan het redactiebureau, alsof hij niets meer wist van de vorige avond. Vol plichtsbesef zat hij dan kaarsrecht achter de schrijfmachine, het ene velletje na het andere vol te tikken, het ene klusje na het andere te klaren. Nog ver voordat de krant zou moeten zakken, had Frans de sportpagina al vol, zeker het voorwerk voor de avondredacteur verricht. Omdat dat nu eenmaal moest.

‘Geen dranklucht meer, slechts lichte sporen van vermoeidheid, nauwelijks een herinnering aan de vorige avond in café Hesp, waar ik door Frans zo vaderlijk was ingewijd in de rituelen van het langdurig en zinvol bier drinken. Niet dat hij ’s morgens niet meer wilde weten wat gebeurd was of wat hij gedaan had – laat staan wat ik gedaan of gezegd had. Frans was gewoon ’s avonds laat een kereltje en ’s morgens vroeg een kerel.

‘Eén pilsje? Zo vroeg hij tegen vijf uur, als het werk geknipt en geschoren was. Natuurlijk, Frans! Het werden er meer dan één. Zodat hij tegen achten de telefooncel (…) instapte om José te melden dat het ‘ietsje’ later werd. Het werd altijd ‘ietsje’ later. Want Frans hield van gezelligheid, van bomen over de krant en vooral over wielrennen – samen met luisterende collega’s als Piet van Seeters en Harry Lockefeer, Henk Huurdeman, Han van Gessel, Joop van Schie, Maria Hendriks, Willem Beusekamp, Jan van Capel, Cor Groeneweg, Nico Goebert, Kees Bastianen, Peter van Bueren, Victor Lebesque, Jos Klaassen, Willem Ellenbroek, Cees Zoon, Ronald ten Brink, Joep Verdonck, Gijs van den Heuvel en al die andere Hesp-klanten van de Volkskrant.

‘Hij was een strenge, maar gezellige leermeester. Een romanticus die van verhalen (vooral over wielrenners) hield. Tot in de nachtlokalen en avondlijke terrassen van Frankrijk toe, waar hij tijdens de Tour de France altijd actief en opbeurend was – óók een vader. Hij was gelukkig wanneer hij thuis op zijn verjaardagsfeest diep in de nacht Neerlands Hoop in Bange Dagen door de huiskamer liet schallen of wanneer hij Paverotti bij herhaling toe de hoge C liet galmen. Frans was een gezelligheidsdier dat kon stralen van geluk als een fruits de mer van drie plateaus hoog voor zijn neus verscheen. En doping? Ach kom, is er dan niets anders om over te praten en bij te drinken? Geen speculaties, asjeblieft, mensen beschadig je niet. Alleen de waarheid, alleen de feiten.

‘Frans kon boos reageren wanneer ‘bevriende’ renners hebben een loer hadden gedraaid. Zoals op de avond toen hij een heroïsch verslag van Michel Pollentier kon versnipperen, omdat de Belg naar later op de avond bleek de dopingcontroleurs had ‘geflikt’ (het beruchte peertje). Zijn tweede stuk getuigde van woede, zo kritisch was hij geworden. Waarop onze collega en oud-Tourverslaggever Theo Nolens aan het bureau mompelde: ‘Frans heeft zich door zijn emoties laten leiden, hij voelt zich bekocht.’

‘Een misverstand, want Frans liet zich (bijna) altijd door zijn emoties leiden, door zijn liefde voor wielrenners – ook voor andere sporters. Hij ging uit van de goedheid van de mens. En dat op een redactie die het in die periode als haar taak beschouwde juist van het slechte in de mens uit te gaan. Hoe hield Frans dat toch vol?

‘Frans hield van literatuur en meesters in de taal – vooral Vlaamse en Russische. Prachtige interviews heeft hij gemaakt. Van die ik met hem samen mocht doen waren de hoogtepunten het paginagrote gesprek in het Vlaams met Lomme Driessens, de legendarische Belgische ploegleider (‘Ge kunt van mij geen koers kopen die ik kan winnen. Maar ik kon wel een koers verkopen die ik niet kon winnen. Dat is de kunst’), dat met Walter, Willie en Eddy Planckaert en dat met bokser Rudi Koopmans (jawel, een bokser in de Volkskrant). De laatste weliswaar in Het Vervolg, met als kop ‘Heb jij weleens een rammel voor je kop gehad’; het gevolg van een kritische vraag van mij; Frans was niet zo kritisch, eerder empathisch. Frans wist mensen voor zich in te nemen. Hij straalde vertrouwen uit en hij kon het opschrijven als geen ander. Hij was een bevlogen en meesterlijk journalist.

‘Toen (in 1988) gingen onze wegen uit elkaar. Alsof ik afstand nam van mijn vader. Zo verwoordde Frans dat ook: ‘Je moet nu alleen verder.’ Frans is nog altijd dichtbij. Bij zowat elk woord dat ik tik, voel ik me bekeken door hem. Dat Frans van Schoonderwalt geen journalist is bij de Volkskrant is onvoorstelbaar. Misschien schrijf ik nog eens een boek over hem: ‘Over mensen die iets betekenen’.’

Tourverslaggevers

Reünie van Tourverslaggevers van de Volkskrant, medio jaren negentig. Vlnr boven: Guus van Holland, Jan Verdonck, Frans van Schoonderwalt en Jan de Vries. Onder vlnr: Jaap Visser, Bert Wagendorp en Bart Jungmann.

Dat eventuele boek van mij, ga ik nu verder, zal nooit zo goed worden als de boeken die Frans heeft geschreven. Een tiental, over wielrennen, doping, reizen, literatuur, opera en meer. Zo goed, zo zorgvuldig als Frans schreef, zal ik nooit kunnen schrijven. Hij was een sieraad als schrijver en vooral als mens. Ik zal hem zeker missen, meer dan welke collega die ik heb gekend. Gewoon: een fijn mens om gekend te hebben. Een strenge doch empathische leraar van het leven.

Proost, Frans!

Deze herinnering is gepubliceerd op 8 juli 2019 in de Volksknar, (digitaal) clubblad van het Genootschap van Ouwe Knarren van de Volkskrant. Verder met bijdragen van Ben de Graaf, Nell Westerlaken, Willem Kuipers en Haro Hielkema.

https://drive.google.com/file/d/1JPcDE1iEdElFj8GK4Sa1Pt_NaA9JjZPz/view?fbclid=IwAR1hgvYZK3Kjok-JgE6I55p5Hw6BF00LPxWVPOVh1fcjJmIhFr69oiGam5o

‘Die dag drong het tot mij door dat voetbal waanzin is’

10 mei
Neal Scirea

Liverpool-aanvoerder Phil Neal (links), de Zwitserse scheidsrechter André Daina (midden) en Juventus-aanvoerder Gaetano Scirea (rechts) vóór de aftrap van de Europa-Cupfinale van 1985.

Dit telefonische interview had ik voor NRC Handelsblad tien jaar na het Heizeldrama met de Liverpool-aanvoerder van destijds, Phil Neal. Een dag later nam ik ruim acht maanden van rust, afstand en bezinning die me kort daarvoor door mijn huisarts was voorgeschreven.

Op woensdagavond 29 mei 1985 vonden 39 voetbalsupporters bij de Europa-Cupfinale tussen Juventus en Liverpool de dood. Dronken Engelsen vertrapten de Italiaanse fans in vak Z. Phil Neal was aanvoerder van Liverpool. Hij moest zijn verslagen spelers zeggen dat ze ondanks de doden moesten voetballen. ‘Iedereen is gestraft, maar niet de man die het stadion heeft uitgekozen.’

29 mei 1995. Vandaag brengt Phil Neal een bos bloemen mee voor zijn vrouw en vanavond gaat hij met haar in hun favoriete restaurant in Liverpool eten. Zoals elk jaar op 29 mei, wanneer de Neals hun trouwdag gedenken. Zoals elk jaar zullen ze vanavond terugdenken aan die woensdagavond 29 mei in 1985. ‘Soms heb ik er maanden lang niet aan gedacht. Gewoon omdat ik geen tijd heb, omdat het leven maar doorgaat, omdat ik mijn werk heb en omdat voetbal alles doet vergeten. Maar op mijn trouwdag dringt het altijd weer tot me door. Die avond in Brussel heeft mij getekend. Die avond is tot mij doorgedrongen wat voor een waanzin voetbal veroorzaakt, dat voetbal waanzin is.’

Phil Neal was op die avond, tijdens de avond van de finale van de Europa Cup tussen Liverpool en Juventus, rechtsback en aanvoerder van de Engelse kampioen. Al jaren was hij aanvoerder van het beste Europese elftal van de jaren tachtig. Voor de vijfde maal zou hij die avond een Europa-Cup-finale spelen. Een mijlpaal waar de toen 34-jarige Neal naar uitzag omdat weinig andere voetballers hem dat in Europa zouden kunnen nazeggen. Het werd een zwarte avond: ‘Ik kan me niet herinneren dat ik in de wedstrijd een bal heb geraakt.’

Het is eigenlijk geen avond om te gedenken, vindt Neal. ‘Niet voor Liverpool. Omdat Liverpool-fans een fout hebben gemaakt. Omdat er alleen Juventus-fans zijn gestorven, en dat was de schuld van dronken Liverpool-fans. Aan zulke fouten wordt men in Liverpool niet graag herinnerd. Wij waren niet de slachtoffers, maar de Italianen. Nu u er naar vraagt, begint mijn hoofd weer te tollen. Nu word ik weer kwaad, zoals ik jarenlang kwaad geweest ben, midden in de nacht, kwaad op iedereen. Alleen maar omdat er nog iemand rondloopt die dàt stadion heeft uitgekozen om er een Europa-Cupfinale te spelen. Het is een schande, dat die man, die instantie, de UEFA of wie dan ook dat heeft kunnen doen en nooit schuld heeft bekend.’

Neal hakkelt een beetje aan de telefoon, hij zoekt naar de juiste woorden. ‘Ergens in mijn hoofd is een helse jacht gaande. Ik weet die spanning weg te drukken, maar als mij er naar gevraagd wordt begint het weer te spoken. Een rechter heeft Liverpool-fans gestraft, een officier van de Belgische politie en de secretaris van de Belgische bond. Liverpool is geschorst, alle Engelse clubs zijn verbannen. Maar wie heeft het lef gehad dat stadion te kiezen, dat atletiekstadion wat geen voetbalstadion was, wat gewoon een ruïne was? Er is één man van de UEFA, de secretaris, Bangerter, die een lichte straf heeft gehad. Maar hij kan toch nooit de verantwoordelijke man zijn geweest. Zo is de voetbalwereld. De fans krijgen altijd de schuld. Maar dat soort mannen loopt lachend het stadion uit.’

Tien weken geleden werd Neal ontslagen als manager van Coventry City. Het was een vervelende dag, het regende en zijn vrouw was ziek. Maar het nerveuze voetballeven kan hem niet meer verontrusten. Nadat hij in december 1985, een half jaar na het Heizeldrama werd afgedankt als voetballer bij Liverpool, was hij zesenhalf jaar speler-manager bij Bolton Wanderers. Het was een leuke tijd: in de derde divisie, geen spanning, tussen leuke mensen. Hij heeft een zoon, die in het tweede elftal van Liverpool speelt. ‘Ik ben trots op hem. Want hij is ontdekt en een paar jaar geleden naar Liverpool gehaald door Kenny Dalglish. En als ik Kenny zie, denk ik aan Heizel. Kenny wist als enige speler op die avond in Brussel dat hij de volgende dag de nieuwe manager van Liverpool zou worden. Van het nieuwe Liverpool. Kenny is door een hel gegaan. Kenny, die nooit iets zegt, die nooit zijn gevoel toont, Kenny die nu met Blackburn Rovers kampioen is geworden, Kenny is een diep teleurgesteld mens. Maar hij wil nooit dat het om hem gaat. It’s always the lads.’

Dalglish verlaat Heizel

Kenny Dalglish verlaat het veld van Heizel

Wie het echte voetballeven wil doorgronden, zegt Neal, moet Dalglish aan het praten krijgen. ‘In 1971 was hij als speler van Celtic getuige van de dood van 66 supporters in het Ibrox Park in Glasgow, in 1985 was hij als speler van Liverpool getuige van 39 doden in het Heizelstadion en in 1989 was hij als speler-manager van Liverpool getuige van 96 doden in het Hillsboroughstadion van Sheffield. Ik heb zelden meegemaakt dat iemand zo betrokken is bij de opvang van de Liverpool-supporters na Hillsborough als Kenny. Kenny stapte een paar jaar later plotseling op als manager. Niemand heeft geweten waarom. Hij had last van zijn hart, van hyperventilatie, van spanning, werd gezegd. Maar Kenny is wel terug in het voetbal. Ik denk dat ik weet waarom.’

Phil Neal schreef in 1986 het boek Life at the Kop, waarin hij vertelt hoe hij elf jaar lang heeft gevoetbald onder het immense lawaai van de supporters op de Kop-tribune van Anfield. Wie zijn boek heeft gelezen, wie ooit onder de poort van het Liverpool-stadion is doorgelopen, waarboven in gietijzeren letters staat geschreven You’ll Never Walk Alone, wie de marmeren gedenksteen ernaast heeft gezien ter nagedachtenis aan het Hillsboroughdrama, die begrijpt dat er maar één club is waar voetbal meer dan sport is.

Neal wil het indringende relaas van Heizel dat hij in zijn boek deed, liever niet herhalen. ‘Lees het nog maar eens. Ik wil er liever niet aan herinnerd worden. De wedstrijd was trouwens een farce. Vanaf het moment dat we wisten dat de wedstrijd door zou gaan, wisten we dat maar één ploeg kon winnen. Maar ik kan het nooit bewijzen. Toen Whelan in de eerste helft duidelijk onderuit gehaald werd in het strafschopgebied, wilde scheidsrechter Daina niets van een strafschop weten. Maar toen Gillespie vijf meter buiten het strafschopgebied Boniek neerlegde, gaf de scheidsrechter een penalty, waaruit Platini het enige doelpunt zou maken.’

Neal weet niet wie de beslissing heeft genomen de wedstrijd door te laten gaan. Dat Daina vond dat de finale beter gespeeld kon worden, omdat anders de situatie nog meer uit de hand zou lopen, vindt hij een begrijpelijke beslissing. ‘Een waanzinnige beslissing weliswaar, maar er was geen alternatief. Toen ik als aanvoerder uit de kleedkamer werd geroepen om het besluit van de UEFA over het doorgaan van de wedstrijd te horen, was ik verbijsterd. Maar ik wist dat er geen uitweg was, hoewel er al zo’n dertig doden waren gevallen. Ik kwam terug in de kleedkamer, waar alle spelers met hun hoofd in hun handen hingen. Ze wisten het, ze wisten alleen nog niet wie er dood waren, Italianen of Liverpoolfans. Ik zag Sammy Lee zitten, een echte Liverpool-jongen die jarenlang zelf op de Kop had gestaan. Hij huilde, hij schaamde zich voor wat Liverpool overkwam. Niemand wilde voetballen, niemand wilde nog het veld op. Ze zaten daar en ze zeiden niets, Sammy huilde en Kenny keek uit het raam van de kleedkamer, waar hij kon zien hoe brancards af en aan werden gedragen. Kenny zweeg, zoals iedereen.’

Juventus-aanvoerder Gaetano Scirea en Phil Neal werden gevraagd naar de omroepkamer te komen om een tekst voor te lezen. Neal: “Onderweg begreep ik dat de Juventus-spelers wilden dat de wedstrijd werd afgelast. Ik liep de tribune op en werd geraakt door allerlei voorwerpen die Italiaanse fans naar mijn hoofd gooiden. Ik werd bespuwd, er werd geschreeuwd. Ik verstond het niet, maar ik begreep het wel. Nooit heb ik me zo ellendig gevoeld. Ik had het gedaan, ik had Juventus-fans vermoord, ik was er een van Liverpool.”

Toen Neal voor de microfoon stond, keek hij op en zag aan de overkant wat er van vak Z was overgebleven. ‘Een slagveld. Het was oorlog. Een man duwde mij een papier in de hand en zei dat ik dat moest voorlezen. Ik las dat de wedstrijd zou doorgaan en dat wanneer na vijf minuten de toeschouwers nog steeds niet rustig waren geworden, de scheidsrechter de wedstrijd zou staken. Ik zei tegen de man dat ik dit nooit van mijn leven zou voorlezen, ik wilde mijn eigen woorden kiezen. Ik weet niet meer wat ik heb gezegd, maar het was een algemene oproep tot gezondheid en kalmte. Wat moest ik anders zeggen?’

Dat Platini juichte nadat hij de strafschop had benut en dat Juventus een ereronde maakte met de beker, wordt jaren na het Heizeldrama nog een schande genoemd. Neal vindt het ‘geen teken van een heldere geest’. Maar wat moest Platini anders? De beker weigeren? ‘Weglopen en tegen de UEFA zeggen: fuck you? Iedereen die in die waanzin iets moest doen, deed vreemd. Niemand kon je die dag iets verwijten. Alleen die man die het in zijn hoofd had gehaald dat stadion aan te wijzen. Die man moet worden opgespoord. UEFA-voorzitter Jacques George? Ik weet het niet.’

De 64-jarige Joe Fagan was in Brussel voor de laatste maal manager van Liverpool. De volgende dag zou hij worden opgevolgd door Dalglish. Neal ondersteunde de huilende man bij aankomst op Speke Airport in Liverpool. ‘Hij had de Europa Cup nog eenmaal naar Liverpool willen brengen. Maar het mocht niet. Teleurgesteld keerde hij terug. Teleurgesteld in voetbal, teleurgesteld in zijn Liverpool-fans. Zes weken lang heb ik met niemand buiten mijn familie gesproken. Mijn vrouw nam de telefoon op. Ik heb zes weken lang slecht geslapen. In de kranten las ik dat Grobbelaar en ik met voetbal waren gestopt. Dat kon niet: ik ben geen vluchter. Later begreep ik dat Bruce dat verhaal had verkocht. Ik was niet eens kwaad op hem. Ik wilde nog één ding: de klap verwerken en weer kampioen worden met Liverpool.’

Maar Neal kwam weinig meer aan spelen toe. De nieuwe speler-manager Kenny Dalglish ontnam hem zijn aanvoerdersband en stelde hem nauwelijks meer op. ‘Ik was 34, ik voelde dat mijn tijd was gekomen. Ik nam het Kenny niet kwalijk. Kenny moest het beste elftal opstellen. De verkilling had toegeslagen. Een mens als Kenny moest als manager zakelijk zijn. In december 1985 ben ik gestopt. Ik kreeg een afscheidswedstrijd, wat vage toezeggingen en een vrije transfer. De voorzitter durfde me niet in mijn ogen te kijken. Toen Liverpool in mei weer kampioen werd, stuurde Kenny mij de kampioensmedaille. Omdat ik veertien wedstrijden had gespeeld, ik had er recht op.’

Phil Neal (44) wordt zelden gevraagd naar zijn ervaringen. Dezer dagen wel, in praatprogramma’s van de BBC-radio bijvoorbeeld. Maar het liefst verdringt hij zijn herinneringen. ‘Ik heb een videotheek met banden van alle belangrijke wedstrijden van Liverpool. Ook de finale van 1985. Ik heb er nooit naar gekeken. Ik zal er ook nooit naar kijken. Ik zou me weer schamen, ik zou weer verdriet hebben, ik zou kwaad worden. Ik wil van voetbal genieten, ik wil er geen verdriet van hebben. Ik weet nu dat we in een wereld vol waanzin leven. Morgen stort misschien een stadion in. En overmorgen voetballen ze overal weer verder. Zo denken wij in Liverpool. Ik kom uit Northampton, maar ik ben in Liverpool blijven wonen. Niet bij de mensen die Liverpool regeren, alleen dicht bij de fans die Liverpool in hun hart dragen.’

Het is goed, niets is echt fout

15 apr
Dralahall2

De meditatieruimte

Dit was bij mijn eerste lezing tijdens de stilte-retraite van een week in een Frans buitenverblijf niet wat ik ervan verwachtte. Omringd door veertien Fransen, een Belgische, een Engelse en een Moldaviër, keek ik vanaf mijn kussen in de meditatieruimte verwonderd naar de Engelse boeddhistische leraar, een ogenschijnlijk wijze man. Weifelend stak hij met een lucifer de kaarsen en een wierookstokje op de schrijn aan, keek vragend om naar de Duitse hoofdleraar in de zaal, zittend op de eerste rij. Hij fronste zijn wenkbrauwen, schudde verontschuldigend met een glimlach zijn hoofd en stak onzeker nog een kaars aan. Is het zo goed?

De leraar wist het niet zeker! Mogelijk was hij vergeten hoe de ceremonie precies in zijn werk ging. En dat na al die jaren van studie, meditatie en vele eerdere ceremoniën. Hij boog met het wierookstokje tussen zijn handen naar de schrijn, ging zitten, nodigde met een hoofdknikje ons uit ook te gaan zitten en bleef bijna een minuut stil alvorens hij met zachte stem aan zijn lezing begon. Hij sprak over het nut van stilte, over wat in ons hoofd opkomt en weer weggaat, over gedachten, over de ademstroom, over gevoel en prikkels, en over identiteit. Het was allemaal goed, niets was echt fout. Wat er gebeurde, wat je voelde en wat je hoorde, was van jou – van niemand anders.

Hij keek ons aan en vroeg om vragen. Een man vroeg hoe hij zijn identiteit kon breken, kennelijk was hij er niet tevreden over. De leraar antwoordde met zachte stem en sloot af met de opmerking: ‘Hoe, dat is aan jou.’ Dat antwoord had de man niet verwacht – ik evenmin.

Met stijgende verwondering volgde ik zijn gedrag. Bij een van de volgende vragen zweeg hij. Hij keek de zaal in, wachtte op een antwoord van een van de aanwezigen en gaf er toen zelf een. Wat hij zei is me ontgaan. Alleen zijn slotzin bleef hangen. ‘Slaat dat ergens op?’, riposteerde hij. Mensen lachten. Want eigenlijk gaf de wijze leraar daarmee te kennen dat hij ook niet zeker was of zijn antwoord hout sneed.

Mijn verwondering sloeg om in bewondering. Ik weet het, dat is geen boeddhistische benadering. Maar ik voelde een vorm van identificatie. Als deze vriendelijke, wijze man onzeker, kwetsbaar en niet-wetend is, dan zou ik dat ook willen zijn. Ik hoef dus niet zeker te zijn van wat ik denk, hoor, zie en voel.

Bijna altijd heb ik in mijn leven gedacht dat ik zeker van mezelf moet zijn, dat ik gelijk heb, dat ik weet hoe het zit, dat ik wijs ben, veel geleerd en gestudeerd heb. Alleen dan ben ik goed, op zijn minst de moeite waard, dan pas heb ik bestaansrecht. Dat is wat ik in mijn jeugd, op school en van mijn ouders heb geleerd: laat zien wat je kunt – en vooral niet wat je niet kunt. Zorg dat je de beste bent, dat je wint, op school, in sport en meer. Minder dan anderen zijn is niet goed. Verliezen is een gebrek. Met een gebrek ben je niet perfect en sterker: dan hoor je er niet bij.

Sid1

Mijn leraar

Op een dag kwam de leraar buiten naast me op een bankje zitten. Hij vroeg hoe het met mij ging. Ik antwoordde dat ik met vragen zat, problemen ook. Hij zei ‘ok, dat kan’, meer niet. Toen ik hem om een oordeel vroeg over de verhalen die ons bereikten over het wangedrag van (onze) Shambhala-leider Sakyong Mipham, hield hij zich op de vlakte en zei: ‘Dat had mij ook kunnen overkomen.’ Ik had willen horen of hij dat goed keurde of afkeurde. Hij liet het in het midden. ‘Ik heb hem ontmoet. Maar wie ben ik om te oordelen?’ Zo sloot hij af.

Zo keerde ik na week van stilte, meditatie, bezinning en vriendelijkheid opgelucht en verrijkt terug naar huis. Nu besefte ik dat onzekerheid, kwetsbaarheid, onwetendheid en de mindere zijn goed noch fout is. Soms ril ik nog en word ik nerveus als ik iets niet zeker weet. Oei, wat zal mij gebeuren? Het is een kwestie van oefenen in zijn wie je bent, wat je voelt, hoort en ziet. Niets is zeker, niemand is zeker, ook ik niet. Identificatie met winnaars mag, identificatie met verliezers mag ook – daar is niks mis mee.

Guus van Holland is vriend van de Shambhala-sangha in Leiden

Deze column is gepubliceerd op de voorjaarseditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

 

Een hele week zwijgen en mediteren in een ver paradijs

13 mrt
IMG_0252

Het chateau van Dechen Chöling

De hoosbuien die eind februari mijn auto op de Franse wegen troffen, voorspelden stormen en donderslagen tijdens de stilteretraite die ik een week zou ondergaan in Dechen Chöling, het centrum van de boeddhistische gemeenschap Shambhala, 20 kilometer buiten Limoges. Mij wachtten zware dagen en nachten, mogelijk gevuld met eenzaamheid, depressies, angststoornissen, psychoses en andere neurotische verrassingen. Zo was mij verteld. Maar je kunt er wel altijd mee stoppen. Zo was mij ook gezegd. Dan maar terug naar huis, over dezelfde lange Franse wegen. Dan maar teleurgesteld in mijn veronderstelde mentale kracht.

Het was stil op de zondagmiddag dat ik aankwam. Ik liep wat rond over het immense, verlaten terrein, langs de vele gebouwen. Ik keek hier en daar naar binnen, zoals bij het hoofdgebouw, het chateau. Niemand. Uiteindelijk meldde ik me in het bureau, waar een jonge man met paardenstaart me begroette, inschreef en de toegezegde eenpersoonskamer wees. Dat werd een kamertje in Garden’s House. Tenslotte verbleef en sliep ik – bevreesd voor riskante ontmoetingen – liever alleen in mijn toevluchtsoord.

IMG_0182

Mijn kamertje

Bij de avondmaaltijd trof ik een twintigtal andere deelnemers aan de stilteweek en een paar vaste bewoners. Allemaal Fransen, vermoedde ik. Ze babbelden honderduit. Ik zweeg, omdat ik ze nauwelijks verstond, en richtte me op de vegetarische gerechten, die me zowaar heel goed smaakten. Vervolgens werden we verwacht in de meditatieruimte, waar de leraren Sid Liddall (een Engelsman) en Ute Reinhart (een Duits-Franse), en hun assistenten Benjamin Moreau (een Fransman) en Klára Vlkova (een Tsjechische), ons begroetten en inwijdden in het programma van de komende week. We zaten allemaal op een kussen en luisterden naar onze leraren op het podium van de schrijn.

Van ’s morgens negen uur tot ’s avonds negen uur zouden we mediteren – zittend (minimaal drie uur per dag) en wandelend. Verder reciteren (in het Frans of Engels) en luisteren naar lezingen. En eten, drinken (water, vele soorten thee of koffie), rusten, slapen en zwijgen. Altijd zouden we (vanaf maandagmorgen) moeten zwijgen. Geen entertainment, zoals Sid het noemde. Geen afleiding, geen vermaak, geen iPhone, geen computer, geen muziek, geen leesstof (alleen over boeddhisme en meditatie), geen contact met de buitenwereld. Stilte, zodat je alleen met jezelf bent en alles wat in je opkomt (wat je voelt, hoort, ziet en ruikt) zelf moet verwerken.

Na een stille nacht, meldde ik me om acht uur aan het ontbijt. Zwijgend, net als de anderen. Om negen uur begon de eerste meditatiesessie van twintig minuten, gevolgd door een korte lezing van een van de leraren, over de kracht van stilte en over de techniek van mediteren, vooral de houding en over alleen met jezelf zijn. Zittend op mijn kussen keek ik soms stiekem naast me of zelfs achter me. Naast mij zag ik vrouwen, achter mij enkele mannen. Ik hoorde ze kuchen en amechtig snuiven. Ik richtte me op mijn adem, zag allerlei gedachten in mijn hoofd voorbijkomen, ik probeerde ze weg te duwen. Tevergeefs, want ze kwamen terug, onophoudelijk en onstuitbaar. Het werd een gevecht. Net zoals thuis op mijn eigen kussen. Wat nu? Hoe kwam ik hier weg?

IMG_0245

Sid Liddall, mijn leraar

Sid en Ute hielden ons tijdens hun lezingen bij de les (vertaald door tolk Benjamin). Laat de gedachten komen, laat ze gaan, volg je adem, tot diep in je lichaam. Verdring niets, laat je niet afleiden. Dit ben jij, alleen jij. Ik wist het wel, maar toch trap ik er telkens weer in en ga ik op zoek naar iets anders – waar, wat of met wie dan ook. We werden uitgenodigd voor een stiltewandeling buiten. We liepen in een rij achter Sid aan. Ik sloot de rij. Dit wilde ik niet. Slaafs volgen, slaafs stilstaan, slaafs achter de leider aan en doen wat hij doet. Ik voelde me ongemakkelijk en hield afstand van de groep.

Bij de evaluatie (waarin ik was ingedeeld bij een groep met enkele Engels sprekende deelnemers) vertelde ik dat ik niet in een rij achter de leraar aan wilde lopen. Dat had ik al als kind toen ik lid was van de gymnastiekvereniging. Ik zei dat ik me een foto van toen herinnerde. Liever niet in een rij, liever niet met de groep meedoen. Autonoom zijn, in mijn eentje – dan maar eenzaam en alleen. Sid knikte, zonder oordeel. Dat was mijn ervaring. Zo was het voor mij, alleen voor mij.

IMG_0236

De meditatieruimte, de Drala Hall

Na de laatste zitmeditatie van de dag, ’s avonds tussen acht en negen, werd ons gevraagd de volgende morgen om zeven uur, al vóór het ontbijt, naar de meditatieruimte te komen om met Benjamin lichamelijke oefeningen te doen. Akkoord, dan maar meteen naar bed. Ik viel snel in slaap, hoorde buiten nog even onbestemde geluiden, maar droomde al snel weg. Wat stilte niet me je doet!

De (vroege) ochtendsessie onder leiding van Benjamin bleek niet aan mij besteed. Hij vroeg met Franse liedjes mee te zingen en zwaai-, draai- en zwierbewegingen te maken met armen en benen. Ik zong niet mee en probeerde wat mee te bewegen. Maar nee, dit zou ik de volgende ochtenden toch echt mijden als de pest. Gewoon uitslapen tot het ontbijt, zo nam ik me voor. Wat geschiedde.

Ogenschijnlijk had niemand me de volgende ochtend gemist. Iedereen zweeg en probeerde zich in zichzelf te keren. Alleen mijn buurvrouw naast mijn kussen zwaaide met een lachend gezicht naar me. Wat een verwelkoming! De zitmeditatie verliep volgens het oude recept. Worstelend met gedachten en adem. Voordat we uitgenodigd werden buiten een loopmeditatie te doen, zei Sid dat we ditmaal ons eigen weg mochten kiezen en ,,dat Guus dat wel plezierig zou kunnen vinden”.

IMG_0186

Het dagelijkse programma van de stilteretraite

Het advies was te kijken, te voelen en te ruiken wat je ervoer. Niet associëren, gewoon in het moment zijn. Het werd een bijzondere wandeling, alleen met je eigen zintuigen, zonder referentiekader. Alles wat ik ervoer op het weidse landgoed was nieuw én verrassend. Ik werd nauwelijks afgeleid. Ik voelde me niet schuldig niet deel uit te maken van een groep of achter een leider aan te lopen. Dit was ik helemaal zelf.

Zo verging het mij de komende dagen ook. Ik was alleen met anderen, zittend en wandelend. Ik mocht doen wat ik wilde. Dat werd me ook telkens verteld: ,,Doe wat je wilt, als je niet wilt doe je het niet”. Mediteren ging steeds beter. En ik zweeg, net als de anderen, zag ‘dingen’ die ik mogelijk anders nooit zou hebben gezien. Ik sliep diep, vanaf half tien tot acht uur, en droomde heftig.

Op donderdagmiddag ging het mis. Tijdens de yoga-sessie werd ik overvallen door een enorme angstaanval. Ik hield het niet meer, rende naar mijn kamer en slikte een angstremmer. Eenmaal terug in de groep werd ik rustig, sneller dan de medicatie kon werken. Waarom weet ik niet? Afleiding? Ademhaling? Omdat ik mezelf opende en kwetsbaar werd? Niemand reageerde op mijn vlucht. Het mocht. De volgende meditatiesessie en de avondmaaltijd verliepen zonder problemen. Het was goed zo.

IMG_0198

Uitzicht vanuit het chateau

Voordat ik naar bed ging, werd ik bevangen door verschrikkelijke fantasieën. Een gebeurtenis van nota bene veertig jaar geleden greep me bij de keel en leidde me naar een onverwachte onweerstaanbare hel. Zo zou ik nooit kunnen slapen. Het zou een helse nacht kunnen worden. Ik greep naar afleiding (een angstremmer), mijn hoofd kwam tot rust, waardoor ik langzaam maar zeker in slaap viel. Fout? Ik weet het niet. De volgende ochtend werd ik kalm en uitgerust wakker, klaar voor de volgende meditaties en confrontaties. Maar de vraag bleef hangen: waarom nu, na veertig jaar? Had ik het trauma destijds dan niet echt verwerkt, niet voldoende doorleefd? Had ik me destijds te veel overgegeven aan afleidingen om de pijn niet te voelen? Daar is geen antwoord op, wist ik.

