Op 6 februari denk ik aan de Busby Babes

6 feb

Dit zijn brieven van Guus van Holland aan Raf Willems en omgekeerd.

De Nederlandse senior writer Guus van Holland (1948) volgde sinds 1976 op de eerste rij talrijke internationale sportmanifestaties (Olympische Spelen, WK voetbal, EK voetbal, Champions League-finales, Tour de France en meer), met oog voor het menselijke van de topatleet.

De Belgische voetbalboekenschrijver Raf Willems (1960) reisde sinds 1995 in zijn eentje langs grote en kleine Europese en Braziliaanse clubs, op zoek naar de sociaal-culturele dimensie van voetbal.

Vanuit hun verschillende invalshoeken voeren ze een wekelijkse briefwisseling met elkaar in deze rubriek Social Football Lab 2020 Histories.

Brief 1:

Waarde Guus,

6 februari 1958
In de week van 6 februari denk ik aan de Busby Babes. Acht jonge voetballers van Manchester United – gevormd door hun legendarische coach Matt Busby – verloren op die dag in 1958 het leven bij een vliegtuigcrash in München. Ze keerden terug van de Europese kwartfinale tegen Rode Ster Belgrado. De talentvolle vrienden van de 22-jarige sterspeler Duncan Edwards leken op weg om de machtige tweevoudig Europa-Cupwinnnaar Real Madrid van Alfredo di Stefano van de troon te stoten.

Op 6 februari 2003 bezocht ik Old Trafford. Ik staarde naar de klok aan de hoofdingang van The Theatre of Dreams: 15u03, ze staat voor eeuwig stil. The day a team died. Als ik er passeer, liggen er verwelkte bloemen en herinneringsgeschriften uitgestrooid. Altijd weer: we’ll never forget the Busby Babes. De treurnis is tijdloos. Matt Busby (1909-1994) overleefde de tragedie.

Ik wil je iets vertellen over zijn vernieuwende voetbalinzichten, waarde Guus. Wist je dat de Schotse coach met Ierse roots zich liet beïnvloeden door de ‘Magic Magyars’? Op een koude novemberavond in 1953 inviteerde hij zijn jonge selectie naar Wembley voor ‘the game of the century‘: 100.000 verbijsterde toeschouwers keken naar Engeland-Hongarije 3-6, industrie versus kunst. Puskas, Czibor, Kocsis, Boszik en Hidegkuti strooiden buitenaardse bewegingen uit en staken het oude Schotse ‘passing game’ – dat Busby propageerde als antwoord op het Engelse ‘kick and rush’ – op het ritme van een Hongaarse zigeunerdans. Hij beleefde zijn ‘eureka-moment’ en ontdekte het belang van de briljante individuele actie.

Ik neem je even mee Guus, naar een merkwaardig boek uit 2005 van socioloog Tony Whelan: ‘The birth of the Babes, Manchester United Youth Policy 1950-1957′. De ex-speler van United analyseerde Busby’s aanpak vanuit een ‘menswetenschappelijke’ methode. Hij trok een meeslepende parallel met het standaardwerk ‘Homo Ludens’ – de spelende mens – van de Nederlandse cultuurhistoricus Johan Huizinga. Die definieerde ‘spel’ als ‘gedrag dat naar vrijheid zoekt’. Voor hem was het spel de basis van de beschaving. Volgens Whelan volgde Busby intuïtief de filosofie van Huizinga. Niet alleen was hij de eerste coach met interesse voor de menselijke kant van de voetballer. Daarnaast toucheerde hij zijn spelers met het geloof in het experiment en het zonder limieten aftasten van hun talent tot het artistieke potentieel volledig ontbolsterde door zelfexpressie en improvisatie.

Busby’s luciditeit – football is a beautiful game with a creative genius – kruiste Huizinga’s visie op ‘humanitas’ waarbij ‘het creatieve brein de vastgelegde regels doorbreekt’. De Busby Babes waren niet te stuiten – landskampioen in 1956 en 1957 en twee Europese halve finales – en ze schoten met verbluffend voetbal als een komeet naar de internationale top, Guus. De stad Manchester werd in die dagen beschreven als een mistroostige plaats met veel armoede en één lichtpunt: ‘But one shining light was Manchester United and particularly the young players.

duncan edwards
Dat creatieve genie van Busby heette dus Duncan Edwards (1936-1958). Men zegt over hem: de àllerbeste Engelse voetballer ooit. ‘There will only be one Duncan Edwards’, waren de laatste woorden bij zijn uitvaart.

Ik vertel je dit ook nog even, Guus. Pas drie jaar na de crash bracht Matt Busby de kracht op om hem zijn persoonlijk eerbetoon te schenken: een kleurrijk glasraam met de tekst ‘Though there be many members, yet there is one body.’ Hij hing het in de Saint-Francis Church in Dudley.

edwards window
Zou er ergens een voetballer zijn met een ‘glas-in-loodraam’ in zijn geboortedorp? Ik bezocht het, enigszins wonderbaarlijk, in 2013. Ik maakte een reportage over Romelu Lukaku bij West Bromwich Albion en miste de trein omdat de stationschef me de verkeerde kant wees. Ik vloekte bij vijf graden onder nul en veertig minuten wachten op de volgende. Toen hoorde ik hem door de luidspreker mompelen: ‘Direction Dudley’. Dudley? Dudley! Het drong heel langzaam tot me door: dààr lag Duncan Edwards.

Ik koos voor de andere richting, op zoek naar zijn standbeeld. Tijdens de rit nam ik een krant vast. Mijn oog viel op de datum: het was 6 februari. Geloof jij in dit soort toeval, Guus? Op die dag denk ik meer dan ooit aan de Busby Babes.

Met vriendelijke groet,

Raf

Lees ook: http://www.socialfootballlab2020.com/

Claudia Pechstein en haar voor eeuwig geschonden reputatie

3 feb

dopingvorwuerfe-claudia-pechstein

Daar zat ze dan, omringd door onder meer een man die wegens moord vier jaar onschuldig in de gevangenis zat, een moeder wier zoon jarenlang gepest was en zich uiteindelijk van het leven benam, een televisiepresentator die op grond van zijn huidskleur door media was gediscrimineerd en buitengesloten. Claudia Pechstein, succesvol schaatsenrijdster, mocht op dinsdag 27 januari bij Menschen bei Maischberger (ARD) vertellen hoe ze jarenlang heeft gevochten om haar onschuld te bewijzen, en nu dankzij het Oberlandesgericht in München zowaar kans heeft op (verlaat) vrijspraak. Maar nog altijd wordt ze onheus bejegend. Haar reputatie is flink geschonden. En daar komt zij, meent ze, nooit meer van af.

Doping heeft ze nooit gebruikt, beweert ze stellig. Nooit is ze positief getest op doping. Toch werd ze twee jaar (van 2009 tot 2011) geschorst én gebrandmerkt, omdat er schommelende bloedwaardes bij urinecontroles waren waargenomen. Dopinginstanties en het internationale sporttribunaal concludeerden meedogenloos (volgens de letter der wet) dat die afwijking duidt op gebruik van ongeoorloofde middelen. De aard van haar gevecht mag als bekend worden verondersteld, evenals het verhaal over haar eerste man die haar uiteindelijk niet onvoorwaardelijk wilde steunen en mede daarom van haar scheidde, en over haar poging om zich (met haar toenmalige man) ten einde raad van het leven te beroven.

Het zijn de horror stories van een sporter die in een van zijn doorwaakte nachten wenst dat hij nooit aan een topsportcarrière was begonnen. Dit keer is het Sandra Maischberger, een even kritische als empathische interviewster, die probeert te doorgronden wat mensen doormaken als ze ten onrechte (dan wel voorbarig) worden gestraft. Ik denk terug aan Lance Armstrong, die uiteindelijk tegenover Oprah Winfrey zijn bekentenis deed. Ik wacht bij Claudia op tranen, een vleugje schuldbekentenis, op verongelijktheid en meer van die uitingen die bij slachtoffers passen.

pechstein_bd
Maar geen emoties. Ze is sterk. Ja, ze voelt zich slachtoffer. Maar ze vecht verder, Claudia (42 intussen) kan niet anders. Of ze wel dan niet schuldig is, kan ik niet beoordelen. Hoe verbeten Klaas Faber (chemometricus) ook wil en kán aantonen dat Frau Pechstein slachtoffer is van dwalingen in laboratoria, onbetrouwbare dopingwetgeving, en vooral van eigen belang van bonds- en dopingbeambten. Het succes dat Pechstein voor de burgerrechter behaalde, moet voor een belangrijk deel op het conto van de doortastende Faber worden geschreven. Het voelde beter dan al haar vijf gouden olympische medailles.

Ik ben geen jurist die zich moet baseren op feiten en regels. Ik zag en hoorde Claudia Pechstein en de anderen hoe zij door (vooral de media) voor het leven werden beschadigd én gebrandmerkt. Jij deugt niet, want in de kranten staat dat jij niet deugt. Jij bent verdacht. Je bent dan wel vrijgesproken, maar waar rook is is vuur. Zoals de ten onrechte veroordeelde moordenaar moest ervaren: ,,Het wordt stil in de winkel als ik er kom.” En de moeder van de gepeste en overleden zoon: ,,Daar zal hij het wel naar gemaakt hebben. Mensen zwijgen. Niemand steekt zijn hand uit.” Ze worden nog steeds buitengesloten.

Claudia Pechstein kwam uit de voormalige DDR. En omdat daar doping schering en inslag was, zal zij ook wel bekend zijn met doping (wel dan niet opgedrongen door het systeem). Ze zal wel bloeddoping hebben gehad. Zo werd links en rechts geschreven en daarom overal geroepen. Vooral Duitse media als Bild, Focus en Bunte zullen, wanneer de schaatsenrijdster wordt vrijgesproken, moeten boeten voor hun voor Pechstein nadelige berichtgeving. Het gaat om rond 4 miljoen euro, aldus de aanwezige mediajurist.

Of het zover komt, is onduidelijk. Waar het om gaat is dat media en hun vaak slaafse lezers en volgers niet de moeite nemen eerst na te denken voordat ze zonder dat afdoende bewijs is geleverd overgaan op veroordeling van (mede)mensen – in dit geval sporters. Pechstein verloor door haar schorsing inkomsten uit sponsoring en winstpremies en werd zelfs door haar werkgever (de Duitse politie) in diskrediet gebracht. Haar vader voelt zich schuldig, zegt ze, omdat zij door hem met een genetische erfenis (bloedanamolie) zou zijn opgezadeld. Wist hij veel.

Rufmord, dat begrip gierde door de weer indrukwekkende uitzending Menschen bei Maischberger. Mensen die tevergeefs vechten om hun geschonden reputatie te herstellen. Het is zo gemakkelijk om mensen te veroordelen, omdat ze een vreemd uiterlijk hebben, een schommelend bloedbeeld, uit de DDR komen of domweg omdat ze topsporter zijn.

De Duitse olympische sportbond heeft intussen, na de uitzending, laten weten dat ze Claudia Pechstein steunt in haar strijd. Zij roept de internationale schaatsunie ISU op de zaak te heropenen. Pechstein noemde in het programma de ISU ‘bedriegers die haar alles hebben ontnomen’.

Ik begrijp het: het is haar strijd. Maar wat ik mis, is de solidariteit in schaatsland. Waar zijn de schaatskampioenen en zogenaamde voorvechters van rechtvaardigheid in de samenleving en van sportiviteit en solidariteit? Of gewoon een mening van de Nederlandse schaatsbond? Ze weten het niet, ze vertrouwen het niet? Daarom maar zwijgen? Ze durven niet. Of toch domweg eigen belang? Egocentrisme overheerst weer eens.

Solidariteit in de sport – samen doen, samen sporten, samen strijden, elkaar steunen door dik en dun – bestaat nauwelijks. Waarom niet? Waarom wel elkaar wantrouwen?

Deze column is gepubliceerd op de website http://www.sportstrategie.nl

Gevonden willen worden

28 jan

Als Tarzan, slechts gehuld in een lendendoekje, schuifel ik de kamer binnen. Ik probeer me te oriënteren. Het ruikt naar esoterische oliën, een prikkelende geur.

Ze heet Roos. Ze vraagt me te gaan zitten in een bank met zachte kussens. Wie ik ben? Wat ik doe? Hoe ik me voel? Waarom ik ben gekomen? Ze vertelt wie zij is, wat ze gedaan heeft, hoe ze ertoe is gekomen, welke cursussen voor lichamelijke en geestelijke groei ze heeft gevolgd. Ze legt uit waaraan ze me probeert bloot te stellen.

De Touch of Love, zoals de massagesessie wordt genoemd, mag beginnen.

Zachte, ontspannende muziekklanken zingen door de kamer. Ik mag op mijn rug op een breed, zacht matras gaan liggen. Het lendendoekje mag om blijven. Ze pakt mijn enkels, wrijft, strijkt, duwt en drukt op bepaalde plekjes. Ze bevoelt mijn tenen, trekt eraan, duwt ze uit elkaar. Ze maakt ruimte, zegt ze. Ze praat tegen me, ademt met me, stelt gerust.

massage-man2
Ze oliet haar handen. Langzaam strijken en duwen ze langs mijn benen naar boven, spieren en zenuwbanen volgend. Het wordt spannend, zonder dat de spieren zich lijken te spannen.

Anderhalf uur zal de massage duren. De rust, de stilte, de ontspanning en de zachte muziek doen het besef van tijd vergeten. Steeds hoger gaan de handen, ze drukken, duwen en strijken. Mijn schouders en nek voelen hard wanneer ze worden aangeraakt, maar verzachten snel als mijn verzet breekt.

Er is geen pijn, alles is onschuldig – vredig zeker.

,,De behandeling is niet erotisch geladen”, had ze vooraf gezegd. Vandaar ook het lendendoekje. Dat houdt afstand. Maar als ik wil mag ik het best afleggen, hoor.

Hatha yoga, reflexologie, Japanse reiki, shiatsu, beeldende interpretatie, massage, NLP (Neuro Linguïstisch Programmeren), haptonomie, visualisatie zijn volgens de aankondiging `vrijelijk’ gecombineerd in de Touch of Love. Men zou het een `persoonlijke ontspanningsreis’ kunnen noemen, begeleid door geuren en muziek. Ik kan de sfeer van aanraking en beleving niet benoemen.

Het voelt goed, dat is genoeg.

Wanneer mijn hoofd in behandeling wordt genomen, voel ik verzet opkomen. Het hoofd is kwetsbaar, mijn verstand wil erbij blijven. De nek spant aan, de kin gaat omhoog. ,,Laat zakken die kin”, hoor ik.

Bepaalde plekjes spelen op bij een vingerdruk, het voorhoofd raakt bekneld tussen de zachte, geoliede handen. Het gaat gloeien, alles in mijn hoofd gloeit, terwijl ze door blijft praten en hoorbaar blijft ademen. Als de rust in het hoofd is weergekeerd, haal ik opgelucht adem.

Maar de warmte blijft.

Nu mijn achterkant. Weer die tocht van de enkels naar het hoofd. Weer die aanraking, die pijnpunten, dat zachtjes drukken, duwen, strekken en rekken van spiertjes en gewrichten. Er gaat iets open in mijn geest, er komt iets binnen. Wat? Ik weet het niet, het voelt vreemd, maar niet afstotelijk.

Borst, maag en buik worden rijkelijk ingesmeerd. Trillende vingers en schuddende handen op mijn hart, althans daar in de buurt.

Mijn buik is nat van de olie. De aanraking wordt steeds aangenamer, spannender ook. Erotisch? Nee, eigenlijk niet. Na anderhalf uur is de behandeling eigenlijk nog niet afgerond, zegt Roos. Ze vraagt of ik het bezwaarlijk vind als het twintig minuten langer duurt. Ik vind het goed, ik ben willoos geworden onder haar handen.

Toe maar, ik wil voelen.

Ik wil gevonden worden.

Dan word ik alleen gelaten. Roos staat op en laat me met rust. Ik ben leeg en vol tegelijk. Ik mag opstaan, maar vooral rustig en voorzichtig – mijn driften beheersend. De douche staat al aan, hoor ik, de esoterische smeerseltjes mogen worden afgespoeld, met geurloze zeepjes – keuze genoeg.

In de zachte kussens van de bank volgt het nagesprek. Vragen, zuchten. Wat is er gebeurd? Wat voelde ik? Wat voelde zij? Energie, veel energie. Vooral in de bovenste helft van het lichaam, zegt ze, zoals bij veel mannen. Vermannen, noemt men dat. Maar onder de chi of ki, de plek net onder de navel, het epicentrum van alle levensenergie, vloeit de energie weg, in een vrije val bijna. Misschien zou tantrische massage een vervolg kunnen zijn, de weg naar bijvoorbeeld meer seksuele energie.

Ik mag gaan. Langzaam en niet te snel, terug naar de drukke wereld.

Buiten schijnt de zon. Het is warm en zacht, het leven lacht. De auto rijdt vanzelf. Thuis wordt het hoofd zwaar. Chagrijn en hoofdpijn. Vermoeidheid? Uitputting? Losgekomen afvalstoffen zoeken een uitweg. Ik neem twee aspirines. Dat mag ook, heeft ze me gerustgesteld. Als het maar ruimte in mijn hoofd maakt.

Ik wil leegte om plaats te maken voor nieuwe dingen.

Het Social Football Lab 2020: Voetbal is meer dan strijd om titels, bekers en doelpunten

3 jan

Waar zou het anders moeten? In het Kasteel in Rotterdam dus, waar de oudste (1888) club in het betaalde voetbal van Nederland zetelt. Daar werd op 4 december voor mensen die begaan zijn met de sociale betrokkenheid van voetbalclubs, het Social Football Lab 2020 gelanceerd. Beter geformuleerd: de European Academy For Football and its culture, community, heritage, solidarity & fun.

Vier mensen vonden elkaar als pionier voor dit project: Sandra Meeuwsen (sportfilosoof en manager van sociale projecten bij Sparta Rotterdam, FC Twente en NOC*NSF), Raf Willems (Belgische voetbalschrijver van vele boeken over het voetbal als spel en sociale betrokkenheid), Johan Annema (ex-manager van sociale programma’s [Axios/Ajax Campus] bij Ajax en de voetbalbond KNVB) en Bart Vanreusel (Belgische sportsocioloog verbonden aan de Universiteit van Leuven).

Hun gedrevenheid staat garant voor samenwerking tussen alle voetbalclubs in Europa met betrekking tot sociale structuren, cultuur, gezondheid, educatie, gelijkheid en broederschap. Kortom: een netwerk vol kennis en ideeën binnen Europese voetbalnaties. De droom: Een Europese academie waarin alle lidstaten zich verenigen om voetbal onder alle mensen te brengen.

Voetbal gaat over mensen en passie. Voetbal als katalysator.

socratessss
Voetbal is meer dan de strijd om de bal, titels, bekers en doelpunten – en de hunkering naar eeuwige glorie. Zo stelde Raf Willems in zijn welkomstwoord. Hij maakte van de gelegenheid gebruik 4 december (de dag van de opening van het Lab) uit te roepen tot internationale Socratesdag (Socratesday). Als eerbetoon aan wijlen de Braziliaanse voetballer Socrates, in de jaren tachtig een begenadigd regisseur op het voetbalveld, maar ook arts, politiek idealist, filosoof en leider van de Braziliaanse beweging voor meer democratie. Hij overleed in 2011, op 4 december.

Brazileiro Sampaio de Souza Viera de Oliveira werd geboren op 19 februari 1954. Zijn vader doopte hem Socrates, naar de denker uit de Griekse oudheid. De voetballer Socrates ontdekte bij zijn illustere naamgenoot de belangrijkste levensles: de gedachten zijn vrij! Hij studeerde voor arts. Aan de universiteit werd het verzet tegen de militaire dictatuur (1964-1984) gedoceerd.

Als voetballer bleef Socrates trouw aan zijn standpunten. Aldus Raf Willems in een van zijn vele biografieën van voetballegendes. Bij Corinthians São Paulo ontplooide Socrates tussen 1982 en 1984 een bijzonder initiatief: hij zette met zijn collega’s de beweging Democracia Corintiana op. Als protest tegen de militairen en als oproep tot vrije verkiezingen. De spelers veroverden met deze leus op het shirt het kampioenschap van deelstaat São Paulo en probeerden binnen de club het democratisch proces vorm te geven.

Ze ageerden tegen de autoritaire aanpak in het Braziliaanse voetbal en eisten, bij meerderheidsbeslissing, inspraak in contractbesprekingen en de verdeling van de recettes. De dagelijkse gang van zaken was onderwerp van interne discussie. Men besteedde aandacht aan ‘goed burgerschap’ zoals lid zijn van een politieke partij of deelname aan een maatschappelijk project.

socrates___democracia_corinthiana_by_juliacristofi-d5n8cmo
De Democracia Corintiana bepaalde ook de verhoudingen in de bestuurskamer en hamerde op spelersrechten. Hun belangrijkste daad bestond uit hun openlijk pleidooi voor een vrije democratie. Ze speelden met de dwingende oproep ‘Ga Stemmen’ op de rug. In 1984 stroomden op een protestmeeting in São Paulo 1,5 miljoen mensen samen. Socrates voerde het woord. Democracia Corintiana, met veel steun van artiesten, geestverwanten en zakenlui, maakte duidelijk dat mensen – en dus ook de spelers – bij actieve deelname hun persoonlijke groei konden voltooien. De voetbalbeweging van Socrates wees Brazilië de weg naar het geloof in en het respect voor de keuze van de meerderheid: ‘Toen niemand in Brazilië mocht stemmen, deden ze dat al bij Corinthians. Dankzij Democrationa Corintiana.’ In 1984 kwamen de militairen ten val.

Hoe dicht bij Socrates moeten de aanwezigen zich hebben gevoeld toen Perry Leydsman in een gloedvol betoog uiteenzette wat de stichting ‘De Betrokken Spartaan’ als onderdeel van Sparta Rotterdam aan werkzaamheden verricht. Leydsman, oud-voetballer bij Sparta en directeur, vertelde meeslepend over het sociale beleid van zijn organisatie. Over de samenwerking met ziekenhuizen in Rotterdam, over de ontmoeting tussen de beroepsvoetballers en patiënten, over de opvang bij de club van kansarme jongeren en jongeren met overgewicht door middel van werk bij de club of onderlinge voetbalwedstrijdjes. Gedragsverandering kan worden bewerkstelligd door verbinding met een voetbalclub. Erbij horen, leren, werken, bewegen, spelen, voetballen en zo verder. Samen Zijn.

betrokken-spartaan-logo
Neem zijn verhaal over enkele ‘te zware’ kinderen (obesitas) die bij en door de club (vooral De Betrokken Spartaan) leren bewegen, domweg omdat ze bij de club worden betrokken. Leydsman zag hoe kinderen in het stadion zich voor de lift verdrongen. Waarom niet voor de trap? Zo werd hen gevraagd. Nou gewoon: dat konden ze niet omdat ze te zwaar waren. Ze huilden toen hen werd geadviseerd met de trap te gaan. Na een paar weken lukte het sommigen de trap te nemen, met heel veel moeite. Het toenemende aantal kinderen en jongeren dat dankzij De Betrokken Spartaan weer meetelt, kan bewegen en ergens bijhoort, stemde de belangstellenden in de zaal zichtbaar tot tevredenheid. Met dank aan Perry Leydsman, zijn medewerkers en niet te vergeten de spelers en coaches van Sparta Rotterdam.

Perry Leydsman spreekt tijdens een kindermiddag bij Sparta Rotterdam (Foto Carla Vos/Cor Vos)

Perry Leydsman spreekt tijdens een kindermiddag bij Sparta Rotterdam de jeugd toe (Foto Carla Vos/Cor Vos)

Het ontroerende betoog van Leydsman was een opmaat voor de verhalen van Tony Hamilton, sinds 20 jaar leider van de Celtic FC Foundation. Bij het verhaal van Celtic Glasgow spitst iedereen die zich de sociale plicht van een voetbalclub aantrekt, altijd de oren. De club die (universeel) als voorbeeld wordt gesteld voor alle andere clubs in de sportwereld.

Je wilt graag supporter zijn van Celtic, hoe middelmatig ook presterend in Europees verband. Dat Celtic-supporters die rondom de Champions League-wedstrijd in Amsterdam (november 2013) tegen Ajax wegens aanstootgevend (wel of niet geprovoceerd door Ajax-aanhangers) gedrag werden gearresteerd, financieel en juridisch worden bijgestaan door de Foundation is al opmerkelijk, zo niet uniek. Een paar dagen na de gewraakte confrontatie rondom de wedstrijd in de Arena werd al tijdens een thuisduel van Celtic gecollecteerd om de in voorarrest verkerende fans in Amsterdam en hun familie bij de juridische strijd (onder leiding van de Nederlandse advocaat Christian Visser) te steunen.

Links Tony Hamilton

Links Tony Hamilton

Om maar met de woorden van de oprichter van Celtic (1887, Brother Walfrid) te beginnen: A footballclub will be formed for the maintenance of dinnertables for the children and unemployed. Hamilton verwees naar de levensverwachting van mensen die wonen in Noordoost Glasgow, het verspreidingsgebied van Celtic: 46 jaar. Dat is inmiddels redelijk verbeterd, sinds het Charity Found in 1995 werd opgericht. Armoedebestrijding: 18.000 mensen die nood hebben aan geld en voedsel. Celtic collecteert onder de fans (in en rondom het stadion), werkt samen met de kerk, verspreidt boodschappen per YouTube, zoekt toenadering met banken, ziekenhuizen en zo meer. Een voedselbank op initiatief van Celtic Glasgow is meer dan normaal en humaan.

Helaas bleef Hamilton de aanwezigen één antwoord schuldig. Weten spelers die een contract tekenen bij Celtic wat de club van hun verwacht? Of spelers zich realiseren waar Celtic voor staat. Hamilton antwoordde dat hij spelers zeker benadert, maar dan hebben ze al een contract op zak. De allesomvattende vraag is: zijn de (nieuwe) spelers zich wel bewust van hun taak of missie? Waarschijnlijk niet.

Wie eens een wedstrijd van Celtic heeft bezocht op Celtic Park, liever genoemd: Paradise, voelt de nood aan passie, compassie, empathie en saamhorigheid: samen zijn met al onze dromen en gebreken. Celtics droom is de meest filantropische voetbalclub ter wereld te worden, aldus Hamilton. Na Barcelona, nota bene. Over bescheidenheid gesproken. Ook zo mooi van Celtic. Helaas moest een woordvoerder van Barcelona verstek laten gaan wegens ziekte.

Andy Walsh

Andy Walsh

Andy Walsh werd aangekondigd als de held van de alternatieve voetbalcultuur. Inderdaad een charismatische leider van FC United of Manchester, die in heel Europa wordt uitgenodigd om zijn verhaal over zijn club te vertellen. Een club die werd opgericht als tegenhanger van het kapitalistische Manchester United, de club die internationale populariteit geniet vanwege haar successen, titels en idolen (en exposure) op de internationale voetbalvelden. Wie wil zich niet associëren met Manchester United, met zijn helden van toen (Duncan Edwards, Matt Busby, Bobby Charlton, George Best, Eric Cantona, Ryan Giggs, Cristiano Ronaldo en Alex Ferguson) en nu (Wayne Rooney, Robin van Persie en Louis van Gaal). Dat het kapitaal en de commercie er regeren, lijkt van ondergeschikt belang. Winnen is het devies, ook ten koste van de verliezers.

Echte liefhebbers kunnen van nabij nauwelijks nog genieten van de club en zijn spelers. Entreeprijzen stijgen. Waarom nog supporter zijn? Het zijn vooral de gloryrunners, vip’s en investeerders met hun zakenrelaties die nog komen. Walsh zei het zo: ,,Voetbal is voor de voetballer geworden, niet voor de toeschouwers.’’ Anders gezegd: ,,Voetbal moet terug naar de fans.’’

fc-united-of-manchester-b-014
Zo ontstond FC United. Geen kapitalisten die geld willen slaan uit prestaties. Voetbal moet terug naar het volk. Zij bepalen volgens democratische regels hoe een voetbalclub bestaat. Elk lid heeft één stem. Luister naar de fan, naar het lid, naar de mensen. United heeft nu 3.200 leden, 14.00 seizoenkaarten, 300 vrijwilligers. Tja, gemiddeld 1.900 toeschouwers per wedstrijd, gemiddelde leeftijd 19-25 jaar. Eenvoudigweg: mensen die commercieel voetbal (kopen, verkopen, spelers en coaches zonder identiteit maar des te meer ego en eigenbelang) aanhangen, verliezen terrein.

The Beautiful Game verliest zijn beauty door de commercie. Dat wilde Walsh duidelijk maken. Succes vraagt om nog meer succes. Begeerte verslindt het verlangen naar tevredenheid. En dat alles laat de supporter zich welgevallen. Tenzij je supporter bent van Celtic of FC United.

Links Marewski

Links Marewski

Zo mooi was daarom de emotionele bijdrage van Rolf-Arndt Marewski, fan-begeleider van de Duitse topclub Borussia Dortmund en oprichter van Borussia Commondale http://www.borussiacommondale.org/ in Zuid-Afrika. Borussia Dortmund is een van de vele Duitse voetbalclubs die begaan zijn met de begeleiding en opvang van supporters en kansarme bewoners van de voetbalstad. Een presentatie van een vertegenwoordiger van cultclub St. Pauli (Tweede Bundesliga) had niet misstaan in Rotterdam: alternatief en anti-kapitalisme.

En dan de verhalen over de ondergang van Antwerpen als voetbalstad en de pogingen om weer een club voor het volk van de grond te krijgen. Zoals gebeurt door Antwerp Country Trust Action en City Pirates Merksem http://privateer.citypirates.be/. Supporters en clubs die het voetbal terug naar de samenleving willen krijgen. Los van investeerders en imperialisten. ‘Sailing against the stream’, aldus de woordvoerder van City Pirates Merksem, spelend vierde klasse in België. Iedereen is welkom, kinderen, allochtonen, gehandicapten. ‘We have to use sports for social change.’

city pirates
Roger Reade was er ook. Hij is één van de ‘founding fathers’ van Football in the Community, waarmee het zo’n drie decennia geleden allemaal begon in Engeland. Met zijn collega’s ontdekte hij hoe het voetbal kan ingezet worden voor het algemeen welzijn. Hij was destijds, als medewerker van Manchester City, één van de zes pioniers. Vandaag hebben de bijna honderd profclubs in Engeland een eigen werking, vertelde hij. Met deze verwijzing naar het verleden wilde hij zeggen dat de tijd momenteel ook voor hem rijp lijkt voor een toekomstig internationaal ‘football and community’-project dat vanuit een bescheiden basis begint.

Roger Reade wordt geinterviewd door een jonge voetbalfan

Roger Reade wordt geinterviewd door een jonge voetbalfan

Is dat bijzonder? Kennelijk wel. De supporter verlangt succes van zijn favoriete club en spelers, euforie vooral, om makkelijker met zijn eigen zorgen om te gaan. Voetbal is niet alleen religie. Voetbal is vooral afleiding van wat zich in het hoofd en lichaam afspeelt (gemis, saaiheid, lijden). Verbinding (met anderen, zoals een voetbalclub) kan leiden tot verlichting en op z’n minst duidelijkheid en aanvaarding. Als dan voetbal zo belangrijk wordt gevonden, waarom dan niet het sociale belang, de saamhorigheid en compassie meer aandacht geven?

Het Social Football Lab 2020 zal er toe bijdragen. De waarde en de kracht van de club versterkt de voetballer. De hunkering naar de prestatie en glorie moet plaats maken voor het verlangen naar verbinding. Samen liefhebber zijn van voetbal. Dat is de boodschap.

Na afloop werd de eerste Social Football Lab Award toegekend en overhandigd aan Edu Jansing, wegens zijn verdiensten als directeur van de Stichting Meer dan Voetbal, die dit jaar tien jaar bestaat.

Zie ook: http://www.socialfootballlab2020.com/

En lees: http://tegenlicht.vpro.nl/nieuws/2014/oktober/voetbal-is-kapot-gemaakt.html

Een klankschaal op mijn buik

27 dec

klankschalen
Vanuit het tuinhuisje komt een behaaglijke warmte en een aangename geur me tegemoet. Eenmaal binnen moeten de schoenen uit. De gastvrouw vraagt me tegenover haar aan de andere kant van een matras op een stoeltje te gaan zitten. ,,Zo”, zegt ze met een glimlach. ,,Ik nodig je uit eerst maar even te landen.” Ze ziet het aan me, de lange reis naar het zuiden heeft me onrustig gemaakt.

Na minuut of vijf ben ik geland. Ze vraagt me mijn ‘verhaal’ te vertellen en ik begin over het doel van mijn spirituele reis. Wat ze me heeft opgebracht en welke nieuwe vragen ze oproept. De innerlijke strijd die me hoofdbrekens heeft gekost, de knoop vanbinnen die traag ontwart. Ze vraagt of mijn spirituele leven naast mijn sportleven mag bestaan en ze draagt een manier aan waarop ik met haar daarnaar kan kijken.

Ik wil het niet. Mijn sportleven (de fascinatie voor strijd, wedijver en competitie) heb ik toch afgesloten? Ik kies voor de klank, de ‘helende werking van klank’, zoals de gastvrouw dat in haar Praktijk voor levens- en zingevingsvragen aanbiedt. Ik draai mijn hoofd naar de Tibetaanse klankschalen die ik achter mij op een kleedje heb zien staan. Dáár ben ik tenslotte voor gekomen.

Ze nodigt me uit om mijn buik op het matras te gaan liggen. De munten moeten uit mijn broekzak, de riem moet af. Ik krijg voor het gemak een opgerold dekentje onder mijn borst. Ze vraagt me te ontspannen, te voelen, langzaam het ene lichaamsdeel na het andere te voelen – en te laten komen wat komt. Het is stil om ons heen.

Wat is stilte mooi!

Zacht zegt ze dan dat ze een klankschaal op mijn bekken gaat zetten. Ik voel hem. Maar zo licht als de schaal is, de aanraking roept toch enige reactie in mij op. Wat zal er gebeuren?

Ik hoor een lichte gong en voel tegelijk een trilling zich door mijn bekken en over mijn rug verspreiden. Dan voel ik een schaal tussen mijn schouders. Weer dat geluid, weer een trilling. Dan komt er een hoger geluid boven mijn hoofd vandaan en even later een zelfde geluid bij mijn voeten vandaan. Verder is het heel stil, ik kan mijn adem horen.

Ik moet me omdraaien. Ze vraagt me goed door te ademen, lang en rustig. De adem te voelen, wat hij doet, wat hij met mij doet. Hij is niet lang genoeg. ,,Voel je dat? ”, vraagt ze. Ja. Ik staak de uitademing. Ongeduld dus, ik moet opschieten, altijd weer opschieten. Waar is de rust? De rust om (het) te laten gaan.

Ze zet nu een schaal op mijn buik en geeft hem geluid. Wat ik nu voel? Een aangename trilling, die naar onder en naar boven stroomt. Good vibrations. Ook op mijn borst krijg ik een schaal, en ook deze krijgt een tikje met een zachte hamer. Ze vraagt me geluid te maken met mijn adem. En zo resoneren mijn stembanden met de schalen. Lage tonen vullen mijn lichaam. Links van mij klinkt een schaal met een hoge toon, rechts een andere met dezelfde toon. Dan boven mijn hoofd, dan bij mijn voeten. Het is geen kakofonie, geen lawaai. De ruimte is een en al geluid. Mijn lichaam voelt als een welluidende klankkast.

In mij heerst een weldadige stilte. Dorle, want zo heet ze, vraagt wat ik voel, waar ik wat voel, wat er gebeurt met mij. Ik voel de wil me niet te laten wegzakken, antwoord ik. Dat geeft spanning, merk ik. ,,Voel wat er gebeurt wanneer je je laat wegzakken”, zegt ze. Ik doe het: niets ergs, zowaar. Sterker: ik kom in een weldadige beleving van rust en stilte.

Ik hoor weer het geluid van een klankschaal en laat de trilling zich verspreiden en indalen. De klankmassage ontspant me. Ze vraagt me aan iets of iemand te denken, wat het oproept, het te benoemen, ernaar te kijken en naar die mensen te kijken. ,,Laat het zijn”, zegt ze. ,,Ook als het spannend is en irritatie oproept. Druk het niet weg, houd de adem niet in, adem in en uit, laat het gaan.” Ik kijk ernaar en laat het zijn. Ik laat die mensen zijn zoals ze zijn; rust en irritatie kunnen dus goed samen.

Ik verlang naar het geluid van de schalen, het gaf rust. Daar komt het weer. Fijn! Ik voel weer de vibraties. Dan haalt ze de schalen weg. Jammer! Ik mag rustig blijven liggen en zodra ik eraan toe ben me langzaam verheffen. Ik mag van binnen naar buiten gaan en kijken hoe het daar is. Als ik me opricht en naar buiten kijk, door het raam, zie ik koolmeesjes, zeker vier rusteloze vogeltjes, hippend en fladderend. Ze maken me niet onrustig. Ze zijn mooi, met hun kleuren, zacht. Alles is zacht.

Dorle vraagt me een symbool te zoeken bij mijn verkregen inzicht: zachtheid. Ik kijk om mij heen en zie kussentjes. ,,Stop dat symbool in je zak en ga er mee heen”, zegt ze en ik bereid me voor op het afscheid en op de onrust, buiten. Met een denkbeeldig kussentje in mijn broekzak stap ik in de auto, op weg naar de volle wegen met lawaaiige motoren en opgewonden automobilisten. Ik blijf heel lang rustig.

Maar, ik wil nog meer rust.

Zie ook: http://boeddhistischdagblad.nl/

Sir Stanley Matthews: ‘Roem brengt me in verlegenheid’

6 dec

Ruim 21 jaar geleden was ik in Stoke-on-Trent op bezoek bij Sir Stanley Matthews, de eerste winnaar van de ‘Gouden Bal’, als Europees voetballer van het jaar. Matthews, een échte rechtsbuiten, was toen 78 jaar. In 2000 overleed Matthews, een legende in Engeland. In mijn boekenkast staat zijn autobiografie geschreven door de eminente voetbaljournalist van The Times, David Miller. Matthews schonk mij het boek. Onzin vond hij het.

Hier het interview:

stanley
STOKE-ON-TRENT, 26 APRIL 1993. Een voetballiefhebber die in Hanley belandt, dient op zoek te gaan naar het standbeeld van Sir Stanley Matthews. Je kunt ook de nu 78-jarige zelf vragen de weg te wijzen in het randstadje van Stoke-on-Trent. Dan rijdt hij je er in zijn auto naar toe met de behendigheid en vooral de snelheid waarmee hij tussen zijn veertiende en vierenvijftigste de verdedigers tot vertwijfeling bracht. Dan stopt hij bij een toegangsweg van het winkellabyrint en zegt: ,,Als je hier in loopt, zul je het over tweehonderd meter wel vinden. Vraag het anders maar. Ik wacht hier wel.”

Dan sta je even stil in gebed bij de ‘bronzen’ Stanley Matthews in zijn jongensjaren, probeert je voor te stellen hoe betoverend hij speelde en betast je ten slotte voorzichtig het beeldje. Met respect. Dan keer je terug naar het heden en zie je de man met grijze bakkebaarden onder zijn pet in discussie met een politieman. En dan zegt hij: ,,Ik mocht hier niet staan. Ik heb de agent uitgelegd dat een gast van mij even naar het standbeeld van Stanley Matthews wilde kijken. Maar hij geloofde me niet.”

statue stanley
Zelf mijdt hij het beeldje sinds het enige jaren in zijn bijzijn werd onthuld, als een grove tackle. Wanneer hij met zijn vrouw Mila gaat winkelen in de straten waar hij opgroeide, neemt hij een omweg om niet met zichzelf geconfronteerd te worden. ,,Het brengt me in verlegenheid. Ik kan er niet tegen. Mijn zoon woont in Amerika. Hij kwam bij me op bezoek en wilde het beeld zien. Ik heb tegen mijn vrouw gezegd: Laat jij het maar zien.”

David Miller van The Times schreef vier jaar geleden de educatieve Stanley Matthews The Authorized Biography. De grootste Engelse voetballer aller tijden gaf zijn medewerking. Toen Miller hem vroeg het manuscript te lezen, hield Matthews het na de eerste pagina voor gezien. ,,Ik schreef hem een brief terug dat ik alles had gechecked en dat het klopte. Het boek staat daar in de boekenkast. Ik heb er nooit ingelezen. Het zou me in verlegenheid brengen.”

Kranten waarin zijn naam wordt genoemd, heeft hij altijd laten liggen. Bijna alle trofeeën zijn door zijn vrouw bijeen gescharreld en geplaatst in een vitrine van een plaatselijk hotel. Matthews wil ze niet zien. Filmbeelden over zijn voetbalacties heeft hij nooit willen bekijken. ,,Ik geloof het niet, wat ze over mij zeggen en schrijven. Dat ik een briljante voetballer ben geweest, dat ik vier of vijf man passeerde. Dat ik de beste ben geweest. Ik zag mezelf nooit spelen. Ik wist zelf wel van een wedstrijd of ik goed of slecht speelde. ,,Briljant’ en ‘beste’ zijn woorden van anderen. Dat kan een speler nooit van zichzelf zeggen.”

Sir Stan

Zelfkennis kan hem niet worden ontzegd. ,,Ik ben een gekke vent, vind je niet. Mijn vrouw zegt ook dat ik gek ben. Ik geloof het niet, dat verleden van mij. Althans dat ik zo goed was, zo briljant. Ik zei tegen Mila dat die Hollandse journalist op bezoek wilde komen. Helemaal naar hier. Die moet gek zijn, zei ik. Die zou er beter aan doen naar een psychiater te gaan.”

Sinds vier jaar is de min of meer beste rechtsbuiten die de voetbalsport kende, terug in Engeland. Terug in Stoke-on-Trent na bijna vijfentwintig jaar als voetbalambassadeur en als voetballeraar rondgezworven te hebben in Malta, Ghana, Zambia, Nigeria, Rhodesië, Zuid-Afrika, de Verenigde Staten en Canada. Terug in Stoke waar hij zijn lange carrière als voetballer begon. Van een kennis vernam hij dat er een fraai landhuis te koop stond, waar je vanuit de tuin over de stad uitkijkt, met precies eronder Victoria Ground, het stadion van Stoke City FC. Zijn stadion.

Mocht hij zelfs nog twijfels hebben gehad over een aankoop, dan hielp zijn vrouw er hem overheen. ,,Ze is spiritiste. De vorige bewoner was Sir Oliver Lodge, een wetenschapper, die net als ik ridder is van het Britse imperium en spiritist. Dat kan geen toeval zijn, zei Mila. Toen ze hier voor het eerst binnenging, zei ze dat ze zich goed voelde. Als een plek een slechte aura heeft, zou ze het meteen voelen. Toen ze hier binnenging voelde ze meteen goede vibraties voor ons.”

In de tuinen, rondom het schilderachtige landhuis, brengen Sir Stanley en zijn Tsjechische (tweede) vrouw Mila veel uren door. Tot gras voelt de voetballer zich het meest aangetrokken. In elk van de drie tuindelen bevindt zich een gazon. Het mooiste ligt pal voor de voordeur. ..Dat noem ik Wembley, omdat het perfect is en de onderlaag het best geturfd is. En dat daar noem ik Stoke City, het is duidelijk minder goed onderhouden. En het weitje daar noem ik Port Vale, naar het veld van de grootste rivaal van Stoke. Dat is geen voetbalveld.”

Voetbal is zijn leven. Nog altijd. Op de keukentafel liggen twee kaartjes voor Engeland-Nederland. Hij bezoekt elke thuiswedstrijd van derde divisieclub Stoke City. Hij is lid met onder anderen bondscoach Graham Taylor van de commissie die de fair play-cup van de eerste divisie toewijst. Dus over voetbal en vooral over de ontwikkeling daarvan valt er naast mystiek en psychologie wel te praten.

De voetballers van het type Matthews sterven uit. Dat blijkt wel uit zijn betoog. Op de vraag of hij mee zou kunnen komen in het hedendaagse voetbal heeft hij geen direct antwoord. Lichamelijk en wat betreft balbehandeling betreft zeker. Er was geen fittere speler dan hij. ,,Ik sta elke morgen om zes uur op en doe nog steeds dezelfde stretch-oefeningen die ik als veertienjarige deed. Als voetballer van Blackpool. waarvoor ik veertien jaar speelde, trainde ik elke dag alleen op het strand. Maar nooit te veel. Ik zou mijn krachten verspillen. Dan zou de glinstering en de snelheid uit mijn spel zijn verdwenen. Dat was mijn kracht. Dat moest zo blijven.”

Op de eerste tien meter was hij het snelst. Dan gebruikte hij als rechtsbuiten zowel de linker als de rechter voet om de back te passeren. Volgens ooggetuigen was hij beter dan de Braziliaan Garrincha en te snel voor diens landgenoot en illustere verdediger Nilton Santos. Maar hoe? Kapbewegingen, schaarbewegingen? We zijn gaan staan. Matthews kijkt naar zijn voeten maar ze komen niet aan bewegen toe. ,,Gewoon dribbelen, zo snel mogelijk de bal drijven.”

Dan de taktische uitleg over het spel van de rechtsbuiten. ,,Altijd proberen buitenom te gaan. Binnendoor creëer je geen gevaar. En dan aan je final pass denken. Dat was mijn kracht. Ik zie zoveel spelers drie, vier man passeren, maar hun final pass komt nooit aan. Buitenom is het zwaarst. Spelers die binnendoor gaan zijn zwakkelingen. Ik ben tot op hoge leeftijd buitenom gegaan. Ik was 54. Ik had tot mijn 56ste kunnen doorgaan. Maar ik wist dat ik dan mijn balans zou verliezen. Een schouderduwtje en ik lag.”

Matthews was een individualist. Maar hij voorzag zijn medespelers van zulke gave voorzetten dat ze niet konden missen. Hij was niettemin zo’n individualist dat hij in het hedendaagse voetbal niet geaccepteerd zou worden. In de Matthews’ biografie zegt ex-voetballer Jimmy McIlroy: ,,Hij zou geen toestemming krijgen alleen te trainen, op zijn eigen manier aan sprintoefeningen te doen. Hij zou zich nu moeten onderwerpen aan het beleid van de coach, met de groep mee moeten trainen, zich collectief moeten opstellen.”

,,Ach”, verzucht Matthews. ,,Je ziet tegenwoordig zo weinig spelers met acties. Het moeten nu atleten zijn, werkpaarden, ze moeten kunnen samenspelen. Voetballers zijn balartiesten. Het uitgangspunt van voetballen is de tegenstander te verslaan, hem door dribbelen te passeren. Ik was in Soweto, die zwarte jongens hoefde je niet te leren dribbelen. Alleen dat je moest verdedigen als je de bal kwijt was. Maar dat is wat anders dan de tactiek die de coaches nu willen doorvoeren. Het heeft weinig meer met virtuositeit te maken. Niets mag meer mislukken. Rondspelen op zeker, tactisch. Dat is toch niet opwindend.”

stanley-matthews-football-3819
Matthews, zoon van een kapper in Hanley, groeide bij Stoke City op als apprentice, een talentvolle 14-jarige voetballeerling die zich met het poetsen van de schoenen van de profs, het verzorgen van het materiaal en het veld diende in te werken in het grote voetbal. Hij was zeventien jaar toen hij een profcontract tekende. Een coach was er in die periode voor de Tweede Wereldoorlog niet. Hij ontkent niet dat coaches nodig zijn. ,,Om de spelers op hun taken te wijzen, ja. Maar coaches zijn te belangrijk geworden. Te machtig. Ze praten over taktieken en systemen. Zelfs de supporters en de pers gaan zo praten. Maar een supporter zal zich nooit vereenzelvigen met de coach. Die ziet zich zelf alleen terug in Stanley Matthews, in een voetballer.”

Hij vraagt zich zoveel af. Waarom zo veel spelers zo vaak geblesseerd zijn. Waarom spelers die in een clubwedstrijd uit het veld zijn gestuurd, nog gekozen worden voor de nationale selectie. Schorsing betekende vroeger: nooit meer international. Zelf is hij nooit geboekt. Hij was niet het type dat andere dingen deed dan de bal strelen, ondanks de wanhopige aanvallen op zijn benen. Agressie. Dat stopte je in je spel. Maar het zal wel de schuld zijn van het industrial football. ,,Ze zijn alleen nog te motiveren met een premie.”

Vijftig was hij toen hij zijn testimonial kreeg van Stoke City, dat destijds nog in de eerste divisie speelde. Zijn internationale afscheid vierde hij met het Engelse elftal tegen de Rest van de Wereld. Stom om toen al te stoppen, bedacht hij later. Hij voetbalde nog een paar jaar op Malta en had op 54-jarige leeftijd nog bijna om de Europa Cup tegen Real Madrid gespeeld. Hij liet de eer aan de jongeren. Zijn bescheidenheid won het eindelijk van zijn voetballust.

sir stanley

Drie jaar geleden schopte hij voor het laatst tegen een bal, zegt hij verontschuldigend. Hij zou op zijn respectabele leeftijd eens de neiging krijgen te gaan dribbelen. Als je achter hem loopt, achter dat grijze hoofd met die pet waarop England staat, achter de iets ingezakte schouders, achter zijn licht krommende benen. Dan verplaats je je even in de positie van al die backs. Soms moet je je als verdediger waardeloos voelen. Dan kun je beter meteen met voetballen stoppen. Zou Stanley Matthews dat weten? Waarschijnlijk niet. Zo briljant was hij immers niet.

Kroetovs heimwee naar Tichonovs strakke hand

24 nov

tichonov
De voormalige ijshockeytrainer Viktor Vasilevitsj Tichonov is op 84-jarige leeftijd overleden. Jarenlang was ik, als ijshockeyverslaggever, tussen 1978 en 1992 gefascineerd door zijn verschijning als strenge, ogenschijnlijk emotieloze coach die zowel aan de boarding van de ijsvloer als op persconferenties en trainingen van de Sovjet-ijshockeyers zijn missie toonde: winnen. Ten koste van alles – en dus ook van mensen. Streng, gedisciplineerd en meedogenloos leidde hij zijn spelers naar het meest verfijnde ijshockey.

De keiharde Tichonov werd aangesteld als opvolger van de vaderlijke Anatoli Tarasov, die het Sovjet-ijshockey uitvond, met invloeden van ballet, acrobatiek, schaken en psychologie. Waar Tarasov zijn spelers streelde, gebruikte Tichonov zijn handen als vuisten – als het moest.

Vanaf de hoge, steile tribune van het Saddledome in Calgary (Winterspelen 1988) zag ik elke wedstrijd bewonderend de ingestudeerde patronen van het Sovjet-team onder leiding van Tichonov. Hij won acht wereldtitels en drie olympische titels. In 1980 wankelde zijn positie door een nederlaag in de olympische finale in Lake Placid tegen de ploeg van de Amerikanen (studenten).

Zware onderschatting versus rising to the occasion, bij het lachwekkende af, vertelde ‘Slava’ Fetisov twintig jaar later in de New York Times. En zeker een fout van Tichonov, die de legendarische doelman Vladislav Tretjak na een blunder in de laatste seconde van de eerste periode door Vladimir Misjkin verving. Aldus Fetisov, erkend vijand van Tichonov. Een magistrale, behendig schaatsende en stickvaardiger ijshockeyer als Fetisov heb ik niet gezien. Geniaal bloed. Hij geldt als de beste verdediger (misschien wel ijshockeyer) aller tijden.

Tichonov rechtte na het echec Lake Placid zijn rug en eiste nog meer discipline van zijn spelers. Toch moest hij nog een zware nederlaag slikken. Op het WK van 1985 in Praag verloor zijn ploeg de politiek beladen wedstrijd tegen Tsjecho-Slowakije en vervolgens nog eens tegen Canada. De Sovjet-Unie eindigde slechts als derde.

Viktor Tichonov tijdens een reünie van het Sovjet-All-Star-team op het Rode Plein in Moskou Viktor Tichonov in 2006 tijdens een reünie van het Sovjet-All-Star-team op het Rode Plein in Moskou

Tichonov was in 2004 nog trainer van de nationale Russische selectie. De ploeg werd op het WK in Tsjechië ontluisterend tiende. Tichonov constateerde dat spelers niet meer van sport hielden, geld en ander materialisme werd aantrekkelijker en beïnvloedde hun levensstijl nadelig. Hij trok zich terug maar bleef in dienst van zijn club CSKA Moskou.

Een keer stelde ik Tichonov een vraag: ,,Wat drijft u?” Antwoord: ,,Passie, weet u wat dat is?” Twee jaar geleden overleed zijn zoon bij een val in zijn appartement. Zijn kleinzoon Viktor speelt bij SK St. Petersburg.

Zie hier mijn interview met Vladimir Kroetov, topscorer in de beroemde Rode Machine, in NRC Handelsblad van 6 februari 1992.

kroetov
Vier jaar geleden (1988) verzorgden ze op de Olympische Spelen in Calgary ‘the greatest show on ice’. Zoals Fetisov, Kasatonov, Kroetov, Larionov en Makarov en anderen speelden, zal nooit meer vertoond worden. Geprogrammeerd door coach Viktor Tichonov toverden ze de fraaiste manoeuvres tevoorschijn. Van de Sovjet-formule is weinig over. De sterren spelen in de Amerikaanse profliga en verdienen astronomische bedragen. Vladimir Kroetov is na een jaar teruggekeerd naar Europa, naar Zwitserland, naar Zürich. Eenzaam en bedrogen. Over verlangens naar verleden en toekomst.

ZÜRICH, FEBR. 1992. Midden op het vrijwel verlaten parkeerterrein naast het ijsstadion staat een kleine, blonde vrouw met haar handen in de zakken van haar wijdvallende bontmantel naar twee spelende jongetjes te kijken. Ze hebben een ijshockeystick in hun handen en slaan ermee tegen een platgetrapt colablikje, dat als speeltuig dienst doet. Als de vrouw een klap over het terrein hoort galmen, kijkt ze naar de deur van het stadion. Ze roept wat naar een van de jongens en loopt naar een kleine, dikke man. De begroeting is ingetogen. Ze veegt wat van zijn voorhoofd en geeft hem een zoen. Met z’n drieën stappen ze in een auto en rijden langzaam weg. Het is een grijze zondagmiddag in Zürich.

Vladimir Kroetov gaat naar huis. Hij is liever alleen met zijn gezin. Thuis in een kleurloze wijk van de stad. Het verzoek om bij een partijtje van zijn club aanwezig te zijn, heeft hij met een zacht ,,njet” afgeslagen. Vladimir hoort er niet bij. Hij houdt niet van Zwitsers en hij verstaat ze niet, want hij spreekt Duits noch Engels. En wat zou hij moeten zeggen? Dan zit hij liever thuis te lezen of te spelen met zijn zoontje van acht, Aljosja.

Het liefst zou Vladimir op het ijs willen staan. Met een stick in z’n handen. Om dan met snelle bewegingen de puck zigzaggend voor zich uit te schuiven. Recht op het doel af. En dan scoren. Hij zou het ijs onder zijn schaatsen willen voelen, de stick in zijn handschoenen. En hij zou willen juichen, en luisteren naar het lawaai van de supporters, genieten van de vreugde om zijn doelpunt. Wat is er anders tussen hemel en aarde voor een 32-jarige man die vanaf zijn tiende niets anders in zijn leven heeft gedaan dan ijshockey spelen?

Bij de Züricher Schlittschuh Club, een middenmoter in de Zwitserse eerste divisie, begrijpen ze dat niet. Sinds hij een jaar geleden bij de Vancouver Canucks wegging en naar Zürich werd gelokt, heeft Vladimir nauwelijks kunnen spelen. Hij werd gewoon niet opgesteld. De reden hebben ze hem nooit verteld. In al die jaren dat hij in de Sovjet-Unie speelde, in het nationale team, bij CSKA Moskou, het sterkste clubteam ter wereld, altijd hadden ze hem uitgelegd wat hij verkeerd deed.

Vladimir Kroetov Vladimir Kroetov

slava

Hij was suf gepraat, totdat je niet beter wist, de video-opnamen waren grijs gedraaid. En als hij het dan nog niet begreep, kreeg hij extra trainingen, moest hij doorgaan tot diep in de nacht, tot de actie wel lukte. Strafexercities, in je blote bovenlijf het ijs op. Ja, het kwam wel eens voor, geeft Vladimir toe. Viktor Tichonov, tien jaar zijn trainer bij CSKA en het nationale team, was geen mens. Maar hij had hem nodig. Zonder hem waren ze nooit de besten van de wereld geworden. Aleksei Kasatonov, Vjatjeslav (Slava) Fetisov, Igor Larionov, Sergei Makarov en hij, Vladimir Kroetov, samen de ‘magic five’. Achter hun rug de geweldige goalie Vladislav Tretjak. Wie kent niet de KLM-lijn, de aanvalslinie van de Red Machine: Kroetov, Larionov, Makarov?

Bohimil Cervenka is zijn enige vriend in Zürich. Hij praat wel eens met Tsjistjakov of met Prijachin, de twee andere Russen bij de club. Maar hij kent ze niet. Cervenka, een Tsjechische ingenieur, volgt al zo’n tien jaar als verkapte journalist het Russische ijshockey. Hij kent ze allemaal, de Sovjet-sterren. Sinds het begin van de jaren tachtig. Hij kocht souvenirs, kleding en drank voor ze als ze in het Westen waren. Hij zat met ze aan de bar tot diep in de nacht wodka te drinken, hoorde hun problemen aan. Maar hij schreef er nooit over. Uit respect. En omdat men daar in zijn land geen belangstelling voor toonde.

Bohimil is Vladimirs vertrouwensman, en krijgt daarvoor een vergoeding van de ijshockeyclub. Ze trekken veel met elkaar op, ze gaan zwemmen en trainen in het krachtcentrum. Ze praten eigenlijk nooit veel. Vladimir is een denker, beweert Bohimil.,,Hij zegt niet veel. Maar je merkt aan alles dat hij intelligent is. Als je goed naar zijn spel kijkt, herken je zijn persoonlijkheid. Hij doseert zijn acties, observeert goed en slaat pijlsnel toe. Dan is hij geniaal.”

In zijn ogen kan Vladimir geen kwaad doen. Hij wil hem te allen tijde helpen. Het is toch triest om zo’n groot sportman ten onder te zien gaan. Hij heeft Vladimir geholpen door hem uit Vancouver weg te halen. Nog twee jaar liep het contract met de Canucks. Maar het had geen zin om er te blijven. Na 61 wedstrijden had Vladimir slechts elfmaal gescoord. Na een half jaar wilde de profclub de Rus kwijt. Hij werd naar een universiteitsteam gestuurd. Waar hij alleen mocht meetrainen. Vladimir was eenzaam, zat thuis bij zijn gezin. Soms kwam Igor hem op zoeken, Larionov, zijn trouwe vriend, al van vroeger bij CSKA. Maar Igor mocht wel meespelen met de Canucks. Hij had geen tijd meer voor Vladimir.

Vladimir (zijn medespelers noemden hem Volodya, een babynaam, vanwege zijn kinderlijke trouw) wordt niet graag meer herinnerd aan zijn tijd bij Vancouver. In de kleedkamer van het Hallenstadion steekt hij in het Russisch een lang verhaal af tegen Bohimil. Die vat het nogal kort samen. ,,Hij zegt dat het een moeilijke tijd was omdat zij de eerste Russen waren in de profleague. En dat Vancouver een mooie stad is, prachtige architectuur. En hij weet niet waarom Larionov geen contact meer met hem opneemt. Hij zou het wel willen, maar Igor wil het niet.”

Vladimir Kroetov (links) met Igor Larionov Vladmir Kroetov (links) met Igor Larionov

Bohimil had de avond tevoren in een stille, donkere bar in Zürich al iets verteld over de verhouding tussen Larionov en Kroetov. ,,Igor is extravert, spontaan en brutaal. Vladimir is gesloten. Ze vulden elkaar aan. Igor en Vladimir waren de enigen in de selectie die geen lid van de communistische partij waren. Dat gaf een band. Makarov was een fanatieke communist. Hij was al een invloedrijke jongen bij de jeugdpartij, hij deed iets met een muurkrant in Tsjeljabinsk. Makarov lag niet zo goed bij de anderen.” Hij had Vladimir eigenlijk nooit direct gevraagd over zijn verhouding met Larionov. ,,Maar vraag jij het eens”, was zijn advies.

Vladimir zegt liever niets. Zo blijkt een dag later. Ook niet over het geld dat hij nog te goed heeft van Vancouver. Maar Bohimil vindt dat best bekend mag worden dat hij nog een salaris van twee jaar te goed heeft van de Canucks. Hij had een driejarig contract, van 375.000 dollar per seizoen. ,,We hebben een advocaat ingeschakeld. Een man van Russische afkomst. Dat is onze enige kans. Maar het duurt nu al een jaar. En ik heb er geen vertrouwen meer in.”

Hier in Zürich zijn ze net zo onbetrouwbaar, weet Bohimil. ,,Ze beloofden hem tienduizend Zwitserse franken per maand. Maar toen hij in 1990 met Kerst aankwam, besloten ze hem naast gratis huisvesting en auto, tweeduizend te betalen, maandelijks in totaal acht keer per jaar, en nog eens tweeduizend voor elke wedstrijd die hij speelde. Maar na zijn eerste wedstrijd waren ze zo teleurgesteld dat hij anderhalve maand niet werd opgesteld. Hij trainde wel. Met zijn zoontje hier op het ijs. Ze hebben het salaris dit seizoen een beetje verhoogd. Maar in december hadden ze hem bijna verkocht. Als die nieuwe trainer, Del Curto, niet was gekomen, was hij al weggeweest.”

Arno Del Curto probeert zich te verplaatsen in de positie van Vladimir Kroetov, zegt Bohimil. Hij trekt met hem de bossen in waar ze gaan hardlopen. Hij probeert hem te verleiden tot een woordenwisseling. Want meer dan een paar woorden Engels heeft Vladimir niet tot zijn beschikking. Del Curto probeert een vriend voor hem te zijn. Hij vraagt naar zijn verleden, wat hij geleerd heeft. Hij vraagt om adviezen, wil meer weten over de manier waarop in de Sovjet-Unie ijshockey werd gespeeld. En af en toe zien de Zwitserse toeschouwers eindelijk het talent dat in Vladimir schuilt. Een schitterende solo, een slimme assist, een uitgekiend doelpunt. ‘King Kroetov’, staat op een spandoek.

Maar Vladimir werd ook uitgelachen. Om zijn dikke, vette lijf, om zijn luiheid. Maar zo is hij altijd geweest. En dan zag hij zijn medespelers lachen in de kleedkamer na een nederlaag. En dat begreep hij niet. Dat had hij nog nooit meegemaakt. Verliezen betekent ondergang, vernedering. Maar hij is geen leider, zoals Larionov of Fetisov, spelers die een grote mond konden opzetten, die konden prikkelen als het slecht ging. ,,Wat wil je van zo’n speler?”, vraagt Bohimil. ,,Hij heeft altijd geleefd van bevelen. Anderen zeiden hoe het moest. Hij moest alleen maar luisteren. Eerst naar de jeugdtrainers, later naar Tichonov. Hij wist niet beter.”

The Magic Five vlnr Vladimir Kroetov, ´Slava´ Fetisov, Igor Larionov, Alexei Kasatonov en Sergei Makarov The Magic Five vlnr Vladimir Kroetov, ´Slava´ Fetisov, Igor Larionov, Alexei Kasatonov en Sergei Makarov tijdens een reünie op het Rode Plein in Moskou in 2006

Vladimir wilde helemaal niet naar de profcompetitie van Noord-Amerika. Maar de Canucks hadden hem op de ‘draft-lijst’ (een soort optie) geplaatst en toen de Sovjet-autoriteiten na de Olympische Spelen in 1988 van Tichonov toestemming kregen hem te verhandelen, deed Vladimir wat er van hem gevraagd werd. Hij reisde met zijn gezin naar Canada. Maar hij had liever in Europa gespeeld. En nog liever was hij in Moskou gebleven. Aan vluchten heeft hij nooit gedacht. Waarheen? En heeft hij niet alle kans gehad?

Vladimir Kroetov is een vriendelijke man. Hij heeft nog nooit aan buitenstaanders verteld, bekent hij, dat hij al op zijn vierde leerde schaatsen. En dat hij woonde in de Tsjaikovski Oelitsa, vlak bij de Amerikaanse ambassade. Dat zijn vader in een fabriek werkte en zijn moeder kleuterleidster was. Later zijn ze verhuisd naar de Koetozovski Prospekt. Eerst speelde hij in een soort wijkploegje, later werd hij lid van Meteor. Hij was altijd aanvaller, ook ’s zomers in het voetbalelftal van Meteor. ,,Ik maakte altijd de doelpunten. Mijn ouders wonen nog steeds in de buurt van Meteor. Als ik wel eens in Moskou terug ben, praat ik met de mensen over vroeger. Meteor was een fabrieksclub, echt van het volk.”

Vladimir was tien jaar toen hij werd gevraagd bij CSKA te komen spelen. Hij vertelt hoe trots hij was lid te zijn van het sterkste clubteam ter wereld. Hij moest studeren, lichamelijke oefeningen doen en vijf tot zes uur per dag trainen. Maar het werd steeds zwaarder. ,,Toen ik in het hoofdteam kwam, werden we van de wereld afgezonderd. Elf maanden lang in een kazerne. Alleen de dag na een wedstrijd mochten we naar huis, naar onze ouders en familie. Sommige jongens hadden een vriendin of een vrouw, maar veel hebben ze hen niet gezien.”

Over Tichonov is Vladimir duidelijk, en kort. ,,De perfecte trainer om wereldkampioen mee te worden.” Bohimil had al verteld dat Tichonov in 1984 Vladimir had verboden naar het ziekenhuis te gaan waar zijn vrouw een zware bevalling wachtte van hun zoon Aljosja. De geboorte door middel van een keizersnede viel midden in de voorbereiding voor de Winterspelen. Vladimir voelt zich nog altijd schuldig tegenover zijn vrouw en zijn zoon, weet Bohimil, omdat hij er niet bij was. ,,Voor Aljosja speel ik nog ijshockey”, zal Vladimir later bekennen. ,,Hij is trots op mij.” Met zijn stiefzoon, die in Moskou woont, heeft hij minder contact. Dat de man van zijn moeder een beroemde ijshockeyer was, zegt hem niets. ,,Komt wel weer goed tussen ons als we terug naar Moskou gaan”, sust Vladimir, terwijl hij daar voor zijn locker in zijn ondergoed zit.

Hij verlangt terug naar Moskou. Hoewel het slechte tijden in Rusland zijn, heeft hij vernomen. Met zijn vrouw praat hij er wel over. Over vroeger en over de toekomst. Zij heeft nog wel eens contact met de vrouwen van de andere spelers van het nationale team. Soms telefoneert ze uren met mevrouw Makarov, die eenzame tijden doormaakt in Calgary, als speler van de Calgary Flames. Afgelopen zomer is Vladimir met zijn gezin weer in Moskou geweest. Hij heeft weer met CSKA meegetraind. En hij heeft weer Tichonov gesproken. Over zijn terugkeer in het nationale team. Tichonov zou wel interesse hebben. Maar dan zou Vladimir meer moeten spelen.

Vladimir hoopt en droomt. Maar zoals het vroeger was, wordt het nooit meer, weet hij. ,,Ik kan niet zeggen of ik een beter leven gehad zou hebben als ik hier of in Amerika had geleefd.” Vladimir kijkt tijens het onderhoud in de kleedkamer Bohimil streng aan als deze het antwoord vertaalt. ,,Ik heb in de Sovjet-Unie alles bereikt wat ik wilde. Ik won vijf wereldtitels, twee olympische titels en ik werd in 1988 na de gouden medaille in Calgary de jongste majoor in het Sovjet-leger. Dat had ik nergens bereikt. Voor mij was het systeem van Tichonov het beste systeem.”

Hij verwijst naar het boek van Fetisov dat hij gelezen heeft. Daarin hekelt de Rus (nu New Jersey Devils), die wel de beste verdediger in de ijshockeygeschiedenis wordt genoemd, het Sovjet-systeem, haalt hij uit naar Tichonov en verhaalt hij over diens strafexercities en Tichonov alcoholisme (wat Fetisov ook allerminst vreemd is). Vladimir zegt er niet van onder de indruk te zijn. ,Fetisov is een slimme man. Hij weet wat voor een boek het beste verkoopt. Fetisov heeft in veel dingen gelijk. Tichonov beloofde hem dat hij naar Amerika mocht. Maar om nog even de baas te kunnen zijn, hield Tichonov hem een jaar vast. Dat tekent Tichonov.”

Slava Fetisov Slava Fetisov

Er verschijnt zowaar een glimlach op het gezicht van Vladimir. ,,Wij kennen Fetisov toch. Hij is een levensgenieter. Hij hield veel van wodka en van verhalen vertellen. Na het lezen van zijn boek, wil ik alleen nog maar realistische literatuur. Fetisov is nu de meest geïnterviewde ijshockeyspeler van Noord-Amerika. Daar leeft hij van.”

Vladimir leeft tussen hoop en vrees. Wat kan hij straks doen als hij terugkeert in Moskou? Misschien wordt hij trainer, want hij heeft een diploma. En elk Russisch jongetje wil toch ijshockey spelen, veronderstelt hij. Of dan toch iets anders. ,,Ik zou wel zo’n man willen zijn die vroeger altijd bij ons team was als we in het buitenland waren. Die zei niets, die vroeg niets, die luisterde alleen maar. Maar hij zag wel de hele wereld.” Vladimir lacht. Humor? Bohimil begrijpt het. Dat is toch de rol die Vladimir op het lijf geschreven is?

Zie Red Army – Legenden auf dem Eis: http://www.filmstarts.de/kritiken/227334/trailer/19537443.html

Vladimir Kroetov overleed in 2012 als gevolg van een maagbloeding. Hij speelde na zijn Zwitserse avontuur nog bij twee Zweedse tweede-divisieclubs en was nog één jaar (2001-2002) coach bij CSKA Moskou.

Wandelen als tijdverspilling

3 nov

IMG_0786
Moe van al het gedoe in en rondom mij zat ik daar als een boeddha op een bankje. Bewegingsloos. Ik keek voor me uit, zonder doel. Mijn blik was nergens op gericht. Zelfs niet op het water dat in het kanaal voorbij stroomde. Ik zat daar en voelde in mijn gezicht iets dat op een zuchtje wind leek. Boven mij ontwaarde ik een vrijwel wolkenloze hemel. En er was geluid. Vogels, eenden, het kabbelende water, het suizende riet. Niet verstorend. Gewoon geluid.

Ik was niet bewust naar die plek toegelopen. Zomaar had ik na een lange wandeling een bankje zien staan. Als een vriend die me uitnodigend een hand toestak. ‘Kom hier. Hier kun je zitten, als je daar behoefte aan hebt.’

Ik ging onbewust op het verzoek in. Keek of het bankje wel schoon was. Ja, dat was het. Ik ging zitten. Ik zag het gras waarop ik mijn voeten had gezet, tilde mijn hoofd op en zag het water. Aan de overkant stonden enkele huizen. Zag ik daar een man, wandelend met een hond? Het zou zo maar kunnen.

Daar zat ik dan. Als in een zeepbel. Met rondom mij een flinterdunne, transparante wand, een lichte scheiding tussen mijn wereld en een andere wereld. Ik hoorde daar niet bij, ik zat in mijn eigen wereld. Vanuit de andere wereld kwam het zuchtje wind en het geluid binnen van de vogels, de eenden, het kabbelende water en het suizende riet. In de andere wereld zag ik een man met zijn hond wandelen, enkele huizen en een vrijwel wolkenloze hemel.

Nu ik het tafereel herbeleef, voelt het alsof ik mediteerde. Alsof ik op mijn kussen zat en mijn wereld vol gedachten en zintuiglijke ervaringen voorbij zag trekken. Maar het was anders. Ik was daar niet ‘bewust’ op het bankje gaan zitten, zoals ik meestal ‘bewust’ op het kussen ga zitten in de hoop dat de beoefening mij iets zal brengen. Ik zit daar dan met een doel, wachtend dat er iets gebeurt. Dat bankje overkwam mij. Ik stond er voor open. Ik toonde belangstelling voor alles wat op mij afkwam. De uitnodiging om te gaan zitten diende zich zomaar aan. Als een geschenk uit de hemel.

Voordat ik aan de wandeling was begonnen, had ik naar het YouTube-filmpje gekeken waarop de (Amerikaanse) Tibetaans-boeddhistische non Pema Chödrön (geboren als Deirdre Blomfield-Brown) vragen van Oprah Winfrey beantwoordde. Het interview was mede naar aanleiding van haar boek When things fall apart (Als je wereld instort), dat ik al eens had gelezen. Een ander lezenswaardig boek van haar is The places that scare you (Waar je bang voor bent). http://www.bodhitv.nl/articles/show-news/2013-10-31/vrouwen-en-boeddhisme-pema-chodron/?p=69&v=laatste-items

Pema is lerares in de Tibetaanse Vajrayana-traditie van Chögyam Trunga, die heeft geprobeerd zijn oosterse kennis aansprekend te maken voor de westerse wereld. Sinds Trungpa’s dood, bijna dertig jaar geleden, wordt die kennis overgedragen door zijn zoon Sakyong Mipham, de man die mij bij Shambhala via zijn boeken, videoteachings, meditatie- en contemplatie-oefeningen, dialogen, trainingen en cursussen aanreikt hoe gewaar te kunnen worden van wie en wat ik ben, wat ik denk, voel en ervaar. Waarom ik zo denk en doe. Wat vriendelijkheid met je doet, en met anderen.

pema
Pema Chödrön (78) sprak tegen Oprah over het toestaan (liefst: vriendelijk verwelkomen) van emoties als angst, boosheid, verdriet, twijfel en eenzaamheid. Over onze geconditioneerde vermijding van ongemak. Over onze verbetenheid om vast te houden, aan zogenaamde zekerheden. Over het voortdurend zoeken naar afleiding, om jezelf (je ongemak, je pijn, je ware gevoel) maar niet tegen te komen. Over het hardnekkige verlangen naar iets anders, wat beter en mooier is. Zoeken naar afleiding. Vluchten voor jezelf. Over de angst voor onzekerheid. Terwijl zekerheid niet bestaat. Want alles is vergankelijk.

Ze sprak over angst voor stilte en leegte. Over bodemloosheid. Wat als de grond onder je voeten wegvalt? Wat als je je nergens (meer) aan vast kan houden, loslaat en je weg laat drijven, alles laat komen zoals het komt? http://www.oprah.com/own-super-soul-sunday/Pema-Chodron-What-to-Do-When-Your-Life-Falls-Apart-Video?playlist_id=53889

Pema Chödrön met Sakyong Mipham

Pema Chödrön met Sakyong Mipham

Ik zat op dat bankje en hield me niet vast. Ik zat gewoon. Verder niets. Ik had mezelf overgegeven, er was geen bodem. Toen voelde ik een zuchtje wind in mijn gezicht, er was geluid en ik zag van alles.

Links van mij zag ik een man wandelen. Hij hield stil, keek om zich heen en wandelde verder. Ineens meende ik hem te herkennen. Ik riep zijn naam, hoewel ik niet wist of het wel de juiste was. Het klopte. Hij keek en herkende mij. Korte tijd later zat hij naast mij op het bankje.

Even was het spannend. Wat zou hij mij vragen? Wat zou ik hem moeten vragen? Hij begon, gelukkig maar. Wat ik hier deed. Ik nam het over. Wat hij hier deed. Waarom? Nou gewoon. Eruit ‘geschopt’ door zijn vrouw. Naar buiten om een frisse neus te halen. Om de wereld eens van een andere kant te bekijken. Geen nieuwsgierigheid. Gewoon, even d’r uit.

Zo waren we beiden iets onverwachts tegengekomen. Elkaar. Een ontmoeting die niet bedoeld was, niet voorspeld, laat staan verwacht. Ze viel me toe. Toeval. Het werd een aangename ontmoeting. Een gesprek over ervaringen, over de tijd vullen, over doen en nalaten, over leegte. Ik betrapte me erop dat ik een en al aandacht was voor wat hij zei, hoe hij keek, hoe hij bewoog, wat hij beleefde. Door niets werd ik afgeleid.

Samen wandelden we terug naar de andere wereld. Ik vroeg hem waar hij woonde. Hij wees zijn huis aan, zijn tuin en zijn auto. Daar aan het water, bij dat bruggetje. Wist ik dat ook eens. En zo wandelden we voort. Er was niets dan de wandeling en de aandacht voor elkaar, wat we tegen elkaar zeiden en samen beleefden.

Zo stel ik mij de ideale meditatie voor. Zitten, ademen en gedachten laten stromen. Zie meditatie als tijdverspilling, schrijft Chögyam Trungpa Rinpoche in ‘Reis zonder doel’.

Tijdverspilling? Daar heb ik geen tijd voor. Ik heb nog zoveel te doen. Wandelen bijvoorbeeld.

Ter overdenking:

De herberg
Dit mens-zijn is een soort herberg
Elke ochtend weer nieuw bezoek.
Een vreugde, een depressie, een benauwdheid,
een flits van inzicht komt
als een onverwachte gast.
Verwelkom ze; ontvang ze allemaal gastvrij
zelfs als er een menigte verdriet binnenstormt
die met geweld je hele huisraad kort en klein slaat.
Behandel dan toch elke gast met eerbied.
Misschien komt hij de boel ontruimen
om plaats te maken voor extase…….
De donkere gedachte, schaamte, het venijn,
ontmoet ze bij de voordeur met een brede grijns
en vraag ze om erbij te komen zitten.
Wees blij met iedereen die langskomt
de hemel heeft ze stuk voor stuk gestuurd
om jou als raadgever te dienen.

(Rumi (Jalal al-Din Rumi [1207-1273] is een filosoof-dichter en soefi-mysticus van Perzische afkomst)

Deze column is geplaatst in de wintereditie van de website http://www.vriendenvanboeddisme.nl

Rebirthing: schreeuwen en schoppen

24 okt

adem in
De matrassen liggen nog opgestapeld in een hoek van de kamer. Op een ervan zal ik straks liggen. Zuchtend en steunend, luidkeels ademend, schreeuwend, slaand en trappelend, zo vrees ik.

Terwijl Willem me een kopje kruidenthee aanbiedt, kijk ik schichtig om me heen. Wat staat me te wachten? Hij vraagt hoe het me in het leven is vergaan. Over de dilemma’s, de strijd, de woede, het verdriet, de vermoeidheid, waar en waardoor energieblokkades kunnen zijn ontstaan. Wie ik ben, wat ik doe en wat ik wil.

Hij stelt me gerust. Hij legt uit en vraagt me als ik straks op de matras lig te laten komen wat komt. Het is een kwestie van intensief ademhalen, via de buik en het middenrif naar het bovenste gedeelte van de borst. Dat gebied beadem je over het algemeen nooit, daar zit het vaak vast, op die plek ben je dikwijls op je ,,hart en/of ziel getrapt”, weet hij. De energie van die vroegere gebeurtenissen inclusief de pijn is daar `bevroren’. Door in dat gebied te ademen, kan dat wat bevroren is weer ontdooien en de pijn alsnog worden verwerkt.

Dan mag ik gaan liggen, op mijn rug, gekleed. Ogen gesloten. Er klinkt zachte, onbestemde muziek. Ik richt me op mijn ademhaling. Krachtig in, lang uit. Aan de uitademing hoef ik niets te doen, die gaat vanzelf door de zwaartekracht. Hij legt een hand op mijn borst, eerst licht, dan zwaar, dan niet meer.

Ik zak weg, ik vergeet door te ademen. Willem maant me met zachte stem terug te keren. Opnieuw ademen. Wéér zak ik weg, ik laat me niet door mijn adem leiden maar door gedachten. Er gebeurt niets bijzonders in het eerste half uur. Is dat fout? De muziek wisselt, steeds iets onbestemds, wel evocatief.

Dan kietelt hij onder mijn voeten. Ik reageer, want het kriebelt. Ik adem door, soms toch weer wegzakkend. Dan drukt hij zwaar met zijn hand op mijn borst om weer snel los te laten, alsof hij een deksel van een hogedrukpan rukt. Maar er gebeurt niets. Weer kriebelt hij onder mijn voeten. Ik adem diep en rustig door.

Dan beginnen mijn handen op het matras te bewegen, heen en weer schuivend. Mijn armen gaan schudden, mijn schouders schokken, mijn adem wordt dieper, mijn stembanden trillen. ,,Geef het geluid”, zegt Willem. Voordat ik het besef adem ik met geluid. Harder en harder. Die rare muziek zwelt aan, nu ook met trommels. Ik ga schreeuwen, zomaar. Ik verslik me, ik stik bijna. Ik breek door, de schreeuw wordt harder, weer een verslikking, weer een doorbraak. Lange uithalen, ze komen van heel diep en stromen door mijn keel naar buiten. Minutenlang geef ik een loeiharde, zuivere schreeuw, gevolgd door een agressieve schreeuw, rauw, om schor van te worden. De trommels gaan door.

Dan wordt het geluid uit mijn keel zachter en dieper. Ik hoor diepe stemmen, als van boeddhistische, mantra’s reciterende monniken. Hun loodzware bassen resoneren in mijn lijf. Er wordt iets tegen de onderkant van mijn voet gedrukt, een matras. ,,Trappen, schoppen, kom op.” Ik trap me wezenloos, schreeuw. Hij vuurt me aan. ,,Kom op.” Het geluid van de trommels zwelt aan. Na zo’n vijf minuten vloeit de kracht uit mijn benen, mijn geluid valt weg, mijn lijf zakt in.

De energie is weg. Uitgeput adem ik zwaar, amechtig zoekend naar lucht, als na een orgasme. ,,Maak de adem rond, laat in- en uitademen in elkaar overgaan.” Dan wordt het stil, de muziek is zacht en zweverig geworden. Ik krijg een deken over me heen en laat de adem weer in een rustig aangenaam ritme komen. ,,Nu komt het belangrijkste: overdenk en voel wat er is gebeurd. Wat het me je gedaan heeft. Laat het komen.”

Rustig stroomt mijn adem nu door mijn lijf. Ik denk, herinner, associeer en herbeleef. Ik hallucineer een beetje. Beelden. Ik kijk er naar en voel mijn gezicht ontspannen. Een glimlach komt op. Ik grinnik een beetje over mezelf. Zonder veroordeling. Dat ben ik. Ik heb zowaar even vrede met mezelf.

Zo lig ik dan een kwartier onder een deken, omgeven door prachtige muziek. Dan biedt Willem J. Overvliet (lichaamsgericht therapeut bij bevrijden ademwerk in Leidschendam) me nog een kopje thee aan. Hij vraagt me naar mijn ervaringen. Hij vertelt me de zijne, terwijl hij naast me zat. Wat hij gezien heeft, over de moeite om me in beweging te krijgen vandaar dat hij mijn voet kietelde.

Het is mooi geweest. Bijna anderhalf uur Rebirthing, bijna drie uur praten, veel ademen en heel veel doen. Of ik me herboren voel? Daar ben ik niet zeker van. Het is wél of mijn adem nu langer duurt, de lucht vrijer in en uit stroomt. En de daaropvolgende nachten slaap ik als een roos.

Mijn liefde voor zwijgende Ela en haar verzachtende olie

17 okt

India - Ayurveda - A masseur pours warm oil over a patients body to prepare him for massage
Ela heet ze. Daar kom ik later pas achter, als ik naar haar naam vraag. Als ze me verwelkomt aan de deur van het grote huis glimlacht ze vooral en wijst ze naar mijn schoenen. Die moeten uit, voordat ik de trap opga. Ze is klein, een jaar of veertig en ogenschijnlijk verlegen – of gewoon vriendelijk bescheiden. Ze draagt een wit broekpak, zoals verpleegsters wel doen, en slofjes. Ze wijst me de weg naar de badkamer. Daar staat een massagetafel klaar, klaar om me te ontvangen. Ze vraagt me in drie woorden voor wat voor een massage ik gekomen ben en legt me een folder voor, waarin verschillende massages worden aangeboden. ,,7 Rainbow’’, antwoord ik, want die was me aanbevolen.

Iets nieuws, iets heel moois, was me gezegd. Een soort meditatie misschien. Iets waarvan ik al jaren heb gedroomd: totale ontspanning.

Of ik al mijn kleren wil uittrekken. Ze werpt me een pakketje nog kleiner dan een hand toe en legt me uit dat ik dát moet aandoen. Discreet trekt ze zich terug, terwijl ik me uitkleed. In het pakketje blijkt een string-onderbroekje van papier te zitten, alleen bedoeld om mijn geslacht te bedekken. Als ze terugkomt, sta ik daar lachend in mijn kleinood me te schamen. Ik mag op mijn buik liggen op de massatafel, ze nodigt me uit met een simpel gebaar van haar handen. Mijn gezicht mag ik in een soort wc-bril leggen. Over mijn rug wordt een grote handdoek gespreid. Warm en beschermend.

Dan wordt de handdoek opzij geschoven. Ik voel natte handen over mijn rug gaan. Glad en vet glijden ze in lange halen over de rechter kant van mijn rug, van boven naar onder en terug. Haar handen voelen zacht en stevig. Ik voel mijn rugspieren verharden en vervolgens langzaam verzachten. Mijn middenrif wordt betast, langs de ruggengraat van boven naar onder. Dan mijn rechter flank en dan mijn rechter bil, mijn rechter bovenbeen en mijn rechter onderbeen. Op en neer, op en neer. Altijd in lange, stevige halen. Ze drukt op mijn heupen, mijn knieholte, mijn enkel, mijn voetzool, mijn tenen, een voor een. Ze tilt mijn been op, draait er mee, zodat de gewrichten aan het werk moeten. Het gaat zachtjes en behoedzaam. Dan gaat de handdoek over mijn rechter kant en krijgt de linker kant van mijn lichaam een beurt. Even zacht, behoedzaam en warm.

De handen die over mijn lijf glijden, voelen nat en vet van de olie. Sesamolie, goed voor de huid, zal ze later zeggen. Sesamolie gaat diep naar binnen, ontspant en geeft nieuwe energie. De olie stinkt, maar naar mate de tijd verstrijkt wen ik aan de geur.

Dan schrik ik: lawaai. In het huis blijken mensen te wonen. Een kind schreeuwt om haar moeder. ‘Mama, mama.’ Oei, wat hard. Het kind gooit met een deur, loopt een trap af en roept weer ‘mama, mama’. Oorverdovend. Maar de schreeuwen duren niet lang. Ze sterven af.

Dat is het weer stil, gelukkig maar.

De massage voelt anders dan andere massages. Deze masseuse zwijgt. Andere masseuses en masseurs praten vaak of verleiden door hun handwerk de onderworpene tot praten, over wat ze voelen, wat ze dwarszit. Of ze praten domweg om hun gevoelens te camoufleren, om te praten. Niet voor niets worden masseurs vaak vertrouwensmensen. Ze raken aan en aanraken is intiem. Maar deze masseuse zwijgt, wat haar aanrakingen nog intiemer maakt dan andere massages.

Ze legt haar handen op mijn achterhoofd – even maar, op mijn schouders – ook maar even. Ze legt haar handen op mijn billen – even maar. Op mijn kuiten – ook maar even. Kort maar lang genoeg om de ontspanning te voelen. Ik associeer de aanraking van mijn billen als een vrijpartij, zo intiem, zo dichtbij. Maar dat duurt maar even, opwinding blijft uit – tot mijn opluchting zowaar.

Op mijn rug gemasseerd worden is pas echt confronterend, zeker voor een man die zich niet graag bloot geeft. Open en bloot – met mijn geslacht in dat rare zakje – klaarliggen voor een vreemde, geheimzinnig zwijgende vrouw die me gaat betasten. Ze oliet haar handen weer en begint aan mijn borst. Ze maakt kringetjes.

Dan gaat ze naar mijn buik, weer maakt ze kringetjes. Mijn benen, knieën, enkels en voeten ondergaan de massage als vanzelfsprekend. Dan mijn tenen, een voor een. Ze trekt er even aan, gaat met haar vingers tussen de tenen, drukt op de teenkootjes, op alles wat maar gevoel heeft in mijn tenen. En dan weer naar boven, naar alles wat aandacht behoeft en gevoel heeft. De huid is een zintuig, het zevende, zo weet ik uit de talrijke haptonomie-sessies die ik in de loop der jaren heb ondergaan. Dat voel ik nu als nooit te voren.

Ze legt mijn hoofd in haar handen. Het voelt veilig overgeleverd te zijn aan een warme, stevige kom van handen. Ze drukt hard op het punt waar hoofdstam en rug samenkomen, houdt het punt vast en strijkt dan stevig over mijn achterhoofd, naar de bovenkant van mijn hoofd. Op en neer, stevig en vasthoudend. Ze drukt op mijn hoofdhuid. Mijn hoofd voelt als een hard opgepompte bal. Maar er is gevoel!

Ze trekt aan mijn haren, aan elke haar, een voor een. Dan streelt ze mijn harige, opgepompte hoofd. Ze oliet haar handen en pakt mijn oren. Heel zachtjes masseert ze mijn oorschelpen, gaat met haar vingers naar binnen en trekt er eventjes pesterig (?) aan. Het voorhoofd wordt ingevet en ingewreven. Mijn wenkbrauwen worden gestreeld, van links naar rechts en terug. Heel zacht. Mijn wimpers worden gestreeld, van links naar rechts en terug. Heel zacht. Ze drukt er even op, en drukt even op mijn ogen. Mijn neus wordt gestreeld, mijn wangen, mijn mond, mijn lippen, mijn kin. Wat zit er nog meer aan mijn gezicht? Alles, alles wordt gestreeld en betast. Alles wat ze maar kan vinden en betasten. Ik wist niet dat mijn gezicht zoveel gevoelspunten had.

Mijn armen worden gemasseerd, mijn handen, mijn vingers, een voor een. Had ik dan vingers? Ja, ik had vingers en nu voel ik ze in de zachte handen van mijn masseuse. Zo lig ik daar al een uur, vet en zacht, zwijgend te voelen wat een zwijgende vrouw met me doet. Is er nog iets wat ze niet heeft aangeraakt. Ja, maar dat laat ze met rust. Helaas, want dat zou haar werk compleet maken in deze seance van bevrediging. Ik denk er slechts even aan, in een ondeugende bui, geconditioneerd als ik ben bij intieme aanrakingen. Maar ik val gauw terug in een droom die Ela voor me heeft geschapen. Ze wrijft nog even over mijn voetzolen, drapeert dan een handdoek over mijn lichaam, neemt nog een handdoek en pakt me in. Ik mocht het eens koud krijgen. Ze legt een hand op mijn hoofd. Dan verdwijnt ze, zonder iets te zeggen. Ineens is ze verdwenen.

Ik val weg, niet in slaap, ook niet in een droom. Het is warm, als in een bed of een bad. Ik denk niets, ik voel alleen warmte. Ik hoor niks, het is stil. Pakweg tien minuten later is ze terug. Ze raakt mijn hoofd aan, mijn buik en mijn benen en pakt mijn lichaam uit. Dan reikt ze me haar hand en helpt me van de massagetafel. Ik mag een douche nemen, maakt ze duidelijk. Dan vertrekt ze weer uit de badkamer. Ik neem een douche en probeer de olie die nog op mijn lichaam ligt weg te spoelen. Als ik me heb aangekleed, komt ze weer binnen. Ze lacht. Wat een heerlijke, hemelse lach. Ze zwijgt. Pas als ik haar vraag hoe ze heet, zegt ze wat: ‘Ela’.

Ik vraag haar naar de olie die ze heeft gebruikt en ze zegt: ‘Sesamoil, good for your skin.’ Ik vraag waar ze vandaan komt en ze zegt: ‘Poland’. Ze heeft de cursus ayurvedische massage gevolgd in  Bad Antogast in Duitsland, in het centrum van Art of Living (http://www.artofliving.org/badantogast). Ze legt me niet uit waarom haar massage 7 Rainbow heet. Pas later, bij navraag, zal ik leren dat 7 voor de zeven chakra’s van mijn lichaam staat. De massage legt verbinding tussen de zeven punten en brengt zo de verschillende energieën die de chakra’s uitstralen hebben met elkaar in balans.

Ela hoeft me dat in de badkamer van het grote huis niet uit te leggen. Ik ben bedwelmd door haar zachtheid en de liefde van olie. Ela is lief, heel lief, zo lief. Ze geeft me een hand en leidt me naar buiten. Het regent hard, de avond is gevallen. Ik stap in mijn auto en ga langzaam op weg naar de avondspits, lange files in onophoudelijke regen. Maar ik voel geen ergernis. Ik voel ontspanning en denk aan Ela.

Ik verlang naar Ela, naar haar lach en naar haar vette handen op mijn lichaam, naar haar liefde, naar de indringende liefde van sesamolie.

Elke dag bruine bonen en levertraan

9 okt

Dit interview verscheen op 2 januari 1999 in NRC Handelsblad: vier sporthelden bij elkaar in Hotel des Indes in Den Haag. Nu zijn ze alle vier overleden.

Wie is de sportman van de eeuw? Jeen van den Berg (70), Fanny Blankers-Koen (80), Jan Derksen (80) en Cor van der Hart (70), vier sporters die het grootste deel van de 20ste eeuw hebben meegemaakt, kiezen hun favoriet. Een gesprek over het einde van de amateursport, doping, liefde voor de sport en poseren in Playboy.

Jeen van den Berg

Jeen van den Berg

Door Guus van Holland en Arjen Ribbens

Samen zijn ze driehonderd jaar oud en goed voor een museum vol bekers en medailles. Voetballer Cor van der Hart en schaatser Jeen van den Berg hebben de leeftijd der sterken bereikt, atlete Fanny Blankers-Koen en wielrenner Jan Derksen de leeftijd der zeer sterken. De jeugdige gerant van Hotel Des Indes in Den Haag heeft geen idee wie de vier bejaarde, maar nog springlevende gasten zijn. De jongeman weet niet dat in de jaren vijftig geen voetballer zo hard en zuiver kon schieten als stopperspil Cor van der Hart. Dat Jeen van den Berg de snelste man op schaatsen was in de Elfstedentocht van 1954. Dat Jan Derksen vele jaren onklopbaar was op de wielerbaan. Alleen de naam van Fanny Blankers-Koen zegt de gerant nog iets. ,,Won zij niet vier keer goud?”

Bijna een halve eeuw na hun sportieve gloriedagen treffen zij elkaar in de lobby van het Haagse etablissement. De bijeenkomst blijkt een ontmoeting van oude vrienden te zijn. Met zoenen en omhelzingen verwelkomen de sporters elkaar. Voor ze aan de lunch beginnen passeren een knieoperatie en ander lichamelijk ongemak de revue. Totdat Fanny Blankers-Koen het welletjes vindt: ,,Jongens, niet over kwalen praten.”

Aan tafel mogen ze verder praten. Eerst over hoe het allemaal begon. ,,Och, heden, dat wordt oude koek”, lacht Fanny. Ze vertelt dat ze in Hoofddorp woonde, nooit het tuinhekje open deed maar er altijd over heen sprong. Hoe ze op haar handen kon staan. Daarom mocht ze naar de gymnastiekvereniging. Ze was nog geen zes. Als het heel mooi weer was, deed ze buiten met haar vader oefeningen. Een beetje verspringen, hardlopen. Als het regende gingen ze binnen turnen. ,,Zonder op te scheppen, ik kon alles goed.’

Ze was een jaar of vijftien toen ze op Koninginnedag een hardloopwedstrijd won. En op haar zeventiende deed ze voor het eerst mee met districtskampioenschappen. ,,Het wordt een eentonig verhaal, want die wedstrijd ging ook heel goed”, zegt ze verontschuldigend. ,,Zwemmen kon ik ook goed. Maar ik had toen een badmeester bij de zwemvereniging die zei dat ik moest kiezen welke sport ik zou gaan doen. Ik heb toen voor atletiek gekozen en ben in Amsterdam lid geworden van ADA.”

Vijf kwartier op de fiets vanuit Hoofddorp naar Amsterdam en vijf kwartier terug. Niet altijd leuk. Op de atletiekbaan bleek dat ze ,,longen als blaasbalgen” had, door al dat zwemmen natuurlijk. ,,Mijn eerste spikes waren krijgertjes, maat 46. Ik heb ze aangetrokken, maar wel met enorme plukken watten voorin. Toen ik won, werd er gezegd: ‘Het is oneerlijk, je spikes waren al door de finish en jij zelf nog niet’. Toen mijn vader zag dat ik op die veel te grote schoenen kon winnen, kreeg ik nieuwe spikes. Ik ben daarna 800 meters gaan lopen en brak zelfs het nationaal record. In het begin was het me nergens anders om te doen. Ik wilde altijd winnen.”

Cor van der Hart

Cor van der Hart

Cor van der Hart begon op straat te voetballen. Waar anders? Op zijn tiende werd hij net als zijn vader en diens broers lid van Fokke, in Amsterdam, daar waar het nu Overamstel heet. Dat heeft één jaar geduurd. Want een scout van Ajax, Theo Schetters, nodigde Cor uit voor een proefwedstrijd. Op een woensdagmiddag moest hij samen met 300 andere jongetjes een wedstrijdje spelen. Uiteindelijk werden er twee uitgehaald: Rinus Michels en Cor van der Hart. ,,Als zeventigjarige is dat toch wel typisch, als je daarop terugkijkt”, zegt Cor met gepaste trots. ,,Wij zijn toch min of meer geslaagd.” Als 17-jarige kwam hij ook in het eerste van Ajax. In 1947 werd hij meteen kampioen van Nederland. Tot zijn 22ste bleef hij, toen is hij naar Frankrijk gegaan. Mooie herinneringen. ,,Nou ja, tegen Heerenveen met 5-1 voorstaan en met 6-5 verliezen.”

Jeen van den Berg beleeft weer plezier aan de zege van zijn club Heerenveen op Ajax. Maar hoe zat dat met schaatsen? ,,Ach, ik kon helemaal niet schaatsen. Ik was een doordouwer. Ik had ook de spullen niet. Ik kwam uit een arbeidersgezin.’ Op zijn tiende kreeg hij nieuwe schaatsen. Veel te groot. Op school werd hij ermee gepest: ‘Jeen, kunnen we met je meeliften?’ Zoveel ruimte had hij achter over. De hakleren waren veel te lang. ,,Ik had eigenlijk de eerste klapschaatsen, want mijn voeten schoten steeds uit mijn schaatsen. Maar ik had wel een voordeel. Ik woonde midden in het watergebied. Ik had Ausdauer. Ik woonde ver van school vandaan en schaatste naar school. Zodra er maar even ijs lag, stond ik op schaatsen.” Zijn eerste Elfstedentocht reed Jeen in 1947.

Jan Derksen fietste als jongetje elke dag zo’n vijf kilometer naar school en terug. Hij woonde in De Lutte bij Oldenzaal. Die tochten leidden tot wedstrijdjes. En Jan won altijd. Zijn vader beloofde hem een racefiets als hij voor zijn examen slaagde. ,,Een fiets met dikke stalen wielen, meer kon mijn vader zich niet permitteren.”

Het gezin verhuisde naar Heiloo. Daar reed Jan als vijftienjarige zijn eerste wedstrijdjes op een grasbaan. In Alkmaar ging hij naar de wielerbaan om te kijken naar grote namen. ,,Omdat ik op de grasbaan veel won, kreeg ik mijn eerste baanfiets. Tachtig gulden, in 1940. Samen met Jan Pronk, die later nog wereldkampioen is geworden achter de grote motoren, won ik al als 15-jarige in Alkmaar een koppelwedstrijd waar grote namen aan meededen.”

En wielrennen op de weg? ,,Op de weg ging ik alleen trainen. Eén keer, in 1941, heb ik meegedaan aan het Nederlands kampioenschap op de weg. Arie van Vliet, ook een sprinter had zich ingeschreven. Hij daagde me uit. Voor een sprinter was 175 kilometer een heel eind. Ik werd vierde en als Schulte niet een combine in elkaar had gestoken, had ik gewonnen.”

Jan Derksen

Jan Derksen

Derksen wijdt uit over Olympische Spelen in 1940 die niet doorgingen. ,,Daar had ik als wereldkampioen bij de amateurs twee gouden medailles kunnen winnen. Dat is een domper in mijn carrière geweest.’ In 1938 had hij alles al gewonnen: Nederlandse titel, wereldtitel en nog veel meer. Toen de Spelen niet doorgingen, besloot hij prof te worden. ,,Wij hadden veel wedstrijden. Ik had in de oorlog een vergunning waarmee ik tot eind 1942 overal kon rijden. Zelfs in de hongerwinter.”

Zou u nu op dezelfde manier de top hebben kunnen bereiken?

Derksen: ,,In onze tijd trainden wij niet met gewichten. Geen krachttraining, was niet goed voor de souplesse. Wat Guus Schilling, onze trainer, zei was wet. Daarom waren Arie van Vliet en ik geen echte sprinters, ook al wonnen wij wereldtitels. Kijk naar die sprinters van nu, naar die dikke benen. Arie en ik konden ook lange afstanden rijden. Dat kan een echte sprinter niet. Ik trainde elke dag op de baan. Die strijd tussen Arie en mij was enorm. Daardoor hebben we het zolang volgehouden. In 1957 reden we nog de finale van het wereldkampioenschap. Samen waren we tachtig jaar.”

Blankers-Koen: ,,Ik trainde lang niet elke dag. In de zomer twee keer per week en in de winter één uurtje gymnastiek per week. In de winter werd de atletiekbaan ondergespoten, zodat er geschaatst kon worden. We hadden een hele lange wintertijd. In de zomer trainden we ook niet zoveel. Toen ik eens op een bijeenkomst van oud-kampioenen vertelde wat ik voor mijn medailles had gedaan, konden de mensen me niet geloven. Daar zaten allemaal atleten die heel serieus trainden. Die konden niet geloven dat ik tijdens het Europees kampioenschap in Oslo ook nog mijn dochter voedde, dat vonden ze prachtverhalen. Mijn dochtertje ging in een reiswieg mee naar wedstrijden. In de kleedkamer verschoonde ik ook de luiers. Ik maar sjouwen met dat kind. Dat had ik me nooit kunnen permitteren als ik tien keer in de week had moeten trainen. Als atletes nu een kind krijgen gaan ze er een seizoen uit.”

Van der Hart: ,,Ik kan me goed herinneren dat ik dagelijks bezig was met een bal. Er zat geen garagedeur meer onder het huis, omdat we er tegenaan stonden te lellen. Toen kon je nog op straat voetballen. Uren waren we bezig. Ik denk dat het voor jongetjes van tien tegenwoordig veel moeilijker is om zich helemaal op het voetbal te concentreren.”

En het geld?

Van der Hart: ,,Ik heb nooit een baas gehad. Ik heb me altijd afgezet tegen werken en met sport mijn geld verdiend. Ik ben naar de ambachtsschool geschopt om mijn diploma te halen. Maar ik was finaal tegen werken voor een baas. Ik heb altijd gedacht, hoe kom ik daar onderuit? En toen ben ik gaan voetballen. Ik spijbelde van school om te trainen. Als jongen stond ik vrijdagmiddag met kerels uit het eerste elftal van Ajax op het veld.”

Van den Berg: ,,Maar hoe verdiende je dan de kost, Cor?”

Van der Hart: ,,Ajax was altijd afdelingskampioen. Dat betekende dat we zes thuiswedstrijden om het kampioenschap van Nederland moesten spelen. Die waren altijd uitverkocht. En dan kreeg je de koopman Van der Hart. Een passepartout voor die zes wedstrijden kostte vijftien gulden. Dan zei ik tegen de penningmeester dat ik vijfentwintig van die passepartouts moest hebben. Die kreeg ik niet. Dan ging ik schermen: ‘Je wilt toch dat ik speel zondag?’ En dan kreeg ik een aantal kaarten dat ik aan vrienden van Ajax kon verkopen voor een tientje of vijfentwintig gulden. Had ik weer voor weken brood op de plank. Ik was eigenlijk al prof voordat ik echt prof was.”

Derksen: ,,Na de Ulo heb ik nooit iets anders gedaan dan fietsen. Daarmee verdiende ik veel meer dan mijn leeftijdsgenoten. Ik heb nog een boekje waarin ik als beginnend wielrenner noteerde wat ik met fietsen verdiende. Flessen ranja, leverworsten, lamsbouten, ik weet niet wat allemaal. En ook geld. In Alkmaar op de wielerbaan waren voor de oorlog drukbezochte wedstrijden. Daar werd negen cent entree geheven, want over tien cent moest belasting betaald worden. De eerste prijs bij de koppelwedstrijd was 2 gulden 75, die moest ik delen met mijn maat Pronk. Ik ging steeds meer verdienen. Ook als amateur. Wanneer ik in 1938 naar Kopenhagen ging voor een wedstrijd hield ik daar twee-, driehonderd gulden aan over.”

Van der Hart: ,,Goh Fanny, vertel eens wat jij verdiende.’

Blankers-Koen: ,,Ja, die is leuk. In Finland had ik eens zilveren kandelaars gewonnen. Die moest ik bij thuiskomst op Schiphol afgeven, want die kandelaars waren meer dan honderd gulden waard. Wat ze tegenwoordig krijgen is ongelooflijk. Die bedragen zijn zo hoog, ik kan ze niet eens uitspreken. Maar die sporters van tegenwoordig benijd ik helemaal niet. Er is zoveel haat en nijd. Wij hadden echte sport.”

Van den Berg: ,,Als schaatser mocht je geen geld verdienen. Met Jeen Wester had ik eens reisgeld aangenomen voor een wedstrijd. We werden gediskwalificeerd. Op een bijeenkomst in Amsterdam van de Club van Honderdvierenveertig, een groep sportvrienden waarvan Jan en Fanny ook lid zijn, moest ik al vroeg weg om de laatste trein naar Friesland te halen. Toen zei ingenieur Otten, de schoonzoon van de oude Frits Philips: ‘Doe maar rustig aan, ik laat je wel even thuisbrengen.’ Als eenvoudige jongen zat ik met grote ogen te kijken en dacht ‘Kan dat wel allemaal?’. En toen zei Otten: ‘Nou Jeen, vertel eens, wat ben jij daar nu beter van geworden van die Elfstedentocht?’ Dat heb ik hem verteld. Ik kreeg een fles Bols jenever en een infrarode lamp, tegen spierpijn. ‘Jeen’, zei meneer Otten toen, ‘ik beloof jou dat als die lamp stukgaat je van mij een nieuwe krijgt’.”

Van den Berg zat vijf jaar in de Nederlandse schaatskernploeg. ,,Als ik naar het buitenland ging, stond mijn loon als onderwijzer stil. Van de schaatsbond kreeg ik één gulden zakgeld per dag. Toen ik de Elfstedentocht won werd er nog veertien dagen over nagepraat. Nu stoppen bij de kaasmakerij van Evert van Benthem nog bussen met vrouwen. Dacht je dat er vroeger een bus met vrouwen in Ny Beets door de Nawynstraat is gereden om te kijken waar Jeen van den Berg woonde?”

Was er doping?

Blankers-Koen: ,,Er waren atleten die doping gebruikten, maar ik wist niet eens wat het was. In Londen, bij de Spelen van 1948, moest ik menstrueren en had ik pijn in mijn buik. Ik kreeg een half aspirientje van de dokter. In Helsinki vier jaar later precies hetzelfde. Tegenwoordig krijg je pillen en wordt je cyclus verschoven.”

Derksen: ,,Geld is in de sport zo belangrijk geworden, dat doping nooit meer verdwijnt. Sporters zullen blijven zoeken naar middelen om hun prestaties te verhogen. Het gaat om miljoenen. Koste wat het kost moet gewonnen worden. Het begint al met de voeding.”

Blankers-Koen: ,,Ik moest iedere avond bruine bonen eten en een slok levertraan slikken.”

Van der Hart: ,,Wij aten paardenbiefstuk.”

Van den Berg: ,,Schaatsen was tot voor kort een cleane sport. Maar we gaan dezelfde kant op als bij het wielrennen. Sponsors van schaatsploegen hebben begeleiders in dienst. Van hen worden resultaten geëist, anders worden ze gewipt. Die begeleiders dwingen de schaatsers tot doping. Dat gebeurt nu, dat heb ik deze winter voor het eerst gehoord. Als er één gebruikt, moeten de anderen ook.”

Derksen: ,,In 1939 bij de finale van het wereldkampioenschap kwam Guus Schilling naar me toe met een glas sherrybrandy. Dat heb ik opgedronken. Maar zonder dat glas had ik ook wel gewonnen. Arie van Vliet gebruikte suikerklontjes met cola. Ik was een mannetje van zwarte koffie. Bij Zesdaagsen sliep ik zes dagen en zes nachten niet.”

Van der Hart: ,,Ik moest in 1956 tegen België spelen. Een week voor die wedstrijd kreeg ik een schop tegen mijn knie. Tegen bondscoach Max Merkel heb ik toen gezegd: ‘ik kan niet spelen’. Hij wilde me er toch bij hebben. Op zaterdagmiddag kon ik nog steeds niet lopen. Zei de dokter tegen me: ‘wij gaan met z’n tweeën morgen een uur eerder naar het stadion’. In de kleedkamer vroeg hij of ik een kopje koffie wilde. Twee uur voor de wedstrijd. Ik kleedde me om, ging het veld op en probeerde heel voorzichtig een balletje te trappen met die zere knie. Krijg nou de pest, ik voelde niks. Ik ging steeds harder trappen, boem, boem! Niks aan de hand, niks gevoeld. We wonnen die wedstrijd met 1-0 en de kranten schreven België-Van der Hart 0-1. Zo goed had ik gevoetbald.”

Van der Hart: ,,Ik houd enorm van wielrennen. Van de Tour de France smul ik. Wat een inspanningen leveren die kerels. Maar ik kan me niet voorstellen dat ze dat allemaal op een biefstukkie doen.”

Derksen: ,,De jongens die de Tour rijden zijn lichamelijk voorbereid. Met alle middelen, legaal, net niet verboden. Maar waarom mag zanger Herman Brood stijf staan van de drugs en een wielrenner niet? Volgens mij is EPO ook niet zo gevaarlijk als het onder doktersbegeleiding wordt gebruikt. Het is een middel dat veel zieken ook voorgeschreven krijgen.”

Andere tijden, andere gewoonten. Daarover zijn de vier het eens. ,,Maar we hebben in een verkeerde tijd geleefd. We hadden allemaal miljonair kunnen zijn’, beseft Van der Hart.

Sporten kinderen nu met het idee dat ze er rijk van kunnen worden?

Van den Berg: ,,Kinderen niet. Misschien wel de ouders die hun kinderen iedere dag bij de tennisschool afleveren. Het geld in de sport is een beroerde bijzaak. Ik zit bij schaatswedstrijden in Thialf in de wedstrijdjury. Rintje Ritsma krijgt tonnen. De mensen die het mogelijk maken dat hij zijn wedstrijden rijdt, krijgen niks. Maar die schaatsjongens hebben een grote waffel.”

Van der Hart: ,,In het voetbal is het ook scheef. De eerste de beste buitenlander in de eerste divisie verdient 4,5 ton. Nederlanders breken nauwelijks door. De jeugdopleidingen functioneren niet. Kijk naar Ajax.”

Sporters zijn sekssymbolen die naakt poseren voor blootbladen.

Van der Hart: ,,Katarina Witt in Playboy uit de kleren? Ik kan er heel goed tegen hoor.”

Blankers-Koen: ,,Ik zie atletes sporten in een bikini. Belachelijk. Hoogspringsters moeten steeds die kleine broekies uit hun naad halen. Als ze een behoorlijk pakkie aantrekken, zouden ze veel hoger springen.”

Van den Berg: ,,Fanny, kan je je nog die drukte herinneren over het broekje van Sjoukje Dijkstra? Dat kon je een beetje zien, onder haar rokje.”

Derksen: ,,De commercie bederft veel van de echte sport. Door al dat geld gaan ze de sport vergeten. Het gaat ten koste van de prestaties.”

Van den Berg: ,,Met reclame verdienen sporters meer dan met sport.”

Fanny Blankers-Koen

Fanny Blankers-Koen

Blankers-Koen: ,,Veel sporters van nu zijn over het paard getild. Als ze ergens voor gevraagd worden, hoor je dat ze niet genoeg krijgen. Iedere maand doe ik mee in de loterij. Wat ik zou doen als ik een miljoen won? Het aan mijn kinderen geven, en jullie kunnen ook wat krijgen. Ikzelf hoef niks, wat moet je met geld als je tachtig bent.”

Van den Berg: ,,Mijn adres krijg je niet Fanny, ik hoef ook niks.”

Kreeg u commerciële aanbiedingen?

Blankers-Koen: ,,Van Playboy, bedoel je? Daar ben ik toch geen type voor?’

Van den Berg: ,,Dat lag vroeger anders. Fanny werd overal gefotografeerd en die foto’s werden zonder toestemming voor van alles gebruikt. Als je nu Rintje Ritsma wilt hebben, moet je dokken.”

Blankers-Koen: ,,Twee jaar geleden heb ik reclame gemaakt voor pilletjes. Pilletjes die maakten dat je niet ouder werd. (Van der Hart: ,,Die hebben wel geholpen, Fanny”). Daar heb ik een paar centjes voor gehad, da’s waar. Voor de foto’s moest ik een dag naar Groningen, eindeloos achter een vrachtwagen lopen waar de fotograaf op zat. Op het laatst liet ik me achterover vallen, zo moe was ik.”

Derksen: ,,De tijden zijn echt veranderd. In onze tijd had een aanbeveling van een sportman geen enkele waarde. Neem Abe Lenstra, een supervoetballer, die heeft in zijn leven nooit een cent verdiend.”

Van den Berg: ,,Abe was de beste betaalde amateur van Nederland.”

Van der Hart: ,,Mijn hart bloedde toen ik op mijn 22ste bij Ajax wegging. Maar ik kreeg in Frankrijk in Lille 25.000 gulden handgeld geboden, plus een enorm salaris. Let wel, in 1950! Dat was vreselijk veel geld. Maar omdat ik geen begeleiding had, ging het na twee jaar mis. Mijn contract liep af, maar er kwamen geen contractbesprekingen. Twee jaar werd vier jaar. En toen werd ik kwaad en klopte ik weer aan voor geld. Was er niet, zeiden ze. Toen ben ik teruggegaan. In Nederland was net het betaald voetbal begonnen.”

Was er vroeger meer belangstelling voor sport en nu meer voor sporters?

Blankers-Koen: ,,Dat is de tijd.”

Derksen: ,,Wat is tennis niet geworden dankzij Björn Borg. Dat was de man die het grote geld ging verdienen. En dankzij hem zijn er zoveel kleine jongetjes gaan tennissen. Zo’n grote naam heeft zoveel waarde. Dat steekt zoveel mensen aan. Het publiek heeft behoefte aan grote namen.”

Idolen dus. Wie was de beste sportman of -vrouw van de eeuw?

Blankers-Koen: ,,Jesse Owens was mijn idool. In 1936 werd ik als hoogspringer opgesteld in de nationale ploeg die in Berlijn deelnam aan de Olympische Spelen. Daar zag ik Owens vier medailles winnen.”

Van der Hart: ,,Ik heb vijfmaal met Fortuna ’54 gespeeld tegen Di Stéfano. Die heeft zo’n indruk op mij gemaakt. Je had Puskas, Hidegkuti, fantastisch. Maar Di Stéfano was onnavolgbaar.”

Derksen: ,,Rik van Steenbergen. Een geweldenaar op de baan en op de weg is hij ook een paar keer wereldkampioen geworden. Door zijn lichaamsgewicht kon hij alleen in de bergen moeilijk vooruit. Van Steenbergen was groot. Groter dan Coppi, om wie zo’n mythe is gesponnen.”

Van den Berg, met een grote glimlach: ,,Ik hoef niet lang te denken. Mijn sportvrouw van de eeuw is zo hartstikke gewoon gebleven. Dat ik ‘Fanny’ tegen haar mag zeggen, en dat zij mij ‘Jeen’ noemt, dat is zo mooi.”

Blankers-Koen: ,,Nou zeg, vroeger noemde ik je altijd Jeentje. Maar je bent zo gegroeid dat ik je nu Jeen noem.”

Van den Berg: ,,Het is niet de prestatie alleen, die het hem doet. De mens die er achter zit, is veel belangrijker. Daarom zeg ik: Fanny. Neem Ellen van Langen. Die wil elke week in de krant. Daar word ik kotsmisselijk van. Ik ontmoette haar een keer op een receptie: ze zag me niet staan.”

Van der Hart: ,,Dat komt omdat ze je niet kent, Jeen.”

De rennende boeddha: meditatief hardlopen

24 sep

runrun
Je kunt gaan hardlopen, gewoon je hardloopschoenen aantrekken en maar zien waar je uitkomt. Vijf kilometer, tien kilometer, een halve marathon, een hele marathon. Je kunt ook met aandacht gaan hardlopen. Je erop voorbereiden. En je gewaar proberen te worden van waar je mee bezig bent. Je adem voelen. Je ledematen voelen. Niet alleen je voeten en benen. Ook je hoofd, zeg maar: je geest. Mindful Running.

Vriendelijk zijn voor jezelf, voor je lichaam en je geest. Meditatief lopen. Op de manier die meditatiemeester en Shambhala-boeddhistische leraar Sakyong Mipham zich als hardloper (hij liep negen marathons) eigen heeft gemaakt. Toen ik het boek (Running with the mind of meditation; in de Nederlandse vertaling ‘Running Buddha – Je balans vinden met hardlopen’) voor de eerste keer las, begreep ik waarom ik en medelopers vaak geblesseerd raken. Waarom ik mezelf voorbij loop, waarom ik de lat te hoog leg, waarom mijn trainer me niet genoeg kan waarschuwen.

Noem het agressie. Te gretig, te wild, onbedachtzaam. Agressie, schrijft Sakyong, is als vuur – het is er ineens en dan is het weer verdwenen. Vriendelijkheid, wat hij adviseert, is als water – het zal uiteindelijk zijn doel bereiken.

,,Vriendelijkheid geeft ons het gevoel dat we eeuwig kunnen blijven lopen. Bij agressie krijgen we het gevoel dat we alleen maar een sprintje kunnen trekken naar de volgende bocht. Door vriendelijk te zijn draaien we onze hand niet om voor een lange duurloop. Bij agressie zijn we bang dat we zullen falen als de duurloop even niet goed gaat. Als we vriendelijkheid bezitten zijn we niet meer met onszelf aan het worstelen. En op het moment dat we niet met onszelf worstelen, doen we ons best. Meer dan dat kunnen we niet doen. Echter, als we vriendelijk voor onszelf zijn zullen we verbaasd staan over hoeveel we kunnen. We worden geïnspireerd door onze potentie. Agressie daarentegen is vaak het resultaat van persoonlijke ontrevredenheid. We kunnen het niet goed met onszelf vinden en vanwege dat innerlijke conflict halen we uit naar anderen. Deze vorm van agressie komt voort uit een gebrek aan vriendelijkheid voor onszelf (…). Kijk naar wat je kunt en laat je niet deprimeren door wat je niet kunt.’’

RUNNING RINPOCHE
Hier spreekt de meditatiemeester. Helder maar mogelijk ondoorgrondelijk voor wie zich meditatie nog niet heeft eigen gemaakt. Je bent maar een eenvoudige hardloper die gewoon wil hardlopen, soms lekker, vaak lang en ver. Mogelijk op weg naar een persoonlijk record. Hoe breng je dat als hardloper in praktijk? Benjamin Romkes en Marc Wiewel geven regelmatig clinics, onder meer vanuit het Shambhala-meditatiecentrum in Amsterdam. Beiden zijn ervaren hardlopers en bekend met mediteren. Een ontmoeting met het tweetal ademt vriendelijkheid. Niks: de beste manier om hard te lopen. Niks: nu hebben we het gevonden. Hoe revolutionair en op een unieke, heldere manier beschreven zij het boek ook vinden.

Maar ze hebben dankzij Sakyongs filosofie wel nieuwe, bijzondere ervaringen gehad. Benjamin Romkes, meervoudig Nederlands recordhouder en wereldkampioen 3.000 meter boven 45 jaar, vertelt eerst over zijn eigen methode: ,,Ik ga ’s morgens eerst even een kwartiertje zitten (mediteren, gvh) voordat ik ga lopen. Gewoon tot rust komen, landen dus, daarna gaat het lopen vanzelf.’’

Zo begint hij ook de clinic, met een korte meditatie. Zittend met een rechte rug op een stoel, de blik naar de vloer gericht. Eerst de aandacht op het lichaam richten, van je linker grote teen tot je rechter schouder. Daarna op de ademhaling. Meditatie voorafgaand aan het lopen is een droogtraining, meent Romkes, tevens meditatie-instructeur. ,,Je gaat er straks sneller door opmerken of je afgeleid raakt tijdens het lopen. Je loopt er ook meer ontspannen door.’’

RunningMeditation
Vervolgens begint het lopen. Alles met aandacht. Eigenlijk al als je je veters vastmaakt. Deelnemers aan een clinic hoeven geen meditatie-ervaring te hebben, laat staan een boeddhistische achtergrond. Het gaat domweg om de aandacht op je beweging te richten, op je armen en benen, ademhaling en de manier waarop je loopt. Zeg tegen jezelf: ik loop licht, het gaat gemakkelijk. Je gaat merken dat het lichaam die gedachte overneemt en je vanzelf lichter gaat lopen. In balans, een samenwerking tussen lichaam en geest.

Gemakkelijk gezegd: ik loop licht. Voordat je ‘licht loopt’ is er die verschrikkelijke worsteling tegen pijn, stijfheid, beperkte longinhoud. Sakyong Mipham weet uit ervaring hoe het proces verloopt. Van beginner (wandelaar) tot marathonloper. Vandaar ook dat hij in zijn methode een viertal trainingsfasen beschrijft waarin je je geest en lichaam ontwikkelt, de zogenaamde vier waardigheden. Deze worden in het Shambhala-boeddhisme uitgebeeld door de tijger, leeuw, garoeda en de draak. Je kunt alle fasen vertalen naar gedragingen in het dagelijks leven.

In de tijgerfase onderzoek je je motivatie en concentreer je je op je ademhaling, voetafwikkeling en andere concrete details. Die fase kan zomaar twee jaar duren. In de leeuwfase bouw je je aandacht verder uit naar waardering en discipline in je training, maar ook naar de omgeving waarin je hardloopt, de positieve trots over je verruimde en stabiele aandacht en conditie. In de garoedafase werk je aan de juiste manier om je grenzen te verleggen, en word je uitgenodigd je vriendelijke, compassievolle houding uit te breiden naar je omgeving. In de draakfase ten slotte, ontdek je dat presteren niet het ware doel is, maar dat echte voldoening voortkomt uit de vreugde iets te kunnen betekenen voor anderen, voor de wereld.

In elke fase komt je als loper aspecten van jezelf tegen en krijg je te maken met vraagstukken over bijvoorbeeld je inzet, gezondheid, hoop, pijn en intentie.

Alles komt neer op aandacht voor je beweging, voor het gevoel, voor de pijntjes. Tijdens het lopen loop je alles even na. Waar zit bijvoorbeeld de vermoeidheid? Is het je lichaam dat moe wordt of is het je geest? De beide trainers wijzen op het gebruik van een koptelefoon. Marc Wiewel (sportpsycholoog en runningtherapeut): ,,Zoals Sakyong aangeeft kun je door de muziek goed in je ritme blijven. Maar je mist ook veel: het geluid om je heen, de vogels, het suizen van de wind om je oren. Je loopt niet in een open ruimte, je loopt als het ware in een cocon.’’

De filosofie van Sakyong, meent Wiewel, vormt ,,slechts een leidraad om op een bewustere manier met hardlopen bezig te zijn’’. Vriendelijk zijn voor jezelf, jezelf niet uitputten. Zoals Sakyong Mipham vertelt over hoe hij zijn vrouw met hardlopen in aanraking bracht. Hij stimuleerde haar vooral om veel te wandelen, met af en toe twee minuten hardlopen tussendoor. Na een aantal maanden was zijn vrouw in staat om twintig tot dertig minuten hard te lopen.

Zo langzaam kan het gaan, zo vriendelijk voor je lichaam kun je zijn. Je lichaam en zenuwstelsel moeten wennen aan nieuwe bewegingen. Geef ze de kans, weten Benjamin Romkes en Marc Wiewel. Forceren werkt averechts en doet meer pijn dan je lief is. Laat hardlopen een plezier zijn. Dan geeft ook een persoonlijk record de meeste voldoening.

Benjamin Romkes en Marc Wiewel geven twee Mindful Running Clinics tijdens het Brightnow Festival op 26, 27 en 28 september in het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam. Meer informatie: http://brightnowfestival.nl/

Dit artikel van Guus van Holland is gepubliceerd in het oktobernummer van Runner’s World.

Urenlang in een zweethut: schreeuwen en stikken

19 aug

De ceremonie van een zweethut. Totale overgave met als doel totale reiniging. Ik mocht er niet uit, ik kon er niet uit. Ik moest in de zweethut rondom gloeiende en sissende stenen met anderen schreeuwen en zingen, als een gek, terwijl al het vocht uit mijn poriën stroomde. Ik werd zeiknat, zat met mijn blote kont in mijn eigen modder, raakte in paniek en werd gek. Maar ik was sterker dan ik dacht.

De plaats van bestemming was op de vroege zaterdagmorgen moeilijk te vinden. Het Brabantse land lag onder een loodzwaar wolkendek. Wilde ik nog wel? Durfde ik me nog wel over te geven aan de krachten die los konden komen in de zweethut?

Het zou heftig worden, zoveel had ik er over gelezen. De reiniging van lichaam en geest zou intensief zijn en zonder twijfel haar sporen nalaten. Het boerenweggetje dat ik volgens de routebeschrijving moest nemen, kronkelde oneindig door en hield een paar honderd meter achter een boerderij plotseling op. Zo was het ook omschreven door de organisatoren Nisa en Mark in hun email. Maar van een bosje aan mijn rechterhand was geen sprake. Door de mist zag ik geen hand voor ogen.

Er zat niets anders op dan om te draaien en een mogelijk andere route te nemen. Ik begon al te hopen dat ik het nooit zou vinden en dacht al aan de terugreis. Dan maar niet die zweethut in, dan maar geen oerkrachten die vrijkwamen. Ik was bang.

Toch was er iets in me dat me op weg hielp naar het bosje waar Nisa en Mark zonder twijfel op mij wachtten. Dus nam ik de voorgestelde alternatieve route. Nu was het een weggetje met kuilen waarin plassen stonden. Mijn auto protesteerde maar hield zich staande en reed door. Toen was er het bosje, met daarin verborgen twee auto’s en een huisje.

Nerveus schuifelde ik het huisje binnen en zag twee vrouwen, een man en een kind aan een tafel zitten. Het was er rommelig en koud. Of er nog meer mensen kwamen, vroeg ik. Waarom weet ik niet. Er zouden meer mensen komen, ja. Of ik koffie of thee wilde. Ja, nou en of. Ik had wel behoefte aan iets in mijn handen.

Een paar uur later, nog in de ochtend, zat ik rondom een kampvuur met negen andere mensen. We aten notenkoek, meegebracht door een van de mannen. Toen meldde zich een vrouw aan het vuur. Het leek wel of ze gehuild had. Ze was de weg kwijtgeraakt en was vervolgens met haar auto in een greppel gereden. Een boer had haar geholpen en met zijn trekker uit de greppel getrokken. Maar dat had hij niet voor niets gedaan. Hij wilde er twintig euro voor. Ze had maar vijftien euro bij zich. Dat was ook goed, had de boer gezegd. Ze had hem grif betaald en zich snel uit de voeten gemaakt.

De toon rondom het kampvuur was gezet. Verbazing en teleurstelling. Ook op het Brabantse platteland gaat voor niets alleen de zon op.

De vrouw toonde een veer die ze op haar pad naar het bosje had gevonden. Een symbool, meende ze. Overal waar ze kwam, vond ze symbolen.

Om beurten mochten we vertellen wie we waren en wat we van deze dag verwachtten. Aan het einde moesten we dan ‘hó’ zeggen, als teken dat we uitgesproken waren. Of ‘uch’, zoals Indianen gewend zijn. Want tenslotte zouden we ons overgeven aan een ceremonie van Indiaanse oorsprong, de sweat lodge (http://en.wikipedia.org/wiki/Sweat_lodge)

sweatcrow2

De meesten hadden al eens in een zweethut gezeten en waren erdoor gefascineerd geraakt. Weer die ervaringen, weer die reiniging. Daar keken ze naar uit.

Ik vertel over mijn ervaringen en zoektochten naar avonturen, therapieën en sessies als deze, over de herhalingen waarin ik in mijn leven verval, het voortdurende struikelen in dezelfde valkuilen. En dat ik nu eens een zweethut wil uitproberen. Hó!

Er moest gewerkt worden, zei Nisa. Koen, een ervaren zweethutganger, was gevraagd deze dag ‘vuurman’ te zijn. Hij moest de brandstapel maken waarop de stenen werden verhit die later in de zweethut moesten gloeien en de stoom moesten geven die ons zou doen zweten. Wij moesten het hout aanleveren. Dat betekende hakken en zagen, bewegingen die ik met mijn tere lichaam niet gewend was. Veel lol beleefde ik er dan ook niet aan. Ik kreeg blaren op mijn handen en voelde al gauw de pijn van splinters. En het ergste moest nog komen, de hitte in de zweethut en met alle gevolgen van dien.

Nisa en de andere vrouwen maakten de zweethut klaar. Ze bedekten een staketsel van takken in de vorm van een iglo met dekens en een groot, zwaar en bruin dekzeil. Daar moest ik straks in, met de andere mensen. Op weg naar. Op weg naar wat?

Rondom de houtstapel lag een twintigtal stenen, in een cirkel uitgespreid. Buiten die cirkel moesten wij gaan staan. We moesten ons concentreren op de stenen en bedenken welke boodschap wij wilden meegeven aan de steen die we om beurten op de houtstapel moesten leggen. En behandel de steen met respect, zoals je onze ouderen behandelt; hij mag dus zeker niet vallen.

Nisa vertelde iets over een medicijnwiel, de vier windstreken en waar ze voor stonden. Het middelpunt was jij. Het was herfst. ,,Op het medicijnwiel is de herfst verbonden met het westen, voor de terugkeer naar binnen, het verwerken van de opgedane ervaringen, verinnerlijking”, vertelde Nisa. ,,De sappen van de boom trekken zich terug naar de stam en de wortels, waardoor de veelkleurigheid naar buiten komt, de lagen onder de lagen. Het is het ervaren van de diepte van het bestaan. Vanuit de veelvuldigheid die je misschien overspoelde, is het westen de plek om contact te maken met wat nu werkelijk belangrijk voor je is.” En zo verder, en zo verder.

Ze vertelde over de totem van het westen die we vandaag in de zweethut zullen uitnodigen en ontmoeten: de beer. Want de beer is één van de krachtigste totems van healing. ,,De beer is een leraar in het in harmonie komen met alles wat er in je leeft, om heel en één te worden.”

We stonden rondom de houtstapel. Nisa pakte een steen, tilde hem boven haar hoofd en zei: ,,O Great Spirit.” Ze liet de steen zakken, bracht hem in contact met de grond en zei: ,,O Mother Earth.” Ze tilde de steen weer op, ter hoogte van haar borst en bracht haar wensen over aan de steen. ,,Hó!” Toen legde ze hem op de houtstapel. Anderen volgden, en brachten hun eigen wensen over. Ik moest ook, pakte aarzelend een steen, tilde hem boven mijn hoofd en zei: ,,Grote Geest.” Toen naar de grond en zei: ,,Moeder Aarde.” Toen voor mijn borst. Ik mompelde iets over onbeperkte vrede, onbeperkte vriendschap en onbeperkte liefde en nog iets en legde steen op de houtstapel – en sloot een lach onderdrukkend af met: ,,Hó!”

Ik voelde een koude wind, keek om me heen naar de andere mensen. Ze zwegen en richtten hun ogen op het midden waar de stenen boven op de houtstapel lagen. Ik hoorde dingen vallen, het waren eikels die te zwaar waren geworden voor de takken. Het was koud geworden en het werd steeds stiller.

Koen ontstak het vuur met kleine twijgjes. Nu werd ons gevraagd tobacco-ties te maken. Van kleine lapjes moesten we een zakje maken met daarin snippers van tabaksblaadjes. Daaromheen gebonden een draadje, zonder knoop, want niets mag vastzitten. De lapjes hadden verschillende kleuren, rood, wit, zwart, blauw, groen. Vier zakjes, elk zakje met een wens voor jezelf, voor een ander of voor iedereen. Gebedszakjes. Die zouden we dan in de hut moesten hangen.

Terwijl de houtstapel vlam vatte en het vuur hoog oplaaide, zat ik te prutsen met de lapjes, de tabak en de draadjes. Ik koos voor twee witte, een rode en een blauwe. Voor mezelf, mijn vrouw en mijn zoon. Want je moet er wél in geloven.

De anderen deden hetzelfde, lagen op de grond in een deken naar het vuur te staren of babbelden een beetje met elkaar. Zo verstreek de middag. De warmte van het vuur vulde mijn hoofd. Ik kreeg barstende koppijn. Of had ik dat al? Ik had tenslotte de afgelopen nacht slecht geslapen. Vol van de ellende die zich weer aan mijn leven had opgedrongen, vol van de angst voor het onbekende: de zweethut.

De hoofdpijn was niet te houden. Ik zag Nisa naar het huisje lopen en ging haar achterna. Of ze iets tegen hoofdpijn had. En zo ja, zou een pilletje het proces in de zweethut beïnvloedden? Nisa gaf me een doosje Finimal. Ik nam twee tabletten, ik wilde snel van de hoofdpijn af. Ik moest toch kunnen ‘genieten’, in die hut.

Twee uur nadat het vuur was ontstoken, twee uur van rust en onrust, van onzekerheid, van nieuwsgierigheid en warmte en langzaam wegzakkende pijn in mijn hoofd, twee uur later waren de stenen heet genoeg om ons in de zweethut beren te laten zweten. De uren (twee, drie, vier?) van de waarheid waren aangebroken. We gingen erin.

Zweethut_00sss

Voordat we naar binnenkropen, vertelde Nisa, dat we een soort gebed moesten opzeggen. Zoiets als degenen – vrienden, geliefden en familieleden – die niet mee naar binnen gingen, groeten. Ik zag dat de anderen zich uitkleedden en vervolgens een handdoek om hun middel knoopten. Dus deed ik hetzelfde. Plotseling zag ik bij de ingang van de hut een paar dikke, blote billen voor me. En toen weer een paar blote billen, minder dik, maar wel ook bloot. Oei, oei. Dat betekende dus, dat we helemáál bloot de hut ingingen. Geschrokken zei ik tegen een van de mannen: ,,Ik heb mijn onderbroek nog aan. Even uittrekken.”

Ik kroop naar binnen, groette degenen die ik achterliet en sloot aan in de kring rondom een gat midden in de hut. Zo zaten we op onze blote billen. Ik knoopte mijn gebedszakjes aan het dak en wachtte af in grote spanning. Ik probeerde een grapje te maken. Enkelen lachten, een beetje vals als je het mij vraagt. Maar het hielp een beetje tegen de onrust.

,,Vuurman, mag ik de eerste steen van u”, riep Nisa. Even later hoorde ik Koen ,,ancestor is coming” (een voorvader komt er aan) zeggen en schoof hij op een greep een gloeiende steen naar binnen. Nisa nam een hertengewei, pakte de steen op en legde hem in het gat, het gat dat toegang gaf tot ‘moeder aarde’. Ze vroeg om nog een steen. Weer een ancestor. Nadat de vierde steen, weer een ancestor was binnengebracht, vroeg de vuurman de hut te sluiten. Hermetisch, er mocht geen toefje licht binnen. De baarmoeder moest potdicht zijn en aardedonker.

Ik hoorde sissen. De ceremonieleider, Nisa, had water over de stenen gegooid. Weer sissen. Ik voelde een dampende hitte. Al na een minuut begon ik te zweten. Ik moest me ontspannen, de lucht inademen, met openstellen en laten komen wat komt. Weer sissen, nog meer zweten. Opnieuw sissen, nog meer zweten. Ik voelde het water langs mijn hoofd, over mijn schouders, over mijn buik, tussen mijn benen door naar beneden spoelen.

We moesten ons concentreren op de gloeiende stenen. Ons inbeelden dat we zakten, diep naar beneden, de aarde in, diep moeder aarde in, diep in onszelf.

Ik probeerde me iets in te beelden, maar zag niks. Ik voelde alleen de hitte en het zweet. Nisa begon op een trommel te slaan, en te zingen. Zoiets als Indianen dat wel doen. Ik moest me mee laten voeren, diep naar beneden, diep naar binnen. Ik moest me voorstellen dat ik op een oneindige vlakte liep, niets te zien, te horen. Me voorstellen dat ik onder een oneindige hemel liep, in een andere wereld, een wereld van droom en fantasie. Me voorstellen dat ik gras zag, bomen, vogels, dieren, de zon en nog veel meer.

Ik zag niets, ik droomde niets, ik voelde alleen het zweet dat uit mijn poriën stroomde. Ik kreeg het benauwd. Hoe lang zat ik hier nu al? Tien minuten? Een kwartier? Een half uur? Ik kreeg het steeds meer benauwd. Zou ik het afleggen? Zou ik stikken in mijn benauwdheid? Nee, maar wat zou er dan gebeuren? Ik wilde eruit, ik moest eruit. Zouden de anderen dat niet willen? Maar, dan moest ik wel eerst om de stenen heen kruipen. Dat wilde ik niet, dat durfde ik niet. Ik bleef zitten. Ik werd overweldigd door een enorme kracht, waartegen ik me niet wilde verzetten.

Anderen begonnen te schreeuwen. Als gekken. De meeste vreemde geluiden kwamen uit hun keel. Gaven ze zich over? Verzetten ze zich? Zetten ze hun verzet kracht bij met hun stem? Ik ging ook schreeuwen. Alsof ik een oerkracht in me opriep. Anderen gingen zingen. Nisa zong verder, ze trommelde verder en zei dat ons niets kon gebeuren. Niets? Ik was gek aan het worden. Was dat dan ‘niets’?

Ik keerde terug in het aanwezig zijn, in de hoop dat ik het toch zou redden. Hoe lang nog? We zaten hier toch al ruim een half uur? Een weer werd ik overweldigd. Ik wilde er uit. Nu! Ik zat vlak naast de deur. Maar ik bleef, liet mijn hoofd zakken, mijn lichaam zakken en ging. Ik ging naar beneden, zeiknat, druipend van het lichaamswater gaf ik me over. Toen ging de deur open. Eindelijk. Ik kroop om de stenen heen en ging naar buiten. Twee mannen gingen mee, de anderen bleven zitten. Op naar de tweede ronde. Vier ronden zouden er zijn. Ik wist het zeker: meer dan twee haal ik niet. Na de derde zal ik stoppen.

Tien minuten en een halve fles water later kroop ik weer naar binnen, de schaamte voorbij. ,,De eerste ronde is het zwaarst”, zei Lisa. Wat nu volgt is a piece of cake.” Ik legde me erbij neer en wachtte af.

De stenen werden een voor een binnengebracht. De hut ging dicht, Nisa gooide water op de stenen, begon te trommelen en te zingen, de anderen zongen mee. Ik niet. Ik durfde niet. Ik kan niet zingen. Nisa begon over de beer, de kracht van de beer, over andere beren en nog veel beren. Ze vroeg ons een lievelingsbeer voor te stellen. Ik zag geen beer, geen ijsbeer, geen wasbeer, geen teddybeer. Ik zweette weer als een otter, kreeg weer hoofdpijn en dacht aan buiten, waar het lekker fris zou zijn. Weer kreeg ik het benauwd, weer werd ik overmeesterd door een kracht die ik niet kende. Weer wilde ik vluchten. Maar ik bleef, ik wist dat ik me met succes kon verzetten tegen de kracht van de hut. Nou ja, ik bleef, maar vraag me niet hoe en waarom.

Ik hield het uit, de tweede ronde had ik overleefd. Ik ging naar buiten en bedacht dat ik het de twee laatste ronden ook wel zou uithouden. Twee keer een halfuur of langer, in die hitte, in die damp, in die verstikkende atmosfeer, dat moest ik toch kunnen?

Ik hield het vol, dat was alles. Hoe Nisa ook trommelde en zong. Hoe de anderen ook schreeuwden en zongen, tekeer gingen als oermensen, ik zag niks in mijn verbeelding. Ik had zware hoofdpijn en voelde me nat, modderig, smerig en verlaten door de mensheid. Ik ging liggen, voor zover dat kon, want dan was de hitte draaglijker. Ik voelde het blote lijf van de vrouw naast me. Ze streelde me, als troost. Af en toe murmelde ik wat, neuriede ik een beetje en dacht: dit ga ik volhouden, wat er ook met me gebeurt.

In de vierde ronde werden alle krachten, voorouders en symbolen aangeroepen. Nisa gooide kruiden op de stenen, van salie tot een raspsel van palosanto en druppels menthol. Ze gaven rust en lucht. Het einde was nabij. Maar Nisa had er nog niet genoeg van. Ze begon met water op de stenen te gooien. De ene na de andere lepel. Ze bedankte de stenen voor alles en nog wat. Er was zoveel om voor te bedanken. Het hield maar niet op. De damp die van de stenen afsloeg was verstikkend. Ik kreunde, anderen begonnen te kreunen. Ik schreeuwde, anderen begonnen te schreeuwen. Hard en harder. Zo heet en zo benauwd had ik het nog nooit gehad. Zo drijfnat was ik nog nooit geweest. Asjeblieft. Stop! Stop! Stop! Ik was nu echt helemaal aan het einde.

,,Open the door”, hoorde ik plotseling. Ik kon niet wachten en kroop als een haas naar buiten. Het was donker buiten, maar het was er heerlijk, fris. Een verademing. Ik zag een man in een badkuip springen. Ik deed hem na en sprong in het groene water, dat uit een poel bleek geschept. Vies water, maar verkwikkend.

Ik ging vervolgens voor de brandende houtstapel staan. Ik liet me drogen. Van voor en van achter. ,,Ben je eigenlijk wel om de stenen heen gekropen?”, vroeg een van de vrouwen. ,,Dat moest wél.” Ik schrok, ik had me niet aan de rituelen gehouden. Zou nu alles voor niets zijn geweest?

Zo zaten we met z’n allen nog een uurtje rondom het vuur, onze lijven in dekens gewikkeld, een kop soep in onze handen. Het was stil, er ging een jointje rond. Er werd wat over ervaringen gebabbeld. Ik zei en hoorde weinig. Ik had hoofdpijn, was helemaal leeg, moe, doodmoe. Bekaf. Zo ontzettend verschrikkelijk moe. Ik was schoon, gereinigd van alle giffen in mijn lichaam – misschien wel van alle giffen in mijn geest.

Tegen middernacht reed ik terug naar huis. Het was aardedonker op het landweggetje van de gewijde plaats naar de bewoonde wereld. Maar de maan scheen en verschafte me zo het licht dat ik nodig had. Of het voldoende licht was om me helderheid in deze wereld te verschaffen, weet ik niet. Eén ding weet ik wel na mijn totale overgave: ik ben sterker dan ik dacht.

Boeddhistisch sport beleven

13 aug

Een sportzomer zoals die zich de afgelopen maanden aan mij ontvouwde, heeft mij veel energie gekost. Het was een voortdurende strijd tussen afkeer en overgave. Met terugkerende vragen als: wat gebeurt er toch met mij, wat en waarom raakt het mij zo, waarom reageer ik zo, wat doet mij soms zo afkeren, waarom ben ik tegen die en voor die ander?

Zijn dat vragen die opkomen bij een mens die graag boeddhist wil zijn omdat het jachtige leven hem vermoeit? Gespannen toezien hoe op leven en dood wordt gejaagd op onbegrensde euforie en onherroepelijk succes. Is dat wat mediteren (als observeren van gewaarwordingen) en contempleren (als op zoek gaan naar gewaarwordingen) oplevert na weer zo’n opwindende reportage?

Ik voelde dat mijn lichaam, en zeker mijn geest, mij een onaangenaam gevoel bezorgde. Spanning die leidde tot rusteloosheid. Soms durfde ik niet te kijken. En als ik dan toch keek, maakte zich aanvankelijk bevriezing van mijn zenuwgestel meester. Eigenlijk bevroor ik mezelf eerst. Ik sprak mezelf toe: blijf rustig, er gebeurt niets ernstigs, laat het maar komen, het gaat toch weer weg. Of dan hoorde ik toch weer een stemmetje: toe maar, leef maar mee, het mag, laat je gaan, het voelt echt fijn erbij te horen.

Zo werd de sportzomer een worsteling. Bij de ene sport meer dan bij de andere, al naar mate commentatoren en media de grenzen van opwinding opzochten of overschreden. Analyses beluisterde en las ik al snel niet meer. Op het televisietoestel zette ik het volume uit. Niet meer dat mijns inziens overbodige, mij te subjectieve commentaar. Ik zag het bij de meeste sporten zelf wel, ik kon zelf wel oordelen. Ik wilde het op mijn manier ondergaan. Met de zintuigen die alleen mij toebehoren.

Ik onderging het allemaal. Bezag de taferelen, de jacht en de strijd in betrekkelijke stilte – vaak was ik alleen. Observatie vanuit een uitkijktoren onder een blauwe hemel, geen wolkje te zien. Met een panoramische blik, of helikopterview, die mij meer (iets anders) kon vertellen over het spel en de jachtpartijen op het beeldscherm dan met toegevoegde mededelingen of commentaren. Wat ik zag en beleefde, was alleen van mij.

Ik liet me verrassen, kon me verwonderen, liet het begaan – al bleef het verlangen naar meer aanwezig, zoals naar een fraai doelpunt of een oogstrelende actie bij voetbal, een demarrage of sprint bij wielrennen, een ongekende slag bij golf en tennis, een oogstrelende als een gazelle lopende atlete. Daarom kijk ik immers naar sport, ben ik er door gefascineerd: iets te zien dat mij nog niet eerder is opgevallen, dat me raakt. Wat ik ook graag had willen kunnen. Ja, begeerte. Ondergaan met een verlangen naar nieuwe inzichten en vergezichten vanuit mijn eigen uitkijktoren – in dit geval mijn bank.

Mindful observeren. Zo benoem ik de wijze waarop ik naar sport heb proberen te kijken. Waarop ik sport heb proberen te ondergaan of beleven. Het geeft een nieuwe dimensie aan mijn observaties. Een nieuw geestverruimend middel. Anders zien en horen, anders beleven.

Het herinnert me aan een ervaring met mijn jeugdvriend Marius die in een tuinhuisje naast het woonhuis van zijn broer leefde. We luisterden vaak samen naar muziek. Vaak onder het genot van een waterpijpje hasj om de muziek een andere (extra, mogelijke diepere) dimensie te geven. We gaven ons over aan de muziek. Ook weer op een andere manier luisteren. Op een avond kwam ik weer bij hem op bezoek. Hij had een plaat opstaan. Ik merkte dat de langspeelplaat te langzaam draaide: langzamer dan 33 toeren. Mogelijk door slijtage aan zijn platenspeler. Ik maakte daarover een opmerking, waarop Marius met een mysterieuze glimlach zei: ‘Ja, het is wat anders. Mooi hè?’

Nadat we een uurtje zwijgend hadden geluisterd naar de ‘nieuwe plaat’, keek Marius me bloedserieus aan. ‘Ik weet wat boeddhisme is’, zei hij. Ik had weleens van boeddhisme gehoord, waarschijnlijk op school bij het vak Godsdienst, maar ik had me er nooit vragen bij gesteld. ‘Dit is boeddhisme’, zei hij. ‘Deze gewaarwording.’ En hij gaf een verklaring. Zo naar muziek luisteren, op een andere manier luisteren. Gewoon door de snelheid te verminderen of te verhogen. Ineens liep de platenspeler langzamer, zomaar. Dat gebeurt, zomaar. Eigenlijk iets ondergaan dat niet gebruikelijk is. Iets op een manier ondergaan die je niet is aangeleerd of opgedrongen omdat het moet.

Wat dat nu met boeddhisme te maken heeft, begreep ik niet. Zijn theorie had toch niets met geloven of met religie te maken. ‘Juist wel’, vond Marius. ‘Je gelooft in wat je ziet, hoort of ruikt, wat je beleeft. Je gelooft niet in wat je hebt van horen zeggen. Je vindt het niet mooi, omdat anderen zeggen dat het mooi is. Je vindt het helemaal alleen zelf mooi. Boeddhisme is het ontwikkelen van je eigen geest.’

Zoiets zei hij. En hij haalde er Allan Ginsberg bij, schrijver/dichter en al in de jaren vijftig vertegenwoordiger van de Beat Generation, een homoseksueel (getrouwd met een man), een man die ‘afweek’ door ‘obsceen’ gedrag. Bevriend met Jack Kerouac – en beïnvloed door William Blake (‘The road of excess leads to the palace of wisdom…You never know what is enough until you know what is more than enough’), zoals ook Jim Morrison van The Doors dat was. Ginsberg was in die tijd (eind jaren zestig) al geïnteresseerd in boeddhisme. Later zou hij boeddhist worden. Ginsberg, niet Marius. Want die overleed op jonge leeftijd, mede omdat hij in het ontwikkelen van zijn eigen geest te ver ging.

Marius had evenals Ginsberg een sterke drang om de grenzen van zijn bewustzijn te verkennen, maar kon het niet lang aan. Opmerkelijk dat Chögyam Trungpa Rinpoche, de vader van mijn (shambhala-)boeddhistische leraar Sakyong Mipham, in de jaren zeventig bevriend bleek te zijn geweest met Ginsberg en andere Amerikaanse dichters. Maar dat terzijde.

Allen Ginsberg (links) met Shögyam Trungpa Rinpoche Allen Ginsberg (links) met Chögyam Trungpa Rinpoche

Marius was geen sporter. Ik herinner me alleen dat hij in een tarzanbroekje in het zwembad verscheen en later vrienden kreeg die iets met oosterse vechtsporten deden. Hij schijnt wel even in een juniorenelftal gevoetbald te hebben. Voetbal volgde hij zeker, vooral de lokale profclub. Hij vond het leuk dat ik een fanatieke voetballer was die het zelfs tot het eerste elftal van mijn plaatselijke club schopte. Hij kwam een keer kijken en zei toen: ‘Goh, jij kunt goed voetballen. Hoe doe je dat toch?’ Dan lachte hij een beetje cynisch.

Dat ik sportverslaggever werd heeft hem niet verbaasd. Verbazing, nee. Hij vroeg zich alleen dingen af. Geen oordeel. ‘Hoe doe je dat dan? Wat doe je dan? Ga je gewoon kijken en schrijf je dan op wat je gezien hebt? Lijkt me leuk. Schrijven wat je gezien hebt. Niet schrijven wat anderen gezien hebben en ervan vinden. Dat zo’n beroep bestaat, sportverslaggever.’

Maar vooral recensent, antwoordde ik. Zoals er ook muziekverslaggevers zijn, literatuur- en kunstverslaggevers. Zij brengen verslag uit van wat zij beluisterd, gelezen en gezien hebben. Verslaggevers die hun eigen inzicht raadplegen en dat op schrift stellen. Zij schrijven net zoals ik dat bij voorkeur doe een recensie, met een analyse en interpretatie – een subjectieve beoordeling dus.

Ik had graag met Marius de afgelopen sportzomer beleefd. Niet gestoord door de stem van een verslaggever die ons opgewonden deelgenoot maakt van zijn kennis en visie. In stilte (zelf) iets ondergaan op een manier die je niet is aangeleerd of wordt opgedrongen. Kijken naar sport alsof je mediteert, alsof je gewaarwordingen slechts observeert, zonder oordeel. Het biedt iets anders, iets nieuws. En het geeft (mij) rust. Marius zou zeggen: ‘Mooi hé? Boeddhistisch naar sport kijken.’

Guus van Holland is vriend van de Shambhala-sangha in Leiden

Deze kwartaalcolumn verschijnt binnenkort op de website van de Vrienden van het Boeddhisme: http://www.vriendenvanboeddhisme.nl/

Is Lionel Messi dan toch ook maar een mens?

14 jul

Dit is de twaalfde en laatste aflevering in de serie Wereldbekerbrieven over spelers, scheidsrechters, coaches en supporters (mensen die zich op het WK onderscheiden door sportief maar ook door onsportief gedrag). De Belgische sociaal betrokken voetbaljournalist Raf Willems en ik voeren een briefwisseling voor de website De Aanvoerders. (http://www.deaanvoerders.nl/nieuws)

messi finale

Vriend Raf,

In deze dagen van opportunisme, snelle meningen en ronkende krantenkoppen denk ik aan jou, jij daar op de fiets met je geliefde op weg van Praag naar Dresden. In stilte genietend van het Duitse landschap en heimelijk van de triomf van het Duitse voetbal. Het Duitse voetbal, door jou uitentreuren met nuance verklaard en uitvoerig beschreven in je boek ‘Het Mannschaftswunder. Waarom de Duitsers de besten zijn’ (2012, Arbeiderspers), dat hopelijk nu eindelijk in Nederland en België serieus wordt genomen en gretig aftrek vindt.

Ik denk aan jouw bescheidenheid, een karaktertrek die in deze dagen van kortzichtige superlatieven, onbeschaamde borstklopperij en loze kreten als trots, aangenaam aanvoelt en mijn hoofd weer tot rust brengt. De bescheidenheid die mij doet denken aan Lionel Messi. Ook een man van weinig uitgesproken woorden. Een man die het liefst met een bal speelt, zoals jij met woorden en gedachten.

Tot zover mijn veronderstelde overeenkomsten tussen Messi en jou. Meer is er niet, vermoed ik. Waarom over Messi? Omdat hij mijn laatste aanvoerder is in deze briefwisseling. Omdat ik graag meevoel met mensen die om een of andere reden niet het uiterste uit zichzelf kunnen halen en hun ultieme doel niet bereiken. En nog meer: zo begenadigd zijn, zo verheerlijkt en aanbeden, zo vaak uitgeroepen tot het beste wat voetbal heeft voortgebracht – en dan toch net niet. Het zal je maar overkomen.

Heilig worden verklaard en dan bijna onvermijdelijk ook zelf gaan geloven dat je heilig bent. En dan toch niet het hoogste doel bereiken. Niet wereldkampioen worden, niet op z’n minst de evenknie worden van Maradona of andere voorgaande grootmeesters van het voetbal. Zoals Pelé en Zidane, die net als Maradona wel wereldkampioen werden.

Ik was toch heilig? Ik zou toch wereldkampioen worden? Ik zou toch mijn volk geven waar het nood aan heeft? Ik was uitverkoren, The chosen one. En nu overkomt mij dit. Het lukt me niet meer, het is alsof mijn geest en mijn lichaam het niet meer kunnen opbrengen. Is het voorbij? Ben ik dan toch een mens?

messi triest
Hopelijk hebben de juryleden die de beste voetballer van het WK moesten kiezen, uit humane overwegingen Messi willen eren en hem daarom de gouden bal geschonken. Om aan te geven dat roem vergankelijk is en dat voetbalsterren ook mensen zijn.

De jury is de zogenaamde FIFA Technical Study Group, oftewel TSG. De groep analyseert (zie de website van de FIFA) al ‘ruim veertig jaar wedstrijden op internationale toernooien en signaleert de nieuwste trends uit de sport’. Ze wil het voetbal ‘structureel verbeteren’ en maakt regelmatig rapporten voor de FIFA, die de wereldvoetbalbond weer deelt met voetbalbonden ‘voor trainings- en educatiedoeleinden’.

Aan het hoofd van de groep staat Jean-Paul Brigger, oud-international van Zwitserland en in 1992 verkozen tot speler van het seizoen in de Zwitserse competitie als speler van FC Sion. Naast Brigger telt de groep nog dertien leden. Bekendste naam is Gerard Houllier, de Franse trainer die in 2001 met Liverpool de UEFA Cup won. En dan is er Sunday Oliseh. De Nigeriaanse oud-prof speelde onder meer bij Ajax en kwam voor Nigeria uit op het WK in 1994 en 1998.

Ook zetelen oud-internationals als Theodore Whitmore (meer dan 100 interlands voor Jamaica), Jaime Rodríguez (50 interlands voor El Salvador), Kwok Ka Ming (96 interlands voor Hongkong) en de Soedanese coach Abdel M. Hussein in de TSG.

Mijn boodschap, hopelijk ook van de studiegroep van de FIFA: dat menselijke gaven niet langdurig en grenzeloos zijn. Natuurlijk wil iedereen die zich heeft laten meeslepen in het voetbalfeest alleen erkenning voor de beste. Zoals velen impulsief roepen dat dit WK het beste toernooi aller tijden was. Hoezo? Niet de afschuwwekkende schoppartijen en gruwelijke overtredingen gezien? Nog zelden vertoond. Niet alle voorgaande 19 WK’s gezien? Ach ja, ik roep ook als ik weer een orgasme krijg: de beste, nog nooit zoiets meegemaakt.

Arjen Robben, Toni Kroos, Bastian Schweinsteiger of anderen waren mogelijk de beste. Maar juist Lionel Messi verdient erkenning vanwege zijn menselijkheid. Hij is dus niet onsterfelijk. Dat is allerminst een troost voor hem, alleen een harde confrontatie met zichzelf.

Als de rook om ons hoofd is verdwenen zullen we mogelijk weer helder kunnen zien en denken. Zoals Jogi Löw dat is blijven doen. Een coach, die door ons, Raf, herhaaldelijk is aangeduid als een man met realistische visie en missie. Geen man van grootspraak, geen man die voortdurend openlijk om erkenning vraagt en anderen de les leest of beschuldigt. Zoals Lionel Messi, ook geen man van grootspraak, ook geen man die voortdurend openlijk om erkenning vraagt en anderen de les leest of beschuldigt. Bescheiden mensen dus.

Gewoon, mensen die het beste uit zichzelf willen halen. Maar de ene keer lukt het, de andere keer niet. Zo zijn we toch allemaal, Raf? Zo gaat het in het leven, zo gaat het in voetbal. Het komt zoals het komt. Dat maakt het leven zo waardevol en voetbal zo opwindend.

Om met een boeddhistisch getint gezegde te eindigen: de zin van het leven is het leven zelf.

Heel veel dank voor je brieven, Raf, ik heb ze als wijze lessen ervaren.

Warme groet,
Guus

Eerder verschenen:
10 juli http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/69 (Philipp Lahm, mondig en sociaal betrokken)
8 juli http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/68 (Hopen op Das schöne Spiel van Jogi Bonito)
6 juli http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/67 (Het Maracana van de favela)
30 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/66 (Smeken om bescherming)
27 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/65 (De verboden kus van Iraanse supporters)
24 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/64 (Bakary Gassama)
21 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/63 (Serey Die)
19 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/62 (Chileense supporters)
17 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/61 (Mario Balotelli)
16 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/60 (Vicente Del Bosque)
13 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/59 (Xavi)

Philipp Lahm, mondig en sociaal betrokken

11 jul

Dit is de elfde aflevering in de serie Wereldbekerbrieven over spelers, scheidsrechters, coaches en supporters (mensen die zich op het WK onderscheiden door sportief maar ook door onsportief gedrag). De Belgische sociaal betrokken voetbaljournalist Raf Willems en ik voeren een briefwisseling voor de website De Aanvoerders. (http://www.deaanvoerders.nl/nieuws)

lahm

Waarde Guus,

In mijn laatste Wereldbekerbrief richt ik evengoed de blik op Duitsland, meer bepaald op de échte en mondige aanvoerder van de Mannschaft: Philipp Lahm. Hij neemt inderdaad geen blad voor de mond. Hij motiveert zijn verhalen met argumenten. Het vrije woord is voor hem heilig. In 2009 legde zijn club Bayern München hem een boete op van 25.000 euro omdat hij in een krant kritische bedenkingen had gegeven op het gebrek aan beleidsvisie. Dat belette hem niet om door te gaan op deze weg.

Zijn bestsellende boek ‘Der feine Unterschied: Wie man heute Spitzenfussballer wird’ schudde in de herfst van 2011 de Duitse voetbalwereld grondig door elkaar. Lahm schuwde de strubbeling niet en liet zijn ongenoegen over een aantal kwesties van de pagina’s spatten. Hij bekritiseerde zijn ex-trainers, coryfeeën met een fameuze staat van dienst – bij zowel de Mannschaft (Rudi Völler) als Bayern (Otto Hitzfeld). Conservatieve commentatoren schreven schuimbekkend dat Lahm als gevolg van zoveel vrijpostigheid zijn aanvoerdersband diende in te leveren. Bondscoach Löw, ook door jou geprezen Guus, haalde het venijn uit het debat met de droge opmerking dat hij Lahm eens een keer zou inviteren voor een goed gesprek.

De rechtsachter kwam met nog een andere eerlijke mening aanzetten: hij had genoeg van het taboe rond homoseksualiteit in het voetbal. Als aanvoerder van de nationale ploeg opperde hij dit statement in alle helderheid. De geruchten rond zijn eigen geaardheid staken in de sensatiepers onmiddellijk de kop op, ondanks het feit dat hij in de zomer van 2010 zijn vriendin de hand had gevraagd.

Hij profileerde zich ook als ambassadeur bij de Wereld AIDS Dag en steunde een campagne tegen kindermisbruik. Na een bezoek aan de townships van Zuid-Afrika lanceerde hij de eigen Philipp Lahm Stiftung für Sport und Bildung. Die bestaat tot vandaag en steunt kinderen bij, ik citeer even de officiële tekst van de website: ‘de ontdekking en opbouw van hun individuele sportieve en persoonlijke vaardigheden.’ Zowel in Zuid-Afrika als in Duitsland, waar hij vooral oog heeft voor jongeren met een migratie-achtergrond. Net voor het EK van 2012 hield hij een pleidooi voor de bescherming van de mensenrechten in Oekraïne en sprak hij zich ook uit voor de vrijlating van Joelia Tymosjenko. Philipp Lahm wordt beschouwd als een van de beste rechtsachters ter wereld.

Bondscoach Löw overhandigde hem de aanvoerdersband bij het WK 2010 nadat Michael Ballack door een blessure werd geveld. Niet eerder had een speler op de leeftijd van 25 jaar de officiële leiding over de Mannschaft gekregen. Hij gedroeg zich alsof het hem niets deed, ondanks alle heibel in de media. Hij miste geen minuut van de Wereldbeker. Dit was hem ook al gelukt in 2006. Philipp Lahm is een efficiënte ontleder van wedstrijdsituaties. Hij laat zich amper in zijn hemd zetten door zijn directe tegenstander. En onder leiding van Pep Guardiola leerde hij ook nog voetballen op het middenveld, in de 4-1-4-1 als schakel tussen verdediging en aanval.

Philipp Lahm is veelzijdig maar hij is vooral de aanvoerder van de Mannschaft. Mondig, met motivatie.

Benieuwd naar jouw laatste wereldbekerbrief, vriend Guus. Deze correspondentie was mij alvast een waar genoegen. Ik ga nu een weekje fietsen tussen Praag en …Dresden.

Van harte,

Raf Willems

Eerder verschenen:
8 juli http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/68 (Hopen op Das schöne Spiel van Jogi Bonito)
6 juli http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/67 (Het Maracana van de favela)
30 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/66 (Smeken om bescherming)
27 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/65 (De verboden kus van Iraanse supporters)
24 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/64 (Bakary Gassama)
21 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/63 (Serey Die)
19 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/62 (Chileense supporters)
17 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/61 (Mario Balotelli)
16 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/60 (Vicente Del Bosque)
13 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/59 (Xavi)

Alfredo Di Stéfano, mijn eerste voetbalidool

9 jul

distefano

Deze necrologie schreef ik in juli 2014 naar aanleiding van het overlijden van Alfredo Di Stéfano, een van de grootste voetballers aller tijden, een speler met een mythische uitstraling. Hij was mijn eerste voetbalidool.

Tijdens een wandeling in de straten rond het Santiago Bernabeustadion van Real Madrid werd Alfrédo Di Stéfano vorige week zaterdag getroffen door een hartaanval. Het was een dag nadat hij 88 jaar was geworden. Maandag overleed de legendarische Spaanse voetballer, Argentijn van geboorte. Velen noemden hem een van de beste spelers aller tijden, mogelijk zelfs de meest complete voetballer.

In 2005 kreeg Di Stéfano zijn eerste hartaanval. Hij onderging enkele operaties, en bleef mede door een pacemaker goed functioneren. Vorig jaar verloofde Di Stefano, die tien jaar geleden weduwnaar werd, zich met de 36-jarige Costa Ricaanse Gina Gonzalez, ondanks fel verweer van zijn vijf kinderen die hem te kwetsbaar voor een tweede huwelijk vonden en hun vader ontoerekeningsvatbaar wilden verklaren. Gonzalez hielp hem bij het schrijven van zijn autobiografie.

di stefano en gina
‘La saeta rubia’ (de blonde pijl) werd Alfredo Di Stéfano genoemd toen hij eind jaren veertig als middenvoor deel uitmaakte van het sterrenelftal van River Plate, Buenos Aires. Di Stéfano was een razendsnelle aanvaller en later middenvelder die tot aan zijn veertigste veelvuldig scoorde. De Argentijn speelde voor ’s werelds beste clubs, voor River Plate, Millonarios Bogotá en Real Madrid. Voordat Pelé, Maradona en Cruijff zich als grote voetballers manifesteerden, werd Di Stéfano beschouwd als de beste ter wereld.

Dankzij Di Stéfano, zoon van Italiaanse ouders die even buiten Buenos Aires een boerderij dreven, groeide Real Madrid uit tot een voetbalgrootmacht. Dankzij de Argentijnse middenvoor, linksbuiten Francisco Gento en linksbinnen Ferenc Puskas won de club van Realvoorzitter Santiago Bernabéu in de jaren vijftig en zestig zesmaal de Europa Cup. Di Stéfano scoorde in alle finales. Vooral dankzij dit trio kon Bernabéu in Madrid een nieuw stadion bouwen, een stadion met een capaciteit van 100.000 toeschouwers waarin ‘de Koninklijke’ nog altijd speelt.

distefano3
Voor 70.000 dollar kocht Bernabéu in 1953 Di Stefano van Millonarios uit Colombia. Hij was aartsrivaal Barcelona en enkele Italiaanse clubs te slim af. Mede ook dankzij bemoeienis van Generalissimo Franco, die ‘zijn’ club wilde versterken. Di Stéfano, 27 jaar intussen, maakte als aanvaller van Millonarios (waarvoor hij 267 doelpunten in 292 doelpunten maakte), indruk tijdens een toernooi in Madrid. De blond gekuifde Di Stéfano stal meteen ieders hart. Hij scoorde niet alleen, hij was de spelmaker van Millonarios, dat het toernooi overtuigend won. De toeschouwers in het Chamartin-stadion van Madrid waren laaiend enthousiast. Een paar maanden later stond Di Stéfano in Madrid tegenover Barcelona. Real won met 5-0, Di Stéfano scoorde viermaal.

Iedere voetballende jongen droomde er vroeger van in het elegaal witte tenue van Real Madrid te kunnen spelen. Naast Francisco Gento, de Hongaar Ferenc Puskas, de Fransman Raymond Kopa, de Argentijn Hector Rial, de Uruguayaan José Santamaria maar vooral naast Di Stéfano, de razendsnelle, getructe en strategisch geslepen aanvaller. Di Stéfano werd tweemaal (1957 en ’59) uitgeroepen tot de beste voetballer van Europa. Heel weinig mensen hadden in die tijd al (zwartwit)televisie. Voetbal werd spaarzaam uitgezonden. Maar wanneer een film of samenvattend verslag van Real werd vertoond, werd duidelijk dat in het ‘koninklijke’ wit droomvoetbal werd gespeeld. Betere voetballers bestonden er niet in Europa – alleen in Brazilië waar Didi, Garrincha, Vava en vooral Pelé klaar stonden om de wereld te veroveren.

Di Stéfano speelde kort in het Argentijnse elftal, een paar maal in het Colombiaanse elftal en 31 maal het Spaanse elftal. Toch kon hij nooit schitteren op een wereldtoernooi, of hij was geblesseerd of ‘zijn’ land kon zich niet kwalificeren.

De meest memorabele wedstrijden met Di Stéfano waren de Europa Cup-finale van 1960 (Real won met 7-3 van Eintracht Frankfurt: vier doelpunten van Puskas, drie van een weergaloze Di Stéfano). In het Hampden Park van Glasgow waren 127.000(!) toeschouwers getuige van deze demonstratie. https://www.youtube.com/watch?v=1H_89ue5s20.

En ten slotte de memorabele finale van 1962 (Real verloor met 5-3 van het Benfica van Eusebio ondanks drie doelpunten van Puskas, maar de 36-jarige Di Stéfano was voorgoed verslagen). In 1964 vertrok hij naar Espanol, waar hij als 38-jarige in twee seizoenen nog 19 keer scoorde.

Als 16-jarige debuteerde hij bij River Plate. Als jonge aanvaller maakte hij de glorieperiode (eind jaren veertig) mee van de club uit Buenos Aires. La Máquina (de machine), zo werd het elftal genoemd. Toen in 1998 Di Stéfano samen met Gento in Amsterdam was naar aanleiding van Champions League-finale Real Madrid-Juventus werden enkele journalisten uitgenodigd met deze oude sterren (71 en 74 jaar) in het Amsterdamse restaurant d’Vijff Vlieghen de lunch te gebruiken. Het lukte mij aan tafel tegenover ‘de blonde pijl’ te gaan zitten. Terwijl Di Stéfano de ene sigaret na de andere opstak en het ene glas witte wijn na het andere dronk, vroeg ik hem wie hij de beste voetballer aller tijden vond. ,,José Manuel Moreno’’, zei Di Stéfano kort en nam meteen een slok. Moreno bleek de rechtsbinnen van River Plate, die Di Stéfano altijd van de beste passes voorzag.

distefano2
Na de lunch liep het gezelschap rond Di Stéfano en Gento over de Amsterdamse grachten naar een fanshop van Real Madrid die door de oude sterren geopend zou worden. Geen mens die de oude meesters herkende. Di Stéfano keek tijdens de wandeling nauwelijks om zich heen en mompelde wat over de verloren finale van 1962 in Amsterdam tegen Benfica. Gento zag een leeg blikje cola liggen en begon wat dribbels te demonstreren. Waarop Di Stéfano eindelijk lachte en zei: ,,Paco (de bijnaam van Gento).”

Di Stéfano was de jonge held van River Plate, de club die hij samen met andere voetballers tijdens een Argentijnse spelersstaking voor Millonarios Bogotá verruilde. Bij de Ballet Azul (het blauwe ballet) werd hij opnieuw een held. Zoals vier jaar later in Madrid, bij de Koninklijke. Als coach was hij minder succesvol. Hoewel hij nog met Boca Juniors Argentijns kampioen werd, met River Plate hetzelfde deed, en met Valencia Spaans kampioen werd en de Europa Cup voor bekerwinnaars won.

Zijn afscheidswedstrijd als voetballer kreeg hij in 1966. Di Stéfano was 40 jaar, hij had last van een versleten rug. De wedstrijd werd gespeeld in het oude Chamartin-stadion van Madrid. Hij verliet na afloop in tranen het veld. Hij was vijf keer topscorer van Spanje, scoorde voor Real in 282 wedstrijden 218 keer. In zijn hele profloopbaan maakte Di Stéfano 893 doelpunten. In 1991 kozen Europese voetbaljournalisten op verzoek van France Football hun beste Europese speler aller tijden. Di Stéfano werd royaal winnaar vóór Cruijff, Beckenbauer en Platini.

Zijn zeldzame voetbaltalent valt nauwelijks te beschrijven. Buiten het huis van de erevoorzitter in Madrid staat een monument. Niet van hem als voetballer, maar van een bal. Want zo zei Di Stéfano ,,Niet de voetballer maar de bal moet worden geëerd.’’
Zie hier zijn uitvaart: https://m.youtube.com/watch?v=S1LQOWTsuBo

Deze necrologie werd dinsdag 8 juli gepubliceerd in NRC Handelsblad

Hopen op Das schöne Spiel van Jogi Bonito

8 jul

Dit is de tiende aflevering in de serie Wereldbekerbrieven over spelers, scheidsrechters, coaches en supporters (mensen die zich op het WK onderscheiden door sportief maar ook door onsportief gedrag). De Belgische sociaal betrokken voetbaljournalist Raf Willems en ik voeren een briefwisseling voor de website De Aanvoerders. (http://www.deaanvoerders.nl/nieuws)

Hier mijn antwoord op Rafs brief Het Maracana van de favela.

Löw

Vriend Raf,

Zoals ik je al schreef kijk ik altijd met speciale belangstelling naar de Duitsers en vooral naar hun coach Joachim Löw. Die nieuwsgierigheid dateert van onze ontmoeting begin 2012 bij jouw uitgever naar aanleiding van het boek ‘Het Mannschaftswunder’ (2012, De Arbeiderspers) van jouw hand. Het was het begin van mijn fascinatie voor het nieuwe Duitse voetbal dat na 2002 begon bij Berti Vogts en waarin Jürgen Klinsmann en Jogi Löw de projectontwikkelaars waren.

Uit jouw boek en zeker uit het boek waaruit je ook inspiratie putte, ‘Joachim Löw und sein Traum vom perfekten Spiel’ (2011, Verlag Die Werkstatt), begreep ik hoe de cultuuromslag in het Duitse voetbal tot stand was gekomen en zich verder ontwikkelde. Ik bracht bezoeken aan Löws biograaf Christoph Bausenwein en bij hem om de hoek in Neurenberg aan lezingen van de Deutsche Akademie für Fusball-Kultur , en raakte onder de indruk van wat zich in Duitsland allemaal afspeelde rond de nieuwe voetbalcultuur.

Löw predikte in stad en land Das schöne Spiel, een weergave van zijn bezoeken aan de Spaanse, Zwitserse, Franse en Hollandse voetbalschool. Zo moesten alle Duitsers voetballen, zo moest de voetbaljeugd worden opgeleid. Voetbal gebaseerd op plezier, balvaardigheid, sportiviteit, samenwerking, compassie en aanvalslust. Het resultaat stond niet voorop, maar het spel. Als het spelers en toeschouwers maar de ultieme spelvreugde verschaft. En: reactievoetbal kan ook mooi zijn, als het maar snel wordt uitgevoerd. Wat Löw toen al predikte, daarvan vind ik nu veel terug bij de visie van Louis van Gaal.

Löw heeft (in eerste instantie als de rechterhand van Jurgen Klinsmann) veel bereikt in Duitsland, waar het voetbal nog meer in populariteit steeg en het voetbal van het nationale elftal aantrekkelijker wat betreft samenspel en techniek dan ooit werd. Maar als het volk (vooral de populistische media) resultaat wil en het de uitschakelingen in halve finales zat is, dient de regisseur van ’s lands voetbal te volgen. Dan maar geen Schönes Spiel. Resultaat, titels wil men. Die roep achtervolgt Löw steeds meer. Winnen van Brazilië in de halve finale en dan de wereldtitel! Maakt niet uit hoe!

De Brazilianen hebben al jaren geleden (werd op het WK 1970 niet het mooiste voetbal gespeeld, met Pelé, Rivelino, Gerson, Carlos Alberto, Jairzinho?) hun Jogo Bonito (mooi voetbal) afgedankt ondanks de aanwezigheid van een onuitputtelijk arsenaal aan balkunstenaars. En het de vrees bestaat dat de Duitsers (onder druk van de media) terugvallen op hun oude Duitse stijl, hoe mooi en snel de combinaties nog vaak zijn. Bovendien houdt de fraaie technicus Mesut Özil zich niet meer staande in het toenemende brute geweld in de Braziliaanse stadions en druipt hij mogelijk anoniem af.

‘Jogi Bonito’ (zoals Löw vaak in Duitsland is genoemd) steunt nog op prachtige voetballers als Philipp Lahm, Mats Hummels, Toni Kroos, Mario Götze, Bastian Schweinsteiger, op de beste (meespelende) doelman Manuel Neuer, de tomeloze spits Thomas Müller (o hoe Duits), Sami Khedira, het soms nog heersende vernuft van Mesut Ozil en het opkomende talent van Mario Gotze. Maar Löw dreigt zijn visie te verliezen.

Toch is en blijft hij als trainer mijn aanvoerder. Hopelijk lukt het hem met Das schöne Spiel de wilde, chaotische Braziliaanse erfgenamen van O Jogo Bonito te overmeesteren.

Want we zijn het toch eens? Wat zich op de Braziliaanse velden afspeelt, is vaak hemeltergend onsportief en vooral ruw. De meeste scheidsrechters kunnen het niet meer aan: hoe nog een wedstrijd volgens de spelregels te laten verlopen als veel spelers meer oog voor de benen van een tegenstander hebben dan voor de bal? Daarom zou winst voor de Duitsers op de Brazilianen wanneer zij ons vergasten op vreugdevol en sportief spel (volgens de leer van Löw) een zegen zijn voor het voetbal. En dan in de finale tegen het Oranje van Louis van Gaal. Twee coaches die van mooi, snel en effectief (reactie)voetbal houden.

Ik houd mijn hart vast tegen de opgewonden Brazilianen, Raf

Warme groet

Guus

Eerder verschenen:
6 juli http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/67 (Het Maracana van de favela)
30 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/66 (Smeken om bescherming)
27 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/65 (De verboden kus van Iraanse supporters)
24 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/64 (Bakary Gassama)
21 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/63 (Serey Die)
19 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/62 (Chileense supporters)
17 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/61 (Mario Balotelli)
16 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/60 (Vicente Del Bosque)
13 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/59 (Xavi)

Het Maracana van de favela

6 jul

Dit is de negende aflevering in de serie Wereldbekerbrieven over spelers, scheidsrechters, coaches en supporters (mensen die zich op het WK onderscheiden door sportief maar ook door onsportief gedrag). De Belgische sociaal betrokken voetbaljournalist Raf Willems en ik voeren een briefwisseling voor de website De Aanvoerders. (http://www.deaanvoerders.nl/nieuws)

Hier Rafs antwoord op mijn brief Smeken op bescherming.

BRAZIL-FAVELA-MARACANA-DEMOLITION

Waarde Guus,

Ik vertel je vandaag graag even over mijn ontmoeting met Nathanaël. Ze vond plaats tijdens de Confederations Cup precies een jaar geleden. Ik was daar in functie van mijn boek ‘Brasil 14’. Hij vertelde toen over zijn droom, die van een ‘wereldbeker voor straatkinderen’. Die hebben we tijdens het WK 2014 helpen realiseren, onder impuls van mijn gids en Braziliëkenner Patrik Van Hove. Meer dan 600 straatkinderen uit Rio en Recife namen deel aan de alternatieve wereldbeker, waarvan de opbrengst ten goede zal komen aan het project van Nathanaël. Voor mij is hij nu eventjes dé aanvoerder. Verdiep je in zijn verhaal en sta even stil bij zijn situatie.

We staan op wandelafstand van Maracana, in een buurt die nog altijd een kwade naam draagt maar die enige tijd geleden het brandmerk droeg van ‘gevaarlijkste punt van Rio’.

Nathanaël weet er één en ander van, want hij leidde een drugsbende en werd zelfs voor enkele jaren de nor ingedraaid. Daar besloot hij iets zinvols te doen met zijn leven: ,,Dit voetbalveld en deze club zijn geboren aan de waterput die achter het zwembad lag. De herinnering is voor mij blijvend én ingrijpend omdat ze mijn manier van zijn heeft overhoop gegooid. De waterput dus: eerst hebben ze me daar opgepakt en me tot de gevangenis veroordeeld. Toen ik de cel verliet heb ik daar het zaadje geplant. Zoals de bron van het water aangeeft, begreep ik het beeld dat me toeliet om opnieuw te beginnen. Ik stapte op de waterput af en zag in mijn verbeelding het voetbalveld liggen. Bij mijn vrijlating stond het gras één meter hoog. Bij wijze van therapie deed ik het met de sikkel af. Ik kuiste ook met mijn eigen handen het vervallen zwembad op en onderhield het. Met steun van de overheid hebben we dan aan het zwembad een veldje gelegd. Intussen is het dagelijks bestaan hier fel verbeterd. Het geweld in de favela’s komt van de drugsbendes. Er is veel groepsdruk van vrienden onder elkaar en de maffia profiteert daarvan. Er gebeurden hier slechte dingen.”

Nathanaël trilt even van emotie en herhaalt de zin een keer of vijf. Hij gaat nog even terug naar het verleden: ,,Destijds waren er geen sociale werkers in de favela’s en konden de zwarten niet naar school. De donkere kinderen moesten op jonge leeftijd aan de slag en wegens gebrek aan alternatief betekende dat vaak de drugseconomie. Sinds we begonnen zijn met ons voetbalveld stellen we vast dat het gebruik onder jongeren afneemt in deze omgeving. We hebben voetbalverenigingen georganiseerd. Elke zaterdag en zondag voetballen hier nu zestien clubs uit de favela en komen er meer dan drieduizend mensen kijken. Alle poorten gaan open voor ons buurtvoetbal. Er wordt vrijwel dagelijks getraind op wat wij omschrijven als ‘Villa Olimpica’. Dit veld is onze Maracana, het is van deze favela, het is van ons. Ik garandeer je volgend driehoekje: door het voetbal daalde zowel het aantal drugsverslaafden als geweldplegingen als moorden. Dat verband is zo duidelijk als twee plus twee vier is. Als jongeren de bal zien en zich samen amuseren, dan blijven ze van de drugs af. Ik heb gekozen voor de verandering. Deed ik dit niet, dan zat ik hier niet maar lag ik onder de grond. Het voetbalveld dient voor de mensen van de favela als ontmoetingplaats en om van het leven te genieten. Ik bleef hier hangen, ben hier getrouwd en heb twee kinderen. Terwijl ik destijds in de hardste gevangenis van Rio verbleef waar de politie ons zeer agressief behandelde. Wanneer ik vandaag door de straten van de favela loop, dan verwittigt men mij wanneer er problemen dreigen te ontstaan. Men ziet in mij de geschikte bemiddelaar. We hebben twintig jeugdelftallen. Als er veel volk komt, zorgt één straat van de bairro voor de beveiliging. We hebben in wezen de politie niet nodig. Dat noemt men zelforganisatie.”

BRAZIL-FAVELA-MARACANA-DEMOLITION
Nathanaël doet zijn verhaal met gereserveerde trots. Hij is zich bewust van zijn verleden maar speelt ook zijn toekomstige troeven uit: ,,Ik heb een droom: een uitwisseling van ons project met kinderen uit andere favela’s in Rio. Vanuit de boodschap: het voetbal kan marcheren als opvoedkundig en vredelievend element. Het kan het geweld in de favela afremmen en zelfs stoppen. Voetbal als moment om te ‘relaxen’. Als alternatief voor de vechtpartij. Dat tracht ik hen bij te brengen. En het voelt goed aan. Ik vergeet nooit hoe het begon: met een waterput.”

Rondom het veld zie ik bomen met gele seringen. Waar eens die waterput moet hebben gestaan.’

Ik krijg er nog steeds eventjes koud en warm tegelijk van, vriend Guus. Wat jij?
Maar ik ben vooral bij dat we die ‘Wereldbeker Straatkinderen’ tot een goed einde hebben gebracht. Voor meer info, lees: http://www.favelabrasil14.be. Warm aanbevolen.

Van harte,

Raf Willems

Eerder verschenen:
30 juli http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/66 (Smeken om bescherming)
27 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/65 (De verboden kus van Iraanse supporters)
24 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/64 (Bakary Gassama)
21 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/63 (Serey Die)
19 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/62 (Chileense supporters)
17 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/61 (Mario Balotelli)
16 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/60 (Vicente Del Bosque)
13 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/59 (Xavi)

Smeken om bescherming

1 jul

Dit is de achtste aflevering in de serie Wereldbekerbrieven over spelers, scheidsrechters, coaches en supporters (mensen die zich op het WK onderscheiden door sportief maar ook door onsportief gedrag). De Belgische sociaal betrokken voetbaljournalist Raf Willems en ik voeren een briefwisseling voor de website De Aanvoerders. (http://www.deaanvoerders.nl/nieuws)

Hier mijn antwoord op mijn brief over de verboden kus van Iraanse supporters

robben dive
Vriend Raf,

Die kus die twee Iraanse supporters elkaar demonstratief gaven, waarover jij mij in de vorige brief schreef, staat voor mij voor universele verbroedering en liefde. Om daarvan juist in een voetbalstadion te getuigen, is ontroerend en zet me aan het denken. Werd er op het veld ook maar meer aan verbroedering gedaan.

Ik zou graag in navolging van jou een maatschappelijk probleem willen aandragen. Maar dat kun jij beter, daar ben jij een meester in. Bovendien word ik tijdens het WK steeds meer geraakt door gedrag dat in niets op verbroedering lijkt. Zodra de volksliederen verstomd zijn, worden motto’s als Respect en Fair Play verdrongen.

De belangen zijn groot. Nationale eer, roem, geld. Wie wint is een held, wie verliest wordt verstoten of besmeurd met pek en veren. Zelfs in serieuze media krijgt het onderbuikgevoel bij de prestaties van topsporters steeds meer ruimte. Ik wil best begrijpen dat veel voetballers op een WK alle middelen aangrijpen om te winnen of gewoon hun verstand verliezen.

Neem Arjen Robben, momenteel de held van de natie Nederland. Een opwindende voetballer die van de ene minuut op de andere een wedstrijd kan doen kantelen én beslissen. Razendsnel, technisch begaafd en gezegend met een uitstekende, vaak doeltreffende, traptechniek. Als tegenstander sta je meestal machteloos, vooral als je hem in je eentje moet bestrijden.

Hoe kun je hem met sportieve middelen bestrijden? Is dat überhaupt mogelijk? Vrijwel niet. Je wordt er gek van. Maar gekker word je wanneer hij ineens gaat liggen, zonder dat je hem geraakt hebt. En nog gekker als hij dat met veel misbaar en geschreeuw doet, in de hoop dat de scheidsrechter hem een vrije trap (of liever: strafschop) geeft. Razend word je. Je staat machteloos. Zelfs de scheidsrechter, de man van wie je ten einde raad hulp verwacht, staat machteloos.

Robben heeft een excuus voor zijn misbaar en schwalbes. Hij is al zo vaak geschopt door onbeholpen, brute verdedigers. Hij is al zo vaak geblesseerd geraakt, dat de angst om weer weken, maanden of langer wedstrijden te moeten missen diep zit. Het is smeken om bescherming. En dan is er nog zijn voorbeeldige verbetenheid, de absolute wil om te winnen en er alles uit te slepen wat mogelijk is.

Ik weet het niet, Raf. Zo is er altijd een excuus. Voor al die voetballers die om een of andere reden de spelregels overtreden. Het klinkt als van wielrenners die doping nemen omdat zij anders de wedstrijden niet kunnen volbrengen (laat staan winnen), de sponsors niet kunnen behagen en de supporters, de media en de natie niet teleur willen stellen. En: omdat iedereen het doet. Omdat iedereen de spelregels overtreedt. Of omdat het nu eenmaal bij topsport hoort?

Ik schrijf dit niet om Arjen Robben te veroordelen. Ik zie dat niet als mijn taak. En: misschien zou ik in zijn belangrijke, uitverkoren positie ook vallen over een been van een tegenstander dat er niet is. Ik wil hem en het gedrag van al die voetballers (en topsporters in het algemeen) zeker leren begrijpen. Maar ik vraag me wel af of de amateurvoetballers en junioren zich straks ook zo gaan gedragen (of misdragen) als veel spelers op het WK? Want winnen ten koste van alles, dat moet. Toch?

Daar is Arjen Robben in zijn jacht op de wereldtitel natuurlijk niet mee bezig. Scoren en winnen, daar gaat het om. Wie niet scoort en niet wint heeft afgedaan.

Verbroedering, Raf, zoals bij die kus van Iraanse supporters, is een betrekkelijk begrip bij het bedrijven van topsport in het algemeen en voetbal in het bijzonder.

Ik geniet, Raf. Zeker ook van Arjen Robben. Laat dat duidelijk zijn. Ik raak opgewonden en laat me meeslepen door oergevoelens. Wat doet voetbal toch met een mens? Begrijp jij het?

Vriendelijke groet,

Guus

Eerder verschenen:
27 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/65 (De verboden kus van Iraanse supporters)
24 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/64 (Bakary Gassama)
21 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/63 (Serey Die)
19 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/62 (Chileense supporters)
17 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/61 (Mario Balotelli)
16 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/60 (Vicente Del Bosque)
13 juni http://www.deaanvoerders.nl/nieuws/59 (Xavi)