Archief | Voetbal RSS feed for this section

Charley van de Weerd, eens en altijd de beste van FC Wageningen

13 sep

Op 13 september 2013 werd op de Wageningse Berg een reünie gehouden: ‘BallenopdeBerg’, ter nagedachtenis aan de glorietijden van FC Wageningen. De beste voetballer die Wageningen heeft gekend, was Charley van de Weerd. Hij was mijn jeugdheld. Hij overleed in februari 2008. In 1992 ging FC Wageningen failliet. De club van Charley, van zijn neef Ton van de Weerd, van Wim Bleijenberg, Epi Drost, Fritz Korbach, Gerdo Hazelhekke en andere groenwitte helden werd uit het betaald voetbal gestoten. In 1992 ging ik voor NRC Handelsblad met Charley terug naar de Wageningse Berg. Een onvergetelijke ervaring.

Door onze redacteur Guus van Holland

In de historie van ruim tachtig jaar voetbal in Wageningen speelde Charley van de Weerd de hoofdrol. Hij bepaalde tussen 1939 en 1962 het gezicht van de club, die het merendeel van het bestaan overigens in de eerste divisie doorbracht. FC Wageningen is failliet en kreeg geen licentie meer. De eens onneembare veste, het meest idyllische stadion van Nederland, de Wageningse Berg, is verlaten.

WAGENINGEN, 13 aug. 1992. Als we de Generaal Foulkesweg oprijden, de weg vanuit de stad de Wageningse Berg op, doemen de eerste herinneringen op. Voor elke thuiswedstrijd, voor elke training fietste hij de berg op. Zo begint Charley van de Weerd spontaan te vertellen. Daar kreeg je sterke spieren van. Dan had hij de warming up er al op zitten als hij op het veld kwam. Drie tot vier keer in de week legde hij die weg af, bijna 22 jaar.
Charley
Hij herinnert het zich nog goed. Hoe de Wageningers met duizenden over de weg naar het hoog gelegen stadionnetje liepen of fietsten. Beginnend, onderaan, bij hotel De Wereld. En na afloop wandelden de vrouwen met hun kinderwagens vader tegemoet. Die sfeer. ‘Charley’ (Anthonius Johannes) van de Weerd (70), een begrip in Wageningen, een idool voor elke voetballer uit de omgeving, krijgt het er even warm van.

Achterop de fiets bij mijn vader ging ik vanuit Bennekom naar mijn eerste wedstrijd in het betaald voetbal. Jaren vijftig. ADO, met z’n internationals, kon kampioen worden op de Berg. Wageningen (toen nog geen FC) won, zoals Wageningen thuis vaak won van kampioenskandidaten. De bloemen konden worden weggegooid. Charley van de Weerd scoorde. Zoals altijd. Natuurlijk een linksbinnen, want alleen linksbinnens konden voetballen. Hij passeerde twee, drie spelers op de vierkante meter. En hij kon schieten. Met rechts en met links. En altijd nummer 10, in rode cijfers op het groen wit gestreepte shirt.

Wageningen won in het seizoen 1952/’53 op de Berg met 4-1 van Ajax. Ze praten er nog over. Maar in Amsterdam wonnen ze ook, met 2-1. “Scoorde ik ze allebei”, zegt Charley met Wageningse tongval, die ik als jongen van de streek goed ken. Hoeveel hij er in die legendarische wedstrijd maakte, is hij vergeten. “Een stuk of drie, denk ik. Want ik scoorde altijd. En veul.” Er waren wel 12.000 man tegen Ajax, mensen langs de kant op platte wagens en kisten. Het stond zwart van de mensen.

Hij kent ze nog, de Ajacieden. Dräger, Van Dijk, Boskamp, Van der Wel, Van Mourik, Leeser, Visser op het doel, Stoffelen, Van der Hoeven en Rinus Michels. Vond hij niks aan, als voetballer, die Michels. “Maar ja, hij liep in een gesmeerd elftal. Als je daarin speelde, hoefde ze je maar in te tikken. Hij was goed met de kop. Verder niks. Als hij bij Wageningen had gespeeld, had je nooit van hem gehoord.”

De wind ruist door de bomen rondom het rustieke stadionnetje. Het hek is dicht, voorgoed gesloten. Het huis naast het veld biedt geen uitkomst. Niemand thuis, geen sleutel. Hier woonde zijn opoe, merkt hij op. Ging hij als jochie van acht ’s zondags naar toe. Dan voetbalde hij er op het veldje naast het grote veld. Later het trainingsveld, waar Epi Drost als “jochie van 15 jaar op zijn gewone schoenen mee mocht doen en de spelers van Wageningen dol draaide”. Zo vertelt Charley met een gulle lach.

Van de Weerd heeft een tasje met knipsels meegenomen en vertelt. Over de beslissingswedstrijd die Wageningen in 1951 in de Rotterdamse Kuip tegen DWS moest spelen om het Nederlandse kampioenschap. Ze verloren met 1-0, door een “heel lullig rot goaltje”. Ze waren veel beter. Het publiek was op hun hand. Hij had de keeper nog bewusteloos geschoten met een van zijn befaamde kanonskogels. Een landskampioenschap van Wageningen, dat ontbreekt er eigenlijk aan. Hij heeft alleen de KNVB-beker gewonnen, twee keer.

Welk voetbalveld ligt er mooier dan de Wageningse Berg? Hoog tussen de bomen. Beneden stroomt de Rijn. Hij wijst op de watertoren, als een baken van verzet bij de entree van de Berg.

De herinnering aan 16 januari 1944 dringt zich bij hem op, twee dagen voor zijn 22ste verjaardag. “We speelden tegen Go Ahead. Ineens stonden er allemaal Duitsers om het veld. Ik zag het wel. Al die mensen die naar de uitgang liepen, onder het voetballen. Ze werden allemaal gecontroleerd op een Ausweis. En ik was de enige onderduiker op het veld. In de rust kwam mijn moeder de kleedkamer binnen. Die zegt tegen Van Tuil, de voorzitter, of ik niet met een blessure kon uitvallen, met de ziekenwagen weg kon. Nee, daar had hij wel iets anders voor.”

Na de wedstrijd werd hij verstopt onder een toonbank waar ze limonade en bier verkochten. Planken ervoor. En wachten. “Ik hoorde ze komen, bons, bons met die laarzen. Uiteindelijk vonden ze me toch. Ik werd het veld opgesleept, tussen de andere mensen gezet en overgebracht naar de Gestapo in Arnhem.”

In nog hetere tijden van de oorlog sliep hij op de Berg. Dan bivakkeerde hij onder een dekentje op de tribune. Of dook hij onder op een zoldertje boven de kleedkamer. Zodra er in de stad het gerucht ging dat een razzia dreigde, verdween hij naar de Berg. Zijn Berg, waar hij zich veilig voelde tussen de lucht van leer en touwen netten.