Ute Reinhart, mijn lerares

’s Middags zou ik een evaluatiegesprek hebben met Sid. Ik had een analyse opgebouwd over het proces van mijn leven en besloot dat (trots) aan de leraar te vertellen. Eenmaal tegenover hem in de zonnige tuin, begon ik te vertellen. Sid luisterde aandachtig. Zoveel aandacht had ik nog nooit gehad. Ik bleef maar door ratelen, overtuigd van het belang van mijn nieuwe inzicht. Eindelijk iemand die goed en vooral aandachtig luistert, en me onafgebroken aankijkt.

Toen ik klaar was, keek Sid me aan en zei: ‘Maar dat is niet de bedoeling van deze retraite. Analyseren doe je maar ergens anders, bij je therapeut. Dit is geen therapie. Het enige wat je hier doet is ademhalen, bij meditatie je adem voelen, aandacht geven aan je adem. Niets anders.’ Verrast, niet eens teleurgesteld, maar vastberaden besloot ik mijn meditaties anders te gaan doen. Zo zat ik de komende uren op mijn kussen. Ik voelde me bevrijd. Dit voelde beter.

Ik wijdde me vol aandacht aan de theepauze, die ik dagelijks diende voor te bereiden en af te sluiten. De rest van de retraite verliep vredig. Ik voelde meer, ik voelde me meer verbonden met mezelf én met de anderen. Het werd een heerlijk slot, met aan het eind van de week openhartige uitwisselingen en een bijzondere slotavond met gezang, het voorlezen van gedichten, champagne, wijn en ander vermaak. Zo kon ik afscheid nemen van mijn stilteweek in Dechen Chöling en vriendelijk terugkeren naar de vast weer lawaaiige, agressieve en brutale wereld.

IMG_0196

Het chateau

Ik verlang nog elke dag terug naar die week in het Franse land, terug naar de mensen, terug naar de vriendelijkheid van mezelf en de andere deelnemers, terug naar de leraren en hun assistenten die zonder oordeel naar me keken en luisterden. Ik kon en mocht helemaal mezelf zijn. Ik voelde me verrijkt met meer inzichten.

Hoe nu verder? De stilte omarmen en verder mediteren? Hopend op een verrijking van mijn leven. Of zal ik me moeten neerleggen bij de realiteit, met wie en wat ik werkelijk ben, met alles wat ik voel, hoor, zie en denk?

 

Omarm je ogenschijnlijk niet te beheersen woede

4 dec

angerHet knettert en dondert in je hoofd. Een elektrische stroomversnelling davert door je hele lijf. Je ogen zwellen en puilen uit. Het speeksel spuit uit je mond, je spuugt vuur, je hakkelt. Je zintuigen raken verdoofd en verblind. De motoriek van je armen en benen is onbeheersbaar geworden. Alles schokt en trekt. En schiet in de afweer, op zoek naar wapens. Slaan en schoppen is onbewust een optie geworden. Het gif moet er uit, aan alle kanten, uit alle gaten. Woede!

Pas als de golf van adrenaline is afgenomen, gaat het verstand werken. Wat is er gebeurd? Wat heeft jou zo diep geraakt waardoor je de controle over jezelf verloor? Waarom werd je gek?

Er zijn uiteenlopende psychologische verklaringen voor, onderzocht door vele wetenschappers van naam en faam en door bijna even zoveel anderen geanalyseerd en beschreven. Komt het (domweg) voort uit het temperament? Ook een verklaring. Maar ook: de woede zou zijn oorsprong vinden in ons vroegste leven. Daar was er niet de aandacht, erkenning, waardering en liefde waar we zo’n behoefte aan hadden. Onbewust herkent ons gevoel wat we toen gemist hebben. Diep van binnen worden we geraakt, als waren we nog een kind dat niet krijgt wat het hebben wil.

boze trumpVoelden we maar meteen waar en hoe we geraakt worden. Dat kan een woede-uitbarsting voorkomen. Ik heb geprobeerd me te laten raken en meteen te voelen dat ik geraakt word. Dan voel je de pijn meteen, hoe pijnlijk dat ook is. De ander, degene die jou raakt, zou dan direct kunnen begrijpen wat er met jou aan de hand is. Dat het jouw pijn is en niet per definitie de schuld van degene die de pijn veroorzaakt. Het is moeilijk. Omdat je afweer automatisch aan de slag gaat en de raarste dingen met je gedrag doet. Je kunt het leren herkennen, maar we zijn mensen – de een nog gevoeliger dan de ander.

Ik heb in therapeutische sessies woede de vrije loop mogen laten. Op een kussen slaan, met een mattenklopper op een matras beuken of hard tegen de therapeut schreeuwen tot het bloed in mijn ogen stond, het spuug uit mijn mond spoot en ik uitgeput in huilen uitbarstte. Dat kan helpen, zeker even. Andere psychiaters en psychologen spreken dat tegen, omdat het de woede juist zou aanwakkeren. Wie het weet, mag het zeggen.

De zenboeddhistische leraar Thich Nhat Hành schreef er (in 2003) een inspirerend boek over: Anger (‘Omarm je woede, emoties kalmeren met milde aandacht’). Hij verwijst naar de Boeddha die 2500 jaar geleden ontdekte dat de meeste vormen van lijden en ontevredenheid zijn terug te voeren tot drie oorzaken: verkeerde opvattingen, obsessieve verlangens en woede. Woede is een van de krachtigste, maar ook een van de moeilijkste emoties om mee om te gaan. Eén moment van woede kan zowel voor onszelf als voor anderen noodlottig zijn.

Hij nodigt uit aandachtig met boosheid om te gaan. Hij stelt dat woede uiteindelijk neerkomt op een intense vorm van lijden en dat het onze verantwoordelijkheid is dat te verlichten, niet door verstorende emoties te bestrijden of te onderdrukken, noch door ze onbegrensd te uiten, maar door onze basishouding door middel van aandacht te veranderen. Diep luisteren.

thich

Uit zijn boek ‘Omarm je woede’: ,,Als er iets fysiek met ons mis is – met onze darmen, onze maag of onze lever – dienen we de kwaal te verzorgen. We masseren wat, nemen een kruik en doen al het mogelijke om de aangedane plek goed te verzorgen. Net als onze organen is woede een deel van ons. Dus als we kwaad zijn moeten we terugkeren tot onszelf en goed voor onze woede zorgen. We kunnen niet gewoon zeggen: ‘Ga weg, woede, je moet weggaan, ik wil je niet’. Als je maagpijn hebt, zeg je ook niet: ‘Ga weg, ik wil je niet’. Nee, je zorgt er goed voor totdat de pijn over is. Op dezelfde wijze moeten we woede omarmen en er goed voor zorgen. We herkennen en erkennen de woede als zodanig en glimlachen. De energie die ons daartoe in staat stelt is ware aandacht, aandachtig lopen en aandachtig ademen.’’

Hij noemt het lijden en raadt aan tegen degene op wie je kwaad bent te zeggen: ‘Ik ben kwaad op je. Ik lijd.’ Laat weten wat je voelt, ook als je kwaad bent. Misschien, aldus Thich Nhat Hành (92 jaar oud intussen), ben je nog zó kwaad dat je er niet toe in staat bent, beoefen dan aandachtig ademen en het aandachtig buiten lopen. ,,Mocht dat niet helpen, schrijf het dan op. Schrijf een vredesboodschap. Voeg toe dat je vastbesloten bent dingen te veranderen. Dat zal de ander vertrouwen en respect inboezemen. Ik doe mijn best betekent dat je de belofte terug te keren tot jezelf om je woede te verzorgen nakomt en serieus neemt.’’

Of het lukt, weet ik niet. Of woede voorkomen kan worden evenmin. Slechts heel weinigen zullen kunnen uitgroeien tot een geduldige, aandachtig luisterende en observerende, glimlachende, minzame, vreedzame boeddhistische monnik. Maar het is te proberen. Al is het alleen maar om jezelf en de ander niet te beschadigen.

De auteur is vriend van de Shambhala-sanga Leiden.

Deze column is in iets verkorte versie gepubliceerd op de wintereditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Heeft u last van yips? Wat is dat dan? En hoe kom je ervanaf?

29 nov

tiger_yips

Zomaar een vraag op de golfbaan. Of ik nog weleens een artikel over golf schrijf. Ja, was mijn antwoord, over yips. Yips? De drie andere mannen in mijn flight keken elkaar aan. Hoe laag hun handicap ook was, ze hadden er nooit van gehoord laat staan last van gehad. Ja, de bal vloog weleens de baan uit, een korte putt werd zomaar gemist, een chip mislukte volledig en meer van die dingen die elke golfer overkomen. Maar dat zal wel met de grip, de stand of de swing te maken hebben – of gewoon met concentratie. De schouders ophalen en doorspelen: It’s all in the game. Of: dat is nu de charme van golf dan wel de ergernis.

Yips, zeg maar een spontane en onverklaarbare motorische uitval bij sporters, lijkt meer op een kleine, onschuldige aandoening. Het is sowieso maar sport. Toch: je zult maar aan de top staan, er een titel mee verspelen, je geld ermee moeten verdienen. En niet alleen in golf, in vrijwel alle sporten gaan spelers door de grond als het verschijnsel zich (en niet voor de eerste maal) voordoet. Tot tranen geroerd zijn ze. Er zijn zelfs sporters die er ten einde raad helemaal mee stoppen. Ook schrijvers en musici worden erdoor gehinderd.

Yips belemmeren niet alleen golfers. Om maar enkele varianten te noemen: honkbal (sasseritis), cricket (yips), darten (darteritis), biljarten (keuitis), schieten (flinching), boogschieten (target panic), hardlopen (runner’s dystonia), schaatsen (zwabbervoet), tennis (serving yips). En dan zijn er basketballers, voetballers, handballers en zo verder. Namen van golfers die er last van hadden en/of ervan zijn hersteld: Padraig Harrington, Keegan Bradley, Sergio Garcia, Ben Hogan, Tom Watson, Ernie Els, Bernhard Langer (vier keer, maar wel overwonnen), Sam Sneed, Hank Haney, Tiger Woods en Tommy Armour, de Schot die begin vorige eeuw triomfen (drie majors) vierde en zo’n vijftig jaar geleden de term yips voor het eerst beschreef in zijn boekje ‘ABC’s of Golf’.

ErikvanWensen1

Erik van Wensen (Foto Viviane Simone Vegter)

Yips zijn kleine, onwillekeurige schokken in de armen, die onder het golfen en vooral tijdens het putten optreden, waardoor de bal vaak volledig verkeerd geraakt wordt. Yips is een neurologisch fenomeen. Het is een taakspecifieke bewegingsstoornis, wat wil zeggen dat deze bewegingsstoornis zich alleen of vooral voordoet tijdens een specifieke taak, in dit geval tijdens putten bij golf. De neurologische classificatie van deze bewegingsstoornis is een focale, taakspecifieke dystonie. Zo lezen we op de website van Erik van Wensen, de Dutch Yips Study (https://www.dutchyipsstudy.nl/)

Van Wensen (neuroloog aan het Gelre Ziekenhuis in Apeldoorn, verwoed golfer [handicap 7] en gehinderd door yips) bestudeert al ruim vijf jaar nauwgezet het verschijnsel. De unieke combinatie neuroloog/golfer/yipper) heeft ertoe geleid dat hij zich fanatiek voorgenomen heeft (nu nog als hobby naast zijn werk) een methode te ontwikkelen om het ‘probleem’ op te lossen. Niet helemaal los daarvan telt mee dat zijn vader ook yips had. ,,Bij mijzelf ontdekte ik een jaar of vijftien geleden, op hole 1 van de Rosendaelsche, dat ik yips had. Opeens ging er een schok door mijn arm. Op een YouTube-filmpje is dat goed te zien. Het ziet er bijna overdreven uit. Op de begrafenis van mijn vader in 2009 heb ik in een toespraak beloofd dat ik die yips zou gaan oplossen.’’

Samen met collega-neuroloog en tevens specialist bewegingsstoornissen aan het Radboudumc in Nijmegen, Bart van de Warrenburg, ontwikkelde hij de 1e Dutch Yips Study, om mede aan de hand van een enquête onder alle leden van de Rosendaelsche Golfclub meer over het voorkomen van yips onder golfers te weten te komen. ,,Ieder lid kan zich aanmelden én de golfers die menen yips te hebben. Ik wil ze dan te zijner tijd filmen, want ik wil het graag, evenals een onafhankelijke neuroloog, nauwkeurig kunnen analyseren. Eigenlijk is het ook goed te zien. Het is meer dan choken, dat is wellicht de meest lichte vorm van yips. Het is ernstiger. Er ontstaat kortsluiting in je hersens, in de frontale cortex. Je kunt er van alles op verzinnen, maar vooralsnog is de juiste geneeswijze niet gevonden. Ik denk dat de kans dat ik het vind groter is dan van andere onderzoekers of wetenschappers, omdat ik zowel neuroloog, golfer als yipper ben.’’

Van Wensen heeft zich voorgenomen in de komende tien jaar elk jaar een van zijn Dutch Yips Studies af te ronden. Vooralsnog heeft hij als oplossing enkele opties: EMDR (eye movement desensitisation and reprocessing), een methode waarbij een psychiater of een psycholoog bewegingen van de ogen koppelt aan een bepaalde angst en die een andere lading geeft; cognitieve gedragstherapie, met hypnose; of injecties met botulinetoxine A. Maar dat moet allemaal nog goed onderzocht worden, weet Van Wensen.

Verschillende golfers vertelden hem dat ze van hun yips probeerden af te komen door gebruik van o.a. bètablokkers om de hartslag en bloeddruk te verlagen, door gebruik van slaap- en kalmeringsmiddelen. En zelfs acupunctuur is geprobeerd. Dat bleek niet goed te werken. Mogelijk kan hij via functionele MRI-scans in de frontale cortex het nodige vinden, maar dat is toekomst.

Inmiddels heeft hij vier golfers samen met psychiater Pieter-Jan Bogaard behandeld met EMDR. Hij is in hoopvolle afwachting van de resultaten die hij samen met zijn collega in 2019 hoopt te publiceren in een wetenschappelijk tijdschrift. Los daarvan zijn er andere mogelijkheden, zoals verandering van de grip of een langere putter (voorbeelden van ervaren pro’s zijn vaak te zien). Maar zelfs dat leidt niet altijd tot de gewenste genezing. Van Wensen wil graag, indien gewenst, met teaching pro’s samen optrekken bij het verhelpen van het yips-probleem. Ook zij moeten het kunnen zien. Hij schat in dat 5 procent van de 400.000 golfers in Nederland last heeft van yips, dus 20.000.

Yips bij golf is als onderwerp vaak taboe. Zo schrijft Van Wensen samen met collega-neuroloog Van de Warrenburg in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Vooral topsporters hebben het er liever niet over, uit angst voor ‘besmetting’: ze zijn bang het zelf ook te krijgen met als gevolg daarvan verminderde prestaties. Maar als ze eenmaal zijn aangedaan, gaan ze uitvoerig op zoek naar oplossingen. Onder artsen is yips echter niet bekend en de behandelingsmethoden zijn nog beperkt.

Van Wensen vermoedt dat er meer aan de hand is dan stress. Verstijving of verkramping komen vanzelfsprekend voor. Ze hebben een functie, wellicht als een beschermend mechanisme. Mogelijk hebben negatieve ervaringen invloed en nestelen die zich in het geheugen cq brein. Genetische erfenis is eveneens goed mogelijk, zoals hij concludeert uit het feit dat ook zijn vader (maar ook in andere gevallen) yips kreeg.

Van Wensen (48) begon op zijn vijftiende met golfen. Vijftien later ervoer hij voor het eerst de hinderlijke schok in zijn rechter onderarm bij de lange putts op het moment van contact tussen bal en putter. Later kreeg hij ook dergelijke schokken bij korte putts en vervolgens ook bij zijn afslagen. Naarmate de wedstrijdspanning toenam, kreeg hij er meer last van. Door de druk van zijn arm af te halen en vrijwel alleen nog met links te putten kon hij de schokken nagenoeg volledig voorkomen.

Veel golfers hebben niet door dat ze yips hebben (nog los van het feit dat ze een beperkte techniek hebben of de techniek vergeten). Van Wensen refereert aan Jan Dorrestein, lang Nederlands meest prominente speler en nog altijd teaching pro op de Rosendaelsche. ,,Als hij niet de yips had gehad of ervan af was geholpen dan was hij een nog groter golfspeler geworden.’’

Van Wensen richt zich vooral op golfers, omdat hij zelf golft. Maar ook andere yips-lijders heeft hij leren kennen. Zoals een biljarter die hij heeft behandeld. En verder hoopt hij met zijn onderzoeken de circa 800 à 900 neurologen die Nederland telt, te bereiken. Maar ook huisartsen en sportartsen. Zoals zijn collega-neuroloog Cees Jansen van ziekenhuis De Gelderse Vallei in Ede, die zich vooral met de ‘focale taak-specifiek dystonieën’ onder musici bezighoudt: pianisten zoals in de 19e eeuw Robert Schumann, die plotseling controleverlies aan zijn rechterhand bij het piano spelen ontdekte. En blazers die niet meer konden blazen, de lippen sluiten zich niet meer op het mondstuk. ,,Wie weet wat we van elkaar kunnen leren.’’

Van Jansen, die een speciaal spreekuur heeft voor musici met vermoede neurologische klachten, vernam Van Wensen: perfectionisten zijn extra ontvankelijk voor dystonie – en dat zijn beroepsmusici vrijwel zonder uitzondering. Op functionele MRI-scans is, aldus Jansen, te zien dat bij mensen met dystonie de gebieden in de hersenschors die de activiteiten van de verschillende vingers aansturen, in elkaar overlopen. De ‘bedrading’ die de signalen van de vingers verwerkt, is als het ware verstrikt geraakt. Dat uit zich in onwillekeurige en ongewenste bewegingen: een vorm van spasticiteit. Sommige onderzoekers denken dat dystonie de natuurlijke grens van de vingervlugheid markeert.

erikvanwensen2

Erik van Wensen (Foto Viviane Simone Vegter)

Erik van Wensen gaat ambitieus door met zijn onderzoek. Niet alleen om een vaak nog onbewust probleem te helpen oplossen, maar ook om van zijn eigen yips af te komen. Maar pas als allerlaatste der yippers. Yips heeft veel mensen het plezier in hun sport en spel ontnomen en mogelijk veel carrières van talenten in de knop gebroken. Dat houdt hem doorlopend en serieus bezig.

Dit artikel is gepubliceerd in Golfers Magazine 8, oktober/november 2018

Mark, mijn liefste collega, vriend en dwarsdenker

28 nov
Marks feestje

Foto Vincent Mentzel

Dinsdag 27 november is in alle vroegte mijn oud-collega en vriend Mark Hoogstad (48) overleden. Aan die verschrikkelijke ziekte, waarvan hij nog geen jaar geleden de onheilstijding kreeg. Mark was niet alleen de meest talentvolle collega, van wie ik (onder bepaalde voorwaarden) ook diens chef mocht zijn, maar hij was vooral de liefste. Wij begrepen elkaar als gelijkgestemden. ‘Wij hebben hetzelfde karakter’, zei Mark vaak. Dus(?) hadden we weleens laaiende ruzie – en als rechtgeaarde emotievolle mannetjes niet alleen met elkaar. Eerst was ik voor hem een oudere, ervaren collega bij de sportredactie van NRC, min of meer zijn mentor, vervolgens zijn chef.

Het was nooit saai. De emoties gierden vaak door de sportredactie. Dan probeerde die reusachtig grote Mark hakkelend, zwetend en amechtig aan zijn sjekkie trekkend mij te overtuigen dat ik toch ‘echt eens die andere collega’s’ tot de orde moest roepen. ‘Grijp in, Guuske’, riep hij dan om vervolgens uit te barsten in een door een hoge stem versterkte gierende lachbui.

Eens heb ik hem uit de sportvergadering gestuurd, omdat ik vond dat hij zich kinderlijk en nogal overdreven miskend gedroeg. ‘Jij behandelt mij als een kind, dat doe je niet. Ik ben geen kínd’, schreeuwde hij korte tijd later via de telefoon tegen mij. Ik hoor zijn hartekreten nog galmen in mijn auto. Op de achtergrond schreeuwde een jong kind. Waarna ik Mark hoorde krijsen, het bleek tegen zijn toen nog heel jonge dochtertje: ‘Hou je kop Floor!’ De volgende dag vloog hij me liefdevol om de hals, gaf me een zoen en zei: ‘Wil je dat nooit meer doen, Guuske! Ik hoop dat je ervan geleerd hebt.’

En zo waren er vaak botsingen op de meest rumoerige en emotionele redactie van NRC Handelsblad, tot grote verontwaardiging (afkeer?) van de rest van de redactie. Maar altijd was er een happy end. Je hoefde alleen maar te kijken naar die arrogante glimlach van Mark (wat kon hij arrogant zijn!) en je wist dat het goed was. Je voelde dan dat hij het naar zijn zin had.

Mark op zijn laatste feestje met oud-collega’s van NRC, een maand geleden, omringd door vlnr Hans Klippus, Guus van Holland en Henk Stouwdam
(Foto Vincent Mentzel)

Ik koesterde zijn talent. Want Maarten Hendrik Hoogstad (zoals hij zich graag voorstelde) was niet alleen een ‘diepgraver’ met een brede blik, maar ook een begenadigd schrijver, soms nogal archaïsch – zeker een purist. Ik adviseerde hem daarom regelmatig zijn horizon te verruimen liever nog te verplaatsen en zich niet uitsluitend of vooral te richten op hockey (‘NRC is een hockeykrant, grote vriend’) en zwemmen, (vaak ook fanatiek rugby en tennis [winst Richard Krajicek op Wimbledon], soms boksen en ijshockey). Hoe nauwgezet hij die sporten ook volgde, hij zou veel meer en belangrijkere onderwerpen kunnen aanpakken, zo vertrouwde ik hem toe – en ik was niet de enige.

Uiteindelijk koos hij voor de redactie binnenland (waar hij onderwijs kreeg toegewezen – niks voor Mark dus), ten slotte als Rotterdam-verslaggever en (mede door de verhuizing van de redactie uit ‘zijn’ Rotterdam naar Amsterdam, waar Mark zich fel tegen verzette, én gevoed door weer zo’n heftig gevoel van miskenning) vervolgens voor het AD/Rotterdams Dagblad in zijn woonplaats Rotterdam. Daar kreeg hij als verslaggever en commentator van de Rotterdamse politiek eindelijk de erkenning waarnaar hij altijd bijna obsessief verlangde. Totdat hij ook daar misnoegd vertrok.

Mark (‘Ik heb een onwaarschijnlijk talent voor rancune’) haalde zijn revanche met zijn opzienbarende boek over de Rotterdamse politiek (‘Rotterdam, stad van twee snelheden’) en verdiende daarmee een maand geleden de Persprijs Rotterdam, die hij eerder tot zijn grote ongenoegen was misgelopen. Wat een erkenning dan toch op de valreep!

Wij zijn elkaar nooit het oog verloren. Zo gaat dat met mannen die elkaar een warm hart toedragen. Maar het leven zonder Mark is niet meer wat het geweest is.

Joop Hueting ontkende veel effecten van doping

19 nov

hueting_je

Zou er nog iemand nog weten dat de vorige week op 91-jarige leeftijd overleden prof. dr. Joop Hueting (hij werd bekend als klokkenluider van de gewelddadige Nederlandse invloed in Indië) veelvuldig onderzoek deed naar het effect van doping, zoals amfetaminen, coffeïne, ACTH, anabole steroïden et cetera?

Hij deed dat in de jaren zeventig en tachtig onder meer met de vorig jaar overleden Hein Verbruggen, die als wielersportleider krampachtig op zoek was naar een manier om het gebruik van dope tegen te gaan, én met een aantal zeer bekende Nederlandse wielrenners (vooral van de PDM-ploeg onder leiding van Jan Gisbers die graag de grenzen op zocht, zo vertelde hij mij weleens).

Dat moest, begreep ik van Verbruggen toen hij mij daarover nogal vermanend onderhield naar aanleiding van een citaat van PDM-renner Peter Stevenhaagen in een door mij gepubliceerd interview in De Volkskrant, geheim blijven voordat er ‘indianenverhalen’ verschenen. ‘Guus, begrijp je dat dan niet!?’ Dat begreep ik onmiddellijk. Dat maakte Verbruggen verdacht, meende ik in eerste aanleg ook. Zó woedend kon toch geen mens tegen mij (of over mijn artikel) zijn?

Mijn primaire afweer kwam boven. Bijna tegelijkertijd openbaarde zich de nuance in mijn mening over doping – en wilde ik Verbruggen leren begrijpen. Wat is er hier aan de hand. Waarom? Waarom die woede? Wat nog te doen om doping te voorkomen of te bestraffen? Voorlichting? Ontkenning? Verbruggen zocht en vond de vreemdste uitwegen, die nogal tot wat agressie en aanvallen jegens zijn gedrag leidden. Hij moest wat, tot aan zijn dood (voorjaar 2017) toe.

‘Guus, wat vind jij? Mensen doen alles om zich te verbeteren en zichzelf te bevestigen. Wat moet ik dan, als wereldsportleider? Als de man die weet hoe mensen zich moeten gedragen. Wat doen ze? Wat willen ze? Ik doe mee, ik buig mee, ik wil begrijpen en toch moet ik spelregels, zelfs straffen, verzinnen om de sport gezond te laten verlopen en populair te houden. Sterker: om iedereen te vriend te houden. Alle partijen, iedereen heeft zijn behoeftes. Net zoals jij en ik’.

Zo liet hij zich ontvallen een paar maanden voor zijn dood. Het was een indringende, moeizame sessie, tussen een man die de dood zag naderen en een man die (zo had Verbruggen in de loop van onze vriendschap begrepen) altijd zoekende was, van taoïsme tot boeddhisme, van doping tot niet-doping. ‘Ik probeer iedereen zijn mening en belangen te respecteren. Wat kun je meer?’

En toen dronk Hein een half jaar voor zijn dood zijn glas Cola Light leeg. Op de Veluwe, vlak voor mij, aan de andere kant van de tafel. Het was mooi en verhelderend. Joop Hueting kwam nog ter sprake. Tja, zei Hein, ook een man die zijn weg probeerde te vinden tussen het gelijk en het ongelijk.

Onder de kop ‘Doping bestaat niet’ had Hueting jaren eerder al in een interview met De Volkskrant voor nogal wat commotie in de sportwereld gezorgd. Hij (hoogleraar experimentele psychologie in Brussel) onderzocht onder meer de effecten van amfetamine en ACTH (een soort neurotransmitter, althans met een soortgelijke werking) en zag daarvan geen effect bij beroepswielrenners. Hueting werd daarin min of meer gesteund door Harm Kuipers.

Ik heb nooit meer iets (op een serieuze verwijzing na van de goed ingevoerde en zich verdiepende Vlaamse sportjournalist Hans Vandeweghe in zijn boek ‘Wie gelooft de renners nog?’) van dit onderzoek vernomen, laat staan dat er in de talrijke necrologieën van Hueting aan werd gerefereerd. Ik noem het niet noemen van Hueting door alle media als belangrijke dopingonderzoeker een omissie. Want Hueting beweerde nogal wat in het kader van de opwinding over doping. Binnenkort dan maar in een boek. Het boek komt er aan, zo vernam ik van mensen die de materie deskundig en wél van nabij volgen.

Hier liggen de wortels van boerenzoon Hennie Kuiper

1 okt


Het stinkt, zouden stedelingen mogelijk zeggen. Ja, het ruikt hier naar koeien, veevoer, stront, boeren, naar alles wat je in de stad niet ruikt. Ik vind het heerlijk. Niet alleen omdat het aan mijn jeugd bij vriendjes op de boerderij doet denken, maar ook omdat het voor mij pure en gezonde lucht is.

Het is de lucht van Hennie Kuiper, de boerenzoon die hier in Noord-Deurningen opgroeide, en van hieruit op zijn fiets stapte en zich daarop uitleefde totdat hij tussen 1973 en 1988 een wereldberoemde wielrenner werd die zowat alle klassiekers won, olympisch- en wereldkampioen werd en tweemaal tweede in het eindklassement van de Tour de France.

Het is hier, op Erve Kuiper, waar de blosjes op de wangen van Hennie tot volle glorie kwamen, hij een haatliefde-verhouding met modder, storm, wind, regen, zonnebrand en andere ontberingen kreeg en zijn vaak bewonderde strijdlust ontwikkelde.


Hier in het museum word ik teruggeworpen naar mijn belevenissen als wielerverslaggever met deze te allen tijde toegankelijke sportman. Mogelijk voelde ik mij aangetrokken tot mensen uit deze regio, mensen en sportlieden, zoals wielrenners die strijd tot het uiterste bedreven en daar geen verklaring voor hadden: het is zoals het is, ik ben zoals ik ben, normaal, niks bijzonders.

Terwijl ik de lucht van koeien, stront, veevoer of ingekuild gras inadem, herbeleef ik in een stoel tegenover een beeldscherm de overwinningen en krachtige inspanningen van Hennie Kuiper. Ik was bijna vergeten dat hij zo verschrikkelijk hard kon fietsen, alles deed om te winnen en dan ook won. Ik zag de grote renners van weleer spartelen en zweten met Kuiper aan hun wiel. En dan die vreugde-uitbarstingen als hij als eerste (meestal na een indrukwekkende solo) over de eindstreep kwam.

In de onvolprezen biografie ‘Hennie Kuiper Kampioen Wilskracht’ (van de hand van Joop Holthausen, Jacob Bergsma en Björn Kuiper) is veel te lezen en te bekijken. Maar hier, op Hennie Kuiper Native, komt het allemaal weer echt tot leven. Niet alleen de foto’s, de knipsels en knipselboeken en andere relikwieën, maar ook zijn trainingsrondjes zijn hier te zien. Ik werd er stil van, trilde weer van emotie en beleefde – even – met zijn oude vriend en dorps- en streekgenoot oud-wielrenner Herman Snoeijink de tijd waarin Hennie Kuiper de wereld veroverde.

Ik maakte geen aantekeningen, waaruit ik later thuis zou kunnen putten om mijn verhaal over het bezoek aan Erve Kuiper te kunnen schrijven. Ik beleefde het moment. Toch: was Hennie er maar bij geweest. Een beetje hakkelend, een beetje blozend, een beetje glunderend, een beetje verontschuldigend maar toch wel een beetje trots vertellend over toen en waarom zó en waarom niet zó. Ik dacht dat ik hem niet nodig had, toen mij de aanwezigheid van Kuiper werd aangeboden. Nee, laat maar, ik weet het wel. Maar toch, er had een extra dimensie aan toe gevoegd kunnen worden. Deze kampioen van de wilskracht in hoogst eigen persoon naast alle foto’s, knipsels, borden, boeken en prijzen.


Buiten speelden kinderen, zoals Hennie er waarschijnlijk ook had gespeeld voordat hij er met de fiets op uittrok. De boerenlucht prikkelde mijn neus. Het zou wat voor de stedelingen zijn hier eens naartoe te gaan en te leren hoe het er op een boerderij aan toe gaat, waarom en hoe boeren werken, waarom het er zo ‘stinkt’, hoe Hennie Kuiper is opgegroeid en waarom hij zo goed is geworden en eenvoudig is gebleven. Zoals het een boerenzoon betaamt.

Dit stukje is (samen met observaties van Herman Snoeijink en Theo de Rooij) gepubliceerd in het herfstnummer van Zilver Magazine, het blad voor de Twentse 65-plusser.
Zie ook http://www.ervekuiper.nl

Een vijand werd uiteindelijk toch mijn leermeester

1 sep

Het was alsof ik tegenover een vriend ging zitten. Ik had hem met een warme handdruk begroet als vriend, als geest- en zielsverwant, als een man waarbij ik me veilig zou voelen. Op mijn gemak, niets te duchten, samen in een warm bad ervaringen en gedachten uitwisselen.

Maar het samenzijn liep anders. De man was anders. Hij gedroeg zich anders, praatte anders, at en dronk anders en deed dingen die ik liever niet deed. Hij was direct, in mijn beleving lomp. Hij dacht heel anders dan ik, stelde plannen voor die ik niet in mijn hoofd zou halen. ‘Kom op, Guus’, brulde hij, ‘gewoon doen, gezellig samen, geen gezeik aan je kop. Niet moeilijk doen en je hebt plezier in je leven’. Hij vergat erbij te zeggen dat hij zó in het leven stond en op die manier plezier beleefde.

Hij zei het op een toon die mij niet beviel. Niet mijn toon, niet mijn smaak. Ik had het gevoel dat hij niet wist wat mijn verlangens waren, wie ik was en hoe ik over het leven dacht. Sterker:  ik werd diep geraakt, overweldigd door het idee dat hij wel wist wat ik zou willen of nodig had. Hij begreep mij niet. Helemaal niet, écht niet. Maar ik lachte vriendelijk. Totdat mijn vrouw ingreep en (mij kennende) zei: ‘Ik weet niet of Guus dat wel leuk vindt.’ ‘Nou én’, hoorde ik de man antwoorden.

