Dit is de zevende aflevering in de serie Wereldbekerbrieven over spelers, scheidsrechters, coaches en supporters (mensen die zich op het WK onderscheiden door sportief maar ook door onsportief gedrag). De Belgische sociaal betrokken voetbaljournalist Raf Willems en ik voeren een briefwisseling voor de website De Aanvoerders. (http://www.deaanvoerders.nl/nieuws)
Hier Rafs antwoord op mijn brief over scheidsrechter Bakary Gassama.
Waarde Guus,
Hashtag=WorldCupKiss. Hierover vertel ik je vandaag. De Iraanse journaliste Negar Mojtahedi schreef de dag na Argentinië-Iran op de gezaghebbende website The Huffington Post: ‘Een Iraans koppel, waarvan de vrouw de vlag op haar hoofd droeg, wisselde een kus uit met elkaar. Het statement was gemaakt. De foto werd verspreid over de hele wereld via de weg van de sociale media, onder de hashtag = WorldCupKiss.’ Het gebeurde voor aanvang van het duel, het statement was inderdaad gemaakt: kussen in het openbaar is verboden in het ‘Iran van de imams’.
Een Iraanse vrouw verscheen in beeld, met rood-wit-groene strepen in het aangezicht. De NOS-commentator beschreef haar als ware ze een visioen. Hij zei: ‘In Iran is het niet mogelijk dat vrouwen naar het stadion komen om sportwedstrijden te bekijken.’
In Iran is het ook niet mogelijk dat televisiekijkers met de aanwezigheid van vrouwen in een stadion worden geconfronteerd, want de overheid censureert en zendt met enige vertraging uit. De Iraanse fans in Belo Horizonte waren voornamelijk dissidenten die het land noodgedwongen de rug toegekeerd hadden na de islamistische staatsgreep van Ayatollah Khomeini in 1979. Van toen af was het gedaan met de vrouwenrechten, met de democratische rechten en vrijheden tout court.
Op de dag van de wedstrijd verscheen een oproep van Rousari Sefid-ha, een groep van vrouwelijke activisten onder invloed van mensenrechtenstrijdster Leila Mouri die zich tooien met witte hoofddoeken met daarop de leuze ‘Mijn deel? De helft van Azadi!’. Azadi, dat weet je waarschijnlijk wel, Guus, is de naam van het nationale voetbalstadion dat ironisch genoeg in de Perzische taal ‘vrijheid’ betekent. In april 2006 publiceerde de beweging Rousari Sefid-ha een manifest om zonder enige begrenzing vrouwen toe te laten in Azadi.
Ze deed dat in het kader van haar deelname aan de clandestiene prent ‘Off-Side’ van Jafar Panahi, de cinefiele criticus van de religieuze dictatuur in zijn land. Hij valt vaak in de internationale prijzen met zijn ironische films. Zo geschiedde ook met Off-Side, dat het verhaal brengt van een meisje dat als jongen verkleed in het stadion probeert te glippen om de wedstrijden van Iran te zien. Als ze gesnapt wordt, komt ze in een open cel terecht om van daaruit naar het politiekantoor te worden overgebracht. Op ludieke wijze kegelt Panahi deze ridicule regel omver: ‘Hoe kan je iemand het recht om een voetbalmatch te zien, ontzeggen?’
Guus, ik begrijp het niet. De aanhangers van Rousari Sefid-ha waren op het WK van 2006 in Duitsland aanwezig en ze betoogden op hetzelfde ogenblik in Teheran. De religieuze politie sloeg hun demonstraties uit elkaar. De vrouwen riskeerden zware straffen omdat ze toch in het nationale stadion Azadi proberen te komen: met platgedrukte borsten, gladgeschoren schedels en slobberige mannenkleren.
De beweging bestaat sinds de kwalificatie van Iran in december 1997 voor het WK van 1998. Duizenden fans kwamen toen op straat en vrouwen gooiden in het openbaar hun hoofddoek af en stroomden tussen de mannen het Azadi in. Het is intussen een beproefd recept geworden bij grote overwinningen van het Iraanse nationale elftal. Telkens scanderen de voetbalfans dan ‘zindibad azadi’ of ‘lang leve de vrijheid’. Steeds meer vrouwen mengen zich onder de demonstranten. Eén vrouw deed het opnieuw, net voor Argentinië-Iran, met haar Hashtag=WorldCupKiss.
Noem het mijn schrijn, het nachtkastje waar ik op uitkijk als ik op mijn kussen zit. Ik adem de geur in van wierook, adem weer uit en zie voor het eerst mezelf. Daar voor me. Ben ik dat? Ja, dus. Een wereld gaat voor me open.
Ik ontwaar boeken met titels als Op Karakter, De Verstopte Mens, Geduld, Altijd Verder, The Shambhala Principle, De cultus van het lijden, Bekentenissen van een gemaskerde, De taal van de gevoelens,, Je moet je leven veranderen en Waarover praten wij als wij over liefde praten. Een Oscar-beeldje met op de voet een inscriptie: ‘de beste vader van de hele wereld’. Een beeldje van een comboy, een relatiegeschenk voor journalisten ter gelegenheid van het wereldkampioenschap wielrennen 1986 in Colorado Springs. Daarnaast door tekenaar Siegfried Woldhek geschonken portretten. Een waarop ik als een psycholoog de bokser Muhammad Ali analyseer en een van Ali alleen, een man die me indringend aankijkt.
Daarnaast een afscheidspagina voor mij als sportverslaggever van NRC Handelsblad, bijeengeschreven door collega’s. ‘Diasporamens, tastend naar ‘t onbestemde’, staat boven een portret dat de Belgische collega Raf Willems voor me schreef. ‘Overal en nergens thuis’, voegde hij er aan toe.
Herkenning streelt mijn ego. Moet ik dat negeren? Omdat ik het ego los zou moeten laten, om me vrijer te voelen. Zoals me dat elke keer weer als oefening wordt aangereikt in boeddhistische geschriften.
Hoewel ik al enige tijd zowat elke dag tegenover mijn schrijn mijn stroom van gedachten voorbij laat gaan en vriendelijk tegemoet probeer te treden, is nog niet eerder bovenstaand beeld bij mij binnengedrongen. Waarom niet eerder? Komt dat door wat mij tijdens Shambhala-trainingen en -cursussen werd voorgehouden? Ontspan je, zit als een rots waar rondom water aan- en afstroomt, laat het gaan – en je wordt onverwachte ervaringen gewaar en krijgt onvermoede ontmoetingen. Ik las Het pad is het doel van Chögyam Trungpa en dacht: ‘dat zou mooi zijn’. En het was mooi: verbaasd en verstomd was ik. Laat los en het komt op me af.
De sportbeleving die mij obsedeerde en mij nog veel vreugde, opwinding en vertwijfeling verschaft maar ook weer tot contemplatie (overdenking) aanzet, omdat het me als verslaafd voorkomt (die dilemma’s dus), staat op een paar meter afstand voor mijn wierook snuivende neus, geflankeerd door boeken die mij eerder duidelijk hadden kunnen maken waarom ik ben wie ik ben.
Joop Alberda, invloedrijk en bekroond sportcoach en sportleider, zei het zo, toen ik hem vertelde dat ik op het boeddhistische pad terecht was gekomen: ,,Zo meanderen we voort. Zoeken doen we allemaal. Het is je gegund.” Het werd me gegund – dus niet afgeraden.
Het werd mede daarom een mooi gesprek met Alberda, met wie ik voor NLcoach interviews deed over de weg die mensen op allerlei gebied hebben afgelegd voordat ze ‘helden’ werden. Met Jaap van Zweden, Hans van Manen, Jan Marijnissen, Mart Smeets, Dirk Scheringa, Youp van ’t Hek, Herman Wijffels en anderen. Alberda weet hoe mensen succesvol kunnen worden. Maar hij beseft ook dat mensen met minder talenten in problemen raken zodra zij verwachtingen niet (meer) waarmaken. Hoe en waarom mensen zichzelf tegen kunnen komen.
Ik vertelde Alberda over mijn verworven inzicht dat verliezers in de media steeds sneller als mislukkelingen worden neergezet. Zoals ik vroeger als journalist regelmatig deed: wie een fout maakte, veroordeelde ik in mijn verslagen voor de krant harteloos.
Blunders! Hoe vaak heb ik die kwalificatie niet gebruikt om van mijn afkeer van sporters die in de fout gingen te getuigen? Sporters dienden in mijn beleving als recenserende verslaggever perfect te zijn, aan mijn verwachtingen te voldoen. Wie niet perfect was of de uitvoering niet ‘naar behoren’ volbracht, deugde niet.
Door meditatie en contemplatie leer ik anders kijken en luisteren naar wat zich om mij heen afspeelt. Zonder oordeel mensen bezien, zoals sportmensen die al hun talenten aanwenden om te tonen wat ze kunnen, hoe goed ze zijn: kijk ze eens bezig zijn. Verwondering, vooral zonder oordeel kijken, is mooier dan kritisch kijken. Mooier dan wachten totdat een fout wordt gemaakt om dan de foutenmaker te diskwalificeren als mislukt of dom.
Bij boosheid dreigt afsluiting, zo merk ik. Openheid en verwondering geven vrijheid en ontspanning. Zoals ik op mijn kussen vrijheid ervaar, daardoor de attributen op het nachtkastje ontwaar en zomaar een beeld van mezelf zie.
Straks als ik naar een sportwedstrijd kijk ga ik mogelijk weer spontaan, primair reagerend, geschokt door onvermoede oerdriften, te keer tegen mensen wier spel of gedrag mij niet bevalt. Om me dan ook de volgende dag nog eens te ergeren aan de verslaggevers die het anders hebben beleefd dan ik, en vaak de verliezers afvallen – zoals ik voorheen vaak deed.
Geen emotie blijft mij vreemd. Sterker: ik raak er steeds meer bekend mee en kan ze daardoor steeds beter duiden. Maar hoe bevrijdend zou het zijn als ik ieder zijn fouten gun, ieder zijn smaak en mening schenk. Laat ze toch (Let it be). Verwonder je, aanvaard ieder mens, iedere smaak of mening. Het maakt niet alleen vrijer, het verheldert en biedt nieuwe inzichten. Zo heb ik ervaren.
Fundamentele Goedheid zit in ieder mens, zo proberen mijn Shambhala-leraren mij te overtuigen. En ik wil het graag zien en beleven. Hoe moeilijk dat ook is. Iedereen doet wat hij niet laten kan, gedreven door angst en ambitie. Angst om te verliezen, ambitie om beter (succesvoller, rijker) te zijn dan een ander. Ik zie het vooral in de sport. Maar dat is de sport, gelegitimeerd eigenlijk. Zodra ik naar andere geledingen in de samenleving kijk, zie ik dezelfde diskwalificaties. Wie niet ‘spoort’, niet voldoet aan de verwachtingen en aan het beeld van de perfecte mens beantwoordt, wordt in de hoek gedreven van mislukkelingen.
Voordat ik op mijn kussen mediterend rust vond, hoorde ik nog niet de vogels, de wind en andere natuurgeluiden. Ik hoorde een boor, motoren, krijsende kinderen. Ik werd boos van het lawaai dat mensen aanrichtten. Toen daalde vaak de vrede neer. In mij. Ik landde. Het werd stil. Iedereen mocht doen wat hij wilde. Ik voelde een glimlach. Wat een verademing. Wat een rust in mijn hoofd.
Straks zit ik weer voor mijn schrijn. Dan zie ik mogelijk weer mezelf. Maar misschien wat anders. Dat elk moment anders is, dat het ook bij andere mensen zo is. Dat iedereen zijn eigen momenten beleeft. Zichzelf probeert te zijn, houvast zoekt en dat niet in de hand heeft.
Vandaag scoren lionel Messi en Robin van Persie, morgen scoren Cristiano Ronaldo en Arjen Robben. Vandaag worden zij vereenzelvigd met God, morgen met de vuilnisman, erger: de duivel. Niets meer waard, verstoten. Mensen, met een groot talent, maar mens. Ik bewonderde Tiger Woods om zijn golfvaardigheden. Journalisten en supporters konden niet genoeg van zijn prestaties krijgen. Vrouwen drongen zich op, gokpaleizen trokken zijn aandacht. Hij was rijk, had een mooie vrouw, leuke kinderen en bereikte de ene na de andere mijlpaal. Hij was God, in ieder geval zijn naaste.
Woods raakte verslaafd aan aandacht, seks, aan altijd de beste zijn. Zijn vader, een oud-Vietnamstrijder die van hem van jongs af aan alleen het allerbeste eiste, overleed. Tiger raakte van slag door de dood van zijn meester. Hij sloeg de bal niet meer zoals hij gewend was. Het leven zonder zijn vader die alleen records verlangde, werd ondraaglijk.
Hij sprong uit een vliegtuig en wachtte zo lang mogelijk met het openen van de parachute, putte in opperste verdwazing zijn geest en lichaam uit en overbelastte daarbij zijn spieren, ledematen en gewrichten, met blessures tot gevolg. Hij werd gek zonder zijn goeroe, zijn strenge vader. Hij was de identiteit kwijt die zijn vader en vervolgens zijn bewonderaars hem hadden toegekend. Zijn Thaise moeder herinnerde hem aan zijn boeddhistische opvoeding en hield hem voor zachtmoedig voor zichzelf te zijn. Dan maar niet de beste. Nog steeds is Tiger zoekende, naar zijn leven, zijn identiteit (wie is hij echt?), met en zonder records.
Ik verlang terug naar de prestaties van Tiger Woods. Naar zijn fraaie swings, naar zijn indrukwekkende, zelfverzekerde houding, naar wat ik niet kon en hij wel. Maar als Tiger niet terugkeert aan de top, zal ik met een open geest naar hem kijken en mezelf toefluisteren: ,,Kijk, hij is een mens net als jij, een mens van vlees en bloed.”
Deze column staat in verkorte vorm op de zomeruitgave van de website van De Vrienden van het Boeddhisme: http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/ Guus van Holland is vriend van de Shambhala-sangha in Leiden.
Dit is de zesde aflevering in de serie Wereldbekerbrieven over spelers, scheidsrechters, coaches en supporters (mensen die zich op het WK onderscheiden door sportief maar ook door onsportief gedrag). De Belgische sociaal betrokken voetbaljournalist Raf Willems en ik voeren een briefwisseling voor de website De Aanvoerders. (http://www.deaanvoerders.nl/nieuws)
Hier mijn antwoord op Rafs brief over Serey Die.
Waarde Raf,
Emoties, Raf. Mensen hebben ze in alle soorten en maten. Ik dus ook, vaak en zo extreem dat mijn hoofd ervan gaat tollen, ik ga zweten, mijn hart in de hoogste versnelling schiet, bang ben het niet meer aan te kunnen en om mij heen tast naar psychiatrische hulp. Ten einde raad ga ik mediteren. In de hoop dat ik (mijn geest en lichaam) tot rust kom en ik mijn emoties kan duiden.
Enkele jaren geleden besloot de bedrijfsarts mij na een burn-out psychologisch te laten onderzoeken. De test leidde tot een resultaat dat mij moest doen inzien dat ik mijn emoties moest leren filteren. Mijn zintuigen raakten bij voortduring overbelast, omdat ze te open stonden voor indrukken (als bij een alarmist) en ik daardoor de controle over mijn emoties verloor.
De ‘zeef’ die door een psychiater werd aangereikt, heb ik na enkele sessies afgeslagen. Dan maar te emotioneel. Zoals het me nu weer overkomt bij het voelen van de opwinding die voetbal teweegbrengt. Rationaliseren, relativeren dan wel negeren heeft geen zin. Zo ben ik nu eenmaal.
Toen ik zelf voetbalde, kon ik ook vaak mijn zinnen verliezen. Daarom wil ik voetballers van nu, spelend op een WK, wel begrijpen. En dan weet ik niet eens onder welke druk ze staan, opgelegd door de dolle opportunistische supporters, de betweterige vertegenwoordigers van de media en de talloze analisten. Er gaat wat adrenaline door het lijf van die voetballers.
En dan scheidsrechter zijn te midden van die opgewonden standjes die koste wat kost moeten winnen. Ik moet er niet aan denken. Ik zou het niet kunnen met mijn wankele gemoed. Of ik moet mijn emoties toch eens intensief leren filteren. Of nog meer mediteren?
Deze overpeinzingen woelen sinds het begin van het WK door mijn hoofd. Vooral nadat de Japanse scheidsrechter Yuichi Nichimura in de openingswedstrijd een beslissing nam ten gunste van thuisland Brazilië en ten nadele van Kroatië. Zou hij nu echt, zoals velen menen, op gezag van de organisatie en de FIFA de Brazilianen hebben bevoordeeld door zomaar een strafschop te geven? Mensen die onder druk staan doen rare dingen, Raf.
Als ik scheidsrechter was zou ik Bakary Gassama willen zijn. Als een op een WK debuterende scheidsrechter, nota bene uit Gambia. Eén dag maar, één wedstrijd maar. Zoals van Nederland-Chili. En dan gewoon doen wat je moet doen. Je niet laten leiden door emoties. Niet kijken naar namen en rugnummers. Wanneer de Nederlander Arjen Robben zich weer theatraal laat vallen en wanneer de Chileen Alexis Sanchez om een gele kaart vraagt, weet je niet eens wie dat zijn, sterker: welke roem ze hebben vergaard.
Het zijn allemaal slechts voetballers, en van allemaal wordt respect voor tegenstander en arbitrage verwacht. Maar in het vuur van de strijd zijn ze allemaal mensen, giert de adrenaline ongedoseerd door hun lijf, spelen onvermoede oerdriften op en hebben ze al gauw het motto Fair Play verdrongen.
De roep om videoarbitrage is groot. Maar ook met teruggedraaide tv-beelden wordt het spel waarschijnlijk niet vredelievender. De Rotterdamse filosoof Gijs van Oenen opperde eens de scheidsrechter af te schaffen. Net als bij straatvoetbal. Er ontstaat wat discussie, maar de spelers lossen het zelf op. ,,Spelers maken zichzelf wijs dat een overtreding mag, wanneer zij niet wordt opgemerkt of bestraft. Dat is het negatieve effect wanneer je mensen aanstelt om te oordelen over zaken die je zelf ook wel weet.’’
Ik vrees dat er oorlog op het veld uitbreekt. Maar ik begrijp zijn standpunt: scheidsrechters doen het toch nooit goed. Soms wel, zoals Bakary Gassama. Hij is mijn Aanvoerder dit keer. Een man die op die ene dag iets in zich had wat veel scheidsrechters van welke faam en naam ook vaak ontberen. Kalmte en overzicht. En dat onder immense druk. Scheidsrechter zijn, ik zou niet kunnen en toch niet willen. Ik laat me niet in de luren leggen door duikers, glijders en toneelspelers van welke naam en faam dan ook.
Ik ben niet gek. Dat weet jij ook wel, Raf.
Dit is de vijfde aflevering in de serie Wereldbekerbrieven over spelers, scheidsrechters, coaches en supporters (mensen die zich op het WK onderscheiden door sportief maar ook door onsportief gedrag). De Belgische sociaal betrokken voetbaljournalist Raf Willems en ik voeren een briefwisseling voor de website De Aanvoerders. (http://www.deaanvoerders.nl/nieuws)
Het antwoord van Raf op mijn brief over de Chileense supporters:
Waarde Guus,
Je vraagt me om samen met jou het Chileens volkslied te zingen? Ik voel me vereerd maar ik betwijfel sterk of het een goed idee is. Ik veroorloof me even een persoonlijke ontboezeming.
Mijn vrouw Leen – and love of my life – werkt als verpleegkundige in een zorgcentrum voor mensen die lijden aan de ziekte van Alzheimer. Daar ontwierp ze met twee collega’s een muzikaal dementieproject dat was gebaseerd op een documentaire die ze had gezien over het werk van Oliver Sacks, de beroemde Britse onderzoeker. Die toonde aan hoe muziek een helende rol kan spelen bij mensen met geheugenverlies. Vanuit die inspiratie richtten ze – what’s in a name – The Homesisters op, een coverbandje met klassiekers uit country, pop en folk van de jaren vijftig tot vandaag. Drie vrouwenstemmen – hoog, laag en midden – met mannelijke begeleiding op akoestische gitaar. Met mij als presentator, lees:flauwe grappenmaker van dienst.
The Homesisters treden op voor zorgcentra en hun bejaarde bewoners en verzorgen ook de muzikale omlijsting van mijn voordrachtentour ‘Hoe kan voetbal de wereld redden?’. Wat is de running gag van de band? Omdat ik me geregeld probeerde op te dringen als vierde stem bij een refrein, luidde het antwoord van The Homesisters altijd: ‘Enkel als je micro afstaat.’ Dus, neen waarde Guus, laten we dat samen zingen nog maar even vergeten. Het Chileens volkslied gaat zeker mijn petje te boven.
Ik leg echter wèl een link van Oliver Sacks naar Serey Die, speler van Ivoorkust.
Emotie. Muzikale emotie. Oliver Sacks, de Britse professor in de neurologische wetenschap aan de New York University, schreef er een baanbrekend boek over: Musicopholia. Tales of Music and the Brain. Vertellingen over muziek en het menselijk brein. Sacks onderzocht wat muziek met de mens doet en ontdekte hoe melodie of ritmiek op een mysterieuze wijze het brein én daarom de hele mens beïnvloedt. Hij besloot: ‘All of us have music in our heads.’
Daaraan dacht ik toen Serey Die bij het Ivoriaanse volkslied zijn aandoening met de wereld deelde. Toen het publiek in het stadion – voor het merendeel Colombiaanse fans – de beelden op scherm te zien kreeg, volgde een spontaan en empathisch applaus. Het sentiment van Serey was authentiek en dat werd op die wijze herkend en begrepen door de ‘vijandige’ supporters.
Emotionele breekbaarheid hoort bij het voetbal, vandaar het universele succes van een song als You’ll never walk alone. Een optreden tijdens een Wereldbeker verhevigt blijkbaar de passionele betrokkenheid en een nationale hymne roept gevoelens op van eenheid. Een vorm van eenheid die het best kan worden samengevat door het Engelse begrip ‘unity‘. Dat is een verklaringsmodel voor de tranen van Serey.
Een tweede verheldering kan liggen in de specifieke Ivoriaanse context. Het land balanceerde het voorbije decennium enkele keren op de rand van een burgeroorlog. Onder aanvoering van de charismatische Didier Drogba bedaarden Les Eléphants soms de overkokende gemoederen. Dankzij de ‘Olifanten’ verzoenden vijandelijke bevolkingsdelen zich enkele keren met elkaar. Daarom betokkelt elk optreden van Ivoorkust de gevoeligste snaar. Dat bleek uit de wijze waarop ploeggenoten Zokora, Aurie en Tioté zich meteen ontfermden over de man met de blondgele mohawk op de kale schedel.
De wenende Serey Die is een beeld dat verbonden zal blijven met Brazil 14. Omwille van het waarachtige, het broze en het diepmenselijke. Waarom beweegt de combinatie voetbal en muziek ons tot tranen toe? Vroeg of laat zingen we samen een voetbalsong, Guus, dat spreekt! Met The Homesisters op de achtergrond.
Dit is de vierde aflevering in de serie Wereldbekerbrieven over spelers, scheidsrechters, coaches en supporters (mensen die zich op het WK onderscheiden door sportief maar ook door onsportief gedrag). De Belgische sociaal betrokken voetbaljournalist Raf Willems en ik voeren een briefwisseling voor de website De Aanvoerders. (www.deaanvoerders.nl)
Goede vriend Raf,
Veel dank voor je portret van Mario Balotelli. Nu eens niet kortzichtig neergezet als een donkere duivel, maar – zoals ik zelf al eens meermalen heb geprobeerd – psychologisch geanalyseerd door de Engelse biograaf en historicus John Foot. Met verwijzing naar de Italiaanse radicale psychiater en neuroloog wijlen Franco Basaglia (1924-1980). Zoals het hoort: diepgang. Op zoek naar de kern.
