Archief | 2013

Organisator Winterspelen Vancouver beschuldigd van geweld en seksueel misbruik van schoolkinderen

5 dec

furlong
John Furlong, de gedreven, immer stralende, nu 63-jarige voorzitter van het organisatiecomité van de Winterspelen 2010 in Vancouver, heeft iets uit te leggen. Vooral aan veel kinderen die hem in het verleden als sportleraar hebben meegemaakt. De onafhankelijke Canadese journaliste Laura Robinson ontdekte na grondig onderzoek dat Furlong jarenlang (eind jaren zestig, begin jaren zeventig) kinderen van de oorspronkelijke Canadese bevolking (First Nations, Indianen dus) heeft geslagen en seksueel misbruikt – ten einde de kinderen (de blanke) mores te leren.

Robinson, een gelauwerd onderzoeksjournaliste, publiceerde haar eerste verhaal over het wangedrag van Furlong in september 2012 in Georgia Straight, een weekblad in Vancouver. http://www.straight.com/news/john-furlong-biography-omits-secret-past-burns-lake. Ze voerde daarin een groot aantal getuigen op. Bovendien had zij ontdekt dat Furlong heeft gesjoemeld met data over zijn afkomst (Ierland) en zijn emigratie naar Canada. Furlong ontkent en wordt daarin gesteund door de belangrijkste Canadese sportorganisaties, die geen reden zien om aan de integriteit van de eminente voorzitter van Vancouver 2010 te twijfelen en niet hun eigen beoordeling en bewondering ten aanzien van Furlong aan een nader onderzoek te onderwerpen.

De Canadese sportautoriteiten slaan zich liever op de borst over de organisatie van de Winterspelen in Vancouver en prijzen vooral Furlong om zijn bevlogenheid, zoals hij die in zijn autobiografie Patriot Hearts uitvoerig en met veel egostrelingen beschrijft. Furlong is niet voor niets voor zijn werk als organisator veelvuldig onderscheiden: Officer of the Order of Canada (May 6, 2010), Order of British Columbia (2010), Olympic Order (2010), Paralympic Order (2010). Hij maakt in zijn boek nog eens duidelijk hoe hij de First Nations (de oorspronkelijke bewoners) bij de Spelen heeft betrokken en als sportleraar op een katholieke kostschool goed missiewerk heeft verricht.

Robinson kwam er achter dat Furlong al vijf jaar eerder in Canada werkzaam was dan hij in zijn boek aangaf. Eén van de vele leugens, aldus Robinson. Hij noemde nergens de naam van de school waar hij in Canada gedurende die periode werkzaam was geweest. Ze werd vervolgens getipt door een vertegenwoordiger van de First Nations, waarna zij haar onderzoek begon en steeds meer wrange details over Furlongs verleden in Ierland en als sportleraar in Canada vond. Onderzoek van Robinson leerde dat hij op Prince George College het sportprogramma leidde. Op de Facebookpagina van de school vond zij oud-leerlingen waarop zij samen met Furlong stonden.

De Indiaanse kinderen die werden verplicht naar de katholieke missionarissenschool te komen verklaarden tegenover Robinson dat zij van school wegliepen, omdat zij mishandeld werden. De politie (Royal Mounted Canadian Police) had ze teruggebracht, waarna zij vervolgens door Furlong (lichamelijk) gestraft werden omdat ze tegen de politie hadden gelogen over mishandeling op school. Volgens Furlongs autobiografie speelde de Ier in zowel het nationale Ierse handbal- als basketbalteam, speelde tegelijkertijd Gaelic football voor Dublin en was hij coach van het nationale Ierse vrouwenbasketbalteam. En dat allemaal toen hij 23 jaar oud was? Onmogelijk, meent Robinson met overtuiging.

Furlong probeerde eerst Georgia Straight aan te klagen. Maar zag daar uiteindelijk vanaf. Nu jaagt hij op Robinson zelf en daagt hij haar voor de rechtbank. http://www2.macleans.ca/2013/02/16/the-woman-behind-an-olympic-war-2/. Robinson (een oud-amateurwielrenster http://www1.uwindsor.ca/womensstudies/system/files/Laura_Robinson_Biography.pdf), die artikelen en boeken heeft geschreven onder andere over vrouwen en seksualiteit in de sport, over seksueel misbruik bij jongens in ijshockey (Crossing the line) en over racisme in basketbal, heeft voldoende belastende verklaringen in handen om Furlongs wangedrag te verduidelijken. Maar zij vreest de macht van de Canadese sportautoriteiten (zoals Own the Podium http://ownthepodium.org/Resources.aspx?lang=en-CA, het belangrijkste sportorgaan) en het Canadees Olympische Comité die geen oog hebben voor de trauma’s van een groot aantal ex-leerlingen van de katholieke school in Prince George en Burns Lake, waarop Furlong les gaf.

Drie ex-leerlingen hebben (tevergeefs) een aanklacht ingediend bij de politie, wegens seksueel misbruik van Furlong. Acht ex-leerlingen hebben een getekende verklaring afgegeven waarin zij hun vroegere sportleraar betichten van fysiek en verbaal geweld. Zoals jongens bij het ijshockey keihard met de stick op de rug slaan, kinderen bij de haren slepen, in het gezicht slaan, lijfstraffen, kinderen uitschelden voor ‘lazy indians’. Een groot aantal andere ex-leerlingen hebben anonieme verklaringen gegeven, anoniem mede omdat zij ondanks jarenlange psychotherapie nog altijd bevreesd zijn voor de machtige hand van Furlong.

Een paar weken geleden deed Robinson haar relaas in Aarhus tijdens Play the Game, een tweejaarlijks congres waarin de wantoestanden in de sportwereld (zoals matchfixing, gesjoemel met dopingregels door autoriteiten en controleurs, bevoogding en onderdrukking van topsporters, corruptie en omkoping bij IOC- en FIFA-officials rond de biddings en de organisatie van mega-evenementen, zoals Olympische Spelen en WK voetbal) werden belicht door wetenschappers en onderzoeksjournalisten (300 uit de hele wereld). Een dag voor haar presentatie probeerde een advocatenkantoor namens Furlong Robinson ervan te weerhouden de geschiedenis van de organisator van de Winterspelen weer te geven. De organisatie van Play the Game werd gedreigd met een rechtszaak als zij Robinson haar presentatie liet geven.

Jens sejer
Jens Sejer Andersen, de directeur van het congres, reageerde laconiek door terug te mailen dat de censuur in Denemarken al 150 jaar is afgeschaft. De dreigementen van de Canadese juristen haalden de Canadese media. Furlong mocht voor tv-camera’s zeggen dat hij door de verhalen van Robinson ,,door een hel is gegaan”. Hij ontkent alles. Robinson beschikt over tal van verklaringen die zij graag voor de rechtbank wil toelichten.

Intussen kan zij haar werk als freelance-journaliste niet uitvoeren, hangende de rechtszaak tegen haar. Zij kan als freelancer niet steunen op een journalistenverzekering. Robinson heeft daarom een fonds opgericht waarop sympathisanten een donatie kunnen geven. The Laura Robinson Defense Fund. http://www.huffingtonpost.ca/2013/12/03/laura-robinson-funding_n_4379938.html

Robinson attaqueerde in Aarhus nogmaals de Canadese sportorganisaties die zij verwijt achter deze man te blijven staan, of domweg erover te zwijgen, terwijl er tientallen mensen van First Nations met verbaal, lichamelijk en seksueel geweld zijn bejegend door Furlong. Ook de Canadese politie-autoriteiten (Royal Mounted Canadian Police) krijgen ervan langs omdat zij de aanklachten jegens de oud-sportleraar niet serieus hebben genomen, en nu zelfs de kant van Furlong kiezen.

Robinson_Laura2
Laura Robinson staat niet alleen in haar jacht op Furlong, omdat zij zich gesteund weet door vertegenwoordigers van de Indianen en door veel collega’s en vrienden van Play the Game. Maar zij ziet zich geconfronteerd met de allure en de macht van een nationale held, een man die in zijn almacht is gaan geloven. Een man die van zijn omgeving, de mensen die overtuigd zijn van zijn integriteit en in zijn licht hebben mogen meeschitteren, niet van zijn voetstuk mag vallen.

Zie verder: http://www.laurarobinsondefensefund.org

En: http://nebula.wsimg.com/a0050421df07e4dafd74d19f97bae74b?AccessKeyId=90D3837150F7A72C70F2&disposition=0&alloworigin=1

De boodschap van Celticfans

19 nov

Naar aanleiding van de rellen rondom Ajax-Celtic van 6 november waarvoor door de Amsterdamse politie en uiteindelijk ook door de rechter vooral de supporters van Celtic (en niet Ajaxfans en de politie zelf) verantwoordelijk worden gehouden, hier een artikel dat ik op 6 november 2006 op mijn NRC-weblog schreef.

Alweer een bijzondere boodschap van Celticfans
Supporters van Celtic zijn anders dan de supporters van de meeste andere voetbalclubs. Ze zijn niet alleen trouw aan hun eigen club, maar waarderen ook andere clubs. Your opponent is not your enemy, is het credo van Celtic Trust, de overkoepelende organisatie voor Celticsupporters. The Trust vertegenwoordigt de belangen van de fans. Bijna 40% van de aandelen (16.000 aandeelhouders) van de club is in handen van de fans. Aan het vreedzame credo van het (Iers)katholieke Celtic hebben de fans van het protestante (Glasgow) Rangers geen boodschap. Vele veldslagen zijn er in het verleden geweest tussen de plaatselijke rivalen, voordat de Celticleiders met hun sociale missie begonnen. In 1971 vielen in het Ibrox Park van Rangers nog 66 doden en 200 gewonden, al was dat niet het gevolg van geweld maar volgens een van de lezingen omdat een deel van een tribune instortte. http://www.scottishfootballblog.co.uk/2011/01/ibrox-disaster-40-years-on.html

Vorige week (november 2006 dus) baarden duizenden meegereisde fans van Celtic opzien in Lissabon, rondom de wedstrijd voor de Champions League tussen Benfica en Celtic. Celtic verloor kansloos met 3-0. Voldoende reden voor Schotse supporters om na een fikse zuippartij eens goed los te gaan, bijvoorbeeld in een vechtpartij met supporters van Benfica. Zo zou je kunnen denken. Omdat het vaak zo gaat. Maar zo ging het dus niet. Er was geen enkele arrestatie. Volgens twee meegereisde politiefunctionarissen uit Glasgow, die in Lissabon de plaatselijke politie assisteerden, gedroegen de Celtic-aanhangers zich voorbeeldig.

Het hoogtepunt van vreedzaam (zeg maar broederlijk) gedrag was het postume eerbetoon dat Celticfans brachten aan de twee jaar eerder overleden Hongaarse voetballer van Benfica, Miklos Feher. Feher kreeg tijdens een wedstrijd in 2004 van Benfica tegen Vitoria Guimaraes een hartaanval en stierf op het veld.

Celticfans ontvouwden in het stadion van Benfica een spandoek met daarop de naam van de speler, rugnummer 29 en de tekst ‘Nunca caminharássozinho’ (You’ll never walk alone). Na afloop werd het spandoek overhandigd aan de aanvoerder van Benfica Simao en de spits Nuno Gomez. Daarna kregen de spelers een donatie van de Celticfans voor een ziekenhuis in Lissabon. Nuno Gomez reageerde verbaasd en emotioneel: ,,Dit maak je zelden mee. Andere supporters zouden een voorbeeld kunnen nemen aan die van Celtic.”

Toevallig was een Hongaarse waarnemer van de Europese voetbalfederatie UEFA bij de wedstrijd aanwezig. Ook hij was onder de indruk van de Schotse geste. Hij heeft onmiddellijk de ouders van Feher op de hoogte gesteld en de oude club van Feher, Gyori ETO. Waarom nu juist Celtic-fans een hommage brachten aan Feher die zij toch niet kennen, is niet duidelijk? Een Celtic-official antwoordde: ,,Omdat dat de kracht van Celtic is, het voetbalhart van Celtic klopt voor het voetbal in de hele wereld.”

Het bericht op de website deed me onmiddellijk grijpen naar het boek ‘How soccer explains the world‘ (‘De wereld draait om de bal; over voetbal en globalisering’) van Franklin Foer, een Amerikaanse journalist van The New Republic. Daarin beschrijft Foer op zeldzame, meeslepende, gedetailleerde, genuanceerde en bewonderenswaardige wijze de wereld van het voetbal – politiek, economisch, sociologisch, religieus en cultureel – aan de hand van reportages uit Brazilië, Italië, de Balkan, Spanje, Nederland (Ajax en de vereenzelviging van haar supporters met joden), Engeland en Glasgow. Een treffend boek, uitgegeven in de Nederlandse vertaling bij Het Sporthuis (Arbeiderspers).

Ik las daarin wat Foer heeft beleefd rond The Old Firm, de derby tussen Rangers en Celtic. Fascinerend voor wie meer wil over voetbal wil weten, meer dan de waan van de dag. A groundbreaking work — named one of the five most influential sports books of the decade by ‘Sports Illustrated’ — How Soccer Explains the World is a unique and brilliantly illuminating look at soccer, the world’s most popular sport, as a lens through which to view the pressing issues of our age, from the clash of civilizations to the global economy. Aldus de begeleidende tekst van Amazon.
Zie ook: http://www.deboekensalon.nl/dbs/book/256488.

Verder over Celtic. ‘De Glasgow Celtic Football Club is de moeder van de stroming die emancipatie via het voetbal propageert’, zo las ik in een van de artikelen van Raf Willems over Celtic in NRC Handelsblad. Willems is schrijver van onder meer het boek ‘Kan voetbal de wereld redden?’. Daarin legt hij de link tussen voetbal en maatschappij, zoals die met name in Groot-Brittannië en Duitsland heerst. Willems beschrijft net als Franklin Foer hoe Celtic is ontstaan uit de armoedige Ierse migrantengemeenschap in de negentiende eeuw en al in 1888 een unieke integratiemethodiek lanceerde: open to all.

Het Celtic Social Charter (http://www.celticfc.net/corporate_socialcharter#) verbiedt elke vorm van discriminatie. En verder de twee principes: niemand mag worden uitgesloten op basis van ras, geslacht of religie; en steun aan mensen zonder thuishaven, lees: daklozen en asielzoekers. Geen club ter wereld verzamelt meer solidariteitsfondsen. Zoals het Celtic Charity Fund, een hulpfonds waarmee talrijke solidariteitsprojecten worden gesponsord, zowel in Glasgow als in de derde wereld.

In 2003 zorgden 90.000 Celticfans uit alle delen van de wereld voor de grootste vredelievende volksverhuizing sinds de Tweede Wereldoorlog naar de UEFA-Cupfinale in Sevilla. Ondanks de nederlaag tegen Porto werd geen enkel incident genoteerd door de politie. De supportersstijl van Celtic is humoristisch en muzikaal. De wereldvoetbalfederatie FIFA bestempelde deze stijl tot ‘beste ter wereld’.

Het gebaar van Celticfans doet me denken aan de necrologie die ik in maart (2006 dus) schreef voor NRC Handelsblad naar aanleiding van het overlijden van Jimmy Johnstone, The Greatest Celt Ever. De razendsnelle en razendpopulaire ‘Vlo’ overleed aan de spierziekte ALS toen hij 61 jaar was. Op het condoleanceregister van de website van Celtic schreef een supporter: ‘God had just made his greatest signing today’. Kleine ‘Jinky’ maakte mensen blij en aan het huilen. Hij begreep zelf niet waarom. Johnstone was een kleine, domme zuipschuit die geweldig kon voetballen. Het ging bij hem niet om grote triomfen en smadelijke nederlagen. Het ging bij hem en het gaat bij Celticfans om het-mens-zijn. Koop de dvd: Jimmy Johnstone, A bhoy’s life.

Wie zijn stadion (Celtic Park) Paradise noemt, zoals Celticfans, weet wat voetbal betekent. Voetbal gaat niet om tactiek, techniek, trainerspraat en bestuurdersethiek. Voetbal gaat om menselijkheid. Daarvoor moet je vooral bij Celtic zijn. Zo bleek in Lissabon.

Dit verhaal is geplaatst op maandag 6 november 2006 om 18:20 uur.

Dopingbestrijding weggegooid geld

7 nov

Wanneer dopingtesten zo weinig resultaat hebben als nu, dan dient er meer en intensiever gecontroleerd te worden. Met die strijdkreet probeerde Dick Pound, IOC-lid en voormalig directeur van het Internationale dopingagentschap WADA, vorige week de toon te zetten tijdens de sportconferentie Play the Game in Aarhus, Denemarken. Niet alleen sportbonden maar vooral overheden moeten zich meer inzetten in de ‘oorlog tegen doping.’ Zo begon de Canadees de openingssessie van de vierdaagse bijeenkomst, waarbij ruim driehonderd wetenschappers, sportleiders en onderzoeksjournalisten uit de hele wereld aanwezig waren.
William_Bock
Pounds oproep kreeg bijval van Bill Bock (zie foto), de openbare aanklager van het Amerikaanse dopingagentschap USADA die Lance Armstrong op de knieën kreeg. Het duo vond elkaar in de beschuldiging aan sportbonden in het algemeen en de internationale wielerunie in het bijzonder dat ze te weinig initiatief nemen. Meer inzet, nog meer geld, nog meer controles is hun credo. Dat er ‘veel te weinig’ sporters worden ‘gepakt’ schreeuwt om een strengere aanpak.

Zowel Pound als Bock toonde zich een ware ‘crimefighter’. Sporters die dope gebruiken zijn misdadigers, zo klonk uit hun tirades. Bock glom nog van zijn geslaagde jacht op Armstrong, een jaar geleden. ,,Denk nog eens aan hoe renners als Floyd Landis en Tyler Hamilton als gevolg van het regime van Armstrong in een hotelkamer in de Pyreneneeën de dood in de ogen zagen door riskante bloedtransfusies.’’ Zo hield hij zijn gehoor voor. En: ,,Denk aan al die Nederlandse renners die dood in hun bed zijn gevonden.’’

Zo zoog Bock in zijn gezwollen tirade als een geboren demagoog uit zijn dikke duim – want dat is nooit gebeurd. Herman Ram, directeur van de Nederlandse Doping Autoriteit gaf na afloop toe dat Bock onzin uitkraamde, althans is dat nooit aangetoond. Maar hij hield zich tijdens de forumdiscussie op de vlakte.

De Duitse dopingonderzoeker van de Gutenberg Universiteit in Mainz, Perikles Simon, en de Amerikaanse leider van de internationale sportersbelangenorganisatie UNI, Walter Palmer, legden aan de hand van statistieken uit dat in het huidige onderzoeksysteem de kans op positieve gevallen vrijwel nihil is en zal blijven: een handvol positieve testen (vooral cannabis nota bene) per jaar op tienduizenden controles, die nota bene duizend dollar per bloedtest en 300 dollar per urinetest kosten. ,,Nog meer controles, nog meer geld is zinloos’’, verklaarde Simon. ,,Als we eindelijk in een laboratorium dichtbij het opsporen van een nieuw product zijn, is er al weer een nieuw product in omloop. De controles tijdens wedstrijden blijken ook nog vier keer zo effectief als controles buiten de wedstrijden. Waarom dan nog out-of-competition controles? Ze werken niet.’’

Er wordt per jaar ruim 300 miljoen dollar uitgetrokken voor dopingcontroles door WADA, wist Simon. ,,Weggegooid geld.’’

Maar Pound en Bock waren in de discussie niet te vermurwen. ,,Dus u wilt dat we stoppen met dopingtesten’’, beet Bock Palmer toe. En Pound: ,,Iedereen wil de straf reduceren. Waarom? De nieuwe, strengere WADA-code is al ontworpen, maar wordt helaas pas in 2015 bekrachtigd’’, zei Pound. ,,De sportbonden nemen hun verantwoordelijkheid niet. Ze ontkennen doping. Klokkenluiders als Landis en Hamilton worden door de bestuurders van de wielerunie nota bene als ‘klootzakken’, verraders dus, neergezet. In de teamsporten wordt helemaal geen actie ondernomen. Uit angst voor imagoverlies.’’

Bock: ,,Dankzij Pound is WADA gekomen, dankzij Pound zijn misdadigers als Armstrong gepakt. Hoe kunnen kinderen aan sport denken zonder dat ze aan chemische steun denken? Alleen strengere straffen en intensiever jagen op dopers heeft zin.’’

Herman Ram van de Nederlandse Doping Autoriteit probeerde in zijn betoog nuance aan te brengen. ,,Waarom wordt doping genomen? Hoe ontstaat een dopingsysteem? Er moet ook naar sociologische achtergronden worden gezocht en naar de criminaliteit van de handelaren.” Hij wees op de diversiteit in culturen en landen. De organisatie van Play the Game hoopte dat Ram uitleg zou geven over het recente Nederlandse onderzoek waarin veel wielrenners werden verhoord en schuld bekenden. Ram zei later: ,,Ik kan niets vertellen omdat het onderzoek nog niet is afgerond.’’

Gerhard Treutlein Gerhard Treutlein

In een andere (doping)sessie van de conferentie in Aarhus kwamen vooral veel Duitse onderzoekers aan het woord. Professor Gerhard Treutlein van de Universiteit van Heidelberg (Zentrum für Dopingprevention) wees op het Duitse dopingprobleem dat al sinds de Tweede Wereldoorlog heerst en vooral door de rivaliteit tussen Oost- en West-Duitsland in omvang toenam. How the west answered to the East German doping practice: ,,Nadat de DDR door het IOC als olympisch lid werd toegelaten, wilde de Bondsrepubliek dat hun sporters sterker en sneller werden. Anabolen werden met medeweten, of zelfs advies van de overheid en artsen aan atleten en wielrenners toegediend. Iedereen in West-Duitsland wilde dat de Bondsrepubliek meer medailles behaalde dan de DDR. De politiek, de artsen, de onderzoekers, de media, het publiek, iedereen. De sporters werden onder grote druk gezet’’
doping
Treutlein toonde een schema van een olympische sporter, een amateurwielrenner. Daarop stonden de aanbevolen doses van middelen als anabolen, testosteron en zo meer. ,,Bij West-Duitse zwemmers werd lucht via de anus ingepompt om sneller te zijn. Wie weigerde of er over sprak kreeg 50.000 mark boete van de bond.’’

De Duitse onderzoeker wees op het gevaar van opgeblazen rivaliteit tussen landen. ,,Rivaliteit zet sportmensen aan tot ongeoorloofde middelen. Nationalisme en zelfs chauvinisme kan gevaarlijk zijn.’’

De Duitse olympische pistoolschutter Marcel Goelde, nu onderzoeker aan de Universiteit van Münster memoreerde aan de onmenselijkheid van out-of-competition-controles. ,,Ik moest omringd door vier mannen in een potje plassen en ze keken allemaal of mijn plas wel uit mijn penis kwam. Tijdens mijn onderzoek onder sporters vertelde een atlete dat ze bij het plassen een spiegel onder haar onderlichaam moest houden zodat de controleur kon zien of ze niet manipuleerde. Sportmensen zijn ook mensen en geen potentiële misdadigers, maar zo worden ze steeds meer behandeld.’’

De organisatoren van Play the Game willen vooral uiteenzettingen en discussies over misstanden in de topsport. Van matchfixing tot seksuele intimidaties, van fraude en corrupties bij sportbonden, van commercialisering tot racisme en homofobie. Van malversaties bij verkiezingen tot transparantie bij toekenning van titeltoernooien.

Play the Game, dat wordt ondersteund door het Deense Instituut voor Sportstudies, wil dat topsport op een eerlijke manier wordt bedreven. Dick Pound kreeg daarom de Play the Game Award, omdat hij het WADA heeft opgezet om doping te bestrijden. Niet iedereen kon zich vinden in deze keuze. Daarvoor is Pound te veel een crimefighter. Topsporters zijn mensen, en geen potentiële misdadigers. Aldus sportersvakbondsman Walter Palmer.

Play the Game: http://www.playthegame.org/home.html.

Charley van de Weerd, eens en altijd de beste van FC Wageningen

13 sep

Op 13 september 2013 werd op de Wageningse Berg een reünie gehouden: ‘BallenopdeBerg’, ter nagedachtenis aan de glorietijden van FC Wageningen. De beste voetballer die Wageningen heeft gekend, was Charley van de Weerd. Hij was mijn jeugdheld. Hij overleed in februari 2008. In 1992 ging FC Wageningen failliet. De club van Charley, van zijn neef Ton van de Weerd, van Wim Bleijenberg, Epi Drost, Fritz Korbach, Gerdo Hazelhekke en andere groenwitte helden werd uit het betaald voetbal gestoten. In 1992 ging ik voor NRC Handelsblad met Charley terug naar de Wageningse Berg. Een onvergetelijke ervaring.

Door onze redacteur Guus van Holland

In de historie van ruim tachtig jaar voetbal in Wageningen speelde Charley van de Weerd de hoofdrol. Hij bepaalde tussen 1939 en 1962 het gezicht van de club, die het merendeel van het bestaan overigens in de eerste divisie doorbracht. FC Wageningen is failliet en kreeg geen licentie meer. De eens onneembare veste, het meest idyllische stadion van Nederland, de Wageningse Berg, is verlaten.

WAGENINGEN, 13 aug. 1992. Als we de Generaal Foulkesweg oprijden, de weg vanuit de stad de Wageningse Berg op, doemen de eerste herinneringen op. Voor elke thuiswedstrijd, voor elke training fietste hij de berg op. Zo begint Charley van de Weerd spontaan te vertellen. Daar kreeg je sterke spieren van. Dan had hij de warming up er al op zitten als hij op het veld kwam. Drie tot vier keer in de week legde hij die weg af, bijna 22 jaar.
Charley
Hij herinnert het zich nog goed. Hoe de Wageningers met duizenden over de weg naar het hoog gelegen stadionnetje liepen of fietsten. Beginnend, onderaan, bij hotel De Wereld. En na afloop wandelden de vrouwen met hun kinderwagens vader tegemoet. Die sfeer. ‘Charley’ (Anthonius Johannes) van de Weerd (70), een begrip in Wageningen, een idool voor elke voetballer uit de omgeving, krijgt het er even warm van.

Achterop de fiets bij mijn vader ging ik vanuit Bennekom naar mijn eerste wedstrijd in het betaald voetbal. Jaren vijftig. ADO, met z’n internationals, kon kampioen worden op de Berg. Wageningen (toen nog geen FC) won, zoals Wageningen thuis vaak won van kampioenskandidaten. De bloemen konden worden weggegooid. Charley van de Weerd scoorde. Zoals altijd. Natuurlijk een linksbinnen, want alleen linksbinnens konden voetballen. Hij passeerde twee, drie spelers op de vierkante meter. En hij kon schieten. Met rechts en met links. En altijd nummer 10, in rode cijfers op het groen wit gestreepte shirt.

Wageningen won in het seizoen 1952/’53 op de Berg met 4-1 van Ajax. Ze praten er nog over. Maar in Amsterdam wonnen ze ook, met 2-1. “Scoorde ik ze allebei”, zegt Charley met Wageningse tongval, die ik als jongen van de streek goed ken. Hoeveel hij er in die legendarische wedstrijd maakte, is hij vergeten. “Een stuk of drie, denk ik. Want ik scoorde altijd. En veul.” Er waren wel 12.000 man tegen Ajax, mensen langs de kant op platte wagens en kisten. Het stond zwart van de mensen.

Hij kent ze nog, de Ajacieden. Dräger, Van Dijk, Boskamp, Van der Wel, Van Mourik, Leeser, Visser op het doel, Stoffelen, Van der Hoeven en Rinus Michels. Vond hij niks aan, als voetballer, die Michels. “Maar ja, hij liep in een gesmeerd elftal. Als je daarin speelde, hoefde ze je maar in te tikken. Hij was goed met de kop. Verder niks. Als hij bij Wageningen had gespeeld, had je nooit van hem gehoord.”

De wind ruist door de bomen rondom het rustieke stadionnetje. Het hek is dicht, voorgoed gesloten. Het huis naast het veld biedt geen uitkomst. Niemand thuis, geen sleutel. Hier woonde zijn opoe, merkt hij op. Ging hij als jochie van acht ’s zondags naar toe. Dan voetbalde hij er op het veldje naast het grote veld. Later het trainingsveld, waar Epi Drost als “jochie van 15 jaar op zijn gewone schoenen mee mocht doen en de spelers van Wageningen dol draaide”. Zo vertelt Charley met een gulle lach.

Van de Weerd heeft een tasje met knipsels meegenomen en vertelt. Over de beslissingswedstrijd die Wageningen in 1951 in de Rotterdamse Kuip tegen DWS moest spelen om het Nederlandse kampioenschap. Ze verloren met 1-0, door een “heel lullig rot goaltje”. Ze waren veel beter. Het publiek was op hun hand. Hij had de keeper nog bewusteloos geschoten met een van zijn befaamde kanonskogels. Een landskampioenschap van Wageningen, dat ontbreekt er eigenlijk aan. Hij heeft alleen de KNVB-beker gewonnen, twee keer.

Welk voetbalveld ligt er mooier dan de Wageningse Berg? Hoog tussen de bomen. Beneden stroomt de Rijn. Hij wijst op de watertoren, als een baken van verzet bij de entree van de Berg.

De herinnering aan 16 januari 1944 dringt zich bij hem op, twee dagen voor zijn 22ste verjaardag. “We speelden tegen Go Ahead. Ineens stonden er allemaal Duitsers om het veld. Ik zag het wel. Al die mensen die naar de uitgang liepen, onder het voetballen. Ze werden allemaal gecontroleerd op een Ausweis. En ik was de enige onderduiker op het veld. In de rust kwam mijn moeder de kleedkamer binnen. Die zegt tegen Van Tuil, de voorzitter, of ik niet met een blessure kon uitvallen, met de ziekenwagen weg kon. Nee, daar had hij wel iets anders voor.”

Na de wedstrijd werd hij verstopt onder een toonbank waar ze limonade en bier verkochten. Planken ervoor. En wachten. “Ik hoorde ze komen, bons, bons met die laarzen. Uiteindelijk vonden ze me toch. Ik werd het veld opgesleept, tussen de andere mensen gezet en overgebracht naar de Gestapo in Arnhem.”

In nog hetere tijden van de oorlog sliep hij op de Berg. Dan bivakkeerde hij onder een dekentje op de tribune. Of dook hij onder op een zoldertje boven de kleedkamer. Zodra er in de stad het gerucht ging dat een razzia dreigde, verdween hij naar de Berg. Zijn Berg, waar hij zich veilig voelde tussen de lucht van leer en touwen netten.

Na de evacuatie van Wageningen werd het stadion totaal ontredderd teruggevonden. Alles was verdwenen en in het veld werden loopgraven en schuttersputten aangetroffen. Maar het voetballeven ging door. En beter dan ooit. In 1948 won Wageningen de KNVB-beker voor de tweede keer. De glansperiode van Charley van de Weerd was aangebroken.

Van de Weerd werd uitgenodigd voor de selectie van het Nederlands elftal. Twee jaar lang ging hij elke dinsdag naar Amsterdam naar de centrale training. Onder leiding van Jaap van der Leck. Hij trainde met Lenstra, Terlouw, Biesbrouck, Schaap, maar hij speelde nooit in het Nederlands elftal. Toen hij de kans kreeg, werd Kuneman van HBS opgesteld. “Die kon er niks van, maar ja hij was van HBS uit Den Haag, hij lulde zich er wel in. En ik kwam uit de provincie. Zo gaat dat.”

Hij hield er in elk geval een speldje aan over. Een leeuwtje met een roodwitblauw vlaggetje eronder en de letters NED. ELFTAL TR., TR van training. Hij speelde vijf keer in het voorlopig Nederlands elftal, twee keer in het B-elftal, vier keer in de Zwaluwen. Hij werd regelmatig gekozen tot beste speler van Oost-Nederland. Soms komt hij ze nog tegen, de grote jongens van vroeger. Aardige jongens, zoals Guus Dräger van Ajax. En Abe Lenstra, een hele luie. Maar aardig. Later kwam Abe nog bij hem in de sportzaak om zijn schoenenmerk van Quick te verkopen.

En Cor van der Hart. “Dat was een vreemde. Die zag me niet staan. Ik heb hem eens bij Fortuna’54 driemaal gepasseerd én gescoord. Vond-ie niet leuk.” Maar verder was ’t wel een goede voetballer. En Frans de Munck, de legendarische doelman, was ook een hele goeie: “Wel een ijdeltuit. Later verfde hij zijn haar.”

West Ham United benaderde hem voor een profcontract. Van de Weerd wilde niet uit Wageningen weg. Hij kreeg bezoek van een man uit Italië. “Hij sprak Hollands, maar hij had een speldje van Inter op. Dat had ik wel gezien. Hij zei dat ze me al twee seizoenen observeerden. Ze zochten zo’n soort voetballer. Een die het spel maakt en veel scoorde. Maar ik durfde niet. Helemaal met de trein naar Milaan. Jong, daar kon ik toch niet aan beginnen. En in Italië, daar gooiden ze je op het veld met flessen dood.”

Het beroepsvoetbal deed zijn intrede in Nederland. Van de Weerd ging voor De Graafschap spelen. Voor een tientje of vijf per wedstrijd. “En dat was wat in die tijd. Ik werkte in een garage voor 38,50 (guldens) per week. Kun je nagaan. Ik kon een nieuwe haard kopen.”

Na twee jaar ging hij terug naar Wageningen. Omdat hij er een sportzaak kon overnemen, een winkel die nog altijd bestaat, aan het Salverdaplein. Bij De Graafschap geloofden ze niet dat hij dáárom terugging. “Ik heb de hoofdinspecteur van politie in Wageningen nog gevraagd dat in Doetinchem uit te leggen.” Hij kon er echt niet blijven voetballen. Stel je voor, in die tijd. Niemand uit Wageningen zou bij hem voetbalspullen kopen, omdat hij in Doetinchem speelde. Hij zou een verrader zijn, “een vuile overloper”.

Hij speelde zijn eerste wedstrijd in het eerste toen hij 17 jaar was. Als linksbuiten scoorde hij bij zijn debuut tegen Tubantia driemaal. Want hij scoorde altijd. Ruim 22 jaar later nam hij afscheid, op zijn veertigste. Hij had eerder willen stoppen. “Maar ze zeiden nog niet zonder mij te kunnen.”

Waarom de kampioenen uit het westen met knikkende knieën naar de Berg kwamen? Ze stroopten hun mouwen op: Henk Looijs, Wim Vermeer, Wim Zeller, Job Jansen, Reijer Jansen, Joop Gieltjes, Hennie van der Heijden, André Leander, Frans Beijer, Selis Drost (de vader van Epi), Wim ‘de Kont’ Bleijenberg, die later naar Ajax ging. Van de Weerd niet, hij was geen werker. Hij hield van mooi voetbal. Maar hij scoorde wél. Altijd. Hoeveel weet hij niet. “Honderden. Tegenwoordig heb je van die slimmeriken die het bijhouden.” Een ‘slimmerik’ van toen telde 281 doelpunten in officiële wedstrijden in het eerste van Wageningen en 19 in vertegenwoordigende elftallen.

De Wageningse Berg, de zelfingenomen heren van de KNVB en die lui uit het westen met hun grote mond over patserige stadions in Amsterdam en omstreken, talen niet naar traditie. Eigenbelang. Charley van de Weerd zegt er niet wakker van te liggen. Maar wanneer ik hem vraag afscheid te nemen van de Berg, draait hij zich om en wijst naar het veld. Dat liep vroeger af. Dat wisten ze als ze moesten tossen. Dat veld was zanderig. De wedstrijd werd daarom nooit afgelast. Dat was vaak een voordeel. Dat maakte de Berg onoverwinnelijk.

Hij ging nog vaak kijken als FC Wageningen speelde. Hij had een hoofdtribunekaart. Hij wijst naar het businesshome. “Al goud wat er blinkt, het plafond is van koper.” Hij ziet de reclameborden rondom het veld. Sponsors genoeg. “Maar een seizoenkaart voor oud-spelers als Henk Looijs, Wim Vermeer of voor mij kon er nooit af. Ik geloof dat het bestuur Charley van de Weerd niet eens kende.”

Hij droomt verder. Wat komt er voor in de plaats? Huizen? Of gaan ze er popfestivals houden? Het veld is groen, het gras ligt er goed bij, het is net gemaaid. Maar de Wageningse Berg zal leeg blijven. Er zal nooit meer een Charley van de Weerd zijn.

Over de hele wereld voetballen homo’s

9 aug

Geplaatst op mijn NRC-blog op zondag 16 november 2008
Door Guus van Holland

Zomaar ineens duikt de vraag weer op? Zijn er homo’s in het voetbal? En zo ja, waarom komen ze dan niet uit de kast? En dat allemaal naar aanleiding van het nauwelijks onthullende, maar wel aangrijpende boek van Huub ter Haar, met prachtige foto’s: ‘Gelijkspel’.

Natuurlijk zijn ze er: homoseksuele voetballers. In 1980 werd al de eerste homovoetbalclub opgericht, de New York Ramblers. En sindsdien nog heel veel clubs in de hele wereld, ook een in Amsterdam, overigens pas sinds afgelopen augustus (2008)

Afgelopen zomer in augustus (2008 dus) werd zelfs al voor de negende keer (sinds 1997) het WK voetbal voor homo’s en lesbo’s georganiseerd, met 32 deelnemende mannenelftallen, georganiseerd door Leftfooters FC uit Londen. Kampioen in de eerste divisie werden de Stonewall Lions uit Engeland, tweede SAFGay uit Argentinië en derde Samurai uit Japan en de London Falcons. Er deden teams mee uit vooral de VS, Engeland en Duitsland, maar ook uit Ierland, Canada, Mexico, Argentinië, Chili, Uruguay, Zuid-Afrika, Japan, Frankrijk, Denemarken, Tsjechië, IJsland, Kroatië, Zweden, Italië en zelfs China. Nee, niet uit Nederland. De stichting Homosport Nederland heeft nog nooit van het WK voor homo’s gehoord, las ik. Maar toch wel van de IGLFA gehoord, de International Gay and Lesbian Football Assocation? Ook niet! Volgend jaar een nieuwe kans, het WK in Washington.

Tja, en dan vraagt men zich af waarom in Nederland homoseksuele voetballers niet uit de kast durven te komen. Zeker niet profs. En dat gevoegd bij het oordeel dat (oud)voetballer John de Wolf eens uitsprak: ,,Ik heb geen bezwaar tegen homo’s zolang ik er maar niet mee hoef te douchen.” Volgens de overleden oud-scheidsrechter John Blankenstein, die wel durfde uit te komen voor zijn seksuele voorkeur, kende hij minimaal acht voetballers die homo waren, sommigen keurig getrouwd met kinderen. Ze hoefden van hem niet uit de kast te komen. Hij kon begrijpen dat ze zich daarmee een hoop ellende op de hals zouden halen. Want hij sprak uit ervaring. Voordat hij het in de openbaarheid bracht, heeft hij zware depressies gekend.

Niet zo erg als zijn collega-scheidsrechter Ignace van Swieten, ook homo, en al langer overleden. Ook hij werd vaak uitgescholden door voetballers en supporters op en buiten het veld. Huilend heb ik hem eens horen vertellen dat een zeer bekende voetballer, nu een zeer bekende trainer, hem in een wedstrijd in zijn oor had gefluisterd: ‘Nog een keer zo’n fout en ik naai je in je kont net zo lang tot je blauw ziet.’ Ignace was een kwetsbare man, niet alleen door zijn homoseksualiteit, maar ook door zijn jeugd in Indonesië. Hij kon er niet tegen. John Blankenstein kon er wel tegen: hij zei dat hij er tegen kon. Maar eenmaal op gang in een gesprek bleek hoezeer, diep en vaak hij was geraakt.

Niet iedereen kan er zo mee omgaan als John Blankenstein. De Engelse voetballer Graeme Le Saux zou ook homo zijn geweest. Althans medevoetballers meenden dat omdat hij niet meedeed met machogedrag, dronkemansgelul van voetballers, met zijn collega Ken Monkou op vakantie ging en liefhebber was van kunst en antiek. Le Saux was geen homo. Eens liet hij zich in een wedstrijd in 1999 verleiden tot een Schwalbe (fopduik). Zijn tegenstander Robbie Fowler riep: ‘sta op flikker’. Le Saux naar wie het publiek al maandenlang had geroepen, ‘Le Saux takes it up the arse’ (Le Saux laat zich neuken) kreeg een vrije trap. Fowler ging voor hem staan en wees op zijn kont: Here, please! Dat herhaalde Fowler een paar keer. Le Saux kreeg een gele kaart van de scheidsrechter omdat hij het spel ophield. Even later nam de temperamentvolle Le Saux revanche met een elleboogstoot. De scheidsrechter zag het niet. De tv-camera’s registreerden het wel, waarna de Engelse bond Le Saux schorste voor één wedstrijd. Fowler kreeg twee wedstrijden wegens homofoob gedrag. Le Saux: ,,Ik heb me nog nooit zo beledigd gevoeld als toen door Fowler. Maar gelukkig steunde de Engelse bond me. Dat was een opluchting, het keerpunt in Engeland tegen homofobie”, zegt hij in zijn biografie Left Field.

De Nigeriaan Justin Fashanu, die in Engeland voetbalde, verging het anders. Hij was de eerste zwarte voetballer in Engeland, en was, zo bleek later, homo. Manager Brian Clough van Nottingham Forest leende hem uit aan Southampton toen hij hoorde dat Fashanu homobars bezocht. Fashanu heeft zich verhangen. De Britse oud-voetballer Paul Elliott zei laatst op een congres over discriminatie en homofobie, dat hij ‘zeker een dozijn’ profvoetballers kende die homo zijn, maar als de dood zijn dat naar buiten te brengen.

Wensley Ton ontmoette ik in 1994 op het congres ‘Samen Apart’, mede-georganiseerd door John Blankenstein en Gert Hekma, docent homostudies en auteur van het rapport over homo’s, sport en voetbal ‘Als ze maar niet provoceren’. Ton was een oud-profvoetballer. Hij had gespeeld bij Helmond Sport. Voor de microfoon in een grote zaal van Papendal zweeg hij over wat hij deed en wie hij was. Hij was bang geworden het te vertellen. Na afloop vertelde hij op sterk aandringen van Blankenstein aan mij toch zijn verhaal voor mijn verhaal in NRC Handelsblad. Ton (later Wensley Garden) tekende op zijn zeventiende een contract bij Helmond Sport. Toen hij de club na een paar jaar vertelde dat hij homo was, werd zijn contract niet verlengd. Homo? Hij voelde zich niet aangetrokken de voetbalwereld, die vooral uit macho’s bestaat en door stoere mannen wordt geregeerd. Hij ging niet mee de kroeg in, hij had geen vriendin, hij praatte niet slechts over voetbal.

Is dat wat Louis van Gaal bedoelde, toen hij bij de presentatie van het boek ‘Gelijkspel’ zei dat ‘voetbal zulke spelers niet aantrekt’? Is dat niet discriminatie van Van Gaal? Homo’s zijn volgens Louis dus (te) lieve zachte ( sensitieve?) jongens (nichten bedoelt hij misschien), die zich niet thuisvoelen in het harde mannenvoetbal. Een dikke huid, moet je hebben, vindt hij. Met verstand moet je analyseren waarom mensen van dat niveau je discrimineren, uitlachen; en dat je er boven moet staan. Ja, hij heeft misschien een dikke huid, hij gebruikt zijn verstand, totdat hij ‘eindelijk’ breekt als mens omdat zijn afweer, zijn stoerheid, het niet langer aankan. Je kunt toch niet verwachten dat iedereen zo is als Van Gaal zich voordoet. Kwetsen doet pijn, meneer Van Gaal, dat weet u als geen ander. Altijd. Wie daar wel tegen kan, heeft geen goed leven meer. Die verhardt. Iedereen mag dus schelden, zou je uit Van Gaals woorden kunnen opmaken, de bejegenden moeten het maar leren incasseren. Leuke wereld is dat, die wereld die Van Gaal zich voorstelt. Of zoals Luciano Moggi, oud-manager van Juventus zei: ,,Homo’s zijn niet geschikt voor voetbal. Daar is het voetbal niet voor gemaakt.”

Eens zei Jeu Sprengers, de inmiddels overleden voorzitter van de voetbalbond, in 1994 tijdens het congres ‘Samen Apart’: ,,Laten we elkaar geen mietje noemen. Wanneer in de voetbalwereld homoseksuelen zich afzonderen (in een club) en naar buiten treden is het einde zoek. Dat kan de voetbalwereld niet hanteren.” Waarop Wensley Ton destijds zei: ,,Angst heeft de voetbalbond, en geen gevoel voor mensen zoals ik.”

Laten we asjeblieft niet gaan jagen op homo’s. Stel je voor dat op ons aandringen naar aanleiding van het nieuwste boek, vandaag een profvoetballer uit de kast komt. Helemaal alleen durven zeggen dat je homo bent, dat al jaren getrouwd bent voor de schijn. Zoals Gaykrant-hoofdredacteur Henk Krol het eens verwoordde, want hij kende er een paar, keurig getrouwd en met kinderen, die bij hem om advies kwamen. De mediahype zou niet te overzien zijn. Grote koppen in kranten, tv-camera’s van alle rubrieken en omroepen. Ik zou het niet durven. Nooit. Dus laat ze even met rust, en laat ze wachten op een moment dat er een sterke man, een grootheid (David Beckham?) opstaat en zegt: ‘Wij homo’s willen als gewone mensen worden benaderd. Maar dan alleen als de tijd er rijp voor is.’

De Tweede Bundesligaclub St. Pauli in Hamburg heeft een homoseksuele voorzitter, Corny Littmann. Hij voetbalt zelf niet, maar hij is wel gek op voetbal. Dat komt in alle kringen voor. Littmann zegt: ,,Over tien jaar is er geen probleem meer. De tijd is er nog niet rijp voor. Ik ken jongens in het Duitse profvoetbal die homo zijn net als ik. Ik help ze, ik praat met ze en ik probeer het verstandelijk te benaderen. Maar het blijven mensen. Wie? Als ze naar buiten willen komen is dat hun zaak.”

FC St. Pauli staat bekend als een cultclub. De aanhang van deze club die zijn wedstrijden speelt Am Millerntor afficheert zich als links, grossiert in antifascisme en staat bekend om haar ‘strikte’ tolerantie en ‘militant’ gemoedelijke sfeer. Symbool van deze rebelse houding is de piratenvlag met doodshoofd, de Totenkopf. De club is populair onder punks, bejaarden, minderheden, homoseksuelen en rockbands.

Homoseksuele scheidrechters zijn er zeker ook, zoals Van Swieten en Blankenstein waren. Ze zijn aangesloten bij de International Gay and Lesbian Football Association, en zijn actief op homo-WK’s, homo-EK’s and Gay Games.

Er zijn ook voetballers die hun homoseksuele vrienden beschermen. In Nederland hoor je daar niets over. In Italië doet international Alberto Gilardino, dit seizoen bij Fiorentina, er sinds jaren alles aan om zijn homovrienden in het Italiaanse voetbal te beschermen. Hijzelf is hetero. In Duitsland zijn homovoetbalfanclubs als de Hertha Junxx, de Rainbow-Borussen en Stuttgarter Junxx voortdurend bezig om de homofobie uit te bannen. In Engeland staat homophobia hoog op de prioriteitenlijst van de campagnes tegen discriminatie en racisme. En wat doen ze in Nederland? Daar doet de almachtige en alwetende Van Gaal het woord. De rest kijkt toe en zwijgt. Of niet, zoals ADO-supporters afgelopen zondag. De spits van Willem II Frank Demouge (geen homo) werd onophoudelijk uitgescholden voor homo. In de laatste minuut maakte Demouge het winnende doelpunt. Hij voelde zich steeds sterker worden door het afschuwelijk domme gejoel van de fans van ADO. (Is dat wat Van Gaal bedoelt? Een dikke huid). Het is te hopen dat echte homo’s er wel tegen kunnen.

Onlangs las ik een verhaal van Matthew Fox, een priester van de Episcopale Kerk die in het Vaticaan zeer omstreden is en door kardinaal Ratzinger (tegenwoordig paus Benedictus XVI) eens werd gekwalificeerd als ‘feministische theoloog’ en uit de dominicaanse orde werd gezet. Hij schreef boeken over scheppende spiritualiteit. In zijn zojuist verschenen boek ‘Verborgen spiritualiteit van mannen’ (The Hidden Spirituality of Men: Ten Methaphors to Awaken the Sacred Masculine), schrijft hij dat het ‘mannelijk is om homofobie te kweken’. Waarom? ‘Uit angst voor mannelijke tederheid.’

Zabel, Riis, Ullrich en Jef de meesterspuiter

28 jul

Lees dit, destijds geschreven op mijn NRC-blog, met de kennis van nu

woensdag 30 mei 2007 door Guus van Holland
Zes dagen na zijn bekentenis epo te hebben gebruikt, stond Erik Zabel woensdag 30 mei in Garmisch-Partenkirchen aan het vertrek van de Ronde van Beieren. Honderden mensen juichten hem toe en vroegen de Duitse wielrenner om een handtekening. Zes Duitse televisiezenders waren aanwezig om Zabel en co aan de eerste etappe te zien beginnen. Als helden werden ze begroet, de dopingzondaar en zijn lotgenoten die (nog) niet bekend hebben.

Ik had graag ook Bert Dietz, Rolf Aldag, Christian Henn en Udo Bölts, de Duitsers, gezien; en Bjarne Riis en Brian Holm, de Denen, en al die renners van de Telekom die onlangs bekend hebben dat ze medio jaren negentig bloeddoping epo hebben gebruikt. Ze zouden vast en zeker zijn toegejuicht. Helden zijn het, wielrenners, of ze nu wel of niet gedopeerd zijn geweest. Grote helden zijn het, omdat ze het nog eens hebben toe willen geven. Want dat vraagt moed, zo menen de supporters. Of: kan ons die doping schelen?

Ik had Jan Ullrich willen zien. Zou hij ook zijn toegejuicht? Misschien, misschien ook niet. Jan is dit seizoen met wielrennen gestopt, maar heeft (nog) niet toegegeven dat hij – zoals zijn voormalige Belgische verzorger Jef d’Hont beweert – ook epo heeft ingespoten. Waar blijft de bekentenis, of op z’n minst een verklaring van Jan Ullrich? Ullrich doet er vooralsnog het zwijgen toe.

Terwijl sportief en politiek Duitsland zich na de onthullingen van de afgelopen dagen afvraagt hoe de sport in Duitsland zich moet ontdoen van het besmette verleden en heden van doping, zei een paar dagen geleden Ullrich aan de deur van zijn huis tegen een plaatselijke radioverslaggever dat het hem ‘heel goed’ gaat. „Wanneer u iets wilt, dan belt u maar”, zei de man van wie iedereen in Duitsland intussen denkt dat hij de sport en zijn land bezoedeld heeft.

Ullrich zwijgt, mede omdat het openbaar ministerie van Bonn hem heeft aangeklaagd wegens bedrog van zijn oude werkgever Telekom. Zijn manager Wolfgang Strohband kan niet anders dan repliceren met: „Wij hebben niets te zeggen.” Intussen hebben zij wel hun advocaat ontslagen, omdat hij het tussentijds opnam voor wielrenners die te zware inspanningen moesten leveren.

En intussen heeft gisteren het Internationaal Olympisch Comité een commissie ingesteld die de Telekomkwestie gaat onderzoeken. Jan Ullrich won in 2000 in Sydney de olympische wegwedstrijd. Zijn ploeggenoten van destijds, Vinokoerov en Klöden, werden tweede en derde. Opmerkelijk, drie Telekomrenners op het erepodoium? Deden zij dat zonder doping? Zo stelt zich de commissie onder leiding van de Zwitser Denis Oswald de vraag, waarin verder de oud-atleten Sergej Boebka en Gunilla Lindberg, leden van IOC-bestuur.

Peter Becker, tussen 1987 en 2002 trainer van Ullrich, steekt zijn hand niet meer in het vuur voor zijn vroegere pupil. „Ik heb hem eens gevraagd: waarom gaat het zo goed met jou? Hij zei dat het goed zat en geen risico’s nam. Maar ik twijfel.” D’Hont neemt het voor Ullrich op. „Als alle renners puur waren geweest, had Ullrich tien keer de Tour gewonnen.”

Jef d’Hont, ach Jef. Ik heb hem meegemaakt toen ik einde jaren zeventig mijn eerste jaren als Tourverslaggever deed. Soigneur, klein, dik, amicaal totdat je per ongeluk een hotelkamer binnenliep en een van zijn renners aan de baxter (infuus) zag liggen. Dan werd je er bliksemsnel uitgetrapt met ‘godver’ en ‘godver’. Jef deed ook eens mee in een voetbalwedstrijd op de rustdag van de Tour, tussen Franse journalisten, ploegleiders en soigneurs, en de buitenlandse. Jef stond in onze (buitenlandse) verdediging, ik in de aanval. Jef was onvermoeibaar en niet te passeren, zo dik en vurig als hij was. Hij had pilletjes bij zich, zo liet hij in de kleedkamer zien.

Toen ik het in het veld aan de stok kreeg met de Franse ploegleider van Bernard Hinault, Cyrille Guimard, die mij zwaar onderuit schopte na een schaarbeweging van mij, kwam Jef als een trouwe teamgenoot aangestormd met het schuim op zijn lippen. Hij greep Guimard bij zijn keel en riep iets onduidelijks waar de kleine, rooie Guimard heel erg van schrok. Ik verstond het Frans niet van Jef en begreep ook de repliek van Guimard niet. Ik dacht nog: wielerjargon.

Jef heeft nu op zijn oude dag verteld en laten opschrijven wat hij vroeger met zijn renners allemaal gedaan heeft. Want hij heeft wat renners onder zijn hoede gehad: Freddy Maertens en Michel Pollentier bijvoorbeeld. De ‘peer’ van Pollentier in 1978 op Alpe d’Huez, waarmee de dopingcontrole misleid werd? Jef weet er alles van. Jef weet overal van. Nu heeft hij het allemaal verteld. Waarom? Om de wielersport te verschonen?

Toch is het wachten op Jan Ullrich. Ik herinner me nog het interview op de Duitse televisie, met Reinhold Beckman, eind februari dit jaar. Lees mijn eerdere bijdrage op dit weblog ‘De ogen van Jan Ullrich’. Zoals Jan daar zat, de onschuld zelve, naast zijn vrouw Sara die hem onvoorwaardelijk steunde. Een charmeoffensief van jewelste. Jan Ullrich en doping? Nee, Jan was een lieve, vriendelijke jongen die een rot tijd heeft gehad in de DDR, met veel titels ter compensatie van de vele onaangename dingen die hij zich moest getroosten. Wie Jan in zijn ogen keek, voelde dat hij integer was.

Een paar maanden later, 22 mei, zat Bert Dietz tegenover dezelfde Beckmann. Dietz, ook ex-DDR, biechtte op dat er in zijn ploeg Telekom (ten tijde van Ullrich en Riis) systematisch epo was gebruikt. De volgende dag gaf ploeggenoot Rolf Aldag, ook ex-DDR, een persconferentie waarin ook hij schuld bekende. Naast hem zat Erik Zabel, ook ex-DDR. Ook hij had even epo gebruikt. Een paar dagen later volgden nog meer Telekom-renners met hun bekentenis. Maar nog steeds niet Jan Ullrich.

Aan de vooravond de Ronde van Beieren las ik op een Duitse wielersite een interview met Raphael Schweda, manager van de Duitse ploeg Wiesenhof die aan het eind van het jaar stopt omdat de relatie met een dopingsport niet langer commercieel verantwoord is. Schweda (ook ex-DDR) is in 2003 gestopt als profwielrenner. Hij was toen 27 jaar. Hij had dat jaar gereden voor de ploeg Bianchi, onder andere in de Ronde van Spanje. Hij had Spaanse renners horen praten over bloeddoping en preparaties. De naam Fuentes viel. Het was hem al opgevallen dat ze niet eens zo hard trainden, maar wel harder gingen fietsen. Schweda had intussen gemerkt dat hij geen progressie als wielrenner kon boeken zonder doping. Dus stopte hij er maar mee.

En zo gaat dat in Duitsland dezer dagen maar door. Alle sporten (atletiek, wielrennen, skiën) worden al genoemd, sportartsen die verbonden zijn aan de universiteitskliniek van Freiburg zijn ontslagen of geschorst. Oud-bondsbestuurders komen met verhalen over oneerlijke praktijken en zo verder.

Maar de sporters blijven populair. Gisteren won ene André Schulze, een renner van Wiesenhof, de ploeg die aan het einde van het jaar stopt wegens doping in de wielersport. Hij werd bij de finish in Gundelfingen toegejuicht als een Tourwinnaar. Erik Zabel werd vierde, maar kreeg meer applaus. Wielrennen is in Duitsland nog steeds populair, ondanks Zabel, Ullrich en D’Hont. Zou het in Nederland anders zijn als Michael Boogerd en Thomas Dekker verklaren dat ook zij epo, bloeddoping, groeihormonen of weet ik wat voor doping hebben gebruikt? Hebben zij hetzelfde gebruikt? Waarom niet? Waarom wel?

Dit verhaal is geplaatst op woensdag 30 mei 2007 om 21:04 uur.

Opgeven? Nooit, godver, nooit

25 jul

Een artikel van mij van 6 december 1997 in NRC Handelsblad
Dopingsleur van de wielersport

Waarom mogen concertpianisten wel slikken en drinken wat ze willen en beroepswielrenners niet? Vorige week werd de PDM-ploegarts Wim Sanders beschuldigd van dopingpraktijken. Over drog en diarree. ‘Zonder drama heeft wielrennen weinig overlevingskansen.’

Vroeger, toen gebruikten de renners nog spuiten, van die hele grote. En die staken ze er zo van achteren in, als ze op de fiets zaten, midden in de koers. Toen namen ze ook pillen, handenvol tegelijk, van die zwarte pillen. Dan zag je aan hun ogen dat ze tot over hun oren vol zaten. Hun haren stonden rechtovereind. En als die renners over de streep kwamen, reden ze gewoon door. ’s Nachts konden ze niet slapen, dan tierden ze door. Dan dronken ze een fles wijn leeg en sliepen ze vol van de drank en de ‘drog’ in. En als ze dan de volgende ochtend pijn in hun hoofd of hadden, slikten ze net zo makkelijk weer een paar van die dingen. Stoere verhalen, sterke verhalen, verhalen over een andere wereld, ver van de beschaving.

Wie zijn oor te luisteren heeft gelegd bij die verhalen van oude wielrenners, zal hebben genoten. Maar hij zal zich ook hebben verbaasd. Dat ze nog leefden? Met een mengeling van respect en afgrijzen hoorde je de anekdotes over ‘de koers’. Over de honderden kilometers die ze door de brandende zon, door de venijnige koude, door regen, sneeuw, hagel en mist hadden moeten fietsen. Over de verschrikkelijke beklimmingen van de cols in de Alpen, Pyreneeën en Dolomieten. Dat het hun zwart voor de ogen was geworden, maar dat ze toch waren doorgereden. Altijd waren ze doorgereden.

Ik kende een wielrenner die nooit een held is geworden. Ik zag Jaak Verbrugge voor het eerst voor de start van een Alpen-etappe in de Tour de France, eind jaren zeventig. Zijn ogen stonden flauw, zijn gezicht was bleek. Hij was al dagen aan de diarree. Maar hij moest en zou de Tour uitrijden. Op de top van de eerste col besloten we op hem te wachten. Maar hij kwam maar niet. Beneden ons, een paar haarspeldbochten lager, zagen we hem in de berm zitten, broek naar beneden, omringd door mensen. Hij klom weer op de fiets en zette zijn lijdensweg voort. Toen hij bij ons aankwam, stapte hij af, liet zich tegen onze auto vallen en begon te vloeken, te slaan en te huilen. Hij stonk als een mestkar. Van zijn fiets dropen dikke bruine druppels. Opgeven? “Nooit, godver, nooit.”Hij wilde de eindstreep halen, die achter twee andere cols, de Galibier en Alpe d’Huez lag. Hij wilde Parijs halen.

Ten einde raad stapte hij besmeurd met zijn eigen vuil in de inmiddels gearriveerde ambulance. Hij huilde. Ze hadden hem misschien nog een paar druppeltjes opium kunnen geven, een paar maar om de ergste buikloop te stoppen. Ze hadden hem een pilletje kunnen geven. Ze hadden hem een nachtje aan het infuus met een of ander middel kunnen leggen. Een hormoonkuurtje had wonderen gedaan.

Zeg nooit dat wielrennen een sport is voor zachte mannen. Ik heb wielrenners in de Ronde van Italië (Amerikanen, Italianen, Fransen, Belgen, Nederlanders) meer dood dan levend over de eindstreep zien rollen. Ze hadden meer dan acht uur door een sneeuwstorm gefietst (onder meer op de Passo di Gavia). Sommigen op last van hun ploegleider in korte mouwen, om de sponsor te behagen, nadat ze de dagen ervoor ook al urenlang door sneeuw en regen hadden gereden. Verdwaasd en bevroren lieten ze zich opvangen in dekens, minutenlang werden ze door verzorgers door elkaar geschud om weer op temperatuur te komen. Ze kregen warme drankjes, thee met cognac of een ander brouwsel van de soigneurs en dronken die als getrainde aapjes op – wisten zij veel wat ze naar binnen sloegen.

Sommigen deden rillend en stotterend hun verhaal voor een microfoon en een camera. Een microfoon? Een camera? Anderen werden naar een podium gesleept waar ze bloemen in hun armen geduwd kregen. Als zombies staken ze plichtmatig hun handen en de bloemen omhoog, verdwaasd en verdoofd door de extreme koude. Ze hadden zichzelf naar de rand van de dood geduwd en leefden zowaar nog. Zelfs dat beseften ze niet meer.

’s Avonds gingen we naar de hotels van de renners. Uit op onderzoek. De gangen stonken naar massage-olie en andere luchtjes. Hotels waren noodhospitalen geworden, waar een enkele kamer zelfs gelijkenis vertoonde met een intensive-care-ruimte. Wie brutaalweg een kamer binnenliep trof steevast een wielrenner aan die zich uitgeput en ontbloot op een bed had gestort, ogen die niet meer spraken, levenloos. Soms opende je de deur van een kamer en trof je een renner op een massagetafel, soms zelfs een renner aan een infuus. Met een klap werd dan de deur weer dicht gesmeten.

Aha, doping! Spanjaarden aan het infuus, Italianen, Fransen, Belgen aan het infuus, maar ook Joop Zoetemelk en zelfs Erik Breukink. Wie lag er niet aan het infuus. Ze lagen toch allemaal aan het infuus? Ik hoorde verhalen over toediening van voedingssupplementen en vitamines. Kom nou, iedereen in het peloton wist toch dat een infuus te maken heeft met doping. Of niet soms?

Wie de volgende morgen hetzelfde hotel binnenkwam, liep kokhalzend door de gangen. De stank was niet te harden. Het hotelpersoneel riep dat het nooit meer wielrenners in huis wilde hebben. Wc’s, badkuipen en wastafels waren bevuild, handdoeken en lakens waren gebruikt als dweil. Er waren journalisten die in prullenbakken ampullen vonden met vreemde namen. Ze namen de resten mee en lieten ze onderzoeken in een laboratorium. Amfetaminen. Doping dus! Zie je nu wel.

Verzorgers, de zogenoemde soigneurs die zowel kunnen masseren als injecties toedienen, waren doorgaans schimmige mannen. Vriendelijke mannen, dat wel. Want een journalist die was getroffen door een stevige verkoudheid of een kater kon van een soigneur een pilletje krijgen waarmee hij vrolijk fluitend de dag doorkwam.

Altijd hing rondom deze zorgzame mannen, de vertrouwenspersonen van de renners, de voorlopers van de sportpsychologen, een waas van geheimzinnigheid. Nooit (vertrouwenspersonen, nietwaar) waren ze duidelijk in hun antwoorden wanneer iets gevraagd werd over middelen, ziekten of lichamelijke dan wel geestelijke stoornissen van hun renners. Die magiërs uit Spanje. Die Mexicaan die altijd bij Greg LeMond was, die Franse dierenarts die furore maakte in de paardensport door de dieren met vreemde kruidenelixers in te spuiten, daar was weggevlucht en nu rondom Bernard Hinault was gesignaleerd.

De soigneurs kregen naar verloop van tijd hulp van medicijnmannen, acupuncturisten, haptonomen, chiropraktors, kruidendokters en de meisjes van 7Eleven, de Amerikaanse soigneuses (met de lieftallige Shelley Verses waarop iedere man in de wielerkaravaan geilde; ze werd het liefje van de Australische wielrenner Phil Anderson) die de renners van de Amerikaanse ploeg vertroetelden.
Spontane meiden in deze mannenwereld.

Toen kwam het peloton echte artsen, de mannen die het ‘beter’ wisten druppelden een voor een de wielerwereld binnen. Elke arts die zich in het peloton wielrenners waagde was op slag verdacht. Ze meldden zich met hun grote ego in de verziekte wereld als wereldverbeteraars. De meesten vertrokken weer snel. Want een medicus die zich in de Tour wil houden aan beroepsethiek, komt in conflict met de renners, de ploegleiding, de sponsors èn met zijn geweten.

Sportarts en arts van de Nederlandse roeiploeg Gé van Enst zei eens tegen me in een interview: “Wie als arts naar de Tour gaat, verliest zijn zin voor realiteit. Die laat zich meeslepen in de tragiek van halfdode renners en kan zich niet meer verantwoorden. Hij wordt door niemand beschermd. Niet door zijn collega’s, door niemand. Hij staat er alleen voor. Een arts die naar de Tour gaat is gek. Mij moeten ze nooit vragen.” Een infuus op een hotelkamer, zei hij, dat mag volgens de medische ethiek niet eens. ,,Maar, ja, ze doen het, de artsen, omdat ze wel moeten. ze hebben een contract met de ploeg en sponsor, en moeten te allen tijde de renners gezond zien te houden. Nee, daar zal ik me als arts niet aan wagen.”

Maarten Ducrot, profwielrenner en Tour-etappewinnaar in de jaren tachtig, vertelde me jaren later hoe groot de spuit was die in zijn bil werd gejaagd teneinde hem een week voor het slot van de Tour de France uit zijn lijden te verlossen. Maar de renner die al de totale uitputting nabij was, werd er nog zieker van. IJlend lag hij ’s nachts in zijn bed. Wat hij gekregen had? Nou, dat moest wel erg gemeen spul zijn. Een injectie weigeren was er niet bij. De ploegleider is de baas en het ploegbelang staat voorop.

Er zijn dopingreglementen. Wie zijn toevlucht neemt tot stimulerende middelen kan worden betrapt bij een dopingcontrole en vervolgens gestraft. Ik heb renners gesproken die waren betrapt, zoals Zoetemelk. We stonden met alle Nederlandse wielerjournalisten aan zijn hotelbed, 200 kilometer van ons eigen hotel ergens in de Pyreneeën. Zoetemelk wist van niets. Hij begreep er niets van, zei hij. Wie begreep het dan wel? Zijn ploegarts, zijn ploegleider? Het was de schuld van de dopingcontroleurs, riepen de renners in koor. Die controles deugen niet, zeiden ze. Ik had het maar te geloven. Joop was een aardige man, hij was geen slikker, hij was eerlijk, hij was onze Joop, nietwaar?

Sinds de Italiaanse professor Francesco Conconi zich in de jaren tachtig met wetenschappelijk onderzoek in duursporten is gaan bezighouden, maakt de wielersport een enorme ontwikkeling door. Conconi ontwierp nieuwe trainingsmethoden, die onder meer leidden tot ongekende prestaties van Francesco Moser. Een renner naar mijn hart, mijn favoriet, die op latere leeftijd nog het werelduurrecord brak, Milaan-Sanremo en de Ronde van Italië won. Vooral door de nieuwe bevindingen kende de Italiaanse wielersport een enorme opleving. Medewerkers van Conconi verspreidden zich, met als gevolg een hausse aan Italiaanse triomfen.

Zoals altijd worden overwinningen in de wielersport toegedicht aan nieuwe dopingmethoden. Bloeddoping en aanverwante methoden (zoals toediening van het middel EPO dat de zuurstofopname in het bloed vergroot) konden wel eens de oorzaak zijn geweest van de Italiaanse successenreeks.

Wie wint, heeft iets nieuws ontdekt. Iedereen in het peloton denkt het, niemand zegt het hardop. Ja, ’s avonds aan de bar als de sterke verhalen over ‘drog’ de ronde doen. Wie als journalist schreef dat in het peloton doping en omkoping schering en inslag waren, kon op een woede-uitval of erger van de betrokkenen rekenen.
Als wielerverslaggever dien je het eigen nest niet te bevuilen. We dienden de renners te steunen en positief over hun daden te schrijven. We leefden in dezelfde wereld en maakten met z’n allen deel uit van de Tourkaravaan. Zoals we als Nederlandse volgers in 1991 ons vertrouwen schonken aan Erik Breukink, een prachtige pedaleur die zich onderscheidde door zijn bescheidenheid en intelligentie. Hij zou wel eens de Tour de France kunnen gaan winnen, hoopten wij. Zijn ploegleider Jan Gisbers zei het, de volgers en het volk van Nederland geloofden het.

Gisbers was een man met vakkennis. Hij was als amateurploegleider succesvol geweest met een wereldtitel van de tijdritploeg, Jan van Houwelingen, Guus Bierings, Bart van Est en Bert Oosterbosch, ‘rooie Bertje’ die ik op de pedalen heb zien stampen als amateur en als prof, een lieve jongen met de kracht van een monster in zijn benen. Hij zou later sterven. Er wordt gezegd door de methoden van Gisbers of later Peter Post. Het is nooit bewezen.

Gisbers wist wat wel en niet mocht. Hij gaf tegen mij ook toe dat hij experimenteerde met middelen. Hij meende dat er maar één manier in de wielersport is om te winnen: grenzen overschrijden. In het voorjaar van 1988 voerde hij onder medische begeleiding met renners van zijn ploeg PDM experimenten uit met testosteron, een hormoon dat uitgeputte renners weer op de been kon helpen. Hij ging ver, maar niet verder dan anderen, beweerde Gisbers altijd. Ik geloof dat hij de waarheid sprak.

Gisbers was ploegleider van Pedro Delgado, eens Tourwinnaar, van Gert-Jan Theunisse, die ook meedeed aan de testosteron-experimenten en later een paar keer werd betrapt op te veel testosteron, van Steven Rooks, Sean Kelly, Jean-Paul van Poppel en Erik Breukink.

Zomaar van de ene op de andere dag in de Tour van 1991 werd de hele ploeg van Gisbers ernstig ziek. We besloten de hele nacht de wacht te houden in het rennershotel, zoals het journalisten betaamt. Door de gangen zagen we wandelende lijken schuifelen. Het waren renners die ziek waren geworden van het middel intralipid. Het werd in ziekenhuizen gebruikt, maar was nog onbekend in de wielersport. Het middel was bedorven geraakt. Alle wielrenners hadden dezelfde injectie gekregen, sommige hadden zelfs in de hotelkamer aan het infuus van ploeg-, huis- en sportarts Sanders gelegen.

De Oostduitse renner van PDM Falk Boden mompelde tegen mijn Duitse tv-collega Klaus Angermann (gevlucht uit de DDR) dat hij bang was om dood te gaan. Het was duidelijk, hij ging dood. Ervaren Tour-verslaggevers zoals ik wisten niet wat ze zagen. EPO, dat volgens geruchten al eerder door Italianen was aangewend, werd genoemd, een middel dat bij veelvuldig en ondeskundig gebruik levensgevaarlijk is. Intralipid, zo werd door onafhankelijke medici verteld, zou als transportmiddel (via het infuus) voor EPO of een ander bijzonder nog in het peloton onbekend middel gebruikt kunnen worden.

Bekend is dat sommige renners vrij onschuldige geneesmiddelen krijgen toegediend die het gebruik van verboden middelen maskeren. Gisbers vertelde een verhaal over bedorven gehaktsaus. Ik geloofde het niet. Maar wat moet je wel geloven in deze wereld van list en bedrog?

Wielersport en doping zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ik heb het gemerkt, ik heb het gelezen in alle geschiedenisboeken van de wielersport. Alcohol en cocaïne, zo las ik, waren in de negentiende eeuw zeer populaire stimulantia in alle sporten, vooral duursporten. Toen de wielersport begin van de twintigste eeuw populair werd, namen wielrenners alles tot zich wat ze wilden. Brouwsels met grote hoeveelheden cafeïne vonden gretig aftrek. Maar ook ether, nitroglycerine, strychnine en cocaïne werden gebruikt. Wegrenners kregen van alcohol een enorme kick en konden zo uren doorgaan, drinkend en fietsend.

Henri Desgrange, de man die de Tour de France bedacht, vond dat het nemen van stimulantia erbij hoorde. Tenzij de renners het zelf betaalden. Het idee om een dopingreglement in te voeren was dan ook niet afkomstig uit de wielerwereld.

De behoefte aan dopingcontroles ontstond in de sport in de jaren vijftig. In de eerste plaats door het wantrouwen van de Westerse autoriteiten over de prestaties van atleten uit de landen van het Oostblok, die sport in toenemende mate als prestigemiddel hanteerden. Daarnaast waren er de acties van sportartsen die hun monopolie op de uitoefening van de geneeskunde wilden beschermen tegen de niet-medisch geschoolde soigneurs die zich op terreinen bewogen die zij voor zichzelf gereserveerd hadden.

Pierre Dumas was zo’n arts (of was hij zoals werd beweerd niet meer dan een fysiotherapeut met iets meer kennis van zaken?). Behalve zijn part time aanstelling als Tourarts had hij geen enkele band met de wielersport. In zijn eerste jaar als ‘Tourdokter’ in 1955 werd hij geconfronteerd met een aantal gevallen van gedrogeerde renners. Hij kon maar net de Franse renner Jean Malléjac van de dood redden. Dumas belegde tot afkeer van de Tour-directie een persconferentie waarop hij verklaarde dat hij bereid was een aanklacht wegens poging tot moord in te dienen.

Pas in 1966 werd in Frankrijk een wet van kracht die controles op stimulerende middelen bij sportwedstrijden mogelijk maakte. De Tourrenners protesteerden onder aanvoering van Tourwinnaar Jacques Anquetil. De eerste die tijdens de stakingsactie weer op de fietst stapte, was Tom Simpson. Een jaar later reed de Engelsman zichzelf in de brandende hitte op de Mont Ventoux de dood in, zijn door bacterierijk bronwater (langs de kant van de weg uit bergbeekjes op fonteinen gedronken) geteisterd lichaam vol met drugs en cognac.

Het zijn de verhalen die precies passen bij de verhalen die oud-wielrenners mij ’s avonds aan de bar van net hotel vertelden.

Dopingcontroles werden strenger. Eind jaren zeventig ging men ook controleren op hormoonpreparaten. Maar minder geslikt en gespoten werd er bepaald niet. Dopingcontroles werden met trucjes omzeild. Soigneurs en ook artsen bleven de markt afstropen op zoek naar nieuwe, nog onbekende middelen. In de urine van Didi Thurau, een aimabele en zeer talentvolle Duitse renner werden sporen van nicotine gevonden, hoewel hij nooit rookte. Een Duitse journalist van Der Spiegel had ontdekt dat Thurau voordat hij naar de dopingcontrole ging zijn blaas leegde en er dan via een katheter urine van een ander in liet brengen. Ik heb het later meer gehoord. Een van de vele trucjes. Zelfs de grote Eddy Merckx zou het hebben gedaan. Ik wil het niet geloven.

Maar waarom zouden profrenners niet alles in het werk stellen om aan de macht van de dopingcontrole te ontkomen? Wielrennen is hun werk. Ze hebben er recht op zich te verzorgen zoals ze dat willen, beweren ze. Waarom concertpianisten, artiesten en acteurs wel en wielrenners op tournee niet? Ze hebben wel een beetje gelijk. Maar noem beroepswielrennen dan nooit meer sport.

Wat is dit voor waanzin

22 jun

Hoe doe je verslag van de waanzin van de Tour? Meegaan met de journalistieke mores of je afvragen waarom dit gebeurt met mensen? Dilemma’s van een Tourverslaggever.

Tour zwaar
Gefascineerd door zoveel ellende, onrecht en mensenschennis keek ik toe hoe de Zwitser Uli Sutter besmeurd met stof, modder en bloed in 1979 na een Tour-etappe over het middenterrein van de wielerbaan van Roubaix slofte. Zijn fiets achter zich aan slepend. Hij zocht. Nee, hij zocht niet. Hij was verdoofd en verdwaasd, hij doolde.

Op zijn shirt was nog net te zien tot welke ploeg hij behoorde: TI-Raleigh. Hij was de kopman, nota bene, van dit alom bewonderde team onder leiding van de beste zakenman onder de ploegleiders, Peter Post. Mijn afschuw sloeg om in woede. Dat wielrenners zichzelf dit aandoen. Dat wielrenners zich als reclamezuilen laten gebruiken door organisatoren als Jacques Goddet en Félix Lévitan. Beulen zijn het, die directeuren!

Ik wilde naar huis, weg van dit mensonterende circus. Op weg naar Brussel, waar na een eerste voor een debutant wereldschokkende Tourweek mijn vriendin op mij zou wachten, schold ik mijn collega’s de huid vol. Wat is dit voor waanzin? Willen mensen dit zien? Schrijven jullie hier over? Zonder een vorm van mededogen? Zonder kritiek op de organisatie voor wie slechts één belang telt: commercie? Hun evenement moet verkocht worden, ongekende kijkcijfers scoren, hun kranten moeten abonnees werven.

Waar zijn jullie principes, mannen, of doen we blindelings mee met dit populisme?

Was ik naïef, een romanticus die veronderstelt dat de sportwereld een symbool is van de integere wellust, van een eerlijke competitie en van het gezonde leven – vrij van zonden? Ja, ik was nog naïef. Dit hoort erbij, dit is de Tour de France, dit is de wielersport. Dit is wat de mensen willen.

Tom Simpson wordt tevergeefs gereanimeerd
Tom Simpson wordt tevergeefs gereanimeerd

Er zou mij nog veel meer wachten. Sportmensen die zich (bewust of onbewust) te gronde richten, in de hoop onschendbaar, onsterfelijk of heilig te worden. Jaren later leerde ik dat het bereiken van de top van Alpe d’Huez of nog beter de Mont Ventoux, waarop de Engelse beroepswielrenner Tom Simpson zijn leven verloor door te veel opwekkende middelen en overdreven ambitie, mensen een gevoel van superioriteit geeft. Mensen, vooral topsporters, gaan door het stof om zichzelf te bewijzen. Waarom begreep ik dat in 1979 nog niet? Hoewel ik al aanvoelde dat iets niet deugde aan de offers die Sutter en de zijnen brachten.

Eerder tijdens mijn eerste Tour de France zag ik Jacques (Jaak) Verbrugge voor de start van een Alpen-etappe. Zijn ogen stonden flauw, zijn gezicht was bleek. Hij was al dagen aan de diarree. Op de top van de eerste col besloten we hem op te wachten. Maar hij kwam maar niet. Een paar haarspeldbochten lager zagen we hem in de berm zitten, broek naar beneden, omringd door nieuwsgierige mensen. Hij klom weer op de fiets en zette zijn lijdensweg voort. Toen hij bij ons aankwam, stapte hij af, liet zich tegen onze auto vallen en begon te vloeken, te slaan en te huilen. Hij stonk als een mestkar. Van zijn fiets dropen dikke bruine druppels. Opgeven? ,,Nooit, godver.” Hij wilde de eindstreep halen, die achter twee andere cols, de Galibier en Alpe d’Huez lag.

Ten einde raad stapte hij besmeurd met zijn eigen vuil in een ambulance. Hij huilde. Ze hadden hem wat druppeltjes opium kunnen geven, een paar maar om de ergste buikloop te stoppen. Ze hadden hem een pilletje kunnen geven. Ze hadden hem een nachtje aan het infuus met een of ander wondermiddel kunnen leggen. Doping doet overleven, doping doet wonderen, doping maakt van mensen helden.

Mijn ervaren collega’s namen foto’s en noteerden wat hij zei. Ik deed niks, ik stond er bij, vertwijfeld, en vroeg me af of deze wielrenner niet meer verdiende dan platte, meedogenloze onderzoeksjournalistiek. Compassie of zo. Niet jagen op primeurs of het sensationele verhaal willen schrijven over een mens dat naar de klote gaat of nota bene doping heeft gebruikt. Gewoon: helpen – en niet scoren. Donder op met de journalistieke mores, voelde ik diep in mijn hart. Gewoon: afvragen waarom dit gebeurt met mensen.

Ik ging de volgende jaren op zoek naar het hoe en waarom van deze commerciële hellevaart. Ik raakte verward, zag hoe renners, ploegleiders en soigneurs met een wijde boog om mij heenliepen, zich furieus afwendden als ik te dichtbij kwam en te veel vragen stelde. Hoe ze heimelijk probeerden succes te behalen, door middel van omkoping, ongekende medicaties en andere malversaties. Ze hielden me voor de gek.

Ik werd overtuigd door de visie van de grondlegger van de olympische gedachte, Pierre de Coubertin, dat sportbeoefening slechts op twee manieren kon worden verstoord. Door het consumeren van ‘onnatuurlijke’ middelen om beter en sterker te worden of door te veel trainen. Een uurtje per dag was prima, maar een sportman die dag in dag uit vele uren per dag trainde, was volgens De Coubertin een bedrieger. Waar ligt dus de norm?

Ik probeerde hen te begrijpen. Ik had hen de hemel in geprezen, omdat ik hen mocht als mens, omdat ik hen vertrouwde. Ik werd uitgenodigd op hun partijtjes, werd er onthaald op loftuitingen en zei op mijn beurt dat zij ‘geweldig’ waren. Wat doe je als je je ex-vrouw die je bedrogen heeft, op een feest zoent en en passant toefluistert dat je haar faux-pas wel begrijpt? Je bent wel bedrogen!

Op de ploegpresentatie van Panasonic in Brussel had Peter Post besloten mij als kritische verslaggever mild te stemmen door mij de hoofdprijs van de tombola te gunnen. Maar er ging iets mis met het opzetje, waardoor de prijs naar een vreemde ging. Post was laaiend op mij omdat zijn Japanse sponsor de fout had ontdekt. Toen ik er (en nog meer louche zaken) over schreef, beloofde hij brandbommen in mijn voortuin. Zo ben ik (en mijn gezin) vaker geïntimideerd door ploegleiders en renners omdat mijn berichtgeving slecht was gevallen.

Ze lachen nu verontschuldigend, omdat ik het wel begrijp. Ja, vast wel. Weet je nog, leuke tijd was het, toen je me nog geloofde? Alsof dat afdoende is. Johan van der Velde maakte als een der weinigen excuses, nadat hij uit de gevangenis was ontslagen. Hij zei dat hij niet anders kon dan mij voorliegen, anders had hij zijn status verloren. De anderen slaan mij nog steeds op de schouder en zeggen dat ,,we altijd vrienden zijn gebleven”. Hoezo, altijd?

Ik begrijp hen. Het zijn mensen. Ook ik raakte verstrikt in mijn ambitie. Erbij horen voelde gemakkelijker en leidde mogelijk tot meer informatie dan op afstand volgen, kritiek leveren, speculeren en renners veroordelen om hun beroepsopvatting. Ik wist niets, had alleen een sterk vermoeden. Zodra ik op onderzoek uitging werd mij hardhandig de toegang ontzegd, omdat ik mij als een verrader gedroeg.

In 1989 zag ik in Corvara Erik Breukink aan het infuus liggen na een bergetappe in de Giro d’Italia. Op de laatste klim van de dag, de Campolongo, had hij de aansluiting met Laurent Fignon verloren door een ‘hongerklop’. Hij verloor zes minuten op de latere Franse eindwinnaar.  Na afloop van de rampzalige Dolomietenetappe werd ik ’s avonds van de kamer geschopt. Ik vroeg niet verder, hoewel ik het tafereel verdacht vond. Gewoon: suppletie, glucose, testosteron, epo, bloedtransformatie… Toch?

De betrokkenen gaven geen antwoord. Waarom ook? Ga een beetje vertellen dat je doping gebruikt of een koers hebt verkocht. Kom op zeg! Het was hun verantwoordelijkheid, hun leven, hun beroep. Inderdaad, het was/is niet mijn leven. Sport wordt zodra het amusement/commercie is grenzeloos. Wie wil scoren gaat over grenzen. Om met Johan van der Velde te spreken: ,,Als je hun niet flikt, flikken ze jou. Je moet meedoen, anders verlies je.’’

Erik Breukink in de PDM-camper nadat hij in de Tour heeft opgegeven./Erik Breukink in de PDM-camper nadat hij in de Tour heeft opgegeven. 16-07-1991
Erik Breukink in de PDM-camper nadat hij in de Tour heeft opgegeven. 16-07-1991

In mijn geheugen gegrift staan de taferelen die zich in de Tour van 1991 rond de renners van de PDM-ploeg afspeelden. Een voor een daalden ’s avonds de renners van de hoteltrap af, meer dood dan levend. Wij keken toe en zagen Erik Breukink, Sean Kelly, Jean-Paul van Poppel, Uwe Raab, Falk Boden en alle andere renners lijkbleek, rillend, breekbaar, zwijgend als zombies voorbijgaan. Mijn Duitse collega Klaus Angerman van het ZDF had eerder zijn landgenoot Falk Boden (net als Raab en Angermann ex-DDR) al gezien en mompelde dat Boden op sterven lag. Hun ploegleider Jan Gisbers en hun ploegarts Wim Sanders vertelden iets over bedorven gehaktsaus. We gingen op onderzoek uit, maar werden voorgelogen en geïntimideerd.

Was het experiment mislukt met de hele PDM-ploeg mislukt? Ploegleider Gisbers wist dat zonder medische experimenten succes niet haalbaar was. Want iedereen experimenteerde. Dit experiment mislukte, omdat er fouten met medicaties (herstelmiddel intralipid) waren gemaakt.

Gisbers verzweeg de waarheid, zoals Peter Post en al die andere ploegleiders, soigneurs en artsen. Ze verzwegen hun waarheid, hun ambitie, hun manier van bestaan. Stel eens voor dat ze niets hadden verzwegen, dat ze alles hadden verteld – hoe de koers echt was verlopen, wie wie had omgekocht, wat ze slikten of inspoten.

Vanaf mijn eerste kennismaking met de Tour de France, einde jaren zeventig, besef ik dat de professionele wielersport niet anders is dan het leven. Mensen doen alles om succesvol te zijn. Topsport is niet meer dan een afleiding van het werkelijke leven. Wie geen vrede heeft met zijn leven zoekt afleiding, meer en nog meer.

Topsport zou door perfecte mensen beoefend moeten worden, is een oprukkende mening. Alsof er ooit een perfecte mens zal bestaan. Een robot misschien?

Topsporters worden als heiligen, afgoden beschouwd. Er mag geen smet aan kleven. Ze moeten supergezond zijn. Zodra ze zich als mensen gedragen, worden ze veroordeeld. Wie een kampioen wordt of domweg de Tour wint, wordt geëerd als de perfecte mens. Wie op slinkse manier succes afdwingt, wordt verbannen naar de galg.

Ik ben sinds mijn eerste Tour de France niet langer naïef. Ik probeer te begrijpen dat mensen door het slijk willen gaan om te worden gewaardeerd. Dat doping of domweg stimulerende middelen daartoe worden aangewend, is menselijk. Topsport en vooral de Tour de France verdwazen. Zonder excessen, zoals omkoping en doping, is er geen opwinding. Sex, drugs and rock ‘n’ roll. Ik wil geen wielrennen zonder verbazing. Ik wil emoties.

Vals spelen doen we allemaal weleens als we de weg kwijt zijn.

Dit artikel stond in de NRC-bijlage van 22 juni 2013 ‘100x Tour de France: Helden en bedriegers’, met verder bijdragen van Peter Ouwerkerk, Wilfried de Jong, Peter Winnen, Hugo Camps, Steven Derix, Dolf de Groot, Peter Vermaas en Derk Walters

Alex Ferguson, een harde coach met veel compassie

16 mei

Loyaliteit, daar draait het om bij Alexander Ferguson. Trouw zijn aan elkaar, aan je geliefden en je lotgenoten. Betrokkenheid, verbinding en compassie in elke vezel van je lichaam. Zo heeft de zoon van een Schotse havenarbeider het leven van zichzelf en zijn medemensen van jongs af aan willen inrichten. Na ruim 71 jaar is hij daar vrij goed in geslaagd. Zeker als coach en manager van Manchester United, de legendarische Engelse voetbalclub die hij na 27 jaar van vooral glorieuze momenten verlaat.
Ferguson zou nooit afscheid nemen van de voetbalclub waaraan hij zich, naast zijn passie voor zijn renpaarden, had vastgeklampt om zijn leven zin te geven. Zo werd verondersteld. Manchester United is een instituut, een religie, waartoe je je tot aan je dood wijdt. Dat straalde Ferguson uit. Maar zijn hart, dat sinds 2004 een pacemaker en medicatie nodig heeft om evenwicht te vinden tussen water en vuur, kan het niet langer aan. Hij is moe. Een nieuwe heup, angst voor lichamelijke en geestelijke slijtage, zijn familieleven, andere gewenste nog niet beleefde momenten… Wat kan een bevlogen mens meer doen en laten om (eindelijk) rust te vinden? De Britse samenleving ziet toe in stilte en respect.
Alex (Alec voor zijn Schotse jeugdvrienden uit Govan, nabij Glasgow) wil niet sterven als een heilige. Hij is een sterveling. Al die triomfen, titels, bekers, medailles en decoraties hebben hem twintig jaar geleden al een koninklijke onderscheiding (Sir Alex) opgeleverd. Dat streelt zijn ego. Maar meer nog zag hij dat als aanvullend eerbetoon aan wat hij samen met zijn lotgenoten in de opportunistische en zakelijke voetbalwereld heeft bereikt. Alex Ferguson is nederig, totdat hij zich in zijn integriteit voelt aangetast. Dan staat hij furieus op, en roept hij dat mensen mensen blijven met al hun beperktheden. Help elkaar, denk niet aan jezelf, geef, zo schreeuwde hij diep van binnen.
Dolend door de catacomben van het stadion van Manchester United, Old Trafford, hoorde ik eens een man zingen. De tekst was onverstaanbaar. Het was neuriën, dat steeds luider werd. Ineens was de stem dichtbij. Ze bleek van een man met rode konen. Hij zong, liep door, knikte en zei gedag. Op de vraag wat hij zong, antwoordde hij: ‘A Scottish song‘. Hij liep door, zingend, in zichzelf gekeerd. Op de vraag of hij ‘Mister Ferguson’ was, antwoordde hij vriendelijk: ‘Sure’. Hij voegde hij iets toe wat leek op ‘Vermaakt u zichzelf’? ‘Yeah sure‘, zei ik impulsief.
Het vraaggesprek later met dezelfde man, dat bij toeval was ontstaan, stelde aanvankelijk weinig voor. Bijna onverstaanbaar, want Schots, verplicht en gevoed door een onverschilligheid ten aanzien van journalisten. Dit was werk voor hem. Een vraag over zijn ruim beschreven, doorslaande emoties liet hem niettemin niet onberoerd. Ferguson spontaan. ,,Ik ben er om de club, het volk van Manchester te geven wat het nodig heeft. Om de ego’s van de spelers aan te pakken. Als zij niet doen wat het volk wil, zijn ze alleen met zichzelf bezig. Wij zijn er voor elkaar. Ik ben hopelijk een goede manager, u een goede journalist en zij goede spelers. Maar we moet elkaar helpen om het leven plezierig te maken. Ik constateer dat veel spelers en journalisten dat niet kunnen begrijpen. Maar wie alleen aan zichzelf denkt, komt zichzelf tegen.’’
Ferguson keek alsof hij de roemruchte ‘hairdryer’ wilde demonstreren, klaar om zijn neus-tegen-neus-waarheid uit te blazen. Voorbeelden van slachtoffers, spelers, bestuurders, journalisten, scheidsrechters, collega-trainers doemden op, mensen die hij luidkeels duidelijk maakte dat er maar één waarheid is: dé waarheid. De waarheid is het lijden van anderen te verlichten en niet van jezelf. Enigszins bevreesd voor een uitbarsting herinnerde ik me de uitspraak van een van zijn jeugdvrienden uit Govan: ‘Alex kan in een lege kamer nog ruzie krijgen’.
Maar hij bleef kalm. Hij noemde namen. Eric Cantona, rebel without a cause, de Franse voetballer die een toeschouwer na een grievende aanmerking nota bene op de tribune aanviel met een Kung Fu-trap. ,,Eric heb ik verdedigd. Ik had groot respect voor hem, omdat hij een man was die over het leven nadacht, Freud las, het leven van een held doorgrondde. Ik herkende zijn emoties. Zijn arrogantie heb ik leren aanvaarden. Hij was een leermeester. Eric was de grootste. Maar dat waren ook Ryan Giggs, David Beckham, Roy Keane, Peter Schmeichel. Aan mensen die anders zijn dan ik, heb ik veel te danken.’’
Voordat zijn zachte kant toonbaar werd, verviel het gesprek in oppervlakkigheden over spelopvatting en aanleidingen tot winst en verlies. Spelers die wel of niet voldeden. Hij moest zich neerleggen bij de wensen van de geldschieters, van Rupert Murdoch tot Ierse en Amerikaanse investeerders. ,,Ik wil het volk bedienen, mensen die geen geld hebben en aan voetbal plezier beleven.’’
Ik herinnerde hem aan zijn jeugd, in de haven, wat ik gelezen had in de autobiografie Alex Ferguson, Managing My Life, geschreven door een van de beste sportjournalisten van Groot-Brittannië, de Schot Hugh McIlvanney. Hoe hij als jongen in een straatarm gezin moest overleven. Hij sliep in bed naast zijn broertje. Het gezin met drie kinderen moest het ouderlijk huis delen met Ierse huurders. Hij trouwde als protestant met een katholiek meisje, voetbalde voor de protestante club Rangers hoewel zijn vader voor het katholieke Celtic was. ‘Well, you know, I found my way, it was hard’, antwoordde hij nu kortaf. ‘But I had to. It’s us and them, but after all w’ere ordinary men.’
Zijn telefoon ging. Een vreemde ringtone. Naar later bleek: Scotland the brave. Hij is Schots, vandaar. Moeilijk te verstaan, en dus moeizaam te begrijpen. Alex Ferguson behoort tot de grootste coaches ter wereld, in navolging van de legendarische Schotten Matt Busby (Manchester United), Jock Stein (Celtic) en Bill Shankly (Liverpool), mannen die voetbal vooral zien als een primitieve strijd: winnen. ,,Ik ben geen mensenkenner. Ik ga af op wat ik voel bij mensen. Vaak vergis ik me. Maar ik wil mensen en spelers laten weten wat nodig is om elkaar te helpen. Als ze niet willen luisteren, schreeuw ik, uit wanhoop.’’
Als voetballer van bijvoorbeeld de Rangers scoorde hij veel, met name dankzij zijn ellebogenwerk. Hij was meer vechter dan artiest. Na zijn voetballoopbaan begon hij een kroeg At Fergie’s, hij was een herbergier bij wie iedereen welkom was. Dronken gasten werd de deur gewezen. Met Aberdeen werd hij als coach Europees kampioen voor bekerwinnaars, dank zij zijn meedogenloze aanpak. En toen meldde zich Manchester United, de club in verval, de club van George Best en Bobby Charlton. Hij zei ja. In Manchester keek hij om zich heen, zag weliswaar passie maar vooral egocentrisme. Met zichzelf ingenomen helden en vooral de dronkaards stuurde hij weg. Alex Ferguson verbond zich aan de glorieuze volksclub van weleer die alle verbinding met het volk had verloren.
Wie toetreedt tot het Theatre of Dreams in Manchester voelt wat voetbal is. Je kunt het niet bevatten voordat je het beleeft, voelt met al je zintuigen. Al die grootheden, van Duncan Edwards, Bobby Charlton, George Best, Denis Law, Peter Schmeichel, Eric Cantona, Mark Hughes, Ryan Giggs, Jaap Stam, David Beckham, Roy Keane, Ruud van Nistelrooy, Cristiano Ronaldo, Edwin van der Sar, Wayne Rooney tot Robin van Persie. Ze hebben allemaal kunnen schitteren op Old Trafford. Maar vooral door de visie van coaches als Matt Busby en de laatste 27 jaar Alex Ferguson.
Gebrek aan loyaliteit heeft veel spelers, trainers en bestuurders de kop gekost. Daar was Ferguson verantwoordelijk voor. Hard en rechtlijnig. In zijn biografie stelde de Schotse oud-speler van United en Aberdeen, Gordon Strachan, dat hij Sir Alex nooit had vertrouwd. Ferguon was menselijker dan hij zich voordeed. Hij is begaan met mensen die het niet kunnen bolwerken, met arme kinderen, met wezen, met gehandicapten, met verstotenen, met mensen als Nelson Mandela, de man die hij na een omhelzing in Zuid-Afrika bewierookt.
Verbitterd vertelde Strachan in zijn boek dat Ferguson zijn vrouw en zijn kinderen verwaarloosde. Toen Ferguson dat las zou hij in tranen zijn uitgebarsten, zei Strachan, wiens vrouw oppas was voor Fergusons kinderen. Zo zijn er meer verhalen. Vandaag scheldt Sir Alex je uit, morgen belt hij je en vraagt om vergiffenis voor zijn gedrag. Zijn biograaf Hugh McIlvanney vertelde: ,,Hij belde me eens op en vroeg: Waarom doen jullie mij dit aan? Jullie journalisten verwijten mij fouten. Maar zo ben ik, sorry. Ik kan niet anders, ik wil dat we elkaar respecteren, met elkaars fouten.’’
Ook Alex Ferguson is een man die zijn emoties niet onder controle heeft. Mogelijk vindt hij daar nu een weg in. Loyaliteit aan zichzelf en zijn vrouw Cathy, zijn jeugdvriendin. Mogelijk met een leven zonder prestatiedrift en competitiedrang, zonder het streven Manchester United in leven te houden als een voetbalclub die het volk afleiding biedt. Of hij lijdzaam toekijkt, zal de tijd leren. Maar hartgrondige loyaliteit laat zich niet gauw verdringen.

Dit portret verscheen in een verkorte versie in NRC Handelsblad

Tiger Woods de comeback kid

30 mrt

De Amerikanen hebben weer een ‘comeback kid’. Tiger Woods, een diep gevallen held die opstaat, zijn zonden overdenkt en toegeeft, veerkracht toont en zijn plaats herovert aan de top alsof hij er nooit van is weggeweest. Vorige week won de 37-jarige golfer voor de tweede achtereenvolgende maal dit jaar een toernooi, de Arnold Palmer Invitational op Bay Hill. Het was zijn zesde overwinning in de laatste twintig toernooien. Daardoor verdrong hij de Noord-Ier Rory McIlroy van de eerste plaats op de wereldranglijst. Een prestatie die voor velen onverwacht kwam.
Eind oktober 2010, 125 weken geleden, moest Woods afstand nemen van de hoogste klassering. De man die zich ruim een decennium lang ’s werelds beste en meest aanbeden golfer mocht noemen, verloor bijna alles wat hij sinds zijn jonge jeugd had verworven. Roem, status, zijn vrouw en het vertrouwen van de mensen, vooral vrienden, die hem jarenlang hadden bewonderd. Hij zakte ver weg, naar de 58ste plaats op de wereldranglijst. Veel sponsors trokken hun handen af van het merk Woods, hun imago was geschaad. In de media werd hij verguisd. Met Woods werd de spot gedreven in columns, cartoons en filmpjes. Compassie met het ontspoorde rolmodel was er nauwelijks. Hij was een egocentrische man, wist men. Hij was de nieuwe hoofdrolspeler in de toenemende schandpaalcultuur.
De roem die zijn vader hem had voorspeld, door hem al kort na zijn geboorte The Chosen One te noemen, was hem naar het hoofd gestegen. Zo was het – en niet anders. Hij was vanaf zijn derde jaar, als gast in een televisieshow, geweldig. En hij werd steeds geweldiger. ‘Tiger’ had de verleidingen die hem als uitverkorene ten vielen, niet kunnen weerstaan. Hij was er niet op voorbereid. Hij werd ontmaskerd als een seksmaniak. Elke vrouw die in zijn nabijheid kwam, was een prooi van zijn wellust. Geen krant of omroep die hem niet zijn schaduwleven kwalijk nam. Zijn vrouw verliet hem, met zijn twee kinderen. Woods, als Afro-Thai het rolmodel voor de zwarte Amerikaanse (golf)gemeenschap, stond voor de taak zich te rehabiliteren – als golfspeler maar vooral als mens.
Maar wat kon hij anders dan golf spelen? Hij had niets anders geleerd van het leven. Winnen. Omdat zijn vader hem dat had geleerd en hij niets anders had ondervonden. Af en toe verliezen, dat mocht – ter lering. Hij was geweldig. Elke golfspeler, van beginner tot gevorderde, keek naar hem, las zijn boeken, zoals: ‘Hoe ik golf’. En toen opeens bleek hij ook een ander leven te leiden, buiten de golfbaan, zoals mogelijk meer van zijn rivalen.
De persconferentie waarin hij toegaf ook een ander leven te hebben geleid, werd door velen met scepsis ontvangen, door de weinigen met compassie. Hij wees op zijn boeddhistische opvoeding die hij had verloochend. Hij bekende schuld. Hij zou opnieuw proberen te beginnen. Hij ging naar een therapiekliniek, om zijn lust naar buitensporige seks te analyseren. Wat zich daar heeft afgespeeld, zal mogelijk eens in een autobiografie worden uitgelegd. Begrippen als narcisme, eigenwaarde, schuldbesef en verslaving aan aandacht en winnen zijn daar mogelijk ter sprake gekomen. Het verhaal van een topsporter die zichzelf is kwijtgeraakt of sterker: zichzelf nooit heeft gekend. De aan alcohol verslaafde voetballer Paul Gascoigne kent het. Niet meer geliefd zijn als je niet meer scoort.
Wie Woods de afgelopen jaren heeft gevolgd, zag hem worstelen. Eerst vloekend en spuwend, dan weer een blessure (gevolg van forceren) vermannend, vervolgens het leedvermaak van de volgers werend. De ene kenner zei dat hij nooit meer de oude zou worden, de andere had een rotsvast vertrouwen in zijn talent. Hij schoof zijn trouwe caddie Steve Williams aan de kant en verlaat zich nu op Joe LaCava. Hij wilde leren, hij droeg weer zijn boeddhistische armband die hij van zijn moeder kreeg. Oefenen voor het nieuwe leven. En toen ontmoette hij Lindsey Vonn, de beste skiester van de wereld. Zij raakte vorig jaar in een zware depressie, scheidde van haar man en scheurde net als eens Woods haar kniebanden. Ze vonden elkaar en zijn nu ‘brothers in arms’.
Wie Woods de afgelopen jaren over de baan heeft zien lopen, zag sowieso een veranderend mens. Eerst dat chagrijnige gezicht als een bal toch niet de gewenste richting had gevonden. Dan dat spuwen, dat geklaag. Nu dat neutrale gezicht na een misser, die ingetogen glimlach naar zijn caddie als het goed zit. Harmonie in lichaam en geest. Hij werd de afgelopen dagen bedreigd als koploper, door het jonge talent Ricky Fowler of door Justin Rose. In het zicht van de overwinning werden zij nerveus. Ze wisten dat Tiger Woods aan slag was. Dat deed hen mogelijk beven van ontzag en daarom sloegen zij in the winning mood de bal in het water of buiten de baan.
Over twee weken begint The Masters in Augusta. Tiger Woods is de favoriet. Hij heeft veertien majors gewonnen, vier minder dan koploper Jack Nicklaus. Zijn grootse concurrenten zijn niet de voormalige nummer één Rory McIlroy, Phil Mickelson, Luke Donald of wie ook, maar de mensen die niet meer in hem hebben geloofd. Mogelijk trekt hij zich op aan Lindsey Vonn, geblesseerd aan haar knie, op zoek naar een nieuw leven. De legendarische honkballer Joe DiMaggio vond Marilyn Monroe en kwam na een slepende blessure terug, als comeback kid. Een man die van een onschendbare winnaar, verliezer werd maar terugkeerde. Ook Woods rechtte zijn rug in het onvermijdelijke licht van de camera’s die hij al vanaf zijn jeugd leerde kennen als opportunistische vrienden. Daar moet je sterk voor zijn.
Dit artikel werd op 26 maart jl in NRC Handelsblad en op 28 maart in NRCnext gepubliceerd

De magie van Michael Jordan zal blijven bestaan

19 feb

His Airness Michael Jeffrey Jordan is afgelopen zondag (17 februari) 50 jaar geworden. Ouder weliswaar, maar niet minder indrukwekkend is de man die vooralsnog de beste basketballer aller tijden wordt genoemd. En om zijn grootheid te benadrukken zien velen in hem zelfs de beste aller sportmensen in de geschiedenis. Wie hem nu ziet – op foto’s, films en televisie – wordt (nog steeds) geraakt door zijn uitstraling. Een grote, sterke, zelfverzekerde, evenwichtige man. Het begrip rolmodel dringt zich op, niet alleen voor basketballers maar ook voor sporters in het algemeen.

Wie hem van nabij in actie heeft gezien, hem heeft gesproken en zijn grote, stevige, magische rechterhand heeft mogen drukken, komt niet meer los van de betovering die zich tijdens die momenten manifesteerde. Hem over de speelvloer zien dansen, draaien, rennen en springen. Hem met dat 1 meter 98 lange lijf de lucht in zien gaan. Om hem daarboven (langer dan gewone mensen) te zien hangen alvorens hij de bal in de basket legt of smijt. Dat was overweldigend en staat voor altijd in het geheugen gegrift. Geen sportman die zoveel het emotionele brein prikkelde als Jordan.

Het was begin jaren negentig, in het oude Chicago Stadium, waar de Chicago Bulls hun thuiswedstrijden speelden. Na afloop stond hij in de kleedkamer de journalisten een voor een te woord. Correct, beleefd, in verstandige, begrijpelijke taal. Hij had de regie, bepaalde de stemming, maakte indringend oogcontact, gedroeg zich als een vader tegenover zijn zoon en peuterde en passant een diamantje in zijn oorlel, waarop de cijfers 2 en 3 te zien waren. Nummer 23 droeg deze atleet met goddelijke status op zijn shirt en zelfs in zijn oor. Nummer 23 is in de sportwereld nog altijd een magisch nummer.

Een paar meter van hem in de kleedkamer verwijderd stond zijn coach Phil Jackson. De Zenmaster. Een man, wiens eruditie waarschijnlijk alle sportcoaches te boven gaat. Jackson liet zich in de jaren zeventig als jonge man (met hippie-ideeën) inspireren door het boek ‘Zen en de Kunst van het Motoronderhoud’ van filosoof Robert Pirsig. Jackson is een oud-basketballer en oud-kampioen, die inzichten en ervaringen verwierf door bewust gebruik van lsd en marihuana, zich verdiepte in psychologische, filosofische, theologische en politicologische geschriften, zich onderwierp aan Indiaanse rituelen, de zenboeddhistische leer van Shunryu Suzuki volgde en zijn spelers leerde mediteren, en spirituele boeken en sprookjes liet lezen om tot (zelf)inzicht te komen. Jackson (later succesvol als coach van de LA Lakers) leerde Jordan zijn grote ego bedwingen.

Jordan zou dat seizoen voor de tweede maal met de Chicago Bulls kampioen van de NBA worden. Hij werd met de Bulls zes keer kampioen. Tussendoor maakte hij een uitstapje naar het honkbal, mede als gevolg van de dood van zijn vader die bij een roofoverval werd vermoord. Twee jaar later keerde Jordan terug. Hij opende de persconferentie kort en krachtig: I’m back. Er zouden nog vele titels, punten, dribbels en onvergetelijke acties volgen. Totdat hij (40 jaar) in 2003 als speler van de Washington Wizards zijn actieve loopbaan definitief beëindigde. Hij begon een nieuwe carrière, als zakenman en als eigenaar van de Charlotte Bobcats, het slechtste team van de NBA nota bene.

Jarenlang vereenzelvigden jongens zich met Michael Jordan. Wie geen schoenen droeg van het merk Nike Air Jordan telde niet mee. Het vermogen van Jordan wordt geschat op 500 miljoen dollar, zo’n 375 miljoen euro. Twee jaar geleden trouwde hij voor de tweede keer. Michael Jordan blijft nadrukkelijk aanwezig. Als het niet in de media is, waar hij desgevraagd graag zijn pittige meningen geeft, dan wel op de golfbaan (Jordan heeft handicap 6). Hij was vriend van Tiger Woods, die hij van advies diende toen ‘s’werelds beste golfer’ zijn neergang als mens en sporter doormaakte. Met een dikke sigaar in zijn mond moedigde Jordan vorig jaar het Amerikaanse Ryder Cup Team tegen Europa aan. Hij behoorde zelfs tot het begeleidingsteam. Jordan geldt als een mentalcoach bij uitstek. Luke Donald, nummer twee van de worldgolfranking, laat zich graag bijstaan door zijn vriend Jordan met zijn ervaringen en psychologische kennis.

Zoals de voetbalwereld zich voortdurend buigt over de vraag wie de beste voetballer aller tijden is, zo is de basketbalwereld druk doende de uitblinkers van nu te vergelijken met Michael Jordan. Juist nu, omdat LeBron James, de 28-jarige speler van de Miami Heat, met zijn spectaculaire spel en scoringsdrift Jordan van zijn troon lijkt te gaan stoten. Jordan won zes titels, James één. En dan is er nog de 34-jarige Kobe Bryant, speler van de LA Lakers die wat betreft puntentotalen, titels (vijf) en acties Jordan naar de kroon stijgt. Maar het draait niet alleen om titels en statistieken, het gaat ook om snelheid en kracht, links en rechtshandig, samenspel en hangtime.

James, zo is de verwachting, zal nog wel een paar titels winnen. Hij is nog jong en wordt steeds beter. De afgelopen weken scoorde King James in zes achtereenvolgende wedstrijden meer dan dertig punten en kwam hij tot een schotpercentage hoger dan zestig. Dat heeft niemand – ook Jordan – hem voorgedaan. Niettemin heeft Jordan een totaalgemiddelde van 30,1 en James nog slechts 27,6. Jordan zelf slaat in de discussie Bryant hoger aan dan James. Maar het antwoord van de reus van de Heat was duidelijk: ,,Het gaat niet om het aantal titels. Bovendien ben ik daar niet mee bezig. Ik speel voor mezelf en niet voor anderen. MJ is MJ, I’m LJ.’’

Ook Phil Jackson laat zich meevoeren in de discussie. De 67-jarige coach is weliswaar met pensioen, maar blijft betrokken. Hij is nog altijd onder de indruk van zijn vroegere pupil Jordan, maar sluit niet uit dat James het te langen leste gaat winnen van His Airness. Hij roemt beide spelers om hun enorme arsenaal aan vaardigheden, ziet in Jordan toch de betere atleet en in James de speler met de meeste kracht. Jordan kon op alle posities uit de voeten, James wat minder. Verder is James een betere teamspeler. Jordan bleef, ondanks het onderwijs van Phil Jackson, toch te veel last hebben van zijn ego. Zo beweert Jackson. En wat James nu doet, lang hangend in de lucht en dan scoren, dat deed Jordan volgens velen als eerste.

Jordan is bovendien toch vooral een gentleman gebleven. Al heeft ook hij zijn donkere kanten gehad, vooral door zijn vriendschap met de aan gokken en seks verslaafde Tiger Woods. Michael Jordan zal zeker nog lang worden herinnerd als de beste basketballer aller tijden. Zijn spectaculaire, vaak ongeloofwaardige acties deden sportliefhebbers rillen van emotie. En ze doen dat nog steeds.

Dit artikel werd op maandag 18 februari 2013 gepubliceerd in NRC Handelsblad

Wat vond ik van Lance Armstrong, toen in 2000?

13 feb

In het jaar 2000, 13 jaar geleden, schreef ik van afstand onderstaand portret over Lance Armstrong in NRC Handelsblad.
Ik bezat toen nog niet de wijsheid en kennis van nu. Was ik (nog) dom, onwetend en naïef? Dat zou best eens kunnen.

LANCE ARMSTRONG
Bewonderenswaardige passant
Een man van 28 jaar die kanker heeft overwonnen en vervolgens de Tour de France twee keer wint, is een hele bijzondere man. Op anderhalve bal tweemaal de zwaarste sportwedstrijd winnen, dat is uitzonderlijk. Zeker wanneer menig ervaringsdeskundige beweert dat de Tour zonder herstelbevorderende of stimulerende middelen nauwelijks te volbrengen is. Wanneer we voetstoots aannemen dat deze man geen toevlucht neemt tot onreglementaire stiumulantia, wat heeft hij dan wel in zijn mars wat andere Tourrenners niet hebben?
Lance Armstrong heeft de dood in de ogen gezien, zeggen de romantici onder de psychologen. Hij heeft leren vechten, hij heeft aan de andere kant van zijn fysieke en psychische grenzen kunnen kijken. Want wie wie door een hel is gegaan, geeft zich niet zo gauw meer over, die heeft ervaren dat de dood niet altijd dreigt. Mensen die op de vlucht voor de dood zijn geweest, weten dat zij tot meer in staat zijn dan de mensen die hun dagen in weelde doorbrengen.
Wie Armstrong ziet en hoort, ziet en hoort een man met een zeldzaam sterk ontwikkelde vechtlust. Hij wordt verschrikkelijk boos wanneer hij pijn voelt, wanneer iets of iemand hem in de weg zit. Kritiek ondergaat hij niet als een kampioen, maar als een verongelijkte zoon die ondanks zijn inzet en prestaties maar niet het schouderklopje van zijn vader krijgt waar hij zo naar verlangt. Een terugkerend fenomeen bij sportkinderen die zoals Armstrong hun vader kwijt zijn en hem niet meer (mogen of willen) zien.
Armstrong is boos op iedereen, op de wereld, op zijn rivalen, op zijn criticasters, op de bergen, op de hitte, de kou en de regen, en op de kilometers. Voortdurend is hij op zoek naar vijanden en bondgenoten, bivakkerend tussen de goeden en de kwaden. Alsof hij bondgenoten zoekt die de kankergezwellen in zijn hoofd en zijn teelbal voorgoed kunnen bezweren. De fiets is bondgenoot zolang hij het verzet kan trappen dat hij wil, de ploeggenoten zijn bondgenoten zolang ze kunnen helpen, zijn ploegleider is bondgenoot zolang hij zijn goede wil toont. Wee degene die hem niet steunt – of zoals Pantani na de zege op de Mont Ventoux – zijn ‘goddelijke’ gestes niet waardeert. Die zal lang van hem moeten horen dat hij idioot is.
Je ziet het meer bij wielrenners die de Tour hebben gewonnen. Bernard Hinault, de man die als ceremoniemeester elke dag op het erepodium Armstrong een hand gaf, was er zo een. Een man die de koers en alle volgers nar zijn hand zette. Een bijna kwaadaardige geest heerst in het hoofd van dergelijke mannen. Territoriumdrift in extreme vorm, altruïsme ter meerdere eer en glorie van het Grote Ik. Hinault gebruikte niet alleen zijn spierkracht en zijn verbale kracht, maar ook zijn vuistkracht om gezag af te dwingen. Hinault had in Cyrille Guimard een slimme ploegleider, maar hij was niet zo sterk afhankelijk van hem, zoals Armstrong van Johan Bruyneel.
Hinault had veel meer talent dan Armstrong. Hinault kon sprinten, tijdrijden en klimmen. Vergeleken bij Hinault is Armstrong slechts een bewonderenswaardige passant, een man die dankzij een geoliede Amerikaanse pr-machine en dankzij een heroïek ondermijnende intern-communicatiesysteem van overdreven vechtlust afgehouden wordt. Armstrong is een moderne Tourwinnaar, een man uit een soap. Armstrong lijkt ondanks zijn levenservaring geen man die luistert naar Seven steps to heaven van Miles Davis. Hij luistert alleen naar zijn eigen hartslag en zegt: ‘Hoor mij toch eens slaan, dat ik dat toch weer kan.’

Dit portret is in 2002 verschenen in een bundel van 100 portretten van sporters. ‘Sportportretten op maandag’, met tekeningen van Siegfried Woldhek.

De DDR was de beste sportnatie van de wereld, zeiden mijn trainers

31 jan

Dit schreef ik met de kennis van toen in de Dopingbijlage van NRC Handelsblad van 17 september 1998

Mezzanine_012

Berlijn. Een tiental kilometers ten oosten van Berlijn ligt een meertje, omgeven door bossen. Een schilderachtige plek aan een landweg in de voormalige DDR. Het is een zomerse dag. Het is er stil en vredig. Vogels fluiten. Er is niemand te zien, er vaart geen bootje op het water, er staat geen visser aan de kant en er ligt geen zonaanbidder in het gras. Het schijnt dat er dode krokodillen op de bodem liggen of lijken van monsters, misschien zelfs van mensen. Het water is vervuild, dat staat vast, zeggen mensen uit de streek.

Hier op dit water trainden vroeger roeiers en kanoërs. Niemand van de mensen in het bosrijke gebied van Kienbaum heeft hen ooit gezien. Niemand die hier woont heeft tot voor de hereniging van Oost- en West-Duitsland op 9 november 1989 geweten dat hier talloze sportmensen zich voorbereidden op de grote jacht naar olympisch goud. Men dacht dat tussen de bomen aan het meer een fabriek lag. Wat voor fabriek en wie er werkte, was onbekend. Er was een poort van staalplaat, maar wat daar achter gebeurde, wist niemand. Dat was staatsgeheim.

Later bleek dat er vaak meer dan honderd mensen bivakkeerden. Er bleken sporthallen te staan en er was zelfs een overdekte atletiekbaan. Onder een met gras begroeide heuvel bleek zich een bunker te bevinden. Een bunker waar sportmensen werden geïsoleerd, waar ze dagenlang vertoefden en urenlang trainden op hometrainers en fietsergometers, verbonden met meetapparatuur. Hoogtestage in eigen land, niet langer in Bulgarije. Met mogelijkheden tot vergelijkbare onderdruk tot 4.000 meter hoogte. Op eigen territorium, ver van pottenkijkers. Met de staatslaboratoria en onderzoeksinstituten om de hoek.

Bunker vierer2
Een beheerder leidde mij begin jaren negentig kort na Die Wende in gezelschap van een sportverslaggever van de voormalige DDR-krant Junge Welt rond in de bunker. Hij wees op kranen, waarmee de luchtdruk kon worden geregeld. Hometrainers met monitoren waarop de sporters ter stimulering filmpjes over succesvolle DDR-kampioenen konden zien en tientallen piepende roeimachines in gelid stonden opgesteld. Een zaal met gewichten en halters. Slaapzalen waar sporters in ijle lucht konden slapen. Een gigantisch fitnesscentrum avant la lettre in niemandsland.

(Later zou het centrum worden gemoderniseerd. Zie Kienbaum nu: http://www.kienbaum-sport.de/)

De jonge vrouw die nu in de zomer van 1998 naast me zit, is vroeger vaak in Kienbaum geweest. Ze is geen roeister of kanoster geweest, ze was zwemster. Want ook zwemsters gingen weleens naar Kienbaum voor testen en trainingsprogramma’s. Dat meertje herinnert zij zich. Een soort vuilstortplaats was het volgens haar. Nee, geen lijken. Kom nou. Ze is nu midden dertig, ziet er gezond uit en is modieus gekleed. Ik heb haar in een hoek zien zitten tijdens het dopingproces in Berlijn, het proces tegen artsen en trainers die jeugdige zwemsters hebben volgespoten en volgestopt met androgenen, vermannelijkende middelen. Ze was de enige vrouw op de publieke tribune van het gerechtshof te midden van wat oudere mannen. Af en toe knikte ze bemoedigend naar haar vriendin die tussen de aanklagers zat, Christiane Sommer-Knacke. Christiane was eens de snelste vrouw op 100 meter vlinderslag, mede omdat ze als jong meisje van de aangeklaagde trainer Rolf Gläser hormoonpreparaten kreeg.

Christiane Sommer-Knacke tijdens het proces

Christiane Sommer-Knacke tijdens het proces

Verder aanwezig in de beklaagdenbank is dr. Dieter Binus, de man die verantwoordelijk was voor de toediening van alle genees- en versterkende middelen bij de Stasi-zwemclub, Dynamo Dresden.

Lees mijn rechtbankverslag uit Berlijn: http://retro.nrc.nl/W2/Nieuws/1998/08/25/Spo/01.html

Wanneer ik haar tijdens een schorsing van de rechtszaak in gezelschap van Christiane Knacke zie, is ze in tranen. Gläser heeft net toegegeven dat hij schuldig is aan toediening van middelen en dat hij zijn excuses aanbiedt aan al zijn vroegere pupillen. ,,Het is een jankende hond die bang is klappen te krijgen”, zegt ze. Ze wrijft over haar buik. ,,Ik word misselijk. Ik voel me weer ziek worden als toen.” Ze omhelst haar vriendin en loopt weg.

Als ik haar tijdens de volgende schorsing in een belendend café zie zitten, zuigt ze nerveus aan een sigaret. ,,Ik wil niets zeggen. Ik besta niet meer. Ik heb het allemaal gehad”, zegt ze wanneer ik naast haar kom zitten. ,,Waarom zou ik voor de rechtbank komen en het hele verhaal vertellen? Het zou mijn dood worden. Ik hoop voor Christiane dat ze wint. Maar wat valt er te winnen. Ik heb een miskraam gehad, ik heb operaties gehad in mijn buik, kinderen kan ik niet meer krijgen. Ik was geen groot talent. Ik had het kunnen worden als ik doorgezet had. Maar ze hebben me kapot gemaakt. Ik ben geslagen en ’s nachts wakker gemaakt en toegesnauwd dat ik moest luisteren. Neem ze, doe het nou.”

Zwemtrainer Rolf Gläser met Rosemarie Gabriel (1976)

Zwemtrainer Rolf Gläser met Rosemarie Gabriel (1976)

Ze wil haar naam niet zeggen. ,,Ik ben gewoon Heidi, de onnozele. Ik ben geen kampioen geworden. Ik heb niks gewonnen, ik ben niemand. Waarom ik hier ben? Omdat ik in Berlijn woon. Nee, dat is onzin. Ik ben al jaren in psychotherapie en mijn therapeut heeft me gevraagd of ik ter verwerking van mijn trauma’s naar het proces wilde gaan. Ik doe het, ik ben bang, maar het helpt, al doen mensen als Christiane het vuile werk. Mijn man weet niet dat ik er naar toe ga, mijn moeder weet het niet, alleen Christiane weet het en ook die mannen op de tribune, want die kennen me.”

Heidi dus. Ze neemt weer een sigaret, bestelt koffie en zwaait naar Christiane die omringd door haar juristen het café betreedt. ,,Sinds twee jaar zwem ik weer met plezier. Ik durfde eerst niet in het water. Telkens als ik erin sprong, voelde ik mijn buik, de pijn en het verdriet. Als meisje was ik verzot op water. Ik zwom met mijn moeder en mijn zusjes. Ik was de snelste van de school. De sportleraar zei dat ik een kampioen ging worden en maakte me lid van een club bij ons in Eisenhüttenstadt.”

Ze vertelt over haar ontwikkeling als zwemster. Dat ze als elfjarige werd overgeplaatst naar een van de vele Kinder- und Jugendsportschulen, waar de grootste sporttalenten werden ondergebracht en dat ze werd gevraagd lid te worden van Dynamo Berlin, de beste club van de DDR. ,,Op de school trainde ik veel, maar ik moest ook leren. Vakken als wiskunde waren net zo belangrijk als zwemmen. Ik kreeg een regime van gezond eten en vitamines slikken. Vitamines en muesli. Soms een test en een nieuw trainingsprogramma. Veel gesprekken met een mentor en een arts. Ik was veertien toen ik voor Dynamo ging zwemmen. Ik was trots, mijn moeder ook, mijn vader was vertrokken, nooit meer gezien.”

De vrije slag was haar specialiteit. ,,Ik had kracht in mijn armen, altijd gehad. Ik won weleens, maar niet altijd. Ik was bang om te winnen. Ik kreeg gesprekken met trainers en psychologen. Ik was niet serieus genoeg, ik had te veel plezier, zeiden ze. Dat was niet waar. Ik deed mijn best, ook al lachte ik vaak. Ik ging harder trainen, elke ochtend van zes tot negen, en ’s avonds van vijf tot acht. Ik werd mager, nee, niet sterker. Toen kwam Gläser en zei: ‘Neem wat pilletjes voor het ontbijt, neem wat pilletjes voor het slapen en het komt weer goed.’ Elke avond meldde ik me met andere meisjes. We hielden onze hand op en kregen een paar pilletjes. Soms kreeg een meisje geen pilletje. Als ze erom vroeg bleek ze het niet nodig te hebben. Ik sliep als een roos, vaak werd ik badend in het zweet na een nachtmerrie wakker. Maar overdag voelde ik me sterk en vrolijk, ik zou kampioen worden, dat voelde ik.”

Haar moeder zag dat ze het naar de zin had, dat ze wedstrijden won en werd geselecteerd voor buitenlandse wedstrijden. ,,Ik vertelde haar dat ik de beste zou worden. Ik sloeg door. De DDR was de beste sportnatie van de wereld, riepen de trainers. Ik leefde in een euforie. Een paar maanden voor een belangrijk toernooi vertelde Gläser me dat ik injecties zou krijgen, extra vitaminen, anders zou ik de training niet volhouden. Ik kreeg ze van een dokter. Elke week werd bloed afgenomen. ”

,,Tijdens een buitenlands toernooi werd ik verliefd op een Italiaanse zwemmer. Hij zei dat hij hield van mooie, blonde vrouwen. Ik vree met hem. Dat lekte uit. Trainers sloegen me, lieten me harder trainen en gaven me meer pillen. Toen werd ik uit de club gezet. Geen talent en contacten met buitenlanders, zeiden ze. Mijn moeder die een woning in Berlijn had gekregen moest haar huis uit. We gingen terug naar Eisenhüttenstadt. Ik bleek in verwachting. De dokters moeten het geweten hebben, maar hebben me niks verteld. Een halfjaar later kreeg ik een miskraam.”

Ze vertelt dat ze later, na Die Wende van 1989, de verhalen las en hoorde over andere zwemsters en andere sporters, over Heidi Krieger, de kogelstootster die zowel geestelijk als lichamelijk zoveel man was geworden dat ze uiteindelijk besloot haar borsten te laten weghalen en als Andreas Krieger verder door het leven wilde gaan. Ze hoorde over vrouwen wier clitoris was uitgegroeid tot een klein piemeltje, ze hoorde over vrouwen met menstruatiestoornissen, haargroei op de bovenlip en een mannenstem. Karin Enke, de schaatscoryfee, Heike Drechsler, de hardloopster en verspringster, Kristin Otto, de zwemster (tegenwoordig televisie presentatrice ZDF-sport), Ilona Slupianek, de kogelstootster, en Marita Koch, de hardloopster. ,,Mooie vrouwen, mooie kampioenen, maar niet echt.”

Andreas Krieger met een foto van toen hij nog Heidi Krieger was

Andreas Krieger met een foto van toen hij nog Heidi Krieger was

,,Aan de ene kant ben ik jaloers, aan de andere kant ben ik blij dat ik geen kampioen ben geworden. Ik schaam me dat ik iets heb gedaan wat niet bij me hoort. Dat ik me heb laten gebruiken door mannen die alleen aan macht en glorie dachten.” Ze neemt nog een sigaret, inhaleert diep en blaast langdurig de rook uit. ,,Wat in de DDR gebeurde zou ik mijn kind niet willen aandoen. Tegenwoordig doen ze het overal, in Rusland, Amerika, hier in Duitsland en vast en zeker ook in Holland. Meisjes en jongens die zich laten manipuleren en tot extreme trainingen worden gedwongen. Het is niet alleen het slikken van pillen, het is ook de manier waarop sport ontaardt. Kampioen worden in een sport is waardeloos. Topsport is bedrieglijk. Ze verblindt jonge mensen. Topsporters worden robotten. Zonder gevoel. Mens zijn is belangrijker. Het enige dat telt. Kijk eens, hoe Christiane, mijn vriendin, er nog uitziet. En ik doe niet aan topsport. Vindt u mij een mooie vrouw? Ja? Dat zou ik fijn vinden om te horen.”

Heidi kijkt naar buiten, aan de overkant van de straat staan oude mannen voor het gerechtshof.

.

Een meisje van zestien jaar, de trots van papa, en al epo…

27 jan

Dit schreef ik vrijdag 9 november 2007

jeanson_genevieve_194
Dat wielrenners epo gebruiken, weten we nu wel. Maar wielrensters? Nou en of. Geneviève Jeanson, zeker. Al vanaf haar zestiende, tot haar vierentwintigste. Steevast. Zo bekende 26-jarige de Canadese, die sinds vorig jaar voor het leven is geschorst, in tranen in een fascinerende Canadese documentaire op TV5Monde. Pijnlijk en onthutsend voor wie nog in ‘gezonde’ topsport (zonder doping) wil blijven geloven.

Ik zag haar deze week in de documentaire Le Secret de Geneviève Jeanson bergen beklimmen, ik zag haar vechten, ik zag haar altijd op kop rijden, ik zag haar vaak winnen (zoals het wereldkampioenschap voor junioren tijdrijden) en ik zag haar voortdurend liegen wanneer ze toch betrapt was bij een dopingcontrole. Ze wist altijd van niks. Het kleine meisje (nauwelijks meer dan 50 kilo) stond altijd strak van de spanning. Haar vader zweepte haar op. O, wat was hij altijd trots op zijn meisje. Zoals ze doorzette, dat was toch geweldig. Ik zag hem met tranen in zijn ogen beweren dat hij niet geweten had wat ze deed, wat ze had gedaan en waarom ze zo sterk was. Epo, nee, nooit geweten.

Hij wist het niet. Haar trainer wel, maar toegeven doet hij het nog steeds niet. Haar sponsor heeft haar nooit doorgevraagd over mogelijke doping. De sponsor vertrouwde haar. Waarom zou ze ook liegen? Ze loog, vertelde ze in de documentaire, omdat ze niet anders kon. ,,Ik leefde in een fantasiewereld, ik wist niet wat ik deed, ik wist niet beter dan dat het zo hoorde, dat iedereen het deed. Ik trainde elke dag erg hard, en ik kreeg spuitjes als het moest. Wat moest ik daar tegenin brengen?”

In de geweldige documentaire wordt veel duidelijk hoe het gebruik van epo is te maskeren. Canadese analisten en experts leggen uit dat na 24 uur het effect niet meer is op te sporen via een dopingcontrole, als er maar zorgvuldig en gedoseerd wordt toegediend. Het is onthutsend dat zoveel mensen, artsen, trainers, begeleiders, ploegleiders, sponsors liegen. Wat moest Geneviève anders, dan ook liegen?

Totdat ze twee jaar geleden werd betrapt. Hoe kon dat? Ze wist het niet. Ze werd voor het leven geschorst. Ze moest wel stoppen. Uiteindelijk gaf ze toe, lang nadat ze gestopt was, dat ze vanaf haar zestiende jaar al epo had gekregen. Vanaf haar zestiende! Het zal je dochter maar zijn, 16 jaar jong, fanatieke en talentvolle sportvrouw, kampioen en aan de epo. Levensgevaarlijk spul, zo werd in de documentaire nog eens verduidelijkt.

Ze vertelde hoe bang ze al die jaren was geweest. Niet om betrapt te worden. Nee, ze was bang voor de dood – elke dag, elke nacht. Ze had van andere epo-gebruikers gehoord (want wie gebruikte niet epo?) dat ze ‘s nachts niet konden slapen, Dat hart pompte en bonkte maar door, de adrenaline bleef maar door de aderen spuiten. Dan gingen ze maar uit bed, om te wandelen, hard te lopen of wat dan ook – dat lichaam kon NIET stilzitten.

Dat had Geneviève ook gehad, dat verschrikkelijk bonkende hart, dat maar pompte. Ze lag te schudden in bed. Ze dacht vaak dat ze dood zou gaan. Altijd was ze bang voor de dood geweest. Maar als ze de volgende dag had gewonnen of op z’n minst was gecomplimenteerd voor haar fantastische rijden, dan was alle ellende weer vergeten. ,,Want daar deed ik het voor, voor mijn vader die zo trots was, voor mijn trainer die zo graag wilde, voor mijn sponsor die me veel geld betaalde.”

Ze is nu 26 jaar, ze doet weer aan sport. Want ze is aan sport verslaafd. ze is verslaafd aan uitputting en ze is verslaafd aan de complimenten. Maar nooit meer wil ze topsport bedrijven. Ze huilde achter haar brilletje, het meisje uit Lachine, Quebec. Ze had in een koker geleefd. Ze wist niet wat haar was overkomen. Zestien jaar, en al misbruikt door vader, trainer, artsen en sponsors. Wie is hier de schuldige? Dat was de slotvraag van deze indrukwekkende documentaire.

Ik denk dat ik het weet. De schuldigen zijn die verblinde mensen die kinderen aanzetten tot topprestaties en gouden medailles. En de overheid die alleen maar wil scoren met topsport, de sportbestuurders die verdwaasd en verdwaald raken in deze prestatiemaatschappij. Topsport is een valkuil, zeker voor kinderen die niet weten wat hen te wachten staat. Geneviève Jeanson (zie http://www.youtube.com/watch?v=gvK1HbygLP8) is het voorbeeld, ook voor Nederlandse jongens en meisjes die zo nodig willen presteren. Pas op. Vooral die kinderen die worden opgezweept door naïeve ouders en op macht beluste trainers, over-ambitieuze bestuurders en overheidsvertegenwoordigers die alleen aan politiek en niet aan de gezondheid van mensen denken.

Dit verhaal is geplaatst op vrijdag 9 november 2007 op mijn NRC-weblog

http://en.wikipedia.org/wiki/Genevi%C3%A8ve_Jeanson

Zal de opvolger van Messi als beste aller tijden ook nog een mens zijn?

8 jan

Eens in de zoveel jaren dient zich een talent aan dat alle vorige talenten overtreft. Dan wordt ook dit talent weer gekwalificeerd als de grootste aller tijden. En wanneer woorden tekortschieten, dan moet hij wel van een andere planeet komen. Welke superlatieven resten ons na Nandor Hidegkuti, Duncan Edwards, Didi, Alfredo Di Stefano, Pelé, Garrincha, Eusebio, Rivelino, Johan Cruijff, George Best, Eusebio, Maradona, Zinedine Zidane, Ronaldinho, Cristiano Ronaldo, allen voetballers die buitengewone fenomenen zijn genoemd. Maar deze is gewoon niet gewoon meer. Laten we het daar na decennia van oeverloze en verwarrende, zinloze vergelijkingen maar op houden.

Sinds enkele jaren zoeken bewonderaars van Lionel Messi in hun wanhoop naar superlatieven en kwalificaties die nog niet eerder zijn gebruikt om het talent van de Argentijnse voetballer te duiden. Nog maar 25 jaar oud is het mannetje van 1 meter 70, wat staat de arme jongen nog te wachten? Nu al de beste ‘ooit’? Kan hij die verwachtingen waarmaken? Of zal hij in navolging van veel van zijn voorgangers bezwijken aan te veel rijkdom en verheerlijking?

Was voetballen maar een vorm van beeldende kunst en Messi een beeldend kunstenaar, dan hadden de recensenten zijn bewegingen geanalyseerd in gekunsteld proza, ten einde het eeuwige en hemelse in hem te beschrijven. Ze zouden hem in enkele facetten van bewegende kunst hebben vergeleken met een danser als Rudolf Noerejev. Ze zouden zijn acties tot in finesses ontleden, in welke mate hij de perfectie van de uitvoering had benaderd.

Maar Lionel Messi is niet meer dan een uitzonderlijk goede voetballer. Al is hij nu voor de vierde achtereenvolgende maal door een jury van onder meer coaches, geselecteerde journalisten en aanvoerders van nationale elftallen tot ’s werelds beste voetballer van het jaar gekozen, Messi is en blijft een beoefenaar van voetbal. Een voetbalspeler. Meer kunstenmaker dan kunstenaar. Meer liefhebber dan perfectionist.

Zoals vrijwel alle ongewone fenomenen is hij sinds zijn peutertijd bezeten van het spel dat vooral op spontaniteit en opportunisme berust. Hoe graag gedreven coaches met behulp van computeranalisten, fysiologen, haptonomen, psychologen, neurologen, diëtisten, farmacologen, speltherapeuten en wetenschappers die bal, schoeisel, kleding, speelveld en trainingsfaciliteiten het spel ook wensen te automatiseren. In de jaren tachtig liet Vladimir Lobanovski, coach van Dinamo Kiev,  met assistentie van natuurwetenschapper Anatoli Zelentsov de psyche van voetballers testen aan de hand computerspelletjes. Spelers moesten standaardsituaties uit hun hoofd kunnen leren en volgens vaste patronen vrijlopen.

Messi is een mens, maar zal zijn opvolger als beste voetballer ook nog een mens zijn? Of een computerspelfiguurtje dat van afstand via de satelliet, gestuurd door een team van gespecialiseerde coaches, de verlangde bewegingen maakt en schoten op het doel afvuurt? Gendoping is niet ver meer weg van topsport, ook niet van de allerminst ‘schone’ voetbalsport. Een neurowetenschapper onderzocht  in het ‘Milan Lab’ al hoe hij het gedrag van larven kon sturen, in de hoop dat bij de voetballers van AC Milan in praktijk te brengen. Wat staat ons als voetbalbeschouwer allemaal te wachten vanuit de laboratoria?

Toegegeven, soms lijken de voetbewegingen van Messi van buiten het veld gestuurd. Misschien wel van boven, door de hand van God? Om in voetbaljargon te spreken: hij heeft de bal aan een touwtje aan zijn voet, altijd zijn linkervoet. Zelden laat hij de bal wegspringen, of het moet van zijn rechter voet zijn die hij als linksbenige minder heeft ontwikkeld. De voet- en lichaamsbewegingen van het kleine mannetje zijn zo snel dat tegenstanders niet of nauwelijks kunnen reageren. Brute schoppen ontwijkt hij ongewoon goed. Zelden protesteert hij tegen de aanslagen. Zelden krijgt hij een gele kaart. Hij heeft het niet nodig. Hij speelt met de bal en neemt de aanslagen voor lief. Hoe lang nog? Wie wordt de slager van Messi?

Hij beschikt daarnaast over een uitzonderlijk ruimtelijk inzicht. ,,Hij denkt sneller dan ik’’, roemde zijn voorganger als beste aller tijden Maradona hem eens. Een misvatting. Messi denkt niet. Zijn rechter hersenhelft is beter ontwikkeld dan zijn linker. Hij ‘denkt’  in beelden. Hij is een ziener. Hij doet wat hem invalt, overziet de posities van zichzelf, zijn medespelers, zijn tegenstanders. Hij beschikt over een haptonomisch gevoel, een sterk ontwikkelde tastzin. Hij voelt de energie van lichamen en ruimtes om zich heen. Met zijn korte benen loopt hij weliswaar als een opdraaipoppetje, maar hij is toch echt van vlees en bloed. Hij heeft een relatie met zijn jeugdvriendin uit Rosario, Antonella Rocuzzo. Sinds kort hebben zij een zoon. Over menselijkheid gesproken: Messi mist regelmatig een strafschop.

De vraag dringt zich vaak op hoe Messi in een ander elftal dan Barcelona zou spelen. Verwezen wordt dan naar zijn spel in de nationale ploeg van Argentinië. Daarin lukt het hem zelden zo uit te blinken als bij Barcelona. Is het de hand van de coach die Messi doet schitteren? Is hij vergroeid met Barcelona? Daar waar hij als 13-jarig jongetje al vertrouwd raakte met het korte samenspel en de pedagogische teamcodes die in de jeugdopleiding van La Masía volgens de leer van oud-jeugdtrainer Laureano Ruiz worden gepropageerd.

Messi is een zoon van Barcelona. De club bleek twaalf jaar geleden bereid de medische kosten in het ziekenhuis van Barcelona voor haar rekening te nemen. Barcelona zag in de bedenkelijk onvolgroeide puber een goede investering en betaalde naast de groeihormonenkuur ook de verblijfskosten van zijn familie.

Onlangs verlengde Messi zijn contract tot 2018, dat betekent (los van sponsorcontracten) 16,5 miljoen euro per jaar. Voorwaarde is dat hij 65 procent van de wedstrijden speelt. Hij wees een aanbod van een onbekende Russische club (waarschijnlijk Anzhi, van coach Guus Hiddink) van 30 miljoen netto per jaar af. Barcelona had zijn enorme schuldenlast aanzienlijk kunnen verminderen.

Hoe lang kan een mensenkind deze druk aan? Leven in een systeem waarin de premiejagers van de media altijd op de loer liggen om roddels te verkopen. Leven als een idool, als een icoon, als een rolmodel. Gewoon jezelf kunnen zijn en blijven. Het in zichzelf gekeerde, bescheiden, bijna verlegen kunnen blijven. Zou er niet iets in de jonge Argentijn zijn, dat niet aan de idealen van zijn bewonderaars beantwoord. Is hij dan toch niet een ideale schoonzoon?

Record na record vestigt de zwijgzame kunstenmaker. Triomf na triomf behaalt het fragiele godenkind. Nog niet genoeg, beweert hij steeds. Hij wil meer, nog meer. Zoals een kind als rupsje nooit genoeg zijn.

Als het dribbelen, scoren en  winnen hem dan nog zo ogenschijnlijk gemakkelijk afgaat, waar en wanneer zal zijn avontuur dan eindigen? Welke woorden zijn er nog niet gebezigd om zijn spel te uit te leggen? Goddelijk en hemels zijn al gebruikt. Laten we een voorbeeld nemen aan de Spanjaard Santi Nolla, hoofdredacteur en columnist van El Mundo Deportivo.  Hij beperkte onlangs zijn dagelijkse column onder de kop ‘Leo Messi’ tot slechts drie woorden: Sobran las palabres (woorden zijn overbodig).

Als Lionel Messi maar voetbal speelt. Dat is het belangrijkste.

Dit artikel is in iets kortere versie verschenen in NRC Handelsblad en NRC.next