Ik probeerde het dreigende probleem (het verschil in smaak en inzicht) te verdringen en lachte verlegen. Ik wilde geen strijd, geen discussie. Ik wilde hem niet veroordelen om zijn impulsieve, voor mij wat kortzichtige gedrag. Laten we het gezellig houden. Ik bevroor, zo voelde ik later. Ik liet hem begaan. Van binnen voelde ik me echter opstandig worden. Ik werd steeds bozer, maar uitte dat niet. Bang misschien. Dat hij boos zou worden, omdat hij zich niet gehoord voelde, daarom mij zou afwijzen en zelfs agressief zou worden?

Toen we afscheid hadden genomen, werd ik steeds bozer.

Wat een lomperik! Met zo’n man wilde ik echt niets meer te maken hebben. Met hem wilde ik nooit vrienden worden. Hij was totaal anders, hij begreep mij niet, hij voelde niet zoals ik, hij ervoer het leven niet zoals ik. Misschien dacht hij ook zo over mij. Misschien ook niet. Zo kortzichtig was hij vast wel, getuige het gedrag dat mij met afschuw vervulde.

Uit de buurt van hem – en van zulke mensen – blijven. Dat nam ik mij voor. Maar de pijn die ik door de ontmoeting met hem had gevoeld, ebde weg. De vragen die mij bezighielden omtrent mijn kwetsbaarheid en afkeer kregen een antwoord door mijn door het boeddhisme geleerde inzichten. Deze man was anders, zoals iedereen anders is dan ik. Zo herinnerde ik mij. Ik kan hem proberen te overtuigen van mijn gelijk, bijvoorbeeld dat mijn levenshouding en gedrag de enige juiste zijn, maar ik kan hem ook nemen zoals hij is. Naar hem kijken en luisteren, hem observeren en dan – zonder angst, zonder te bevriezen – concluderen dat hij is zoals hij is, doet zoals hij doet. Misschien dat acceptatie mij (en hem) meer oplevert dan afwijzing.

Op mijn trainingen in mijn sangha heb ik kunnen leren dat boeddhisten geloven dat in iedereen iets zit dat goed en zuiver is. Dat we alleen alle emotionele bagger die verhindert dat die kwaliteiten boven komen drijven, moeten verwijderen. Want in iedereen schuilt de ‘boeddhanatuur’.

Het mooie van bovenstaand voortschrijdend inzicht vind ik dat de man die mijn vijand werd, mij wat heeft geleerd. Een man die ik verafschuwde en afwees zette mij onbewust aan het denken. Een vijand werd mijn leermeester. Hij raakte mij en ik kon voelen waar hij mij raakte. Dat was niet zijn schuld dan wel zijn verdienste. Dat was mijn kwetsbaarheid. Misschien kunnen die man en ik wat mij betreft dan toch als vrienden verder gaan. Samen, zonder veroordeling.

Guus van Holland is vriend van Shambhala Leiden

Deze column is gepubliceerd op de herfsteditie van de website: http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

 

Hein de Kort: ‘Als golfers in mijn tekening hun frustratie herkennen is het goed’

14 aug

Je moet wel zelf gegolft hebben om het intense gevoel van goed-of-fout-gedaan te kunnen uitbeelden. Hein de Kort (61), door vele bladen (zoals Golfers Magazine) een veelgevraagd cartoonist, kent die ervaringen maar al te goed. Al zo’n 25 jaar beleeft hij de emoties die iedere golfer – van Dustin Johnson en Jason Day tot Tiger Woods en Joost Luiten – heeft beleefd en nog beleeft.

Zie de strips van Hein en je herkent het golfgevoel. It’s a mental game, wordt vaak beweerd. Maar dat geldt voor bijna elke sport. Hoewel? Hein de Kort vertelt graag over zijn frustraties, niet alleen over mislukte slagen, chips en putts maar ook over stokken die niet voldoen, te kort of te lang zijn. Over grips, slechte greens, wind, diepe roughs, over altijd maar moeten lessen.

‘Want je wilt toch altijd beter worden, laat staan dat je wilt winnen en punten scoren, je handicap omlaag brengen. Tjonge, wat een gedoe!’ Het is alsof Hein zich wil verontschuldigen voor wat hij doet, tekent en uitbeeldt. Hij kijkt naar buiten, vanuit het café naar het drukbezochte Amsterdamse terras en probeert te relativeren. ‘Het is maar golf, een spelletje. Je slaat tegen een bal, maar dat lukt niet zoals je dat zou willen’, weet hij. ‘Golf? Waar heb je het over? Ik heb vroeger gevoetbald, totdat mijn knieën het begaven, eerst mijn ene knie op mijn achttiende, een paar jaar later op mijn 23ste, de andere. Dan kun je het niet meer, hoe graag je ook wilt. Je lichaam geeft aan dat je toch echt niet meer kunt sporten. En dan is er gelukkig nog golf.’

Op de velden van AMVJ in Amsterdam leerde hij een beetje golfen. Met die voetbal- en hockeyvelden waar lijnen, doelpalen en dug-outs  je kunnen afleiden van je focus. Er is geen dug-out, er is geen doel en er zijn geen doelpalen, er is alleen de bal en die moet naar de hole – daar heel ver weg. Dat weet hij intussen. Maar toch, doe het maar, zeker als beginneling.

hein de kort

Foto Ronald Speijer

Daar, op de voetbalvelden van AMVJ, begon Hein met golf. ‘De eerste slag met een driver – nota bene – was geweldig. Dan wil je nog een keer. Meer en nog meer! Het lukte. Hein zag het en voelde dat er meer te halen was. ‘Lessen, beter worden. Net als met mijn gitaar, altijd maar lessen om beter te worden. Dit te kunnen, zoals grootheden en de echte talenten. Ik moet gewoon les hebben en beter worden. Dat was het en dat is het nog steeds, een beetje.’

Hij was écht verslaafd, bekent Hein. Wie herkent dat niet? ‘Alles in mijn leven stemde ik af op golf. Ook mijn werk. Dan maar een dag niet tekenen en de grappenmaker uithangen. Vooral golfen en steeds beter willen golfen. Na AMVJ, bij Olympus, op Almere en weer Olympus, competitie spelen, golfreisjes naar Schotland en Spanje. Spelen om geld, om een fles wijn, en nog meer van die gekkigheid. Ik had zelfs een handicap van -6, nu weer -13,5. Tja, je wordt wat ouder, slaat minder ver, het lichaam draait niet meer zo soepel en de drive om te scoren wordt wat minder.’

Hij zou zomaar een handvol anekdotes kunnen vertellen, alleen om maar duidelijk te maken hoe hij golf gedurende 25 jaar heeft beleefd. Of gewoon om dit interview te spekken, want misschien vindt Hein dat hij iets te onverschillig over golf heeft gesproken – zo gretig leek hij namelijk ook weer niet bij de afspraak.

Zijn tekeningen en strips vertellen meer dan genoeg over zijn beleving op de golfbaan en daarna op het terras of aan de bar. Zoals het een kunstenaar betaamt. Losersgedrag, excuses, snoeven, rotzooien met de scorekaart. Alles wat golfers doen om hun spel te verheffen en hun (onsportieve) gedrag te verklaren, weet Hein de Kort in één tekening neer te zetten. Soms cynisch, meestal realistisch en zeker komisch. Kijk ernaar en je herkent de situatie.

Zoals die Schot die hij elke dag op een Schotse baan na een golfsessie in de bar tegenkwam en altijd dronken was. ‘What is more important than winning in golf.’ Tja, zeg het maar. ‘Ik heb tot mijn 23ste gevoetbald, tot mijn knieën het begaven. Dat ging ook om winnen. Maar golfen? Nooit gedacht, nog veel erger, eigenlijk,’

Hij was net geconfronteerd met de geneugten van golf, het spel, de spelers en de cultuur of hij bood zich aan als striptekenaar bij Jan Kees van der Velden, toenmalig hoofdredacteur van Golfjournaal. ‘Ik was in Schotland en maakte daar op de baan en daarbuiten dingen mee, die ik moest en zou uittekenen. Ik stuurde ze op. Maar Jan Kees vond ze te heftig… Zeg het maar. Ze zijn nooit gepubliceerd. Kennelijk zag hij wel wat in mijn tekeningen. Ik mocht tekeningen maken voor het Jeugdjournaal. Dat sprak me wel aan, de jeugd over golfen: geen tijd, ver buiten de stad of het dorp, saai. Daar kon ik wel wat mee. En later natuurlijk voor de serie De Glazen Bol en andere strips voor Golfers Magazine.’

Zijn golfwereld werd groter, vooral omdat hij het zelf deed en intens beleefde, als verliezer en af en toe als winnaar. Hij deed tekeningen voor Fox Sports, voetbal dus, maar merkte dat hij de affiniteit met voetbal was verloren omdat hij niet meer voetbalde. ‘O jee, die speler was allang vertrokken bij Manchester United, had ik niet bijgehouden omdat mij het nieuws niet meer boeide. Dat is toch anders als je zelf nog bezig bent. Ik volg niet alles op golfgebied, maar ik ken mensen en ik weet wat ze kunnen. Ik let erop. Ik kijk en weet dat ik het zo moet doen. Natuurlijk kan ik dat niet. Maar het is mijn kunst om dat uit te beelden in een tekening: kijk mij eens goed zijn – of juist niet.’

Als je met golfers praat, van welk allooi dan ook, gaat het vooral over gemiste kansen. Voetballers kunnen er ook wat van, of wielrenners. Die wedstrijden staan (onuitwisbaar) in hun geheugen gegrift. Hein de Kort kan alle ervaringen uitbeelden, in woord en tekening. ‘Het is bijzonder dat golfers urenlang na een rondje nog bezig zijn met wat ze is overkomen. Golfen een sociale bezigheid? Mooi, maar het is wel  de afleiding van het dagelijkse werk die in beslag neemt. Gelukkig dat er nog zoiets is als golf. Wat moet je anders, als het werk te veel van je in beslag neemt?’

Ach, werk. Hij doet wat hem wordt gevraagd en wat hem invalt – voor elk medium. Mogelijk zelfs naar wat hem raakt tijdens dit interview in een café waar mensen zoeken naar geluk en liefde – in welke vorm dan ook. Als na ons onderhoud Hein weer op avontuur gaat, vraag ik me af wat hij gaat doen. Tekenen en beschrijven wat wij hebben gedaan? Waarom dit gesprek? Of gewoon golfen om het leven te aanvaarden zoals het is.

Hein de Kort kan tevreden zijn met wat hij doet. Wat hij niet zegt, tekent hij. Ieder zijn manier om te leven. Hij doet wat hij kan en wil doen. Zie zijn tekeningen, strips en herken jezelf – of leer ervan. Hij herkent het: ‘Een goede slag per dag is het  mooiste wat kunt bereiken. Dat kun je, wees dus tevreden. Niet dus!’’

Of het KLM Open hem interesseert? Wanneer? O, half september. Ja, hij was  er twee keer. Zoals ieder golfer er graag is, gewoon van dichtbij zien hoe die toppers het doen. Het was in Hilversum. ‘Dan kijk je naar die toppers, hoe ver ze slaan en hoe. Dat kan ik ook, denk ik dan. Laat ik maar daar maar eens tekening over maken. Mijn wanhoop, mijn leven. Tekenen is een goede uitlaatklep. Als mensen, golfers dus, zich erin herkennen is het goed.’

Dit interview is gepubliceerd in Golfers Magazine 6, augustus 2018

Een tsunami aan sport kan een mens te veel worden

12 aug

EK atletiekPrijzen, bekers, medailles, oorkondes en titels zijn er te kust en te keur. Geen sportonderdeel of er valt wel een onderscheiding te verdienen. Steeds meer, of het nu een Europees kampioenschap (EK) betreft, een wereldkampioenschap (WK), een olympisch kwalificatietoernooi (OKT), een wereldbeker/worldcup (WC) of weet ik wat meer. Grijpgrage en reikhalzende sporters reizen van hot naar her om er iets te halen dat hun talent voor lichamelijke vaardigheden bevestigt. Langzaam maar zeker neemt die begeerte zelfs pathologische vormen aan.

Ze worden op de voet gevolgd door de media, want overal staan camera’s, microfoons en verslaggevers klaar om vast te leggen of de gewenste prestaties wel worden gehaald – en waarom niet. Het is een nauwelijks te stillen honger naar het hoogste in het bestaan. Daar, daarboven ergens, zal en moet het geluk zich bevinden. Eenmaal in het bezit van een prijs of een titel zal de deur naar het paradijs opengaan, is het vermoeden. Al is het maar voor even, voor een paar dagen, een paar weken of een paar maanden, een paar jaar. Totdat de volgende uitdaging zich aandient, mogelijk met minder succes. Nou, dat zien we dan wel weer.

Even dacht ik dat na Wimbledon, het wereldkampioenschap voetbal en de Tour de France de golf aan sporttoernooien voor kort tot bedaren was gekomen. Een autorace of een hockey- en een golftoernooi dat waarschijnlijk alleen de échte liefhebbers tot de verbeelding spreekt, daargelaten. Het was me ontgaan dat de grootste tsunami nog moest komen. Dat krijg je als je nog leeft in het verleden, waar een zomerpauze tot aan het begin van de voetbalcompetities nog heel gewoon was. Ineens waren daar zeven Europese Kampioenschappen tegelijk, nota bene zes in één stad (Glasgow) en een andere in een andere stad (Berlijn). En tussendoor werden we ook nog vergast op (overgewaardeerde) kwalificatiewedstrijden voor belangrijke voetbaltoernooien tegen internationaal onbeduidende tegenstanders, waarin van Nederlandse clubs werd verwacht dat ze daar in zouden excelleren.

Een en ander zou te maken kunnen hebben met behoeftebevrediging. Intelligente zakenmensen (sportmarketeers) menen daarom dat wij als sportliefhebbers zo veel mogelijk naar sport willen kijken en daarover willen lezen. We zouden eens gaan zoeken naar andere interesses, zoals rust, een boek, een wandeling, de natuur of zélf sporten? Dat mag niet gebeuren…. De marketeers zien financieel gewin en groei van de aantrekkingskracht voor de betreffende sporten. En daar hebben alle sportbonden in hun begeerte naar meer beoefenaars én leden (dus meer subsidie?) wel oren naar.

EK Glasgow

De gezamenlijke Europese Kampioenschappen (European Championships), door veel media gemakshalve Super-EK genoemd, zijn ontsproten uit het brein van mensen die al eerder dit verdienmodel met ‘succes’ hebben geïntroduceerd, zoals de Champions League in het voetbal. Een toernooi waarin overigens uiteindelijk steeds meer de rijkste clubs winnen, waardoor veel voetballiefhebbers afhaken omdat hun eigen, lokale club niet meer kan wedijveren met de multinationals.

Hoezeer ik geïnteresseerd ben in welke sport dan ook, die tsunami voelt als een overtollige maaltijd waarin ik het onderscheid tussen gezond en ongezond niet meer kan zien en voelen. Het risico van te veel vet, te veel suikers, te veel gemanipuleerd voedsel dreigt. Verzadiging steekt de kop op, obesitas ligt op de loer. Ik word te dik, ziek en moet leren het overdadige voedselaanbod te weerstaan en de uitpuilende vakken bij de supermarkten te negeren. Kiezen wordt me te moeilijk. Ik heb het gevoel dat het me allemaal genadeloos en meedogenloos door de strot geduwd krijg, te zwak geworden om nog iets over of áf te slaan.

Mijn immuunsysteem is verstoord geraakt. Ik moet andere wegen en middelen vinden, wil ik niet geconfronteerd worden met een ernstige ziekte waar nog geen geneesmiddel voor gevonden is. Ik moet me afzonderen, wil ik niet aangestoken worden door dit virus. Dus, even geen televisie en radio aan en niet meteen de sportpagina’s opslaan. Weg van de media- en marketingwereld die mij ziek maakt, weg om de andere dingen in mijn leven, mijn geest en mijn lichaam te laten ontplooien. Er is vast veel meer om van te genieten, iets dat mij meer en langdurig kan verrijken

EK zwemmen

Mijn dilemma is dat ik van sport houd, zoals ik van ‘lekker’ eten en drinken (junkfood, vlees, vet, suikers en alcohol) houd. Om me tot de sport te beperken: veel wieleronderdelen fascineren mij, van de meeste atletieknummers kan ik genieten, voetbal kan mij diep raken, turnen, zwemmen en zeker en vooral golfen laten mij niet onberoerd. Niet alleen die sporten zelf, maar ook de uitblinkers (en verliezers) oefenen een grote aantrekkingskracht op mij uit. Hoe sporters omgaan met winst en verlies, boeit mij. In de sportpsychologie verdiep ik mij graag. Maar alsjeblieft, niet alles tegelijk.

Lieve marketeers, bondsbestuurders en media, kan het wat minder? Ik verlies mijn interesse – en mogelijk ik niet alleen. Niet alleen topsport, graag, lieve media. Niet alleen de prestaties (of teleurstellingen) van topsporters, die deelnemers aan die grote, massale evenementen, vastleggen en becommentariëren. Laat dat aan populistische media over – ach ja, brood en spelen. Maar er is meer in de sportwereld dan medailles en titels. Wat is er zo mooi aan sport, waarom doen mensen aan sport – waarom niet? Waarom is sport overal? Dat levert interessante inzichten en verhalen op, weet ik uit ervaring.

De internationale sportkalender raakt vol. Hij wordt voller, steeds voller. Mede daarom ontgaan mij steeds meer wedstrijden en prestaties. Het is mogelijk ook frustrerend voor de betrokken sporters zelf omdat ze door het overtollige aanbod aan sporten minder aandacht krijgen. Want daar doen de meesten het toch voor? Om aandacht te krijgen: kijk mij eens, een titel; zie mij eens goed zijn; kijk mij eens in de hemel zijn; kijk mij eens verdrietig zijn!

Het verzadigingspunt dreigt. Hoe sport ook boeit en mensen tot inzicht en verdieping kan brengen, te veel is te veel. Jaren geleden werd ik in het radioprogramma Kunststof door interviewer Frénk van der Linden gevraagd naar aanleiding van een vraaggesprek over mijn boek ‘Sportportretten op maandag’ een tegeltjeswijsheid te formuleren. Ik schreef op een tegel: ‘Te veel sport is ongezond’. En zo is het voor mij nog steeds. Ik trek me terug of probeer in ieder geval mijn nieuwsgierigheid en inspanningen te doseren. Zoals een topsporter: niet elke dag pieken.

Vanavond maar eens een boek en vroeg naar bed. Want rust in mijn hoofd schijnt echt gezond te zijn. Even geen prikkels. Als er een overwinning of een titel is behaald, lees ik het wel op de sociale media of hoor ik het via de tamtam.

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.SportenStrategie.nl

Voelen dat er meer is dan het monotone dagelijks leven

7 jun

Floodlights

Uit april 2016, over Instinct

Wanneer ik ’s avonds een dorp passeer word ik altijd getroffen door lichtbundels, die ergens boven de huizen schijnen. Aangetrokken als door een magneet voel ik het: daar is een sportpark. Ik kan de lichtbundels in de verte niet negeren. Zo vergaat het mij ook wanneer ik in een vliegtuig zit en me klaar moet maken voor de landing. Zwevend door de lucht zoek ik onbewust naar een stadion. Ik zie lichtmasten, ik zie ronde gebouwen met een gat erin: ja, dat is een stadion! Van welke club zou hij zijn? En dan speur ik mijn herinneringen af. Ja, inderdaad dat moet dát stadion zijn.

Hoewel ik mij steeds meer afwend van voetbal in het bijzonder en sport in het algemeen, krijg ik die aantrekkingskracht na 40 jaar sportjournalistiek niet uit mijn systeem. Noem het mijn instinct, mijn zesde zintuig, voelen dat er iets is, dat het mij iets oplevert wat ik vroeger zo innig heb beleefd. Vroeger was het vooral nieuws, nu nog steeds: dat er wordt gesport.

Een stadion oefent aantrekkingskracht uit. Het is een plaats waar mensen met elkaar willen zijn om samen te geloven in het aanstaande geluk. ‘Wat hebben de mensen nog naast dat voetbal?’, vroeg predikant en (Ajax)voetballiefhebber Klaas Vos zich laatst in de Volkskrant af. ‘Niks. Dat is eng. Net als mensen die de hele week alleen de kerk hebben. Dat wordt ook van niemand gevraagd. Neem eens een break in de tijd, door even op te houden. Neem ruimte voor de leegte.’

Leegte schept ruimte, biedt openingen. Maar mogelijk is het de ruimte die mensen angst inboezemt. Liever houden ze zich vast aan amusement, aan sport en dan vooral aan voetbal. De Groningse mediasocioloog Peter Hofstede zei: ‘Aan de voetbalgekte kun je zien hoe huiveringwekkend het vacuüm is waarin de mensheid verzeild is geraakt. De verbondenheid met collectiviteiten die vroeger hun eigen normen en waarden hadden en een stempel zetten op de manier van leven is zeer gering geworden. Niettemin moet er een formule zijn waardoor je kunt belijden dat je toch ergens bij hoort, want anders ben je nergens.’

Samen toekijken, genieten, schelden, lijden. Als het niet in een stadion is, dan in een café met een ultragroot beeldscherm of thuis met de knop ‘stadionvolume’ voluit. Bij voorkeur samen, ondergedompeld in de anonimiteit van het collectief. Daarin kun je sneller en heviger je emoties uiten dan in het normale leven. Je als individu uiten maakt je kwetsbaar. Voordat je het weet heb je een knal voor je kop.

Gumbrecht

Hans Ulrich Gumbrecht

Misschien is het wel instinct dat ons naar een stadion drijft. De Duits-Amerikaanse filosoof/socioloog Hans Ulrich Gumbrecht schrijft in Lof van de Sport: ‘Waar het in de sport om gaat, is dat je erbij bent op het moment dat het gebeurt, het feitelijke moment dat in jouw directe aanwezigheid bepaalde lichamelijke vormen ontstaan.’ Als er zoveel aandacht naar sport uitgaat moet ik er wel bij zijn om mee te tellen.

Mijn dilemma als sportliefhebber ontstond toen mij als sportjournalist werd verweten dat ik ‘dom’ en ‘onnozel’ was omdat ik schreef over sport. Aan de ene kant was er mijn liefde voor sport, aan de andere kant was er die aandrift bij de ‘wijze’ mensen te horen. De mensen die vanuit hun intellect meenden dat je je niet met aardse activiteiten als sport dient bezig te houden. Je moest studeren, professor worden in de ‘hogere’ wetenschappen.

Waar wilde ik bij horen? Ik weet het nog steeds niet. Mijn dilemma heeft me ertoe gebracht dat ik mij voor de achtergronden van sport ben gaan interesseren. Waartoe dient sport? Zo raakte ik in een stadion vol duizelingwekkende emoties vaak het spoor bijster. Ik kon niet meer als individu genieten van wat ik zag en voelde. Ik voelde me overmand door de eenzijdige smaak en de blinde verafgoding – nog los van het geweld en geluid dat over mij heen kwam. Ik werd steeds angstiger, bang voor de oerdriften die rondom mij loskwamen. Meermalen heb ik in tranen een stadion verlaten.

Ik ben bang geworden voor mijn instinct. Ik wil zo graag genieten van het leven, van de dingen die aan emoties raken, maar ik doe het liever in mijn eentje. In stilte. Dan heb ik van niemand last. Niemand die mijn genot in twijfel trekt. Niemand die het mij kwalijk neemt als ik huil om een overwinning, een nederlaag, een actie die mij diep raakt.

Langzaam begin ik te begrijpen waarom mensen door sport worden geraakt. Vooral waarom ze fanatiek worden in hun honger naar de ultieme gelukbeleving. Het is hun instinct. Hun zesde zintuig. Ze voelen dat er meer is dan hun monotone dagelijks leven. Zonder sport dreigt leegte, geen houvast. Zie maar eens te leven in leegte. Een leven in volmaakte vrijheid. Dat is moeilijker dan je denkt, zeker als er een dag zonder sport is.

Geplaatst op http://www.800woorden.nl/instinct op 1 april 2016.

Zwijg, open je, luister naar de stilte en voel: laat je raken

3 jun

forest Gedrieën liepen we ’s nachts het bos in, mijn vriend Marius, zijn hond en ik. Het was stil. Alleen ik babbelde wat. Waarom? Angst? Of gewoon omdat samen wandelen niet gezellig is als je niet met elkaar praat. Hier en daar hoorde ik wat ritselen, dat wel. Maar ik was toch meer met mezelf bezig, met mijn gebabbel.

Onverwacht stond mijn vriend, die al die tijd had gezwegen, stil. Hij trok aan zijn sigaretje en zei: ‘Hoor!’ Hij stak zijn wijsvinger op. Ik hield mijn adem in. Hij ook. De hond stopte met hijgen, deed zijn bek dicht en keek zijn baasje aan. We wachtten een minuut of twee. Ik luisterde. Ik hoorde wind. Een licht suizend geluid. Niets bijzonders.

Maar toch. Het was geluid. Geluid waar ik zelden bij stilsta. Mijn vriend wees mij er op dat er nooit echte stilte is – ook als ik niets denk te horen. Mogelijk omdat ik geen oor heb voor kleine, mogelijk onbetekenende geluiden. Maar ze zijn er wel, als ik er maar voor open staat. En betekenis hebben ze zeker. Dat vergeet ik weleens.

Ik meldde me jaren later aan voor een stiltewandeling in het Amsterdamse Bos. We zouden onder leiding van twee ervaren stiltewandelaars, Lisette Sevens en Thomas van Kleef, samen met nog enkele andere mensen een paar uur zwijgend met elkaar wandelen.

In het begin was het vermakelijk. Mijn vrouw en ik keken elkaar aan en konden nauwelijks een lach onderdrukken. Het zwijgen viel ons met de minuut zwaarder. Het begon hevig te regenen. Boven ons hoofd vlogen vliegtuigen laag af en aan, van en naar het nabije Schiphol. Daar viel wat over te zeggen, maar we bleven zwijgend doorwandelen.

Soms kregen we een korte pauze, waarin we onze ervaringen mochten delen. Hoe het beviel. Waarom niet? Waarom wel? We passeerden een gedenkteken, het Dachaumonument, bleven staan en keken zwijgend naar de opschriften en namen. Ik ontdekte een fout, wilde dat met de anderen delen, maar deed er het zwijgen toe. Hoe moeilijk was dat? Hoe moeilijk was het sowieso te zwijgen op een plek die sterke emoties opwekt?

We wandelden door, zwijgend. De regen viel met bakken uit de hemel. Boven ons hoorden we het lawaai van vliegtuigen. Het leek wel oorlog. Mogelijk omdat we zwegen kwamen het lawaai en de neerplenzende regen harder aan dan gewoonlijk, als we wel met elkaar praten. Ik weet het niet. Zo voelde het wel. Toch hoorden we uiteindelijk het lawaai niet meer. Gewenning? Ik weet het niet. Wat ik me herinner is dat mijn vrouw na afloop van de wandeling begon te huilen. Het bezoekje aan het Dachaumonument had haar geraakt. De ontroering had ze ingeslikt en pas enige tijd later kunnen uiten. Ook dat kan stilte met je doen.

Intussen ben ik gewend geraakt aan stilte. Aan samen de stilte ervaren en het gevoel niet hardop met elkaar te delen. Ik mediteer samen met anderen in stilte. Ik wandel samen met anderen in stilte. En elke keer ervaar ik dat stilte me dichter bij mezelf brengt. Ik hoor niet alleen méér, ik voel wat het met me doet. Hoe en waar het me raakt. Niet dat praten met anderen niet aangenaam is, maar alleen zijn met mezelf, mijn gevoel alleen met mezelf te delen, dus niet te uiten (naar buiten gooien) geeft me meer inzicht in wie ik ben en wat ik voel.

Is dat wat mijn vriend Marius me destijds wilde leren? Hij is overleden. Ik kan het hem niet meer vragen. Laat staan hem te danken voor wat hij mij wilde duidelijk maken: praat nou eens niet, luister gewoon. En voel, laat je raken!

Guus van Holland is vriend van de sangha Shambhala Leiden

Deze enigszins bewerkte column is gepubliceerd in de zomereditie van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Joost Steenkamer wil alleen nog als een kunstenaar golfen

29 apr

Joost


Foto: Golfers Magazine

Joost Steenkamer is net terug van een driedaagse retraite in Drenthe, met tien andere mannen én een sjamaan. Het kruid dat hij daar kreeg aangereikt en in de vorm van thee tot zich nam, gloeit nog na in zijn systeem. Gisteren voelde hij het effect nadrukkelijk: ‘Ik was heel erg in het hier en nu. Geen afleiding, gewoon dit. En niet ook dat. Het is als met meditatie. Je kunt gaan zweven, dromen en hopen. Maar je kunt ook zitten, met je ogen open en gewoon kijken naar wat er is. En dat is gewoon goed. De boog kan niet altijd gespannen zijn, ook in de wedstrijd niet.’

Het gesprek zou over golf moeten gaan. En daar gaat het ook over, maar dan dieper, analytischer, hartgrondiger, kwetsbaarder en menselijker. Elke zenuw krijgt aandacht. Het gaat niet zomaar over het spel, de techniek, de talrijke toernooioverwinningen die Steenkamer behaalde, over zijn eenmalige deelname aan het Britse Open (in 1997) of over zijn uitzonderlijke golftalent dat hij niet heeft kunnen waarmaken of succesvol heeft kunnen afronden. Over de bunkerblues, de klaagzang van iedere golfer. Als Joost Steenkamer zijn hart lucht en zijn hersens en zijn ziel de vrije loop laat, besef je niet alleen dat golf ‘best een heftig spelletje’ is, maar dat het meer kan doen met een gedreven speler dan wordt verondersteld. The rise and fall zoals die van Tiger Woods en al die andere golftalenten kent veel ervaringsdeskundigen.

JK2

De kunstwerken van Joost Steenkamer

Buiten, in zijn tuin, hangt boven een schutting aan een vanaf de buren overhangende boomtak een netje. Ongeveer tien meter daarvoor liggen balletjes op een matje klaar om geslagen te worden. Het stilleven staat symbool voor het proces dat Joost Steenkamer doormaakt. Buiten lonkt het verleden, binnen praat een zoekende man van 51 jaar over het heden, het waarom van aanwezig zijn, over de verleidingen en over zichzelf vinden. Het boekje ‘Bedankt voor het Spelen – over inspiratie, gemoedstoestand en succes’ dat hij in 2009 schreef, blijkt een opmaat voor zijn worsteling die hij hier (in zijn huis) en nu probeert te verklaren. Het is alsof golf hem de ogen (zijn hart en zijn hoofd) heeft geopend. Er is altijd meer! Maar waarom toch?

Soma (een ayurvedisch stofje in het kruid dat hij van de sjamaan kreeg aangereikt) leert je dingen, zegt Steenkamer. ‘Het haalt iets bij je weg, bij je pijnappelklier. Klieren hebben veel invloed op je waarneming en het bewustzijnsniveau. De waarneming wordt scherper. Die laat je dingen zien. Zoals de vrouwelijke kracht die in je huist, naast je mannelijke kracht. Aanvaard wat in je zit of er niet in zit. Het dient zich wel aan, je hoeft het niet na te streven. Zoals: kom op, nog eens 25 jaar golfen, tot je met pensioen gaat, wie weet ga je nog beter een bal slaan. Niet dus. De vraag is gewoon: wat wil jij? Net als met die slang met kundalini-yoga, die wil niet voortdurend zijn kop opsteken, die wil ook weleens gaan liggen. Die wil terug naar zijn oorspronkelijke energie. Omdat hij dat wil, terug liggen. Het is vooral doen wat je leuk vindt. Al is het niks.’

Nee, golfen was niet écht leuk. Het was een worsteling, een gevecht met en tegen zichzelf. Wie zijn boek leest huivert of vindt herkenning. Van de Nederlandse sportpsycholoog Jan Huijbers, de Belgische meridiaantherapeut en acupuncturist Wouter Abraham, taoïsme, tai chi, kung fu, hatha yoga tot NLP (Neuro Linguïstisch Programmeren), SW (Systemisch Werken), OGW (Oplossingsgericht Werken), nichiren daichonin-boeddhisme en sjamanen. In al die ‘oplossingsmethoden’ is hij bedreven geraakt – hij volgde onder andere een opleiding als Hatha Yoga Teacher en heeft een diploma in Sports NLP-Hypnosis Psychology. Maar hij is nog steeds niet bedreven genoeg. Wat huist toch in zijn ziel? Waar treft hij zijn ware ik, de slang in zichzelf die zijn kop opsteekt en weer gaat liggen als hij dat zelf wil?

Altijd al was hij geïnteresseerd in Indiërs, de cultuur van India. Hun vormen van zoeken. ‘Allemaal via het centreren, het openen van de holte in je wervelkolom. Daar zit voor mij je core. Je stuitje, contact met de aarde, tot voorbij je fontanel. Als baby staat je fontanel open, maar bij ons westerlingen groeit hij dicht. Met dat medicijn, het soma, kwam ik dingen tegen. Zoals, dat ik ooit was gevallen op mijn stuitje. En dat er dan iets kan gebeuren waardoor je energie niet verder kan groeien. Daar kwam ik achter in die trance, tijdens de retraite. Het was me aangeraden door Bouke de Boer, oprichter van het trainingsinstituut NLP. Hij wist dat het wel iets voor mij was. De sjamaan vertelde over de vijfde dimensie. We moeten voorbij het oordelen, gewoon zelf voelen.’

JK1

Kunstwerken van Joost Steenkamer

Op een gegeven moment gaat het lichaam iets vertellen, weet Joost Steenkamer. ‘Ik heb het Brits Open gespeeld, 15 keer het KLM Open en wat Nederlandse toernooitjes gewonnen. Allemaal leuk en aardig. Maar ik heb de lat vrij hoog gelegd. Ik heb op mijn 47ste niet gehaald wat ik wou, en ik ben nu 51. Ik heb het niet gehaald, niet op die manier. Maar ik weet: er zit nog een major-overwinning in mij, bij de seniors. Ok dus, wat ga je daarvoor doen? Mijn techniek was altijd kansloos, kut. Ik heb alleen op wilskracht gegolfd. Sommigen noemen het werkgolf. Het was niet mooi. Die bal moest en zou in zo min mogelijk slagen in de hole. Maar die batterij loopt zo wel langzaam leeg. Omdat je eigenlijk alleen maar werkt.’

Steenkamer wipt van zijn ene bil op zijn andere. Zijn handen vertellen een verhaal, zijn mond staat niet stil: onrust, rusteloosheid. Het moet eruit, hij moet en zal het overbrengen. ‘Begrijp je dat? Gelukkig, je herkent het. Fijn.’

Zo vertelt Steenkamer dat hij werd gevraagd als coach voor de Nederlandse Golf Federatie. Steenkamer deed het tien jaar. Maar ja: traditie, golf zoals het hoort, begaanbare paden. Het was niet wat hij ‘diep van binnen’ wilde. Misschien de Senior Tour, maar dat kon pas na zijn vijftigste. Hoe overbrug je die periode? Er kwam maar niks.

Joost ging mediteren. Hij kwam in contact met het nichiren daichonin-boeddhisme, waar enkele andere (ex-)topsporters ook in belandden, zoals vechtsportster Lucia Rijker en voetballer Roberto Baggio. Voortdurend chanten, zoals: namu myöhö rengekyö. Een harde manier van boeddhisme beoefenen, vindt Steenkamer. ‘Er kwam via Facebook een oude vriend op mijn pad, met wie ik in Amerika had gestudeerd. Ik leerde daardoor veel van wat sport betreft: in plaats van dat we eerst met onze voeten over de lat gaan, gaan we me ons hoofd over de lat.’

Steenkamer realiseerde zich dat hij als mens geen machine is. Het is altijd een gok. Hij herinnert zich enkele lezingen op De Haagsche, De Kennemer, De Rosendaelsche en andere golfclubs. ‘Ik stond daar te vertellen dat geen impact hetzelfde is, dat je er honderden keren acht uur per dag op kunt oefenen, dat elke teaching pro of coach je vertelt hoe het moet, maar dat ik in 25 jaar professioneel golf nooit vertrouwen heb kunnen krijgen in welke blauwdruk dan ook. Elke teaching pro zegt iets, het is bij iedereen anders. Het slaat allemaal nergens op. Niemand reageerde, het was doodstil. Dat is toch niet erg beleefd naar een gastspreker? Eén collega kwam naar me toe en zei: Dit is dus het einde van coachen. Ja, antwoordde ik, misschien.’

Hij wist het niet meer. ‘Ik kwam in een burn out terecht. Ik ben echt ziek geweest. Zwaar depressief. Ik kon helemaal niks meer. Overal een branderig gevoel. Ik zat hier op de bank naar tv-series te kijken. Dat zegt mijn dochter, ik weet er niks meer van. Ik was lam en blind, bevroren. Ik kon geen kant meer op. Ik was gewoon leeg, zwart leeg. Wel eng. Geobsedeerd door de dood, ook door een neef die zelfmoord pleegde. Ik zat in een hele lage energie. Ik zei tegen mezelf: zeg ja tegen dat verhaal in je hoofd en je lichaam, ga er dieper in. Het werd steeds enger. Ik kon niet meer slapen. Dat heeft anderhalf jaar geduurd, tot mijn 51ste. Toen kwam het bij me op: ik ga nog één keer proberen me te plaatsen voor de Senior Tour. Dat was drie maanden geleden. Ik moest toch ergens geld mee verdienen. Op de PGA Holland Tour kun je geen boterham verdienen. Er waren vijf plaatsen voor 250 gasten. Het was in Portugal, ik ging met Alan Saddington. Na zes rondjes moest ik op de laatste hole een hole-in-one halen om mijn kaart te halen. Mislukte. Eigenlijk zei het universum: nee, je zit niet in het veld, jij hebt geen bestaansrecht, jij kunt geen toernooien spelen. Dan maar terug naar de Challenge Tour? Kom op zeg. Dat heeft nooit goed gevoeld. Steeds maar met een sponsor lopen. Je geeft het geld alleen maar terug. Nee, niet doen. Dat wordt een kwelling.’

Hij en Saddington zaten in Portugal op het terras naast de achttiende hole te kijken naar al die binnenkomers. ‘Alan zei: je moet ervan houden, tachtig procent van je tijd ben je jezelf aan het martelen. Zo is het. Je moet een autist zijn, schizofreen. Het is 90 procent shit. De slagen gaan niet zoals je wilt. Ik zag laatst Phil Mickelson winnen, voor mij een goeroe. Vijf jaar niks winnen en dan ineens weer wel. Veel mensen zijn dromers: je wilt winnen. Dat is je ego. Ik dacht: wat doe ik hier nou, een beetje tegen een balletje slaan, wat is de toegevoegde waarde? Helemaal naar Portugal, je neemt je caddie mee, verblijft daar in een mooi huis. Waarom, voor wie, voor je gezin, voor de samenleving?’

Zijn ervaringen lopen door elkaar, de verwarringen over zijn nabije verleden zijn nauwelijks te overzien. Nergens was er licht. Iemand vroeg hem of hij les wilde geven. ‘Wat nou? Ik? Ik was zo nerveus bij die eerste les, man, man. Ik stond te trillen als een rietje. Ik had nul grounding, maar niemand zag het aan mij. Mensen zeiden dat ik het zo goed deed. Het deed me niks, helemaal niks. Ik was niemand. Dit was zeker ik niet.’

Steenkamer meldde zich bij uitzendbureau Randstad en kwam daar een vrouw tegen die de oud-hockeysters Sylvia Karres en Arlette van der Meulen goed kende. Zij beheren het instituut De Sportmaatschappij, waar oud-sporters kunnen leren hoe ze na hun sportieve carrière (verder) kunnen leven. Hij werd uitgenodigd voor een workshop. En daar zei een gepensioneerd headhunter, zelf een golfer die vaak van de golfer Steenkamer had gehoord: Joost, je bent een ambachtsman. ‘Ambacht? Inderdaad, ik was vaak met mijn handen bezig, ik klooide veel en graag aan mijn clubs. Dat vond ik altijd leuker dan het golfen zelf. Langzaam begon het kwartje te vallen. Tijdens mijn zoektocht had ik door Kung Fu al kennis gemaakt met de elementen water, hout, metaal, vuur en aarde. Zou dat echt in me zitten? Mijn handen moesten leven, niet mijn hoofd.’

JK3

Een kunstwerk van Joost Steenkamer

Hij ging schilderen, verfwerk eigenlijk, binnen en buiten. ‘Als je een goede schilder wilt zijn moet je ook met hout kunnen werken, je moet je ondergrond kennen: metaal, kunststof, daar kun je heel erg in verdiepen.’ Zo ontstond zijn eenmansbedrijfje ‘De Swingende Kwast’. Verdiende hij tenminste nog zijn boterham.

Nog steeds doet hij dat graag. Maar er is meer. Binnen in hem ontdekte hij zijn creativiteit, dingen die hij echt leuk vond. Kunst maken dus, zich uitdrukken, zijn gevoel uitbeelden. Hans van de Bovenkamp, een 85-jarige sculptor die in de Verenigde Staten woont, liet hem een kunstwerk van steen zien met de tekst: What you seek is seeking you. Dat was het dus. Kunst maken, helemaal vanuit jezelf werken. Kunst zocht en vond Joost Steenkamer.

Hij kan niet wachten om zijn nieuwe levensinvulling te tonen. Boven heeft hij zijn kamertje. Daar staat en hangt zijn kunst, klaar en niet klaar – er kan altijd wat bij of af. Kunst en boeddhisme, daar ligt nu zijn passie. ‘Soms heb ik een klus. Leuk om dat te doen en ik verdien er geld mee. En af en toe geef ik nog les. Ik kon coach worden. Ik ben in gesprek gegaan en kwam er achter dat daar mijn hart niet ligt. De chemistry is er niet meer. Als je iets in opdracht doet, kan het zo zijn dat het eigenlijk niet meer leuk is. Het moet vanuit je hart komen.’

Dit interview is gepubliceerd in het mei-nummer 2018 van Golfers Magazine

Oud-wielrenner Leo Peelen: Kijk dan papa, wat ik nog kan!

21 apr

Bijna dertig jaar geleden, in september 1988, veroverde hij op de Olympische Spelen als baanwielrenner op het onderdeel puntenkoers een zilveren medaille. Een glorieuze loopbaan lag voor de 20-jarige sportman in het verschiet. Het liep anders. Vijf jaar later stopte hij ermee. Succes en roem konden hem gestolen worden. Het was niet zijn keuze geweest: zo hard mogelijk te fietsen om sneller te zijn dan anderen.

Een paar weken geleden, op vrijdag 24 maart 2017, overleed Leo Peelen. Hij was pas 48 jaar. Na een fietsclinic op de wielerbaan van Apeldoorn, waar hij jongeren op de fiets leerde racen, werd hij onwel. Hevig zwetend strompelde hij de baan af, nam in het sportcafe een drankje en zocht vervolgens naar het toilet.

Pas uren later misten ze hem. Zijn auto stond op het verder verlaten parkeerterrein. Op het afgesloten toilet vonden ze hem: dood. Vier jaar had de in gewicht toegenomen sportman van weleer niet op een wielerbaan gefietst, zo lachte hij nog kort voor zijn dood. Hij besloot weer eens lekker voluit te gaan, één rondje maar, 250 meter.

Mogelijk werd de overmoedige explosie van de kampioen van weleer hem fataal.

Een vriendelijke reus. Ontspannen, altijd anderen bemoedigend toesprekend. Een lieve man die al op jonge leeftijd meende dat hij wist hij wilde, hard fietsen. Maar nauwelijks was hij zijn adolescentie ontgroeid of hij wilde niet meer harder dan anderen fietsen. Al snel besefte hij dat het succes waar anderen hem om bewonderden, niet zijn succes was.

Een jaar na de olympische glorie, een tweede plaats die aanvoelde als een triomf, werd hij derde op de wereldkampioenschappen in Lyon. Maar ergens in zijn hoofd had Leo al een stemmetje gehoord dat hij er niet voluit voor was gegaan. ,,Alsof ik onbewust een excuus inbouwde voor als ik niet zou winnen.’’

In psychologische termen kan dit fenomeen self-handicapping worden genoemd. Uit een gevoel van faalangst excuses inbouwen om achteraf te kunnen verklaren waarom je hebt verloren. Of dat het geval was bij Peelen, wist hij toen nog niet. Een vorm van afweer was het zeker. ,,Mijn lijf en geest protesteerden. Onbewust deed ik een test: kijken hoe mensen reageren als ik niet win. Ik had iets bereikt, zilver in Seoul, en dat had me niet gegeven waar ik van droomde. Ik ben gestopt. Ik voelde dat topsport – een medaille, een plaats bij de wereldtop – mij niet zou geven waar ik als jongetje naar had verlangd.’’

Verlangen. Het begrip is gevallen. Dat was ook voor mij de reden geweest voor een gesprek met Leo Peelen, ruim twee jaar geleden. In een kort interview op de radio had hij iets van zijn proces verteld. Mijn vrouw en muze Maddy hoorde het aan en meende iets te herkennen in wat mij al jaren dwarszat, resulterend in een paar burn-outs, uiteindelijk zelfs in een vervroegd pensioen.

Wie wilde zo graag dat ik succesvol was? Ikzelf? Wie dan wel? Was het mijn vader? Ben ik wel mijn eigen weg gegaan?

Het gesprek schiep verwarring. Ik kon het niet opbrengen Leo’s verhaal op te schrijven. Te confronterend. Dit zou dus ook mijn verhaal kunnen zijn.

Leo Peelen (links) op het erepodium

Leo vertelde me dat hij na zijn sportsuccessen op een dwaalspoor was beland. Tastend naar het onbestemde. Zeg maar: het zwarte gat. Waarom had hij zo hard moeten fietsen, harder dan anderen? Wat wilde hij daarmee bereiken? Ineens voelde hij dat de waardering voor hem als méns niet gold. Geen succesvol wielrenner, dan ook geen goed mens. Geen succes, geen aandacht, dan ook geen bestaansrecht. Twee (!) huwelijken, met twee kinderen, hielden het niet uit. Wat was er met hem gebeurd? Na een zoektocht van jaren legde een jonge vrouw (Froukje), met wie hij zijn leed en verwarring durfde te delen, een boek op tafel: ‘De herontdekking van het ware zelf’ van Ingeborg Bosch, een psychotherapeute die een methode (Past Reality Integration) had ontwikkeld die je terugvoert naar je jeugd, naar de manier waarop je ouders je hebben geconditioneerd.

Het was voor Leo een openbaring, die hij nu iedereen (vooral verwarde topsporters die tijdens en na hun loopbaan de oorzaak van hun opgedrongen drijfveer durven ontdekken) toewenste. Hij voelde in therapiesessies de pijn van vroeger. Zijn vader, een fanatiek wielrenner, ging altijd fietsen met zijn broer.

Hij kreeg wél aandacht, Leo niet.

Toen bedacht Leo: als ik nou ga fietsen, geeft mijn vader mij (ook) aandacht. En als ik heel hard fiets, krijg ik de meeste aandacht. ,,Ik deed het gewoon om gezien te worden door mijn vader. Mijn vader moest me zien. Alles heb ik gedaan om gezien te worden door de mensen die mij dierbaar zijn. Doen we dat niet allemaal? Gezien worden door mensen die symbool staan voor je ouders? En wat als je ouders er niet meer zijn. Of als mensen je niet meer zien staan. Dan voel je je in de steek gelaten. Dan moet je het zelf doen, zonder de symbolische ouders. Eenzaam en alleen voel je je dan. Sterker: je zoekt naar ouders die er niet zijn. Je denkt volwassen te zijn. Maar je moet het zelf doen. En dat kun je niet. Dan val je om. Wat nu?’’

leo

Leo Peelen recent

Het volgende gesprek, een jaar later kort na de Olympische Spelen van 2016, verliep voor mij beter. Met zijn vriendin Froukje zaten we urenlang op een Arnhems terras. Na een jaar PRI-therapie was mij veel duidelijk geworden, zeker ook over mijn eigen proces. Ik had mij intussen ook laten voeden door reacties van de winnaars en verliezers – vooral op de Olympische Spelen. Bijna vanzelfsprekend kwam het proces van turner Yuri van Gelder aan de orde – en niet in de laatste plaats zijn verbanning uit de olympische ploeg. Wat dreef hem al vanaf zijn jongste jeugd om groot en sterk te worden? Een olympische medaille te veroveren als grootste trofee. Wie waren zijn ouders? Wat wilde hij (tegenover hen) bewijzen? Uit wat voor milieu komt hij? Wil hij aantonen dat hij meer is dan de ‘minderwaardige’ en vooral kleine jongen?

We kwamen er niet uit omdat we Yuri en zijn achtergrond te weinig kenden én hem niet bij voorbaat wilden veroordelen. ,,Hopelijk krijgt die jongen de juiste begeleiding om ervan te doordrongen te worden waarom hij zo is geworden en waarom hij buitensporig gedrag is gaan vertonen. Verslavingsgedrag, verslaafd aan aandacht en euforie? Ik heb wel een vermoeden en zou hem daarom mogelijk kunnen helpen met mijn PRI-therapie-ervaring. Maar dat is vooralsnog niet aan mij’’, zei Peelen in augustus vorig jaar.

Leo Peelen werd ook geraakt door een uitlating van zwemster Ranomi Kromowidjojo: ‘Ik hoop dat mijn ouders nog één keer trots op mij kunnen zijn.’ Voor wie heeft ze al die jaren gezommen? Voor zichzelf of voor haar ouders die haar altijd gesteund hebben, sterker misschien: aangemoedigd? En dan verliest ze, althans ze wint niet. ,,Stelt ze dan haar ouders teleur of zichzelf? Hoe gaan haar ouders daar mee om? Dat is mijn vraag. Vanzelfsprekend zullen ze haar niets verwijten. Maar misschien voelt ze haar nederlaag wel als een schuld. Ik heb het voor mijn ouders gedaan. Heb ik het wel voor mezelf gedaan? Dat zijn grote vragen.’’

Dat gevoel van verplichting om je ouders te plezieren, kan verregaande gevolgen hebben. In het Amerikaanse tijdschrift Sports Illustrated werd al in 2003 in een artikel (Prisoners of depression) gewag gemaakt van winnaars die na hun triomf in een diepe depressie raakten, tot aan zelfmoord toe. Winnaars die op het erepodium geen emotie vertoonden, bevroren, niet beseffend waarom ze daar stonden. Mogelijk omdat hun ouders (soms onbewust) die prestatie hadden geëist. Dat bleek, zo vertelt het artikel, uit psychiatrische onderzoeken met betrokken sporters. De jacht op goud kent meer slachtoffers dan bekend wordt, mede uit overwegingen van privacy en medische beroepsgeheim – ook in Nederland.

Andre Agassi

Leo Peelen en ik stuurden elkaar berichtjes wanneer weer een topsporter herkenbaar gedrag vertoonde. We kwamen op oud-tenniskampioen Andre Agassi die in 2009 in zijn autobiografie Open schreef dat hij tennis haatte al vanaf hij op zijn derde jaar door zijn vader de tennisbaan werd opgestuurd. Al vóór zijn geboorte stond voor zijn vader vast dat Andre de beste van de wereld zou worden. Na 22 jaar en 22 miljoen slagen met zijn racket kreeg zijn vader gelijk. Agassi had Wimbledon gewonnen. Maar hijzelf wist zich geen raad met zijn gevoelens. Hij had nooit de kans gekregen zijn eigen levensvervulling te kiezen. Hoewel miljoenen fans hem adoreerden, haatte hij tennis. ‘Ik heb altijd gespeeld om mijn vader te plezieren.’ Andre had vaak willen stoppen, maar durfde dat niet tegen zijn vader te zeggen. ‘Iedereen was thuis blij als ik won, want dan was mijn vader te genieten. Tennis werd mijn vijand.’

Toch kampte Agassi met gevoelens van loyaliteit. ‘De inzet was hoog, omdat mijn vader liet blijken dat ik zijn laatste en beste hoop op succes was. Het leverde plichtsbesef op (…) Het is onredelijk van een kind te verwachten dat hij kan omgaan met zulke complexe emoties.’ Andre had geluk (mede dankzij Steffi Graf, de Duitse tenniskampioene, op wie hij verliefd werd ook omdat zij aanvoelde wat hij doormaakte) dat hij rond zijn 27ste een eigen identiteit ontwikkelde na een diepe identiteitscrisis waarin hij zijn toevlucht vond in harddrugs (onder andere cocaïne).

Golffenomeen Tiger Woods werd door zijn vader Earl The chosen one genoemd. De kleine Eldrick (koosnaam Tiger) moest en zou een kampioen worden, vooral de eerste zwárte golfkampioen. Tiger kreeg op zijn derde een golfclub in zijn handen en sloeg er al gauw – tot grote bewondering van vooral zijn vader – mee als een kampioen. Earl (een oud-vietnamstrijder), de man die zijn zoon van jongs af aan had gemaand te doen wat zijn vader hem adviseerde, overleed in 2006. Tiger was al een beetje in verwarring door zijn roem, scheidde van zijn vrouw, maar stortte na de dood van zijn vader echt ineen. Nog altijd weet hij de weg niet. Hij (nu 41) valt van de ene mentale crisis en lichamelijke blessure in de andere, mogelijk ook omdat hij in zijn poging terug te keren aan de top boven zijn ‘natuurlijke’ krachten gaat.

Bjarne Riis op weg naar de eindzege in de Tour de France van 1996

De Deense winnaar van de Tour de France van 1996, Bjarne Riis, bekende eerst dat hij gedurende zijn wielerloopbaan veel doping had gebruikt, zeker tijdens zijn triomf in 1996, en vervolgens dat hij na zijn bekentenissen (en onthullingen van de renners die hij als ploegleider onder zich had) in een zware depressie was beland. Toen hij in 2007 was afgekickt van zijn hang naar overdrive, overleed zijn vader en kort daarna zijn moeder.  Hij vertelde op de Deense tv-zender DR1: ‘Ik heb een enorme bagage vanaf mijn jeugd meegevoerd. Ik had altijd het gevoel dat ik iets moest bewijzen. Ik moest winnen, ten koste van alles. Daarin ben ik te ver gegaan. Ik ben door een zwaar proces gegaan toen ik weer clean was. Ik voel me nu normaal, volwassen. Zelfstandig. Maar ik voel de drang nog steeds, om paranoia van te worden.’

In de (niet-geautoriseerde) autobiografie Max van de alom bewierookte Nederlandse autocoureur Max Verstappen, stelt de auteur André Hoogeboom: ‘Als het succes van Max Verstappen op enigerlei wijze te herleiden is, dan wel op de invloed van pa Jos.’ Oud-coureur Jan Lammers: ‘Als Jos een groentewinkel had gehad, was Max nu groenteboer geworden.’ Max was 15 toen hij in Italië in kansrijke positie door een ‘kamikazeactie’ een kart in elkaar reed. Met tranen in zijn ogen wachtte hij de reactie van zijn vader af. Die zei dat hij niet met hem wilde praten. ‘Je hebt de race verpest en ik ben er doodziek van.’ Zeven dagen wisselde hij geen woord met zijn puberzoon. Dat mag wreed klinken, veel vaders zouden zich er diep voor schamen, maar precies daar is de basis gelegd voor Maxmania, de kilometerslange Verstappenfiles en in alle media luid bejubelde successen.

Vanuit zijn ervaringen als topsporter met een achtergrond en de herkenning bij bovenstaande voorbeelden, gaf Leo Peelen lezingen en trainingen aan ouders van jonge wielrenners. De Koninklijke Nederlandse Wielren Unie en zijn club RETO uit Arnhem gaven hem daarvoor de gelegenheid, mede omdat hij al acht jaar bekend was met de therapie PRI en daarvoor een opleiding als therapeut volgde. ,,Het gaat bij alles om bewustwording. Als een moeder zegt: ‘Ik heb mijn dochter gezegd dat ze altijd vooraan moet rijden om valpartijen te vermijden’ vraag ik: waarom? Als ze dan valt is het dus de schuld van de moeder. Dus laat haar vallen en zichzelf helpen. Als er dan een vader in de zaal zegt: ‘Dat gelul hoef ik niet te horen’. Dan zeg ik: ‘Ontkenning van behoeften. Je wilt wat van je zoon, vraag jezelf af. Dan zeg ik waarom je dat van je zoon wilt. Projectie, trots, iets wat jezelf niet hebt bereikt. Waarom leg je je kind iets op? Dat kan heel subtiel zijn. Je ziet hem verliezen en laat hem in zijn verdriet. Je ziet hem winnen en dan ga je uit je dak. Dat maakt afhankelijk.’’

Leo Peelen keek graag naar zijn dochter en zoon, die basketbalt. ,,Dan zit ik te kijken en mijn zoon scoort. Mijn buurvrouw op de tribune zegt dan: ‘moet je niet juichen?’ Nee, want ik juich ook als hij niet scoort. Dat klinkt obsessief, maar ik probeer te voelen dat een zoon die scoort niet zaligmakend is, voor hem en voor mij. Ik ben altijd trots op mijn zoon, niet alleen als hij scoort. Dat weet hij intussen.’’

Tijdens zijn lezingen vertelde Peelen zijn verhaal, over de hoop dat hij met zijn prestaties iets (een beloning, iets maatschappelijks, voortdurende waardering) zou krijgen. Over de wil om zichzelf te blijven bewijzen. Nooit zou het genoeg zijn. Nooit zou krijgen wat hij in zijn jeugd heeft gemist, de waardering van zijn vader. Dat wordt in PRI ‘oude pijn’ genoemd, de oude realiteit. Gevoegd bij de angst dat je ‘het’ nooit zult krijgen. Maar als volwassen mens kun je het niet meer voor je vader doen, je doet het voor jezelf. Je kunt het zelf. ,,Weet je dat ik pas 15 jaar na Seoul de zilveren medaille op mijn cv heb durven plaatsen.’’

Hij begreep ouders wel: je hebt alles over voor je kinderen. ,,Maar onbewust kun je ze sturen naar iets wat niet bij hen past.’’ En ook: ,,Een topsporter gelooft niet in therapie, liever niet, want dat zou duiden op ziek zijn. En een topsporter is niet ziek, een topsporter is kerngezond. Dat is het beeld wat in stand wordt gehouden, zeker ook door de sportbestuurders en de overheid. Kijk onze topsporters eens het toonbeeld van volmaaktheid en gezondheid zijn. Daarom moet in de preventieve sfeer iets gebeuren. Lezingen, cursussen en ouderavonden bij de clubs en bonden. En ook op scholen zijn speciale PRI-bijeenkomsten. Wat verwacht u als ouder van uw kinderen? Gunt u ze vrijheid zichzelf te ontwikkelen? Gelukkig zijn er veel kampioenen en medaillewinnaars die plezier beleven aan hun sport en mogelijk daarom zo goed zijn geworden. Maar toch, als straks het plezier ophoudt en de successen uitblijven, wat dan? Wie vangt de gevallen helden dan op?’’

Leo Peelen was een ervaringsdeskundige, een leermeester voor talenten en hun ouders. Voor mij. Nu hij er niet meer is, rijst de vraag wie zijn boodschap overneemt en verder uitdraagt. Dat topsporters, hoe zeer ook aanbeden en bewierookt door hun omgeving en de overweldigende media, beseffen dat ze hun eigen identiteit durven vinden. Zoek naar je ware zelf en laat je niet verblinden door blinkend eremetaal en applaus, dat stilvalt zodra je geen succesvol sportmens meer bent.

Zie ook: Website PRI

Dit artikel is in april 2017 gepubliceerd in Argus, een tweewekelijkse krant geschreven door gepensioneerde journalisten. Lees ook: http://www.argusvrienden.nl/

Beperkte sportmensen verdienen meer aandacht

19 mrt


Ik heb geen seconde gezien van de Paralympische Winterspelen in PyeongChang, die – zo bleek mij – het afgelopen weekeinde eindigden. Ik vraag me af wie er wél heeft gekeken. Het zou me verbazen wanneer de kijkcijfers hoog zijn geweest. Of ligt het aan mij? Ben ik alleen geïnteresseerd in bijzondere prestaties van perfecte dan wel kerngezonde mensen? Zoals veel mensen om mij heen.

Ik zie eigenlijk liever natuurtalenten die alles uit hun uitzonderlijk mooie, atletische lichaam en sterk ontwikkelde geest weten te halen. Geconditioneerd als ik ben (door mijn opvoeding, mijn omgeving en de grote media) dat vooral de bewondering voor de geweldige mens belangrijk is. Zo moet je ook zijn, zo goed moet je later ook worden, alleen een 10 telt op school – dus ook met sport. Met mensen met een zesjesmentaliteit valt niets te beginnen: zwakkelingen, losers. Alleen winnaars tellen mee. Nietwaar?

Vooral de volmaakte mens krijgt waardering. Perfectionisme wordt verlangd. ‘Plusklassen op de basisschool, overvolle gymnasia en speciale programma’s voor superslimme studenten’, zo lees ik in Sir Edmund, de wetenschapsbijlage van ‘De Volkskrant’, ‘de verfoeide zesjescultuur in het onderwijs heeft plaatsgemaakt voor een strijd om hoge cijfers. Maakt dat jongeren ziek van perfectionisme?’

Ook in de sport viert het streven naar perfectionisme hoogtij. Citius, altius, fortius (sneller, hoger, sterker) heet immers het olympische credo. Wie niet wint, heeft niet voldaan aan de verwachtingen. Wie niet van nature sterk en snel genoeg is, ziet zich gauw gedwongen naar middelen te grijpen zoals geavanceerde trainingsmethoden, betere technologie, meer geld, riskante medicijnen en zo meer. Doping in welke vorm dan ook is eenvoudigweg (over)compensatie. Zonder winst geen glorie, geen medaille, geen heldendom, minder media-aandacht, minder kijkcijfers.

In het boek van het voormalige grote Nederlandse golftalent, Joost Steenkamer, ‘Bedankt voor het Spelen’, las ik zijn worsteling om de perfecte golfer te worden. Met behulp van sportpsychologen, meridiaan-therapeuten, goeroes, sjamanen, meditatie- en ademhalingstechnieken, (nichiren daichonin)boeddhisme, taoïsme, de natuur, NLP, Familieopstellingen, Kung Fu- en Tai Chi-meesters probeerde hij amechtig zo goed te worden als Tiger Woods eens was – of gewoon een constant harmonieus mens. Dat lukte hem niet. Het is zoals het is. Zo vertelde hij (52), net terug van een retraite met een sjamaan: What you seek is seeking you. Het lichaam kan alleen waarvoor het bedoeld is, de geest doet alleen wat ze kan – en dat is beperkter dan je verlangt. Het komt zoals het komt.

Ik las in ‘Der Spiegel’ het verhaal van de 33-jarige Duitse 104-voudige voetbalinternational Per Mertesacker die nu, vlak voor zijn afscheid, bekent dat hij voor een wedstrijd na al die jaren nog steeds veel last van misselijkheid heeft, door de druk waar profvoetballers mee te maken krijgen. Wanneer hij eenmaal zijn positie op het veld heeft ingenomen, krijgt hij er last van. ‘De misselijkheid komt vier à vijf seconden voor de aftrap. Elke keer opnieuw. Mijn maag keert zich om en ik krijg het gevoel dat ik moet overgeven. Dan moet ik zo hard slikken dat ik tranen in mijn ogen krijg en bijna moet huilen.’ Hij heeft het, net als veel voetballers, nooit willen toegeven. Van zijn vrienden pleegde doelman Robert Enke (hij was ook international) als gevolg van voortdurende depressies in 2009 zelfmoord. Lees: ‘Een al te kort leven’, de biografie van Enke geschreven door Ronald Reng. Tegenover sportpsychologen in dienst van zijn club zweeg Mertesacker (stoer of bang) altijd over zijn tekortkomingen.

Zo heeft ieder mens zijn beperkingen, ook de sportende mens – zelfs de topsporter. En toch verkeren wij in de waan dat de topsprinters, toprenners, topspringers, topzwemmers, topschaatsers, topturners en topvoetballers door God uit het ‘juiste’ hout zijn gesneden. Dat het geen gewone mensen zijn, maar supermensen, droommensen, bevoorrechte mensen. Modellen zoals onophoudelijk in reclames aan ons worden getoond: zo moet u zijn, zo perfect kunt u worden! Zoals Lionel Messi moet onze zoon kunnen voetballen! Zoveel geld als Messi moet onze zoon verdienen! Onze zoon moet perfecter zijn dan Messi, nog beter, nog talentvoller. Hij moet een alleswinnaar zijn!

Bibian Mentel

Eigenlijk zou ik meer geraakt moeten worden door de verhalen over de strijd die deelnemers aan de Paralympische Spelen hebben moeten voeren om aandacht te verwerven – liefst medailles te halen. Dat word ik nu pas, nu de Paralympische Winterspelen voorbij zijn. Zoals door het gevecht van Bibian Mentel, de Nederlandse parasnowboardster die tweemaal de afgelopen weken een gouden medaille won nadat ze negen keer van kanker was hersteld. De verhalen van zitskiër Jeroen Kampschreur, de parasnowboarders Lisa Bunschoten en Chris Vos, en zitskiester Linda van Impelen. En de gevechten die alle anderen met een ernstige beperking (onvolmaaktheid) hebben moeten leveren. Hun veerkracht, hoe ze hebben geleerd positief in het leven te blijven staan, wat hen dat oplevert naast een medaille of überhaupt deelname aan een kampioenschap of Olympische Spelen.


Zomaar (toeval?) werd ik geraakt (what you seek is seeking you?) door een interview in ‘NRC Handelsblad’ met beroepswielrenner Brian Kamstra voorafgaand aan Milaan-Sanremo. Hij lijdt aan diabetes. Sterker: hij rijdt in een Amerikaanse ploeg met alleen maar diabetespatiënten, Team Novo Nordisk. Alle deelnemende renners van de ploeg voltooiden afgelopen zaterdag Milaan-Sanremo, de snelste werd 65ste, de Spanjaard David Lozano, 2 minuut 23 achter de Italiaanse winnaar Vincenzo Nibali. Dat verhaal had ik graag in een van onze kranten gelezen. Ik las het op de website van Novo Nordisk, ver weg van de mainstream-media.

Topsport biedt meer dan perfectie. Vooral veerkracht, optimisme en omgaan met beperkingen werken inspirerend. Niet alleen de supertalenten verdienen aandacht ook de met zichzelf worstelende sportmensen. Juist aan hen kunnen we ons het beste spiegelen. Voor mij is vooral de mens die worstelt en (weer) bovenkomt een held. Ik neem me voor de gehandicapte (dan wel de beperkte of onvolmaakte) sporter intenser te volgen. Leerzaam.

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.sportenstrategie.nl

%d bloggers liken dit: