Tag Archives: indianen

Urenlang in een zweethut: schreeuwen en stikken

19 aug

De ceremonie van een zweethut. Totale overgave met als doel totale reiniging. Ik mocht er niet uit, ik kon er niet uit. Ik moest in de zweethut rondom gloeiende en sissende stenen met anderen schreeuwen en zingen, als een gek, terwijl al het vocht uit mijn poriën stroomde. Ik werd zeiknat, zat met mijn blote kont in mijn eigen modder, raakte in paniek en werd gek. Maar ik was sterker dan ik dacht.

De plaats van bestemming was op de vroege zaterdagmorgen moeilijk te vinden. Het Brabantse land lag onder een loodzwaar wolkendek. Wilde ik nog wel? Durfde ik me nog wel over te geven aan de krachten die los konden komen in de zweethut?

Het zou heftig worden, zoveel had ik er over gelezen. De reiniging van lichaam en geest zou intensief zijn en zonder twijfel haar sporen nalaten. Het boerenweggetje dat ik volgens de routebeschrijving moest nemen, kronkelde oneindig door en hield een paar honderd meter achter een boerderij plotseling op. Zo was het ook omschreven door de organisatoren Nisa en Mark in hun email. Maar van een bosje aan mijn rechterhand was geen sprake. Door de mist zag ik geen hand voor ogen.

Er zat niets anders op dan om te draaien en een mogelijk andere route te nemen. Ik begon al te hopen dat ik het nooit zou vinden en dacht al aan de terugreis. Dan maar niet die zweethut in, dan maar geen oerkrachten die vrijkwamen. Ik was bang.

Toch was er iets in me dat me op weg hielp naar het bosje waar Nisa en Mark zonder twijfel op mij wachtten. Dus nam ik de voorgestelde alternatieve route. Nu was het een weggetje met kuilen waarin plassen stonden. Mijn auto protesteerde maar hield zich staande en reed door. Toen was er het bosje, met daarin verborgen twee auto’s en een huisje.

Nerveus schuifelde ik het huisje binnen en zag twee vrouwen, een man en een kind aan een tafel zitten. Het was er rommelig en koud. Of er nog meer mensen kwamen, vroeg ik. Waarom weet ik niet. Er zouden meer mensen komen, ja. Of ik koffie of thee wilde. Ja, nou en of. Ik had wel behoefte aan iets in mijn handen.

Een paar uur later, nog in de ochtend, zat ik rondom een kampvuur met negen andere mensen. We aten notenkoek, meegebracht door een van de mannen. Toen meldde zich een vrouw aan het vuur. Het leek wel of ze gehuild had. Ze was de weg kwijtgeraakt en was vervolgens met haar auto in een greppel gereden. Een boer had haar geholpen en met zijn trekker uit de greppel getrokken. Maar dat had hij niet voor niets gedaan. Hij wilde er twintig euro voor. Ze had maar vijftien euro bij zich. Dat was ook goed, had de boer gezegd. Ze had hem grif betaald en zich snel uit de voeten gemaakt.

De toon rondom het kampvuur was gezet. Verbazing en teleurstelling. Ook op het Brabantse platteland gaat voor niets alleen de zon op.

De vrouw toonde een veer die ze op haar pad naar het bosje had gevonden. Een symbool, meende ze. Overal waar ze kwam, vond ze symbolen.

Om beurten mochten we vertellen wie we waren en wat we van deze dag verwachtten. Aan het einde moesten we dan ‘hó’ zeggen, als teken dat we uitgesproken waren. Of ‘uch’, zoals Indianen gewend zijn. Want tenslotte zouden we ons overgeven aan een ceremonie van Indiaanse oorsprong, de sweat lodge (http://en.wikipedia.org/wiki/Sweat_lodge)

sweatcrow2

De meesten hadden al eens in een zweethut gezeten en waren erdoor gefascineerd geraakt. Weer die ervaringen, weer die reiniging. Daar keken ze naar uit.

Ik vertel over mijn ervaringen en zoektochten naar avonturen, therapieën en sessies als deze, over de herhalingen waarin ik in mijn leven verval, het voortdurende struikelen in dezelfde valkuilen. En dat ik nu eens een zweethut wil uitproberen. Hó!

Er moest gewerkt worden, zei Nisa. Koen, een ervaren zweethutganger, was gevraagd deze dag ‘vuurman’ te zijn. Hij moest de brandstapel maken waarop de stenen werden verhit die later in de zweethut moesten gloeien en de stoom moesten geven die ons zou doen zweten. Wij moesten het hout aanleveren. Dat betekende hakken en zagen, bewegingen die ik met mijn tere lichaam niet gewend was. Veel lol beleefde ik er dan ook niet aan. Ik kreeg blaren op mijn handen en voelde al gauw de pijn van splinters. En het ergste moest nog komen, de hitte in de zweethut en met alle gevolgen van dien.

Nisa en de andere vrouwen maakten de zweethut klaar. Ze bedekten een staketsel van takken in de vorm van een iglo met dekens en een groot, zwaar en bruin dekzeil. Daar moest ik straks in, met de andere mensen. Op weg naar. Op weg naar wat?

Rondom de houtstapel lag een twintigtal stenen, in een cirkel uitgespreid. Buiten die cirkel moesten wij gaan staan. We moesten ons concentreren op de stenen en bedenken welke boodschap wij wilden meegeven aan de steen die we om beurten op de houtstapel moesten leggen. En behandel de steen met respect, zoals je onze ouderen behandelt; hij mag dus zeker niet vallen.

Nisa vertelde iets over een medicijnwiel, de vier windstreken en waar ze voor stonden. Het middelpunt was jij. Het was herfst. ,,Op het medicijnwiel is de herfst verbonden met het westen, voor de terugkeer naar binnen, het verwerken van de opgedane ervaringen, verinnerlijking”, vertelde Nisa. ,,De sappen van de boom trekken zich terug naar de stam en de wortels, waardoor de veelkleurigheid naar buiten komt, de lagen onder de lagen. Het is het ervaren van de diepte van het bestaan. Vanuit de veelvuldigheid die je misschien overspoelde, is het westen de plek om contact te maken met wat nu werkelijk belangrijk voor je is.” En zo verder, en zo verder.

Ze vertelde over de totem van het westen die we vandaag in de zweethut zullen uitnodigen en ontmoeten: de beer. Want de beer is één van de krachtigste totems van healing. ,,De beer is een leraar in het in harmonie komen met alles wat er in je leeft, om heel en één te worden.”

We stonden rondom de houtstapel. Nisa pakte een steen, tilde hem boven haar hoofd en zei: ,,O Great Spirit.” Ze liet de steen zakken, bracht hem in contact met de grond en zei: ,,O Mother Earth.” Ze tilde de steen weer op, ter hoogte van haar borst en bracht haar wensen over aan de steen. ,,Hó!” Toen legde ze hem op de houtstapel. Anderen volgden, en brachten hun eigen wensen over. Ik moest ook, pakte aarzelend een steen, tilde hem boven mijn hoofd en zei: ,,Grote Geest.” Toen naar de grond en zei: ,,Moeder Aarde.” Toen voor mijn borst. Ik mompelde iets over onbeperkte vrede, onbeperkte vriendschap en onbeperkte liefde en nog iets en legde steen op de houtstapel – en sloot een lach onderdrukkend af met: ,,Hó!”

Ik voelde een koude wind, keek om me heen naar de andere mensen. Ze zwegen en richtten hun ogen op het midden waar de stenen boven op de houtstapel lagen. Ik hoorde dingen vallen, het waren eikels die te zwaar waren geworden voor de takken. Het was koud geworden en het werd steeds stiller.

Koen ontstak het vuur met kleine twijgjes. Nu werd ons gevraagd tobacco-ties te maken. Van kleine lapjes moesten we een zakje maken met daarin snippers van tabaksblaadjes. Daaromheen gebonden een draadje, zonder knoop, want niets mag vastzitten. De lapjes hadden verschillende kleuren, rood, wit, zwart, blauw, groen. Vier zakjes, elk zakje met een wens voor jezelf, voor een ander of voor iedereen. Gebedszakjes. Die zouden we dan in de hut moesten hangen.

Terwijl de houtstapel vlam vatte en het vuur hoog oplaaide, zat ik te prutsen met de lapjes, de tabak en de draadjes. Ik koos voor twee witte, een rode en een blauwe. Voor mezelf, mijn vrouw en mijn zoon. Want je moet er wél in geloven.

De anderen deden hetzelfde, lagen op de grond in een deken naar het vuur te staren of babbelden een beetje met elkaar. Zo verstreek de middag. De warmte van het vuur vulde mijn hoofd. Ik kreeg barstende koppijn. Of had ik dat al? Ik had tenslotte de afgelopen nacht slecht geslapen. Vol van de ellende die zich weer aan mijn leven had opgedrongen, vol van de angst voor het onbekende: de zweethut.

De hoofdpijn was niet te houden. Ik zag Nisa naar het huisje lopen en ging haar achterna. Of ze iets tegen hoofdpijn had. En zo ja, zou een pilletje het proces in de zweethut beïnvloedden? Nisa gaf me een doosje Finimal. Ik nam twee tabletten, ik wilde snel van de hoofdpijn af. Ik moest toch kunnen ‘genieten’, in die hut.

Twee uur nadat het vuur was ontstoken, twee uur van rust en onrust, van onzekerheid, van nieuwsgierigheid en warmte en langzaam wegzakkende pijn in mijn hoofd, twee uur later waren de stenen heet genoeg om ons in de zweethut beren te laten zweten. De uren (twee, drie, vier?) van de waarheid waren aangebroken. We gingen erin.

Zweethut_00sss

Voordat we naar binnenkropen, vertelde Nisa, dat we een soort gebed moesten opzeggen. Zoiets als degenen – vrienden, geliefden en familieleden – die niet mee naar binnen gingen, groeten. Ik zag dat de anderen zich uitkleedden en vervolgens een handdoek om hun middel knoopten. Dus deed ik hetzelfde. Plotseling zag ik bij de ingang van de hut een paar dikke, blote billen voor me. En toen weer een paar blote billen, minder dik, maar wel ook bloot. Oei, oei. Dat betekende dus, dat we helemáál bloot de hut ingingen. Geschrokken zei ik tegen een van de mannen: ,,Ik heb mijn onderbroek nog aan. Even uittrekken.”

Ik kroop naar binnen, groette degenen die ik achterliet en sloot aan in de kring rondom een gat midden in de hut. Zo zaten we op onze blote billen. Ik knoopte mijn gebedszakjes aan het dak en wachtte af in grote spanning. Ik probeerde een grapje te maken. Enkelen lachten, een beetje vals als je het mij vraagt. Maar het hielp een beetje tegen de onrust.

,,Vuurman, mag ik de eerste steen van u”, riep Nisa. Even later hoorde ik Koen ,,ancestor is coming” (een voorvader komt er aan) zeggen en schoof hij op een greep een gloeiende steen naar binnen. Nisa nam een hertengewei, pakte de steen op en legde hem in het gat, het gat dat toegang gaf tot ‘moeder aarde’. Ze vroeg om nog een steen. Weer een ancestor. Nadat de vierde steen, weer een ancestor was binnengebracht, vroeg de vuurman de hut te sluiten. Hermetisch, er mocht geen toefje licht binnen. De baarmoeder moest potdicht zijn en aardedonker.

Ik hoorde sissen. De ceremonieleider, Nisa, had water over de stenen gegooid. Weer sissen. Ik voelde een dampende hitte. Al na een minuut begon ik te zweten. Ik moest me ontspannen, de lucht inademen, met openstellen en laten komen wat komt. Weer sissen, nog meer zweten. Opnieuw sissen, nog meer zweten. Ik voelde het water langs mijn hoofd, over mijn schouders, over mijn buik, tussen mijn benen door naar beneden spoelen.

We moesten ons concentreren op de gloeiende stenen. Ons inbeelden dat we zakten, diep naar beneden, de aarde in, diep moeder aarde in, diep in onszelf.

Ik probeerde me iets in te beelden, maar zag niks. Ik voelde alleen de hitte en het zweet. Nisa begon op een trommel te slaan, en te zingen. Zoiets als Indianen dat wel doen. Ik moest me mee laten voeren, diep naar beneden, diep naar binnen. Ik moest me voorstellen dat ik op een oneindige vlakte liep, niets te zien, te horen. Me voorstellen dat ik onder een oneindige hemel liep, in een andere wereld, een wereld van droom en fantasie. Me voorstellen dat ik gras zag, bomen, vogels, dieren, de zon en nog veel meer.

Ik zag niets, ik droomde niets, ik voelde alleen het zweet dat uit mijn poriën stroomde. Ik kreeg het benauwd. Hoe lang zat ik hier nu al? Tien minuten? Een kwartier? Een half uur? Ik kreeg het steeds meer benauwd. Zou ik het afleggen? Zou ik stikken in mijn benauwdheid? Nee, maar wat zou er dan gebeuren? Ik wilde eruit, ik moest eruit. Zouden de anderen dat niet willen? Maar, dan moest ik wel eerst om de stenen heen kruipen. Dat wilde ik niet, dat durfde ik niet. Ik bleef zitten. Ik werd overweldigd door een enorme kracht, waartegen ik me niet wilde verzetten.

Anderen begonnen te schreeuwen. Als gekken. De meeste vreemde geluiden kwamen uit hun keel. Gaven ze zich over? Verzetten ze zich? Zetten ze hun verzet kracht bij met hun stem? Ik ging ook schreeuwen. Alsof ik een oerkracht in me opriep. Anderen gingen zingen. Nisa zong verder, ze trommelde verder en zei dat ons niets kon gebeuren. Niets? Ik was gek aan het worden. Was dat dan ‘niets’?

Ik keerde terug in het aanwezig zijn, in de hoop dat ik het toch zou redden. Hoe lang nog? We zaten hier toch al ruim een half uur? Een weer werd ik overweldigd. Ik wilde er uit. Nu! Ik zat vlak naast de deur. Maar ik bleef, liet mijn hoofd zakken, mijn lichaam zakken en ging. Ik ging naar beneden, zeiknat, druipend van het lichaamswater gaf ik me over. Toen ging de deur open. Eindelijk. Ik kroop om de stenen heen en ging naar buiten. Twee mannen gingen mee, de anderen bleven zitten. Op naar de tweede ronde. Vier ronden zouden er zijn. Ik wist het zeker: meer dan twee haal ik niet. Na de derde zal ik stoppen.

Tien minuten en een halve fles water later kroop ik weer naar binnen, de schaamte voorbij. ,,De eerste ronde is het zwaarst”, zei Lisa. Wat nu volgt is a piece of cake.” Ik legde me erbij neer en wachtte af.

De stenen werden een voor een binnengebracht. De hut ging dicht, Nisa gooide water op de stenen, begon te trommelen en te zingen, de anderen zongen mee. Ik niet. Ik durfde niet. Ik kan niet zingen. Nisa begon over de beer, de kracht van de beer, over andere beren en nog veel beren. Ze vroeg ons een lievelingsbeer voor te stellen. Ik zag geen beer, geen ijsbeer, geen wasbeer, geen teddybeer. Ik zweette weer als een otter, kreeg weer hoofdpijn en dacht aan buiten, waar het lekker fris zou zijn. Weer kreeg ik het benauwd, weer werd ik overmeesterd door een kracht die ik niet kende. Weer wilde ik vluchten. Maar ik bleef, ik wist dat ik me met succes kon verzetten tegen de kracht van de hut. Nou ja, ik bleef, maar vraag me niet hoe en waarom.

Ik hield het uit, de tweede ronde had ik overleefd. Ik ging naar buiten en bedacht dat ik het de twee laatste ronden ook wel zou uithouden. Twee keer een halfuur of langer, in die hitte, in die damp, in die verstikkende atmosfeer, dat moest ik toch kunnen?

Ik hield het vol, dat was alles. Hoe Nisa ook trommelde en zong. Hoe de anderen ook schreeuwden en zongen, tekeer gingen als oermensen, ik zag niks in mijn verbeelding. Ik had zware hoofdpijn en voelde me nat, modderig, smerig en verlaten door de mensheid. Ik ging liggen, voor zover dat kon, want dan was de hitte draaglijker. Ik voelde het blote lijf van de vrouw naast me. Ze streelde me, als troost. Af en toe murmelde ik wat, neuriede ik een beetje en dacht: dit ga ik volhouden, wat er ook met me gebeurt.

In de vierde ronde werden alle krachten, voorouders en symbolen aangeroepen. Nisa gooide kruiden op de stenen, van salie tot een raspsel van palosanto en druppels menthol. Ze gaven rust en lucht. Het einde was nabij. Maar Nisa had er nog niet genoeg van. Ze begon met water op de stenen te gooien. De ene na de andere lepel. Ze bedankte de stenen voor alles en nog wat. Er was zoveel om voor te bedanken. Het hield maar niet op. De damp die van de stenen afsloeg was verstikkend. Ik kreunde, anderen begonnen te kreunen. Ik schreeuwde, anderen begonnen te schreeuwen. Hard en harder. Zo heet en zo benauwd had ik het nog nooit gehad. Zo drijfnat was ik nog nooit geweest. Asjeblieft. Stop! Stop! Stop! Ik was nu echt helemaal aan het einde.

,,Open the door”, hoorde ik plotseling. Ik kon niet wachten en kroop als een haas naar buiten. Het was donker buiten, maar het was er heerlijk, fris. Een verademing. Ik zag een man in een badkuip springen. Ik deed hem na en sprong in het groene water, dat uit een poel bleek geschept. Vies water, maar verkwikkend.

Ik ging vervolgens voor de brandende houtstapel staan. Ik liet me drogen. Van voor en van achter. ,,Ben je eigenlijk wel om de stenen heen gekropen?”, vroeg een van de vrouwen. ,,Dat moest wél.” Ik schrok, ik had me niet aan de rituelen gehouden. Zou nu alles voor niets zijn geweest?

Zo zaten we met z’n allen nog een uurtje rondom het vuur, onze lijven in dekens gewikkeld, een kop soep in onze handen. Het was stil, er ging een jointje rond. Er werd wat over ervaringen gebabbeld. Ik zei en hoorde weinig. Ik had hoofdpijn, was helemaal leeg, moe, doodmoe. Bekaf. Zo ontzettend verschrikkelijk moe. Ik was schoon, gereinigd van alle giffen in mijn lichaam – misschien wel van alle giffen in mijn geest.

Tegen middernacht reed ik terug naar huis. Het was aardedonker op het landweggetje van de gewijde plaats naar de bewoonde wereld. Maar de maan scheen en verschafte me zo het licht dat ik nodig had. Of het voldoende licht was om me helderheid in deze wereld te verschaffen, weet ik niet. Eén ding weet ik wel na mijn totale overgave: ik ben sterker dan ik dacht.

Organisator Winterspelen Vancouver beschuldigd van geweld en seksueel misbruik van schoolkinderen

5 dec

furlong
John Furlong, de gedreven, immer stralende, nu 63-jarige voorzitter van het organisatiecomité van de Winterspelen 2010 in Vancouver, heeft iets uit te leggen. Vooral aan veel kinderen die hem in het verleden als sportleraar hebben meegemaakt. De onafhankelijke Canadese journaliste Laura Robinson ontdekte na grondig onderzoek dat Furlong jarenlang (eind jaren zestig, begin jaren zeventig) kinderen van de oorspronkelijke Canadese bevolking (First Nations, Indianen dus) heeft geslagen en seksueel misbruikt – ten einde de kinderen (de blanke) mores te leren.

Robinson, een gelauwerd onderzoeksjournaliste, publiceerde haar eerste verhaal over het wangedrag van Furlong in september 2012 in Georgia Straight, een weekblad in Vancouver. http://www.straight.com/news/john-furlong-biography-omits-secret-past-burns-lake. Ze voerde daarin een groot aantal getuigen op. Bovendien had zij ontdekt dat Furlong heeft gesjoemeld met data over zijn afkomst (Ierland) en zijn emigratie naar Canada. Furlong ontkent en wordt daarin gesteund door de belangrijkste Canadese sportorganisaties, die geen reden zien om aan de integriteit van de eminente voorzitter van Vancouver 2010 te twijfelen en niet hun eigen beoordeling en bewondering ten aanzien van Furlong aan een nader onderzoek te onderwerpen.

De Canadese sportautoriteiten slaan zich liever op de borst over de organisatie van de Winterspelen in Vancouver en prijzen vooral Furlong om zijn bevlogenheid, zoals hij die in zijn autobiografie Patriot Hearts uitvoerig en met veel egostrelingen beschrijft. Furlong is niet voor niets voor zijn werk als organisator veelvuldig onderscheiden: Officer of the Order of Canada (May 6, 2010), Order of British Columbia (2010), Olympic Order (2010), Paralympic Order (2010). Hij maakt in zijn boek nog eens duidelijk hoe hij de First Nations (de oorspronkelijke bewoners) bij de Spelen heeft betrokken en als sportleraar op een katholieke kostschool goed missiewerk heeft verricht.

Robinson kwam er achter dat Furlong al vijf jaar eerder in Canada werkzaam was dan hij in zijn boek aangaf. Eén van de vele leugens, aldus Robinson. Hij noemde nergens de naam van de school waar hij in Canada gedurende die periode werkzaam was geweest. Ze werd vervolgens getipt door een vertegenwoordiger van de First Nations, waarna zij haar onderzoek begon en steeds meer wrange details over Furlongs verleden in Ierland en als sportleraar in Canada vond. Onderzoek van Robinson leerde dat hij op Prince George College het sportprogramma leidde. Op de Facebookpagina van de school vond zij oud-leerlingen waarop zij samen met Furlong stonden.

De Indiaanse kinderen die werden verplicht naar de katholieke missionarissenschool te komen verklaarden tegenover Robinson dat zij van school wegliepen, omdat zij mishandeld werden. De politie (Royal Mounted Canadian Police) had ze teruggebracht, waarna zij vervolgens door Furlong (lichamelijk) gestraft werden omdat ze tegen de politie hadden gelogen over mishandeling op school. Volgens Furlongs autobiografie speelde de Ier in zowel het nationale Ierse handbal- als basketbalteam, speelde tegelijkertijd Gaelic football voor Dublin en was hij coach van het nationale Ierse vrouwenbasketbalteam. En dat allemaal toen hij 23 jaar oud was? Onmogelijk, meent Robinson met overtuiging.

Furlong probeerde eerst Georgia Straight aan te klagen. Maar zag daar uiteindelijk vanaf. Nu jaagt hij op Robinson zelf en daagt hij haar voor de rechtbank. http://www2.macleans.ca/2013/02/16/the-woman-behind-an-olympic-war-2/. Robinson (een oud-amateurwielrenster http://www1.uwindsor.ca/womensstudies/system/files/Laura_Robinson_Biography.pdf), die artikelen en boeken heeft geschreven onder andere over vrouwen en seksualiteit in de sport, over seksueel misbruik bij jongens in ijshockey (Crossing the line) en over racisme in basketbal, heeft voldoende belastende verklaringen in handen om Furlongs wangedrag te verduidelijken. Maar zij vreest de macht van de Canadese sportautoriteiten (zoals Own the Podium http://ownthepodium.org/Resources.aspx?lang=en-CA, het belangrijkste sportorgaan) en het Canadees Olympische Comité die geen oog hebben voor de trauma’s van een groot aantal ex-leerlingen van de katholieke school in Prince George en Burns Lake, waarop Furlong les gaf.

Drie ex-leerlingen hebben (tevergeefs) een aanklacht ingediend bij de politie, wegens seksueel misbruik van Furlong. Acht ex-leerlingen hebben een getekende verklaring afgegeven waarin zij hun vroegere sportleraar betichten van fysiek en verbaal geweld. Zoals jongens bij het ijshockey keihard met de stick op de rug slaan, kinderen bij de haren slepen, in het gezicht slaan, lijfstraffen, kinderen uitschelden voor ‘lazy indians’. Een groot aantal andere ex-leerlingen hebben anonieme verklaringen gegeven, anoniem mede omdat zij ondanks jarenlange psychotherapie nog altijd bevreesd zijn voor de machtige hand van Furlong.

Een paar weken geleden deed Robinson haar relaas in Aarhus tijdens Play the Game, een tweejaarlijks congres waarin de wantoestanden in de sportwereld (zoals matchfixing, gesjoemel met dopingregels door autoriteiten en controleurs, bevoogding en onderdrukking van topsporters, corruptie en omkoping bij IOC- en FIFA-officials rond de biddings en de organisatie van mega-evenementen, zoals Olympische Spelen en WK voetbal) werden belicht door wetenschappers en onderzoeksjournalisten (300 uit de hele wereld). Een dag voor haar presentatie probeerde een advocatenkantoor namens Furlong Robinson ervan te weerhouden de geschiedenis van de organisator van de Winterspelen weer te geven. De organisatie van Play the Game werd gedreigd met een rechtszaak als zij Robinson haar presentatie liet geven.

Jens sejer
Jens Sejer Andersen, de directeur van het congres, reageerde laconiek door terug te mailen dat de censuur in Denemarken al 150 jaar is afgeschaft. De dreigementen van de Canadese juristen haalden de Canadese media. Furlong mocht voor tv-camera’s zeggen dat hij door de verhalen van Robinson ,,door een hel is gegaan”. Hij ontkent alles. Robinson beschikt over tal van verklaringen die zij graag voor de rechtbank wil toelichten.

Intussen kan zij haar werk als freelance-journaliste niet uitvoeren, hangende de rechtszaak tegen haar. Zij kan als freelancer niet steunen op een journalistenverzekering. Robinson heeft daarom een fonds opgericht waarop sympathisanten een donatie kunnen geven. The Laura Robinson Defense Fund. http://www.huffingtonpost.ca/2013/12/03/laura-robinson-funding_n_4379938.html

Robinson attaqueerde in Aarhus nogmaals de Canadese sportorganisaties die zij verwijt achter deze man te blijven staan, of domweg erover te zwijgen, terwijl er tientallen mensen van First Nations met verbaal, lichamelijk en seksueel geweld zijn bejegend door Furlong. Ook de Canadese politie-autoriteiten (Royal Mounted Canadian Police) krijgen ervan langs omdat zij de aanklachten jegens de oud-sportleraar niet serieus hebben genomen, en nu zelfs de kant van Furlong kiezen.

Robinson_Laura2
Laura Robinson staat niet alleen in haar jacht op Furlong, omdat zij zich gesteund weet door vertegenwoordigers van de Indianen en door veel collega’s en vrienden van Play the Game. Maar zij ziet zich geconfronteerd met de allure en de macht van een nationale held, een man die in zijn almacht is gaan geloven. Een man die van zijn omgeving, de mensen die overtuigd zijn van zijn integriteit en in zijn licht hebben mogen meeschitteren, niet van zijn voetstuk mag vallen.

Zie verder: http://www.laurarobinsondefensefund.org

En: http://nebula.wsimg.com/a0050421df07e4dafd74d19f97bae74b?AccessKeyId=90D3837150F7A72C70F2&disposition=0&alloworigin=1

%d bloggers liken dit: