Het was heel erg stil die vroege ochtend in de woestijn van Joshua Tree (ofwel Joshua Tree National Park), ongeveer twee uur rijden van Los Angeles. Stiller kon het mogelijk niet zijn. De zon drong aan en wilde gelijk met mij opkomen. Ik lag nog te sudderen in het bed van de camper en probeerde uitleg te geven aan de droom waaruit ik zojuist was ontwaakt. Dat lukte niet.
Er was niets, geen geluid. Niets hoorde ik. Zelfs in mijn hoofd was het doodstil. Zoals ik dat eigenlijk altijd al gewild had, juist door mijn meditaties. Geen gedachten. Geen terugblik, geen vooruitblik. Niets waar ik over nadacht, niets waarover ik dacht, niets waar ik mij op voorbereidde, geen zorgen, geen spanning, helemaal niets.
Ik probeerde iets op te halen uit mijn brein. Maar er was gewoon niets, helemaal niets. Er was geen afleiding, geen entertainment (zoals een Engelse boeddhistische leraar het eens zo treffend verwoordde). Ik zocht naar een houvast, naar iets of iemand die me aan het denken of oordelen zette. Het was gewoon stil, er was gewoon helemaal niets.
Het was een rare gewaarwording. Niets dat mij bezighield, niets dat mij afleidde van mijzelf. Niets dat mijn hoofd (de hersens vooral) in beweging zette, niets dat mijn lijf vroeg zoals ik dat gewend ben: beweging, reactie. Waar was ze toch, die afleiding, die manier om mijn gedachten in beweging te brengen? Er was niets, geen god, niets en niemand. Zelfs mijn vrouw die naast me nog in diepe slaap lag, verstoorde de onverwachte rust in mij niet.
Ik werd bang. Heel bang. Niets kon me helpen. Ik was alleen, zonder de dingen die mij in beweging zetten. Daar lag ik dan. Wat moest ik doen zonder dat Iets of Iemand? Helemaal alleen, van God en alles verlaten. Ik ging op mijn rug liggen, legde mijn handen op mijn buik en voelde daar mijn ademhaling. Op en neer, op en neer. Dat voelde ik. Maar mijn hoofd was leeg, echt leeg.
Zo kwam ik weer bij ‘zinnen’, zo wist ik weer dat ik bestond: alleen met mijn ademhaling. Zonder iets van buiten waaraan ik mij vast kon klampen, waaraan ik mijn bestaan dankte. Geen god, niet de Boeddha, niet Mohammed, geen gedachten, geen herinneringen, geen emoties over verloren of stiekeme liefdes of wat ook, geen herinneringen of associaties met muziek, muzieksterren, sporthelden, artiesten of met songteksten; geen verwachtingen.
Zo was het dus om alleen te zijn. Helemaal alleen – en daarvoor bang zijn. Bang om alleen te zijn, vrij te zijn. Echt vrij. Was dit de vrijheid die ik ambieerde, van niets en niemand afhankelijk te zijn? Ja. Maar het voelde nogal ongemakkelijk. Zonder iets of iemand voel ik mij alleen; ik ben bang alleen te zijn.
Zo probeerde ik bij volgende gelegenheden in rustige oorden hetzelfde te ervaren, om te voelen hoe het is om alleen te zijn. Tevergeefs. Mijn dagelijkse meditaties hebben tot nu toe hetzelfde resultaat. Er is altijd wel wat.
Mijn hoofd zit altijd vol. Ik zou het graag anders willen. Alleen maar om te wennen aan het idee dat ik echt helemaal alleen ben en dat niets of niemand mij uit mijn isolement helpt.
Op deze plaats in Joshua Tree National Park werd Gram Parsons 50 jaar na zijn dood herdacht
Ik ben alleen, dat besef ik zeker sinds die ervaring in Joshua Tree, de woestenij waar alleen de Joshua Tree en wat onbestemde plantjes, bloemetje en struikjes groeien, en waar slechts enkele huisjes van outcasts staan. En waar het doodstil is en geen geluid mij uit mijn eenzaamheid kan halen.
Zou daarom U2 een album hebben vol gezongen na een bezoek aan Joshua Tree, én het zien van de film Paris, Texas die zich ook afspeelt in het onmetelijke, woeste land? Zou daarom Josh Homme, zanger en gitarist van Queens of the Stone Age, opgegroeid in genoemde woestenij, zo ondoorgrondelijk zijn voor zijn medemensen? Onlangs (op 19 september, 50 jaar geleden, overleed Gram Parsons in de nabije Joshua Tree Inn) werd het lichaam van Parsons (zanger en tekstschrijver van The Flying Burrito Brothers) postuum op zijn verzoek ‘herbegraven’ en werd een gedenktekentje opgericht. Vooral omdat Parsons regelmatig in de woestenij kwam en er inspiratie vond.
Luister eens naar het voor mij ongeëvenaarde The Gilded Palace of Sin van de Flying Burrito Brothers.
In de woestijn gebeurt iets met je brein, zoals de Peruviaanse antropoloog Carlos Castaneda in zijn boeken beschreef. Ik verlang naar die stilte, waar je alleen met jezelf bent. Dan maar (even) bang zijn.
In God’s Country, zoals Bono van U2 zingt op Joshua Tree.
Nee, de God van Utrecht is hij nog niet genoemd. Het had de afgelopen maanden in de aanloop naar Le Grand Départ in Utrecht zo maar gekund. In de almaar toenemende euforie was er immers steeds de alles omvattende vraag naar duiding van deze Utrechtse gangmaker. Wie is toch die onstuitbare man die de directie van de Tour de France ervan wist te overtuigen dat ’s werelds grootste wielersportevenement in Utrecht van start moest gaan? Un fou romantique, een romantische gek? Nee, dat is te gemakkelijk. Daar doe je Jeroen Wielaert tekort mee.
Jeroen kijkt me aan, als ik tegenover hem in een Utrechts café over God begin. Nou ja, als dat zou kunnen. Willen we dat allemaal niet? God zijn. En enige trots is hem vanzelfsprekend niet vreemd. We kennen elkaar al ruim dertig jaar. Kwamen we elkaar niet voor het eerst tegen in de Ronde van Zwitserland, 1987? Hij als debutant, ik al zo’n tien jaar ervaren met de wielersportverslaggeving. Of was het eerder? We deden immers ook jarenlang aan judoverslaggeving. Hoe dan ook: we voelden elkaar meteen aan.
Waarom? We komen uit dezelfde streek. ‘Boertjes’ die toch maar het avontuurlijke leven in de Tour de France hebben mogen leren kennen. Afkomstig uit een streek bovendien waar het godsbesef overal voelbaar is, waar spiritualiteit in de lucht lijkt te hangen: er moet toch iets meer zijn in dat platte leven.
Zo suist ook dezelfde soort muziek door onze hoofden. Blues en rockmuziek, van Cuby + Blizzards (Somebody will know someday) tot U2 (Bullet the blue sky), laat zich moeiteloos verweven met de wielersport – voor wie het aanvoelt. Jeroens boeken over de wielrenners en de bluesvertolkers van weleer spreken voor zich. En dan nog zijn andere boeken en radioreportages over velerlei kunstenaars, zoals dichters en andere spirituele geesten. Hij is benieuwd naar het leven.
Over het fenomeen wielersport hebben zich vele filosofen en psychologen gebogen, meer dan over welke sport ook. Over lijden en afzien. Jeroen is er zelf een. Hij blijft zoeken. Zal hij ooit het antwoord vinden? Niet moraliseren, zoals tegenwoordig gebruikelijk is, nee, gewoon kijken, voelen en ervaren. Wat het me je doet, wat het leven met wielrenners doet. Als straks (de vierde en vijfde juli) de Tour de France de bevolking van Utrecht en omstreken aanraakt, moet iedereen proberen te voelen wat Jeroen Wielaert al sinds zijn eerste contact met de Tour in 1967 (hij was elf jaar) heeft geboeid.
Dit is nou wielrennen! Dit is de Tour. Dit is wat hij meekreeg van de toenmalige NOS-commentator Fred Racké, van renners als Gerben Karstens, Jos van der Vleuten, Guido van Reybrouck en Charly Grosskost, en kort daarna van Jan Janssen en Eddy Merckx. Allemaal opgeslagen in de plakboeken van zijn puberteit.
Al die vragen en vraaggesprekken over hoe het allemaal zo gekomen is, Het Grote Vertrek, heeft hij al beantwoord. Zonder tegenzin, geen moment. Enthousiasme en de vurige, onstuitbare wil om mensen te vertellen en te laten zien waar zijn hart naar uitgaat. Bij het binnengaan van het Utrechtse café wordt hij staande gehouden, in het café wordt hij herkend. Hij oogt vermoeid van waarmee hij dagelijks bezig is, strijkt door zijn haar, kijkt ongeduldig om zich heen. Schichtig soms. Maar hij gaat door waar hij begonnen is. Zo is hij nu eenmaal. Bezielen, zijn ziel overbrengen op anderen, op mensen die nog niet begeesterd dan wel betoverd zijn door de wielersport, de Tour de France in het bijzonder.
O, dit is een interview voor een blad dat vooral wordt gelezen door coaches en in coaching geïnteresseerde mensen? Weer eens wat anders. Snel zoekt hij naar een invalshoek die hij nog niet heeft kunnen of mogen uiten in al die media die hij bereidwillig en enthousiast te woord heeft gestaan. Neem nu het moment, zo begint hij, in die kroeg dat hij samen met zijn maatje Jan Fokkens op bierviltjes uittekende hoe een Tour-start er in Utrecht uit zou kunnen zien. In 2002, dat was niet ver van het etablissement waarin we nu van de wijn drinken – sous le Dom. ,,Een droom werd een obsessie. Gewoon, dit kan gewoon. Hoe kunnen wij mensen inspireren en zo ver krijgen deze droom te verwezenlijken? Toen brak het moment van coachen aan. Hoe breng je een idee over op anderen.’’
De stad, de toenmalige burgemeester Annie Brouwer en de toenmalige wethouder Hans Spekman werden geraakt door het plan. Zo vreemd was dat niet. Jeroen liet zich gelden in Parijs, drong gemakkelijk door tot het brein van de Tourdirecteuren. Eerst van Jean-Marie Leblanc, een Nordiste, een beetje Hollander, een beetje Vlaams, en voormalig ploeggenoot (bij Pelforth) van Nederlands eerste Tourwinnaar Jan Janssen. En vervolgens van Leblancs opvolger Christian Prudhomme. Wie de assertiviteit kent waarmee Jeroen zich onbeschaamd aan renners achter de finish opdrong en vragen stelde, begrijpt dat Leblanc en Prudhomme deze innemende, geestdriftige en wielerminnende Tourvolger gauw in de armen sloten.
Er is weleens minachtend gelachen om die amechtige, zwetende man die met microfoon en nagra honderden meters renners achterna holde ten einde een kreet van euforie of frustratie te ontfutselen. Wat konden ze nog uitbrengen? Waar hadden ze nog zin in na zoveel kilometers zware koers? Maar ja, hoor. Daar stond hij weer, zwetend en hijgend, tegenover afgepeigerde renners, die hem vervolgens weleens met een ‘lullig’ antwoord afscheepten. Dat vereist niet alleen onbeschaamdheid maar vooral doorzettingsvermogen én incasseringsvermogen. Om dan ook wel trots tot in zijn tenen met een ‘primeur’ terug te keren bij de andere verslaggevers. Uiteindelijk dwong hij daarmee ook respect af, bij de renners en bij de ploegleiders. En niet in het minst bij collega-journalisten.
Zoals Leblanc en Prudhomme dat ook moeten hebben gevoeld. ,,’Ayez patience, Jerome,’ zei Leblanc tegen me.’’ Jeroen was met wijlen Fedor den Hertog, de oud-wielrenner, in Vaison-la-Romaine toevallig bij een optreden van de Tour-jazzband van Leblanc beland. Overal zocht en vond Jeroen een gelegenheid om te stoken. Maar geduld? Wat is dat? Utrecht in 2010, of zelfs later? Dan pas? Nou, vooruit.
Ik zag hem rommelen en stoken bij de start van een Touretappe. Terwijl burgemeester Ivo Opstelten van Rotterdam (nota bene voormalig burgemeester van Utrecht) zich in een strak kostuum wereldvreemd in de Tour de France liet fêteren door Tourcoryfeeën als Bernard Hinault (‘aardige man, die man, o, is dat Bernard Hinault?’) – zoals honderden burgemeesters vóór hem – schuimde Jeroen Wielaert langs en door het peloton, waarvan iedereen hem kende. Die onvermijdelijke man in spijkerpak met een microfoon in zijn knuisten en een zonnebril op zijn hoofd, die iedereen die hij in de ogen keek aansprak.
Opstelten zou winnen van Utrecht, zeg maar van Wielaert. Dat was een slag in het gezicht, niet in het minst in dat van de Utrechtse notabelen.
Hij had zich kunnen neerleggen bij het oordeel van Prudhommes beslissing van november 2008. Maar toen kwam de vechtlustige coach in Jeroen Wielaert boven. Waar Utrecht verslagen reageerde, gooide Jeroen er als kenner en beschrijver van de Franse cultuur en historie (lees zijn boeken zoals ‘Het Frankrijk van de Tour’) een kreet van Charles de Gaulle tegen aan: ,,Nous avons perdu la bataille, mais pas la guerre.’’ Kortom: we hebben niet verloren, we hebben gewoon nog niet gewonnen. Of: we zijn nu van Rotterdam verlost, die hebben hem al, nu wij, een tegenstander minder.
Jeroen ging er hard in: ,,Mijn taak was bezielen. Er is niets meer te verliezen. Zij, de Utrechters, wisten het even niet. Ik moest doorgaan. Hoe hebben wij het kunnen verliezen van die rot Fransen? Daar schiet je niks mee op. Hoe kunnen we onze hartstocht blijvend houden? Veerkracht, maar dat dan vooral tonen tegenover de Tourdirectie. Prudhomme dus. Stoken, bestoken en laten zien wat we willen, en hoe we het willen. En begrijpen dat de Tour ons nodig heeft. Zij hebben Utrecht nodig, ze willen wereldwijd gaan, ze willen enthousiaste kandidaten.’’
Hij moest twijfel weghalen bij de betrokkenen, bij de lokale pers die graag de criticaster uithangt. Hij moest zoeken naar nieuwe wegen, oude kennis en ervaring. ,,De mentaliteit van volharding en overbrenging van kennis.’’ De tegenslagen mochten niet doorslaggevend zijn. De wielersport die in een kwaad daglicht kwam te staan door verregaande dopingonthullingen en -bekentenissen, ook van Nederlandse renners. Nota bene de hoofdsponsor van het geplande Tour-spektakel en tegelijkertijd sponsor van Nederlands belangrijkste wielerploeg, Rabobank, haakte mede daarom af. Het imago van de bank stond op het spel. ,,Rabo was dus niet de gedroomde spits. We moesten verder zoeken, naar sponsoren en andere geldschieters en geïnteresseerden.’’
Het moet een hels karwei zijn geweest. Door te dringen tot het brein van gemeentebestuurders, politici, partners, sponsors, media en managers – en niet in de laatste plaats tot de geest van de Tourdirectie, Christian Prudhomme in het bijzonder. Naar ideale plekken, straten en pleinen zoeken waar wielrenners moesten rijden. Liefst bij de Dom. Graag onder de Dom, natuurlijk. Zoals nu gebeurt. Zonder de Dom geen Utrecht.
Diezelfde Prudhomme zweepte Jeroen Wielaert op: Continuez, continuez. En elke keer weer toog hij naar Frankrijk, naar de Tour, naar de Tourvolgers, naar de Tourrenners van weleer. Boeken en geschriften volgden elkaar op. Interviews op radiozenders met mensen uit de Tour gingen door. Alleen de NOS, de omroep die jarenlang volop van zijn kennis profiteerde, wilde niet meer dan hij verder ging in de Tour. Wielrennen was doping, wielrennen had niets te maken met historie, romantiek, cultuur, sociologie en filosofie (zoals Jeroens illustere televisie-voorganger Jean Nelissen dat verwoordde). In Hilversum koesterden ze Jeroens verworven inzichten niet langer, hoewel zijn directe collega’s van Radio Tour de France hem er graag bij houden. De NOS is platvloers geworden. Scoren, juichen om doelpunten, overwinningen en medailles vooral van Nederlanders. Meer mag er niet zijn om over te praten. En dat doet Jeroen en zijn geestverwanten pijn.
Elke keer als ik op de radio hoor wat Nederlandse sporters presteren, verlang ik naar chroniqueurs als Jeroen Wielaert. De gesproken columns vanaf een Frans terras. Bar-Tabac-le-Sport. Waar is naast het verslag het historisch besef, het menselijke en filosofisch aspect? Het is toch niet alleen goud wat er blinkt. Er is toch meer dan de wereld van winnen en verliezen, er zijn toch de verhalen vertolkt en weergegeven door verslaggevers met kennis van zaken en historisch besef. Mensen zoals Jeroen Wielaert die er voor gezorgd hebben dat de Tour de France in juli van dit jaar zijn Grand Départ beleeft.
Jeroen Wielaert wijst Tour-directeur Christian Prudhomme de weg in Utrecht
Er spoelde een golf van vreugde door Nederland en de Nederlandse wielersport toen in november 2013 bleek dat Tourdirecteur Prudhomme had gebeld omdat hij had toegezegd dat Utrecht de Tourstart in 2015 mocht organiseren. Het was nu definitief. Een eerder gerucht was met moeite door de nerveuze burgemeester Aleid Wolfsen binnenskamers gehouden. De bezoeken aan Utrecht, de locaties, de mensen, de fietsen, de jeugd en de dromen van Jeroen waren doorslaggevend was geweest. Al die mensen die door Wielaert waren ‘aangestuurd’, liever geïnspireerd, vlogen elkaar in de armen.
Jeroen Wielaert ziet van afstand hoe het bedrijfsleven, de bevolking, de politici en de sportliefhebbers zijn idee gretig omarmen. Utrecht zal worden overstroomd door wielrenners en hun begeleiding en aanhang, door cultuurevenementen, met kinderen en kunstenaars, met fiets- en ander typisch Nederlands gedoe. Utrecht wordt een stad van wielrenners, fietsers en andere nieuwsgierigen. Eén miljoen bezoekers? Het zou zo maar kunnen. Hij slaat op zijn brede borst. ,,Er lopen nu veel mensen in Utrecht die zeggen dat ze het allemaal hebben verzonnen. Succes heeft vele vaders. Velen hebben het voorelkaar gekregen, maar er is maar één die het heeft bedacht. En dat ben ik, in de kroeg met Jan Fokkens.’’
Jeroen Wielaert is niet bescheiden. Dat siert hem. Wie hem begin deze eeuw voor gek (un fou romantique) heeft verklaard, dient zich te haasten zich bij hem te verontschuldigen. Jeroen zelf wenst niettemin te vermelden dat hij dit initiatief vooral aan Dick Heuvelman te danken heeft. De Groningse wielerjournalist haalde in 2002 de Giro d’Italia naar Groningen en in 2009 de Vuelta naar Assen. Om de Giro binnen te halen bracht hij zelfs een bezoek aan de paus. Verder kan een enthousiaste geest nauwelijks gaan.
Jeroen Wielaert toont net als Heuvelman aan dat sportverslaggeving verder kan gaan dan kritiek en afstandelijk oordelen. Het zit hem toch meer dan gedacht in de fascinatie voor de sport, in het historisch besef en het in het stand houden van de sport waar we met zijn allen van blijken te houden. Pim Mulier, Joris van den Bergh en anderen. Maar ook Dick Heuvelman en Jeroen Wielaert. Dat rijtje van creatieve geesten.
Dit interview is gepubliceerd in NLcoach nummer 2 – 2015