Tag Archives: Bodhicitta

Als een helikopter die mijn isoleercel binnendringt

18 aug

poor-man-1440145

Daar zit ik dan in de bus tegenover een man die me op het eerste gezicht niet aanstaat. Hij kijkt me niet aan. Sterker: hij kijkt chagrijnig én langs me heen. Hij wil me niet zien. Wanneer hij eruit moet, staat hij op mijn tenen, zegt niets en loopt onverschillig naar de uitgang. Ik vloek vanbinnen, vind zijn kale kop raar en minacht de tattoos op zijn armen en in zijn nek. ‘Asociale lul’, mompel ik stiekem terwijl hij de bus verlaat. Zo’n man haat ik dus. Zoals ik zoveel mensen die me niet vriendelijk bejegenen haat – of afwijs als medemens.

Zo heb ik dat veel gedaan. Mensen afwijzen die niet hetzelfde zijn als ik. Mensen die niet zo denken. Mensen die naar mijn smaak lelijk zijn of niet goed ruiken, niet in mijn straatje passen. Ze zijn anders, zoals iedereen anders is dan ik. Voordat ik het besefte had ik ze al aan de hoogste boom hangen, bespuwd of uit ‘mijn perfecte wereld’ geschopt.

Zoals ik nu een helikopter boven mijn Veluwse huisje hoor ‘klapwieken’ en mijn rust verstoren. Bijna iedereen is welkom en kan op mijn gastvrijheid rekenen, als hij of zij maar aan mijn wensen tegemoet komt en zeker niet met een helikopter ongewenst mijn isoleercel binnendringt.

Een ander zien en aanvaarden met al zijn gedragingen en eigenschappen. Dat zou ik willen. Omdat het me vrediger stemt. Als ze scheel kijken, tattoos hebben laten zetten, een slecht gebit hebben, een dikke kont, een dikke buik, stinken, kwaad worden, huilen of anderszins hun emoties uiten, zou ik dat moeten dulden. Leven en laten leven, zeiden mijn ouders. Dat heeft moeite gekost. Mijn idee was: laat mij leven, laat mij met rust, jij met je achterlijke gedrag. Jij bederft mijn stemming, jij maakt me bang omdat jij me herinnert aan trauma’s of mijn oude wonden openscheurt. Jij hindert me op mijn zoektocht naar mijn eigen vrede.

Zo worstel ik door en zoek ik naar een manier om anderen te accepteren zoals zij zijn. Al enige jaren reciteer ik bij meditatiesessies mee met de bodhicitta-beoefening. Daarin zeg ik met de anderen dat ik niet alleen mezelf geluk toewens én een leven zonder lijden – en zonder de bron van alle lijden – , maar ook degene van wie ik houd en ook degene die mij heeft gekwetst, zeg maar mijn ergste vijand. Bodhicitta is, zo wordt gezegd, het onzelfzuchtige streven om alle voelende wezens te bevrijden uit samsara (het lijden zoals we dat in het dagelijks leven ervaren), en niet alleen zelf een verlichte Boeddha te worden. Hierdoor wordt het streven naar verlichting boven het persoonlijk eigenbelang uitgetild.

Ik ga maar weer eens zitten en haal adem zoals dat in meditatie effectief is. Ik begreep uit een film over George Harrison (Living in the material world) dat de ex-Beatle elke ochtend bij het krieken van de dag naar het torentje op zijn kasteel klom om te mediteren en zo  een staat van altruïsme (vrijgevigheid) te bereiken. Zo kwam hij er toe zijn geliefde Pattie Boyd te ‘schenken’ aan zijn beste vriend Eric Clapton omdat hij haar niet langer als bezit mocht beschouwen.

Zoals George, of de Boeddha, wil ik zijn. Inspiratiebronnen. Ik zou willen veranderen. Dat is niet gemakkelijk. Wat ik zeker weet is dat niemand is zoals ik. En dat niemand zoals ik zal worden. Ik zou wel Sir George willen zijn of de Boeddha. Maar laat ik stoppen te streven naar het geluk dat anderen ogenschijnlijk hebben bereikt.

Ik ben niet zoals die man in de bus. Ik weet niet eens waarom hij deed zoals hij deed. Hij had zijn eigen problemen, net als ik de mijne. Laat ik hem de volgende keer met rust laten, of vriendelijk bejegenen. Misschien voelt hij zich daardoor beter. Zoals mijn schoonmoeder zei: ‘Wie goed doet, goed ontmoet.’

De auteur is vriend van Shambhala Leiden
Deze column is gepubliceerd in de zomereditie van de website Vrienden van het Boeddhisme: https://vriendenvanboeddhisme.nl/

Dat gevoel van geluk mag niet voorbijgaan

14 mrt

Teleurstelling overheerst. Het wil maar niet lukken voortdurend bevredigd te worden. Krijg ik het schouderklopje dat mij zin in leven geeft, wil ik er nog een, en nog een. Als een rupsje-nooit-genoeg kijk ik om me heen op zoek naar het volgende schouderklopje, betast ik mijn schouders of er nog gevoel in zit alvorens ik mijn rug recht en mezelf toespreek: ‘Kom op, je kunt het, je kunt het ook zonder schouderklopje.’

Dat ene moment van waardering dient zich te herhalen. Onophoudelijk. Dat gevoel van geluk mag niet voorbijgaan. Eeuwig wil ik gelukkig zijn, op zijn minst tevreden met wat ik heb en wie ik ben. Liefst nog gelukkiger. Nog higher and higher, zoals ik heb ervaren als ik stoned was. Daar in de hemel wil ik zijn: eight miles high. Maar zoals de tekst van The Byrds van de song uit 1966 verder gaat: when you touch down, you’ll find that it’s stranger than known.

Ik wil na de ophemeling niet terug naar de grond. Niet terug naar het gevoel waarin ik me niet gelukkig voel of op zijn minst geen vrede met mezelf heb. Als je in hogere sferen bent geweest wil je niet meer terug naar alledaagsheid. Het was zo mooi, zo vredig – alleen al dat ene moment waar ik nog jaren van wil dromen.

Het is begeerte die mij doet lijden, zo probeer ik als leerling-boeddhist te begrijpen. Elke keer als de warmte van dat schouderklopje is weggeëbd dan wel het behaaglijke gevoel van vrede met mezelf, mijn geliefden en anders gestemden is verdwenen, bekruipt mij het verlangen. Hoewel ik intussen weet dat alles veranderlijk is, kan ik dat ongemak maar moeilijk afwenden. ‘Daar is het weer, ga weg, laat me met rust, ik wil je niet voelen, jij verdoemde kwelgeest.’

Langzaam, maar niet helemaal zeker, ga ik beseffen dat verlangen er best mag zijn en dat onbehagen (sterker: teleurstelling) er ook mag zijn. Wat ik nu beleef, zal ik het volgende moment niet beleven – of in een andere gedaante. Ik verlang. Ik verlang naar meer. Ik verlang terug. Ik verlang dat iedereen mij vriendelijk en heel goed vindt. Ik verlang dat iedereen vriendelijk en heel goed is – net zoals ik. Ik verlang dat mijn geliefden gelukkig en vooral gezond blijven, zoals ik verlang dat iedereen gelukkig en vooral gezond is en blijft.

Binnen handbereik ligt de ‘bodhicitta-contemplatie’. Om er dan in te lezen: ‘Moge ik geluk genieten en de bron van geluk. Moge jij geluk genieten en de bron van geluk. Moge alle wezens geluk genieten en de bron van geluk.’ En: ‘Vreugde kan extatisch worden en ons blind maken voor het lijden, je wilt eigenlijk niet meer erkennen dat het bestaat. Je sluit je af….’

In tijden van onbehagen stemt die tekst me vredig en kan ik er in alle rust op mediteren.

‘Resultaten zijn als vruchten aan de boom die je verzorgt, ze vallen je vanzelf toe’, wordt in de als geruststellend bedoelde ondersteuning beweerd. En: ‘Begrijpen dat alles wat we meemaken, vreugde en lijden, deel is van het grote vertoon van ons leven en dat we daarmee om kunnen gaan.’

Geruststellend? Allerminst. Was ik maar een stoïcijn. Inderdaad, daar verlang ik vaak naar.

Guus van Holland is vriend van de Shambhala-sangha Leiden.

Deze column is gepubliceerd in de voorjaarsuitgave van de website http://www.vriendenvanboeddhisme.nl

<span>%d</span> bloggers liken dit: