Gezocht voor Yde Lansen een erudiete wandelaar (v)

28 Apr

Woensdag 19 april overleed mijn ‘spirituele psychotherapeut’ Yde Lansen (80). Bijna veertig jaar geleden kwam ik in mijn destijds wanhopige zoektocht voor het eerst bij hem. De sessies – beiden in kleermakerszit op een matras tegenover elkaar – in een oud Amsterdams pakhuis, een vervallen garage of een leegstaand kantoortje hielden enkele jaren aan. Alvorens hij enige jaren met zijn vrouw in het buitenland verbleef. Daarna zocht ik hem weleens op, voor advies of voor voor een diepzinnig gesprek. Soms schreef hij mij een brief over de samenleving waarin wij verkeerden. Of hij belde me. Dan hoorde ik zijn krakende, warme, rustige stem. Hij zei dan: ‘Weet je wat het is met jou, Guus?’ Hij wachtte niet op mijn antwoord. Het was goed zo.

Yde verruimde de blik op mijn leven en liet mij vooral naar binnen kijken. We zaten eens een uur lang tegenover elkaar en zwegen. Ik met gesloten ogen, terwijl hij mij bekeek – dat voelde ik. Het enige geluid dat ik hoorde was zijn adem. Het signaal dat hij er nog was en ik niet in slaap moest vallen. Ik diende er wel bij te blijven….. Na het afgesproken uur zei Yde: ‘Het is tijd, Guus.’ Dan zei ik: ‘Maar ik heb helemaal niks gezegd.’ En dan zei Yde: ‘Ja, dat klopt.’ En dan vroeg hij of we een nieuwe afspraak moesten maken. Vanzelfsprekend wilde ik dat.

Yde stierf in zijn slaap, zoals hij dat gewild heeft. Hij was blind en eenzaam geworden, maar verloor nooit zijn erudiete, ruime, eigenwijze blik op het leven. Afgelopen woensdag (26 april) was ik uitgenodigd voor zijn afscheid. Dat wilde Yde, verklaarden de nabestaanden. Vanzelfsprekend was ik er, te midden van zijn familie en mij onbekende geest- en zielsverwanten.

Dank Yde, voor alles wat je me hebt laten zien en laten voelen. Jij was een uitzonderlijk goede gids. Hij had niks met sport, zei hij vaak, zoals ik. ‘Sporten? Ik? Ik moet er niet aan denken.’

Yde 001Ruim een half jaar geleden belde Yde mij op met de mededeling dat hij wilde dat een boek over hem werd geschreven, over een bijzonder mens en zijn bijzondere visie. Hij wist wel een schrijver. Hij had zelf al twee boeken geschreven: in 1992 (samen met zijn ex-vrouw Mieke Bello) ‘Je gaat niet zomaar dood’ en in 1997 ‘De verstopte mens; hoe de goden en ons goddelijke lichaam weer zichtbaar kunnen worden’.

Het  boek is er niet gekomen. Ik voel me een beetje schuldig, Yde, dat ik daarover niets meer heb laten horen.

Vijf jaar geleden, in oktober 2012, stond in Trouw een interview met hem:

Gezocht een erudiete wandelaar (v)

Door Maaike van Houten

Zo’n 30 procent van de vijftigplussers voelt zich wel eens eenzaam, blijkt uit recent onderzoek van het Oranjefonds. Yde Lansen, visueel gehandicapt, vertelt hoe dat is.

Tijdens het interview gaat drie keer de telefoon, vanochtend zijn er klusjesmannen geweest, zijn ex heeft gebeld, zijn zoon wipt zo even langs, vanavond krijgt hij zijn studerende dochter aan de lijn.

Nee, aan een dag als vandaag zou je niet aflezen dat de vrijwel blinde Yde Lansen (76) uit Zeist zichzelf omschrijft als iemand die ‘bij tijd en wijle’ eenzaam is. Maar er zijn ook veel andere dagen, soms wel vijf achter elkaar, waarop de vroegere onderwijzer en psychotherapeut bij niemand zijn verhaal kan doen. Die dagen zien er ongeveer als volgt uit.

Lansen staat zo laat mogelijk op – de ochtend heeft hij altijd al verschrikkelijk gevonden. Hij rekt het in bed liefst tot een uur of elf, twaalf. Hij ontbijt en dan heeft hij een probleem: “Wat nu?” Soms vindt hij iets. De kamerplanten verzorgen, kijken of er post is, proberen of hij zijn dochter kan spreken. Zij is twintig en studeert sinds september in Groningen, de stad waar ook zijn zoon van 27 woont. Met zijn dochters uit zijn eerste huwelijk, 52 en 51 jaar oud, heeft hij wat minder contact.

Om half een brengt de radio uitkomst met het journalistenforum, Lansen weet graag wat er in de wereld speelt. Hij plakt er nog een nieuwsbericht tegenaan, standpunt NL ook. “En dan wordt het moeilijk, dan denk ik vaak: hoe kom ik de middag door?”

De dinsdagmiddag is voorzien. Dan komt er een gepensioneerde politieagent, en samen stappen ze in Lansens auto, die hij heeft aangehouden nadat hij, door zijn visuele handicap, zelf niet meer kon rijden. Met de auto gaan ze naar de Praxis voor een paar latjes, ze rijden naar de Groene Winkel voor een speltbrood en Lansen heeft ook weleens een boodschap in Amsterdam of Haarlem.

De agent heeft Lansen geworven met een advertentie in de plaatselijke krant. Een soortgelijke annonce had hij na de zomer weer in gedachten, nu voor iemand die drie middagen in de week een uurtje met hem zou willen wandelen.

Dat had vooral een medische reden. Lansen heeft een chronische longaandoening, “en het is van levensbelang dat ik frisse lucht hou en beweeg. Dat binnen zitten is echt funest voor me.”

Dit verzoek om wandelgezelschap had hij ook al eens gedaan aan twee dames die van gemeentewege 75-jarigen in Zeist komen bezoeken, en peilen wat ze nodig hebben. Daar heeft-ie nooit meer wat van gehoord. Maar nog voordat hij de advertentie goed en wel had opgesteld, hoorde hij op de radio een spotje van het Oranjefonds. Dat kan, zo begreep Lansen, vrijwilligers leveren die mensen mee naar buiten nemen. Hij belde, werd doorverwezen naar de Vriendendienst Zeist, onderdeel van Kwintes, een instelling die psychisch en sociaal kwetsbare mensen helpt. Reeds de volgende dag had hij een mevrouw aan tafel aan wie hij zijn wensen kenbaar maakte: “Als ik het helemaal voor het zeggen had, dan wilde ik een slanke, erudiete dame die me even uitlaat. Met een vrouw loopt het gerieflijker, ze zijn ook wat empathischer, met de stoep op en af. En met een vrouw kun je gearmd lopen, als je een gelijke tred hebt.”

Maar ach, een man kan ook. Maar wat niet kan, absoluut niet, is iemand die bij wijze van spreken alleen maar over het weer kan praten. “Als het gesprek niet verder komt dan dat het zomer is geweest en dat het herfst is geworden, dan hou ik dat nog geen vijf minuten vol. Het moet wel ergens over gaan. Ik kan niks met kletskoek.”

Die afkeer van gebabbel heeft hem altijd parten gespeeld bij het leggen van sociale contacten. “Veel mensen maken deel uit van een gezelschap. De kerk, de kroeg, een klaverjasclub. Zij zijn daar tevreden mee, maar ik kan er niks mee. Het is een hoop gekakel en het gaat nergens over.”

Ondertussen verschaft dat groepslidmaatschap de mensen wel een identiteit, analyseert de psychotherapeut. Maar zijn manier is het niet. “Het klinkt misschien wat parmantig, maar ik behoor tot diegenen die een autonome individualiteit hebben. Ik ben iemand van een-op-een contact. Zelfs met mijn kinderen ervaar ik dat zo. Als ik ze tegelijk hier heb, dan heb ik geen van beiden. Ik wil ze individueel ontmoeten, dan kan er iets ontstaan.”

Vroeger had hij wel zo’n klik met mensen van de opleiding, of met wie hij een cursus deed, al zijn het er in totaal nooit meer dan een stuk of vier geweest. Maar hij is die mensen weer uit het oog verloren. Of ze zijn overleden. Jarenlang belde hij elke zondagmiddag met een geestverwant. Zo’n gesprek kon uren duren. Maar zijn vriend is ook ouder, het praten is hem te veel geworden. Nieuwe vrienden dienen zich niet aan, nu hij gepensioneerd is en door zijn blindheid aan huis gekluisterd: “Ik ben gevangene van dit huis en mijn ogen zijn mijn cipier. Het zou een hoop schelen als ik zou kunnen zien. Dan kon ik op internet, en in de auto stappen. Ik zou meer bewegingsvrijheid hebben, en makkelijker mensen kunnen opzoeken. Ik kan er nu niet heen en als ik er ben kan ik niks zien.”

Yde Lansen mist het contact wel. Hij heeft zich erbij neergelegd dat hij het moet doen met wie hij nu heeft. Zijn ex, die in de buurt woont en die geregeld belangstellend belt. Zijn jongste dochter, met wie hij jaarlijks een paar weken op vakantie gaat en die zo eens in de drie weken een middag komt en blijft eten. Zijn zoon, die hij ‘te hooi en te gras’ ziet, en bij wie hij er gisteren nog op heeft aangedrongen dat hij na zijn bezoek aan zijn moeder toch even zijn vader aandoet. “Ik zei, doe het, eet een Jodenkoek hier en ga. Ik vind het leuk dat je komt, het breekt mijn dag.” In die kleine sociale kring zit niemand die drie keer met hem wandelen kan per week – de gepensioneerde agent/chauffeur heeft genoeg aan de dinsdagmiddag.

Hij acht het bijna uitgesloten dat hij nog iemand tegenkomt met wie hij echt kan praten. “Ik ga het niet uit de weg, maar de kans is vrij klein dat ik nog iemand vind met wie ik met bezieling kan praten. Ik heb de verwachtingen teruggeschroefd tot drie keer per week een wandelingetje. Een frisse neus halen, dat is nu nummer één.” Maandag komt de mevrouw van Kwintes met een gepensioneerde heer. “Dat wordt dan misschien mijn wandelmeneer. We gaan even aan elkaar snuffelen en kijken of het letterlijk en figuurlijk loopt.”

Lansen hoopt dat het wat wordt, dan kan hij naar buiten en heeft hij drie middagen per week aanspraak. “Dat zou een heel ding zijn”, zegt hij over deze nieuwe invulling van de middagen, die hij nu moeilijk vindt om door te komen. Meestal ligt hij op bed en luistert naar een boek. Als hij het daarmee heeft gehad, probeert hij zijn dochter nog eens te bellen, hij neemt een cola en een boterham met Franse kaas. Om kwart voor zes gaat de radio weer aan, voor het media-overzicht. Hij kijkt in de koelkast of er nog wat te eten is.

“En dan heb ik weer een probleem. Er ligt een lap avond voor me waar ik geen raad mee weet. Helemaal nieuw is dat niet, dat had ik vroeger ook al. Maar toen kon ik er nog uit, maakte ik een wandeling door de stad. Nu ga ik weer liggen lezen, en ik zit eens wat in de keuken.”

Rond half elf breken voor hem de ‘happy hours’ aan. Hij maakt eten, hij luistert naar ‘Het Oog op Morgen’ en hoort of ‘Casa Luna’ een gast heeft die hem aanspreekt. Zo niet, dan is er nog geen man overboord. “De stilte van de nacht is me dierbaar. Ik ben een aanbidder van stilte, die ben ik in Nederland kwijtgeraakt. In de stilte kom ik tot rust.”

Oud-wielrenner Leo Peelen: Kijk dan papa, wat ik nog kan

20 Apr

Bijna dertig jaar geleden, in september 1988, veroverde hij op de Olympische Spelen als baanwielrenner op het onderdeel puntenkoers een zilveren medaille. Een glorieuze loopbaan lag voor de 20-jarige sportman in het verschiet. Het liep anders. Vijf jaar later stopte hij ermee. Succes en roem konden hem gestolen worden. Het was niet zijn keuze geweest: zo hard mogelijk fietsen om sneller te zijn dan anderen.

Een paar weken geleden, op vrijdag 24 maart, stierf Leo Peelen. Hij was pas 48 jaar. Na een fietsclinic op de wielerbaan van Apeldoorn, waar hij jongeren op de fiets leerde racen, werd hij onwel. Hevig zwetend strompelde hij de baan af, nam in het sportcafe een drankje en zocht vervolgens naar het toilet. Pas uren later misten ze hem. Zijn auto stond op het verder verlaten parkeerterrein. Op het afgesloten toilet vonden ze hem: dood. Vier jaar had de in gewicht toegenomen sportman van weleer niet op een wielerbaan gefietst, zo lachte hij nog kort voor zijn dood. Hij besloot weer eens lekker voluit te gaan, één rondje maar, 250 meter. Mogelijk werd de overmoedige explosie van de kampioen van weleer hem fataal.

Een vriendelijke reus. Ontspannen, altijd anderen bemoedigend toesprekend. Een lieve man die al op jonge leeftijd meende dat hij wist hij wilde, hard fietsen. Maar nauwelijks was hij zijn adolescentie ontgroeid of hij wilde niet meer harder dan anderen fietsen. Al snel besefte hij dat het succes waar anderen hem om bewonderden, niet zijn succes was.

Een jaar na de olympische glorie, een tweede plaats die aanvoelde als een triomf, werd hij derde op de wereldkampioenschappen in Lyon. Maar ergens in zijn hoofd had Leo al een stemmetje gehoord dat hij er niet voluit voor was gegaan. ,,Alsof ik onbewust een excuus inbouwde voor als ik niet zou winnen.’’

In psychologische termen kan dit fenomeen self-handicapping worden genoemd. Uit een gevoel van faalangst excuses inbouwen om achteraf te kunnen verklaren waarom je hebt verloren. Of dat het geval was bij Peelen, wist hij toen nog niet. Een vorm van afweer was het zeker. ,,Mijn lijf en geest protesteerden. Onbewust deed ik een test: kijken hoe mensen reageren als ik niet win. Ik had iets bereikt, zilver in Seoul, en dat had me niet gegeven waar ik van droomde. Ik ben gestopt. Ik voelde dat topsport – een medaille, een plaats bij de wereldtop – mij niet zou geven waar ik als jongetje naar had verlangd.’’

Verlangen. Het begrip is gevallen. Dat was ook voor mij de reden geweest voor een gesprek met Leo Peelen, ruim twee jaar geleden. In een kort interview op de radio had hij iets van zijn proces verteld. Mijn vrouw hoorde het aan en meende iets te herkennen in wat mij al jaren dwarszat, resulterend in een paar burn-outs, uiteindelijk zelfs in een vervroegd pensioen. Wie wilde zo graag dat ik succesvol was? Ikzelf? Wie dan wel? Was het mijn vader? Ben ik wel mijn eigen weg gegaan?

Het gesprek schiep verwarring. Ik kon het niet opbrengen zijn verhaal op te schrijven. Te confronterend. Dit zou dus ook mijn verhaal kunnen zijn.

Leo vertelde me dat hij na zijn sportsuccessen op een dwaalspoor was beland. Tastend naar het onbestemde. Zeg maar: het zwarte gat. Waarom had hij zo hard moeten fietsen, harder dan anderen? Wat wilde hij daarmee bereiken? Ineens voelde hij dat de waardering voor hem als méns niet gold. Geen succesvol wielrenner, dan ook geen goed mens. Geen succes, geen aandacht, dan ook geen bestaansrecht. Twee (!) huwelijken, met twee kinderen, hielden het niet uit. Wat was er met hem gebeurd? Na een zoektocht van jaren legde een jonge vrouw (Froukje), met wie hij zijn leed en verwarring durfde te delen, een boek op tafel: ‘De herontdekking van het ware zelf’ van Ingeborg Bosch, een psychotherapeute die een methode (Past Reality Integration) had ontwikkeld die je terugvoert naar je jeugd, naar de manier waarop je ouders je hebben geconditioneerd.

Het was voor Leo een openbaring, die hij nu iedereen (vooral verwarde topsporters die tijdens en na hun loopbaan de oorzaak van hun opgedrongen drijfveer durven ontdekken) toewenste. Hij voelde in therapiesessies de pijn van vroeger. Zijn vader, een fanatiek wielrenner, ging altijd fietsen met zijn broer. Hij kreeg wél aandacht, Leo niet. Toen ontdekte Leo: als ik nou ga fietsen, geeft mijn vader mij (ook) aandacht. En als ik heel hard fiets, krijg ik de meeste aandacht. ,,Ik deed het gewoon om gezien te worden door mijn vader. Mijn vader moest me zien. Alles heb ik gedaan om gezien te worden door de mensen die mij dierbaar zijn. Doen we dat niet allemaal? Gezien worden door mensen die symbool staan voor je ouders? En wat als je ouders er niet meer zijn. Of als mensen je niet meer zien staan. Dan voel je je in de steek gelaten. Dan moet je het zelf doen, zonder de symbolische ouders. Eenzaam en alleen voel je je dan. Sterker: je zoekt naar ouders die er niet zijn. Je denkt volwassen te zijn. Maar je moet het zelf doen. En dat kun je niet. Dan val je om. Wat nu?’’

leo

Leo Peelen recent

Het volgende gesprek, een jaar later kort na de Olympische Spelen van 2016, verliep voor mij beter. Met zijn vriendin Froukje zaten we urenlang op een Arnhems terras. Na een jaar PRI-therapie was mij veel duidelijk geworden, zeker ook over mijn eigen proces. Ik had mij intussen ook laten voeden door reacties van de winnaars en verliezers – vooral op de Olympische Spelen. Bijna vanzelfsprekend kwam het proces van turner Yuri van Gelder aan de orde – en niet in de laatste plaats zijn verbanning uit de olympische ploeg. Wat dreef hem al vanaf zijn jongste jeugd om groot en sterk te worden? Een olympische medaille te veroveren als grootste trofee. Wie waren zijn ouders? Wat wilde hij (tegenover hen) bewijzen? Uit wat voor milieu komt hij? Wil hij aantonen dat hij meer is dan de ‘minderwaardige’ en vooral kleine jongen?

We kwamen er niet uit omdat we Yuri en zijn achtergrond te weinig kenden én hem niet bij wilden veroordelen. ,,Hopelijk krijgt die jongen de juiste begeleiding om ervan te doordrongen te worden waarom hij zo is geworden en waarom hij buitensporig gedrag is gaan vertonen. Verslavingsgedrag, verslaafd aan aandacht en euforie? Ik heb wel een vermoeden en zou hem daarom mogelijk kunnen helpen met mijn PRI-therapie-ervaring. Maar dat is vooralsnog niet aan mij’’, zei Peelen in augustus vorig jaar.

Leo Peelen werd ook geraakt door een uitlating van zwemster Ranomi Kromowidjojo: ‘Ik hoop dat mijn ouders nog één keer trots op mij kunnen zijn.’ Voor wie heeft ze al die jaren gezommen? Voor zichzelf of voor haar ouders die haar altijd gesteund hebben, sterker misschien: aangemoedigd? En dan verliest ze, althans ze wint niet. ,,Stelt ze dan haar ouders teleur of zichzelf? Hoe gaan haar ouders daar mee om? Dat is mijn vraag. Vanzelfsprekend zullen ze haar niets verwijten. Maar misschien voelt ze haar nederlaag wel als een schuld. Ik heb het voor mijn ouders gedaan. Heb ik het wel voor mezelf gedaan? Dat zijn grote vragen.’’

Dat gevoel van verplichting om je ouders te plezieren, kan verregaande gevolgen hebben. In het Amerikaanse tijdschrift Sports Illustrated werd al in 2003 in het artikel (Prisoners of depression) gewag gemaakt van winnaars die na hun triomf in een diepe depressie raakten, tot aan zelfmoord toe. Winnaars die op het erepodium geen emotie vertoonden, bevroren, niet beseffend waarom ze daar stonden. Mogelijk omdat hun ouders (soms onbewust) die prestatie hadden geëist. Dat bleek, zo vertelt het artikel, uit psychiatrische onderzoeken met betrokken sporters. De jacht op goud kent meer slachtoffers dan bekend wordt, mede uit overwegingen van privacy en medische beroepsgeheim – ook in Nederland.

Leo Peelen en ik stuurden elkaar berichtjes wanneer weer een topsporter herkenbaar gedrag vertoonde. We kwamen op oud-tenniskampioen Andre Agassi die in 2009 in zijn autobiografie Open schreef dat hij tennis haatte al vanaf hij op zijn derde jaar door zijn vader de tennisbaan werd opgestuurd. Al vóór zijn geboorte stond voor zijn vader vast dat Andre de beste van de wereld zou worden. Na 22 jaar en 22 miljoen slagen met zijn racket kreeg zijn vader gelijk. Agassi had Wimbledon gewonnen. Maar hijzelf wist zich geen raad met zijn gevoelens. Hij had nooit de kans gekregen zijn eigen levensvervulling te kiezen. Hoewel miljoenen fans hem adoreerden, haatte hij tennis. ‘Ik heb altijd gespeeld om mijn vader te plezieren.’ Andre had vaak willen stoppen, maar durfde dat niet tegen zijn vader te zeggen. ‘Iedereen was thuis blij als ik won, want dan was mijn vader te genieten. Tennis werd mijn vijand.’

Toch kampte Agassi met gevoelens van loyaliteit. ‘De inzet was hoog, omdat mijn vader liet blijken dat ik zijn laatste en beste hoop op succes was. Het leverde plichtsbesef op (…) Het is onredelijk van een kind te verwachten dat hij kan omgaan met zulke complexe emoties.’ Andre had geluk (mede dankzij Steffi Graf, de Duitse tenniskampioene, op wie hij verliefd werd ook omdat zij aanvoelde wat hij doormaakte) dat hij rond zijn 27ste een eigen identiteit ontwikkelde na een diepe identiteitscrisis waarin hij zijn toevlucht vond in harddrugs (onder andere cocaïne).

Golffenomeen Tiger Woods werd door zijn vader Earl The chosen one genoemd. De kleine Eldrick (koosnaam Tiger) moest en zou een kampioen worden, vooral de eerste zwárte golfkampioen. Tiger kreeg op zijn derde een golfclub in zijn handen en sloeg er al gauw – tot grote bewondering van vooral zijn vader – mee als een kampioen. Earl (een oud-vietnamstrijder), de man die zijn zoon van jongs af aan had gemaand te doen wat zijn vader hem adviseerde, overleed in 2006. Tiger was al een beetje in verwarring door zijn roem, scheidde van zijn vrouw, maar stortte na de dood van zijn vader echt ineen. Nog altijd weet hij de weg niet. Hij (nu 41) valt van de ene mentale crisis en lichamelijke blessure in de andere, mogelijk ook omdat hij in zijn poging terug te keren aan de top boven zijn ‘natuurlijke’ krachten gaat.

De Deense winnaar van de Tour de France van 1996, Bjarne Riis, bekende eerst dat hij gedurende zijn wielerloopbaan veel doping had gebruikt, zeker tijdens zijn triomf in 1996, en vervolgens dat hij na zijn bekentenissen (en onthullingen van de renners die hij als ploegleider onder zich had) in een zware depressie was beland. Toen hij in 2007 was afgekickt van zijn hang naar overdrive, overleed zijn vader en kort daarna zijn moeder.  Hij vertelde op de Deense tv-zender DR1: ‘Ik heb een enorme bagage vanaf mijn jeugd meegevoerd. Ik had altijd het gevoel dat ik iets moest bewijzen. Ik moest winnen, ten koste van alles. Daarin ben ik te ver gegaan. Ik ben door een zwaar proces gegaan toen ik weer clean was. Ik voel me nu normaal, volwassen. Zelfstandig. Maar ik voel de drang nog steeds, om paranoia van te worden.’

In de (niet-geautoriseerde) autobiografie Max van de alom bewierookte Nederlandse autocoureur Max Verstappen, stelt de auteur André Hoogeboom: ‘Als het succes van Max Verstappen op enigerlei wijze te herleiden is, dan wel op de invloed van pa Jos.’ Oud-coureur Jan Lammers: ‘Als Jos een groentewinkel had gehad, was Max nu groenteboer geworden.’ Max was 15 toen hij in Italië in kansrijke positie door een ‘kamikazeactie’ een kart in elkaar reed. Met tranen in zijn ogen wachtte hij de reactie van zijn vader af. Die zei dat hij niet met hem wilde praten. ‘Je hebt de race verpest en ik ben er doodziek van.’ Zeven dagen wisselde hij geen woord met zijn puberzoon. Dat mag wreed klinken, veel vaders zouden zich er diep voor schamen, maar precies daar is de basis gelegd voor Maxmania, de kilometerslange Verstappenfiles en in alle media luid bejubelde successen.

Vanuit zijn ervaringen als topsporter met een achtergrond en de herkenning bij bovenstaande voorbeelden, gaf Leo Peelen lezingen en trainingen aan ouders van jonge wielrenners. De Koninklijke Nederlandse Wielren Unie en zijn club RETO uit Arnhem gaven hem daarvoor de gelegenheid, mede omdat hij al acht jaar bekend was met de therapie PRI en daarvoor een opleiding als therapeut volgde. ,,Het gaat bij alles om bewustwording. Als een moeder zegt: ‘Ik heb mijn dochter gezegd dat ze altijd vooraan moet rijden om valpartijen te vermijden’ vraag ik: waarom? Als ze dan valt is het dus de schuld van de moeder. Dus laat haar vallen en zichzelf helpen. Als er dan een vader in de zaal zegt: ‘Dat gelul hoef ik niet te horen’. Dan zeg ik: ‘Ontkenning van behoeften. Je wilt wat van je zoon, vraag jezelf af Dan zeg ik waarom je dat van je zoon wilt. Projectie, trots, iets wat jezelf niet hebt bereikt. Waarom leg je je kind iets op? Dat kan heel subtiel zijn. Je ziet hem verliezen en laat hem in zijn verdriet. Je ziet hem winnen en dan ga je uit je dak. Dat maakt afhankelijk.’’

Leo Peelen keek graag naar zijn dochter en zoon, die basketbalt. ,,Dan zit ik te kijken en mijn zoon scoort. Mijn buurvrouw op de tribune zegt dan: ‘moet je niet juichen?’ Nee, want ik juich ook als hij niet scoort. Dat klinkt obsessief, maar ik probeer te voelen dat een zoon die scoort niet zaligmakend is, voor hem en voor mij. Ik ben altijd trots op mijn zoon, niet alleen als hij scoort. Dat weet hij intussen.’’

Tijdens zijn lezingen vertelde Peelen zijn verhaal, over de hoop dat hij met zijn prestaties iets (een beloning, iets maatschappelijks, voortdurende waardering) zou krijgen. Over de wil om zichzelf te blijven bewijzen. Nooit zou het genoeg zijn. Nooit zou krijgen wat hij in zijn jeugd heeft gemist, de waardering van zijn vader. Dat wordt in PRI ‘oude pijn’ genoemd, de oude realiteit. Gevoegd bij de angst dat je ‘het’ nooit zult krijgen. Maar als volwassen mens kun je het niet meer voor je vader doen, je doet het voor jezelf. Je kunt het zelf. ,,Weet je dat ik pas 15 jaar na Seoul de zilveren medaille op mijn cv heb durven plaatsen.’’

Hij begreep ouders wel: je hebt alles over je kinderen. ,,Maar onbewust kun je ze sturen naar iets wat niet bij hen past.’’ En ook: ,,Een topsporter gelooft niet in therapie, liever niet, want dat zou duiden op ziek zijn. En een topsporter is niet ziek, een topsporter is kerngezond. Dat is het beeld wat in stand wordt gehouden, zeker ook door de sportbestuurders en de overheid. Kijk onze topsporters eens het toonbeeld van volmaaktheid en gezondheid zijn. Daarom moet in de preventieve sfeer iets gebeuren. Lezingen, cursussen en ouderavonden bij de clubs en bonden. En ook op scholen zijn speciale PRI-bijeenkomsten. Wat verwacht u als ouder van uw kinderen? Gunt u ze vrijheid zichzelf te ontwikkelen? Gelukkig zijn er veel kampioenen en medaillewinnaars die plezier beleven aan hun sport en mogelijk daarom zo goed zijn geworden. Maar toch, als straks het plezier ophoudt en de successen uitblijven, wat dan? Wie vangt de gevallen helden dan op?’’

Leo Peelen was een ervaringsdeskundige, een leermeester voor talenten en hun ouders. Voor mij. Nu hij er niet meer is, rijst de vraag wie zijn boodschap overneemt en verder uitdraagt. Dat topsporters, hoe zeer ook aanbeden en bewierookt door hun omgeving en de overweldigende media, beseffen dat ze hun eigen identiteit durven vinden. Zoek naar je ware zelf en laat je niet verblinden door blinkend eremetaal en applaus, dat stilvalt zodra je geen succesvol sportmens meer bent.

Zie ook: Website PRI

Dit artikel is in april 2017 gepubliceerd in Argus, een tweewekelijkse krant geschreven door gepensioneerde journalisten. Lees ook: http://www.argusvrienden.nl/

Herman Wijffels en waarom het gaat zoals het gaat

22 Mrt

Een interview uit 2009 in NLcoach

Toppers in de samenleving hebben net als ieder mens een reis afgelegd naar wat en wie ze zijn geworden. Welke passie hebben zij? Hebben zij een koers uitgezet? Door wie hebben zij zich laten leiden? Waren er keerpunten, bijvoorbeeld door tegenslag? Na eerdere séances met Mart Smeets, Jaap van Zweden, Dirk Scheringa, Agnes Jongerius, Jan Marijnissen, Hans van Manen, Youp van ´t Hek en Jan Mulder dit keer een econoom, visionair en beschouwer van het proces van het leven. Confronterend als een coach, maar vooral dienstbaar, zoals het een leider van de nieuwe orde betaamt. Joop Alberda en Guus van Holland ontmoeten Herman Wijffels, een man die de dialoog met alles wat de aarde te bieden heeft ziet als het symbool van een volgende fase in de samenleving.


De omgeving kan niet beter passen. Rondom de sessie heerst de natuur. Hier kunnen de zintuigen worden geopend, hier kan het proces van ‘ontwikkeling’- zoals Herman Wijffels het uitdrukt – gestalte krijgen. Hier gaat het over de potentie om je met anderen te verbinden. Over de zoektocht naar jezelf. Voor wie ben je er eigenlijk? Waarvoor zit je er? ,,Ik heb altijd geopereerd vanuit de optiek: Ik ben er voor de mensen’’, zegt Wijffels. ,,In alle functies die ik heb vervuld, stond dienstbaarheid voorop. Dienstbaarheid is in de kern hoe je werkelijk succesvol kunt zijn. Je moet je kunnen verplaatsen in de ander. Daarom is dialoog zo belangrijk. Leiding geven vraagt in de komende tijd grote kwaliteiten op dat gebied. De kwaliteit van de relatie met anderen en het andere, is in functie van de kwaliteit van de relatie met jezelf.’’

Zijn visie op het functioneren van mensen heeft zich zo ontwikkeld. Vanaf zijn jeugd op een boerderij in IJzendijke in Zeeuws-Vlaanderen tot nu, 67 jaar oud, gepensioneerd maar nog lang niet uitgeleefd en uitgeleerd econoom, visionair en beschouwer van het leven. Samen met zijn vrouw, van oorsprong neerlandica en nu Jungiaan, geeft hij leiderschapscursussen. De binnenwereld die zijn vrouw bestudeert, wordt daarin verbonden met de buitenwereld die hij heeft vertegenwoordigd. Al wat het leven op deze planeet betreft zou daarin verklaring moeten krijgen.

Het is – in zijn geval – niet alleen een kwestie van talent om naar mensen te luisteren en ze te helpen met richting geven. Zijn manier van doen is ‘gewoon’ gevoed door de feitelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen in zijn leven. Hij kwam voor situaties te staan waarin op de mogelijke aanwezigheid van leiderschap een beroep werd gedaan. Hij ontwikkelde zich tot een mens die in staat is richting te geven en strategie te ontwikkelen. Dat hij nota bene mensen weet te mobiliseren in het bedoelde perspectief en dat hij daarvoor de middelen weet aan te reiken. ,,Het is zeker geen Aha-Erlebnis, het is gegroeid.’’

De kalmte waarmee hij zijn verhaal doet overweldigt niet, ze geeft vooral vertrouwen. Ook een eigenschap die een leider niet misstaat. Hij vertelt geduldig over de waarde die het vroeg overlijden van zijn beide ouders voor hem heeft gehad. Herman was rond de twintig en in de eerste fase van zijn studie. Zijn ouders hadden een gezin met acht kinderen. Hij was de oudste, zijn jongste zusje was tien. ,,Daar zaten we dan met z’n allen, wezen dus, met een bedrijf dat op zichzelf een economische basis bood. We werden plotseling voor een volwassen verantwoordelijkheid geplaatst. Ik heb als oudste rollen moeten vervullen om te bepalen hoe we verder moesten. Eén bepaalt de richting en verdeelt de rollen. Door die ervaring op jonge leeftijd, ik studeerde economie in Tilburg, werd ik door mijn superieuren beschouwd als een jongen die al snel een verantwoordelijke positie kan innemen. Dat heeft geleid tot een baan bij de Europese Commissie in Brussel. Daarvandaan werd ik gevraagd voor een functie op het ministerie van Landbouw op mijn 27ste. Twee jaar later was ik er directeur. Ik heb het nooit geleerd, het is gewoon ontstaan.”

Joop Alberda trekt de vergelijking tussen hem en Barack Obama, de Amerikaanse president in wie zij beiden een leider zien die de dialoog zoekt. Een man van verzoenend leiderschap. Wijffels voelt zich verwant met Obama. ,,Ondanks de gigantische tegenkrachten die hem parten spelen, ben ik hoopvol, omdat hij mijn visie deelt. Hij begrijpt heel goed, ziet en voelt wat de volgende fase is van de ontwikkeling van de mens en de maatschappij. Essentieel is dat in deze tijd de eenheid en samenhang van álle leven het uitgangspunt moet zijn van de vormgeving van de volgende fase.’’

Het leven is, volgens de visie van Wijffels en zijn geestverwant Obama, een ontwikkelingsopdracht. ,,Het gaat over ont-wikkelen. Dat is de aard van de evolutie. Ik kijk naar het leven als een zich ont-wikkelend fenomeen, waarin we dus iedere keer weer als mensen geroepen zijn om de volgende fase vorm te geven. De meest recente fase is de industrialiteit. Die is begonnen met de verlichting waar de mensen via de rationaliteit min of meer buiten het mythische van de natuur werd geplaatst. Men ging de natuur onderzoeken. En vervolgens bleek dat de natuur mogelijkheden bood tot verdere maatschappelijke en welvaartsontwikkeling. Dat is gebeurd door de bronnen van deze planeet te exploiteren. Dat is een succesvolle operatie geweest. Alleen zitten we nu in een positie dat deze exploitatie van de bronnen van deze aarde en door de krachtige technologieën die we gebruiken, de basisvoorwaarden van het leven zelf aan het aantasten is. We gaan over grenzen heen.”

Evolutionair gezien is nu de volgende opdracht aan de orde, meent Wijffels. ,,Het voortgaande ont-wikkelingsproces houdt nu in dat we wegen moeten vinden, methoden moeten ontwikkelen om in harmonie met de ecosystemen van deze wereld – in harmonie met elkaar, mensen onderling – vorm moeten geven aan de volgende fase van de maatschappelijke ontwikkeling. In dat geheel speelt ook de ontwikkeling van de mensen zelf. We hebben als uitloper van die hele industriële fase honderd jaar van emancipatie achter de rug, het ontstaan van een vrij stevig ik-bewustzijn. Alleen is dat in de laatste fase geperverteerd, waardoor we in een sterk ego gerichte maatschappij zijn terecht gekomen. De opdracht voor de volgende ronde is dat we nu het ‘ik’ verbinden met het algemeen belang. Dus dat we vanuit ons eigen ‘zijn’ verantwoordelijkheid nemen voor het geheel, in de beslissingen die we nemen. In naar de supermarkt gaan, in de auto nemen. De ontwikkeling van je persoon moet je verbinden met het geheel.’’

De komende fase gaat het om samenhang, de onderlinge afhankelijkheid van alles en iedereen. En niet van het menselijk leven, maar van alle leven. ,,Het is een voortgaand proces. Het leven als zodanig is een potentie. De essentie van echt leven is het realiseren van die potentie. Dat je wat in de kern aanwezig is ont-wikkelt, dat je daar de wikkels afhaalt. Dat houdt nooit op, dat is het leven dat voort zal gaan. Ik ben nu een gepensioneerd man, maar ik ben nog volop bezig ook via persoonlijke trajecten te ont-wikkelen. Het is een voortgaand proces. De fase rond mijn twintigste: verantwoordelijkheid te dragen. Toen ik voorzitter werd van Rabobank. Toen realiseerde ik me heel diep dat ik eindverantwoordelijk was voor de kwaliteit van de balans en de activiteiten van die organisatie.”

Aan gewone ondernemers, gewone mensen moest hij dienstbaar zijn. ,,Ik wilde een sterke oriëntatie op wat werkelijk waarde toevoegt aan het leven van de mensen. De mestproblematiek mocht ik niet alleen de boeren aanrekenen. Wat ik daar heel diep aan overgehouden heb is het bewustzijn dat als je het water vervuilt je het hele leven vervuilt. De mens bestaat voor zeventig procent uit water. Dat heeft me heel sterk op het ecologische pad gebracht. Veel bestudeerd, dat heeft mijn bewustzijnspad geopend, dat tot op de dag van vandaag in belangrijke mate mijn energie en activiteiten bepaalt.’’