Foot (hoogleraar moderne Italiaanse geschiedenis in Bristol) schreef trouwens in 2011 een fenomenaal boek over het Italiaanse wielrennen Pedalare. Pedalare. A History of Italian Cycling. En Calcio. A History of Italian Football. Zoals je al schreef in je brief over Balotelli. Zijn boek over Basaglia en diens radicale visies en experimenten verschijnt trouwens dit jaar in het Engels en Italiaans. Maar dat terzijde, vriend Raf. (http://www.anxiety2014.org/programme/visual-arts/acting-out-the-institution-denied-professor-john-foot-on-franco-basaglia)
‘Basaglia zou van Balotelli houden en hem het vertrouwen geven’, citeer ik Foot. Nog mooier: ‘Voor hem (Basaglia) stond de mens centraal en hij zocht de oorzaak van de waanzin eerder in zieke sociale relaties dan in hersenbeperkingen.’ Zo treffend, zo ontroerend. Ik wou dat meer voetbalvolgers, en vooral de supporters met hun primaire kwalificaties en verwijten en de opportunistische voetbalcommentatoren zo konden oordelen over het buitensporig gedrag van voetballers in het bijzonder en topsporters in het algemeen.
Dat brengt me bij het gedrag van supporters, Raf. Altijd een dankbaar doelwit voor cameralieden. Hoe doller, hoe mooier. Doorgaans worden de supporters van Oranje het meest in beeld gebracht. Hoe gekker, hoe meer in beeld.
Supporters, mensen die door dik en dun hun elftal volgen en aanmoedigen, moet je als Aanvoerders bestempelen. Ze kunnen de dans op het veld bespelen. Wanneer ze blijven zingen en bij voortduring positieve kreten slaken, stuurt dat het gemoed van de spelers, als een lange peptalk – pepsong eigenlijk.
In Britse stadions voel je dat het best. Met de supporters van Liverpool en jouw geliefde Celtic als meest treffende voorbeelden. Op Anfield Road en op Celtic Park (liever: Paradise) lopen dan de rillingen over je rug en al je ledematen, zo heb ik meermalen ervaren. Je zintuigen kunnen het nauwelijks aan, met tranen in je ogen tot prettig gevolg.
Aan deze supporters dacht ik toen ik de Chileense fans zag maar vooral massaal hoorde zingen en schreeuwen. Zoals ze samen met de Chileense spelers uitzinnig van liefde voor het vaderland en hun voetbal tekeer gingen. Zelden heb ik een voetbalelftal zo vocaal ondersteund gehoord als voor en tijdens de wedstrijden van Chili. Of het moet, excuus beste Celtic-fan, inderdaad op Celtic Park zijn geweest, als You’ll never walk alone door de arena galmde.
Kijk en hoor hoe de Chilenen blijven doorzingen. Hartstocht, noemen ze dat. Positieve agressie. Zo agressief als ze het voor het duel met Spanje het stadion bestormden, nota bene via het heilige domein van de pers, omdat ze te lang voor de poorten moesten wachten om toegang te krijgen. De vurige wil om bij hun helden te zijn, bang het volkslied te moeten missen, bang de helden in de steek te laten. Aanvoerders dus. Met hun hele ziel en zaligheid. En het hielp. Chili overliep de oude meesters van tiki-taka met uitzonderlijke furie.
Zo steelt Chili mijn voetbalhart: kracht, snelheid, techniek, aanvalslust en wilskracht. Zo steelt het Chileense elftal het hart van de aanhang op de tribune. Zo moet er gevoetbald worden, Raf. Altijd.
Hier de vertaalde tekst van het Chileense volkslied, het Himno Nacional. Zo mooi, zo treffend. Zou je dat niet samen met mij willen zingen, Raf, uit volle borst?
Chili met je blauwe lucht
pure winden die over je waaien
en je veld versierd met bloemen
is een mooie kopie van eden
majestueuze met sneeuw bedekte bergen
die door god als een geschenk zijn gegeven
die door god als een geschenk zijn gegeven
en de zee die je reinigt
die je een gunstige toekomst zal geven
en de zee die reinigt
die je een gunstige toekomst zal geven
Prachtig vaderland dat veel doorgemaakt heeft
en je onafhankelijkheid dat je een mooi land maakt
je bent een oord van vrijheid
dat onderdrukkingen overwint
je bent een oord van vrijheid
dat onderdrukkingen overwint
dat onderdrukkingen overwint
dat onderdrukkingen overwint
Dank Raf, voor de inspiratie én voor het meezingen. Ik ben benieuwd naar jouw volgende aanvoerder(s).
Warme groet,
Guus
Noem het een meditatief moment. Een moment dat ruim een halfuur duurde. En aangenaam was. Bij een kapper in Molyvos, op Lesbos, midden in de smalle, drukke winkelstraatjes, vol met slenterende toeristen. Het was stil in het winkeltje. Geen klandizie.
De eigenaar kwam me bij de deur tegemoet. Hoopvol stemde me zijn gedrag niet. Zijn gezichtsuitdrukking verraadde niets. Ik maakte met wat handgebaren duidelijk dat ik mijn haar geknipt wilde hebben. Nee, scheren hoefde niet. Ook goed, geen probleem.
Zwijgend leidde de man, die rond de zestig leek, me naar de kappersstoel. Zwijgend ging ik zitten. Vol verwachting. Zwijgend onderging ik hoe hij een wit laken over mijn schouders en lichaam drapeerde. Hij mompelde iets wat leek op de vraag: kort? En maakte een gebaar met zijn vingers. Ik knikte en lachte flauw.
Hij pakte een van de zes scharen die voor me op het kastje voor de grote spiegel lagen, en een van drie kammen. En hij begon te knippen. Onophoudelijk. Hij knipte, knipte, knipte en knipte. Knipperdeknipknip, zo ging het geluid maar door. Minutenlang. Hij pakte een andere schaar en een andere kam. Knip, knip, knip, knip. Tik, tik, tik. Geen ander geluid in het stille winkeltje. Alleen buiten was er geroezemoes van passerende mensen.
In de spiegel zag ik dat op de muur achter mij een ingelijste foto hing van Johnny Weissmuller, in zwembroek. Herkende het meteen. Tweevoudig olympisch zwemkampioen en voormalig wereldrecordhouder op de 100 meter, wist ik nog. Hij speelde onder meer in een tiental films Tarzan, in de jaren dertig en veertig, en later Jungle Jim. Een paar meter verder hing een ingelijste foto van een bevallige vrouw in badpak op een canapé. Ze leek op een filmster. Waarschijnlijk Tarzans tegenspeelster Jane.
De kapper knipte zwijgend verder. Ik onderging het onophoudelijke geknip in trance. Soms wisselde hij van schaar en kam. En zo knipperdeknipte hij voort. De klok boven de spiegel stond stil, natuurljk. Of het geknip lang heeft geduurd weet ik daarom niet. Maar het moet zeker meer dan een halfuur zijn geweest.
Ik had geen andere keus dan te kijken en te voelen hoe de man mijn haar knipte. Er was niets dan een knippende man en een man die geknipt werd. Een kale muur met twee portretten van filmsterren uit een ver verleden. Geen lopende klok, geen diploma, geen prijslijst, geen commerciele affiches. Niets dan het geluid van een knippende schaar. Zelfs zonder haar knipte de schaar. Zoals hij dat waarschijnlijk al tientallen jaren heeft gedaan.
Mijn vrouw kwam binnen, mijn zoon keek door het raam naar binnen. Ze lieten zich vanuit hun afstandelijke positie kort maar positief uit over de vorderingen die de kapper maakte. De kapper kuchte slechts. Ik durfde niet te bewegen. Bang om uit mijn trance te raken. Ik ademde in en uit, en liet het allemaal gebeuren.
De kapper pakte een scheermes, deed iets met en in mijn oren en mijn bakkebaarden, druppelde iets over de behandelde plekjes en pakte weer een schaar. Hij strooide met wat poeder en richtte zich vervolgens op mijn zware wenkbrauwen. Ik knikte. Hij knipte.
Er kwam geen einde aan.
Geen klant meldde zich. Ik zag mensen via de spiegel naar binnen kijken, maar er was niemand die zin had in een knipsessie met deze zwijgende kapper. Of niemand wilde ons storen in ons meditatief samenzijn.
De kapper vertrok geen spier van zijn gezicht. Hij knipte en knipte. Ik liet me knippen, voelde weer wat verfrissende druppels op mijn hoofd vallen en zou in slaap gevallen zijn als hij niet plotseling zijn keel had geschraapt. Het bleek het teken dat hij het laken van mijn schouders zou halen. Finished, mompelde hij. Ik antwoordde: efcharisto. Dank u.
De kapper draaide zich om, liep naar de kassa en tikte op een paar toetsen. Zwijgend. Er kwam een bonnetje uit het oude machientje, waarop ik het getal 9 ontwaarde. Ik wees er naar en vroeg: nine euro? Hij knikte. Ik geloofde mijn ogen niet. 9 euro maar? Ik draaide me om naar mijn vrouw op het bankje voor wachtende klanten en liet blijken dat ik me verbaasde.
Ik keek in mijn portemonnee en zag dat ik geen klein geld had, slechts een briefje van 20 euro. Can you change? Hij zei niets terug, pakte mijn briefje van 20 aan en liep de winkel uit.
De kassa stond nog open. Ik keek erin en zag dat hij leeg was. Geen briefjes, geen munten. Gewoon leeg. Niets.
De kapper keerde terug. Hij legde twee briefjes van vijf en een van tien neer. En zweeg. Het was doodstil in het winkeltje. Wat nu? Fooi? Hoeveel?
Ik pakte het briefje van tien en liet de twee briefjes van vijf euro liggen. Een euro fooi dus. En dat voor een heerlijke sessie van veel meer dan een halfuur, een meditatieve seance zonder woorden, alleen wat gekuch en het geluid van knippende en tikkende scharen.
Ik aaide over mijn geknipte, frisse hoofd, sprak in enkele Engelse woorden mijn waardering uit voor het werkstuk en dankte de kapper voor zijn diensten. Ik zei nog zoiets als have a good day en schuifelde met mijn vrouw naar buiten, waar mijn zoon zich afvroeg waarom het zo weinig had gekost. De kapper zei alleen jassas, goede dag. Hij vertrok geen spier op zijn gezicht.
Het was vroeg in de middag. Heet. Ik schaamde me een beetje: 1 euro fooi. Waar moest deze man van leven? Ik hoopte voor hem dat er die dag nog minimaal tien klanten zouden komen.
Kapper zijn in Griekenland, in een land in crisis. Ik had die man net zo veel moeten betalen als ik doorgaans aan kappers in Nederland kwijt ben: minimaal drie keer zoveel dus. Plus een dikke fooi.
Een goedkope, zwijgende kapper, waar vind je die nog? In Molyvos, Lesbos, Griekenland zeker.
Jean-Luc Dehaene met zijn vrouw op de tribune van Club Brugge
In september 1997 werd ik als verslaggever van NRC Handelsblad in Brussel gastvrij ontvangen door Jean-Luc Dehaene, destijds 57 jaar en premier van België. Geen de rust verstorende voorlichter rondom, geen restricties. Gewoon ‘klappen’ over zijn passie: voetbal én Club Brugge. Over zweten, kreunen, hartgrondig schelden naast de koning en af en toe traantje wegpinken. Gisteren overleed deze bijzondere man..
Een heel klein beetje zenuwachtig is hij wel. Jean-Luc Dehaene is al aan het aftellen. Het is nog twee dagen voor de ‘grote match’ tussen de Belgen en de Hollanders.
Onlangs tijdens zijn laatste ontmoeting met Wim Kok had hij er al bij zijn Nederlandse collega op aangedrongen samen met hem naar De Kuip te gaan. Een voetbalwedstrijd van de Rode Duivels wil de premier van België zeker niet missen.
Want hij is echt gek van voetballen. Hij is een echte supporter, van de Belgen, maar vooral van Club Brugge, zijn jeugdliefde.
In het kantoor van de Belgische premier in Brussel veegt hij met zijn hand over zijn voorhoofd wanneer hem bij het naderende afscheid wordt gevraagd nog even een voorspelling over de wedstrijd te doen. Hij blaast, zucht, denkt na, neemt een slokje uit zijn glas ‘plat’ water en plooit zijn gezicht uiteindelijk tot een verlegen glimlach. ,,Ik ga als een echte supporter. En die denkt altijd dat zijn ploeg gaat winnen. Maar als ik de kansen van afstand bereken, zeg ik: een gelijkspel. Dat zou namelijk een overwinning zijn na de schande die vorig jaar over ons werd uitgestort toen we in Brussel van de Hollanders verloren. Ik ben toch niet helemaal gerust na die kater in het Heizelstadion.”
Pas op, wanneer Dehaene zegt dat hij een supporter is, dan is hij ook een échte supporter, een aanhanger die zweet van de spanning, die meeleeft, kreunt, juicht, een traantje wegpinkt en hartgrondig scheldt wanneer het moet. Op de tribune laat hij zich gaan. Wim Kok en al die andere hoogwaardigheidsbekleders rondom hem in de ereloge zijn dus gewaarschuwd.
Ter illustratie herinnert hij aan een wedstrijd tussen België en Tsjechoslowakije.
Als eerste minister moest hij naast de koning van België zitten. Niet van harte, maar het protocol vraagt erom., ,Toen we de tribune opgingen zei ik tegen de koning: ‘Sire, ik weet dat ik mijn mond moet houden tijdens de wedstrijd. Maar ik weet niet of ik het kan.’ Op een gegeven moment wordt Philip Albert met een rode kaart uit het veld gestuurd. Ik roep: ‘Godverdomme Albert’ en denk gelijk aan de koning. Ik kijk hem aan en ik zie hem lachen. ”t Is niks Jean-Luc, ’t is goed.’ Begrijpt u nu hoe ik ben op de tribune?”
Al sinds zijn jeugd is Dehaene supporter van Club Brugge, de club waar hij heeft genoten van spelers als Lambert, Rensenbrink, Le Fèvre, Ceulemans en waar hij de tijden heeft meegemaakt van trainer Ernst Happel. Hij kende hen niet persoonlijk. Voor zijn ministerschap zat hij gewoon op de tribune en volgde hij op afstand de prestaties van de Bruggelingen. Aan zijn zijde altijd zijn vrouw. ,,Met haar had ik mijn eerste afspraak bij Club Brugge. We leven altijd zwaar mee. Als ik niet ga, gaat zij. Na de wedstrijd ben ik uitgeput, moe en leeg. Voetbal is voor mij afleiding en ontspanning. Wat ik in het dagelijks leven meemaak, vraagt om periodes van distantie. In mijn job kan ik mijn emoties niet kwijt. Wel in het voetbal. Door mijn beleving bij het voetbal vind ik een psychisch evenwicht.”
Hij is altijd een liefhebber van het voetbal geweest. Tot grote spijt van zijn vader en het milieu waaruit de christen-democraat Jean-Luc Dehaene stamt, een sfeer van pastoors en artsen, van mensen die bij voorkeur afstand nemen van een volks vermaak als voetbal. ,,Mijn vader was geen liefhebber”, zegt Dehaene met mildheid in zijn doorgaans luide stem. Op het college van de jezuïeten maakte Jean-Luc tot zijn grote vreugde kennis met de bekoorlijkheden van het edele voetbalspel. Zelf was hij geen groot speler, geeft hij grif toe, want aan bewegen heeft hij een hekel. Dus was hij doelman. Hij wilde op zondagmiddag zoals iedere jongen naar de grote wedstrijden, maar vader gaf geen toestemming, dus vond Jean-Luc een vriend van zijn vader bereid hem mee naar het stadion te nemen.
Dan nog liever naar Cercle dan naar Club, vond zijn vader. Maar Jean-Luc vond het maar niks bij Cercle, de katholieke club, de club van de bourgeoisie, de salonclub, waar keurige mensen kwamen en emoties niet de vrije loop mochten hebben – schelden deed men niet. ,,Ik was voor Club, daar was ambiance, daar leefden de mensen op bij het zien van voetbal. Daar was emotie, daar lieten mensen zien wie ze waren. Het was een volksclub, een club waar het volk liefde vond in het voetbal en nog altijd vindt. In het Olympia Stadion voel ik me thuis, onder de mensen, daar waar emotie mag zijn.”
Zelf heeft hij nooit in clubverband gevoetbald. Hij was weliswaar een fanatiek en trouw speler van het schoolelftal, maar lid worden van een voetbalclub hoorde niet bij de status van zijn familie. Bij Cercle had hij misschien nog mogen voetballen, maar dat wilde hij juist niet. In plaats van voetbal moest hij kiezen voor het lidmaatschap van jeugdbewegingen, omdat zijn familie daaraan hechtte, zoals de padvinderij – leuk maar niet zo leuk als voetbal.
,,Weet u dat ik emotioneel meer lijd van een nederlaag van Club Brugge, dan van de val van mijn regering. Dat laatste zou ik ervaren als zakelijk, afstandelijk. Daar zijn rationele verklaringen voor te vinden. Maar bij een nederlaag van Brugge staat mijn verstand stil.”
Dehaene hangt achterover op de leren bank van zijn kantoor. Rondkijken en zoeken naar attributen die met voetbal te maken hebben heeft geen zin, zegt hij, als antwoord op mijn spiedende ogen. ,,U zult hier niets vinden dan boeken en geschriften die met mijn werk te maken hebben.”
Schilderijen rondom, een enkele foto van familie en van hemzelf slapende naast een hoogwaardigheidsbekleder, en een indrukwekkend bureau. Zaken en hobby’s heeft hij gescheiden. Het ligt voor de hand dat Dehaene met zijn passie voor voetbal zijn ministeriële invloed zou kunnen aanwenden om het voetbal in België naar grote hoogten te stuwen. Maar Dehaene is duidelijk: ,,Het is goed dat voetbal wordt geregeld door managers en bestuurders die afstandelijk zijn. Emotie leidt tot verkeerde dingen, tot chaos. Ik zou dus niet geschikt zijn om over voetbal te beschikken. Ik ben te veel supporter.”
Maar hij heeft toch wel een mening? Ja, natuurlijk, zoals iedere voetbalsupporter.
En pas op, hij trekt het zich heus wel aan dat het voetbal in België in een diep dal zit.
,,Maar het diepste punt is voorbij”, zegt hij zoals een positieve supporter betaamt.
,,De voetbalgemeenschap heeft zich in slaap laten sussen. Doordat Bosman-arrest moeten de clubs nu op de blaren zitten, zeker in België. De beste spelers zijn vertrokken naar het buitenland. Anderlecht en Brugge tellen internationaal niet meer mee en moeten nu zelf Lierse en Moeskroen naast zich dulden. Er is een destabilisatie opgetreden. De voetbalwereld heeft te lang gedacht dat het boven de maatschappij kon leven. Ze dacht haar eigen wetten te kunnen maken. En nog altijd wekt ze de indruk buiten de gewone-mensen-wereld te kunnen bestaan. Sommige bestuurders, managers en spelers doen maar en denken dat ze in een andere wereld leven.”
Dehaene vindt de discussie in Nederland over Kluivert, die buiten het veld omstreden gedrag vertoont, en in België over De Bilde, die zich zowel in en als buiten het veld heeft misdragen, ,,interessant maar gevaarlijk”. Hij zegt: ,,We moeten opletten dat we deze vedetten niet meer beschermen dan andere mensen, omdat ze toevallig de status van een populaire of uitzonderlijke voetballer hebben. Maar we moeten helemaal opletten dat we deze vedetten niet méér straffen dan andere mensen omdat ze een bepaalde status hebben. Wat beroemde en populaire mensen, zoals voetballers, zoal doen mag niet leiden tot Berufsverbote.”
Voetbal is in een stevige greep van de commercie geraakt. ,,Te veel geld in voetbal pompen is gevaarlijk als het kunstmatig gebeurt, zoals in Frankrijk”, waarschuwt Dehaene. ,,Voetbal moet je niet in stand houden door overheidssubsidies. Voetbal moet zichzelf helpen. Door recettes en goede sponsoring. Helaas voor de noordelijke clubs is er een achterstand op de zuidelijke clubs van Europa. Die toeschouwersaantallen van 60.000 tot 100.000 die in Italië en Spanje worden geteld zijn hier nooit mogelijk. Mensen in die landen hebben meer behoefte aan voetbal dan hier. Ze hebben minder luxe en daarom meer afleiding nodig. Cultuur en temperament zijn anders dan hier. Die achterstand zullen ze hier niet ongedaan kunnen maken. Daarom is het oppassen dat hier in het noorden geen kunstgrepen worden toegepast om te wedijveren met het voetbal in het zuiden.”
De uitvergroting van het voetbal ziet Dehaene niet als een gevaar voor het voortbestaan van het voetbal. ,,We kunnen ons wel druk maken over de grote verschillen die gaan optreden tussen de topclubs en de kleine clubs, maar dat heeft geen zin. Voetbal gaat dezelfde kant op als theater. Het grote theater vindt plaats in de grote steden of op televisie, het kleine theater vindt plaats in de dorpsgemeenschappen. Wie goed voetbal wil zien kijkt naar Milan, Juventus, Barcelona, Real Madrid en Manchester United, wie wil genieten van de sfeer van het kleine voetbal gaat naar zijn eigen club in de stad of het dorp. Dat is de ontwikkeling die gaande blijft, de Europese competitie is niet ver meer. Maar dat is geen negatieve ontwikkeling, zolang het kleine voetbal maar mag blijven bestaan.”
Grotere en modernere stadions waar het aantal ereloges de publieke tribunes dreigt te overstijgen, baren Dehaene als liefhebber van de volkse sfeer nog geen zorgen. ,,Voetbal blijft een sociale betekenis hebben. Mensen ontmoeten elkaar. Of het nu in de vip-loge is of op de tribune. Wie mensen wil ontmoeten gaat naar het voetbal en ontmoet ze daar. In de lift van een gebouw praat niemand met elkaar, op straat ook niet meer. Zie een voetbalwedstrijd als een grote receptie waar iedereen het glas kan heffen op het samenzijn en kan praten over voetbal en andere zaken. Als mensen elkaar niet meer in het voetbalstadion ontmoeten, waar dan wel? Ja, in het theater. Maar dat is toch niet hetzelfde.”
Dehaene benadrukt dat hij altijd op de tribune gaat zitten en niet achter glas in de vip-loge. ,,Ik drink daar wel even een glas, ik geef de mensen een hand, praat met hen, maar dan ben ik toch weg, naar de tribune. Ik wil voetbal van dichtbij beleven. Ik wil het lawaai en de spanning voelen. Ik wil met de mensen zijn en ervan genieten.” Of hij nog een favoriet heeft? ,,Frankie Vanderelst, een speler met een stijl die me aanspreekt. Altijd doorgaan, altijd in dienst van de ploeg. En hij is van Club Brugge, de mooiste club van België, mijn club, altijd geweest.”
Op 15 april 1989 voltrok zich de ramp op Hillsborough. Onderstaande reportage uit Liverpool schreef ik op 29 april 1991 in NRC Handelsblad.
Anfield Road 1, een paar honderd meter van het stadion van Liverpool Football Club. Een sober, in vuurrood baksteen opgetrokken huis aan de rand van het Stanley Park. Vroeger woonde hier de beheerder van het park. Sinds twee jaar doet het gebouw dienst als het Hillsborough Disaster Advice Center. Nog zeker eenmaal in de week loopt een man, een vrouw, een jongen of een meisje hier voor het eerst sinds 15 april 1989 binnen omdat hij of zij niet langer de trauma’s kan verwerken van de verschrikkelijke ramp tijdens de voetbalwedstrijd tussen Liverpool en Nottingham Forest in het Hillsborough stadion van Sheffield.
Er moeten nog duizenden mensen rondlopen, in Liverpool, Sheffield, Nottingham en op andere plaatsen waar men deelgenoot was van het drama waarbij 96 toeschouwers werden doodgedrukt. Chris, een van de twaalf sociaal werkers in het opvangcentrum, beseft dat zij nog maar het ‘topje van de ijsberg’ kennen. Tel maar na: vijftigduizend toeschouwers waren er in het stadion, hun familieleden, vrienden en buren, en dan al die mensen die door de rechtstreekse tv-reportage van de halve-bekerfinale werden geconfronteerd met de tragedie. ,,Een probleem is”, weet hij, ,,dat veel mannen niet durven toegeven dat zij nog altijd getraumatiseerd zijn.”
Held like a baby in the arms of a proud father,
Held so tightly, unable to move.
Short of breath, am I close to death?
I see pain in people’s faces, they reach out for me
It’s their last breath.
I give up on life, I can’t hold on anymore,
Like a drowning man I’m pullend ashore.
I wish the 15th April was fateful for me.
I’ve suffered too much pain…
To come away from Hillsborough with my life, Was no gain.
(Stuart Littlewood, Liverpool)
Stoere jongens uit Liverpool, die huilen niet. Ze zijn er wel. Jongens als Stuart, van wie bovenstaand gedicht afkomstig is. Of Alf. Hij is een overlevende van de ramp op de Lepping’s Lane-tribune. Een echte Liverpool-fan, bijna zijn hele leven al. Hij hoorde de ribben van een man kraken tegen het hek, waarvan hij zichzelf net had weten los te maken. Hij keek naar beneden en zag dat de man dood was.
Hoe Alf het verwerkte? Hij vroeg zijn baas drie weken vrij, maar deze weigerde. Alf vertrok naar Glasgow, hing dag in dag uit in de kroeg en vond zichzelf een paar weken later bij een benzinestation aan de autoweg terug naar Liverpool, volkomen ontredderd. Hij heeft geen werk meer, durft sinds kort weer naar het stadion, en is niet meer elke dag dronken. De gesprekken en therapieën in het opvangcentrum hebben hem al veel geholpen. ,,Liverpool is mijn leven, ik wil sterven voor mijn stad en mijn club.”
Veel mannen zeggen op zaterdagmiddag tegen hun vrouwen dat ze naar het voetballen gaan. In werkelijkheid zitten ze in de kroeg. Ze durven er niet voor uit te komen dat ze niet meer kunnen, dat ze niet herinnerd willen worden aan Hillsborough.
Anderen dwalen nog door de stad, ze zullen geen doel meer vinden in het leven. Jonge supporters, Chris kent ze, hebben regelmatig last van agressieve buien. Ze vernielen dan alles in de stad. Ze zijn zo kwaad op zichzelf. Ze voelen zich schuldig. Sommigen hebben zich op het centrum gemeld of lieten zich sturen. ,,We zijn weggelopen, terwijl vrienden van ons stierven. Hadden we niet moeten blijven? Hadden we moeten helpen? We hadden samen dood moeten gaan.”
De symptomen van de getraumatiseerde betrokkenen lopen uiteen: niet kunnen of durven slapen, flashbacks, verdriet, agressie, angst, vluchten, drankmisbruik, vernielzucht, niet eten, zelfmoordpogingen. De dood van nabij hebben gezien, kan desastreuze gevolgen hebben voor lichaam en geest. Veel klachten worden niet herkend als psychosomatisch. In Hillsborough Interlink, het driemaandelijkse blad voor mensen die betrokken zijn geweest bij de ramp, schrijft een meisje dat ze een jaar na Hillsborough ernstig ziek werd. Ze had veel gedronken en gerookt, maar vertelde aan niemand waarom. Ze vermagerde sterk, moest veel overgeven. Artsen onderzochten haar, dachten aan kanker en namen haar een paar weken ter observatie op in het ziekenhuis. ,,Ik verloor mijn baan, mijn vriend, mijn lach en mijn hart.”
Haar probleem was dat ze niet in Liverpool woonde. In haar dorp kon ze niet praten over haar bezoek aan Hillsborough. In het ziekenhuis uiteindelijk wel. Ze is weer gezond, ze is in Liverpool gaan wonen en trouwt binnenkort met een Everton-fan.
Chris en zijn collega maatschappelijk werkers organiseren praatsessies voor de betrokkenen, bezoeken met hen de plaats van de ramp, gaan gezamelijk met hen naar voetbalwedstrijden en bespreken hun ervaringen. Video’s van de tv-opnamen worden als confrontatiemateriaal gebruikt. In het blad Interlink, dat in de stad wordt verspreid, kunnen overlevenden, nabestaanden en oogetuigen hun trauma’s van zich afschrijven in brieven, verhalen en gedichten. Brochures als Coping after Hillsborough worden uitgedeeld in de stadions. Er is een Hillsborough-Helpline, waarnaar dag en nacht gebeld kan worden. ,,Of het helpt? We hopen het. Als we maar beschikbaar zijn”, relativeert Chris.
Twee weken geleden maakte de Europese voetbalfederatie bekend de schorsing van Liverpool op te heffen. Engelands meest besproken voetbalclub mag weer meespelen in de Europa-Cuptoernooien. Nee, er was geen feeststemming, er werd nauwelijks over gesproken in Liverpool. ,,Er heerste zoiets van: het werd tijd”, heeft Chris ervaren. ,,Maar misschien is dat helemaal niet belangrijk meer. De mensen voelen slechts narigheid. Er is zoveel gebeurd de laatste jaren. De competitie is belangrijk genoeg om het Liverpool-gevoel te kunnen ondergaan. Anderen zijn misschien wel bang. Liverpool-fans zullen worden uitgedaagd door Hollandse en Duitse hooligans.”
Peter Robinson, secretaris-generaal van Liverpool Football Club, geeft toe dat er geen feest was in Liverpool. ,,We moesten ons toch eerst nog kwalificeren. Een dag na de bekendmaking stond er een belangrijk duel op het programma. Nu, twee wedstrijden verder, zijn we zeker tweede en misschien worden we nog wel eerste als Arsenal instort. We kunnen ons nu gaan voorbereiden op de Europa Cup.” Bang voor nieuwe problemen met supporters is hij niet. ,,Voor het Heizeldrama in 1985, waarna we geschorst zijn, waren er in de 21-jarige geschiedenis van Liverpool in de Europa Cup nooit problemen. We hebben tijdens onze schorsing regelmatig vriendschappelijk gespeeld in Europa om contact te houden. Er zijn toen fans meegereisd, geen problemen gehad.”
Een paar jaar geleden waren er weliswaar vechtpartijen met Manchester United-supporters, maar dat was buiten het stadion, verweert Robinson zich. ,,Dat werd meteen breed uitgemeten in de pers. Begrijpelijk, Liverpool wordt gevolgd. We hoeven maar iets te doen of we zijn weer de boze wolf.” Dat een paar veerbootmaatschappijen weigeren Manchester-fans van Engeland naar Nederland te vervoeren voor de Europa-Cupfinale in Rotterdam, vindt hij niet verontrustend. ,,Er is tenslotte veel gebeurd op die boten de laatste jaren. We zullen moeten aantonen dat we op de goede weg zijn. En dat kan jaren duren.”
Het hooliganisme is nog niet de kop ingedrukt, beseft Robinson. Maar sinds de hekken zijn weggehaald tussen de tribunes en het veld in de Engelse stadions, maakt de zieke kans op genezing.
Naar aanleiding van het Hillsborough-drama moeten in alle stadions de staanplaatsen verdwijnen. In het stadion van Liverpool is alleen nog de befaamde Spion Kop een staantribune, die door 16.000 mensen kan worden bevolkt. Maar over twee jaar zal ook die alleen maar zitplaatsen bevatten: 10.000. Niet alle Kop-bewoners nemen deze maatregel Liverpool in dank af. ,,Het is een dolksteek in het hart van Liverpool. Maar met tradities alleen kunnen we niet leven”, zegt de man op wie de club al 26 jaar drijft.
In 1994 moet de verbouwing van het stadion zijn voltooid. Dan kunnen 38.500 toeschouwers zittend genieten van de Liverpool-wervelwind. Dan kan de club pronken met 35 prive-boxen. Want zelfs voor een volksclub is die formule onvermijdelijk. ,,We hebben het om principiele redenen altijd kunnen tegenhouden. Klasseverschil hoort niet in de voetbalclub Liverpool”, beseft Robinson. ,,Maar de verbouwing kost ons 11 miljoen gulden. Met de verhuur van prive-boxen kunnen we dat terugverdienen. Als we dat niet doen, moeten de entreeprijzen omhoog. Dan is de Liverpool-fan slechter af.”
De schorsing van vijf jaar heeft Liverpool miljoenen aan inkomsten gekost, probeert Robinson een verklaring te geven voor de principiële ommezwaai. ,,Toen wij met Liverpool onze Europese successen boekten, waren er nog geen rechtstreekse tv-reportages in Engeland van Europa-Cupwedstrijden. Als ik hoor dat Manchester United en Aston Villa, die al dit jaar mochten meedoen, een miljoen aan tv-rechten incasseerden, is het niet moeilijk te berekenen dat wij de afgelopen jaren miljoenen aan inkomsten hebben gemist. Daarvan hadden wij de verbouwing van ons stadion kunnen bekostigen. Misschien hadden we dan wel geen prive-boxen nodig gehad, ja.”
Door de terugkeer van Liverpool in de Europese bekertoernooien zal de club ook te kampen krijgen met personele problemen. Voor de Europese voetbalfederatie zullen namelijk Schotten, Welshmen en Noordieren in Engelse club als buitenlander worden beschouwd. De huidige selectie van Liverpool telt slechts zes Engelsen, naast een handvol Schotten, Ieren, Welshmen, een Zweed, een Deen, een Israelier en een Zimbabwees. Dat betekent opnieuw investeren in spelers. Sinds kort ziet Liverpool echter de noodzaak van een jeugdopleiding in.
Ex-Liverpoolspeler Steve Heighway is daarom dit jaar uit Canada naar Liverpool gehaald om de junioren voor te bereiden op de hoofdmacht. Liverpool moet een familiebedrijf blijven, zegt Robinson. ,,Wie hier eenmaal is geweest, moet blijven of terugkomen als hij weg is geweest. Continuiteit is onze succesformule.”
Daarom trof het de ‘familie’ van Robinson twee maanden geleden diep in haar hart toen manager Kenny Dalglish volkomen onverwacht zijn ontslag aankondigde. ,,Kenny hoorde na veertien jaar achtereenvolgens speler en manager te zijn geweest als geen ander bij Liverpool. De meest succesvolle speler en manager die we hebben gehad. Kenny sprak weinig. Maar met zijn betrokkenheid liet hij anderen voor zich spreken. Kenny Anfield uit zien lopen was het meest trieste moment in mijn leven. Ik heb nog regelmatig contact met hem. Zijn kinderen komen nog naar de wedstrijden kijken, Kenny niet. Maar volgend jaar verwacht ik hem weer.”
Kenny Dalglish
Dalglish was niet tegen de druk bestand, weet Robinson. ,,De hele week was hij gelukkig, maar op de dag van de wedstrijd had hij hoofdpijn. Kenny was een gevoelsmens. Hij wilde zelf spelen en niet naast de bank staan en anderen het werk laten doen. Op de persconferentie zei hij met tranen in zijn ogen dat hij wegging.”
,,Ik geloof niet dat Kenny ooit nog manager wordt. En ik ken hem”, zegt Graeme Souness, evenals Dalglish een Schot. Hij volgde Dalglish op toen deze vertrok. ,,Mijn laatste kans op het Grote Geld.” De voormalige elegante middenvelder is harder en zakelijker dan Dalglish. Dat geeft hij toe. ,,Ik moest Liverpool helpen. Ik heb er nooit aan gedacht, want ik dacht dat Dalglish hier voor het leven zou blijven. Dat is zo bij Liverpool de formule. Ik kon niet weigeren. Ik ben geboren in Edinburgh, maar hier ligt mijn hart, mijn twee zoons zijn hier geboren, hier leeft men van voetbal. Het spijt me voor de Rangers, maar ik mag niet nee zeggen tegen mijn familie.”
,,We hadden geen andere keus dan Souness”, zegt Robinson. ,,Of we hem al op dezelfde dag van Dalglish’ ontslag hebben gebeld? Dat kan ik niet zeggen. Zei Souness dat hij drie weken heeft moeten nadenken over ons aanbod? Laten we het daar maar op houden.” Twee weken na zijn terugkeer op Anfield is Souness al De Verlosser. Onder Dalglish was Liverpool een dolende club. Maar onder Souness: twee wedstrijden, twee gewonnen, zes doelpunten voor, nul tegen en kwalificatie voor de UEFA Cup. ,,De manier waarop ik in mijn eerste wedstrijd werd begroet. Ik voelde me meteen thuis.”
Een paar honderd meter verder op Anfield Road drinkt Alf een kop koffie met Chris, zijn hulpverlener. Zijn blik dwaalt af naar het raam dat uitzicht geeft op Stanley Park. In de verte ligt Goodison Park, het stadion van Everton. Bij Liverpool gaan ze de Kop afbreken. ,,Ja, het laatste bolwerk dat je het gevoel geeft samen te zijn, een te zijn met de club. You’ll never walk alone, ja. Ik ben een keer op een doordeweekse dag een executive box binnen geweest. Ze hadden er een toilet, met papier, en aan een spijker hing The Observer. It’s them and us. Ze zijn hier nog nooit geweest in dit centrum. Alleen Kenny. Maar die is nu ook weg.”
Kijk naar deze indrukwekkende documentaire van de BBC uit mei 2013: How they buried the Truth:
PS De politiechef, de 70-jarige David Duckenfield die in 1989 met dienst actief was in Sheffield, gaf in maart 2015 tegenover een jury toe dat hij een fout heeft gemaakt en verantwoordelijkheid draagt voor het Hillsborough-drama. Dat kostte 96 Liverpool-fans het leven. Hij opende een extra stadionpoort waarlangs duizenden fans het al volle Liverpool-vak wilden binnen raken. Die fans hadden buiten het stadion voor tumult gezorgd.
Dáár heb ik gewoond, daar moet ik dus even langs rijden. En daar ook. En daar. Kijken hoe het huis er nog bijstaat. Of de tuin nog goed onderhouden is.
Zo’n vijf keer per jaar ben ik terug in Bennekom. Elke keer rijd ik voor of na mijn bezoek een rondje door het dorp, langs de huizen waar ik de eerste 24 jaar van mijn leven heb gewoond. De huizen zijn nauwelijks veranderd, de straten en lanen een beetje. Soms sta ik even stil. Dan kijkt bij de buren iemand door het raam en vraagt zich vast af wat die man daar in die auto doet. Het zijn andere buren dan vroeger. Ze kennen me niet.
In Bennekom ben ik geboren en getogen. Ik ben er naar de School met den Bijbel aan de Veenderweg gegaan en naar de ULO aan de Robert Kochlaan, alvorens ik naar het Wagenings Lyceum ging om er vooral te leren wat God verboden heeft. Ik ben in mijn dorp op de gymnastiekvereniging (DOS) geweest en op de padvinderij (Musinga). Ik ging er met mijn ouders en broers naar de Gereformeerde Kerk aan de Brinkstraat, naar de Knapenvereniging (Timotheus 1, 2 of 3) en de catechisatie – één keertje maar, toen was ik de Bijbel en de psalmen zat.
En ik heb er vanaf mijn elfde tot mijn 25ste gevoetbald, de laatste acht jaar meestal in het eerste elftal. Ik kende toen ik jong was bijna iedere Bennekommer. Of ze nu uit het dorp kwamen, zoals ik, of van de Laar, waar ik begon te voetballen tussen de jongens van De Ruiter, Welgraven, Van den Heuvel, Lieftink, Van Reemst, Meurs, Vermeer, Van de Weerd, Jansen, Van den Brink, Veldhuizen, Hulstein, Van Beek, Kerseboom, Rozeboom, Roosenboom en Roseboom. Families die al bekend waren bij mijn vader die bijna zijn hele leven in Bennekom heeft gewoond.
Het leven in Bennekom heeft mij gevormd. Ik mis nog vaak de warmte en veiligheid van deze unieke gemeenschap. De manier waarop ze gedag zeggen. Kort, onverschillig bijna: ‘heu Guusje’. De manier waarop mensen schielijk langs je heenlopen. Later hoor je dat ze je wel gezien hebben en vragen ze waarom je niet gedag zei.
Stille herkenning, typisch Bennekoms.
Als ik vroeger als jongen door Bennekom fietste, hoorde ik vanuit een tuin of een raam mijn naam roepen. Als de melkboer en de groenteboer bij ons aan de deur kwamen zeiden ze tegen mijn moeder dat ik slecht had gevoetbald. Hoe dat toch kwam? Dan lachte mijn moeder verlegen om zoveel aandacht voor haar zoon en zei ze verontschuldigend iets over nieuwe voetbalschoenen of over problemen op school. Sociale controle heet dat nu. Ik noem het sociale veiligheid.
Betrokkenheid. Verbinding. Warmte.
Ik ging het huis uit, verliet Bennekom, verliefd op een niet-Bennekomse. Ik werd journalist, ver weg. Ik reisde de hele wereld over. Altijd verlangde ik terug naar mijn dorp, mijn oude buren, mijn oude vrienden, mijn oude voetbalclub, terug naar de bossen aan de oostkant van het dorp waar ik had rondgestruind, alleen en eenzaam dromend onder bomen en struiken had gelegen, padvinder was geweest, had gevreeën, had gevoetbald tussen de bomen en er comboytje had gespeeld.
Terugverlangen naar de weilanden en de sloten aan de westkant van het dorp, waar schoolvriendjes op een boerderij woonden en ik de reuk van hooi, ingekuild gras, van koeien-, kippen- en varkensstront leerde kennen, en heel dicht bij beesten kon zijn. Terugverlangen naar opa en opoe Van den Hul, aan de Edeseweg. Mijn opa was varkenskoopman. Achter het huis was de waag, waar varkens werden gewogen en verhandeld door middel van handjeklap. De boeren lieten de varkens stiekem grind eten, zo hoorde ik van mijn opa, werden ze zwaarder van. Mijn opa drukte op zijn beurt met zijn klomp het gewicht naar beneden – of naar boven. Totdat ik er wat van zei en hij me een hengst voor mijn kop gaf. Nooit mocht ik meer in het waaggebouwtje.
Ik leerde van hem kippen slachten: gewoon vangen, op een hakblok leggen, kop er af, met een hiep. Ik leerde varkens voeren. Ik zat daar met mijn broer aan de keukentafel en at mee, zo veel en zo vet mogelijk, veel jus, omdat het gezond was en je nog moest groeien. Maar wel eerst bidden en tot slot danken. Deed ik het niet, hoorde mijn opa ons lachen, dan kreeg ik een pet naar mijn hoofd geslingerd.
Ik verlangde terug naar het café waar ik had rondgehangen. Uren. Zonder geld. Maar ik werd er wel bezopen, waarna ik dan naar huis waggelde. Zonder fiets, want die was ik kwijtgeraakt.
Als ik nu in de Randstad met weemoed over mijn geboortedorp vertel, krijg ik als antwoord: ‘Bennekom? Dat ken ik, daar ben ik weleens op vakantie geweest, daar heb je mooie bossen.’
Ja, ook. Maar mijn geboortedorp had meer. Vooral eenvoud en gemoedelijkheid.
Ik ben lid van De Club van Toen van VV Bennekom, die ieder jaar een reünie voor oud-spelers van het eerste elftal organiseert. Het gaat daar aan de rand van het veld en later aan de toog in de kantine vooral over het voetballeven van toen, over alle kampioenschappen, maar ook over het Bennekomse leven van toen. En wat er nog van over is. Wie ziek is en wie dood. Jarenlang belde mijn vader me op in de Randstad en zei hij: ‘Weet je wie er ook dood is?’ En dan noemde hij een Bennekommer. Een die ik vast en zeker kende. Eigenlijk was iedereen een bekende Bennekommer.
Als ik nu door het dorp rijd, door de straten waar ik gewoond heb, dan heb ik het soms moeilijk. Ik zag dat een van de huizen waar we woonden verkocht was, aan een projectontwikkelaar. Het was me al verteld. Ik zag het bij mijn rondgang staan op een bord in de tuin. Dan droom ik weer van vroeger, en denk: was ik hier maar nooit weggegaan. Dan word ik wakker geschud. Omdat iemand roept: ‘Hé Guusje, wil je me niet meer kennen?’ ‘Natuurlijk ken ik jou’, antwoord ik dan geschrokken. Alsof ik schuld beken.
Ik ken nog bijna iedereen, zeker iedereen van vroeger. Bennekommers vergeten elkaar niet.
Deze column is verschenen in het aprilnummer van Benn. Het blad over Bennekom. Zie ook: http://www.Bennonline.nl. Begin juni 2022 zal het boek ‘Pareltjes, verhalen van Bennekomse bodem’ verschijnen, met daarin o.a. dit verhaal
Deze column staat in verkorte vorm op de voorjaarsuitgave (2014) van de website van De Vrienden van het Boeddhisme: http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/
Er woedde een strijd in mij, zeker als mens die beroepshalve over sport schreef. Vanwaar toch die fascinatie voor strijd, competitie, rivaliteit en vaak daaruit voortvloeiende animositeit? Dat de één beter is dan de ander. Dat ik beter wilde zijn dan een ander. En dus ook niet minder wilde zijn. Dat gevoel werd naarmate ik ouder werd en er meer over schreef steeds heviger – onaangenamer ook.
Aanvankelijk ging ik de drijfveren van mensen onderzoeken, in het bijzonder van mensen die wedstrijdsport bedreven. Interview na interview schreef ik. Niet alleen met topsporters maar ook met sportpsychologen, sportsociologen en sportfilosofen. Denkers. Dieper en dieper. Tja, het was the survival of the fittest. Zo was het nu eenmaal.
Zo’n 35 jaar geleden zei mijn eerste psychische hulpverlener, ‘spiritueel psychotherapeut’ Yde Lansen: ‘Guus, je denkt dat je in interviews op zoek bent naar de drijfveer in anderen. Maar je bent op zoek naar jezelf. Anderen zullen niet begrijpen wat je zoekt in hen. Zij kunnen jouw verhaal niet vertellen. Dat moet je zelf doen.’ Terzijde: in 1992 verscheen van Yde Lansen (samen met zijn ex-vrouw Mieke Bello het boek ‘Je gaat niet zomaar dood’ en in 1997 ‘De verstopte mens; hoe de goden en ons goddelijke lichaam weer zichtbaar kunnen worden’.
De zoektocht stemde maar niet tot tevredenheid, tot vrede met mezelf. Het leek inderdaad om mijn eigen zucht naar strijd te gaan. Wat ik om mij heen zag was projectie. Het was een nogal vermoeiend proces, uitputtend zelfs. Was er dan echt geen vreedzamer leven, elders?
Boeddhisme dan maar. Daar moest ik me in verdiepen. Had ik niet vaak verlangd naar een verblijf in een klooster? Rust en vrede, overal. Was ik niet eens bijna toegetreden tot de volgelingen van Bhagwan Shree Rajneesh, en sannyasin geworden? Ik las en herlas zijn boek: ‘Mijn weg de weg van de witte wolk’. Nee, geen volledige overgave aan een goeroe. Niet naar Poona. Niet in oranje over straat. Geen uniform. Ik wil wel autonomie.
Het leven voelde niet goed. De fascinatie voor sport was vaak ook een last. Ik leidde een dubbelleven.
Phil Jackson
Toeval kon het niet zijn dat ik begin jaren negentig bij een reportage over sportbeleving in de Verenigde Staten werd geconfronteerd met Phil Jackson, basketbalcoach van de Chicago Bulls, wereldkampioenen, het team van een van de beste sporters aller tijden, Michael Jordan. Een ‘sportspiritueel’ familielid, Frank Heckman, met Steven de Bie schrijver van ‘De Reis van de Held’ (de basis van de Nederlandse olympische sportsuccessen in de laatste jaren), wees mij bij mijn bezoek aan Chicago op het boek Sacred Hoops, Spiritual lessons of a hardwood warrior. Het was geschreven door Phil Jackson.
Het boek was een openbaring. Een sportcoach die spelers liet kennismaken met Indiaanse rituelen, sprookjes liet lezen als The Wizard of Oz (over de goeden en de kwaden), die vertelde over zenboeddhisme en hun leerde mediteren. Jackson, zoon van ouders die beiden dominee waren van de Pinkstergemeente, had als jonge student en basketbalspeler marihuana gerookt en lsd gebruikt. Niet ter vermaak, beweerde hij, maar om zijn perceptie te doorgronden. Hij had zich verdiept in politicologie, sociologie, filosofie en antropologie, en werd geraakt door de wijsheden van zenleraar Shunryu Suzuki, wiens lezingen hij regelmatig bezocht.
De Amerikaanse media noemden Jackson met een mengeling van cynisme en verwondering The Zenmaster. Hij liet mannen met een groot ego, zoals sterspeler Michael Jordan, ervaren hoe het voelde wanneer zij zich met anderen vergeleken. Jordan mocht dan met meer talent zijn gezegend, met anderen zou hij nog beter presteren. Jordan leerde dat hij zich niet beter en groter moest voelen dan zijn medespelers. Ieder zijn eigen talent. ‘Door de meditatiesessies van Jackson heb ik mezelf in relatie tot anderen leren zien. Ik werd er een betere speler door,’ gaf Jordan later toe.
De boeken van Jackson boden mij het inzicht dat wedstrijdsport en boeddhisme niet met elkaar hoeven te botsen. Dat ze kunnen samengaan, zelfs verhelderend en versterkend kunnen werken. Ik kon verder met mijn zoektocht. Ik probeerde te mediteren, las meer boeddhistische boeken – van alle stromingen. Toch bleef die verdomde strijd en competitie mij belasten. Ik moest en zou winnen, de beste zijn. Het leidde tot alweer een burn out.
Deelname aan een weekeinde Dharma Art met de Amerikaanse Shambhala-leraar David Schneider leidde tot nieuw inzicht. Toen Schneider de aanwezigen vroeg iets te vertellen over zichzelf en over het doel van hun deelname, durfde ik openlijk te zeggen dat ik sportjournalist was en moeite had met competitie. Naast me hoorde ik een vrouw diep zuchten. Was dat een teken van afwijzing?
In de theepauze vroeg Schneider mij of ik wist dat die dag het Nederlands voetbalelftal een belangrijke wedstrijd moest spelen. En of ik de uitslag wist. Wat? Deze boeddhist was in voetbal geïnteresseerd? Ik rende naar buiten, zette de autoradio aan en wachtte tot ik de tussenstand hoorde. Teruggekeerd kon ik Schneider melden dat Nederland met 1-0 voorstond. En zo kon het gesprek over sport en boeddhisme verder gaan. Terwijl anderen zich bogen over de mogelijkheden van een verlichte samenleving.
Mijn fascinatie voor competitie leek niet ongepast. Jaren later stuurde ik Schneider een email met een vraag over boeddhisme en strijd. Ik wilde er een verhaal over schrijven, misschien wel een boek. Schneiders antwoord was kort maar krachtig. ‘Je moest eens weten hoeveel strijd de Boeddha heeft moeten leveren.’
Topsporters die een boeddhistische levenswijze volgen, zijn dun gezaaid. Ik ken Tiger Woods en zijn worstelingen. En de Nederlandse boksster Lucia Rijker, de voormalige Italiaanse stervoetballer Roberto Baggio (zie foto boven) en golfer Joost Steenkamer, allen volgelingen van het Nichiren Daishonin-boeddhisme. Baggio was in de jaren tachtig een van de mooiste voetballers ter wereld. Een zachtaardige, technisch begaafde speler die voor het Italiaanse nationale elftal uitkwam. Voetballer naar mijn hart. Hij droeg zijn lange krullen in een paardenstaart. Ze noemden hem ‘Il Divin Codino’, de goddelijke paardenstaart, mede omdat hij vaak over boeddhisme sprak.
Ook door de vele blessures (allergisch voor pijnstillers) die hij als voetballer opliep, ging hij op zoek naar de zachte kant van het leven. Hij maakte kennis met het Nichiren-boeddhisme. Baggio werd aanhanger van Soka Gakkai, een Japans boeddhistische organisatie die zich inzet voor vrede, cultuur en onderwijs. In 2010 kreeg hij van het Nobelprijscomité voor de vrede de Peace Summit Award (op de foto naast Aung San Suu Kyi) http://www.dailymail.co.uk/news/article-1328024/Italian-footballer-Roberto-Baggio-honoured-peace-award-Burma-democracy-efforts.html, voor zijn wereldwijde inzet. Op zijn website niets actueels over voetbal, maar wel vooral beelden van hem omringd door mensen (kinderen) die hij wil helpen en heeft geholpen, en van hem in meditatie.
Niet dat sport Baggio niet meer boeit. Maar zijn strijd is voorbij. Twee jaar geleden legde hij zijn functie als technisch directeur bij de Italiaanse voetbalbond na twee jaar neer. Zijn doel om in samenwerking met de ook door boeddhisme geïnspireerde bondscoach Cesare Prandelli creatief voetbal te bevorderen en de jeugd enthousiast te maken voor het voetbal als spel en bron van plezier, was tot mislukken gedoemd. Baggio en Prandelli (beiden afkomstig van de voetbalclub Fiorentina) stonden aan de basis van het nieuwe positivisme in het Italiaanse voetbal. Maar nadat de Italiaanse bond Baggio’s vernieuwingsplan had genegeerd, besloot Baggio zijn liefde voor mensen elders in praktijk te brengen. Hij wilde niet meer winnen, hij wilde delen. In harmonie leven met anderen, niet meer in wedijver.
Mijn leraar is Sakyong Mipham, zoon van Chögyam Trungpa Rinpoche die het Shambhala-boeddhisme in het Westen verspreidde. Sakyong is een sportman. Hij was een fervent boogschutter en ruiter, en speelt golf. Hij heeft ervaren dat naast meditatie en zelfstudie ook lichaamsbeweging zijn geest verrijkt. Onlangs verscheen van hem het boek Running with the mind of meditation, waarin hij als fanatiek marathonloper de overeenkomsten tussen hardlopen en meditatie uitlegt.
Mede dankzij hem kom ik nu dagelijks op het kussen mezelf tegen. Ik adem, voel, beleef en zie de strijd in en tegen mezelf. Langzaam wordt de strijd minder. Misschien is het de woede die milder wordt, het verongelijkte gevoel dat ik niet beter ben dan anderen – ook niet minder. Ik hoef niet altijd meer de beste te zijn. Winnen is niet langer noodzakelijk. Het is de kunst van het loslaten die ik me probeer eigen te maken. Dat is zwaar. Misschien vecht ik (nog) te veel. Strijd zit ingebakken. Strijd kan, maar ik wil toch weer te graag winnen – al is het van mezelf.
In ‘Meester over je eigen leven’ schrijft Sakyong Mipham: ‘Wedijver stelt ons niet in staat te bereiken wat we willen. Hij geeft ons alleen maar de prikkel om winst te behalen ten koste van anderen. We zijn zo goed als we zijn, en anderen omlaaghalen maakt het er voor ons niet beter op’.
Die woorden helpen me verder. Wat als sport, strijd en competitie mij nooit een rusteloos gevoel hadden gegeven, mij niet hadden uitgeput en soms ziek gemaakt? Dan had ik mogelijk nooit de lessen gekregen van Phil Jackson, David Schneider, Roberto Baggio en Sakyong Mipham. Door sport heb ik boeddhisme leren kennen.
Guus van Holland was 35 jaar sportjournalist voor de Volkskrant en NRC Handelsblad. Sinds enkele jaren is hij vriend van de Shambhala-sangha Leiden.
Met Co Adriaanse in Studio Voetbal op zondagavond hoop je altijd op een zinnige opmerking. En ja hoor. Ook deze keer. Dus toen hij wilde uitleggen wat er bij Red Bull Salzburg aan de hand is, hoopte ik op de verklaring die ik na de opmerkelijke Ajax-debacles in de Europa League (0-3 en 1-3) nog niet had gelezen of gehoord. Er moest toch iets bijzonders met Salzburg en met Red Bull aan de hand zijn, los van het zwakke spel van Ajax?
Adriaanse, die in het seizoen 2008-2009 er coach was en met Salzburg kampioen werd, vertelde over de Red Bull Clinic. Waar niet alleen alle voetballers van Salzburg, maar ook internationale skiërs, skispringers, tennissers, autocoureurs, golfers en wielrenners (er is verband gelegd tussen Pansold en Human Plasma, de bloedbank voor langlaufers, biatleten en wielrenners) worden ‘behandeld’ onder meer aan de hand van bloedtesten en veelvuldig gebruik van ‘speciale’ Red Bull. Adriaanse liet de naam dokter Pansold vallen, een voormalige Oostduitse arts. Ja, die naam kende ik nog van een dopingproces tegen zes DDR-trainers en -artsen in Berlijn, 1998, waar ik bij aanwezig was.
Er werd een beetje lacherig gedaan door Jan Mulder, Arno Vermeulen, Ronald de Boer en Jack van Gelder. Zoals het veel voetbalanalisten betaamt. ‘Oh, een Oostduitser, hoe heet hij ook al weer?’, lachte Mulder, in de hoop toch vooral over ‘serieuzere’ zaken te kunnen praten. Adriaanse zei verder maar niks, geen slapende honden wakker maken of zoiets. Ze noemden Pansold ‘dr. Tot’, zei Adriaanse met de van hem bekende mysterieuze glimlach. Ach, waar hebben we het over?
Bernd Pansold was twintig jaar lang (1968-1990) een van de belangrijkste dopingartsen van de DDR (hij gaf ‘alles’ wat zwemmers, atleten en jeugdsporters beter kon maken). Hij was chef-arts van Dynamo Berlin en van 1971 tot 1989 lid van de Stasi onder een andere naam: Jürgen Wendt. Er zijn nog veel oud-DDR-sporters die gehandicapt zijn door zijn methoden of ziek werden, zelfs kanker kregen. De kogelstootster Heidi Krieger was een van zijn ‘clienten’. Zij (hij) heet nu Andreas Krieger, omdat ze door Pansolds hormoontherapie te veel man was geworden. Pansold werd in 1998 veroordeeld door een rechtbank in Berlijn tot een geldstraf, omdat hij opzettelijk mannelijke hormonen aan minderjarigen had gegeven. De Oostenrijkse skibond waarvoor Pansold destijds werkte, ontsloeg hem meteen. http://www.berliner-zeitung.de/archiv/aus-den-stasi-akten-des-sportmediziners-bernd-pansold-von–hirnhormonen–und–kriminellen-vergehen-,10810590,9420220.html
In 2003 werd hij door de Red Bull Clinic ingelijfd. Het is niet gezegd dat de voetballers van Salzburg daarom nu beter, sterker en sneller waren dan Ajax of dat ze überhaupt doping krijgen. Er is meer nodig dan kracht, snelheid en conditie, je moet natuurlijk ook nog (technisch) kunnen voetballen. Maar Adriaanse wist wel dat de Red Bullspelers mede door de behandelmethoden sterker en sneller waren. Zo vertelde hij tussen neus en lippen door. Vorig jaar werden ze nota bene nog door een Luxemburgse club uitgeschakeld. Maar het elftal is wel gegroeid, wist Adriaanse.
In de kliniek in Thalgau https://www.facebook.com/media/set/?set=a.10151243317925304.801152.136399835303&type=3 was skiër Hermann Maier (bijgenaamd de The Herminator) veel te vinden. Een man die uit de dood opstond en diepe indruk maakte door zijn enorme spierkracht en lichaamsbouw. Ook de Amerikaanse skikampioene Lindsey Vonn en haar vriendin de Duitse skikampioene Maria Riesch hebben zich er regelmatig gemeld. En de Duitse autocoureur Sebastian Vettel. Ze worden gesponsord door Red Bull, zoals veel internationale sporters. Vonn verklaarde vorig jaar tegenover Amerikaanse journalisten dat ze inderdaad twee keer per jaar in Thalgau kwam, maar nooit Pansold heeft ontmoet. De sporters van Red Bull mogen allemaal gebruik maken van Red Bull Diagnostics and Training Center Thalgau. Mede-eigenaar van Red Bull en miljardair Dietrich Mateschitz is de baas en geldschieter van de Salzburger voetbalclub.
In The Boston Blickbild van 23 mei 2013 werd een voormalige trainer van het centrum geïnterviewd. Hij wilde anoniem blijven, uit angst voor represailles. Hij wilde ook niet zeggen hoe lang hij er gewerkt heeft. Verder was hij kracht- en conditietrainer voor een nationaal curling team (…) Als verklaring voor het feit dat het centrum in een bouwvallig gebouw is ondergebracht zei hij: ‘Een nieuw gebouw trekt aandacht. En gezien het grote aantal prominente sporters dat er komt is anonimiteit gewenst.’
Volgens de man heeft met name Hermann Maier veel aan Pansold te danken. ‘Iedereen dacht dat hij zo sterk werd omdat hij in de bouw werkte, als metselaar en stenensjouwer. Maar dat is onzin. Omdat Maier met Pansold werkte, mochten de andere Oostenrijkse skiërs van de skibond niet met hem omgaan.’
Ook Maria Riesch werd dankzij de methoden van Pansold sterker, zegt hij. Uiteindelijk besloot ze met de medicus te stoppen. ‘Omdat’, aldus de ex-trainer, ‘ze hem niet meer vertrouwde’. Hij zegt niets over dopingmiddelen te weten. ‘Maar van alle sporters werd geëist dat dat ze zoveel mogelijk Red Bull dronken die in een koelkast werd bewaard. Ze mochten niets anders drinken dan Red Bull. Dat vond ik vreemd. Omdat de meeste sporters mixdrankjes nemen. Maar dat was ten strengste verboden in Thalgau’
Volgens ‘Jan’, de ex-trainer van de kliniek, worden de speciale Red Bulls van Thalgau gebruikt als maskeringsmiddel. ‘Hoewel Lindsey Vonn zegt clean te zijn, vind ik het vreemd dat ze traint in een kliniek van een man die zeer betrokken was bij doping. Ik zie veel overeenkomsten met Lance Armstrong’. Nooit positief maar wel samenwerken met verdachte artsen.
Hij vertelde tegen The Boston Blickbildhttp://bostonblickbild.blogspot.nl/2013/05/lindsey-vonns-red-bull-doping-doctor.html dat hij niet kan begrijpen dat sportmensen zoveel Red Bull kunnen drinken zonder over te geven. ‘Ik dronk het nooit, hoewel ik het moest drinken. Maar ik gooide het in het toilet en vulde het blikje met water. Dat deden alle trainers daar.’
Volgens ‘Jan’ dronk Lindsey Vonn meer van de speciale Red Bull dan alle andere sporters in het centrum. Hij zegt ook dat er veel wielrenners kwamen die de Tour de France reden en Chinese atletes, nadat hun ‘Chinese methodes’ waren ontdekt en verboden. Geen begeleider van Vonn die argwaan had. ‘Ze waren blij dat Red Bull alles overnam.’
Dietrich Mateschitz heeft als eigenaar van Red Bull ruim 600 sporters onder contract. Aanvankelijk investeerde hij in kleine sporten. Maar hij heeft zijn imperium uitgebreid tot bijna alle topsporten. Ook voetbal, niet alleen Salzburg, maar ook Real Madrid en New York Red Bulls. Vooral de Duitse pers heeft Pansold argwanend gevolgd. Maar ook de New York Daily News. Zoals alle ex-DDR-trainers en -artsen die na de val van De Muur emplooi zochten in het Westen, met name in Oostenrijk, door vooral de Berliner Zeitung, de Süddeutsche en Der Spiegel. Toegang tot de kliniek wordt niet gauw gegeven. Het is niet de bedoeling dat ze nieuwsgierige mensen toelaten. Anonimiteit is het hoogste goed.
Alleen de New York Daily News mocht op audientie, mei 2013. Lees: http://www.nydailynews.com/sports/i-team/muscling-roid-doc-news-visits-controversial-training-doctor-red-bull-clinic-article-1.1351280
In 2005 bezocht ik Jonny Nilsson, mijn vroegere schaatsheld op de 10 kilometer, mijn held in een toen nog heersende strijd tegen de elementen. Nilsson (nu 71), de man die vriend was van Kees Verkerk en Ard Schenk, is vergeten, ook in Zweden. Zie hier het verhaal dat in het schaatsboek De Blokjeslegger van Turijn verscheen.
In Hindås wil ik wonen. In dit dorpje met nog geen duizend inwoners, verspreid over nog geen honderd bungalows, omgeven door bossen en meren, tussen al het blauw van de hemel en al het groen van de aarde, met zijn onmetelijke grasvelden, zijn talloze bomen en struiken.
Op zo’n twintig kilometer van Göteborg, driehonderd meter boven de zeespiegel, ligt dit Zweedse oord waar mensen die behoefte hebben aan een frisse, weldadige lucht hun toevlucht zoeken. Paradijselijk bijna.
Hier had in 1958 het magische Braziliaanse voetbalteam, dat wereldkampioen zou worden, zijn trainingskamp opgeslagen. Zo las ik in het boek The History of the World Cup van Brian Glanville.

In Hindås wil ik wonen. Daar kan ik de buurman zijn van Erling Martin Jonny Nilsson, de man die mij als jongen veertig jaar geleden zo trof door zijn uitzonderlijke manier van schaatsen. Het was de tijd van Kees Verkerk, Ard Schenk, Knut Johannesen en Fred Anton Maier, van de voortdurende strijd tussen Nederlandse en Noorse schaatsers. Stilisten, ieder op hun eigen wijze.
Een enkele maal werd hun machtsstrijd gebroken, door een mysterieuze Rus of een toevallige Zweed. Door bijvoorbeeld Jonny Nilsson, ook een stilist, maar een schaatser wiens stijl toch weer afweek van wat in de loop der schaatshistorie was gekomen en was heengegaan.
Als ik hem zie staan in de deuropening van zijn chalet midden in het groen van Hindås, met zijn – met 62 jaar nog altijd – slanke lijf, zie ik Jonny in mijn herinnering weer dansen over het natuurijs van Bislett, Ullevi, Moskou, Karuizawa, Deventer en Innsbruck. Toen was schaatsen nog bijzonder, dankzij Jonny.
Ard Schenk had voorafgaand aan mijn bezoek aan Nilsson de stijl van de Zweed in woorden proberen uit te beelden: ‘Nilsson had een korte slag. Hij tilde het been hoog op en viel dan in de volgende slag. Vreemd, maar toch effectief.’
Zo was het ook in mijn herinnering. Niet die lange, zwierige slagen. Jonny leek te huppelen over het ijs, wippend van het ene been naar het andere. Een slag met een wip. Later tijdens mijn bezoek legt hij uit dat het vooral een manier was om zijn benen tijdens het optillen los te schudden om kramp te vermijden. Ter verduidelijking is hij opgestaan van de tafel vol Zweedse lekkernijen en doet hij het nog eens voor. Hij geniet van zijn voorstelling, alsof hij weer schaatst voor een duizendkoppig publiek in Ullevi.
Hij leerde de techniek van Ivar Nilsson, vertelt hij, zijn oudere landgenoot en vriend. De stijl was nieuw, zo erkent hij met gepaste trots. Zoals hij altijd vernieuwend wil zijn. Zoals zijn dochter Maria, die tijdens het bezoek optreedt als tolk (‘want papa spreekt slecht Engels’), zegt: ‘Mijn vader is altijd innovatief geweest. Hij wil altijd op zoek naar nieuwe dingen. Hij is rusteloos, altijd bezig. Hij is vaak zijn tijd vooruit. Dat heeft hem ook tegenslag opgeleverd. Papa wil altijd iets nieuws en dat is niet altijd gezond voor hem geweest.’
In mijn jongensjaren genoot ik van Jonny, omdat hij anders was, avontuurlijk, niet zo strak, streng, statig en stabiel, niet zo saai Hollands, saai Noors of saai Russisch. Niet oeverloos over het ijs zwierend. Ik voelde iets in me gloeien wanneer ik hem ronden lang zag dansen. Een stayer wiens stijl me wakker hield tijdens de lange soms oneindig lijkende races over vijf en tien kilometer.
Als ik hem vertel over mijn fascinatie voor hem, begint hij te stralen. Eindelijk weer bevestiging en waardering, nog wel vanuit schaatsland Nederland.
Als ik hem vertel hoe Ard Schenk en Kees Verkerk nu nog over hem spreken, raakt hij zichtbaar ontroerd. Maria streelt hem even over zijn hand. Jonny Nilsson kijkt naar buiten, wendt dan zijn gezicht naar mij, lacht en stelt voor naar zijn kantoor te gaan. Want daar liggen plakboeken, foto’s, oorkondes, medailles en andere herinneringen. ‘Straks papa’, kalmeert dochterlief hem liefdevol. En Jonny gehoorzaamt.
Ze mogen hem, de mannen van vroeger, ze hebben hem altijd een fijne kerel gevonden, een man waarmee ze iets konden beleven. Apart, maar zeker een onschuldig mens. Zoals Schenk zei: ‘Een plezierig mens, open, altijd contact makend en op zoek naar mensen. Een type playboy, een dandy, goed in de kleren. Tenger, maar spieren als kabels. Slim en doordacht.’
En Verkerk: ‘Een heerlijke man. Hij is destijds bij ons in het café in Puttershoek verloofd met Inga-Lill. Wat een feest was dat. Hij heeft toen een poosje bij ons doorgebracht. Ik zie hem nog vaak. Omdat ik hem wil blijven zien. Brutaal, charmant en avontuurlijk. Alle vrouwen vielen op hem.’
Inga-Lill? Maria kijkt haar vader vragend aan als deze naam valt. ‘One of his many ladies?’
Op zijn gezicht verschijnt weer die glimlach. Inga-Lill Öhrn, zo heette ze, een van de vele vrouwen in de jonge jaren van Jonny Nilsson. De relatie was van korte, maar intensieve duur. In 1968 verloofden ze. Maar in 1977 trouwde hij toch een andere vrouw, Marianne, nu onderwijzeres in Hindås, moeder van Maria en Madeleine. Als ik Marianne later voorbij zie wandelen met een vriendin op weg naar school, weet ik het zeker: Jonny valt op mooie vrouwen en andersom. Nog later, bij mijn vertrek, passeer ik de school van Marianne. Ze staat op het schoolplein, rondom haar spelende kinderen. Ze zwaait en lacht met een mooie lach. In Hindås ga ik wonen, weet ik meteen.
Jonny Nilsson debuteerde op het internationale podium in 1962, 19 jaar was hij. In Moskou, in het immense, spookachtige Leninstadion, waar de sintelbaan was ondergespoten om als ijsbaan te kunnen dienen voor het wereldkampioenschap schaatsen, maakte hij naam op de lange afstanden. Op de vijf kilometer werd hij nog tweede achter Ivar Nilsson, maar op de tien kilometer was hij de winnaar, in 16.29.4 – vijftien seconden sneller dan Ivar Nilsson. Jonny werd tiende in het eindklassement.
Een jaar later werd Jonny Nilsson wereldkampioen. In Karuizawa, een Japans plaatsje, waar ik tijdens de Winterspelen van 1998 nog eens was om te kijken naar de olympische curlingwedstrijden. Karuizawa lag er toen sprookjesachtig bij. Sneeuw en nog eens sneeuw. De straten waren verlaten, de huizen leken onbewoond. Hier en daar wees een rookpluim uit een schoorsteen van een van de villa’s op leven. Het was er koud, wit en stil. Zo koud en stil dat je de sneeuw hoorde kraken. Nilsson werd er wereldkampioen, bij onophoudelijke sneeuwval. Hij won de vijf en de tien kilometer. Hij brak het wereldrecord op zowel de vijf en de tien kilometer (met 13 seconden) als van het puntenklassement (7.34.3; 15.33.0; 178.447). Nilsson was een fenomeen geworden.
De Japanners reageerden enthousiast op de triomftochten van de Zweed. Ze dreven hem tot gelukzaligheid. ‘Als het sneeuwt ben ik in mijn element,’ legt Nilsson uit. ‘Kou en de sneeuw maken me gelukkig. Dan geniet ik van mezelf en van de natuur. Dat is nog steeds zo, wanneer hier in Hindås in de winter de sneeuw om mijn huis ligt.’
De plakboeken, foto’s en relikwieën moet hij nu toch echt uit zijn kantoor in de kelder opdiepen. Maria vertoont even trekken van plaatsvervangende schaamte, maar als eenmaal toch de plakboeken op tafel liggen, bekent ze trots te zijn op haar vader, wiens successen zij – zo jong als ze nu is (begin twintig) – nooit heeft meegemaakt. Kijk, een foto van een monument van Jonny Nilsson in Karuizawa, en een foto van hetzelfde (25 jaar later gerestaureerde) monument.
En dan foto’s van Japanse meisjes met Jonny Nilsson, veel foto’s en veel meisjes. Een foto van de Japanse prinses met Jonny. ‘Mijn geisha. Ze was verliefd op mij,’ lacht Nilsson. ‘Echt waar. Ik heb later brieven gekregen.’
En jawel, daar is ze weer, op de foto met Jonny. Een jaar later tijdens de Olympische Spelen van Innsbruck in 1964, waar Nilsson de gouden medaille op de tien kilometer veroverde. Tot verbazing van iedereen, want Nilsson was naarmate de winter van 1963-’64 vorderde totaal uit vorm geraakt. Ziekte en andere lichamelijke ellende. Hij was de winter ingegaan om in Innsbruck twee gouden medailles te winnen, maar plotseling begaf zijn lichaam het – zijn zelfvertrouwen was weg.
Ard Schenk toont zich nog altijd sceptisch over de gang van zaken tijdens de olympische tien kilometer in Innsbruck. ‘Maier en Johannesen waren de favorieten, maar ze wonnen niet. Jonny moet tijdens de loting zijn bevoordeeld en later tijdens het schaven en slijpen van de ijslaag ook. Sven Låftman was de voorzitter van de schaatsunie, een Zweed. Hij moet iets geregeld hebben waardoor Nilsson, die al vroeg startte en een uitstekende tijd had neergezet, in het voordeel bleef. Niet meer het ijs prepareren, alleen de bovenlaag slijpen, de motoren zachter laten draaien, zoiets. Ik weet het niet precies, maar het was mysterieus, dat hoorde bij Jonny.’
Jonny Nilsson reageert teleurgesteld op de lezing van Schenk. ‘Ik ben niet geholpen, door niemand. Je kunt hoogstens zeggen dat ik geluk heb gehad. In die tijd was het ijs veranderlijk, de natuur was bepalend, de ijsmachines waren minder deugdelijk, de loting kon veel uitmaken. Ik reed in de vroege uren tegen een Hongaar nota bene. Die haalde ik in. Ik had geen tegenstand, alleen mijzelf. Ard weet wel beter, hij heeft ook vaak kunnen profiteren. Nederlanders moeten accepteren dat buitenlanders ook geluk hebben en dat Nederlanders veel zijn bevoordeeld in eigen land, door eigen juryleden en meer van die a-sportieve aspecten. Dat is sport.’
Even lijkt Nilsson boos te worden. Teleurstelling over het verhaal van Schenk is er zeker. Maar omdat de foto van de Japanse prinses tussen ons ligt, keert de vredige stemming snel terug. ‘De prinses is speciaal naar Innsbruck gekomen voor mij,’ vertelt hij. ‘Ik kreeg een bericht dat ze mij wilde zien. Maar ik had geen tijd, ik was te druk met mezelf, ik was onzeker over mijn vorm, ik wilde olympisch kampioen worden. Ik wilde de prinses niet teleurstellen, maar ik kon haar niet ontmoeten. Dat zou niet goed zijn geweest.’
Gelachen wordt er aan tafel als Nilssons drang naar vernieuwing andermaal ter sprake komt, nu naar aanleiding van een van de anekdotes van Kees Verkerk. ‘Jonny droeg op een gegeven moment een panty,’ citeer ik Verkerk. ‘Of misschien droeg hij wel nylons. Want je zag de naad van de kousen. Wij Nederlanders droegen nog allemaal wollen pakken, schaatstricots. Maar Jonny droeg panty’s. Dat hij dat durfde was tot daar aan toe, maar hij was ons voor, zo was hij altijd bezig met nieuwe dingen.’
Nilsson lacht verlegen. ‘Ik probeerde voortdurend te zoeken naar andere dingen. In 1962 droeg ik al nylons. Dat kriebelde, maar minder dan die wollen schaatsbroeken. In 1963 kwamen de Noren er allemaal mee. Op het Europees kampioenschap van 1963 in Göteborg werden de Noren een, twee, drie en vier. Ze droegen alle vier panty’s. Nederlanders waren daar niet zo snel mee.’
En dan is er het verhaal van de ‘toeter’ voor het gezicht van Nilsson tijdens het Europees kampioenschap van Lahti in 1967. Op een zondagmiddag zag ik Nilsson tijdens de sneeuwstorm in de verschrikkelijke Finse kou rondjes schaatsen met een toeter voor zijn neus. De tien kilometer was door de ‘onmenselijke’ omstandigheden (wanneer mogen we ze weer beleven tijdens schaatskampioenschappen?) ingekort tot drie kilometer. Nilsson meende de kou te kunnen trotseren door zo’n toeter. ‘Maar,’ lacht Verkerk nog steeds bij de herinnering, ‘de stikstof die hij uitblies bleef in de toeter. Na vier ronden moest hij eruit. Ja, als je niet beweegt, is er weinig aan de hand, dan adem je minder. Maar zo, dat kon niet. Maar dat was Jonny, altijd op zoek naar nieuwe dingen.’
Jonny Nilsson lacht niet als hij het verhaal van Verkerk aanhoort. Serieus: ‘Het was verschrikkelijk koud. Ik lag op mijn hotelkamer tegen de radiator van de verwarming. Een Zweedse journalist die bij me was, had een idee. Hij vertelde me dat motorrijders in Zweden en Finland als het koud was zo’n masker voor hun gezicht bonden. Hij heeft bij een benzinestation zo’n ding voor me gekocht. Maar een motorrijder zit stil en ademt weinig. Een schaatser ademt juist heel veel. Dat was dus een mislukking. Maar het was goed geprobeerd. Zo ben ik altijd op zoek geweest. Ik leg me niet neer bij bestaande situaties en problemen.’
Hij blijkt een gedreven en ook emotionele man. Ik heb het toen, veertig jaar geleden, aangevoeld. Deze man heeft iets wat mij aantrekt. Zijn openheid, zijn onschuld, zijn naïviteit, zijn wil om er meer uit te halen en zijn drang om in vrede met mensen te kunnen samenleven en gelukkig te zijn.
Zo was er zijn boek ‘Op naar de sterren’, ter illustratie van zijn romantiek, dat met behulp van vier(!) ghostwriters naar aanleiding van zijn triomftochten werd geschreven. Nilsson toont mij het povere boekwerkje en zegt zonder schaamte: ‘Maar 18.000 van verkocht in Zweden. Geen succes dus. Het koste maar drie kronen. Heb ik niets aan verdiend.’
Het was in de tijd dat Zweden, vooral dankzij Nilsson, en later Johnny Höglin en Örjan Sandler nog een schaatsnatie heette. Ruim 50.000 toeschouwers kwamen toentertijd tijdens Europese en -wereldkampioenschappen naar het Ullevi-stadion van Göteborg voor Jonny Nilsson. In Nederland werd later gesproken over het Ard-en-Keessie-effect, maar wat in Zweden rondom Nilsson gebeurde was nauwelijks minder spectaculair.
Jonny Nilsson in 2010
Jonny Nilsson voelde toen de aangename sfeer, hij voelde dat er iets moest gebeuren. Zoals hij dat vaker had, dat hij die straling in de lucht voelde. Met zijn antenne die hem wakker schudde en zijn open geest weer eens inspireerde. Hij voelde dat van de populariteit van schaatsen in Zweden geprofiteerd moest worden. De schaatssport stond volgens hem überhaupt op een keerpunt. ‘Ik voorzag dat we de strijd met de communistische landen zouden verliezen, als we niet snel ingrepen,’ vertelt hij nu. ‘Sportmensen uit de Sovjetstaten waren al min of meer professional. Ze hadden de beste faciliteiten, ze konden dagelijks bezig zijn met sport. Waarom schaatsers niet? Maar hoe? Door professional te worden, door zich te laten betalen door sponsors of desnoods de overheid. Tennissers en skiërs waren al professional geworden. Wanneer jonge mensen niet de kans kregen om dagelijks met hun sport bezig te zijn, zouden ze afhaken en gaan tennissen, skiën of voetballen. Daar was geld voor nodig.’
Nilsson peilde quasi-onverschillig bestuursleden van de internationale en nationale bonden, en zocht in het geheim contact met andere topschaatsers. ‘De internationale schaatsunie wilde niet, dat stond wel vast. Conservatieve mensen die de amateursport hoog in het vaandel hadden staan, sporten voor geld was een zonde. Ik moest oppassen, ik kon gestraft worden wegens schending van de amateurregels. Ik weet nog dat ik in Oslo op het toilet aan Schenk mijn plannen vertelde, toen Låftman van de schaatsunie binnenkwam. Die voelde al dat er iets op handen was. Dus moest ik oppassen.’
De spanning die hij destijds moet hebben gevoeld, is dertig jaar later weer tastbaar in huize Nilsson. Nilsson vertelt alsof hij voorleest uit het boek van Steinar Nyborg, die de hele geschiedenis van het profavontuur van Nilsson heeft beschreven. ‘Tom Liden, een Zweed die studeerde in de Verenigde Staten en contact had met wereldbekende golfspelers als Palmer en Nicklaus, wilde me helpen,’ gaat Nilsson verder. ‘Binnen korte tijd leek de organisatie rond. Zestien schaatsers wilden meedoen, we hadden sponsors, in Noorwegen en Nederland, zoals Philips. We hadden advocaten voor de contracten. Ik had een klein probleem. Ik kon die contracten niet lezen en begrijpen. Ik sprak geen Engels, nog steeds niet. Maar Inga-Lill, mijn verloofde, was een voortreffelijke tolk. In het Grand Hotel in Oslo hebben we een persconferentie gehouden, met alle zestien schaatsers, sponsors en advocaten. Er waren zestig journalisten, er was televisie. We gingen de schaatssport redden.’
Twee jaar duurde het profavontuur van Nilsson, Schenk, Verkerk en anderen. ‘Linkse bewegingen,’ zoals Nilsson ze noemt, ‘kwamen in opstand in Zweden. De Zweedse schaatsbond werd onder druk gezet door de overheid. Zweedse schaatsers die niet meededen werden door de Zweedse bond bevoordeeld, kregen geld. Officials en scheidsrechters werden gechanteerd. De ethiek van de sport was in het geding. Mensen die voor geld gingen, werden gestraft en geboycot. Overal in Zweden en Noorwegen werden de schaatsbanen voor profschaatsers verboden gebied verklaard. Op de schaatsbaan in Den Haag, de Uithof, waarmee we een contract hadden gesloten, moesten we zelf de tribunes bouwen. In het Noorse parlement werden kritische vragen gesteld. We waren outcasts, gangsters, geldwolven. Die politici en schaatsofficials waren bang, ze waren bang dat wij de sport kapot maakten. Toen onze manager, Pedersen, een hartaanval kreeg, was het voorbij. Ze hadden ons kapot gemaakt.’
Jaren later is hij nog aangesproken door voorzitter Cinquanta van de internationale schaatsunie. ‘Hij zei: mister Nilsson, u was op het goede spoor. U wist wat de schaatssport nodig had. Het spijt me dat u toen zo bent behandeld. U was uw tijd ver vooruit.’
Het wordt hem allemaal te veel. Jonny Nilsson, de charmante, open, eerlijke, onschuldige, wat naïeve ‘Jonny Be Good’, heeft zijn boosheid de vrije loop gelaten. Hij kan even niet verder praten. ‘Papa heeft een hele zware tijd gehad,’ zegt Maria. ‘Zo populair als hij eerst was, zo onheus is hij later in Zweden behandeld.’
Nilsson valt toch weer in: ‘Ik was er dag en nacht mee bezig geweest. Na het verschrikkelijke jaar 1974 kreeg ik een burn out. Ik was kapot, ik had geld verloren en ik had mijn imago verloren. Mijn gezondheid ging achteruit, ik werd ziek en wilde met niemand meer iets te maken hebben, vooral niet met de mensen uit de schaatswereld, de huichelaars en de mensen die het zogenaamd goed menen met de mensheid, de linkse politici, en hun ideeën over amateurisme en ethiek. Ik was vernederd. Ik was niemand meer.’
Nilsson was makelaar. http://www.maklarfirmanjnilsson.com/. Maar omdat hij goodwill had verloren, ging zijn makelaardij over de kop. Hij verkocht niets meer. ‘Ik was opgejaagd wild. Eerst was ik populair, kon ik alles krijgen, werd ik overal gevraagd, kon ik alles verkopen wat ik kocht, nu was ik een loser. Ik wilde de schaatssport helpen, maar niemand vertrouwde me. Nu zijn alle schaatsers professional en verdienen ze veel geld. Dat is niet mijn verdienste, ik was gewoon te vroeg. Maar het schaatsen in Zweden is wel kapot. Niemand kent Jonny Nilsson nog. Zo is het Ingemar Stenmark vergaan, de eerste profskiër. Zo is het Björn Borg vergaan, hij week uit naar Monaco. Zweden was jarenlang een eng links land.’
Jarenlang hield Jonny Nilsson zich afzijdig van de schaatswereld. Hij wilde er niet meer komen, hij dúrfde er niet meer te komen, bang beledigd en vernederd te worden. Maar eenmaal getrouwd met Marianne, gelukkig met zijn dochters en weer langzaam maar zeker een succesvolle makelaar, trok hij toch weer naar het schaatsen. En niet minder enthousiast, ambitieus en innovatief als vroeger.
Sinds drie jaar organiseert hij de Jonny Nilsson Maraton, een schaatstocht annex schaatswedstrijd over 50 kilometer over het Bergslags Kanalen tussen Karlskoga en zijn geboortestad Filipstad. Op het ijs waar Nilsson in zijn jonge jaren altijd schaatste. De laatste keer in -februari 2005 waren er 218 deelnemers uit alle schaatslanden – veel uit Nederland. Daar komen oude vrienden, zoals Fred Anton Maier, Knut Johannesen, Per Willy Guttormsen, Ivar Nilsson, Kees Verkerk, Örjan Sandler, Johnny Höglin, Göran Claeson, Tomas Gustafson en oud-officials die ‘Jonny’ nooit hebben laten vallen of weer in hun armen hebben gesloten. De foto’s en posters die hij toont spreken boekdelen. Zijn gezicht vertoont eindelijk weer een lach. Maar beducht blijft hij. ‘Geef me asjeblieft positieve aandacht. Ik hou van schaatsen, heb ik altijd gedaan.’ Maria zegt: ‘Het doet hem pijn dat Zweden niet meer meetelt in het schaatsen.’
Hij vertelt over zijn plannen om het schaatsen weer populair te maken in Zweden. Hij had afgelopen zomer besprekingen met een Noorse oliemaatschappij, met het Finse Nokia, het Zweedse Ericsson en met de Zweedse televisie. Scandinavië moet zijn vuisten ballen. ‘Zweden, Noorwegen en Finland moeten samenwerken om de schaatssport nieuw leven in te blazen. Wat met langlaufen en skiën kan, kan ook met schaatsen. Zoveel als het sneeuwt, zoveel vriest het.’
Hij neemt alle geledingen van de Zweedse samenleving bij de arm. De cultuur, de politiek, de sport. Een Zweedse oud-minister is nu voorzitter van de Zweedse schaatsbond en heeft in Nilsson een bondgenoot. Het charmeoffensief duurt nadrukkelijk voort.
Zijn marathon over de bevroren meren en kanalen ten zuiden van Filipstad moet een ‘mega-event’ worden. Nilsson ziet het al voor zich: Er is al een hotel in aanbouw, jeugdherbergen, campings voor in de zomer – ’s winters schaatsers, met honderden tegelijk. Allemaal vrienden van Jonny Nilsson.
Het afscheid van Jonny Nilsson is ontroerend. Als ik met mijn auto achteruit rijd, zie ik hem staan kijken uit het keukenraam, heimelijk. Als hij, de olympisch kampioen van 1964, de wereldrecordhouder en wereldkampioen van weleer – mijn schaatsheld – ziet dat ik hem zie, zwaait hij terug. Verlegen als een held die zo graag nog een held wil zijn. Hij woont in een paradijselijk oord, de Zweedse man met het gebroken hart, die zijn ziel en zaligheid heeft verkocht aan het schaatsen.
Nog even fris, vrolijk en leuk als toen. Nog steeds heeft Katarina Witt (48) de uitstraling waarmee ze in de jaren tachtig aan de wereld toonde dat mensen uit de DDR konden lachen. ‘Kati’ danste, draaide en sprong zoals geen kunstrijdster dat eerder had gedaan. Huppelend van plezier. Met veel bravoure. Zo veroverde ze in Serajevo (1984) en Calgary (1988) de gouden medaille. Zo werd ze en is ze nog steeds de meest succesvolle kunstrijdster aller tijden.
Zo zou ze weer kunnen stralen en springen op het ijs. Zoals in het Saddledome van Calgary waar ze de zwarte Amerikaanse Debi Thomas in The Battle of the Carmens (beiden schaatsten op de operamuziek van Georges Bizet) tot groot verdriet van de Amerikanen versloeg. Hier was politiek in het spel. Het Westen tegen het Oosten, de VS tegen de DDR. Het Amerikaanse systeem tegen het Sovjet-systeem. De Amerikaanse media gingen weer eens royaal over grenzen. America’s Sweetheart tegen dat wicht uit de DDR, de vijand. Het was de tijd van de Koude Oorlog.
Katarina Witt werd door Time ‘het mooiste gezicht van het socialisme’ genoemd. ,,Door mijn uitstraling werd ik positief benaderd’’, weet Witt nog, charmant en uitnodigend pratend in haar kantoor in Berlijn. ,,Ik heb de DDR trots gemaakt. Ik werd het uithangbord. Het was een naïeve, domme, wereldvreemde kwalificatie van de Amerikanen. In de DDR bestaan zowaar ook groene weiden, er zijn ook leuke meisjes. Tja, hoe kun je het bedenken, zo kleingeestig. Alsof alles bij ons grauw en grijs was, er mensen leefden die dom, grijs, arm en vanzelfsprekend ongelukkig waren. Ik heb onbewust de deur geopend naar de DDR. Ik was een positieve ambassadrice van de DDR. Dat hebben de Amerikanen ermee bereikt.’’
Ondanks het systeem van onderdrukking heeft ze veel te danken gehad aan de DDR, zegt ‘Kati’. Het was toch haar land, waar ze geboren en getogen was. Ze heeft er op haar vijfde kunstrijden geleerd. Ze heeft er geleerd door te zetten en haar talenten te gebruiken. ,,Ik trainde dagelijks zeven tot acht uur. In de weekeinden wedstrijden. Dat heeft me tot de gedisciplineerde vrouw gemaakt die ik nu nog ben. Ik zou voor geen geld zijn weggegaan. Mijn ouders, familie en vrienden leefden er. Die zou ik nooit verlaten. In het Westen, in een groot huis, met veel geld en dure auto’s, zou ik me eenzaam hebben gevoeld, ver van mijn geliefden. De DDR was mijn thuis, waar mijn papa en mama leefden en mijn broer.’’
Of er afgunst was van mensen die meenden dat ze bevoorrecht was? ,,Die zijn er altijd. Altijd zijn er mensen jaloers op wat je bent en wat je hebt bereikt. Bijna iedereen heeft kansen. Ook in de DDR. Grijp ze. Velen wisten dat ik vreselijk hard werkte. Om medailles en titels te winnen. Ik heb er niets voor gekregen. Geen beloning. Dankzij mijn gouden medaille in Calgary kwam ik boven aan de wachtlijst voor een auto en een woning. Dat was mijn premie. Alles. Ik moest de auto, een Lada met een zilveren grill, zelf betalen. Ik kon een Wartburg nemen, maar die had mijn vader al. Ik heb zelf mijn rijbewijs moeten halen. Ik heb een jaar moeten wachten op mijn gedroomde auto. De dag nadat ik hem kreeg reed ik ermee tegen de schoolmuur. De huur voor een woning van 32 vierkante meter, nog kleiner dan deze kamer hier, moest ik zelf betalen. Zo klein, zo eenvoudig. Een woning waarvoor wel alleen een gezin met kinderen in aanmerking kwam. Dat is waar. Dat was mijn privilege als single.’’
Natuurlijk heeft ze veel geluk gehad, beseft ze. ,,Ik hoorde pas later hoe andere mensen moesten leven. Hoe sporters werden gedwongen doping te nemen. Atleten, zwemmers en sporters die vooral spierkracht nodig hadden. Ik deed aan kunstrijden. Daar was geen doping voor nodig. Niet die doping die er nu is, die overal in de wereld wordt toegediend om sporters beter te laten presteren. Niet alleen ten gunste van zichzelf maar ook ten gunste van de natie en de sponsor. Ik kan me niet herinneren dat ik iets heb gekregen wat mij beter maakte. Ik leefde in mijn eigen wereld, ik was alleen met mezelf bezig, met mijn training en mijn ambities. Later, begin jaren negentig, toen mensen mij beschuldigden van verraad aan vrienden en andere sporters, ben ik op onderzoek uitgegaan. Toen kwam ik erachter dat er door de Stasi een dossier van mij van 3.000 pagina’s was aangelegd. Vanaf mijn jongste jeugd was ik van minuut tot minuut gevolgd. Altijd was er dus iemand in mijn buurt geweest. Camera’s, microfoons. Dat was echt schrikken. Er stond zelfs in dat ik seks had gehad op een hotelkamer. Dat was niet zo. Tijdens een gesprek met een vriend was er een stilte gevallen. Dat was alles. Stilte, geen seks. Ik heb niemand verraden. Later is een intieme vriend van mij overgeplaatst naar een ver oord. omdat het niet goed was voor mijn loopbaan. Ik begreep het niet. Hoe kon ik begrijpen wat ze met mij voor hadden? Ik was een jong meisje. Ik werd overal buitengehouden. Als ik maar trainde, schaatste en medailles won.’’
Naar het buitenland reizen was nauwelijks een voorrecht, meent ze. ,,Ik ging er niet op vakantie. Ik moest wedstrijden rijden én winnen. Dat werd van mij verwacht. Dat wilde ik zelf ook. Als ik in het Westen buiten de ijshal en het hotel kwam zag ik dat er armoede was, druggebruik, werkloosheid, racisme, mensen die dakloos waren. Wat ik bij ons niet kende. Dat bestond bij ons niet. Ik kon zien dat het vrije Westen geen paradijs was, zoals in de DDR werd gedacht. Mensen die reizen leren van andere culturen. Dat heb ik zo ervaren. Dat heb ik geleerd.’’
Het leven van topsporter heeft haar verrijkt. Daarom staat ze nog volop in de belangstelling. Als tv-presentatrice, schaatsanaliste, als actrice in films en tv-series. Het zwarte gat heeft ze nooit gekend. ,,Ik wacht niet af. Ik wacht niet tot anderen mij verder helpen. Ik wil zelf verder. Ik zit nooit stil. Ik ben creatief. Ik denk en doe in het heden. Met vroeger ben ik niet bezig. Laatst vroeg Yahoo Sports me voor een olympisch filmpje, dat nu op mijn Facebookpagina te zien is. https://www.facebook.com/notes/katarina-witt/memorable-moments/10152116403229190. Of ik bij De Muur wilde gaan staan. Dat is hier om de hoek, vijf minuten lopen van hier. Ik was er nooit geweest. Aha, dit is dus De Muur. Ik keek naar beelden van vroeger in de DDR in de televisieserie Weissensee. Ik zag de inrichting van de huizen, hoe mensen leefden, eenvoudig, maar niet arm. Dat was voor mij een andere planeet.’’
Ze staat positief in het leven, zegt Kati Witt. Laatst was ze verdrietig. De bewoners van Beieren wilden geen Winterspelen, vooral omdat het milieu werd aangetast. Als chef van Winterspelencampagne rond München 2018 was ze teleurgesteld. ,,Juist mensen in een deelstaat die van wintersport houdt en leeft, protesteerden. Als ex-sporter en voorvechtster van olympische ideeën kon ik het niet begrijpen. Als het was doorgegaan zou het goed zijn gekomen. We waren de discussie aangegaan. Ik ben niet voor boycot. Boycot leidt tot niets. Ik ben voor dialoog. Sporters, jonge mensen die jarenlang dagelijks hebben getraind en gedroomd, staan bij een boycot in de kou.’’
Ze gaat naar Sotsji, voor de vierde keer naar de Winterspelen, weer als analist bij het kunstrijden voor televisiezender ARD. ,,Er is daar veel verkeerd: corruptie, politieke onderdrukking. Maar waar moeten we dan heen? Alleen naar landen waar alles eerlijk gaat? Waar is dat? Olympische Spelen kunnen het land veranderen. De wereld komt er binnen, met nieuwe invloeden. Dat is met China gebeurd. Dat gaat ook in Rusland gebeuren. Mensen daar gaan nadenken over wat er in land gebeurt. Dat hoop ik. Dat is waar de olympische gedachte goed voor is. Verbroedering. Ik ben niet naïef. ik ben optimistisch.’’
Het onderwerp brengt haar terug in de tijd dat de DDR werd afgewezen en vooral hoe mensen uit de DDR werden neergezet als grauwe, monddode onderdrukten. ,,Ik houd er niet van als mensen zeggen: ‘wat wij doen is het beste, dat zou iedereen moeten doen.’ Altijd dat ego. Elk land heeft zijn eigen taal, cultuur, religies, tradities en verhalen. De wereld heeft vele kleuren. Als je zoals ik veel kan reizen, kun je respect voor anderen ontwikkelen. Reizen verandert mensen. Sport is leerzaam voor jongeren. Het geeft inzicht. Je leert met mensen omgaan, teamgeest ontwikkelen. Het doel van de sport is niet systemen tegen elkaar opzetten. Het doel mag niet zijn: wie de meeste medailles wint heeft het beste sportsysteem. Zo ging dat in de DDR, en ook in de Sovjet-Unie, maar ook in West-Duitsland en de Verenigde Staten. Daar moeten we van leren. En toch zie ik het nog steeds. Steeds meer zelfs, landen die proberen zoveel medailles te winnen om te bewijzen dat zij het beste systeem hebben. Jullie in Nederland toch ook? Sporten is bedoeld als verbroedering. Het beste uit jezelf halen, maar niet ten gunste van de politieke formule. Sportprestaties zijn prachtig en leerzaam, maar ze mogen nooit het toonbeeld zijn van de manier waarop het land, de regering, zich manifesteert. Medaillespiegels mogen nooit een leidraad zijn. Asjeblieft, zet ze niet in jullie krant. Want het zet aan tot nationalisme.’’
De ernst op haar gezicht maakt gelukkig plaats voor vrolijkheid. Het maakt haar een uiterst aantrekkelijke vrouw, de wat verouderde, rijpere uitgave van de jonge vrouw die ik in 1988 in Calgary zag stralen op het ijs. Hoe ze daar na afloop op de persconferentie zat te giechelen, mij na afloop een zoentje gaf en zich daarvoor verontschuldigde: ‘Sorry, ik ben een beetje dronken van de champagne.’ Alberto Tomba, de charismatische Italiaanse skiër die tweemaal goud had gewonnen, had haar zojuist uitgenodigd voor een etentje. ‘Een mooie man die me uit eten vraagt. Ik moet snel weg’, giechelde ze. En weg was Katarina Witt.
Zoals ze aan het einde van het gesprek in haar Berlijnse kantoor straalt, voelt niet als een pose. Zo is ze op haar best, vanaf de eerste jaren dat ze op schaatsen stond en door trainster Jutta Müller werd opgemerkt als een meisje met talent en optimisme – en vooral met doorzettingsvermogen. Katarina Witt staat graag in de belangstelling. Dat is zeker, ook deze middag in Berlijn. ,,Het heeft me nooit gestoord als mensen mij aanklampen. It comes with the territory”, schakelt ze moeiteloos over van Duits in Engels. ,,Het hoort er bij. Ik ervaar aandacht als een compliment. Dat is altijd mijn grootste kracht geweest. Nog steeds.’’
Een verkorte versie staat in de olympische bijlage van 1 februari in NRC Handelsblad
Een aai over mijn bol. Als dank voor de ballen die ik (en andere jongens) voor hem en zijn medespelers bij Benfica vanachter de tribune achter het doel van Costa Pereira had gehaald en met de binnenkant van mijn voet terug in het veld had geschoven, terug naar hem. Hij lachte me toe, zei iets in een onbegrijpelijke taal en liet me in adoratie achter op het voetbalveld van de Wageningse Berg. Daarom werd Eusébio toen mijn idool. Zondagmorgen overleed hij aan hartfalen, Eusébio da Silva Ferreira (71). http://dewerelddraaitdoor.vara.nl/media/306788
Het was 1 mei 1962. Benfica had zijn trainingskamp opgeslagen op de Wageningse Berg, waar de ploeg in het gelijknamige hotel logeerde. De volgende dag versloeg Benfica in het Olympisch Stadion van Amsterdam dankzij twee doelpunten van Eusebio met 5-3 het Real Madrid (al vijfmaal winnaar van de Europa Cup) van de dertigers Ferenc Puskas (hij scoorde driemaal), Francisco Gento en mijn intussen verdrongen idool Alfredo Di Stéfano.
Eusébio was anders dan Di Stéfano. De Argentijnse Spanjaard was technischer en sierlijker en meer een gewiekste spelmaker dan de Portugees, afkomstig van de voormalige Portugese kolonie Mozambique. Eusébio was sneller, explosiever, sterker, atletischer, en beschikte over een snoeihard schot. Zoals hij dat tijdens de schietoefeningen op de Wageningse Berg liet blijken, toen hij met Aguas, Augusto, Simoes, Germano en Coluna van afstand de prachtige doelman Costa Pereira onder vuur nam.
Eusébio behoort tot de beste voetballers aller tijden. Zijn op vele beelden vastgelegde rushes, zijn schoten en zijn vele doelpunten in de jaren zestig vormen daarvan het bewijs. Hij was ook een sportieve voetballer, een sportman die vriendelijk bleef voor zijn tegenstanders – hoezeer ze hem ook met grove middelen tegenspel boden.
Hij had meer trofeeën verdiend dan elf Portugese titels, één Europese clubtitel en één keer Europees voetballer van het jaar. Hij was ook tweemaal topscorer van Europa. Het was het lot van de ‘Parel van Mozambique’of de ‘Zwarte Panter’.
Voetbal stond bij hem in het teken van hartstocht. ‘Als de hartstocht geboren wordt, moet het avondeten wachten’, zei hij in zijn biografie ‘Mijn naam is Eusébio’. Als hij voetbalde, met de bal aan zijn voeten over het veld raasde, was hij gelukkig en dacht hij aan niets anders dan plezier. Angst kende hij niet. Zoals hij dat op blote voeten had geleerd in de sloppenwijk van Lourenco Marques (nu Maputo), de hoofdstad van Mozambique. Spelend met een bal van lompen.
‘Niemand’ werd hij als jongen genoemd, Ninguém. Zijn moeder was een arme weduwe, die de 7.500 dollar over de keukentafel uitspreidde die Benfica voor haar 18-jarige zoon betaalde. Ze beloofde het geld terug te geven als hij niet voldeed.
Eusébio werd op 25 mei 1961 in het immense Estadio da Luz (stadion van het licht) in Lissabon aan het publiek voorgesteld in een oefenpartijtje tegen tweedeklasser Atletico. Hij toonde meteen zijn talenten: met panterachtige versnellingen raasde hij door de verdediging van Atletico, hij scoorde drie keer. Een week later, op 31 mei 1961, speelde Benfica de finale van Europa Cup I tegen Barcelona, maar Eusébio was niet speelgerechtigd en moest in het Wankdorfstadion van Bern vanaf de tribune toekijken.
Op 1 juni 1961 maakte Eusébio zijn officiële debuut in het eerste elftal van Benfica. Hij verloor in een bekerwedstrijd met het B-elftal (omdat de beste spelers nog te vermoeid waren van de bekerfinale) van Vitoria Setubal (1-4), maar Eusébio scoorde wel.
Eusébio voldeed, vanaf het begin. Begin van de zomer speelde Benfica als beste ploeg van Europa in Parijs een galawedstrijd tegen het Braziliaanse Santos, met Pelé, en destijds mogelijk de beste ploeg ter wereld. Hij viel twintig minuten voor het einde in, Benfica stond met 5-0 achter. Eusébio scoorde drie keer. Santos won met 6-3. Pelé, die twee doelpunten maakte, vroeg na afloop wie toch die zwarte jongen was. ,,Dat gaat een grote voetballer worden.”
Eusébio groeide snel uit tot een uitblinker in Portugal en in Europa. Nooit zou hij met volle teugen van zijn status genieten. Nooit zou de weemoed uit zijn ogen verdwijnen. Uitgelaten vierde hij zijn doelpunten en triomfen, in tranen onderging hij nederlagen. Een fadista, een man die de fado, het lied van de weemoed, vertolkte met zijn voeten.
Tranen van groot verdriet liet Eusébio na de uitschakeling met het nationale team van Portugal in de halve finale van het wereldkampioenschap van 1966 door Engeland. ,,Ik keek naar de hemel, vroeg God wat ik gedaan had om dit te verdienen, en toen kwamen de tranen’’, zei hij in een portret van Sky Sports. Hij was in het Wembleystadion van Londen lam gelegd en gesloopt door de Engelse ‘terriër’ Nobby Stiles.
Eusébio kwam niet toe aan de weergaloze acties waarmee hij tijdens de kwartfinale tegen Noord-Korea opzien baarde. Menigeen beschouwt de kwartfinale als een van de meest memorabele WK-wedstrijden in de voetbalgeschiedenis. Noord-Korea, dat eerder nota bene Italië uitschakelde, was snel op een 3-0 voorsprong gekomen. Toen ontbond Eusébio zijn ketenen en raasde hij met de Portugese ploeg over de Koreanen heen. Voor de rust werd het 3-2. De eindstand werd 5-3, vier doelpunten van Eusébio. A man in a hurry, kopte een Engelse krant.
De toernooiorganisatie besloot op aandringen van de Engelse voetbalbond de halve finale tussen Engeland en Portugal te elfder ure te verplaatsen van Liverpool (waar Portugal bivakkeerde en zijn wedstrijden op Goodison Park van Everton had gespeeld) naar Londen. Vermoeid door de late treinreis traden de Portugezen aan tegen het gastland. Eusébio was Eusébio niet meer. Portugal was Portugal niet meer. Engeland, met de fameuze Bobby Charlton, won en zou wereldkampioen worden. Eusébio werd topscorer van het toernooi met negen doelpunten. Zijn verdriet was er niet minder om.
Twee jaar later verloor Eusébio weer op Wembley, 1-4. Nu in de finale van de Europa Cup tegen Manchester United. Weer tegen Nobby Stiles, die nog ruwer dan in 1966 de Portugese ster tegenspel gaf. Bij de stand 1-1 kreeg Eusébio een enorme kans, maar vlak voor doelman Alex Stepney miste hij. Eusébio reageerde niet gefrustreerd, maar sportief. Hij gaf de United-doelman een schouderklopje. De Parel van Mozambique ten voeten uit.
Het einde van de glorieuze loopbaan naderde. Chronische knieblessures dreven hem vaak tot wanhoop. Het leven werd meer fado dan voetbal. Hij won nog titels met Benfica, speelde in de Verenigde Staten en in Mexico, maar raakte verslaafd aan de drank en gokken. Vrouwen smeten met zijn geld. Bij Benfica mocht hij nog even hulptrainer zijn. En permanent adviseur. Zoals hij de spelers van het nationale elftal van advies mocht blijven dienen. Hij genoot van zijn heldenstatus, vooral tijdens het EK van 2004 in Portugal. Maar hij kon de diepgewortelde melancholie niet meer verbergen. Zijn gezondheid liet hem steeds meer in de steek.
In de documentaire Football’s Greatest van Sky Sports zei Eusébio in 2011: ,,Ik hoop dat de rouwstoet bij het beeld van mij voor het stadion van Benfica even stopt, dan een ronde om het stadion maakt en dan naar binnen gaat.’’
En zo geschiedde.
Deze necrologie verscheen op 6 januari 2014 in verkorte vorm in NRCnext en NRC Handelsblad
John Furlong, de gedreven, immer stralende, nu 63-jarige voorzitter van het organisatiecomité van de Winterspelen 2010 in Vancouver, heeft iets uit te leggen. Vooral aan veel kinderen die hem in het verleden als sportleraar hebben meegemaakt. De onafhankelijke Canadese journaliste Laura Robinson ontdekte na grondig onderzoek dat Furlong jarenlang (eind jaren zestig, begin jaren zeventig) kinderen van de oorspronkelijke Canadese bevolking (First Nations, Indianen dus) heeft geslagen en seksueel misbruikt – ten einde de kinderen (de blanke) mores te leren.
Robinson, een gelauwerd onderzoeksjournaliste, publiceerde haar eerste verhaal over het wangedrag van Furlong in september 2012 in Georgia Straight, een weekblad in Vancouver. http://www.straight.com/news/john-furlong-biography-omits-secret-past-burns-lake. Ze voerde daarin een groot aantal getuigen op. Bovendien had zij ontdekt dat Furlong heeft gesjoemeld met data over zijn afkomst (Ierland) en zijn emigratie naar Canada. Furlong ontkent en wordt daarin gesteund door de belangrijkste Canadese sportorganisaties, die geen reden zien om aan de integriteit van de eminente voorzitter van Vancouver 2010 te twijfelen en niet hun eigen beoordeling en bewondering ten aanzien van Furlong aan een nader onderzoek te onderwerpen.
De Canadese sportautoriteiten slaan zich liever op de borst over de organisatie van de Winterspelen in Vancouver en prijzen vooral Furlong om zijn bevlogenheid, zoals hij die in zijn autobiografie Patriot Hearts uitvoerig en met veel egostrelingen beschrijft. Furlong is niet voor niets voor zijn werk als organisator veelvuldig onderscheiden: Officer of the Order of Canada (May 6, 2010), Order of British Columbia (2010), Olympic Order (2010), Paralympic Order (2010). Hij maakt in zijn boek nog eens duidelijk hoe hij de First Nations (de oorspronkelijke bewoners) bij de Spelen heeft betrokken en als sportleraar op een katholieke kostschool goed missiewerk heeft verricht.
Robinson kwam er achter dat Furlong al vijf jaar eerder in Canada werkzaam was dan hij in zijn boek aangaf. Eén van de vele leugens, aldus Robinson. Hij noemde nergens de naam van de school waar hij in Canada gedurende die periode werkzaam was geweest. Ze werd vervolgens getipt door een vertegenwoordiger van de First Nations, waarna zij haar onderzoek begon en steeds meer wrange details over Furlongs verleden in Ierland en als sportleraar in Canada vond. Onderzoek van Robinson leerde dat hij op Prince George College het sportprogramma leidde. Op de Facebookpagina van de school vond zij oud-leerlingen waarop zij samen met Furlong stonden.
De Indiaanse kinderen die werden verplicht naar de katholieke missionarissenschool te komen verklaarden tegenover Robinson dat zij van school wegliepen, omdat zij mishandeld werden. De politie (Royal Mounted Canadian Police) had ze teruggebracht, waarna zij vervolgens door Furlong (lichamelijk) gestraft werden omdat ze tegen de politie hadden gelogen over mishandeling op school. Volgens Furlongs autobiografie speelde de Ier in zowel het nationale Ierse handbal- als basketbalteam, speelde tegelijkertijd Gaelic football voor Dublin en was hij coach van het nationale Ierse vrouwenbasketbalteam. En dat allemaal toen hij 23 jaar oud was? Onmogelijk, meent Robinson met overtuiging.
Furlong probeerde eerst Georgia Straight aan te klagen. Maar zag daar uiteindelijk vanaf. Nu jaagt hij op Robinson zelf en daagt hij haar voor de rechtbank. http://www2.macleans.ca/2013/02/16/the-woman-behind-an-olympic-war-2/. Robinson (een oud-amateurwielrenster http://www1.uwindsor.ca/womensstudies/system/files/Laura_Robinson_Biography.pdf), die artikelen en boeken heeft geschreven onder andere over vrouwen en seksualiteit in de sport, over seksueel misbruik bij jongens in ijshockey (Crossing the line) en over racisme in basketbal, heeft voldoende belastende verklaringen in handen om Furlongs wangedrag te verduidelijken. Maar zij vreest de macht van de Canadese sportautoriteiten (zoals Own the Podiumhttp://ownthepodium.org/Resources.aspx?lang=en-CA, het belangrijkste sportorgaan) en het Canadees Olympische Comité die geen oog hebben voor de trauma’s van een groot aantal ex-leerlingen van de katholieke school in Prince George en Burns Lake, waarop Furlong les gaf.
Drie ex-leerlingen hebben (tevergeefs) een aanklacht ingediend bij de politie, wegens seksueel misbruik van Furlong. Acht ex-leerlingen hebben een getekende verklaring afgegeven waarin zij hun vroegere sportleraar betichten van fysiek en verbaal geweld. Zoals jongens bij het ijshockey keihard met de stick op de rug slaan, kinderen bij de haren slepen, in het gezicht slaan, lijfstraffen, kinderen uitschelden voor ‘lazy indians’. Een groot aantal andere ex-leerlingen hebben anonieme verklaringen gegeven, anoniem mede omdat zij ondanks jarenlange psychotherapie nog altijd bevreesd zijn voor de machtige hand van Furlong.
Een paar weken geleden deed Robinson haar relaas in Aarhus tijdens Play the Game, een tweejaarlijks congres waarin de wantoestanden in de sportwereld (zoals matchfixing, gesjoemel met dopingregels door autoriteiten en controleurs, bevoogding en onderdrukking van topsporters, corruptie en omkoping bij IOC- en FIFA-officials rond de biddings en de organisatie van mega-evenementen, zoals Olympische Spelen en WK voetbal) werden belicht door wetenschappers en onderzoeksjournalisten (300 uit de hele wereld). Een dag voor haar presentatie probeerde een advocatenkantoor namens Furlong Robinson ervan te weerhouden de geschiedenis van de organisator van de Winterspelen weer te geven. De organisatie van Play the Game werd gedreigd met een rechtszaak als zij Robinson haar presentatie liet geven.
Jens Sejer Andersen, de directeur van het congres, reageerde laconiek door terug te mailen dat de censuur in Denemarken al 150 jaar is afgeschaft. De dreigementen van de Canadese juristen haalden de Canadese media. Furlong mocht voor tv-camera’s zeggen dat hij door de verhalen van Robinson ,,door een hel is gegaan”. Hij ontkent alles. Robinson beschikt over tal van verklaringen die zij graag voor de rechtbank wil toelichten.
Intussen kan zij haar werk als freelance-journaliste niet uitvoeren, hangende de rechtszaak tegen haar. Zij kan als freelancer niet steunen op een journalistenverzekering. Robinson heeft daarom een fonds opgericht waarop sympathisanten een donatie kunnen geven. The Laura Robinson Defense Fund.http://www.huffingtonpost.ca/2013/12/03/laura-robinson-funding_n_4379938.html
Robinson attaqueerde in Aarhus nogmaals de Canadese sportorganisaties die zij verwijt achter deze man te blijven staan, of domweg erover te zwijgen, terwijl er tientallen mensen van First Nations met verbaal, lichamelijk en seksueel geweld zijn bejegend door Furlong. Ook de Canadese politie-autoriteiten (Royal Mounted Canadian Police) krijgen ervan langs omdat zij de aanklachten jegens de oud-sportleraar niet serieus hebben genomen, en nu zelfs de kant van Furlong kiezen.
Laura Robinson staat niet alleen in haar jacht op Furlong, omdat zij zich gesteund weet door vertegenwoordigers van de Indianen en door veel collega’s en vrienden van Play the Game. Maar zij ziet zich geconfronteerd met de allure en de macht van een nationale held, een man die in zijn almacht is gaan geloven. Een man die van zijn omgeving, de mensen die overtuigd zijn van zijn integriteit en in zijn licht hebben mogen meeschitteren, niet van zijn voetstuk mag vallen.
Naar aanleiding van de rellen rondom Ajax-Celtic van 6 november waarvoor door de Amsterdamse politie en uiteindelijk ook door de rechter vooral de supporters van Celtic (en niet Ajaxfans en de politie zelf) verantwoordelijk worden gehouden, hier een artikel dat ik op 6 november 2006 op mijn NRC-weblog schreef.
Alweer een bijzondere boodschap van Celticfans
Supporters van Celtic zijn anders dan de supporters van de meeste andere voetbalclubs. Ze zijn niet alleen trouw aan hun eigen club, maar waarderen ook andere clubs. Your opponent is not your enemy, is het credo van Celtic Trust, de overkoepelende organisatie voor Celticsupporters. The Trust vertegenwoordigt de belangen van de fans. Bijna 40% van de aandelen (16.000 aandeelhouders) van de club is in handen van de fans. Aan het vreedzame credo van het (Iers)katholieke Celtic hebben de fans van het protestante (Glasgow) Rangers geen boodschap. Vele veldslagen zijn er in het verleden geweest tussen de plaatselijke rivalen, voordat de Celticleiders met hun sociale missie begonnen. In 1971 vielen in het Ibrox Park van Rangers nog 66 doden en 200 gewonden, al was dat niet het gevolg van geweld maar volgens een van de lezingen omdat een deel van een tribune instortte. http://www.scottishfootballblog.co.uk/2011/01/ibrox-disaster-40-years-on.html
Vorige week (november 2006 dus) baarden duizenden meegereisde fans van Celtic opzien in Lissabon, rondom de wedstrijd voor de Champions League tussen Benfica en Celtic. Celtic verloor kansloos met 3-0. Voldoende reden voor Schotse supporters om na een fikse zuippartij eens goed los te gaan, bijvoorbeeld in een vechtpartij met supporters van Benfica. Zo zou je kunnen denken. Omdat het vaak zo gaat. Maar zo ging het dus niet. Er was geen enkele arrestatie. Volgens twee meegereisde politiefunctionarissen uit Glasgow, die in Lissabon de plaatselijke politie assisteerden, gedroegen de Celtic-aanhangers zich voorbeeldig.
Het hoogtepunt van vreedzaam (zeg maar broederlijk) gedrag was het postume eerbetoon dat Celticfans brachten aan de twee jaar eerder overleden Hongaarse voetballer van Benfica, Miklos Feher. Feher kreeg tijdens een wedstrijd in 2004 van Benfica tegen Vitoria Guimaraes een hartaanval en stierf op het veld.
Celticfans ontvouwden in het stadion van Benfica een spandoek met daarop de naam van de speler, rugnummer 29 en de tekst ‘Nunca caminharássozinho’ (You’ll never walk alone). Na afloop werd het spandoek overhandigd aan de aanvoerder van Benfica Simao en de spits Nuno Gomez. Daarna kregen de spelers een donatie van de Celticfans voor een ziekenhuis in Lissabon. Nuno Gomez reageerde verbaasd en emotioneel: ,,Dit maak je zelden mee. Andere supporters zouden een voorbeeld kunnen nemen aan die van Celtic.”
Toevallig was een Hongaarse waarnemer van de Europese voetbalfederatie UEFA bij de wedstrijd aanwezig. Ook hij was onder de indruk van de Schotse geste. Hij heeft onmiddellijk de ouders van Feher op de hoogte gesteld en de oude club van Feher, Gyori ETO. Waarom nu juist Celtic-fans een hommage brachten aan Feher die zij toch niet kennen, is niet duidelijk? Een Celtic-official antwoordde: ,,Omdat dat de kracht van Celtic is, het voetbalhart van Celtic klopt voor het voetbal in de hele wereld.”
Het bericht op de website deed me onmiddellijk grijpen naar het boek ‘How soccer explains the world‘ (‘De wereld draait om de bal; over voetbal en globalisering’) van Franklin Foer, een Amerikaanse journalist van The New Republic. Daarin beschrijft Foer op zeldzame, meeslepende, gedetailleerde, genuanceerde en bewonderenswaardige wijze de wereld van het voetbal – politiek, economisch, sociologisch, religieus en cultureel – aan de hand van reportages uit Brazilië, Italië, de Balkan, Spanje, Nederland (Ajax en de vereenzelviging van haar supporters met joden), Engeland en Glasgow. Een treffend boek, uitgegeven in de Nederlandse vertaling bij Het Sporthuis (Arbeiderspers).
Ik las daarin wat Foer heeft beleefd rond The Old Firm, de derby tussen Rangers en Celtic. Fascinerend voor wie meer wil over voetbal wil weten, meer dan de waan van de dag. A groundbreaking work — named one of the five most influential sports books of the decade by ‘Sports Illustrated’ — How Soccer Explains the World is a unique and brilliantly illuminating look at soccer, the world’s most popular sport, as a lens through which to view the pressing issues of our age, from the clash of civilizations to the global economy. Aldus de begeleidende tekst van Amazon.
Zie ook: http://www.deboekensalon.nl/dbs/book/256488.
Verder over Celtic. ‘De Glasgow Celtic Football Club is de moeder van de stroming die emancipatie via het voetbal propageert’, zo las ik in een van de artikelen van Raf Willems over Celtic in NRC Handelsblad. Willems is schrijver van onder meer het boek ‘Kan voetbal de wereld redden?’. Daarin legt hij de link tussen voetbal en maatschappij, zoals die met name in Groot-Brittannië en Duitsland heerst. Willems beschrijft net als Franklin Foer hoe Celtic is ontstaan uit de armoedige Ierse migrantengemeenschap in de negentiende eeuw en al in 1888 een unieke integratiemethodiek lanceerde: open to all.
Het Celtic Social Charter (http://www.celticfc.net/corporate_socialcharter#) verbiedt elke vorm van discriminatie. En verder de twee principes: niemand mag worden uitgesloten op basis van ras, geslacht of religie; en steun aan mensen zonder thuishaven, lees: daklozen en asielzoekers. Geen club ter wereld verzamelt meer solidariteitsfondsen. Zoals het Celtic Charity Fund, een hulpfonds waarmee talrijke solidariteitsprojecten worden gesponsord, zowel in Glasgow als in de derde wereld.
In 2003 zorgden 90.000 Celticfans uit alle delen van de wereld voor de grootste vredelievende volksverhuizing sinds de Tweede Wereldoorlog naar de UEFA-Cupfinale in Sevilla. Ondanks de nederlaag tegen Porto werd geen enkel incident genoteerd door de politie. De supportersstijl van Celtic is humoristisch en muzikaal. De wereldvoetbalfederatie FIFA bestempelde deze stijl tot ‘beste ter wereld’.
Het gebaar van Celticfans doet me denken aan de necrologie die ik in maart (2006 dus) schreef voor NRC Handelsblad naar aanleiding van het overlijden van Jimmy Johnstone, The Greatest Celt Ever. De razendsnelle en razendpopulaire ‘Vlo’ overleed aan de spierziekte ALS toen hij 61 jaar was. Op het condoleanceregister van de website van Celtic schreef een supporter: ‘God had just made his greatest signing today’. Kleine ‘Jinky’ maakte mensen blij en aan het huilen. Hij begreep zelf niet waarom. Johnstone was een kleine, domme zuipschuit die geweldig kon voetballen. Het ging bij hem niet om grote triomfen en smadelijke nederlagen. Het ging bij hem en het gaat bij Celticfans om het-mens-zijn. Koop de dvd: Jimmy Johnstone, A bhoy’s life.
Wie zijn stadion (Celtic Park) Paradise noemt, zoals Celticfans, weet wat voetbal betekent. Voetbal gaat niet om tactiek, techniek, trainerspraat en bestuurdersethiek. Voetbal gaat om menselijkheid. Daarvoor moet je vooral bij Celtic zijn. Zo bleek in Lissabon.
Dit verhaal is geplaatst op maandag 6 november 2006 om 18:20 uur.
Wanneer dopingtesten zo weinig resultaat hebben als nu, dan dient er meer en intensiever gecontroleerd te worden. Met die strijdkreet probeerde Dick Pound, IOC-lid en voormalig directeur van het Internationale dopingagentschap WADA, vorige week de toon te zetten tijdens de sportconferentie Play the Game in Aarhus, Denemarken. Niet alleen sportbonden maar vooral overheden moeten zich meer inzetten in de ‘oorlog tegen doping.’ Zo begon de Canadees de openingssessie van de vierdaagse bijeenkomst, waarbij ruim driehonderd wetenschappers, sportleiders en onderzoeksjournalisten uit de hele wereld aanwezig waren.
Pounds oproep kreeg bijval van Bill Bock (zie foto), de openbare aanklager van het Amerikaanse dopingagentschap USADA die Lance Armstrong op de knieën kreeg. Het duo vond elkaar in de beschuldiging aan sportbonden in het algemeen en de internationale wielerunie in het bijzonder dat ze te weinig initiatief nemen. Meer inzet, nog meer geld, nog meer controles is hun credo. Dat er ‘veel te weinig’ sporters worden ‘gepakt’ schreeuwt om een strengere aanpak.
Zowel Pound als Bock toonde zich een ware ‘crimefighter’. Sporters die dope gebruiken zijn misdadigers, zo klonk uit hun tirades. Bock glom nog van zijn geslaagde jacht op Armstrong, een jaar geleden. ,,Denk nog eens aan hoe renners als Floyd Landis en Tyler Hamilton als gevolg van het regime van Armstrong in een hotelkamer in de Pyreneneeën de dood in de ogen zagen door riskante bloedtransfusies.’’ Zo hield hij zijn gehoor voor. En: ,,Denk aan al die Nederlandse renners die dood in hun bed zijn gevonden.’’
Zo zoog Bock in zijn gezwollen tirade als een geboren demagoog uit zijn dikke duim – want dat is nooit gebeurd. Herman Ram, directeur van de Nederlandse Doping Autoriteit gaf na afloop toe dat Bock onzin uitkraamde, althans is dat nooit aangetoond. Maar hij hield zich tijdens de forumdiscussie op de vlakte.
De Duitse dopingonderzoeker van de Gutenberg Universiteit in Mainz, Perikles Simon, en de Amerikaanse leider van de internationale sportersbelangenorganisatie UNI, Walter Palmer, legden aan de hand van statistieken uit dat in het huidige onderzoeksysteem de kans op positieve gevallen vrijwel nihil is en zal blijven: een handvol positieve testen (vooral cannabis nota bene) per jaar op tienduizenden controles, die nota bene duizend dollar per bloedtest en 300 dollar per urinetest kosten. ,,Nog meer controles, nog meer geld is zinloos’’, verklaarde Simon. ,,Als we eindelijk in een laboratorium dichtbij het opsporen van een nieuw product zijn, is er al weer een nieuw product in omloop. De controles tijdens wedstrijden blijken ook nog vier keer zo effectief als controles buiten de wedstrijden. Waarom dan nog out-of-competition controles? Ze werken niet.’’
Er wordt per jaar ruim 300 miljoen dollar uitgetrokken voor dopingcontroles door WADA, wist Simon. ,,Weggegooid geld.’’
Maar Pound en Bock waren in de discussie niet te vermurwen. ,,Dus u wilt dat we stoppen met dopingtesten’’, beet Bock Palmer toe. En Pound: ,,Iedereen wil de straf reduceren. Waarom? De nieuwe, strengere WADA-code is al ontworpen, maar wordt helaas pas in 2015 bekrachtigd’’, zei Pound. ,,De sportbonden nemen hun verantwoordelijkheid niet. Ze ontkennen doping. Klokkenluiders als Landis en Hamilton worden door de bestuurders van de wielerunie nota bene als ‘klootzakken’, verraders dus, neergezet. In de teamsporten wordt helemaal geen actie ondernomen. Uit angst voor imagoverlies.’’
Bock: ,,Dankzij Pound is WADA gekomen, dankzij Pound zijn misdadigers als Armstrong gepakt. Hoe kunnen kinderen aan sport denken zonder dat ze aan chemische steun denken? Alleen strengere straffen en intensiever jagen op dopers heeft zin.’’
Herman Ram van de Nederlandse Doping Autoriteit probeerde in zijn betoog nuance aan te brengen. ,,Waarom wordt doping genomen? Hoe ontstaat een dopingsysteem? Er moet ook naar sociologische achtergronden worden gezocht en naar de criminaliteit van de handelaren.” Hij wees op de diversiteit in culturen en landen. De organisatie van Play the Game hoopte dat Ram uitleg zou geven over het recente Nederlandse onderzoek waarin veel wielrenners werden verhoord en schuld bekenden. Ram zei later: ,,Ik kan niets vertellen omdat het onderzoek nog niet is afgerond.’’
Gerhard Treutlein
In een andere (doping)sessie van de conferentie in Aarhus kwamen vooral veel Duitse onderzoekers aan het woord. Professor Gerhard Treutlein van de Universiteit van Heidelberg (Zentrum für Dopingprevention) wees op het Duitse dopingprobleem dat al sinds de Tweede Wereldoorlog heerst en vooral door de rivaliteit tussen Oost- en West-Duitsland in omvang toenam. How the west answered to the East German doping practice: ,,Nadat de DDR door het IOC als olympisch lid werd toegelaten, wilde de Bondsrepubliek dat hun sporters sterker en sneller werden. Anabolen werden met medeweten, of zelfs advies van de overheid en artsen aan atleten en wielrenners toegediend. Iedereen in West-Duitsland wilde dat de Bondsrepubliek meer medailles behaalde dan de DDR. De politiek, de artsen, de onderzoekers, de media, het publiek, iedereen. De sporters werden onder grote druk gezet’’
Treutlein toonde een schema van een olympische sporter, een amateurwielrenner. Daarop stonden de aanbevolen doses van middelen als anabolen, testosteron en zo meer. ,,Bij West-Duitse zwemmers werd lucht via de anus ingepompt om sneller te zijn. Wie weigerde of er over sprak kreeg 50.000 mark boete van de bond.’’
De Duitse onderzoeker wees op het gevaar van opgeblazen rivaliteit tussen landen. ,,Rivaliteit zet sportmensen aan tot ongeoorloofde middelen. Nationalisme en zelfs chauvinisme kan gevaarlijk zijn.’’
De Duitse olympische pistoolschutter Marcel Goelde, nu onderzoeker aan de Universiteit van Münster memoreerde aan de onmenselijkheid van out-of-competition-controles. ,,Ik moest omringd door vier mannen in een potje plassen en ze keken allemaal of mijn plas wel uit mijn penis kwam. Tijdens mijn onderzoek onder sporters vertelde een atlete dat ze bij het plassen een spiegel onder haar onderlichaam moest houden zodat de controleur kon zien of ze niet manipuleerde. Sportmensen zijn ook mensen en geen potentiële misdadigers, maar zo worden ze steeds meer behandeld.’’
De organisatoren van Play the Game willen vooral uiteenzettingen en discussies over misstanden in de topsport. Van matchfixing tot seksuele intimidaties, van fraude en corrupties bij sportbonden, van commercialisering tot racisme en homofobie. Van malversaties bij verkiezingen tot transparantie bij toekenning van titeltoernooien.
Play the Game, dat wordt ondersteund door het Deense Instituut voor Sportstudies, wil dat topsport op een eerlijke manier wordt bedreven. Dick Pound kreeg daarom de Play the Game Award, omdat hij het WADA heeft opgezet om doping te bestrijden. Niet iedereen kon zich vinden in deze keuze. Daarvoor is Pound te veel een crimefighter. Topsporters zijn mensen, en geen potentiële misdadigers. Aldus sportersvakbondsman Walter Palmer.
Op 13 september 2013 werd op de Wageningse Berg een reünie gehouden: ‘BallenopdeBerg’, ter nagedachtenis aan de glorietijden van FC Wageningen. De beste voetballer die Wageningen heeft gekend, was Charley van de Weerd. Hij was mijn jeugdheld. Hij overleed in februari 2008. In 1992 ging FC Wageningen failliet. De club van Charley, van zijn neef Ton van de Weerd, van Wim Bleijenberg, Epi Drost, Fritz Korbach, Gerdo Hazelhekke en andere groenwitte helden werd uit het betaald voetbal gestoten. In 1992 ging ik voor NRC Handelsblad met Charley terug naar de Wageningse Berg. Een onvergetelijke ervaring.
Door onze redacteur Guus van Holland
In de historie van ruim tachtig jaar voetbal in Wageningen speelde Charley van de Weerd de hoofdrol. Hij bepaalde tussen 1939 en 1962 het gezicht van de club, die het merendeel van het bestaan overigens in de eerste divisie doorbracht. FC Wageningen is failliet en kreeg geen licentie meer. De eens onneembare veste, het meest idyllische stadion van Nederland, de Wageningse Berg, is verlaten.
WAGENINGEN, 13 aug. 1992. Als we de Generaal Foulkesweg oprijden, de weg vanuit de stad de Wageningse Berg op, doemen de eerste herinneringen op. Voor elke thuiswedstrijd, voor elke training fietste hij de berg op. Zo begint Charley van de Weerd spontaan te vertellen. Daar kreeg je sterke spieren van. Dan had hij de warming up er al op zitten als hij op het veld kwam. Drie tot vier keer in de week legde hij die weg af, bijna 22 jaar.
Hij herinnert het zich nog goed. Hoe de Wageningers met duizenden over de weg naar het hoog gelegen stadionnetje liepen of fietsten. Beginnend, onderaan, bij hotel De Wereld. En na afloop wandelden de vrouwen met hun kinderwagens vader tegemoet. Die sfeer. ‘Charley’ (Anthonius Johannes) van de Weerd (70), een begrip in Wageningen, een idool voor elke voetballer uit de omgeving, krijgt het er even warm van.
Achterop de fiets bij mijn vader ging ik vanuit Bennekom naar mijn eerste wedstrijd in het betaald voetbal. Jaren vijftig. ADO, met z’n internationals, kon kampioen worden op de Berg. Wageningen (toen nog geen FC) won, zoals Wageningen thuis vaak won van kampioenskandidaten. De bloemen konden worden weggegooid. Charley van de Weerd scoorde. Zoals altijd. Natuurlijk een linksbinnen, want alleen linksbinnens konden voetballen. Hij passeerde twee, drie spelers op de vierkante meter. En hij kon schieten. Met rechts en met links. En altijd nummer 10, in rode cijfers op het groen wit gestreepte shirt.
Wageningen won in het seizoen 1952/’53 op de Berg met 4-1 van Ajax. Ze praten er nog over. Maar in Amsterdam wonnen ze ook, met 2-1. “Scoorde ik ze allebei”, zegt Charley met Wageningse tongval, die ik als jongen van de streek goed ken. Hoeveel hij er in die legendarische wedstrijd maakte, is hij vergeten. “Een stuk of drie, denk ik. Want ik scoorde altijd. En veul.” Er waren wel 12.000 man tegen Ajax, mensen langs de kant op platte wagens en kisten. Het stond zwart van de mensen.
Hij kent ze nog, de Ajacieden. Dräger, Van Dijk, Boskamp, Van der Wel, Van Mourik, Leeser, Visser op het doel, Stoffelen, Van der Hoeven en Rinus Michels. Vond hij niks aan, als voetballer, die Michels. “Maar ja, hij liep in een gesmeerd elftal. Als je daarin speelde, hoefde ze je maar in te tikken. Hij was goed met de kop. Verder niks. Als hij bij Wageningen had gespeeld, had je nooit van hem gehoord.”
De wind ruist door de bomen rondom het rustieke stadionnetje. Het hek is dicht, voorgoed gesloten. Het huis naast het veld biedt geen uitkomst. Niemand thuis, geen sleutel. Hier woonde zijn opoe, merkt hij op. Ging hij als jochie van acht ’s zondags naar toe. Dan voetbalde hij er op het veldje naast het grote veld. Later het trainingsveld, waar Epi Drost als “jochie van 15 jaar op zijn gewone schoenen mee mocht doen en de spelers van Wageningen dol draaide”. Zo vertelt Charley met een gulle lach.
Van de Weerd heeft een tasje met knipsels meegenomen en vertelt. Over de beslissingswedstrijd die Wageningen in 1951 in de Rotterdamse Kuip tegen DWS moest spelen om het Nederlandse kampioenschap. Ze verloren met 1-0, door een “heel lullig rot goaltje”. Ze waren veel beter. Het publiek was op hun hand. Hij had de keeper nog bewusteloos geschoten met een van zijn befaamde kanonskogels. Een landskampioenschap van Wageningen, dat ontbreekt er eigenlijk aan. Hij heeft alleen de KNVB-beker gewonnen, twee keer.
Welk voetbalveld ligt er mooier dan de Wageningse Berg? Hoog tussen de bomen. Beneden stroomt de Rijn. Hij wijst op de watertoren, als een baken van verzet bij de entree van de Berg.
De herinnering aan 16 januari 1944 dringt zich bij hem op, twee dagen voor zijn 22ste verjaardag. “We speelden tegen Go Ahead. Ineens stonden er allemaal Duitsers om het veld. Ik zag het wel. Al die mensen die naar de uitgang liepen, onder het voetballen. Ze werden allemaal gecontroleerd op een Ausweis. En ik was de enige onderduiker op het veld. In de rust kwam mijn moeder de kleedkamer binnen. Die zegt tegen Van Tuil, de voorzitter, of ik niet met een blessure kon uitvallen, met de ziekenwagen weg kon. Nee, daar had hij wel iets anders voor.”
Na de wedstrijd werd hij verstopt onder een toonbank waar ze limonade en bier verkochten. Planken ervoor. En wachten. “Ik hoorde ze komen, bons, bons met die laarzen. Uiteindelijk vonden ze me toch. Ik werd het veld opgesleept, tussen de andere mensen gezet en overgebracht naar de Gestapo in Arnhem.”
In nog hetere tijden van de oorlog sliep hij op de Berg. Dan bivakkeerde hij onder een dekentje op de tribune. Of dook hij onder op een zoldertje boven de kleedkamer. Zodra er in de stad het gerucht ging dat een razzia dreigde, verdween hij naar de Berg. Zijn Berg, waar hij zich veilig voelde tussen de lucht van leer en touwen netten.
Na de evacuatie van Wageningen werd het stadion totaal ontredderd teruggevonden. Alles was verdwenen en in het veld werden loopgraven en schuttersputten aangetroffen. Maar het voetballeven ging door. En beter dan ooit. In 1948 won Wageningen de KNVB-beker voor de tweede keer. De glansperiode van Charley van de Weerd was aangebroken.
Van de Weerd werd uitgenodigd voor de selectie van het Nederlands elftal. Twee jaar lang ging hij elke dinsdag naar Amsterdam naar de centrale training. Onder leiding van Jaap van der Leck. Hij trainde met Lenstra, Terlouw, Biesbrouck, Schaap, maar hij speelde nooit in het Nederlands elftal. Toen hij de kans kreeg, werd Kuneman van HBS opgesteld. “Die kon er niks van, maar ja hij was van HBS uit Den Haag, hij lulde zich er wel in. En ik kwam uit de provincie. Zo gaat dat.”
Hij hield er in elk geval een speldje aan over. Een leeuwtje met een roodwitblauw vlaggetje eronder en de letters NED. ELFTAL TR., TR van training. Hij speelde vijf keer in het voorlopig Nederlands elftal, twee keer in het B-elftal, vier keer in de Zwaluwen. Hij werd regelmatig gekozen tot beste speler van Oost-Nederland. Soms komt hij ze nog tegen, de grote jongens van vroeger. Aardige jongens, zoals Guus Dräger van Ajax. En Abe Lenstra, een hele luie. Maar aardig. Later kwam Abe nog bij hem in de sportzaak om zijn schoenenmerk van Quick te verkopen.
En Cor van der Hart. “Dat was een vreemde. Die zag me niet staan. Ik heb hem eens bij Fortuna’54 driemaal gepasseerd én gescoord. Vond-ie niet leuk.” Maar verder was ’t wel een goede voetballer. En Frans de Munck, de legendarische doelman, was ook een hele goeie: “Wel een ijdeltuit. Later verfde hij zijn haar.”
West Ham United benaderde hem voor een profcontract. Van de Weerd wilde niet uit Wageningen weg. Hij kreeg bezoek van een man uit Italië. “Hij sprak Hollands, maar hij had een speldje van Inter op. Dat had ik wel gezien. Hij zei dat ze me al twee seizoenen observeerden. Ze zochten zo’n soort voetballer. Een die het spel maakt en veel scoorde. Maar ik durfde niet. Helemaal met de trein naar Milaan. Jong, daar kon ik toch niet aan beginnen. En in Italië, daar gooiden ze je op het veld met flessen dood.”
Het beroepsvoetbal deed zijn intrede in Nederland. Van de Weerd ging voor De Graafschap spelen. Voor een tientje of vijf per wedstrijd. “En dat was wat in die tijd. Ik werkte in een garage voor 38,50 (guldens) per week. Kun je nagaan. Ik kon een nieuwe haard kopen.”
Na twee jaar ging hij terug naar Wageningen. Omdat hij er een sportzaak kon overnemen, een winkel die nog altijd bestaat, aan het Salverdaplein. Bij De Graafschap geloofden ze niet dat hij dáárom terugging. “Ik heb de hoofdinspecteur van politie in Wageningen nog gevraagd dat in Doetinchem uit te leggen.” Hij kon er echt niet blijven voetballen. Stel je voor, in die tijd. Niemand uit Wageningen zou bij hem voetbalspullen kopen, omdat hij in Doetinchem speelde. Hij zou een verrader zijn, “een vuile overloper”.
Hij speelde zijn eerste wedstrijd in het eerste toen hij 17 jaar was. Als linksbuiten scoorde hij bij zijn debuut tegen Tubantia driemaal. Want hij scoorde altijd. Ruim 22 jaar later nam hij afscheid, op zijn veertigste. Hij had eerder willen stoppen. “Maar ze zeiden nog niet zonder mij te kunnen.”
Waarom de kampioenen uit het westen met knikkende knieën naar de Berg kwamen? Ze stroopten hun mouwen op: Henk Looijs, Wim Vermeer, Wim Zeller, Job Jansen, Reijer Jansen, Joop Gieltjes, Hennie van der Heijden, André Leander, Frans Beijer, Selis Drost (de vader van Epi), Wim ‘de Kont’ Bleijenberg, die later naar Ajax ging. Van de Weerd niet, hij was geen werker. Hij hield van mooi voetbal. Maar hij scoorde wél. Altijd. Hoeveel weet hij niet. “Honderden. Tegenwoordig heb je van die slimmeriken die het bijhouden.” Een ‘slimmerik’ van toen telde 281 doelpunten in officiële wedstrijden in het eerste van Wageningen en 19 in vertegenwoordigende elftallen.
De Wageningse Berg, de zelfingenomen heren van de KNVB en die lui uit het westen met hun grote mond over patserige stadions in Amsterdam en omstreken, talen niet naar traditie. Eigenbelang. Charley van de Weerd zegt er niet wakker van te liggen. Maar wanneer ik hem vraag afscheid te nemen van de Berg, draait hij zich om en wijst naar het veld. Dat liep vroeger af. Dat wisten ze als ze moesten tossen. Dat veld was zanderig. De wedstrijd werd daarom nooit afgelast. Dat was vaak een voordeel. Dat maakte de Berg onoverwinnelijk.
Hij ging nog vaak kijken als FC Wageningen speelde. Hij had een hoofdtribunekaart. Hij wijst naar het businesshome. “Al goud wat er blinkt, het plafond is van koper.” Hij ziet de reclameborden rondom het veld. Sponsors genoeg. “Maar een seizoenkaart voor oud-spelers als Henk Looijs, Wim Vermeer of voor mij kon er nooit af. Ik geloof dat het bestuur Charley van de Weerd niet eens kende.”
Hij droomt verder. Wat komt er voor in de plaats? Huizen? Of gaan ze er popfestivals houden? Het veld is groen, het gras ligt er goed bij, het is net gemaaid. Maar de Wageningse Berg zal leeg blijven. Er zal nooit meer een Charley van de Weerd zijn.
Geplaatst op mijn NRC-blog op zondag 16 november 2008
Door Guus van Holland
Zomaar ineens duikt de vraag weer op? Zijn er homo’s in het voetbal? En zo ja, waarom komen ze dan niet uit de kast? En dat allemaal naar aanleiding van het nauwelijks onthullende, maar wel aangrijpende boek van Huub ter Haar, met prachtige foto’s: ‘Gelijkspel’.
Natuurlijk zijn ze er: homoseksuele voetballers. In 1980 werd al de eerste homovoetbalclub opgericht, de New York Ramblers. En sindsdien nog heel veel clubs in de hele wereld, ook een in Amsterdam, overigens pas sinds afgelopen augustus (2008)
Afgelopen zomer in augustus (2008 dus) werd zelfs al voor de negende keer (sinds 1997) het WK voetbal voor homo’s en lesbo’s georganiseerd, met 32 deelnemende mannenelftallen, georganiseerd door Leftfooters FC uit Londen. Kampioen in de eerste divisie werden de Stonewall Lions uit Engeland, tweede SAFGay uit Argentinië en derde Samurai uit Japan en de London Falcons. Er deden teams mee uit vooral de VS, Engeland en Duitsland, maar ook uit Ierland, Canada, Mexico, Argentinië, Chili, Uruguay, Zuid-Afrika, Japan, Frankrijk, Denemarken, Tsjechië, IJsland, Kroatië, Zweden, Italië en zelfs China. Nee, niet uit Nederland. De stichting Homosport Nederland heeft nog nooit van het WK voor homo’s gehoord, las ik. Maar toch wel van de IGLFA gehoord, de International Gay and Lesbian Football Assocation? Ook niet! Volgend jaar een nieuwe kans, het WK in Washington.
Tja, en dan vraagt men zich af waarom in Nederland homoseksuele voetballers niet uit de kast durven te komen. Zeker niet profs. En dat gevoegd bij het oordeel dat (oud)voetballer John de Wolf eens uitsprak: ,,Ik heb geen bezwaar tegen homo’s zolang ik er maar niet mee hoef te douchen.” Volgens de overleden oud-scheidsrechter John Blankenstein, die wel durfde uit te komen voor zijn seksuele voorkeur, kende hij minimaal acht voetballers die homo waren, sommigen keurig getrouwd met kinderen. Ze hoefden van hem niet uit de kast te komen. Hij kon begrijpen dat ze zich daarmee een hoop ellende op de hals zouden halen. Want hij sprak uit ervaring. Voordat hij het in de openbaarheid bracht, heeft hij zware depressies gekend.
Niet zo erg als zijn collega-scheidsrechter Ignace van Swieten, ook homo, en al langer overleden. Ook hij werd vaak uitgescholden door voetballers en supporters op en buiten het veld. Huilend heb ik hem eens horen vertellen dat een zeer bekende voetballer, nu een zeer bekende trainer, hem in een wedstrijd in zijn oor had gefluisterd: ‘Nog een keer zo’n fout en ik naai je in je kont net zo lang tot je blauw ziet.’ Ignace was een kwetsbare man, niet alleen door zijn homoseksualiteit, maar ook door zijn jeugd in Indonesië. Hij kon er niet tegen. John Blankenstein kon er wel tegen: hij zei dat hij er tegen kon. Maar eenmaal op gang in een gesprek bleek hoezeer, diep en vaak hij was geraakt.
Niet iedereen kan er zo mee omgaan als John Blankenstein. De Engelse voetballer Graeme Le Saux zou ook homo zijn geweest. Althans medevoetballers meenden dat omdat hij niet meedeed met machogedrag, dronkemansgelul van voetballers, met zijn collega Ken Monkou op vakantie ging en liefhebber was van kunst en antiek. Le Saux was geen homo. Eens liet hij zich in een wedstrijd in 1999 verleiden tot een Schwalbe (fopduik). Zijn tegenstander Robbie Fowler riep: ‘sta op flikker’. Le Saux naar wie het publiek al maandenlang had geroepen, ‘Le Saux takes it up the arse’ (Le Saux laat zich neuken) kreeg een vrije trap. Fowler ging voor hem staan en wees op zijn kont: Here, please! Dat herhaalde Fowler een paar keer. Le Saux kreeg een gele kaart van de scheidsrechter omdat hij het spel ophield. Even later nam de temperamentvolle Le Saux revanche met een elleboogstoot. De scheidsrechter zag het niet. De tv-camera’s registreerden het wel, waarna de Engelse bond Le Saux schorste voor één wedstrijd. Fowler kreeg twee wedstrijden wegens homofoob gedrag. Le Saux: ,,Ik heb me nog nooit zo beledigd gevoeld als toen door Fowler. Maar gelukkig steunde de Engelse bond me. Dat was een opluchting, het keerpunt in Engeland tegen homofobie”, zegt hij in zijn biografie Left Field.
De Nigeriaan Justin Fashanu, die in Engeland voetbalde, verging het anders. Hij was de eerste zwarte voetballer in Engeland, en was, zo bleek later, homo. Manager Brian Clough van Nottingham Forest leende hem uit aan Southampton toen hij hoorde dat Fashanu homobars bezocht. Fashanu heeft zich verhangen. De Britse oud-voetballer Paul Elliott zei laatst op een congres over discriminatie en homofobie, dat hij ‘zeker een dozijn’ profvoetballers kende die homo zijn, maar als de dood zijn dat naar buiten te brengen.
Wensley Ton ontmoette ik in 1994 op het congres ‘Samen Apart’, mede-georganiseerd door John Blankenstein en Gert Hekma, docent homostudies en auteur van het rapport over homo’s, sport en voetbal ‘Als ze maar niet provoceren’. Ton was een oud-profvoetballer. Hij had gespeeld bij Helmond Sport. Voor de microfoon in een grote zaal van Papendal zweeg hij over wat hij deed en wie hij was. Hij was bang geworden het te vertellen. Na afloop vertelde hij op sterk aandringen van Blankenstein aan mij toch zijn verhaal voor mijn verhaal in NRC Handelsblad. Ton (later Wensley Garden) tekende op zijn zeventiende een contract bij Helmond Sport. Toen hij de club na een paar jaar vertelde dat hij homo was, werd zijn contract niet verlengd. Homo? Hij voelde zich niet aangetrokken de voetbalwereld, die vooral uit macho’s bestaat en door stoere mannen wordt geregeerd. Hij ging niet mee de kroeg in, hij had geen vriendin, hij praatte niet slechts over voetbal.
Is dat wat Louis van Gaal bedoelde, toen hij bij de presentatie van het boek ‘Gelijkspel’ zei dat ‘voetbal zulke spelers niet aantrekt’? Is dat niet discriminatie van Van Gaal? Homo’s zijn volgens Louis dus (te) lieve zachte ( sensitieve?) jongens (nichten bedoelt hij misschien), die zich niet thuisvoelen in het harde mannenvoetbal. Een dikke huid, moet je hebben, vindt hij. Met verstand moet je analyseren waarom mensen van dat niveau je discrimineren, uitlachen; en dat je er boven moet staan. Ja, hij heeft misschien een dikke huid, hij gebruikt zijn verstand, totdat hij ‘eindelijk’ breekt als mens omdat zijn afweer, zijn stoerheid, het niet langer aankan. Je kunt toch niet verwachten dat iedereen zo is als Van Gaal zich voordoet. Kwetsen doet pijn, meneer Van Gaal, dat weet u als geen ander. Altijd. Wie daar wel tegen kan, heeft geen goed leven meer. Die verhardt. Iedereen mag dus schelden, zou je uit Van Gaals woorden kunnen opmaken, de bejegenden moeten het maar leren incasseren. Leuke wereld is dat, die wereld die Van Gaal zich voorstelt. Of zoals Luciano Moggi, oud-manager van Juventus zei: ,,Homo’s zijn niet geschikt voor voetbal. Daar is het voetbal niet voor gemaakt.”
Eens zei Jeu Sprengers, de inmiddels overleden voorzitter van de voetbalbond, in 1994 tijdens het congres ‘Samen Apart’: ,,Laten we elkaar geen mietje noemen. Wanneer in de voetbalwereld homoseksuelen zich afzonderen (in een club) en naar buiten treden is het einde zoek. Dat kan de voetbalwereld niet hanteren.” Waarop Wensley Ton destijds zei: ,,Angst heeft de voetbalbond, en geen gevoel voor mensen zoals ik.”
Laten we asjeblieft niet gaan jagen op homo’s. Stel je voor dat op ons aandringen naar aanleiding van het nieuwste boek, vandaag een profvoetballer uit de kast komt. Helemaal alleen durven zeggen dat je homo bent, dat al jaren getrouwd bent voor de schijn. Zoals Gaykrant-hoofdredacteur Henk Krol het eens verwoordde, want hij kende er een paar, keurig getrouwd en met kinderen, die bij hem om advies kwamen. De mediahype zou niet te overzien zijn. Grote koppen in kranten, tv-camera’s van alle rubrieken en omroepen. Ik zou het niet durven. Nooit. Dus laat ze even met rust, en laat ze wachten op een moment dat er een sterke man, een grootheid (David Beckham?) opstaat en zegt: ‘Wij homo’s willen als gewone mensen worden benaderd. Maar dan alleen als de tijd er rijp voor is.’
De Tweede Bundesligaclub St. Pauli in Hamburg heeft een homoseksuele voorzitter, Corny Littmann. Hij voetbalt zelf niet, maar hij is wel gek op voetbal. Dat komt in alle kringen voor. Littmann zegt: ,,Over tien jaar is er geen probleem meer. De tijd is er nog niet rijp voor. Ik ken jongens in het Duitse profvoetbal die homo zijn net als ik. Ik help ze, ik praat met ze en ik probeer het verstandelijk te benaderen. Maar het blijven mensen. Wie? Als ze naar buiten willen komen is dat hun zaak.”
FC St. Pauli staat bekend als een cultclub. De aanhang van deze club die zijn wedstrijden speelt Am Millerntor afficheert zich als links, grossiert in antifascisme en staat bekend om haar ‘strikte’ tolerantie en ‘militant’ gemoedelijke sfeer. Symbool van deze rebelse houding is de piratenvlag met doodshoofd, de Totenkopf. De club is populair onder punks, bejaarden, minderheden, homoseksuelen en rockbands.
Homoseksuele scheidrechters zijn er zeker ook, zoals Van Swieten en Blankenstein waren. Ze zijn aangesloten bij de International Gay and Lesbian Football Association, en zijn actief op homo-WK’s, homo-EK’s and Gay Games.
Er zijn ook voetballers die hun homoseksuele vrienden beschermen. In Nederland hoor je daar niets over. In Italië doet international Alberto Gilardino, dit seizoen bij Fiorentina, er sinds jaren alles aan om zijn homovrienden in het Italiaanse voetbal te beschermen. Hijzelf is hetero. In Duitsland zijn homovoetbalfanclubs als de Hertha Junxx, de Rainbow-Borussen en Stuttgarter Junxx voortdurend bezig om de homofobie uit te bannen. In Engeland staat homophobia hoog op de prioriteitenlijst van de campagnes tegen discriminatie en racisme. En wat doen ze in Nederland? Daar doet de almachtige en alwetende Van Gaal het woord. De rest kijkt toe en zwijgt. Of niet, zoals ADO-supporters afgelopen zondag. De spits van Willem II Frank Demouge (geen homo) werd onophoudelijk uitgescholden voor homo. In de laatste minuut maakte Demouge het winnende doelpunt. Hij voelde zich steeds sterker worden door het afschuwelijk domme gejoel van de fans van ADO. (Is dat wat Van Gaal bedoelt? Een dikke huid). Het is te hopen dat echte homo’s er wel tegen kunnen.
Onlangs las ik een verhaal van Matthew Fox, een priester van de Episcopale Kerk die in het Vaticaan zeer omstreden is en door kardinaal Ratzinger (tegenwoordig paus Benedictus XVI) eens werd gekwalificeerd als ‘feministische theoloog’ en uit de dominicaanse orde werd gezet. Hij schreef boeken over scheppende spiritualiteit. In zijn zojuist verschenen boek ‘Verborgen spiritualiteit van mannen’ (The Hidden Spirituality of Men: Ten Methaphors to Awaken the Sacred Masculine), schrijft hij dat het ‘mannelijk is om homofobie te kweken’. Waarom? ‘Uit angst voor mannelijke tederheid.’
Lees dit, destijds geschreven op mijn NRC-blog, met de kennis van nu
woensdag 30 mei 2007 door Guus van Holland
Zes dagen na zijn bekentenis epo te hebben gebruikt, stond Erik Zabel woensdag 30 mei in Garmisch-Partenkirchen aan het vertrek van de Ronde van Beieren. Honderden mensen juichten hem toe en vroegen de Duitse wielrenner om een handtekening. Zes Duitse televisiezenders waren aanwezig om Zabel en co aan de eerste etappe te zien beginnen. Als helden werden ze begroet, de dopingzondaar en zijn lotgenoten die (nog) niet bekend hebben.
Ik had graag ook Bert Dietz, Rolf Aldag, Christian Henn en Udo Bölts, de Duitsers, gezien; en Bjarne Riis en Brian Holm, de Denen, en al die renners van de Telekom die onlangs bekend hebben dat ze medio jaren negentig bloeddoping epo hebben gebruikt. Ze zouden vast en zeker zijn toegejuicht. Helden zijn het, wielrenners, of ze nu wel of niet gedopeerd zijn geweest. Grote helden zijn het, omdat ze het nog eens hebben toe willen geven. Want dat vraagt moed, zo menen de supporters. Of: kan ons die doping schelen?
Ik had Jan Ullrich willen zien. Zou hij ook zijn toegejuicht? Misschien, misschien ook niet. Jan is dit seizoen met wielrennen gestopt, maar heeft (nog) niet toegegeven dat hij – zoals zijn voormalige Belgische verzorger Jef d’Hont beweert – ook epo heeft ingespoten. Waar blijft de bekentenis, of op z’n minst een verklaring van Jan Ullrich? Ullrich doet er vooralsnog het zwijgen toe.
Terwijl sportief en politiek Duitsland zich na de onthullingen van de afgelopen dagen afvraagt hoe de sport in Duitsland zich moet ontdoen van het besmette verleden en heden van doping, zei een paar dagen geleden Ullrich aan de deur van zijn huis tegen een plaatselijke radioverslaggever dat het hem ‘heel goed’ gaat. „Wanneer u iets wilt, dan belt u maar”, zei de man van wie iedereen in Duitsland intussen denkt dat hij de sport en zijn land bezoedeld heeft.
Ullrich zwijgt, mede omdat het openbaar ministerie van Bonn hem heeft aangeklaagd wegens bedrog van zijn oude werkgever Telekom. Zijn manager Wolfgang Strohband kan niet anders dan repliceren met: „Wij hebben niets te zeggen.” Intussen hebben zij wel hun advocaat ontslagen, omdat hij het tussentijds opnam voor wielrenners die te zware inspanningen moesten leveren.
En intussen heeft gisteren het Internationaal Olympisch Comité een commissie ingesteld die de Telekomkwestie gaat onderzoeken. Jan Ullrich won in 2000 in Sydney de olympische wegwedstrijd. Zijn ploeggenoten van destijds, Vinokoerov en Klöden, werden tweede en derde. Opmerkelijk, drie Telekomrenners op het erepodoium? Deden zij dat zonder doping? Zo stelt zich de commissie onder leiding van de Zwitser Denis Oswald de vraag, waarin verder de oud-atleten Sergej Boebka en Gunilla Lindberg, leden van IOC-bestuur.
Peter Becker, tussen 1987 en 2002 trainer van Ullrich, steekt zijn hand niet meer in het vuur voor zijn vroegere pupil. „Ik heb hem eens gevraagd: waarom gaat het zo goed met jou? Hij zei dat het goed zat en geen risico’s nam. Maar ik twijfel.” D’Hont neemt het voor Ullrich op. „Als alle renners puur waren geweest, had Ullrich tien keer de Tour gewonnen.”
Jef d’Hont, ach Jef. Ik heb hem meegemaakt toen ik einde jaren zeventig mijn eerste jaren als Tourverslaggever deed. Soigneur, klein, dik, amicaal totdat je per ongeluk een hotelkamer binnenliep en een van zijn renners aan de baxter (infuus) zag liggen. Dan werd je er bliksemsnel uitgetrapt met ‘godver’ en ‘godver’. Jef deed ook eens mee in een voetbalwedstrijd op de rustdag van de Tour, tussen Franse journalisten, ploegleiders en soigneurs, en de buitenlandse. Jef stond in onze (buitenlandse) verdediging, ik in de aanval. Jef was onvermoeibaar en niet te passeren, zo dik en vurig als hij was. Hij had pilletjes bij zich, zo liet hij in de kleedkamer zien.
Toen ik het in het veld aan de stok kreeg met de Franse ploegleider van Bernard Hinault, Cyrille Guimard, die mij zwaar onderuit schopte na een schaarbeweging van mij, kwam Jef als een trouwe teamgenoot aangestormd met het schuim op zijn lippen. Hij greep Guimard bij zijn keel en riep iets onduidelijks waar de kleine, rooie Guimard heel erg van schrok. Ik verstond het Frans niet van Jef en begreep ook de repliek van Guimard niet. Ik dacht nog: wielerjargon.
Jef heeft nu op zijn oude dag verteld en laten opschrijven wat hij vroeger met zijn renners allemaal gedaan heeft. Want hij heeft wat renners onder zijn hoede gehad: Freddy Maertens en Michel Pollentier bijvoorbeeld. De ‘peer’ van Pollentier in 1978 op Alpe d’Huez, waarmee de dopingcontrole misleid werd? Jef weet er alles van. Jef weet overal van. Nu heeft hij het allemaal verteld. Waarom? Om de wielersport te verschonen?
Toch is het wachten op Jan Ullrich. Ik herinner me nog het interview op de Duitse televisie, met Reinhold Beckman, eind februari dit jaar. Lees mijn eerdere bijdrage op dit weblog ‘De ogen van Jan Ullrich’. Zoals Jan daar zat, de onschuld zelve, naast zijn vrouw Sara die hem onvoorwaardelijk steunde. Een charmeoffensief van jewelste. Jan Ullrich en doping? Nee, Jan was een lieve, vriendelijke jongen die een rot tijd heeft gehad in de DDR, met veel titels ter compensatie van de vele onaangename dingen die hij zich moest getroosten. Wie Jan in zijn ogen keek, voelde dat hij integer was.
Een paar maanden later, 22 mei, zat Bert Dietz tegenover dezelfde Beckmann. Dietz, ook ex-DDR, biechtte op dat er in zijn ploeg Telekom (ten tijde van Ullrich en Riis) systematisch epo was gebruikt. De volgende dag gaf ploeggenoot Rolf Aldag, ook ex-DDR, een persconferentie waarin ook hij schuld bekende. Naast hem zat Erik Zabel, ook ex-DDR. Ook hij had even epo gebruikt. Een paar dagen later volgden nog meer Telekom-renners met hun bekentenis. Maar nog steeds niet Jan Ullrich.
Aan de vooravond de Ronde van Beieren las ik op een Duitse wielersite een interview met Raphael Schweda, manager van de Duitse ploeg Wiesenhof die aan het eind van het jaar stopt omdat de relatie met een dopingsport niet langer commercieel verantwoord is. Schweda (ook ex-DDR) is in 2003 gestopt als profwielrenner. Hij was toen 27 jaar. Hij had dat jaar gereden voor de ploeg Bianchi, onder andere in de Ronde van Spanje. Hij had Spaanse renners horen praten over bloeddoping en preparaties. De naam Fuentes viel. Het was hem al opgevallen dat ze niet eens zo hard trainden, maar wel harder gingen fietsen. Schweda had intussen gemerkt dat hij geen progressie als wielrenner kon boeken zonder doping. Dus stopte hij er maar mee.
En zo gaat dat in Duitsland dezer dagen maar door. Alle sporten (atletiek, wielrennen, skiën) worden al genoemd, sportartsen die verbonden zijn aan de universiteitskliniek van Freiburg zijn ontslagen of geschorst. Oud-bondsbestuurders komen met verhalen over oneerlijke praktijken en zo verder.
Maar de sporters blijven populair. Gisteren won ene André Schulze, een renner van Wiesenhof, de ploeg die aan het einde van het jaar stopt wegens doping in de wielersport. Hij werd bij de finish in Gundelfingen toegejuicht als een Tourwinnaar. Erik Zabel werd vierde, maar kreeg meer applaus. Wielrennen is in Duitsland nog steeds populair, ondanks Zabel, Ullrich en D’Hont. Zou het in Nederland anders zijn als Michael Boogerd en Thomas Dekker verklaren dat ook zij epo, bloeddoping, groeihormonen of weet ik wat voor doping hebben gebruikt? Hebben zij hetzelfde gebruikt? Waarom niet? Waarom wel?
Dit verhaal is geplaatst op woensdag 30 mei 2007 om 21:04 uur.