Na de evacuatie van Wageningen werd het stadion totaal ontredderd teruggevonden. Alles was verdwenen en in het veld werden loopgraven en schuttersputten aangetroffen. Maar het voetballeven ging door. En beter dan ooit. In 1948 won Wageningen de KNVB-beker voor de tweede keer. De glansperiode van Charley van de Weerd was aangebroken.

Van de Weerd werd uitgenodigd voor de selectie van het Nederlands elftal. Twee jaar lang ging hij elke dinsdag naar Amsterdam naar de centrale training. Onder leiding van Jaap van der Leck. Hij trainde met Lenstra, Terlouw, Biesbrouck, Schaap, maar hij speelde nooit in het Nederlands elftal. Toen hij de kans kreeg, werd Kuneman van HBS opgesteld. “Die kon er niks van, maar ja hij was van HBS uit Den Haag, hij lulde zich er wel in. En ik kwam uit de provincie. Zo gaat dat.”

Hij hield er in elk geval een speldje aan over. Een leeuwtje met een roodwitblauw vlaggetje eronder en de letters NED. ELFTAL TR., TR van training. Hij speelde vijf keer in het voorlopig Nederlands elftal, twee keer in het B-elftal, vier keer in de Zwaluwen. Hij werd regelmatig gekozen tot beste speler van Oost-Nederland. Soms komt hij ze nog tegen, de grote jongens van vroeger. Aardige jongens, zoals Guus Dräger van Ajax. En Abe Lenstra, een hele luie. Maar aardig. Later kwam Abe nog bij hem in de sportzaak om zijn schoenenmerk van Quick te verkopen.

En Cor van der Hart. “Dat was een vreemde. Die zag me niet staan. Ik heb hem eens bij Fortuna’54 driemaal gepasseerd én gescoord. Vond-ie niet leuk.” Maar verder was ’t wel een goede voetballer. En Frans de Munck, de legendarische doelman, was ook een hele goeie: “Wel een ijdeltuit. Later verfde hij zijn haar.”

West Ham United benaderde hem voor een profcontract. Van de Weerd wilde niet uit Wageningen weg. Hij kreeg bezoek van een man uit Italië. “Hij sprak Hollands, maar hij had een speldje van Inter op. Dat had ik wel gezien. Hij zei dat ze me al twee seizoenen observeerden. Ze zochten zo’n soort voetballer. Een die het spel maakt en veel scoorde. Maar ik durfde niet. Helemaal met de trein naar Milaan. Jong, daar kon ik toch niet aan beginnen. En in Italië, daar gooiden ze je op het veld met flessen dood.”

Het beroepsvoetbal deed zijn intrede in Nederland. Van de Weerd ging voor De Graafschap spelen. Voor een tientje of vijf per wedstrijd. “En dat was wat in die tijd. Ik werkte in een garage voor 38,50 (guldens) per week. Kun je nagaan. Ik kon een nieuwe haard kopen.”

Na twee jaar ging hij terug naar Wageningen. Omdat hij er een sportzaak kon overnemen, een winkel die nog altijd bestaat, aan het Salverdaplein. Bij De Graafschap geloofden ze niet dat hij dáárom terugging. “Ik heb de hoofdinspecteur van politie in Wageningen nog gevraagd dat in Doetinchem uit te leggen.” Hij kon er echt niet blijven voetballen. Stel je voor, in die tijd. Niemand uit Wageningen zou bij hem voetbalspullen kopen, omdat hij in Doetinchem speelde. Hij zou een verrader zijn, “een vuile overloper”.

Hij speelde zijn eerste wedstrijd in het eerste toen hij 17 jaar was. Als linksbuiten scoorde hij bij zijn debuut tegen Tubantia driemaal. Want hij scoorde altijd. Ruim 22 jaar later nam hij afscheid, op zijn veertigste. Hij had eerder willen stoppen. “Maar ze zeiden nog niet zonder mij te kunnen.”

Waarom de kampioenen uit het westen met knikkende knieën naar de Berg kwamen? Ze stroopten hun mouwen op: Henk Looijs, Wim Vermeer, Wim Zeller, Job Jansen, Reijer Jansen, Joop Gieltjes, Hennie van der Heijden, André Leander, Frans Beijer, Selis Drost (de vader van Epi), Wim ‘de Kont’ Bleijenberg, die later naar Ajax ging. Van de Weerd niet, hij was geen werker. Hij hield van mooi voetbal. Maar hij scoorde wél. Altijd. Hoeveel weet hij niet. “Honderden. Tegenwoordig heb je van die slimmeriken die het bijhouden.” Een ‘slimmerik’ van toen telde 281 doelpunten in officiële wedstrijden in het eerste van Wageningen en 19 in vertegenwoordigende elftallen.

De Wageningse Berg, de zelfingenomen heren van de KNVB en die lui uit het westen met hun grote mond over patserige stadions in Amsterdam en omstreken, talen niet naar traditie. Eigenbelang. Charley van de Weerd zegt er niet wakker van te liggen. Maar wanneer ik hem vraag afscheid te nemen van de Berg, draait hij zich om en wijst naar het veld. Dat liep vroeger af. Dat wisten ze als ze moesten tossen. Dat veld was zanderig. De wedstrijd werd daarom nooit afgelast. Dat was vaak een voordeel. Dat maakte de Berg onoverwinnelijk.

Hij ging nog vaak kijken als FC Wageningen speelde. Hij had een hoofdtribunekaart. Hij wijst naar het businesshome. “Al goud wat er blinkt, het plafond is van koper.” Hij ziet de reclameborden rondom het veld. Sponsors genoeg. “Maar een seizoenkaart voor oud-spelers als Henk Looijs, Wim Vermeer of voor mij kon er nooit af. Ik geloof dat het bestuur Charley van de Weerd niet eens kende.”

Hij droomt verder. Wat komt er voor in de plaats? Huizen? Of gaan ze er popfestivals houden? Het veld is groen, het gras ligt er goed bij, het is net gemaaid. Maar de Wageningse Berg zal leeg blijven. Er zal nooit meer een Charley van de Weerd zijn.

Over de hele wereld voetballen homo’s

9 aug

Geplaatst op mijn NRC-blog op zondag 16 november 2008
Door Guus van Holland

Zomaar ineens duikt de vraag weer op? Zijn er homo’s in het voetbal? En zo ja, waarom komen ze dan niet uit de kast? En dat allemaal naar aanleiding van het nauwelijks onthullende, maar wel aangrijpende boek van Huub ter Haar, met prachtige foto’s: ‘Gelijkspel’.

Natuurlijk zijn ze er: homoseksuele voetballers. In 1980 werd al de eerste homovoetbalclub opgericht, de New York Ramblers. En sindsdien nog heel veel clubs in de hele wereld, ook een in Amsterdam, overigens pas sinds afgelopen augustus (2008)

Afgelopen zomer in augustus (2008 dus) werd zelfs al voor de negende keer (sinds 1997) het WK voetbal voor homo’s en lesbo’s georganiseerd, met 32 deelnemende mannenelftallen, georganiseerd door Leftfooters FC uit Londen. Kampioen in de eerste divisie werden de Stonewall Lions uit Engeland, tweede SAFGay uit Argentinië en derde Samurai uit Japan en de London Falcons. Er deden teams mee uit vooral de VS, Engeland en Duitsland, maar ook uit Ierland, Canada, Mexico, Argentinië, Chili, Uruguay, Zuid-Afrika, Japan, Frankrijk, Denemarken, Tsjechië, IJsland, Kroatië, Zweden, Italië en zelfs China. Nee, niet uit Nederland. De stichting Homosport Nederland heeft nog nooit van het WK voor homo’s gehoord, las ik. Maar toch wel van de IGLFA gehoord, de International Gay and Lesbian Football Assocation? Ook niet! Volgend jaar een nieuwe kans, het WK in Washington.

Tja, en dan vraagt men zich af waarom in Nederland homoseksuele voetballers niet uit de kast durven te komen. Zeker niet profs. En dat gevoegd bij het oordeel dat (oud)voetballer John de Wolf eens uitsprak: ,,Ik heb geen bezwaar tegen homo’s zolang ik er maar niet mee hoef te douchen.” Volgens de overleden oud-scheidsrechter John Blankenstein, die wel durfde uit te komen voor zijn seksuele voorkeur, kende hij minimaal acht voetballers die homo waren, sommigen keurig getrouwd met kinderen. Ze hoefden van hem niet uit de kast te komen. Hij kon begrijpen dat ze zich daarmee een hoop ellende op de hals zouden halen. Want hij sprak uit ervaring. Voordat hij het in de openbaarheid bracht, heeft hij zware depressies gekend.

Niet zo erg als zijn collega-scheidsrechter Ignace van Swieten, ook homo, en al langer overleden. Ook hij werd vaak uitgescholden door voetballers en supporters op en buiten het veld. Huilend heb ik hem eens horen vertellen dat een zeer bekende voetballer, nu een zeer bekende trainer, hem in een wedstrijd in zijn oor had gefluisterd: ‘Nog een keer zo’n fout en ik naai je in je kont net zo lang tot je blauw ziet.’ Ignace was een kwetsbare man, niet alleen door zijn homoseksualiteit, maar ook door zijn jeugd in Indonesië. Hij kon er niet tegen. John Blankenstein kon er wel tegen: hij zei dat hij er tegen kon. Maar eenmaal op gang in een gesprek bleek hoezeer, diep en vaak hij was geraakt.

Niet iedereen kan er zo mee omgaan als John Blankenstein. De Engelse voetballer Graeme Le Saux zou ook homo zijn geweest. Althans medevoetballers meenden dat omdat hij niet meedeed met machogedrag, dronkemansgelul van voetballers, met zijn collega Ken Monkou op vakantie ging en liefhebber was van kunst en antiek. Le Saux was geen homo. Eens liet hij zich in een wedstrijd in 1999 verleiden tot een Schwalbe (fopduik). Zijn tegenstander Robbie Fowler riep: ‘sta op flikker’. Le Saux naar wie het publiek al maandenlang had geroepen, ‘Le Saux takes it up the arse’ (Le Saux laat zich neuken) kreeg een vrije trap. Fowler ging voor hem staan en wees op zijn kont: Here, please! Dat herhaalde Fowler een paar keer. Le Saux kreeg een gele kaart van de scheidsrechter omdat hij het spel ophield. Even later nam de temperamentvolle Le Saux revanche met een elleboogstoot. De scheidsrechter zag het niet. De tv-camera’s registreerden het wel, waarna de Engelse bond Le Saux schorste voor één wedstrijd. Fowler kreeg twee wedstrijden wegens homofoob gedrag. Le Saux: ,,Ik heb me nog nooit zo beledigd gevoeld als toen door Fowler. Maar gelukkig steunde de Engelse bond me. Dat was een opluchting, het keerpunt in Engeland tegen homofobie”, zegt hij in zijn biografie Left Field.

De Nigeriaan Justin Fashanu, die in Engeland voetbalde, verging het anders. Hij was de eerste zwarte voetballer in Engeland, en was, zo bleek later, homo. Manager Brian Clough van Nottingham Forest leende hem uit aan Southampton toen hij hoorde dat Fashanu homobars bezocht. Fashanu heeft zich verhangen. De Britse oud-voetballer Paul Elliott zei laatst op een congres over discriminatie en homofobie, dat hij ‘zeker een dozijn’ profvoetballers kende die homo zijn, maar als de dood zijn dat naar buiten te brengen.

Wensley Ton ontmoette ik in 1994 op het congres ‘Samen Apart’, mede-georganiseerd door John Blankenstein en Gert Hekma, docent homostudies en auteur van het rapport over homo’s, sport en voetbal ‘Als ze maar niet provoceren’. Ton was een oud-profvoetballer. Hij had gespeeld bij Helmond Sport. Voor de microfoon in een grote zaal van Papendal zweeg hij over wat hij deed en wie hij was. Hij was bang geworden het te vertellen. Na afloop vertelde hij op sterk aandringen van Blankenstein aan mij toch zijn verhaal voor mijn verhaal in NRC Handelsblad. Ton (later Wensley Garden) tekende op zijn zeventiende een contract bij Helmond Sport. Toen hij de club na een paar jaar vertelde dat hij homo was, werd zijn contract niet verlengd. Homo? Hij voelde zich niet aangetrokken de voetbalwereld, die vooral uit macho’s bestaat en door stoere mannen wordt geregeerd. Hij ging niet mee de kroeg in, hij had geen vriendin, hij praatte niet slechts over voetbal.

Is dat wat Louis van Gaal bedoelde, toen hij bij de presentatie van het boek ‘Gelijkspel’ zei dat ‘voetbal zulke spelers niet aantrekt’? Is dat niet discriminatie van Van Gaal? Homo’s zijn volgens Louis dus (te) lieve zachte ( sensitieve?) jongens (nichten bedoelt hij misschien), die zich niet thuisvoelen in het harde mannenvoetbal. Een dikke huid, moet je hebben, vindt hij. Met verstand moet je analyseren waarom mensen van dat niveau je discrimineren, uitlachen; en dat je er boven moet staan. Ja, hij heeft misschien een dikke huid, hij gebruikt zijn verstand, totdat hij ‘eindelijk’ breekt als mens omdat zijn afweer, zijn stoerheid, het niet langer aankan. Je kunt toch niet verwachten dat iedereen zo is als Van Gaal zich voordoet. Kwetsen doet pijn, meneer Van Gaal, dat weet u als geen ander. Altijd. Wie daar wel tegen kan, heeft geen goed leven meer. Die verhardt. Iedereen mag dus schelden, zou je uit Van Gaals woorden kunnen opmaken, de bejegenden moeten het maar leren incasseren. Leuke wereld is dat, die wereld die Van Gaal zich voorstelt. Of zoals Luciano Moggi, oud-manager van Juventus zei: ,,Homo’s zijn niet geschikt voor voetbal. Daar is het voetbal niet voor gemaakt.”

Eens zei Jeu Sprengers, de inmiddels overleden voorzitter van de voetbalbond, in 1994 tijdens het congres ‘Samen Apart’: ,,Laten we elkaar geen mietje noemen. Wanneer in de voetbalwereld homoseksuelen zich afzonderen (in een club) en naar buiten treden is het einde zoek. Dat kan de voetbalwereld niet hanteren.” Waarop Wensley Ton destijds zei: ,,Angst heeft de voetbalbond, en geen gevoel voor mensen zoals ik.”

Laten we asjeblieft niet gaan jagen op homo’s. Stel je voor dat op ons aandringen naar aanleiding van het nieuwste boek, vandaag een profvoetballer uit de kast komt. Helemaal alleen durven zeggen dat je homo bent, dat al jaren getrouwd bent voor de schijn. Zoals Gaykrant-hoofdredacteur Henk Krol het eens verwoordde, want hij kende er een paar, keurig getrouwd en met kinderen, die bij hem om advies kwamen. De mediahype zou niet te overzien zijn. Grote koppen in kranten, tv-camera’s van alle rubrieken en omroepen. Ik zou het niet durven. Nooit. Dus laat ze even met rust, en laat ze wachten op een moment dat er een sterke man, een grootheid (David Beckham?) opstaat en zegt: ‘Wij homo’s willen als gewone mensen worden benaderd. Maar dan alleen als de tijd er rijp voor is.’

De Tweede Bundesligaclub St. Pauli in Hamburg heeft een homoseksuele voorzitter, Corny Littmann. Hij voetbalt zelf niet, maar hij is wel gek op voetbal. Dat komt in alle kringen voor. Littmann zegt: ,,Over tien jaar is er geen probleem meer. De tijd is er nog niet rijp voor. Ik ken jongens in het Duitse profvoetbal die homo zijn net als ik. Ik help ze, ik praat met ze en ik probeer het verstandelijk te benaderen. Maar het blijven mensen. Wie? Als ze naar buiten willen komen is dat hun zaak.”

FC St. Pauli staat bekend als een cultclub. De aanhang van deze club die zijn wedstrijden speelt Am Millerntor afficheert zich als links, grossiert in antifascisme en staat bekend om haar ‘strikte’ tolerantie en ‘militant’ gemoedelijke sfeer. Symbool van deze rebelse houding is de piratenvlag met doodshoofd, de Totenkopf. De club is populair onder punks, bejaarden, minderheden, homoseksuelen en rockbands.

Homoseksuele scheidrechters zijn er zeker ook, zoals Van Swieten en Blankenstein waren. Ze zijn aangesloten bij de International Gay and Lesbian Football Association, en zijn actief op homo-WK’s, homo-EK’s and Gay Games.

Er zijn ook voetballers die hun homoseksuele vrienden beschermen. In Nederland hoor je daar niets over. In Italië doet international Alberto Gilardino, dit seizoen bij Fiorentina, er sinds jaren alles aan om zijn homovrienden in het Italiaanse voetbal te beschermen. Hijzelf is hetero. In Duitsland zijn homovoetbalfanclubs als de Hertha Junxx, de Rainbow-Borussen en Stuttgarter Junxx voortdurend bezig om de homofobie uit te bannen. In Engeland staat homophobia hoog op de prioriteitenlijst van de campagnes tegen discriminatie en racisme. En wat doen ze in Nederland? Daar doet de almachtige en alwetende Van Gaal het woord. De rest kijkt toe en zwijgt. Of niet, zoals ADO-supporters afgelopen zondag. De spits van Willem II Frank Demouge (geen homo) werd onophoudelijk uitgescholden voor homo. In de laatste minuut maakte Demouge het winnende doelpunt. Hij voelde zich steeds sterker worden door het afschuwelijk domme gejoel van de fans van ADO. (Is dat wat Van Gaal bedoelt? Een dikke huid). Het is te hopen dat echte homo’s er wel tegen kunnen.

Onlangs las ik een verhaal van Matthew Fox, een priester van de Episcopale Kerk die in het Vaticaan zeer omstreden is en door kardinaal Ratzinger (tegenwoordig paus Benedictus XVI) eens werd gekwalificeerd als ‘feministische theoloog’ en uit de dominicaanse orde werd gezet. Hij schreef boeken over scheppende spiritualiteit. In zijn zojuist verschenen boek ‘Verborgen spiritualiteit van mannen’ (The Hidden Spirituality of Men: Ten Methaphors to Awaken the Sacred Masculine), schrijft hij dat het ‘mannelijk is om homofobie te kweken’. Waarom? ‘Uit angst voor mannelijke tederheid.’

Alex Ferguson, een harde coach met veel compassie

16 mei

Loyaliteit, daar draait het om bij Alexander Ferguson. Trouw zijn aan elkaar, aan je geliefden en je lotgenoten. Betrokkenheid, verbinding en compassie in elke vezel van je lichaam. Zo heeft de zoon van een Schotse havenarbeider het leven van zichzelf en zijn medemensen van jongs af aan willen inrichten. Na ruim 71 jaar is hij daar vrij goed in geslaagd. Zeker als coach en manager van Manchester United, de legendarische Engelse voetbalclub die hij na 27 jaar van vooral glorieuze momenten verlaat.
Ferguson zou nooit afscheid nemen van de voetbalclub waaraan hij zich, naast zijn passie voor zijn renpaarden, had vastgeklampt om zijn leven zin te geven. Zo werd verondersteld. Manchester United is een instituut, een religie, waartoe je je tot aan je dood wijdt. Dat straalde Ferguson uit. Maar zijn hart, dat sinds 2004 een pacemaker en medicatie nodig heeft om evenwicht te vinden tussen water en vuur, kan het niet langer aan. Hij is moe. Een nieuwe heup, angst voor lichamelijke en geestelijke slijtage, zijn familieleven, andere gewenste nog niet beleefde momenten… Wat kan een bevlogen mens meer doen en laten om (eindelijk) rust te vinden? De Britse samenleving ziet toe in stilte en respect.
Alex (Alec voor zijn Schotse jeugdvrienden uit Govan, nabij Glasgow) wil niet sterven als een heilige. Hij is een sterveling. Al die triomfen, titels, bekers, medailles en decoraties hebben hem twintig jaar geleden al een koninklijke onderscheiding (Sir Alex) opgeleverd. Dat streelt zijn ego. Maar meer nog zag hij dat als aanvullend eerbetoon aan wat hij samen met zijn lotgenoten in de opportunistische en zakelijke voetbalwereld heeft bereikt. Alex Ferguson is nederig, totdat hij zich in zijn integriteit voelt aangetast. Dan staat hij furieus op, en roept hij dat mensen mensen blijven met al hun beperktheden. Help elkaar, denk niet aan jezelf, geef, zo schreeuwde hij diep van binnen.
Dolend door de catacomben van het stadion van Manchester United, Old Trafford, hoorde ik eens een man zingen. De tekst was onverstaanbaar. Het was neuriën, dat steeds luider werd. Ineens was de stem dichtbij. Ze bleek van een man met rode konen. Hij zong, liep door, knikte en zei gedag. Op de vraag wat hij zong, antwoordde hij: ‘A Scottish song‘. Hij liep door, zingend, in zichzelf gekeerd. Op de vraag of hij ‘Mister Ferguson’ was, antwoordde hij vriendelijk: ‘Sure’. Hij voegde hij iets toe wat leek op ‘Vermaakt u zichzelf’? ‘Yeah sure‘, zei ik impulsief.
Het vraaggesprek later met dezelfde man, dat bij toeval was ontstaan, stelde aanvankelijk weinig voor. Bijna onverstaanbaar, want Schots, verplicht en gevoed door een onverschilligheid ten aanzien van journalisten. Dit was werk voor hem. Een vraag over zijn ruim beschreven, doorslaande emoties liet hem niettemin niet onberoerd. Ferguson spontaan. ,,Ik ben er om de club, het volk van Manchester te geven wat het nodig heeft. Om de ego’s van de spelers aan te pakken. Als zij niet doen wat het volk wil, zijn ze alleen met zichzelf bezig. Wij zijn er voor elkaar. Ik ben hopelijk een goede manager, u een goede journalist en zij goede spelers. Maar we moet elkaar helpen om het leven plezierig te maken. Ik constateer dat veel spelers en journalisten dat niet kunnen begrijpen. Maar wie alleen aan zichzelf denkt, komt zichzelf tegen.’’
Ferguson keek alsof hij de roemruchte ‘hairdryer’ wilde demonstreren, klaar om zijn neus-tegen-neus-waarheid uit te blazen. Voorbeelden van slachtoffers, spelers, bestuurders, journalisten, scheidsrechters, collega-trainers doemden op, mensen die hij luidkeels duidelijk maakte dat er maar één waarheid is: dé waarheid. De waarheid is het lijden van anderen te verlichten en niet van jezelf. Enigszins bevreesd voor een uitbarsting herinnerde ik me de uitspraak van een van zijn jeugdvrienden uit Govan: ‘Alex kan in een lege kamer nog ruzie krijgen’.
Maar hij bleef kalm. Hij noemde namen. Eric Cantona, rebel without a cause, de Franse voetballer die een toeschouwer na een grievende aanmerking nota bene op de tribune aanviel met een Kung Fu-trap. ,,Eric heb ik verdedigd. Ik had groot respect voor hem, omdat hij een man was die over het leven nadacht, Freud las, het leven van een held doorgrondde. Ik herkende zijn emoties. Zijn arrogantie heb ik leren aanvaarden. Hij was een leermeester. Eric was de grootste. Maar dat waren ook Ryan Giggs, David Beckham, Roy Keane, Peter Schmeichel. Aan mensen die anders zijn dan ik, heb ik veel te danken.’’
Voordat zijn zachte kant toonbaar werd, verviel het gesprek in oppervlakkigheden over spelopvatting en aanleidingen tot winst en verlies. Spelers die wel of niet voldeden. Hij moest zich neerleggen bij de wensen van de geldschieters, van Rupert Murdoch tot Ierse en Amerikaanse investeerders. ,,Ik wil het volk bedienen, mensen die geen geld hebben en aan voetbal plezier beleven.’’
Ik herinnerde hem aan zijn jeugd, in de haven, wat ik gelezen had in de autobiografie Alex Ferguson, Managing My Life, geschreven door een van de beste sportjournalisten van Groot-Brittannië, de Schot Hugh McIlvanney. Hoe hij als jongen in een straatarm gezin moest overleven. Hij sliep in bed naast zijn broertje. Het gezin met drie kinderen moest het ouderlijk huis delen met Ierse huurders. Hij trouwde als protestant met een katholiek meisje, voetbalde voor de protestante club Rangers hoewel zijn vader voor het katholieke Celtic was. ‘Well, you know, I found my way, it was hard’, antwoordde hij nu kortaf. ‘But I had to. It’s us and them, but after all w’ere ordinary men.’
Zijn telefoon ging. Een vreemde ringtone. Naar later bleek: Scotland the brave. Hij is Schots, vandaar. Moeilijk te verstaan, en dus moeizaam te begrijpen. Alex Ferguson behoort tot de grootste coaches ter wereld, in navolging van de legendarische Schotten Matt Busby (Manchester United), Jock Stein (Celtic) en Bill Shankly (Liverpool), mannen die voetbal vooral zien als een primitieve strijd: winnen. ,,Ik ben geen mensenkenner. Ik ga af op wat ik voel bij mensen. Vaak vergis ik me. Maar ik wil mensen en spelers laten weten wat nodig is om elkaar te helpen. Als ze niet willen luisteren, schreeuw ik, uit wanhoop.’’
Als voetballer van bijvoorbeeld de Rangers scoorde hij veel, met name dankzij zijn ellebogenwerk. Hij was meer vechter dan artiest. Na zijn voetballoopbaan begon hij een kroeg At Fergie’s, hij was een herbergier bij wie iedereen welkom was. Dronken gasten werd de deur gewezen. Met Aberdeen werd hij als coach Europees kampioen voor bekerwinnaars, dank zij zijn meedogenloze aanpak. En toen meldde zich Manchester United, de club in verval, de club van George Best en Bobby Charlton. Hij zei ja. In Manchester keek hij om zich heen, zag weliswaar passie maar vooral egocentrisme. Met zichzelf ingenomen helden en vooral de dronkaards stuurde hij weg. Alex Ferguson verbond zich aan de glorieuze volksclub van weleer die alle verbinding met het volk had verloren.
Wie toetreedt tot het Theatre of Dreams in Manchester voelt wat voetbal is. Je kunt het niet bevatten voordat je het beleeft, voelt met al je zintuigen. Al die grootheden, van Duncan Edwards, Bobby Charlton, George Best, Denis Law, Peter Schmeichel, Eric Cantona, Mark Hughes, Ryan Giggs, Jaap Stam, David Beckham, Roy Keane, Ruud van Nistelrooy, Cristiano Ronaldo, Edwin van der Sar, Wayne Rooney tot Robin van Persie. Ze hebben allemaal kunnen schitteren op Old Trafford. Maar vooral door de visie van coaches als Matt Busby en de laatste 27 jaar Alex Ferguson.
Gebrek aan loyaliteit heeft veel spelers, trainers en bestuurders de kop gekost. Daar was Ferguson verantwoordelijk voor. Hard en rechtlijnig. In zijn biografie stelde de Schotse oud-speler van United en Aberdeen, Gordon Strachan, dat hij Sir Alex nooit had vertrouwd. Ferguon was menselijker dan hij zich voordeed. Hij is begaan met mensen die het niet kunnen bolwerken, met arme kinderen, met wezen, met gehandicapten, met verstotenen, met mensen als Nelson Mandela, de man die hij na een omhelzing in Zuid-Afrika bewierookt.
Verbitterd vertelde Strachan in zijn boek dat Ferguson zijn vrouw en zijn kinderen verwaarloosde. Toen Ferguson dat las zou hij in tranen zijn uitgebarsten, zei Strachan, wiens vrouw oppas was voor Fergusons kinderen. Zo zijn er meer verhalen. Vandaag scheldt Sir Alex je uit, morgen belt hij je en vraagt om vergiffenis voor zijn gedrag. Zijn biograaf Hugh McIlvanney vertelde: ,,Hij belde me eens op en vroeg: Waarom doen jullie mij dit aan? Jullie journalisten verwijten mij fouten. Maar zo ben ik, sorry. Ik kan niet anders, ik wil dat we elkaar respecteren, met elkaars fouten.’’
Ook Alex Ferguson is een man die zijn emoties niet onder controle heeft. Mogelijk vindt hij daar nu een weg in. Loyaliteit aan zichzelf en zijn vrouw Cathy, zijn jeugdvriendin. Mogelijk met een leven zonder prestatiedrift en competitiedrang, zonder het streven Manchester United in leven te houden als een voetbalclub die het volk afleiding biedt. Of hij lijdzaam toekijkt, zal de tijd leren. Maar hartgrondige loyaliteit laat zich niet gauw verdringen.

Dit portret verscheen in een verkorte versie in NRC Handelsblad

Zal de opvolger van Messi als beste aller tijden ook nog een mens zijn?

8 jan

Eens in de zoveel jaren dient zich een talent aan dat alle vorige talenten overtreft. Dan wordt ook dit talent weer gekwalificeerd als de grootste aller tijden. En wanneer woorden tekortschieten, dan moet hij wel van een andere planeet komen. Welke superlatieven resten ons na Nandor Hidegkuti, Duncan Edwards, Didi, Alfredo Di Stefano, Pelé, Garrincha, Eusebio, Rivelino, Johan Cruijff, George Best, Eusebio, Maradona, Zinedine Zidane, Ronaldinho, Cristiano Ronaldo, allen voetballers die buitengewone fenomenen zijn genoemd. Maar deze is gewoon niet gewoon meer. Laten we het daar na decennia van oeverloze en verwarrende, zinloze vergelijkingen maar op houden.

Sinds enkele jaren zoeken bewonderaars van Lionel Messi in hun wanhoop naar superlatieven en kwalificaties die nog niet eerder zijn gebruikt om het talent van de Argentijnse voetballer te duiden. Nog maar 25 jaar oud is het mannetje van 1 meter 70, wat staat de arme jongen nog te wachten? Nu al de beste ‘ooit’? Kan hij die verwachtingen waarmaken? Of zal hij in navolging van veel van zijn voorgangers bezwijken aan te veel rijkdom en verheerlijking?

Was voetballen maar een vorm van beeldende kunst en Messi een beeldend kunstenaar, dan hadden de recensenten zijn bewegingen geanalyseerd in gekunsteld proza, ten einde het eeuwige en hemelse in hem te beschrijven. Ze zouden hem in enkele facetten van bewegende kunst hebben vergeleken met een danser als Rudolf Noerejev. Ze zouden zijn acties tot in finesses ontleden, in welke mate hij de perfectie van de uitvoering had benaderd.

Maar Lionel Messi is niet meer dan een uitzonderlijk goede voetballer. Al is hij nu voor de vierde achtereenvolgende maal door een jury van onder meer coaches, geselecteerde journalisten en aanvoerders van nationale elftallen tot ’s werelds beste voetballer van het jaar gekozen, Messi is en blijft een beoefenaar van voetbal. Een voetbalspeler. Meer kunstenmaker dan kunstenaar. Meer liefhebber dan perfectionist.

Zoals vrijwel alle ongewone fenomenen is hij sinds zijn peutertijd bezeten van het spel dat vooral op spontaniteit en opportunisme berust. Hoe graag gedreven coaches met behulp van computeranalisten, fysiologen, haptonomen, psychologen, neurologen, diëtisten, farmacologen, speltherapeuten en wetenschappers die bal, schoeisel, kleding, speelveld en trainingsfaciliteiten het spel ook wensen te automatiseren. In de jaren tachtig liet Vladimir Lobanovski, coach van Dinamo Kiev,  met assistentie van natuurwetenschapper Anatoli Zelentsov de psyche van voetballers testen aan de hand computerspelletjes. Spelers moesten standaardsituaties uit hun hoofd kunnen leren en volgens vaste patronen vrijlopen.

Messi is een mens, maar zal zijn opvolger als beste voetballer ook nog een mens zijn? Of een computerspelfiguurtje dat van afstand via de satelliet, gestuurd door een team van gespecialiseerde coaches, de verlangde bewegingen maakt en schoten op het doel afvuurt? Gendoping is niet ver meer weg van topsport, ook niet van de allerminst ‘schone’ voetbalsport. Een neurowetenschapper onderzocht  in het ‘Milan Lab’ al hoe hij het gedrag van larven kon sturen, in de hoop dat bij de voetballers van AC Milan in praktijk te brengen. Wat staat ons als voetbalbeschouwer allemaal te wachten vanuit de laboratoria?

Toegegeven, soms lijken de voetbewegingen van Messi van buiten het veld gestuurd. Misschien wel van boven, door de hand van God? Om in voetbaljargon te spreken: hij heeft de bal aan een touwtje aan zijn voet, altijd zijn linkervoet. Zelden laat hij de bal wegspringen, of het moet van zijn rechter voet zijn die hij als linksbenige minder heeft ontwikkeld. De voet- en lichaamsbewegingen van het kleine mannetje zijn zo snel dat tegenstanders niet of nauwelijks kunnen reageren. Brute schoppen ontwijkt hij ongewoon goed. Zelden protesteert hij tegen de aanslagen. Zelden krijgt hij een gele kaart. Hij heeft het niet nodig. Hij speelt met de bal en neemt de aanslagen voor lief. Hoe lang nog? Wie wordt de slager van Messi?

Hij beschikt daarnaast over een uitzonderlijk ruimtelijk inzicht. ,,Hij denkt sneller dan ik’’, roemde zijn voorganger als beste aller tijden Maradona hem eens. Een misvatting. Messi denkt niet. Zijn rechter hersenhelft is beter ontwikkeld dan zijn linker. Hij ‘denkt’  in beelden. Hij is een ziener. Hij doet wat hem invalt, overziet de posities van zichzelf, zijn medespelers, zijn tegenstanders. Hij beschikt over een haptonomisch gevoel, een sterk ontwikkelde tastzin. Hij voelt de energie van lichamen en ruimtes om zich heen. Met zijn korte benen loopt hij weliswaar als een opdraaipoppetje, maar hij is toch echt van vlees en bloed. Hij heeft een relatie met zijn jeugdvriendin uit Rosario, Antonella Rocuzzo. Sinds kort hebben zij een zoon. Over menselijkheid gesproken: Messi mist regelmatig een strafschop.

De vraag dringt zich vaak op hoe Messi in een ander elftal dan Barcelona zou spelen. Verwezen wordt dan naar zijn spel in de nationale ploeg van Argentinië. Daarin lukt het hem zelden zo uit te blinken als bij Barcelona. Is het de hand van de coach die Messi doet schitteren? Is hij vergroeid met Barcelona? Daar waar hij als 13-jarig jongetje al vertrouwd raakte met het korte samenspel en de pedagogische teamcodes die in de jeugdopleiding van La Masía volgens de leer van oud-jeugdtrainer Laureano Ruiz worden gepropageerd.

Messi is een zoon van Barcelona. De club bleek twaalf jaar geleden bereid de medische kosten in het ziekenhuis van Barcelona voor haar rekening te nemen. Barcelona zag in de bedenkelijk onvolgroeide puber een goede investering en betaalde naast de groeihormonenkuur ook de verblijfskosten van zijn familie.

Onlangs verlengde Messi zijn contract tot 2018, dat betekent (los van sponsorcontracten) 16,5 miljoen euro per jaar. Voorwaarde is dat hij 65 procent van de wedstrijden speelt. Hij wees een aanbod van een onbekende Russische club (waarschijnlijk Anzhi, van coach Guus Hiddink) van 30 miljoen netto per jaar af. Barcelona had zijn enorme schuldenlast aanzienlijk kunnen verminderen.

Hoe lang kan een mensenkind deze druk aan? Leven in een systeem waarin de premiejagers van de media altijd op de loer liggen om roddels te verkopen. Leven als een idool, als een icoon, als een rolmodel. Gewoon jezelf kunnen zijn en blijven. Het in zichzelf gekeerde, bescheiden, bijna verlegen kunnen blijven. Zou er niet iets in de jonge Argentijn zijn, dat niet aan de idealen van zijn bewonderaars beantwoord. Is hij dan toch niet een ideale schoonzoon?

Record na record vestigt de zwijgzame kunstenmaker. Triomf na triomf behaalt het fragiele godenkind. Nog niet genoeg, beweert hij steeds. Hij wil meer, nog meer. Zoals een kind als rupsje nooit genoeg zijn.

Als het dribbelen, scoren en  winnen hem dan nog zo ogenschijnlijk gemakkelijk afgaat, waar en wanneer zal zijn avontuur dan eindigen? Welke woorden zijn er nog niet gebezigd om zijn spel te uit te leggen? Goddelijk en hemels zijn al gebruikt. Laten we een voorbeeld nemen aan de Spanjaard Santi Nolla, hoofdredacteur en columnist van El Mundo Deportivo.  Hij beperkte onlangs zijn dagelijkse column onder de kop ‘Leo Messi’ tot slechts drie woorden: Sobran las palabres (woorden zijn overbodig).

Als Lionel Messi maar voetbal speelt. Dat is het belangrijkste.

Dit artikel is in iets kortere versie verschenen in NRC Handelsblad en NRC.next

Ook voor junioren is voetballen meer dan een spelletje

11 dec

,,Stel’’,  zo richtte de clubvoorzitter zich tijdens de discussiemiddag naar aanleiding van het grensrechterdrama tot een twintigtal C-junioren, ,,je krijgt een schop van een tegenstander. Wat doe je dan?’’ Het antwoord liet niet lang op zich wachten. ,,Terugschoppen’’, riep een 14-jarig spelertje. ,,In het veld, maar niet na de wedstrijd’’, voegde hij er haastig aan toe. Met een mengeling van verwarring en begrip hoorden voorzitter, jeugdleiders, trainers, een jeugdscheidsrechter en ouders de hartekreet in het clubhuis aan. Een jeugdleider probeerde het gepassioneerde voetballertje op het hart te drukken dat hij beter even zijn wraakgevoelens kon beheersen om later zijn revanche met doelpunt te halen.

Tja, doe dat maar eens in het vuur van de strijd.

Het is de mores van het voetbal in het bijzonder en de sport in het algemeen. Ingesleten tot op het bot, tot in de jongste leeftijdscategorieën. Winnen willen ze, winnaars willen ze immers zijn. Zonder winnen geen euforie. Titels, medailles, bekers, foto’s en triomfstukken in de krant, huldigingen omringd door uitgelaten supporters die bewonderend de winnaars zingen. Opgezweept door geëxcalteerde trainers die roepen: ,,Wij zijn de besten van de wereld.’’ Waarom zou een junior dan bedenken dat voetbal maar een spelletje is?

Zelfs voor het overkoepelende sportorgaan NOC*NSF telt alleen winnen. Er wordt vooral geld uitgetrokken voor sporters en sportbonden met de meeste medaillekansen. Breedtesport, recreatie, plezier, aandacht voor de verliezers en minder getalenteerde sporters zijn van ondergeschikt belang. Wie wint krijgt een erepodium, wie verliest wordt verstoten als een melaatse. Verliezen is een besmettelijke ziekte geworden. Zo kortzichtig zijn de sportbonden en hun leiders. Alsof bij de beste tien sportlanden van de wereld behoren, tot iets leidt wat permanent zinvol is voor de (Nederlandse) samenleving leidt. Topsport maakt meer stuk dan je lief is. België en Zwitserland halen nauwelijks medailles. Is het daar dan zo slecht leven?

Begeerte is de drijfveer. Winnen, nog meer willen hebben, nog meer winnen. Hebben, hebben, hebben. Hebzucht. Het is nooit genoeg.  Lees ‘Identiteit’ van de Belgische psycholoog en psychoanalyticus Paul Verhaeghe en je komt tot andere inzichten. Sport, vooral winnen, is van levensbelang geworden. Het wordt tijd dat verliezen ook geaccepteerd wordt en gewaardeerd wordt. Ook in voetbal. Maar het zoals wijlen Bill Shankly, manager van een van de grootste volksclubs Liverpool, al in de jaren zeventig al zei: ,,Some people believe football is a matter of life and death, I am very disappointed with that attitude. I can assure you it is much, much more important than that.’’

In het weekend dat in Nederland de doodgeschopte grensrechter werd herdacht, verloren de meest fanatieke supporters van het Duitse voetbal, die van Borussia Dortmund, hun zelfbeheersing. Een arbitrale beslissing van de internationale scheidsrechter Wolfgang Stark leidde tot een thuisnederlaag. Hij gaf Borussia-speler Marcel Schmelzer een rode kaart wegens vermeend hands op de doellijn. De Borussen schreeuwden het uit van verontwaardiging en verongelijktheid. Niettemin strafschop: 1-1. Na afloop gaf Stark zijn fout toe, de televisiebeelden gaven hem ongelijk. Maar het publiek had zich al laten gelden en eiste dat ‘die zwarte (de scheidsrechter) werd opgehangen’. De Borussia-spelers verloren de greep op de wedstrijd en op zichzelf. Borussia verloor met 3-2. De landstitel is definitief uit het zicht. De spelers kregen van trainer Jürgen Klopp een interviewverbod. Je wist maar nooit wat ze zouden zeggen. Klopp hield zich vrij kalm en sprak over een hard oordeel van de scheidsrechter.

Zo hard kan voetbal zijn, zo hard komt een (onterechte) nederlaag aan in Dortmund. De club met de grootste, trouwste en sportiefste supportersschare van Duitsland (elke thuiswedstrijd 80.000 toeschouwers), tevens de club met de meest onderscheiden fansbegeleiding en sociale projecten, met de sociaal bewogen Klopp als trainer, kan ook deze sportieve tegenslag niet hanteren. Vandaar ook dat in Duitsland, waar de Sozialprojekte juist grote waardering en aandacht krijgen in de media, de discussie weer hoog is opgelaaid. Lees: http://www.11freunde.de/node/258218

Voetbal en geweld. Voetbal werd ongeveer 150 jaar geleden op Engelse kostscholen (Eton, Harrow, Rugby) bedacht om de agressie van jongens te kanaliseren. De scholieren mochten zich op een grasveld uitleven in het ruwe spel dat al sinds de middeleeuwen  op straat werd uitgevochten en waarin schoppen en slaan geoorloofd was. Hopelijk hadden ze dan geen energie meer voor nóg gevaarlijker dingen. Na enige tijd werd voetbal verboden. De kostschooldirecties voelden zich genoodzaakt spelregels in te voeren. Voor de aanhanger van rauwe sport het sein om hun eigen sport uit te vinden: rugby. Het is de sport die nu ten voorbeeld wordt gesteld aan voetbalspelers, omdat daar (wel) respect voor tegenstander en scheidsrechters heerst. Wat hij ook beslist, de scheidsrechter is de baas.

De bondscoach van Italië, Cesare Prandelli, lanceerde als trainer van Fiorentina Viola Fair  (Sportief Paars, de kleur van Fiorentina). Hij stelde een paar jaar geleden voor dat het verliezende elftal na afloop een erehaag voor het winnende elftal zou vormen en applaudisseerde. Na een verloren thuiswedstrijd tegen Inter Milaan stelde Prandelli zich inderdaad op in de rij van zijn spelers en klapte hij mee voor de winnaars. De andere clubs van de Serie A en Serie B zegden toe het voorbeeld van de trainer van La Viola te volgen. Hhet gebruik is intussen toch verwaterd. Maar Prandelli ging door met zijn missie. Hij stelde als bondscoach in samenspraak met de technisch directeur van de Italiaanse bond Roberto Baggio, eens een prachtige voetballer met een boeddhistische levensovertuiging (http://www.robertobaggio.com/en/) , vervolgens regels van fatsoen op. Daarnaast nam zij zich voor een opvoedende taak te verrichten, hoe oud, volwassen en doorgewinterde professionals de internationals ook mogen zijn. Zo maakte de nauwelijks te temmen recalcitrante Mario Balotelli als international al regelmatig kennis met de erecode van Prandelli en werd international Daniele De Rossi vorige maand door de bondscoach drie wedstrijden uit de nationale selectie gezet omdat hij in een competitiewedstrijd van AS Roma tegen Lazio een tegenstander in het gezicht had geslagen. Commentaar Prandelli: ,,Ik heb De Rossi straks op het WK in 2014 hard nodig, hij is als aanjager onmisbaar in mijn ploeg, hij zal nu hopelijk leren zich te beheersen, zodat we over anderhalf jaar van hem kunnen profiteren.”

Prandelli is zich bewust van de voorbeeldfunctie van profvoetballers. Zo was al langer Laureano Ruiz, de oprichter van de cantera, de veel geroemde jeugdopleiding van Barcelona.  Begin jaren zeventig won hij met de jeugd vijf titels op rij, wat nog niet vertoond was. Hij was in 1976 even hoofdtrainer, van Johan Cruijff en baarde opzien met sportief en attractief samenspel. Het is de leer van Ruiz die nog altijd klinkt in La Masía, de naam van het opleidingscentrum. Ruiz (en niet Cruijff) legde de basis voor het spel waarmee Barcelona, eerst met coach Johan Cruijff, later met coach Pep Guardiola,  triomfen viert. Voornaamste regel voor de jeugd: Fair play. Verbod op bekritiseren van scheidsrechter en tegenpartij; zelfs al heeft de speler gelijk, dan volgt onmiddellijke schorsing; de trainer zwijgt langs de lijn en mag alleen in de kleedkamer zijn kritiek verbaal spuien; en te alle tijde nederigheid ten opzichte van elkaar.

Winning isn’t everything, it’s the only thing, zo werd Ruiz geconfronteerd met de Amerikaanse mentaliteit toen hij daar later zijn Soccer Academy oprichtte. Zo schrijft de Belgische schrijver Raf Willems in zijn boek over de geschiedenis van het droomvoetbal van Barcelona. De Bask Ruiz haastte zich de Amerikanen ervan te overtuigen dat die mentaliteit slechts tot agressief gedrag leidt, jegens de tegenstander en de scheidsrechter. De vreugde voor het spel staat voorop, meende Ruiz. En wie als amateur en junior Barcelona de laatste jaren heeft zien spelen kan niet anders dan vaak een voorbeeld nemen aan deze voetballers. Met triomfen, loftuitingen en steeds meer bewonderaars tot gevolg. Hoewel ook zij in het vuur van de strijd weleens hun sportieve vaak vergeten. Maar dat is nu eenmaal voetbal, een contactsport bovendien, nog steeds doordrenkt van emoties en agressie. En dat zal zo blijven.

Dit artikel verscheen in verkorte vorm in NRC Handelsblad van 10 december jl.