In de loop van de evolutie zijn er steeds complexere structuren en steeds complexere vormen van leven ontstaan, waarvan de mens de mens de meest complexe vorm is. Zo heeft Wijffels ervaren. ,,Door de platheid van onze cultuur zijn we het perspectief uit het oog verloren. Er zijn heel veel mensen die denken dat we met de verzorgingsstaat en met de huidige industriële manier in onze behoefte voorzien, een soort eindfase hebben bereikt in de ontwikkeling. Ik geloof daar geen zak van. Mijn beeld is dat het een voortgaand proces is. En dat we in dat evolutionaire perspectief iedere keer weer door bewustzijnsontwikkeling verder komen. En hoe ontstaat dat? Waar komt dat vandaan? Bestaat er ook iets buiten onszelf. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat we van buiten worden beïnvloed. Ineens zijn er overal nieuwe dingen. Zoals met de kwantumfysica, een volgende fase in de fysica waarbij alles aan alles gerelateerd is.’’

Dat is misschien het mysterie, denkt Wijffels hardop, terwijl buiten de bomen met de windrichting meebuigen. ,,Waarom het zo gaat zoals het gaat. Het is mogelijk niet te sturen, niet door mensen. Een mens is een co-creërende factor in de evolutie. Wat mensen als Obama en ikzelf ook een beetje, doen is gewoon heel goed kijken en begrijpen wat er in de volgende fase moet gebeuren. Tot nog toe hebben we geleefd volgens lineaire processen. Je graaft iets op, je bewerkt het en vervolgens dump je wat je niet kunt gebruiken in de natuur. Daarmee maken we de natuur kapot. Wat we in de volgende fase van ons niveau van bewustzijn moeten doen is plaatsnemen in de natuurlijke cycli. Dat we onze hele economie omvormen tot kringloopeconomie. Dat we aftappen uit die permanent beschikbare bronnen en we die spullen die we maken zo in elkaar steken dat we die gebruiken voor de volgende ronde.’’

Met minder materie kunnen functioneren. ,,Voor iedereen die goed kijkt moet het evident zijn dat het kan, beter kan worden. In de Nederlandse samenleving heerst angst. Veel mensen zijn bang dat ze in de huidige globaliserende economie grip kwijt raken op hun werk en hun leven. In die genoemde kringloop zijn er enorme mogelijkheden voor het creëren van lokaal verankerde banen. Elk gebouw, elke locatie, elke nederzetting wekt zijn eigen energie op. Dat betekent enorm veel installatiewerk, onderhoud en herinrichting. Lokale bezigheden die sociale verbinding in de hand werkt.”


Tussen alle nuances en verklaringen past het fenomeen geduld. ,,Niet forceren. Je moet mensen de tijd gunnen er zelf in te groeien. Zeker in de sport moet je condities creëren waarin flow kan ontstaan. Een van de tekortkomingen van de politiek is dat daar de nadruk is gekomen op de competitie. De competitie in de zin van dat het belangrijker is om de ander te diskwalificeren dan om van je eigen opvattingen te overtuigen. Daarom ga ik niet in de politiek. Het gaat niet om de mening maar omdat het ander die een andere mening heeft. Het gaat niet om een discussie te winnen, maar om naar een ander te luisteren. Onze samenleving is heel erg gestempeld door het sociaal darwinisme, de survival of the fittest. Rivaliteit en competitie zijn een onderdeel van het leven, maar als je samen verder wilt komen, moet er een balans zijn. Net als in sport, iedereen moet een kans hebben. Samenwerken in competitie. Je mag elkaar niet uitsluiten, je bent er voor elkaar.”

Het kan ook anders, weet Wijffels. ,,Mijn ouderlijk huis stond op een paar kilometer van de Belgische grens. Ik heb in oorlogstijd ervaren dat Belgen ook konden overleven en misschien wel beter. Er is altijd een andere weg. In termen van tegenslag ben ik niet zoveel tegengekomen, behalve dat we na een week ons eerste kind verloren. Maar verder is het all in the game. Het hoort erbij. Als het niet naar wens loopt, dan probeer je het op een andere manier. Ik probeer het te zien als een proces.”

Hij heeft gezocht naar middelen om innerlijke barrières op te ruimen. ,,Het ontwikkelingsproces ervaar ik ook op persoonlijk niveau. Je wordt in je jeugd door je opvoeding maar ook maatschappelijk geconditioneerd. Als je geboren bent ben je een open creatie, maar door je opvoeding wordt daar een cocon omheen gewikkeld. Een van die dingen in het leven is op z´n minst die cocon poreus te maken. Dingen toelaten. Een van die conditioneringen is rationaliteit. Een van die ervaringen waarvan ik heb geleerd, is open te zijn voor je intuïtie. Wat gebeurt er met je gevoel? Ik heb een paar keer een vastenkuur gedaan. Puur omdat ik merkte dat een soort stolsel in mijn fysiek zat die me zwaarder maakte dan ik wilde zijn. Toen ik in 1999 wegging bij Rabobank, merkte ik dat ik wel weg was uit die bank, maar die bank nog niet uit mij. Toen heb ik weer een vastenkuur gedaan, een week niets eten, omdat uit mijn systeem te krijgen.’’


Wijffels deed ook een paar wilderness-trails. Een week de wildernis in onder begeleiding. Een week eten mee in een rugzak, met een man of zes. En dat echt helemaal ervaren wat de natuurlijke staat is. Met onvermijdelijk opening van de zintuigen tot gevolg. Leren en weten wie je nu bent en waar je nu staat. Beslissingen door intuïtieve impulsen. Een dialoog creëren tussen rationaliteit en intuïtie. Zeg niet dat hij het al weet, Herman Wijffels wikt, nog elke dag.

Zo komen we bij zijn reisgenoot, zijn vrouw. Zijn belangrijkste reisgenoot, zo blijkt. Ze vonden elkaar toen hij 26 was en zij 19. Toeval, nee. Het moest zo zijn. Ze vormden elkaar, omdat ze gaandeweg steeds meer op elkaar ingespeeld raakten, kortweg een dialoog voerden, elkaar aanvulden en elkaar wilden aanvoelen. Twintig jaar geleden voelden ze dat ze samen moesten mediteren. Elke ochtend voor het ontbijt minimaal een kwartier. De ideeën laten inwerken en bezien vanuit alle mogelijke standpunten. Wat doe ik? Wat vind ik? Waar ben ik mee bezig? Gewoon je even openstellen

Mede vandaaruit groeit zijn opdracht voor het volgende leven. Het is niet echt het volgende leven, het is een voortzetting. Denken aan vooruitgang. ,,Dat mediteren vertaalt zich uiteindelijk in een manier van zijn en doen. Werken aan jezelf is essentieel om in de wereld van straks te kunnen functioneren. Wat is de diepste kern van duurzaamheid? De kwaliteit van relaties. De potentie om je met anderen te verbinden. Te verbinden met alles wat op deze planeet beweegt en groeit. We zijn afhankelijk van elkaar. Wij mensen, de bomen, de vogels, de dieren, de aarde, de kosmos. We kunnen niet zonder elkaar. Uitersten moeten elkaar begrijpen. Het gaat om de dialoog, het gesprek tussen alles en iedereen op deze aarde.’’

Dat gevoel van geluk mag niet voorbijgaan

14 Mrt

Teleurstelling overheerst. Het wil maar niet lukken voortdurend bevredigd te worden. Krijg ik het schouderklopje dat mij zin in leven geeft, wil ik er nog een, en nog een. Als een rupsje-nooit-genoeg kijk ik om me heen op zoek naar het volgende schouderklopje, betast ik mijn schouders of er nog gevoel in zit alvorens ik mijn rug recht en mezelf toespreek: ‘Kom op, je kunt het, je kunt het ook zonder schouderklopje.’

Dat ene moment van waardering dient zich te herhalen. Onophoudelijk. Dat gevoel van geluk mag niet voorbijgaan. Eeuwig wil ik gelukkig zijn, op zijn minst tevreden met wat ik heb en wie ik ben. Liefst nog gelukkiger. Nog higher and higher, zoals ik heb ervaren als ik stoned was. Daar in de hemel wil ik zijn: eight miles high. Maar zoals de tekst van The Byrds van de song uit 1966 verder gaat: when you touch down, you’ll find that it’s stranger than known.

Ik wil na de ophemeling niet terug naar de grond. Niet terug naar het gevoel waarin ik me niet gelukkig voel of op zijn minst geen vrede met mezelf heb. Als je in hogere sferen bent geweest wil je niet meer terug naar alledaagsheid. Het was zo mooi, zo vredig – alleen al dat ene moment waar ik nog jaren van wil dromen.

Het is begeerte die mij doet lijden, zo probeer ik als leerling-boeddhist te begrijpen. Elke keer als de warmte van dat schouderklopje is weggeëbd dan wel het behaaglijke gevoel van vrede met mezelf, mijn geliefden en anders gestemden is verdwenen, bekruipt mij het verlangen. Hoewel ik intussen weet dat alles veranderlijk is, kan ik dat ongemak maar moeilijk afwenden. ‘Daar is het weer, ga weg, laat me met rust, ik wil je niet voelen, jij verdoemde kwelgeest.’

Langzaam, maar niet helemaal zeker, ga ik beseffen dat verlangen er best mag zijn en dat onbehagen (sterker: teleurstelling) er ook mag zijn. Wat ik nu beleef, zal ik het volgende moment niet beleven – of in een andere gedaante. Ik verlang. Ik verlang naar meer. Ik verlang terug. Ik verlang dat iedereen mij vriendelijk en heel goed vindt. Ik verlang dat iedereen vriendelijk en heel goed is – net zoals ik. Ik verlang dat mijn geliefden gelukkig en vooral gezond blijven, zoals ik verlang dat iedereen gelukkig en vooral gezond is en blijft.

Binnen handbereik ligt de ‘bodhicitta-contemplatie’. Om er dan in te lezen: ‘Moge ik geluk genieten en de bron van geluk. Moge jij geluk genieten en de bron van geluk. Moge alle wezens geluk genieten en de bron van geluk.’ En: ‘Vreugde kan extatisch worden en ons blind maken voor het lijden, je wilt eigenlijk niet meer erkennen dat het bestaat. Je sluit je af….’ In tijden van onbehagen stemt die tekst me vredig en kan ik er in alle rust op mediteren.

‘Resultaten zijn als vruchten aan de boom die je verzorgt, ze vallen je vanzelf toe’, wordt in de als geruststellend bedoelde ondersteuning beweerd. En: ‘Begrijpen dat alles wat we meemaken, vreugde en lijden, deel is van het grote vertoon van ons leven en dat we daarmee om kunnen gaan.’

Geruststellend? Allerminst. Was ik maar een stoïcijn. Inderdaad, daar verlang ik vaak naar.

Guus van Holland is vriend van de Shambhala-sangha Leiden.

Deze column is gepubliceerd in de voorjaarsuitgave van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

Kopa de meest memorabele Franse voetballer

5 Mrt

Raymond Kopa, voluit Kopaszewksi, is de meest memorabele voetballer die Frankrijk heeft gekend. Nog ver voordat zijn landgenoten Michel Platini en Zinédine Zidane hun uitzonderlijke kunsten vertoonden was Kopa de Franse voetballer die tot de verbeelding sprak. In de jaren vijftig was hij een middenvelder met een even sierlijke als vloeiende dribbel, zoals men die vandaag zelden meer ziet.

Afgelopen vrijdag overleed op 85-jarige leeftijd de Fransman van Poolse afkomst. Le petit Napoleon werd hij genoemd, de voetballer die op het wereldkampioenschap van 1958 furore maakte als het spirituele brein (le chef d’orchestre) in het multiculturele Franse elftal dat als derde eindigde, achter wereldkampioen Brazilië en Zweden. Hij was de man die toernooitopscorer Just Fontaine (Marokkaanse-Spaans) en Roger Piantoni (Italiaans) met geniale passes bediende.

kopa
Kopa, die net als zijn vader werkzaam was in de mijnen rond Noeux-les-Mines (Noord-Frankrijk), werd na het titeltoernooi in Zweden opgenomen in het meest ideale elftal van het WK, dat door het frivole voetbal van de Brazilianen onder leiding van de 17-jarige Pelé en van Garrincha en Didi werd gedomineerd. Velen noemden hem de uitblinker van het toernooi.

Pelé koos Kopa 46 jaar later als een van de honderd beste nog levende spelers. In 1958 werd Kopa ook uitverkozen tot de beste voetballer van Europa (Ballon d’Or), als een speler van Braziliaanse stijl – altijd op zoek naar de dribbel en de individuele actie ten voordele van de aanvallers. Het internationaal toonaangevende voetbalmagazine World Soccer zette hem bij de beste honderd voetballers van de twintigste eeuw. In 1970 was hij de eerste voetballer die de Franse onderscheiding Legion d’Honneur ontving.

Met Stade Reims werd hij dankzij het football champagne van trainer Albert Batteux tweemaal Frans kampioen en bereikte Kopa in 1956 de eerste Europa Cup-finale. Daarin werd met 4-3 verloren van Real Madrid. Het volgende seizoen schitterde hij in de schaduw van Alfredo Di Stéfano en Ferenc Puskas bij Real Madrid, destijds jarenlang het veruit beste elftal van Europa. Kopa was te bescheiden om echt te schitteren aan de zijde van genoemd duo. Real werd mede dankzij hem driemaal Europees kampioen, in 1957, 1958 en 1959, en tweemaal Spaanse kampioen, in 1957 en 1958.

In zijn biografie Mon Football (1972) vertelt Kopa over zijn jeugd: ‘Zelfs na veertig jaar herinner ik me precies die geur. De geur van het café, waar ik als kleine jongen, samen met mijn broer, voor het eerst door mijn moeder werd afgezet om af te dalen in de mijn. Het mijnwerkerscafé is mijn café geworden. Ik blijf me tot vandaag de dag een mijnwerker voelen. Ik ken niet anders en kon niets anders. En omdat de geur van het café – het rook naar lekker vlees – me deed ontwaken, wist ik altijd letterlijk hoe laat het was: vier uur in de ochtend. Elke keer als ik wakker word, waar ook ter wereld, als ik mijn ogen open, zie ik de mijn voor mij. Ik proef de geur van het café. En ik ben een beetje bang. Altijd opnieuw. Het is deze angst die mij heeft veranderd van de mijnjongen Raymond Kopaszewski in de topvoetballer Kopa. Ons huisje lag achter een mijn, een typisch citéwoninkje met een kleine tuin. Daarachter stond het stadionnetje. Het waren wat trieste woonomstandigheden, tegenover ons lagen de briques noires. Maar binnen was het altijd zeer mooi: miniatuurtjes, artistiek, zoals Polen dat kunnen. Mijn cité, mijn stad, mijn huis, het leek allemaal zwart, melancholisch, stoffig. Gelukkig was er de bal! Van mijn zesde af raakte ik erdoor gefascineerd. Zonder de mijn zou ik zonder twijfel ook een goede voetballer zijn geworden. Maar niet diegene die ik nu ben geweest. Het verklaart dat ik, gedurende mijn loopbaan, ben blijven vechten tegen de nederlaag. Ik gaf altijd het maximum dat ik in mij had. Zonder mijn vlucht uit de mijn naar het voetbal, was ik nog steeds Kopaszewski.’

kopa1
Raymond Kopa speelde 45 interlands voor Frankrijk en scoorde daarin 18 maal. Hij wordt herinnerd als ‘de kleine Napoleon’, een mannetje met een breed arsenaal aan passeerbewegingen en intelligente passes. Kopa was de voetballer die evenals de Brazilianen Pelé, Garrincha en Didi het WK van 1958 de liefhebbers deed beven van emotie. Klein maar fijn.

Deze necrologie is gepubliceerd op 4 maart in NRC Handelsblad

Wanneer stopt bewondering voor Peter Sagan?

3 Mrt

Bewondering kan zomaar omslaan in verzadiging. Dan is het arsenaal aan superlatieven leeg en zijn zelfs de kenners niet meer tot een verklaring in staat. Wat nog te zeggen? Wat nog te schrijven na weer een groots vertoon van talent? Waar radio- en televisiecommentatoren zich nog konden uiten in clichématige kreten van verwondering en verbazing, zwegen de schrijvers van de dagbladen daags na de eerste Noord-Europese wielerklassiekers de Omloop Het Nieuwsblad en Brussel-Kuurne opvallend over de krachtexplosies van Peter Sagan.

Wat nu weer? Hoe moet dit nu weer verklaard worden? Nee, niet weer een lofzang op Sagans buitengewone escapades, zo hoorden de verslaggevers het strenge stemmetje in hun hoofd. Dan maar een afwijkend verhaal over de wedstrijd of over de andere deelnemers. Het zijn terugkerende dilemma’s in de sportjournalistiek zodra de suprematie van een sporter of sportploeg het punt van verzadiging heeft bereikt. Wanneer mogelijk alle verklaringen zijn gebruikt valt de analyse stil.

Indrukwekkend en verhelderend was het verhaal van Dennis Meinema dat daags vóór de openingsklassieker in NRC Handelsblad verscheen: ‘In het land van Peter Sagan’. Familie, jeugdvrienden, trainers en trainingsmaatjes uit Sagans geboorteplaats Zilina vertelden wat voor een type mens Peter Sagan was. Maar dan nog leek het niet de ultieme verklaring van het uitzonderlijke talent. Er zou meer moeten zijn.

Zijn het zijn onaangepaste gedrag, zijn rare uiterlijk, zijn moeilijk te begrijpen gebruik van de Engelse taal die hem ongrijpbaar maken? Zeker, dat telt mee. Een opvallende rare verwilderde man (geen prototype van een topsportersuiterlijk) uit een land waar wielrennen nauwelijks wordt bedreven, een man die zich niet aangepast wil gedragen en die de clown mag uithangen (mogelijk uit marketingoverwegingen) is gewoon een vreemde snuiter. Alles wat hij doet wordt gedoogd. Sterker, om hem wordt vooral gelachen.

Zoveel winnen en dan nog gek doen, wie zal het hem kwalijk nemen? Wanneer hij straks niet meer wint, zal zijn gedrag worden gebruikt om hem te bekritiseren. Maar wanneer zijn triomftochten aanhouden zal zonder twijfel een analist opstaan die verder gaat zoeken. Zoals het een journalist betaamt, toch?

Wie weet komt er iemand op het idee achter het masker en het clowneske gedrag te gaan zoeken. Er moet toch iets zijn wat tegen de afspraken van sportief gedrag indruist. Als het niet extreme lichaamsbouw of buitensporig gedrag is, dan toch zeker voedings- en medicatiepatronen. Zoals is het toch vaak gegaan met sporters die ver boven de rest uitstaken? En niet alleen bij Russen, andere Oost-Europeanen, Chinezen en ander vreemd volk, zeg maar sporters die niet werden vrijgepleit uit chauvinistische motieven.

Een nog niet ontdekt motortje in de fiets, waar de Zwitserse renner Fabian Cancellara mee werd lastig gevallen, bloedversterkers of -verversers dan wel domweg een hart- of spierversterkende chip in het lichaam. Alles is mogelijk zolang er nog niet afdoende op kan worden gecontroleerd. Verwondering kan zomaar overslaan in scepsis. En voordat je het weet wordt elk nog niet vertoonde gedraging of prestatie uitvergroot en argwanend geanalyseerd.

Jaren geleden gingen plotseling steeds meer renners met stofbrillen rijden, oogbeschermers zoals die door motorcrossers werden gedragen. De ene renner verklaarde dat de wegen steeds stoffiger werden, de ander had (gewoon) last van geïrriteerde ogen. Van de ene op de andere dag hadden steeds meer renners last van geïrriteerde ogen. Inderdaad, bloeddoorlopen ogen. Tja, die stof. Sportbrillenfabrikanten zagen er wel brood in en sloten contracten af met renners – winstgevend voor beide partijen. Totdat een sportarts uit de school klapte en mij verklaarde dat die oogirritaties het gevolg waren van het toenemende gebruik van corticosteroïden onder renners. Er zou een besmettelijk virus heersen…. Wat natuurlijk werd ontkend door renners en verzorgers. De oogirritaties verdwenen even plotseling als ze waren ontstaan, de brillen bleven en werden steeds beter en zijn nu onmisbaar.

Vreemd gedrag vraagt om onderzoek. Zo ging Peter Sagan onmiddellijk na de Omloop Het Nieuwsblad naar het toilet. Vreemd, zo meende een Belgische tv-verslaggever. Sagan pareerde de sceptische opmerking broodnuchter dat ieder mens weleens naar het toilet gin wanneer dat nodig is. Een dag later, na Brussel-Kuurne, propte winnaar Sagan zijn mond vol met gummibeertjes die door een van zijn verzorgers in een zak werden aangereikt. Vreemd, nog nooit gezien, toch?

gummibeertjes
Een Belgische journalist ging gelukkig op zoek onderzoek en ontdekte via een diëtist die onder meer de Belgische nationale voetbalploeg en de wielerploeg van QuickStep (Tom Boonen, Niki Terpstra) begeleidt dat de snoepjes koolhydraten bevatten die leiden tot snel lichaamsherstel. Veel renners krijgen na afloop een eiwitshake aangevuld met gummibeertjes en een cola. In de massagekamers zijn er volgens de diëtist ook steeds snacks voorzien, zoals een smoothie op basis van magere Griekse yoghurt en fruit bijvoorbeeld. Weer eens wat anders dan speciale (mogelijk omstreden) preparaten zoals voedingssupplementen.

Zo kun je weleens wat leren van journalisten die op onderzoek uitgaan. Maar dan nog weten we niet helemaal wat Peter Sagan zo extreem en langdurig een geweldige wielrenner maakt. Misschien is hij gewoon extreem en langdurig goed. Misschien vragen we ons over een paar maanden af waar Sagan is gebleven. Misschien blijft scepsis de wielersport achtervolgen. Misschien zwijgen de wielercommentatoren liever na al die onthullingen en beschuldigingen en zijn ze op zoek naar nieuwe superlatieven om uitblinkende wielrenners op een voetstuk te zetten. Vooral wielrennen blijft een sport vol geheimen.

Deze column is gepubliceerd op http://www.sportenstrategie.nl

Het leed van een Griekse god

22 Feb

Het waren de hoogtijdagen van Vitesse én van Nikos Machlas (1973), de Griekse spits van de Arnhemse club die het ene na het doelpunt maakte. Met zijn hoofd, met zijn linker- en rechtervoet, met intikkers, met boogballen, de ene keer glijdend naar de bal, de andere keer met een hard en strak schot. Alsof doelpunten maken hem geen moeite kostte, alsof hij ervoor geboren was. In Arnhem en omstreken spreken velen nog steeds met ontzag over de trotse Kretenzer die tussen 1996 en 1999 met zijn lange rij van doelpunten Vitesse naar de top van het Nederlandse voetbal loodste.

Zo had de ambitieuze voorzitter Karel Aalbers het zich ook gewenst, toen hij Machlas kreeg aangeboden door de Nederlandse trainer Gène Gerards van OFI Kreta. Juwelierszoon Aalbers had zich voorgenomen de aloude club (uit 1892) die hij als jongetje uit Velp door zijn vader leerde adoreren, eindelijk uit provinciale sferen te trekken en met Ajax, Feyenoord en PSV te concurreren. Daar paste niet alleen een nieuw groot en modern stadion bij, in plaats van het sfeervolle maar verouderde Monnikenhuize aan de Rosendaalseweg, maar ook spelers en trainers met statuur – ook buitenlanders.

Aalbers had er veel over kunnen vertellen, maar sinds zijn (door financiële verwikkelingen gedwongen) vertrek wil hij niet meer praten over voetbal en Vitesse in het algemeen en over zijn ‘pleegzoon’ van destijds in het bijzonder. ,,Het is al zeventien jaar geleden dat ik afscheid nam als bestuurder van Vitesse, ik kan en wil er niets meer over zeggen. Enerzijds door zakelijke belangen, anderzijds omdat het me nogal altijd pijn doet. Ik hoop dat u dat respecteert’’, zo legt hij het verzoek om herinneringen op te halen aan Machlas naast zich neer.

nikos-machlas

Het is een dilemma dat meer aanhangers van Vitesse beheerst. Wie Vitesse aanhangt heeft gemengde gevoelens. ,,Altijd als je denkt dat de club eindelijk succescol zal zijn gaat er wat mis. Dat maakt de club zo sympathiek of in het slechtste geval een cultclub’’, beweert NRC-columnist en Vitesse-supporter sinds 1980 Marcel van Roosmalen. Mopperen en juichen gaan hand in hand, ook nu in het Gelredome, de erfenis van Aalbers waar de club sinds 1998 zijn wedstrijden speelt. Zo moest Nikos Machlas leren begrijpen toen hij, gezegend met de bijnaam De Trots van Kreta, in zijn nog doelpuntloze beginperiode vanaf de tribunes op Monnikenhuize werd bejegend met de snerende kreet ‘Lachgas’.

Jorgos Sagkotzis schraapt zijn keel extra als hij wil vertellen over de eerste maanden van Machlas bij Vitesse. Jorgos, Noord-Griek uit Thessaloniki en eigenaar van het Griekse restaurant Delphi in Arnhem, weet nog hoe hij Machlas moest uitleggen wat de supporters over hem riepen. ,,’Lachgas, Lachgas? Roepen ze dat? Wat is dat?’ Nikos sprak alleen nog Grieks. Ik moest zeggen dat ze hem uitlachten. Nikos was er heel verdrietig om. Want hij was een hele gevoelige jongen. Hij begreep niets van de Nederlandse mentaliteit, van de taal. En hij deed toch zijn best? Karel Aalbers beschermde hem, zeker, als zijn mooiste juweel. Maar alleen met taal kun je iemand helpen. Nikos was hier alleen. Hij had mij en niemand anders. Ik moest hem gerust stellen: ‘het komt goed jongen, Nederlanders zijn anders dan Grieken, jij hebt gescoord in Griekenland, dat ga je hier ook doen.’ Ik kende hem, ik had hem zien spelen bij OFI, en met een team van Europese All Stars tegen AC Milan. Man, man, hij was zo goed. Veertig interlands toen al. Het zou hier ook goed gaan. Dat vertelde ik hem en dan omhelsden we elkaar, als echte Grieken. Hij was vaak in tranen, echt waar. Vaak begrijp ik niet waarom men zo nodig buitenlanders, mensen uit een andere cultuur, hierheen moet halen. En vervolgens worden ze niet goed opgevangen, vooral omdat ze niet worden begrepen.’’

Jorgos vertelt dat hij in de zomer van 1996 werd benaderd door een Vitesse-bestuurder om Machlas op te vangen. ,,Vitesse had een trainingskamp in Zierikzee. OFI Kreta, de club van Nikos, was in Hamburg op stage. Ik moest naar Zierikzee om Nikos op te vangen. De eerste oefenwedstrijd was in Zeeuws-Vlaanderen, tegen Hoek. Nikos kreeg een schop tegen zijn enkel. Dat zag er slecht uit. Ik bracht hem naar Arnhem waar hij nog geen onderkomen had en leverde hem af in het ziekenhuis. Die jongen was in paniek. Hij huilde. Niemand begreep hem. Niemand ving hem op. Het viel mee, maar op de eerste trainingen werd hij natuurlijk getest. Raymond Atteveld, Theo Bos en anderen probeerden hem uit met grove tackles. Niemand greep in. Nikos was bang. En hij was toch de grote ster, moest die dan aangepakt worden? Dat was hij niet gewend in Griekenland, daar was hij de ster. En dan woonde hij ook nog eerst in een hotel en later in Duiven, met zijn vrouw, een dorp waar niemand hem verstond.’’

Gelukkig kon hij terecht bij Jorgos, waar hij vaak in het restaurant kwam. Uiteindelijk werd Delphi een plek waar alle Vitesse-spelers en trainers bij elkaar kwamen. En nog, zegt Jorgos, en hij wijst naar de tafels waar ze allemaal hebben gezeten en vertelt over de telefoontjes die de spelers van toen nog steeds plegen. Jorgos vertelt over de manier waarop hoofdtrainer Leo Beenhakker met Machlas omging. ,,Die zat daar maar hoofdschuddend te kijken wat Nikos allemaal niet goed deed. Hij vond het maar niks. Een miskoop, zei hij hardop tegen de pers. En hij deed ook niks om hem beter te maken. Frans Thijssen was assistent en die zag alles, die wist meteen hoe het moest. Maar Beenhakker, nee.’’

Thijssen, de ongekroonde kap- en draaikoning van het Nederlandse voetbal die furore maakte bij onder meer NEC, FC Twente, Ipswich Town, Nottingham Forest, Vitesse en het Nederlands elftal (14 keer), zag inderdaad wat Machlas kon en ontbeerde. ,,Zelfvertrouwen. Als je weet dat zo’n speler scorend vermogen heeft, dan moeten de trainer en de medespelers daarop inspelen. Beenhakker was meer het type dat spelers eigen verantwoordelijkheid gaf: als je het wilt maken, dan moet je dat laten zien. Ik herkende veel in Machlas. Ik ging van Nederland naar Engeland. Dat was verschrikkelijk, in een andere cultuur. Ik zocht ook Nederlanders op en ik zou ook een Nederlands restaurant hebben opgezocht. Je wilt gewoon mensen vinden die je begrijpen. Nikos was gewoon een hele aardige, fijne jongen, die er niets van begreep. Ik ging met hem praten, dat is ook de taak van een assistent-trainer. De hoofdtrainer stelt op en denkt na over systemen. Ik zag wat Nikos nodig had, mensen om hem heen die hij vertrouwde. En dan word je ook nog binnengehaald als vedette, de man die het meest verdient en vanwie het meest wordt verwacht. Nou, dat is heel lastig.’’

Het werd dus een lastig begin voor Nikos Machlas, slechts acht doelpunten in het eerste seizoen. Aalbers werd ongeduldig, Beenhakker had andere dingen aan zijn hoofd, de supporters begrepen niet veel van die rare Griek met zijn kapsones. De pers kwam op hem af met kritische vragen die hij niet begreep en al helemaal door de taalbarrière niet kon beantwoorden, de familie (overgekomen uit Griekenland, zoals zijn oom, een bisschop) zag hem schutteren. Beenhakker had hogere ambities en vertrok naar Feyenoord. Zijn opvolger Henk ten Cate zag wél wat in Machlas, paste de speelstijl aan en kreeg de Griek aan het scoren, vooral dankzij de aanwezigheid van de Servische spits Dejan Curovic, de Servische schaduwspits Marko Perovic en de aanvallende linksback Marc van Hintum. Machlas, Curovic en Perovic namen dat seizoen 75 procent van de 85 doelpunten voor hun rekening. Machlas scoorde 34 maal en werd Europees topscorer. Vitesse eindigde dat seizoen als derde.

Jorgos Sagkotzis: ,,Een heilige drie-eenheid. Op Kreta werden vijfduizend Vitesse-shirtjes verkocht met de naam Machlas, rugnummer 9 en het logo van de Gouden Schoen. Aalbers sloot een contract een Griekse winkelketen met 380 filialen over de verkoop van Machlas-attributen. Vitesse en Machlas werden rijk. In het volgende seizoen moest het weer gebeuren. Er werd misschien beter en veel mooier gevoetbald onder de nieuwe trainer Herbert Neumann, maar die zag het niet zitten in Perovic. Machlas scoorde toch weer 18 keer. De weg lag open naar een grote carrière in het buitenland.’’

ÓÏÕÐÅÑËÉÃÊÁ / ÐÁÍÉÙÍÉÏÓ-ÏÖÇ / SUPERLEAGUE / PANIONIOS-OFIMachlas droomde van de Champions League, waar Vitesse niet aan toe was gekomen. Aalbers vroeg 40 miljoen gulden voor de Griek, maar geen club wilde dat bedrag betalen. Machlas had altijd gedroomd van een club met internationale allure: AC Milan met name, het werd tenslotte Ajax de club die hij als jongetje had zien schitteren. ,,Hij wilde een loopbaan als Marco van Basten’’, weet Jorgos, ,,zijn grote voorbeeld’’. Machlas koos voor Ajax, tot grote teleurstelling van Aalbers, vooral omdat Ajax ‘slechts’ 19 miljoen over had voor de Griek.

Yannis Anastasiou, nu trainer van Roda JC, kent Machlas al vanaf 1992. Ze maakten samen deel uit van de Griekse selectie onder 20 jaar en zijn sindsdien bevriend. Toen Machlas naar Vitesse ging werd Anastasiou zijn opvolger als spits bij OFI Kreta. ,,Ik kwam in 1999 bij Anderlecht in Brussel. Nikos speelde bij Vitesse. We zochten elkaar op, in Arnhem of in Brussel. Onze vrouwen werden vriendinnen. Nikos’ vrouw is peettante van onze dochter. Hij was niet gelukkig in Arnhem. Hij ging naar Ajax, ik naar Roda, we bleven contact houden. Maar Nikos had altijd heimwee naar Kreta, zeker in Amsterdam. Hij werd steeds ongelukkiger. Kretenzers kunnen alleen op hun eiland leven, nergens anders. Nikos is bovendien een zeer gevoelige man, hij wil voortdurend warmte om zich heen, hij lacht pas als hij begrepen wordt. Dat werd hij bij Ajax nooit, ik heb ook bij Ajax gevoetbald, het is geen warme club, het is een club die alleen aan successen denkt. Nikos dacht dat hij een ster was, maar bij Ajax dachten ze daar anders over. Daar was concurrentie, op alle fronten.’’

David Endt was destijds elftalbegeleider bij Ajax. Hij zegt al vanaf het begin dat Machlas en Ajax niet op hetzelfde spoor zaten. ,,Danny Blind was trainer. Hij rekende zich rijk met de komst van een scorende spits. Maar hij en Ajax vergaten dat Machlas bij Vitesse kon schitteren dankzij Curovic en in mindere mate Perovic. De spelstijl lag Machlas niet. Aan de andere kant werkte Machlas niet echt mee, hij voelde zich de vedette mede omdat hij de duurste speler was. Hij op Nederlandse les? Hoe kom je erbij? Hij leefde in zijn eigen wereld. Alles moest voor hem geregeld worden. En als de trainer of de andere spelers hem niet begrepen was dat hun schuld. Hij was altijd overtuigd van zijn gelijk. Toen Co Adriaanse trainer werd verbeterde er veel. Machlas had concurrentie van Mido en Zlatan, maar Machlas was heel lang eerste keus, hij kreeg het vertrouwen. Hij scoorde ook wel: 18 keer, 14 keer, 14 keer. Maar hij was moeilijk te coachen, het moest allemaal om hem draaien: de Koning van Kreta.’’

Endt mocht hem graag: ,,Zo’n charmante jongen. Hij had een lach die je kon doen smelten. Hij kon klagen als een klein kind, dan had ik medelijden met hem. Gauw verongelijkt. Ik maakte de indeling van de parkeerplaatsen. Ik had hem op nummer 35 gezet. Hij was woedend. Waarom niet op 12, dicht bij de poort, dan hoefde hij niet zo ver te lopen? De belangrijkste speler op 35, hoe verzin je zoiets? Hij kon de strijd met Zlatan en Mido uiteindelijk niet aan, hij verloor elke slag. Hij had ook geen superconditie. Er miste iets. Hij was niet gemotiveerd. Op de training klaagde hij over de harde aanpak van andere spelers, Nikos wilde een beschermde status.’’

Machlas werd na drieëneenhalf seizoen op aandringen van de nieuwe trainer Ronald Koeman uitgeleend aan Sevilla. Een vernedering, zo voelt Endt het nog steeds. Hij kwam er niet aan spelen toe. ,,Toen zijn rijbewijs werd afgepakt wegens te hard rijden, eiste hij dat zijn werkgever, nog steeds Ajax, dat ongedaan maakte. Zo hoort dat, vond hij, in Griekenland doen ze dat met sterren. Ik zei nog: ‘neem een chauffeur’, maar hij was diep beledigd. Ik had met hem te doen, maar kennelijk is hij toch te veel door de Griekse mentaliteit verpest. Hij was een Griekse god en die diende aanbeden te worden.’

Bij alle mensen die Nikos Machlas kennen komt het terug: hij was een charmante man die heel goed kon voetballen, maar zich niet begrepen voelde. Yannis Anastasiou, zijn vriend, heeft nog weleens contact met Machlas die na Sevilla terugkeerde naar Griekenland, via Iraklis Saloniki, OFI Kreta, het Cypriotische Apoel Nicosia en uiteindelijk voorzitter/eigenaar werd van zijn jeugdclub OFI Kreta. Ook die functie bekleedt hij niet meer. Anastasiou: ,,Hij is bezig met een jeugdacademie, daar stort hij zijn ziel en zaligheid in. Nikos houdt afstand van de wereld van vroeger. Hij is gescheiden, heeft een nieuwe vriendin en boven alles heeft hij zorgen om zijn oudste zoon van 17 jaar, die vorig jaar mei een zware hartoperatie in Duitsland heeft moeten ondergaan. Ik ben met mijn vrouw nog naar Hannover geweest om hem te steunen.’’

Anastasiou wil benadrukken hoe groot het hart van Nikos Machlas is. ,,We zijn een keer naar Parijs geweest voor een wedstrijd Paris St. Germain, konden we de oud-Ajacieden Zlatan en Maxwell nog eens ontmoeten. Na afloop vroeg Nikos aan Zlatan een shirt om aan de dokter die Nikos’ zoon heeft geopereerd te geven. Zo trots en dankbaar heb ik Nikos nooit gezien. Ik stuur hem berichtjes, soms krijg ik antwoord, soms niet. Ik ken hem, hij is een jongen van Kreta, gevoelig, die zich alleen thuis voelt op zijn eiland, in Heraklion.’’

Telefoontjes naar Nikos Machlas worden niet beantwoord. Yannis Anastasiou: ,,Ik breng hem wel de groeten over uit Nederland, dat zal hem goed doen.’’

Jorgos Sagkotzis: ,,Vandaag of morgen staat hij zomaar voor mijn neus. Dan omhelzen en zoenen we elkaar. Ik zal hem nooit vergeten, niemand hier in Arnhem. Hij heeft ons de mooiste momenten van Vitesse bezorgd. Kent u Grieken? We mopperen en klagen veel, net als Arnhemmers, maar diep van binnen zijn we fijne mensen die het alleen naar hun zin hebben als ze worden begrepen.’’

Dit verhaal is gepubliceerd in de VI Special: Buitenlandse sterren in Nederland. Met verder verhalen, portretten en interviews met en over Romário, Milko Djurovski, Ove Kindvall, Mihai Nesu, Helmuth Rahn, Jesper Olsen en anderen

%d bloggers liken dit: